Eureka CRR Sign in

02013R0575 — NL — 01.01.2026 — 020.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

▼M9

VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 juni 2013

betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

(Voor de EER relevante tekst)

▼B

(PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

 M1

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/62 VAN DE COMMISSIE  van 10 oktober 2014

  L 11

37

17.1.2015

 M2

VERORDENING (EU) 2016/1014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 8 juni 2016

  L 171

153

29.6.2016

 M3

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/2188 VAN DE COMMISSIE  van 11 augustus 2017

  L 310

1

25.11.2017

►M4

VERORDENING (EU) 2017/2395 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 12 december 2017

  L 345

27

27.12.2017

►M5

VERORDENING (EU) 2017/2401 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 12 december 2017

  L 347

1

28.12.2017

 M6

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/405 VAN DE COMMISSIE  van 21 november 2017

  L 74

3

16.3.2018

►M7

VERORDENING (EU) 2019/630 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 17 april 2019

  L 111

4

25.4.2019

►M8

VERORDENING (EU) 2019/876 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 20 mei 2019

  L 150

1

7.6.2019

►M9

VERORDENING (EU) 2019/2033 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 27 november 2019

  L 314

1

5.12.2019

►M10

VERORDENING (EU) 2019/2160 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 27 november 2019

  L 328

1

18.12.2019

►M11

VERORDENING (EU) 2020/873 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 24 juni 2020

  L 204

4

26.6.2020

►M12

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/424 VAN DE COMMISSIE  van 17 december 2019

  L 84

1

11.3.2021

►M13

VERORDENING (EU) 2021/558 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 31 maart 2021

  L 116

25

6.4.2021

 M14

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1043 VAN DE COMMISSIE  van 24 juni 2021

  L 225

52

25.6.2021

►M15

VERORDENING (EU) 2022/2036 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 19 oktober 2022

  L 275

1

25.10.2022

►M16

VERORDENING(EU) 2023/2869 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 13 december 2023

  L 2869

1

20.12.2023

►M17

VERORDENING (EU) 2024/1623 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 31 mei 2024

  L 1623

1

19.6.2024

 M18

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2024/2795 VAN DE COMMISSIE  van 24 juli 2024

  L 2795

1

31.10.2024

►M19

VERORDENING (EU) 2024/2987 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 27 november 2024

  L 2987

1

4.12.2024

►M20

VERORDENING (EU) 2025/1215 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 17 juni 2025

  L 1215

1

25.6.2025

►M21

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2025/1496 VAN DE COMMISSIE  van 12 juni 2025

  L 1496

1

19.9.2025


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 208, 2.8.2013, blz.  68 (575/2013)

►C2

Rectificatie, PB L 321, 30.11.2013, blz.  6 (nr. 575/2013)

►C3

Rectificatie, PB L 020, 25.1.2017, blz.  2 (nr. 575/2013)

 C4

Rectificatie, PB L 264, 13.10.2017, blz.  29 (2015/62)

►C5

Rectificatie, PB L 335, 13.10.2020, blz.  20 (2019/630)

►C6

Rectificatie, PB L 405, 2.12.2020, blz.  79 (2019/2033)

 C7

Rectificatie, PB L 065, 25.2.2021, blz.  61 (2019/876)

►C8

Rectificatie, PB L 158, 6.5.2021, blz.  23 (2019/876)

►C9

Rectificatie, PB L 398, 11.11.2021, blz.  34 (2019/876)

►C10

Rectificatie, PB L 277, 27.10.2022, blz.  315 (2022/…)

 C11

Rectificatie, PB L 092, 30.3.2023, blz.  29 (nr. 575/2013)

►C12

Rectificatie, PB L 90328, 16.4.2025, blz.  1 (2024/1623)




▼B

▼M9

VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 juni 2013

betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

(Voor de EER relevante tekst)

▼B



DEEL EEN

ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

▼M8

Artikel 1

Toepassingsgebied

In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings waarop overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU toezicht wordt uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden:

a) 

eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico, marktrisico, operationeel risico, afwikkelingsrisico en hefboomfinanciering;

b) 

vereisten ter beperking van grote blootstellingen;

c) 

liquiditeitsvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico;

d) 

rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c);

e) 

openbaarmakingsvereisten.

In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die af te wikkelen entiteiten die mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) zijn of onderdeel zijn van MSI's en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-MSI's, in acht moeten nemen.

Deze verordening is niet van toepassing op de in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op de instellingen.

Artikel 2

Toezichtsbevoegdheden

1.  
Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2013/36/EU en in deze verordening zijn bepaald.
2.  
Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de afwikkelingsautoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) en in deze verordening zijn bepaald.
3.  
Teneinde de naleving van de vereisten betreffende eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te waarborgen, werken de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten samen.
4.  
Teneinde de naleving in het kader van hun respectieve bevoegdheden te waarborgen, zorgen de bij artikel 42 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) ingestelde Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de Europese Centrale Bank, wat betreft aangelegenheden die verband houden met de haar bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad ( 3 ) toevertrouwde taken, voor de regelmatige en betrouwbare uitwisseling van relevante informatie.

▼M9

5.  
Bij de toepassing van de bepalingen van artikel 1, leden 2 en 5, van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ) ten aanzien van in die leden bedoelde beleggingsondernemingen behandelen de bevoegde autoriteiten als omschreven in artikel 3, lid 1, punt 5, van richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ) die beleggingsondernemingen alsof zij „instellingen” uit hoofde van deze verordening zijn.

▼B

Artikel 3

Toepassing van striktere vereisten door instellingen

Deze verordening belet instellingen niet hogere bedragen aan eigen vermogen en bestanddelen ervan aan te houden dan, of maatregelen toe te passen die strikter zijn dan die welke bij deze verordening worden voorgeschreven.

Artikel 4

Definities

1.  

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

▼M9

(1)

"kredietinstelling" : een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan uit een van de volgende activiteiten:
a) 

het bij het publiek aantrekken van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;

▼M17

b) 

het uitvoeren van in de in bijlage I, deel A, punten 3 en 6, bij Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ) bedoelde activiteiten, waarbij een van de volgende voorwaarden van toepassing is, maar de onderneming geen grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, geen instelling voor collectieve belegging, geen verzekeringsonderneming of geen beleggingsonderneming is waarvoor ontheffing is verleend van de in artikel 8 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vergunning als kredietinstelling:

i) 

de totale waarde van de geconsolideerde activa van de in de Unie gevestigde onderneming, met inbegrip van haar in een derde land gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen, is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard EUR;

ii) 

de totale waarde van de activa van de in de Unie gevestigde onderneming, met inbegrip van haar in een derde land gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen, bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle in de Unie gevestigde ondernemingen binnen die groep, met inbegrip van haar in derde landen gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard EUR aan totale activa bezitten en die een van de in bijlage I, deel A, punten 3 en 6, bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten uitoefenen, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR;

iii) 

de totale waarde van de activa van de in de Unie gevestigde onderneming, met inbegrip van haar in derde landen gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen, bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen de groep die een van de in bijlage I, deel A, punten 3 en 6, bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten uitoefenen, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR, indien de consoliderende toezichthouder in overleg met het college van toezichthouders daartoe beslist om potentiële risico’s van omzeiling en potentiële risico’s voor de financiële stabiliteit van de Unie aan te pakken;

▼M9

voor de toepassing van punt b), onder ii) en iii), worden, indien de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa meegerekend van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land die in de Unie een vergunning heeft in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep;

(2)

"beleggingsonderneming" : een beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU, waaraan op grond van die richtlijn een vergunning is verleend, met uitsluiting van kredietinstellingen;

(3)

"instelling" : een kredietinstelling waaraan op grond van artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend, of een onderneming als bedoeld in artikel 8 bis, lid 3, ervan;

▼M9 —————

▼B

(5)

"verzekeringsonderneming" : een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 13, punt 1, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) ( 7 );

(6)

"herverzekeringsonderneming" : een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 13, punt 4, van Richtlijn 2009/138/EG;

▼M8

(7)

"instelling voor collectieve belegging" of "icb" : een icbe als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ), of een alternatieve beleggingsinstelling (abi) als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 9 );

▼B

(8)

"publiekrechtelijk lichaam" : een administratief orgaan zonder winstoogmerk dat verantwoording moet afleggen aan de centrale, regionale of lokale overheid of aan overheden die dezelfde verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lokale overheden, ofeen niet-commerciële onderneming die in handen is van of is opgericht en wordt gefinancierd door centrale, regionale of lokale overheden en uitdrukkelijke waarborgregelingen heeft; hieronder kunnenbij wet geregelde organen met zelfbestuur die onder openbaar toezicht staan vallen;

(9)

"leidinggevend orgaan" : leidinggevend orgaan als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, onder e), van Richtlijn 2013/36/EU;

(10)

"directie" : directie als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, onder f), van Richtlijn 2013/36/EU;

(11)

"systeemrisico" : systeemrisico als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, onder h), van Richtlijn 2013/36/EU;

▼M17 —————

▼M5

(13)

"initiator" : een initiator als gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) 2017/2402 ( 10 );

(14)

"sponsor" : een sponsor als gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) 2017/2402;

▼M5

(14 bis)

"oorspronkelijke kredietverstrekker" : een oorspronkelijke kredietverstrekker als gedefinieerd in artikel 2, punt 20, van Verordening (EU) 2017/2402;

▼M17

(15)

„moederonderneming” : een onderneming die zeggenschap in de zin van punt 37 uitoefent over één of meer ondernemingen;

(16)

„dochteronderneming” : een onderneming die onder de zeggenschap in de zin van punt 37 van een andere onderneming staat; dochterondernemingen van dochterondernemingen worden eveneens beschouwd als dochterondernemingen van de oorspronkelijke moederonderneming;

▼B

(17)

"bijkantoor" : een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een instelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een instelling;

▼M17

(18)

„onderneming die nevendiensten verricht” :

een onderneming waarvan de hoofdactiviteit, ongeacht of deze wordt verricht ten behoeve van ondernemingen binnen de groep of cliënten buiten de groep, uit een van de volgende activiteiten bestaat:

a) 

werkzaamheden die rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen;

b) 

operationele leasing, het eigendom of beheer van onroerend goed, het verrichten van diensten voor gegevensverwerking of iedere andere activiteit voor zover die activiteit een nevendienst van het bankbedrijf is;

c) 

andere activiteiten die door de EBA als vergelijkbaar met die in de punten a) en b) worden beschouwd;

▼C2

(19)

"vermogensbeheerder" : een vermogensbeheerder als gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG of een abi-beheerder als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 2011/61/EU, met inbegrip, tenzij anders bepaald, van entiteiten van derde landen, die soortgelijke werkzaamheden verrichten en die onderworpen zijn aan het recht van een derde land;

▼M17

(20)

„financiële holding” :

een onderneming die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

zij is een financiële instelling;

b) 

zij is geen gemengde financiële holding;

c) 

zij heeft ten minste één dochterondernemingen die een instelling is;

d) 

meer dan 50 % van de onderstaande indicatoren is op regelmatige basis verbonden met dochterondernemingen die instellingen of financiële instellingen zijn, en met door de onderneming zelf uitgevoerde activiteiten die geen verband houden met het verwerven of houden van deelnemingen in dochterondernemingen wanneer die activiteiten van dezelfde aard zijn als die welke door instellingen of financiële instellingen worden uitgevoerd:

i) 

het eigen vermogen van de onderneming op basis van haar geconsolideerde situatie;

ii) 

de activa van de onderneming op basis van haar geconsolideerde situatie;

iii) 

de inkomsten van de onderneming op basis van haar geconsolideerde situatie;

iv) 

het personeel van de onderneming op basis van haar geconsolideerde situatie;

v) 

andere door de bevoegde autoriteit relevant geachte indicatoren.

De bevoegde autoriteit kan besluiten een entiteit niet als financiële holding aan te merken, zelfs niet indien aan een van de in de eerste alinea, punten i) tot en met iv), bedoelde indicatoren is voldaan, indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de desbetreffende indicator geen getrouw beeld van de voornaamste activiteiten en risico’s van de groep geeft. Alvorens een dergelijk besluit te nemen, raadpleegt de bevoegde autoriteit de EBA en verstrekt zij een onderbouwde en gedetailleerde kwalitatieve en kwantitatieve motivering. De bevoegde autoriteit houdt terdege rekening met het advies van de EBA en deelt, indien zij besluit van het advies af te wijken, de EBA binnen drie maanden na de datum van ontvangst van het advies van de EBA mee waarom zij van het advies is afgeweken;

▼M17

(20 bis)

„beleggingsholding” : een beleggingsholding zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 23, van Verordening (EU) 2019/2033;

▼B

(21)

"gemengde financiële holding" : gemengde financiële holding artikel 2, punt 15, van Richtlijn 2002/87/EG;

(22)

"gemengde holding" : een moederonderneming die geen financiële holding en evenmin een instelling of een gemengde financiële holding is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één instelling telt;

(23)

"verzekeringsonderneming van een derde land" : verzekeringsonderneming van een derde land als gedefinieerd in artikel 13, punt 3, van Richtlijn 2009/138/EG;

(24)

"herverzekeringsonderneming van een derde land" : herverzekeringsonderneming van een derde land als gedefinieerd in artikel 13, punt 6, van Richtlijn 2009/138/EG;

(25)

"erkende beleggingsonderneming van een derde land" :

onderneming die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

indien zij in de Unie was gevestigd, zou zij onder de definitie van een beleggingsonderneming vallen;

b) 

haar is vergunning verleend in een derde land;

c) 

zij is onderworpen en houdt zich aan prudentiële vereisten welke door de bevoegde autoriteiten als minstens even strikt als de vereisten van deze verordening of van Richtlijn 2013/36/EU worden beschouwd;

▼M17

(26)

„financiële instelling” :

een instelling die aan deze beide voorwaarden voldoet:

a) 

zij is geen instelling, zuiver industriële holding, special purpose entity voor securitisatiedoeleinden, verzekeringsholding zoals gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt f), van Richtlijn 2009/138/EG, of gemengde verzekeringsholding zoals gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt g), van die richtlijn, behalve wanneer een gemengde verzekeringsholding een dochterinstelling heeft;

b) 

zij voldoet aan een of meer van de volgende voorwaarden:

i) 

de hoofdactiviteit van de onderneming is het verwerven of houden van deelnemingen of het uitoefenen van een of meer van de in bijlage I, punten 2 tot en met 12 en punten 15, 16 en 17, bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde activiteiten, dan wel het verrichten van een of meer van de in bijlage I, afdeling A of B, bij Richtlijn 2014/65/EU genoemde diensten of activiteiten met betrekking tot in bijlage I, afdeling C, bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde financiële instrumenten;

ii) 

de onderneming is een beleggingsonderneming, een gemengde financiële holding, een beleggingsholding, een betalingsdienstaanbieder zoals ingedeeld in artikel 1, lid 1, punten a) tot en met d), van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad ( 11 ), een vermogensbeheerder of een onderneming die nevendiensten verricht;

▼M17

(26 bis)

„zuiver industriële holding” :

een onderneming die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

haar hoofdactiviteit is het verwerven of houden van deelnemingen;

b) 

zij is niet bedoeld in punt 27, a), of punt 27, d) tot en met l), van dit lid, en is geen beleggingsonderneming, of een vermogensbeheerder of een betalingsdienstaanbieder zoals ingedeeld in artikel 1, lid 1, punten a) tot en met d), van Richtlijn (EU) 2015/2366;

c) 

zij houdt geen belang in een entiteit uit de financiële sector;

▼B

(27)

"entiteit uit de financiële sector" :

een van de volgende entiteiten:

a) 

een instelling;

b) 

een financiële instelling;

▼M17 —————

▼B

d) 

een verzekeringsonderneming;

e) 

een verzekeringsonderneming uit een derde land;

f) 

een herverzekeringsonderneming;

g) 

een herverzekeringsonderneming uit een derde land;

▼C2

h) 

een verzekeringsholding als gedefinieerd in artikel 212, lid 1, onder f), van Richtlijn 2009/138/EG;

▼C2

▼B

k) 

een van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG uitgesloten onderneming overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn;

l) 

een onderneming van een derde land waarvan het hoofdbedrijf vergelijkbaar is met dat van een van de in de punten a) tot en met k) vermelde entiteiten;

▼M17

(28)

„moederinstelling in een lidstaat” : een instelling in een lidstaat die een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft, of die een deelneming heeft in een instelling of financiële instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

▼B

(29)

"EU-moederinstelling" : een moederinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

▼M9

(29 bis)

"moederbeleggingsonderneming in een lidstaat" : een moederonderneming in een lidstaat die een beleggingsonderneming is;

(29 ter)

"EU-moederbeleggingsonderneming" : een EU-moederonderneming die een beleggingsonderneming is;

▼M8

(29 quater)

"moederkredietinstelling in een lidstaat" : een moederinstelling in een lidstaat die een kredietinstelling is;

(29 quinquies)

"EU-moederkredietinstelling" : een EU-moederinstelling die een kredietinstelling is;

▼B

(30)

"financiële moederholding in een lidstaat" : een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(31)

"financiële EU-moederholding" : een financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in een van lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(32)

"gemengde financiële moederholding in een lidstaat" : een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(33)

"gemengde financiële EU-moederholding" : een gemengde financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(34)

"centrale tegenpartij" of "CTP" : een CTP als omschreven in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

▼M17

(35)

„deelneming” : een deelneming zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ), of de rechtstreekse of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;

▼B

(36)

"gekwalificeerde deelneming" : het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van 10 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een percentage dat het mogelijk maakt een invloed van betekenis op de bedrijfsvoering van die onderneming uit te oefenen;

▼M17

(37)

„zeggenschap” : de betrekking die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals beschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU, of in de standaarden voor jaarrekeningen waaraan een instelling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( 13 ) moet voldoen, of een soortgelijke betrekking tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

▼B

(38)

"nauwe banden" :

een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen op een van de volgende wijzen zijn verbonden:

a) 

een deelneming in de vorm van het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming;

b) 

door een zeggenschapsband;

c) 

door een duurzame band van beiden of allen met dezelfde derde persoon door middel van een verhouding van zeggenschap;

(39)

"groep verbonden cliënten" :

een van de volgende omschrijvingen:

a) 

twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere persoon of personen;

b) 

twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsband als beschreven in punt a) bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, en met name financierings- of betalingsmoeilijkheden, de andere of alle anderen waarschijnlijk ook in financierings- of betalingsmoeilijkheden zouden komen.

▼M8

Twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die wegens hun directe blootstelling aan dezelfde CTP in het kader van clearingactiviteiten aan de in punt a) of b) vervatte omschrijvingen beantwoorden, worden niet als een groep verbonden cliënten beschouwd;

▼B

(40)

"bevoegde autoriteit" : een bij nationale wetgeving officieel erkende overheidsinstantie of lichaam die/dat bij nationale wetgeving gemachtigd is toezicht op instellingen uit te oefenen als onderdeel van het in de betrokken lidstaat geldende toezichtstelsel;

▼M8

(41)

"consoliderend toezichthouder" : een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;

▼B

(42)

"vergunning" : een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden uit te oefenen;

(43)

"lidstaat van herkomst" : de lidstaat waarin aan een instelling een vergunning is verleend;

(44)

"lidstaat van ontvangst" : de lidstaat waarin een instelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;

(45)

"centrale banken van het ESCB" : de nationale centrale banken die lid zijn van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en de Europese Centrale Bank (ECB);

(46)

"centrale banken" : de centrale banken van het ESCB en de centrale banken van derde landen;

(47)

"geconsolideerde situatie" : situatie die voortvloeit uit het toepassen van de vereisten van deze verordening overeenkomstig deel één, titel II, hoofdstuk 2, op een instelling alsof deze instelling samen met een of meer andere entiteiten één enkele instelling vormt;

(48)

"geconsolideerde basis" : op basis van de geconsolideerde situatie;

(49)

"op gesubconsolideerde basis" : op basis van de geconsolideerde situatie van een moederinstelling, financiële moederholding of gemengde financiële moederholding met uitzondering van een subgroep van entiteiten, of op basis van de geconsolideerde situatie van een moederinstelling, financiële moederholding of gemengde financiële moederholding die niet de uiteindelijke moederinstelling, financiële moederholding of gemengde financiële moederholding is;

(50)

"financieel instrument" :

een van de volgende instrumenten:

a) 

een overeenkomst die leidt tot zowel een financieel actief bij een partij als een financiële verplichting of eigenvermogensinstrument bij een andere partij;

b) 

een instrument genoemd in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG;

c) 

een afgeleid financieel instrument;

d) 

een primair financieel instrument;

e) 

een kasinstrument.

De in de punten a), b) en c) bedoelde instrumenten zijn uitsluitend financiële instrumenten als hun waarde afgeleid is van de prijs van een onderliggend financieel instrument of een andere onderliggende post, een rentevoet of een index;

▼M9

(51)

"aanvangskapitaal" : de hoeveelheden en soorten eigen vermogen die in artikel 12 van Richtlijn 2013/36/EU zijn vastgesteld;

▼M17

(52)

„operationeel risico” : het risico van verliezen als gevolg van ongeschikte of falende interne processen, personen en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, juridisch risico, modelrisico of risico met betrekking tot informatie- en communicatietechnologierisico (ICT-risico), met uitzondering van strategisch risico en reputatierisico;

▼M17

(52 bis)

„juridisch risico” :

het risico van verliezen, met inbegrip van uitgaven, geldboeten, sancties of punitieve schadevergoedingen, dat een instelling kan lijden als gevolg van gebeurtenissen die juridische procedures tot gevolg hebben, met inbegrip van:

a) 

toezichtsmaatregelen en particuliere schikkingen;

b) 

nalatigheid wanneer moet worden gehandeld om een juridische verplichting na te leven;

c) 

handelingen verricht om naleving van een juridische verplichting te vermijden;

d) 

wangedragsgebeurtenissen, d.w.z. gebeurtenissen die voortvloeien uit opzettelijk of nalatig wangedrag, met inbegrip van het op onbehoorlijke wijze verlenen van financiële diensten of het verstrekken van ontoereikende of misleidende informatie over het financiële risico van producten die worden verkocht door de instelling;

e) 

niet-naleving van vereisten die uit nationale of internationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen voortvloeien;

f) 

niet-naleving van vereisten die voortvloeien uit contractuele regelingen, of van interne regels en gedragscodes die zijn opgesteld in overeenstemming met nationale of internationale regels en praktijken;

g) 

niet-naleving van regels inzake ethiek;

(52 ter)

„modelrisico” :

het risico op verlies als gevolg van beslissingen die hoofdzakelijk op de output van interne modellen zijn gebaseerd, en dat te wijten is aan fouten in het ontwerp, de ontwikkeling, raming van de parameters, implementatie of gebruik of monitoring van dergelijke modellen, waaronder:

a) 

het slechte ontwerp van een geselecteerd intern model en zijn kenmerken;

b) 

de ontoereikende verificatie of een geselecteerd intern model geschikt is voor het te evalueren financiële instrument of het te beprijzen product, dan wel of het geselecteerde interne model geschikt is voor de geldende marktomstandigheden;

c) 

fouten bij de implementatie van een geselecteerd intern model;

d) 

onjuiste waarderingen tegen marktwaarde en risicometing als gevolg van een fout bij het boeken van een transactie in het handelssysteem;

e) 

het gebruik van een geselecteerd intern model, of de outputs ervan, voor een doel waarvoor dat model niet bestemd of ontworpen was, met inbegrip van manipulatie van de modelleringsparameters;

f) 

de ontijdige of ineffectieve monitoring of validatie van de prestaties van het model of van het voorspellend vermogen om te beoordelen of het geselecteerde interne model nog geschikt is voor het beoogde doel;

(52 quater)

„ICT-risico” : het risico op verlies dat redelijkerwijs aan te wijzen omstandigheden inhouden in verband met het gebruik van netwerk- en informatiesystemen, dat, indien het zich voordoet, de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen, van technologieafhankelijke instrumenten of processen, van verrichtingen en processen, of van de levering van de diensten in gevaar zou kunnen brengen, door schadelijke effecten met zich mee te brengen in de digitale of fysieke omgeving;

(52 quinquies)

„ecologisch, sociaal en governancerisico” of „ESG-risico” : het risico op negatieve financiële effecten op een instelling die voortvloeien uit de actuele of te verwachten effecten van ecologische, sociale of governancefactoren (ESG-factoren) op de tegenpartijen van die instelling of de activa waarin zij is belegd; ESG-risico’s komen tot uiting in de traditionele categorieën van financiële risico’s;

(52 sexies)

„ecologisch risico” : het risico op negatieve financiële effecten op een instelling die voortvloeien uit de actuele of te verwachten effecten van ecologische factoren op de tegenpartijen van die instelling of de activa waarin is belegd, met inbegrip van factoren met betrekking tot de transitie naar de in artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 14 ) vastgelegde doelstellingen; ecologisch risico omvat zowel fysiek risico als transitierisico;

(52 septies)

„fysiek risico”, als onderdeel van het ecologische risico : het risico op negatieve financiële effecten op een instelling die uit de actuele of te verwachten effecten van de fysieke effecten van ecologische factoren voortvloeien, op de tegenpartijen van die instelling of de activa waarin zij is belegd;

(52 octies)

„transitierisico”, als onderdeel van het ecologische risico : het risico op negatieve financiële effecten op een instelling die uit de actuele of te verwachten effecten van de transitie naar een ecologisch duurzame economie voortvloeien, op de tegenpartijen van die instelling of de activa waarin zij is belegd;

(52 nonies)

„sociaal risico” : het risico op negatieve financiële effecten op een instelling die uit de actuele of te verwachten effecten van sociale factoren voortvloeien, op de tegenpartijen van die instelling of de activa waarin zij is belegd;

(52 decies)

„governancerisico” : het risico op negatieve financiële effecten op een instelling die uit de actuele of te verwachten effecten van governancefactoren voortvloeien, op de tegenpartijen van die instelling of de activa waarin zij is belegd;

▼B

(53)

"verwateringsrisico" : het risico dat een kortlopende vordering afneemt door geldelijke of niet-geldelijke kredieten aan de debiteur;

▼M17

(54)

„kans op wanbetaling” (probability of default — PD) : de kans dat een debiteur of, in voorkomend geval, een kredietfaciliteit over een periode van één jaar in gebreke blijft en, in het kader van verwateringsrisico, de kans op verwatering over een periode van één jaar;

(55)

„verlies bij wanbetaling” (loss given default — LGD) : de verhouding tussen het verlies op een blootstelling met betrekking tot één faciliteit als gevolg van wanbetaling van een debiteur of, in voorkomend geval, een kredietfaciliteit en het uitstaande bedrag bij wanbetaling of op een gegeven referentiedatum na de wanbetalingsdatum en, in het kader van verwateringsrisico, het verlies bij verwatering, d.w.z. de verhouding tussen het verlies op een blootstelling met betrekking tot een gekochte kortlopende vordering als gevolg van verwatering en het uitstaande bedrag volgens de gekochte kortlopende vordering;

(56)

„omrekeningsfactor” (credit conversion factor — CCF) : de verhouding tussen het niet-opgenomen bedrag van een kredietlijn van één faciliteit dat vanaf een bepaald tijdstip vóór wanbetaling zou kunnen worden opgenomen van die ene faciliteit — en daardoor zou openstaan bij wanbetaling — en het niet-opgenomen bedrag van de kredietlijn van die faciliteit, waarbij de omvang van de kredietlijn wordt bepaald door de toegestane limiet, tenzij de niet-toegestane limiet hoger ligt;

▼B

(57)

"kredietrisicolimitering" : een door een instelling gehanteerde techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan een positie of aan posities die de instelling blijft houden;

▼M17

(58)

„volgestorte kredietprotectie” (funded credit protection — FCP) : een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de blootstelling van een instelling, wordt beperkt dankzij het recht van die instelling om, bij wanbetaling van de debiteur of de kredietfaciliteit, of bij andere specifieke kredietgebeurtenissen in verband met de debiteur, bepaalde activa of posten te liquideren, over te nemen, daarvan het eigendom te verwerven of te behouden dan wel het bedrag van de blootstelling te verlagen tot of die te vervangen door het verschil tussen het bedrag van de blootstelling zelf en het bedrag van een vordering op de instelling;

(59)

„niet-volgestorte kredietprotectie” (unfunded credit protection — UFCP) : een techniek van kredietrisicolimitering waarbij de beperking van het kredietrisico betreffende de blootstelling van een instelling voortvloeit uit de verplichting van een derde om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de debiteur of de kredietfaciliteit, of bij het plaatsvinden van andere specifieke kredietgebeurtenissen;

(60)

„met contante geldmiddelen vergelijkbaar instrument” : een certificaat van deposito, een obligatie, met inbegrip van een gedekte obligatie, of enig ander niet-achtergesteld instrument dat door een leningverstrekkende instelling wordt uitgegeven, waarvoor die leningverstrekkende instelling reeds volledige betaling heeft ontvangen en dat onvoorwaardelijk door de instelling tegen de nominale waarde wordt terugbetaald;

▼M17

(60 bis)

„ongemunt goud” : goud in de vorm van een grondstof, met inbegrip van goudstaven, ingots en munten, breed geaccepteerd op de markt voor ongemunt goud, wanneer er liquide markten voor ongemunt goud bestaan, en waarvan de waarde wordt bepaald door de waarde van het goudgehalte, omschreven als de zuiverheid en dichtheid — in plaats van door het belang ervan voor numismaten;

▼M5

(61)

"securitisatie" : een securitisatie als gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2017/2402;

(62)

"securitisatiepositie" : een securitisatiepositie als gedefinieerd in artikel 2, punt 19, van Verordening (EU) 2017/2402;

(63)

"hersecuritisatie" : een hersecuritisatie als gedefinieerd in artikel 2, punt 4, van Verordening (EU) 2017/2402;

▼B

(64)

"hersecuritisatiepositie" : een blootstelling in het kader van een hersecuritisatie;

(65)

"kredietverbetering" : een contractuele regeling waarbij de kredietkwaliteit van een securitisatiepositie verbetert ten opzichte van een situatie waarin van een dergelijke regeling geen sprake zou zijn geweest; daartoe worden ook verbeteringen gerekend die worden gerealiseerd door meer achtergestelde tranches in de securitisatie en door andere soorten kredietprotectie;

▼M5

(66)

"special purpose entity voor securitisatiedoeleinden of SSPE" : een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden of SSPE als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2017/2402;

(67)

"tranche" : een tranche als gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Verordening (EU) 2017/2402;

▼B

(68)

"waardering tegen marktwaarde" : het bepalen van de waarde van posities op basis van direct beschikbare afwikkelingsprijzen, afkomstig van onafhankelijke bronnen, waaronder beurskoersen, prijzen in de schermenhandel of noteringen van een aantal onafhankelijke gereputeerde effectenmakelaars;

(69)

"waardering op basis van een modellenbenadering" : het door middel van benchmarking, extrapolatie of een andere berekeningswijze bepalen van de waarde op basis van een of meerdere inputs uit de markt;

(70)

"onafhankelijke prijsverificatie" : een proces waarbij marktprijzen of modelinputs op regelmatige basis op hun nauwkeurigheid en onafhankelijkheid worden gecontroleerd;

▼C2

(71)

"in aanmerking komend kapitaal" :

a) 

voor de toepassing van deel 2, titel III, de som van:

i) 

tier 1-kapitaal als bedoeld in artikel 25, zonder toepassing van de aftrek in artikel 36, lid 1, onder k), punt i);

ii) 

tier 2-kapitaal als bedoeld in artikel 71 dat gelijk is aan één derde of minder van het tier 1-kapitaal als berekend krachtens punt i) van dit punt;

b) 

▼M8

voor de toepassing van artikel 97, de som van:

▼C2

i) 

tier 1-kapitaal als bedoeld in artikel 25;

ii) 

tier 2-kapitaal als bedoeld in artikel 71, dat gelijk is aan één derde of minder van het tier 1-kapitaal;

▼B

(72)

"erkende beurs" :

beurs die aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

▼M9

a) 

ze is een gereglementeerde markt of een markt van een derde land die overeenkomstig de in artikel 25, lid 4, punt a), van Richtlijn 2014/65/EU bepaalde procedure als gelijkwaardig aan een gereglementeerde markt geacht wordt;

▼B

b) 

ze beschikt over een clearingregeling waarbij de in bijlage II vermelde contracten onderworpen zijn aan dagelijkse margevereisten die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate bescherming bieden;

(73)

"uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen" : verhoogde pensioenuitkeringen die een instelling aan een medewerker op discretionaire basis verleent als onderdeel van een variabele beloning van deze medewerker. Tot deze uitkeringen worden niet gerekend verhoogde uitkeringen die aan een medewerker worden verleend op grond van de voorwaarden van het bedrijfspensioenfonds;

(74)

"hypotheekwaarde" : de waarde van vastgoed die is vastgesteld op grond van een voorzichtige prognose van de toekomstige verhandelbaarheid van het goed, rekening houdend met duurzame langetermijnaspecten van het goed, de normale en plaatselijke marktvoorwaarden, het gebruik dat op dit ogenblik van het goed wordt gemaakt en eventueel andere doeleinden waarvoor het geschikt is;

▼M17

(74 bis)

„onroerendgoedwaarde” : de overeenkomstig artikel 229, lid 1, bepaalde waarde van een niet-zakelijk of een zakelijk onroerend goed;

▼M17

(75)

„niet-zakelijk onroerend goed” :
a) 

een onroerend goed dat naar zijn aard een woning is en voldoet aan alle toepasselijke wet- en regelgeving waardoor het onroerend goed mag worden bewoond;

b) 

een onroerend goed dat naar zijn aard een woning is en nog in aanbouw is, mits de verwachting is dat het onroerend goed aan alle toepasselijke wet- en regelgeving zal voldoen waardoor het onroerend goed mag worden bewoond;

c) 

het recht inzake bewoning van een appartement in woningcoöperaties die zich in Zweden bevinden, of

d) 

voor nevengebruik bestemde gronden bij een in punt a), b) of c) bedoeld onroerend goed;

▼M17

(75 bis)

„zakelijk onroerend goed” : onroerend goed niet zijnde niet-zakelijk onroerend goed;

(75 ter)

„blootstelling gedekt door inkomstengenererend onroerend goed” (income producing real estate exposure — IPRE-blootstelling) : een door één of meer niet-zakelijke of zakelijke onroerende goederen gedekte blootstelling waarbij het vervullen van de kredietverplichtingen met betrekking tot de blootstelling materieel afhankelijk is van de kasstromen die worden gegenereerd door die onroerende goederen die die blootstelling dekken — en niet door de mogelijkheden van de debiteur om de kredietverplichtingen uit andere bronnen na te komen; waarbij de primaire bron van dergelijke kasstromen uit lease- of rentebetalingen, of opbrengsten van de verkoop van niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed bestaat;

(75 quater)

„blootstelling niet gedekt door inkomstengenererend onroerend goed” of „niet-IPRE-blootstelling” : een door één of meer niet-zakelijke of zakelijke onroerende goederen gedekte blootstelling niet zijnde een IPRE-blootstelling;

(75 quinquies)

„door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling” of „door een hypotheek op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling” : een blootstelling gedekt door een niet-zakelijk onroerend goed of een blootstelling die als zodanig wordt aangemerkt overeenkomstig artikel 108, lid 4;

(75 sexies)

„door zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling” of „door een hypotheek op zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling” : een blootstelling gedekt door een zakelijk onroerend goed;

(75 septies)

„door onroerend goed gedekte blootstelling” of „door een hypotheek op onroerend goed gedekte blootstelling” of „door zekerheden in de vorm van onroerend goed gedekte blootstelling” : een blootstelling gedekt door een niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed of een blootstelling die als zodanig wordt aangemerkt overeenkomstig artikel 108, lid 4;

▼B

(76)

"marktwaarde" : met betrekking tot vastgoed het geraamde bedrag waartegen het goed op de dag van de taxatie door een willige verkoper op marktconforme wijze zou kunnen worden verkocht aan een willige koper na een deugdelijke verkoopprocedure waarbij elk van de partijen met kennis van zaken, voorzichtig en zonder dwang heeft gehandeld;

(77)

"toepasselijk kader voor financiële verslaggeving" : de standaarden voor jaarrekeningen waaraan de instelling onderworpen is uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1606/2002 of Richtlijn 86/635/EEG;

▼M17

(78)

„jaarlijkse wanbetalingsgraad” : de verhouding tussen het aantal debiteuren of, indien op grond van artikel 178, lid 1, tweede alinea, de definitie van wanbetaling wordt toegepast op kredietfaciliteitniveau, kredietfaciliteiten ten aanzien waarvan een wanbetaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden tijdens een periode die loopt vanaf één jaar vóór waarnemingsdatum T, en het aantal debiteuren, dan wel, indien op grond van artikel 178, lid 1, tweede alinea, de definitie van wanbetaling wordt toegepast op kredietfaciliteitniveau, het aantal kredietfaciliteiten dat één jaar vóór waarnemingsdatum T aan die klasse of groep is toegewezen;

▼M17

(78 bis)

„blootstelling in de vorm van het verwerven, ontwikkelen en bebouwen van gronden” (land acquisition, development and construction exposure — ADC-blootstelling) : blootstelling met betrekking tot ondernemingen of special purpose entities die de verwerving van voor ontwikkeling en bebouwing bestemde gronden financieren of die de ontwikkeling en het bouwen van niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed financieren;

(78 ter)

„niet-ADC-blootstelling” : een blootstelling gedekt door één of meer niet-zakelijke of zakelijke onroerende goederen die geen ADC-blootstelling is;

▼M17 —————

▼B

(80)

"handelsfinanciering" : financiering, garanties daaronder begrepen, in verband met de handel in goederen en diensten door middel van financiële producten met een vaste korte looptijd, gewoonlijk van minder dan 1 jaar, zonder automatisch doorrollen;

(81)

"door de overheid gesteunde exportkredieten" : leningen of kredieten ter financiering van de export van goederen en diensten waarvoor een officiële exportkredietinstelling garanties, verzekering of directe financiering verstrekt;

(82)

"retrocessieovereenkomst" en "omgekeerde retrocessieovereenkomst" : een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen, dan wel gegarandeerde rechten overdraagt met betrekking tot de eigendom van effecten of grondstoffen wanneer deze garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten of grondstoffen en de overeenkomst een instelling niet toestaat een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één tegenpartij tegelijk over te dragen of in pand te geven, met de verbintenis deze terug te kopen hetzij vervangende effecten of grondstoffen met dezelfde kenmerken, tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen; het betreft een „retrocessieovereenkomst” voor de instelling die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een „omgekeerde retrocessieovereenkomst” voor de instelling die de effecten of grondstoffen koopt;

(83)

"retrocessietransactie" : een transactie in het kader van een "retrocessieovereenkomst" of een "omgekeerde retrocessieovereenkomst";

(84)

"eenvoudige retrocessieovereenkomst" : een retrocessietransactie betreffende een afzonderlijk activabestanddeel of soortgelijke niet-complexe activa, in tegenstelling tot een basket van activa;

(85)

"posities die met de intentie om te handelen worden ingenomen" :

een van de volgende posities:

a) 

de eigen posities van de instelling en de posities uit hoofde van de dienstverlening aan cliënten en van het onderhouden van een markt;

b) 

posities die bedoeld zijn om op korte termijn weder te verkopen;

c) 

posities die worden ingenomen met de bedoeling profijt te trekken van feitelijke of verwachte kortetermijnverschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen, of van andere prijs- of renteschommelingen;

▼M8

(86)

"handelsportefeuille" : alle posities in financiële instrumenten en grondstoffen die door een instelling worden ingenomen, hetzij met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van posities die worden ingenomen met de intentie om te handelen overeenkomstig artikel 104;

▼B

(87)

"multilaterale handelsfaciliteit" : een multilaterale handelsfaciliteit als gedefinieerd in artikel 4, punt 15, van Richtlijn 2004/39/EG;

(88)

"gekwalificeerde centrale tegenpartij" : een centrale tegenpartij die beschikt over een vergunning overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 of over een erkenning overeenkomstig artikel 25 van die verordening;

(89)

"wanbetalingsfonds" : een fonds dat door een CTP is opgericht overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en dat wordt gebruikt overeenkomstig artikel 45 van die verordening;

(90)

"voorgefinancierde bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP" : een bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP die door een instelling wordt gestort;

▼M8

(91)

"CTP-transactieblootstelling" : een actuele blootstelling, met inbegrip van een door het clearinglid te ontvangen maar nog niet ontvangen variatiemarge, en een potentiële toekomstige, uit in artikel 301, lid 1, punten a), b) en c), bedoelde overeenkomsten en transacties voortvloeiende blootstelling van een clearinglid of een cliënt aan een CTP, alsmede de initiële marge;

▼B

(92)

"gereglementeerde markt" : een gereglementeerde markt als gedefinieerd in artikel 4, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG;

(93)

"hefboomfinanciering" : de relatieve omvang van de activa van een instelling, plus haar verplichtingen buiten balanstelling en voorwaardelijke verplichtingen tot betalen, tot leveren of tot het stellen van zekerheden, met inbegrip van verplichtingen vanwege ontvangen financiering, aangegane verbintenissen, derivaten of retrocessieovereenkomsten, maar met uitsluiting van verplichtingen die enkel bij liquidatie van een instelling kunnen worden afgedwongen, in verhouding tot het eigen vermogen van deze instelling;

(94)

"risico van buitensporige hefboomwerking" : het risico dat voortvloeit uit de kwetsbaarheid van een instelling als gevolg van een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die onbedoelde corrigerende maatregelen in haar bedrijfsplan kan vereisen, met inbegrip van noodverkopen van activa die in verliezen of waarderingsaanpassingen in haar resterende activa kunnen resulteren;

(95)

"kredietrisicoaanpassing" : het bedrag van de voorziening voor specifieke en algemene verliezen op leningen voor kredietrisico's die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving in de financiële overzichten van de instelling worden opgevoerd;

▼M8

(96)

"interne afdekking" : een positie die de risicocomponenten tussen een positie in de handelsportefeuille en een positie of reeks posities in de niet-handelsportefeuille, of tussen twee tradingafdelingen in wezenlijke mate compenseert;

▼B

(97)

"referentieverplichting" : een verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt voor het bepalen van de waarde van de afwikkeling in contanten van een kredietderivaat.

(98)

"externe kredietbeoordelingsinstelling" of "EKBI" : een ratingbureau dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus ( 15 ) geregistreerd of gecertificeerd is, of een centrale bank die kredietbeoordelingen afgeeft die van de toepassing van Verordening (EG) nr. 1060/2009 zijn ontheven;

(99)

"Aangewezen EKBI" : een door een instelling aangewezen EKBI;

(100)

"gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten" : hetzelfde als in International Accounting Standard (IAS) 1, als toepasselijk uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

(101)

"kernvermogen" : kernvermogen in de zin van artikel 88 van Richtlijn 2009/138/EG;

(102)

"tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen" : kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 1 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 1, van die Richtlijn;

(103)

"aanvullend-tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen" : kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 1 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 1, van deze Richtlijn en het opnemen van dergelijke bestanddelen beperkt wordt door de overeenkomstig artikel 99 van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen;

(104)

"tier 2-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen" : kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 2 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 2, van die Richtlijn;

(105)

"tier 3-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen" : kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 3 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 3, van die Richtlijn;

(106)

"uitgestelde belastingvorderingen" : hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(107)

"uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten" : uitgestelde belastingvorderingen waarvan de toekomstige waarde enkel kan worden gerealiseerd indien de instelling in de toekomst belastbare winst maakt;

(108)

"uitgestelde belastingverplichtingen" : hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(109)

"activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds" : de activa van een pensioenfonds dat, respectievelijk een pensioenregeling die op vaste toezeggingen gebaseerd is, berekend nadat op die activa het bedrag van de verplichtingen uit hoofde van dat fonds, respectievelijk die regeling in mindering is gebracht;

(110)

"uitkeringen" : de betaling van dividenden of van interest in welke vorm ook;

(111)

"financiële onderneming" : hetzelfde als in artikel 13, punt 25, punten b) en d), van Richtlijn 2009/138/EG;

(112)

"fondsen voor algemene bankrisico's" : hetzelfde als in artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG;

(113)

"goodwill" : hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

▼M17

(114)

„indirect bezit” : elke blootstelling met betrekking tot een intermediaire entiteit die een blootstelling heeft met betrekking tot kapitaalinstrumenten uitgegeven door een entiteit uit de financiële sector of passiva uitgegeven door een instelling indien, ingeval de door de entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten of de door de instelling uitgegeven passiva permanent zouden worden afgeschreven, het verlies dat de instelling als gevolg daarvan zou lijden, niet wezenlijk verschillend zou zijn van het verlies dat de instelling zou lijden vanwege een direct bezit van die door de entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten of van die door de instelling uitgegeven passiva;

▼B

(115)

"immateriële activa" : hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving; daaronder wordt tevens goodwill begrepen;

(116)

"andere kapitaalinstrumenten" : kapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven door entiteiten uit de financiële sector en die niet worden aangemerkt als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten of tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen, aanvullend-tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen, tier 2-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen of tier 3-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen;

(117)

"andere reserves" : reserves in de zin van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving die overeenkomstig de toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving openbaar moeten worden gemaakt, met uitzondering van bedragen die reeds zijn opgenomen in gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten of ingehouden winsten.

(118)

"eigen vermogen" : de som van tier 1- en tier 2-kapitaal;

(119)

"eigenvermogensinstrumenten" : door de instelling uitgegeven kapitaalinstrumenten die worden aangemerkt als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten;

(120)

"minderheidsbelang" : het bedrag van tier 1-kernkapitaal van een dochteronderneming van een instelling dat kan worden toegerekend aan andere natuurlijke of rechtspersonen dan die welke onder de prudentiële consolidatie van de instelling vallen;

(121)

"winst" : hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(122)

"wederzijdse deelneming" : het door een instelling bezitten van door entiteiten uit de financiële sector uitgegeven eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten waarbij deze entiteiten ook door de instelling uitgegeven eigenvermogensinstrumenten bezitten;

(123)

"ingehouden winsten" : de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door definitieve bestemming van het resultaat overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(124)

"agiorekening" : hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(125)

"tijdelijke verschillen" : hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

▼M17

(126)

„synthetisch bezit” : belegging door een instelling in een financieel instrument waarvan de waarde rechtstreeks verband houdt met de waarde van de door een entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten of de waarde van de door een instelling uitgegeven passiva;

▼B

(127)

"kruislingse garantieregeling" :

een regeling die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

▼M8

a) 

de instellingen vallen onder hetzelfde, in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel of zijn blijvend in een netwerk aangesloten bij een centraal orgaan;

▼M17

b) 

de instellingen zijn volledig geconsolideerd overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU en vallen onder het toezicht op geconsolideerde basis van een instelling die in een lidstaat een moederinstelling is in overeenstemming met deel één, titel II, hoofdstuk 2, van deze verordening en die onderworpen is aan eigenvermogensvereisten;

▼B

c) 

de moederinstelling in een lidstaat en de dochterondernemingen zijn gevestigd in dezelfde lidstaat, zijn vergunningplichtig en onderworpen aan toezicht door dezelfde bevoegde autoriteit;

d) 

de moederinstelling in een lidstaat en de dochterinstellingen zijn een contractuele of wettelijke aansprakelijkheidsregeling aangegaan waardoor deze instellingen beschermd worden en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden om faillissement te voorkomen;

e) 

er zijn regelingen getroffen om in termen van kapitaal en liquiditeit onmiddellijk in de nodige financiële middelen te voorzien indien dat volgens de contractuele of wettelijke aansprakelijkheidsregeling als bedoeld in punt d) noodzakelijk is;

f) 

de toereikendheid van de onder de punten d) en e) bedoelde regelingen wordt regelmatig door de bevoegde autoriteit gecontroleerd;

g) 

de minimale opzegtermijn die een dochteronderneming in acht moet nemen om vrijwillig uit de aansprakelijkheidsregeling te kunnen stappen bedraagt 10 jaar;

h) 

de bevoegde autoriteit is gemachtigd een dochteronderneming te verbieden vrijwillig uit de aansprakelijkheidsregeling te stappen;

▼M8

(128)

"uitkeerbare bestanddelen" : de som van de winsten aan het eind van het laatste boekjaar, vermeerderd met overgedragen winsten en voor dat doel beschikbare reserves vóór uitkeringen aan houders van eigenvermogensinstrumenten, verminderd met overgedragen verliezen, winsten die op grond van het Unie- of nationale recht of de statuten van de instelling niet uitkeerbaar zijn en sommen die overeenkomstig het nationale recht of de statuten van de instelling in niet-uitkeerbare reserves zijn geplaatst, telkens met betrekking tot de specifieke categorie van eigenvermogensinstrumenten waarop het Unie- of nationale recht, de statuten van de instellingen of statuten betrekking hebben; dergelijke winsten, verliezen en reserves worden bepaald aan de hand van de individuele jaarrekeningen van de instelling en niet aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen;

▼M5

(129)

"servicer" : een servicer als gedefinieerd in artikel 2, punt 13, van Verordening (EU) 2017/2402;

▼M8

(130)

"afwikkelingsautoriteit" : een afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/59/EU;

▼C10

(130 bis)

"betrokken autoriteit van een derde land" : een autoriteit van een derde land als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 90, van Richtlijn 2014/59/EU;

▼M8

(131)

"áf te wikkelen entiteit" : een af te wikkelen entiteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 83 bis, van Richtlijn 2014/59/EU;

(132)

"af te wikkelen groep" : een af te wikkelen groep in de zin van artikel 2, lid 1, punt 83 ter, van Richtlijn 2014/59/EU;

(133)

"mondiaal systeemrelevante instelling" of "MSI" : een instelling die overeenkomstig artikel 131, leden 1 en 2, van Richtlijn 2013/36/EU als dusdanig is aangemerkt;

(134)

"niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling" of "niet-EU-MSI" : mondiaal systeemrelevante bankgroep of bank (MSB's) die geen MSI is en opgenomen is in de regelmatig geactualiseerde lijst met MSB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit;

(135)

"dochteronderneming van wezenlijk belang" :

een dochteronderneming die op individuele of geconsolideerde basis aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

de dochteronderneming houdt meer dan 5 % van de geconsolideerde risicogewogen activa van haar oorspronkelijke moederonderneming aan;

b) 

de dochteronderneming genereert meer dan 5 % van de totale bedrijfsopbrengsten van haar oorspronkelijke moederonderneming;

c) 

de in artikel 429, lid 4, van deze verordening bedoelde maatstaf van totale blootstelling van de dochteronderneming bedraagt meer dan 5 % van de maatstaf van geconsolideerde totale blootstelling van haar oorspronkelijke moederonderneming;

indien artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is, tellen voor het bepalen van de dochteronderneming van wezenlijk belang de twee intermediaire EU-moederondernemingen als één enkele dochteronderneming op basis van hun geconsolideerde situatie;

(136)

"MSI-entiteit" : een entiteit met rechtspersoonlijkheid die een MSI of onderdeel van een MSI of een niet-EU-MSI is;

(137)

"bail-in-instrument" : een instrument van bail-in in de zin van artikel 2, lid 1, punt 57, van Richtlijn 2014/59/EU;

(138)

"groep" : een groep van ondernemingen waarvan er ten minste één een instelling is en die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, of uit ondernemingen die in een verhouding tot elkaar staan als beschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 16 );

(139)

"effectenfinancieringstransactie" : een retrocessietransactie, een transactie met betrekking tot verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, of een margeleningstransactie;

(140)

"initiële marge" of "IM" : zekerheden die geen variatiemarges zijn, ontvangen van of gestort bij een entiteit ter dekking van de actuele en potentiële toekomstige blootstelling van een transactie of een portefeuille transacties voor de tijd die nodig is om die transacties te liquideren of de marktrisico ervan opnieuw af te dekken, na wanbetaling van de tegenpartij bij de transactie of portefeuille van transacties;

(141)

"marktrisico" : het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in marktprijzen, onder meer in wisselkoersen of grondstoffenprijzen;

(142)

"wisselkoersrisico" : het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in wisselkoersen;

(143)

"grondstoffenrisico" : het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in grondstoffenprijzen;

▼M17

(144)

„tradingafdeling” : een welomschreven groep van handelaren die door de instelling overeenkomstig artikel 104 ter, lid 1, is opgericht om gezamenlijk een portefeuille van posities in de handelsportefeuille of de in de leden 5 en 6 van dat artikel bedoelde posities in de niet-handelsportefeuille te beheren volgens een welomschreven en coherente bedrijfsstrategie en die onder dezelfde risicobeheersstructuur functioneert;

▼M8

(145)

"kleine en niet-complexe instelling" :

een instelling die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

zij is geen grote instelling;

b) 

de totale waarde van haar activa op individuele basis of, waar toepasselijk, op geconsolideerde basis overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, is gemiddeld gelijk aan of lager dan de drempel van 5 miljard EUR over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan de lopende periode voor de jaarlijkse rapportage. De lidstaten kunnen die drempel verlagen;

c) 

voor haar gelden geen, dan wel vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de herstel- en afwikkelingsplanning overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU;

d) 

haar handelsportefeuilleactiviteiten worden overeenkomstig artikel 94, lid 1, ingedeeld als gering;

e) 

de totale waarde van de door haar met de intentie om te handelen aangehouden derivatenposities bedraagt maximaal 2 % van de totale activa binnen en buiten de balanstelling en de totale waarde van al haar derivatenposities bedraagt maximaal 5 %, beide berekend overeenkomstig artikel 273 bis, lid 3;

▼M17

f) 

de geconsolideerde activa of passiva van de instelling die verband houden met activiteiten met tegenpartijen die in de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, exclusief intragroepblootstellingen in de Europese Economische Ruimte, bedragen meer dan 75 % van de geconsolideerde totale activa en passiva van de instelling, in beide gevallen met uitsluiting van de intragroepblootstellingen;

▼M8

g) 

de instelling maakt geen gebruik van interne modellen om te voldoen aan de prudentiële vereisten krachtens deze verordening, behalve in het geval van dochterondernemingen die op groepsniveau goedgekeurde interne modellen gebruiken, mits de groep onderworpen is aan de openbaarmakingsvereisten van artikel 433 bis of artikel 433 quater op geconsolideerde basis;

h) 

de instelling heeft bij de bevoegde autoriteit geen bezwaar gemaakt tegen de indeling als kleine en niet-complexe instelling;

i) 

de bevoegde autoriteit heeft niet besloten dat de instelling op grond van een analyse van de omvang, de verwevenheid, de complexiteit of het risicoprofiel ervan niet moet worden aangemerkt als kleine en niet-complexe instelling;

(146)

"grote instelling" :

een instelling die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

zij is een MSI;

b) 

zij is aangewezen als andere systeemrelevante instelling ("ASI") overeenkomstig artikel 131, leden 1 en 3, van Richtlijn 2013/36/EU;

c) 

zij is in de lidstaat waar zij is gevestigd één van de drie grootste instellingen gerekend naar de totale waarde van de activa;

d) 

de totale waarde van haar activa op individuele basis of, waar toepasselijk, op basis van haar geconsolideerde situatie overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, is gelijk aan of groter dan 30 miljard EUR;

(147)

"grote dochteronderneming" : een dochteronderneming die kan worden aangemerkt als een grote instelling;

(148)

"niet-beursgenoteerde instelling" : een instelling die geen effecten heeft uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU;

(149)

"financieel verslag" : voor de toepassing van deel acht, een financieel verslag in de zin van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 17 );

▼M9

(150)

"grondstoffen- en emissierechtenhandelaar" : een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of ‐activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in deel C, punten 5, 6, 7, 9 en 10, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in deel C, punt 4, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, of emissierechten als bedoeld in deel C, punt 11, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU.

▼M17

(151)

„revolverende blootstelling” : blootstelling waarbij de openstaande saldi van de kredietnemer naargelang zijn beslissingen om te lenen en terug te betalen, mogen schommelen tot een vooraf afgesproken limiet;

(152)

„blootstelling met betrekking tot een transactor” :

een revolverende blootstelling met een terugbetalingsgeschiedenis van ten minste twaalf maanden en die een van de volgende blootstellingen is:

a) 

een blootstelling waarvoor, op regelmatige basis ten minste om de twaalf maanden, het op de volgende geplande terugbetalingsdatum terug te betalen saldo wordt bepaald als het op de vooraf bepaalde referentiedatum opgenomen bedrag, met een geplande terugbetalingsdatum niet later dan na twaalf maanden, mits het saldo bij elke geplande terugbetalingsdatum voor de twaalf voorgaande maanden volledig is terugbetaald;

b) 

een debetfaciliteit indien er in de twaalf voorgaande maanden geen opnemingen zijn geweest;

(153)

„entiteit uit de sector fossiele brandstoffen” : een vennootschap die, een bedrijf dat of een onderneming die statistisch is ingedeeld als vennootschap, bedrijf of onderneming met zijn/haar economische hoofdactiviteit in de economische sector kolen, olie of gas, als vastgelegd in bijlage XXXIX, model 3, bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/637 van de Commissie ( 18 ) en als geïdentificeerd aan de hand van de codes van de statistische classificatie van economische activiteiten (NACE Rev. 2) die zijn opgenomen in bijlage I, punten B, C, D en G, bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 19 ); indien de economische hoofdactiviteit van een vennootschap, bedrijf of onderneming niet is ingedeeld op basis van de NACE Rev. 2-codes van Verordening (EG) nr. 1893/2006, of van een daarvan afgeleide nationale classificatie, bepalen instellingen voorzichtig of dergelijke vennootschap, bedrijf of onderneming haar of zijn hoofdactiviteit in een van die sectoren heeft;

(154)

„blootstelling die valt onder de effecten van ecologische of sociale factoren” : blootstelling die de ambitie van de Unie om haar regelgevingsdoelstellingen met betrekking tot ESG-factoren te verwezenlijken, belemmert op een wijze die negatieve financiële gevolgen kan hebben voor instellingen in de Unie;

(155)

„schaduwbankentiteit” : een entiteit die buiten het gereglementeerde kader bankactiviteiten verricht.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt 1, b), ii) en iii), worden, indien de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa meegerekend van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land die in de Unie een vergunning heeft in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt 1), b), iii), kan de consoliderend toezichthouder de onderneming om alle informatie verzoeken om een besluit te nemen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt 52 bis, omvat juridisch risico geen terugbetalingen aan derden of werknemers en goodwillbetalingen in verband met zakelijke kansen, wanneer er geen sprake is geweest van overtreding van regels of onethisch gedrag en de instelling tijdig aan haar verplichtingen heeft voldaan. Juridisch risico omvat evenmin externe juridische kosten wanneer de gebeurtenis die tot die externe kosten aanleiding geeft, geen operationeel-risicogebeurtenis is.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt 145, e), van dit lid, mag een instelling derivatenposities uitsluiten die zij is aangegaan met haar niet-financiële cliënten en de derivatenposities die zij voor het afdekken van die posities gebruikt, mits de gecombineerde waarde van de overeenkomstig artikel 273 bis, lid 3, berekende uitgesloten posities niet meer bedraagt dan 10 % van de totale activa van de instelling binnen en buiten de balanstelling.

▼B

►C2  2.  
Wanneer in deze verordening verwezen wordt naar onroerend goed, naar niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk vastgoed of naar daarop rustende hypotheken, wordt daaronder mede verstaan de aandelen in Finse woningbouwverenigingen die te werk gaan overeenkomstig de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving. De lidstaten en hun bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat aandelen die een gelijkwaardig indirect bezit van onroerend goed vertegenwoordigen, als direct bezit van onroerend goed worden behandeld mits ◄ dergelijk indirect bezit specifiek geregeld is in het nationale recht van de betrokken lidstaat en dat, indien dit indirect bezit als zekerheid in pand is gegeven, het crediteuren een gelijkwaardige bescherming biedt.
3.  
Handelsfinanciering als bedoeld in lid 1, punt 80, is gewoonlijk niet-gecommitteerd en vereist bevredigende bewijsstukken ter staving van de transactie voor elke aanvraag tot kredietopname, zodat de financiering kan worden geweigerd in geval van twijfel omtrent de kredietwaardigheid of omtrent de bewijsstukken ter staving van de transactie. De terugbetaling van blootstellingen in het kader van handelsfinanciering is gewoonlijk onafhankelijk van de leningnemer; in plaats daarvan worden de middelen terugbetaald uit contanten die van importeurs worden ontvangen of uit de opbrengst van de verkoop van de onderliggende goederen.

▼M8

4.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin nader wordt bepaald onder welke omstandigheden aan de in punt 39 van lid 1 vervatte voorwaarden is voldaan.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

5.  
Uiterlijk op 10 januari 2026 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit tot nadere bepaling van de criteria voor de vaststelling van de in lid 1, eerste alinea, punt 18, van dit artikel bedoelde activiteiten.

▼B

Artikel 5

Specifieke definities voor kapitaalvereisten voor kredietrisico

Voor de toepassing van deel 3, titel II, zijn de volgende definities van toepassing:

(1)

"blootstelling" : een actiefpost of een post buiten de balanstelling;

(2)

"verlies" : economisch verlies, met inbegrip van substantiële disconteringseffecten, en substantiële directe en indirecte incassokosten met betrekking tot het instrument;

▼M17

(3)

"verwacht verlies (

expected loss

 — EL)" : de verhouding, wat betreft één faciliteit, tussen het verlies op een blootstelling

a) 

dat bij een eventuele wanbetaling van een debiteur over een periode van één jaar te verwachten is, en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

b) 

dat bij een eventuele verwateringsgebeurtenis over een periode van één jaar te verwachten is, en het uitstaande bedrag op de datum dat de verwateringsgebeurtenis zich voordoet;

▼M17

(4)

"kredietverplichting" : uit een kredietovereenkomst voortvloeiende verplichting, met inbegrip van hoofdsom, opgelopen rente en provisies, die een debiteur verschuldigd is;

(5)

"kredietblootstelling" : een post binnen of buiten de balanstelling, die in een kredietverplichting resulteert of kan resulteren;

(6)

"faciliteit" of "kredietfaciliteit" : een kredietblootstelling die voortvloeit uit een overeenkomst of een reeks overeenkomsten tussen een debiteur en een instelling;

(7)

"voorzichtigheidsmarge" : een in risicoparameterschattingen opgenomen opslagfactor om rekening te houden met de verwachte range van schattingsfouten als gevolg van geconstateerde tekortkomingen in gegevens, methoden, modellen en veranderingen in overnemingsnormen, risicobereidheid, inning- en verhaalsbeleid en andere verdere bronnen van onzekerheid, alsmede van algemene schattingsfouten;

(8)

"adequate aanpassing" : het effect op risicoparameterschattingen door de toepassing van methodieken bij de schatting van risicoparameters om de in gegevens en in schattingsmethoden geconstateerde tekortkomingen te verhelpen en in de mate van het mogelijke rekening te houden met veranderingen in overnemingsnormen, risicobereidheid, inning- en verhaalsbeleid en andere verdere bronnen van onzekerheid teneinde vertekeningen in risicoparameterschattingen te vermijden;

(9)

"kleine en middelgrote onderneming" : (kmo): een vennootschap die, een bedrijf dat of een onderneming die, volgens zijn of haar meest recente geconsolideerde jaarrekening, een jaaromzet van ten hoogste 50 000 000 EUR heeft;

(10)

"kredietlijn" : een door een instelling aan een cliënt aangeboden en door die cliënt geaccepteerde contractuele regeling om krediet toe te kennen, activa te verwerven of kredietvervangingen uit te geven, en regelingen die te allen tijde door een instelling onvoorwaardelijk zonder voorafgaande kennisgeving aan een debiteur kunnen worden opgezegd of regelingen die door een instelling kunnen worden opgezegd indien een debiteur de in de documentatie van de faciliteit opgenomen voorwaarden niet nakomt, met inbegrip van voorwaarden die door een debiteur moeten worden vervuld vóór een eerste of latere opname in het kader van de regeling, tenzij voor de contractuele regelingen aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) 

de instelling ontvangt geen vergoedingen of provisies om die contractuele regelingen tot stand te brengen of in stand te houden;

b) 

de cliënt moet zich tot de instelling wenden voor de eerste en iedere volgende opname in het kader van die contractuele regelingen;

c) 

de instelling heeft, ongeacht of de cliënt de in de documentatie van de contractuele regeling opgenomen voorwaarden nakomt, de volledige bevoegdheid over de uitvoering van iedere opname;

d) 

de contractuele regelingen laten de instelling toe bij iedere opname onmiddellijk voordat zij een besluit neemt over de uitvoering ervan, de kredietwaardigheid van de cliënt te beoordelen en de instelling heeft interne procedures ingevoerd die ervoor zorgen dat dergelijke beoordeling wordt uitgevoerd vóór de uitvoering van iedere opname en past die procedures toe;

e) 

de contractuele regelingen worden aangeboden aan een zakelijke entiteit, daaronder begrepen kmo’s, die op doorlopende basis nauwgezet worden gemonitord;

(11)

"onvoorwaardelijk opzegbare kredietlijn" : een kredietlijn waarvan de voorwaarden de instelling toestaan om die kredietlijn te allen tijde, zonder voorafgaande kennisgeving aan de debiteur, op te zeggen voor zover toegestaan door de rechtshandelingen inzake consumentenbescherming en aanverwante rechtshandelingen, indien van toepassing, of die daadwerkelijk voorzien in automatische opzegging als gevolg van een verslechtering van de kredietwaardigheid van een kredietnemer.

Artikel 5 bis

Specifieke definities voor cryptoactiva

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1) 

„cryptoactivum”: een cryptoactivum zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 5, van Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad ( 20 ) dat geen digitale valuta van een centrale bank is;

2) 

„elektronischgeldtoken” of „e-moneytoken”: een elektronischgeldtoken of e-moneytoken zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 7, van Verordening (EU) 2023/1114;

3) 

„blootstelling aan cryptoactiva”: een activumpost of een post buiten de balanstelling die verband houdt met een cryptoactivum dat aanleiding geeft tot kredietrisico, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, operationeel risico of liquiditeitsrisico;

4) 

„traditioneel activum”: een ander activum dan een cryptoactivum, met inbegrip van:

a) 

financiële instrumenten zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 50, van deze verordening;

b) 

geldmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 25, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

c) 

deposito’s zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 3, van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en van de Raad ( 21 ), met inbegrip van gestructureerde deposito’s;

d) 

securitisatieposities in het kader van een securitisatie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2017/2402;

e) 

schade- of levensverzekeringsproducten die vallen onder de in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2009/138/EG genoemde verzekeringsbranches of in die richtlijn bedoelde herverzekerings- en retrocessieovereenkomsten;

f) 

pensioenproducten die naar nationaal recht worden geacht voornamelijk tot doel te hebben de belegger van een pensioeninkomen te voorzien, en die de belegger het recht geven op bepaalde uitkeringen;

g) 

officieel erkende bedrijfspensioenregelingen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad ( 22 ) of Richtlijn 2009/138/EG vallen;

h) 

individuele pensioenproducten waarvoor naar nationaal recht een financiële bijdrage van de werkgever is vereist en waarbij de werkgever of de werknemer geen vrijheid heeft in de keuze van het pensioenproduct of de aanbieder;

i) 

een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad ( 23 );

j) 

socialezekerheidsstelsels waarop Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 24 ) en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 25 ) van toepassing zijn;

5) 

„getokeniseerd traditioneel activum”: een type cryptoactivum dat een traditioneel activum, met inbegrip van een e-moneytoken, vertegenwoordigt;

6) 

„activagerelateerde token”: een activagerelateerde token zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 6, van Verordening (EU) 2023/1114;

7) 

„cryptoactivadienst”: een cryptoactivadienst zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) 2023/1114.

▼B

TITEL II

TOEPASSINGSNIVEAU VAN DE VEREISTEN

HOOFDSTUK 1

Toepassing van de vereisten op individuele basis

Artikel 6

Algemene beginselen

▼M8

1.  
Instellingen voldoen op individuele basis aan de verplichtingen die zijn neergelegd in de delen twee, drie, vier, zeven, zeven bis en acht van deze verordening en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening.

▼C9

1 bis.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel voldoen uitsluitend als af te wikkelen entiteiten aangemerkte instellingen die ook MSI-entiteiten zijn en geen dochterondernemingen hebben, op individuele basis aan de in artikel 92 bis bepaalde vereisten.

▼M8

Dochterondernemingen van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI voldoen op individuele basis aan artikel 92 ter mits zij:

a) 

geen af te wikkelen entiteiten zijn;

b) 

geen dochterondernemingen hebben;

c) 

geen dochterondernemingen zijn van een EU-moederinstelling.

▼C2

2.  
Van een instelling die een dochteronderneming is in de lidstaat waar zij een vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat dan wel een moederonderneming is, noch van een instelling die ingevolge artikel 18 in de consolidatie wordt betrokken, wordt vereist dat zij op individuele basis aan de in de artikelen 89, 90 en 91 bepaalde verplichtingen voldoet.

▼M8

3.  
Van een instelling die een moederonderneming of een dochteronderneming is en van een instelling die op grond van artikel 18 in de consolidatie wordt betrokken, wordt niet vereist dat zij op individuele basis aan de in deel acht bepaalde verplichtingen voldoet.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid voldoen de in lid 1 bis van dit artikel bedoelde instellingen op individuele basis aan artikel 437 bis en artikel 447, punt h).

▼M9

4.  

De instellingen voldoen op individuele basis aan de in deel zes en in artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening bepaalde verplichtingen.

De volgende instellingen hoeven niet te voldoen aan artikel 413, lid 1, en aan de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake liquiditeit van deel zeven bis van deze verordening:

a) 

instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

b) 

instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 16 en artikel 54, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 26 ), mits zij geen significante looptijdtransformaties verrichten; en

c) 

instellingen die overeenkomstig artikel 54, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 909/2014 zijn aangewezen, mits:

i) 

hun activiteiten beperkt zijn tot het aanbieden van bancaire diensten als bedoeld in afdeling C van de bijlage bij die verordening aan centrale effectenbewaarinstellingen waaraan overeenkomstig artikel 16 van die verordening een vergunning is verleend; en

ii) 

zij geen significante looptijdtransformaties verrichten.

5.  
Instellingen, met uitzondering van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95, lid 1, en artikel 96, lid 1, en instellingen waarvoor door bevoegde autoriteiten de bij artikel 7, lid 1 of lid 3, bepaalde afwijking is toegepast, voldoen op individuele basis aan de in deel 7 bepaalde verplichtingen.

▼B

Artikel 7

Afwijking van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis

1.  

De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing van de toepassing van artikel 6, lid 1, op een dochteronderneming van een instelling verlenen als de betrokken lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op zowel de dochteronderneming als de instelling, de dochteronderneming betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis van de instelling die de moederonderneming is en er met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochteronderneming voldaan is aan alle volgende voorwaarden:

a) 

er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de moederonderneming kan verhinderen;

b) 

ofwel verstrekt de moederonderneming de bevoegde autoriteit waarborgen ten aanzien van het zorgvuldige beheer van de dochteronderneming en verklaart zij, met toestemming van de bevoegde autoriteit, dat zij garant staat voor de door de dochtermaatschappij aangegane verplichtingen, ofwel zijn de risico's ten aanzien van de dochteronderneming verwaarloosbaar;

c) 

de dochteronderneming wordt in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming betrokken;

d) 

de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of heeft het recht om het grootste deel van de leden van het leidinggevend orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan.

2.  
De bevoegde autoriteiten kunnen van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruik maken als het bij de moederonderneming om een financiële holding of een gemengde financiële holding gaat die in dezelfde lidstaat is opgericht als de instelling en aan hetzelfde toezicht onderworpen is als dat welke op instellingen wordt uitgeoefend. Dit geldt met name voor de in artikel 11, lid 1, vastgelegde normen.
3.  

De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing van de toepassing van artikel 6, lid 1, op een moederonderneming in een lidstaat verlenen als de betrokken lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op de instelling, de instelling betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis en er met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochterondernemingen voldaan is aan alle volgende voorwaarden:

a) 

er zijn geen feitelijke of juridische belemmeringen van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva aan de moederinstelling in een lidstaat kunnen verhinderen;

b) 

de moederinstelling in een lidstaat wordt in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures die relevant zijn voor het geconsolideerde toezicht betrokken.

De bevoegde autoriteit die van dit lid gebruik maakt, stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de hoogte.

Artikel 8

Afwijking van de toepassing van liquiditeitsvereisten op individuele basis

1.  

De bevoegde autoriteiten kunnen volledig of ten dele ontheffing verlenen van de toepassing van deel 6 op een instelling en op alle of sommige van haar dochterondernemingen in de Unie, en daarop toezicht uitoefenen als op één enkele liquiditeitssubgroep, zolang zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a) 

de moederinstelling voldoet op geconsolideerde basis of een dochteronderneming op gesubconsolideerde basis aan de in deel 6 bepaalde verplichtingen;

▼M8

b) 

de moederinstelling houdt op geconsolideerde basis - of de dochteronderneming op gesubconsolideerde basis - voortdurend toezicht op de liquiditeitsposities van alle instellingen binnen de groep of subgroep die onder de ontheffing vallen, monitort houdt te allen tijde toezicht op de financieringsposities van alle instellingen binnen de groep of subgroep die ontheven zijn van het in deel zes, titel IV, beschreven vereiste inzake de nettostabielefinancieringsratio (NSFR), en staat garant voor een toereikend niveau van liquiditeit en, indien ontheffing wordt verleend van de in deel zes, titel IV, beschreven NSFR, van stabiele financiering van al deze instellingen;

▼B

c) 

de instellingen zijn ten genoegen van de bevoegde autoriteiten overeenkomsten aangegaan die voorzien in het vrije verkeer van middelen tussen hen onderling om hen in staat te stellen aan hun individuele en gezamenlijke verplichtingen te voldoen wanneer deze komen te vervallen;

d) 

er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die het uitvoeren van de in punt c) bedoelde overeenkomsten kan verhinderen.

De Commissie brengt uiterlijk op 1 januari 2014 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over eventuele juridische obstakels die de toepassing van punt c) van de eerste alinea onmogelijk kunnen maken, en zij wordt verzocht om in voorkomend geval uiterlijk op 31 december 2015 een passend wetgevingsvoorstel in te dienen over te verwijderen obstakels.

2.  
De bevoegde autoriteiten kunnen volledig of ten dele ontheffing van de toepassing van deel 6 op een instelling en op alle of sommige van haar dochterondernemingen verlenen als aan alle instellingen van die enkele liquiditeitssubgroep in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend en mits er aan de voorwaarden in lid 1 wordt voldaan.
3.  

Indien aan de instellingen van die enkele liquiditeitssubgroep in verschillende lidstaten een vergunning is verleend, wordt lid 1 uitsluitend toegepast nadat de in artikel 21 vastgestelde procedure is gevolgd en alleen ten aanzien van de instellingen waarvan de bevoegde autoriteiten over de volgende punten overeenstemming hebben bereikt:

a) 

hun beoordeling van de mate waarin de organisatie en de behandeling van het liquiditeitsrisico voldoen aan de voorwaarden van artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU, in die enkele liquiditeitssubgroep;

▼M8

b) 

de verdeling van bedragen, locatie en eigendom van de liquide activa die binnen die ene liquiditeitssubgroep moeten worden aangehouden, indien ontheffing wordt verleend van het vereiste inzake de liquiditeitsdekkingsratio (LCR) dat is neergelegd in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, en de verdeling van bedragen en locatie van de beschikbare stabiele financiering binnen die ene liquiditeitssubgroep, indien ontheffing wordt verleend van het in deel zes, titel IV, bepaalde NSFR-vereiste;

c) 

de bepaling van de minimumbedragen aan liquide activa die moeten worden aangehouden door de instellingen waaraan ontheffing is verleend van de toepassing van het LCR-vereiste dat is neergelegd in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling en de bepaling van de minimumbedragen aan beschikbare stabiele financiering die moeten worden aangehouden door de instellingen waaraan ontheffing van het in deel zes, titel IV, van deze verordening bepaalde NSFR-vereiste is verleend;

▼B

d) 

de noodzaak van strengere parameters dan die welke in deel 6 zijn beschreven;

e) 

onbeperkte uitwisseling van volledige informatie tussen de bevoegde autoriteiten.

f) 

de volledige inschatting van de gevolgen van een dergelijke ontheffing.

►C2  4.  
De bevoegde autoriteiten kunnen de leden 1, 2 en 3 ook toepassen op instellingen die aangesloten zijn bij hetzelfde, in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel, mits zij aan alle voorwaarden daarvan voldoen, alsook op andere instellingen waarmee een band bestaat in de zin van artikel 113, lid 6, mits zij aan alle in dat artikel gestelde voorwaarden voldoen. ◄ In dat geval wijzen de bevoegde autoriteiten een van de instellingen aan als ontheven van de toepassing van deel 6 op basis van de geconsolideerde situatie van alle instellingen van de enkele liquiditeitssubgroep.
5.  
Als er uit hoofde van lid 1 of lid 2 ontheffing is verleend, kunnen de bevoegde autoriteiten tevens artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU of delen daarvan op het niveau van de enkele liquiditeitssubgroep toepassen, en op individuele basis ontheffing van de toepassing van artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU of delen daarvan verlenen.

▼M8

6.  
Indien een bevoegde autoriteit overeenkomstig dit artikel geheel of gedeeltelijk aan een instelling ontheffing van de toepassing van deel zes verleent, kan zij aan die instelling ook ontheffing van de toepassing van de verband houdende rapportagevereisten inzake liquiditeit uit hoofde van artikel 430, lid 1, punt d), verlenen.

▼B

Artikel 9

Individuele consolidatiemethode

1.  
Onder voorbehoud van de leden 2 en 3 van dit artikel en van artikel 144, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU kunnen de bevoegde autoriteiten aan moederinstellingen op ad-hocbasis toestaan om bij de berekening van hun vereisten in het kader van artikel 6, lid 1, dochterondernemingen in aanmerking te nemen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, punten c) en d), en die aanzienlijke blootstellingen of aanzienlijke verplichtingen hebben ten aanzien van die moederinstelling.
2.  
De in lid 1 vervatte behandeling 1 is alleen toegestaan indien de moederinstelling, met opgaaf van alle omstandigheden en regelingen, ook de wettelijke regelingen, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat er geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijke betekenis aanwezig of te voorzien is die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva op de vervaldag door de dochteronderneming aan haar moederonderneming, kan verhinderen.
3.  
Wanneer een bevoegde autoriteit de keuzemogelijkheid van lid 1 uitoefent, brengt zij regelmatig en ten minste eenmaal per jaar aan de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten verslag uit over het gebruik van lid 1 en over de in lid 2 bedoelde omstandigheden en regelingen. Indien de dochteronderneming in een derde land is gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten dezelfde informatie aan de bevoegde autoriteiten van dat derde land.

Artikel 10

Ontheffing voor kredietinstellingen die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan

▼M8

1.  

De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomstig het nationale recht geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van de vereisten van de delen twee tot en met acht van deze verordening en hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 op een of meer kredietinstellingen die in dezelfde lidstaat gevestigd zijn en die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan dat toezicht op hen uitoefent en dat in dezelfde lidstaat gevestigd is, mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼B

a) 

de verbintenissen van het centrale orgaan en die van de aangesloten instellingen zijn solidaire verplichtingen, of de verbintenissen van de aangesloten instellingen worden volledig door het centrale orgaan gewaarborgd;

b) 

de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen worden in hun totaliteit bewaakt op basis van de geconsolideerde jaarrekening van deze instellingen;

c) 

de leiding van het centrale orgaan is bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen.

▼C2

De lidstaten kunnen bestaande nationale wetgeving betreffende de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde ontheffing in stand houden en gebruiken voor zover die wetgeving niet in strijd is met deze verordening of Richtlijn 2013/36/EU.

▼B

2.  
Indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat er aan de in lid 1 beschreven voorwaarden wordt voldaan en mits de verplichtingen of de verbintenissen van het centrale orgaan volledig door de aangesloten instellingen worden gewaarborgd, kunnen de bevoegde autoriteiten het centrale orgaan op individuele basis ontheffing verlenen van de toepassing van de vereisten van de delen 2 tot en met 8.

HOOFDSTUK 2

Prudentiële consolidatie

Afdeling 1

Toepassing van de vereisten op geconsolideerde basis

▼M17

Artikel 10 bis

Toepassing van prudentiële vereisten op geconsolideerde basis ingeval beleggingsondernemingen moederondernemingen zijn

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden beleggingsondernemingen en beleggingsholdings beschouwd als financiële moederholdings in een lidstaat of financiële EU-moederholdings indien die beleggingsondernemingen of beleggingsholdings moederondernemingen van een instelling of van een onder deze verordening vallende beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1, lid 2 of 5, van Verordening (EU) 2019/2033 zijn.

▼B

Artikel 11

Algemene behandeling

▼M8

1.  
Moederinstellingen in een lidstaat voldoen, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18, aan de in de delen twee, drie, vier, zeven en zeven bis neergelegde verplichtingen op basis van hun geconsolideerde situatie, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d). De moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, zetten een deugdelijke organisatiestructuur op en stellen passende mechanismen voor interne controle in om ervoor te zorgen dat de voor de consolidatie vereiste gegevens naar behoren worden verwerkt en doorgeleid. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, processen en mechanismen hanteren die deugdelijke consolidatie garanderen.
2.  

Opdat de vereisten van deze verordening op geconsolideerde basis worden toegepast, worden met de termen „instelling”, „moederinstelling in een lidstaat”, „EU-moederinstelling” en „moederonderneming”, naargelang het geval, tevens bedoeld:

a) 

financiële holdings of gemengde financiële holdings die overeenkomstig artikel 21 bis van Richtlijn 2013/36/EU zijn goedgekeurd;

b) 

aangewezen instellingen die onder zeggenschap staan van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding, indien die moederholdings niet zijn onderworpen aan goedkeuring uit hoofde van artikel 21 bis, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU;

c) 

financiële holdings, gemengde financiële holdings of instellingen die overeenkomstig artikel 21 bis, lid 6, punt d), van Richtlijn 2013/36/EU zijn aangewezen.

De geconsolideerde situatie van een onderneming als bedoeld in de eerste alinea, onder b), van dit lid is de geconsolideerde situatie van de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding die niet is onderworpen aan goedkeuring uit hoofde van artikel 21 bis, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU. De geconsolideerde situatie van een onderneming als bedoeld in de eerste alinea, onder c), van dit lid is de geconsolideerde situatie van haar financiële moederholding of gemengde financiële moederholding.

▼M8 —————

▼C9

3 bis.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel voldoen alleen als af te wikkelen entiteiten aangemerkte moederinstellingen die MSI-entiteiten zijn, op geconsolideerde basis aan artikel 92 bis van deze verordening, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18 van deze verordening.

▼M8

Alleen EU-moederondernemingen die een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI zijn en geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op geconsolideerde basis aan artikel 92 ter van deze verordening, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18 van deze verordening. Indien artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is, voldoen de twee intermediaire EU-moederondernemingen die gezamenlijk als één dochteronderneming van wezenlijk belang zijn aangemerkt elk afzonderlijk op basis van hun geconsolideerde situatie aan artikel 92 ter van deze verordening.

▼M9

4.  

EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening indien de groep uit één of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het verstrekken van de in afdeling A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten.

Indien er uit hoofde van artikel 8, leden 1 tot en met 5, ontheffing is verleend, voldoen de instellingen en, in voorkomend geval, de financiële holdings of gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een liquiditeitssubgroep, op geconsolideerde basis of op de gesubconsolideerde basis van de liquiditeitssubgroep aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening.

▼M8

5.  
Wanneer artikel 10 van deze verordening van toepassing is, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan de vereisten van de delen twee tot en met acht van deze verordening en hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 op basis van de geconsolideerde situatie van het geheel dat door het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen wordt gevormd.
6.  
Naast de vereisten vastgelegd in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, en onverminderd andere bepalingen van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zulks voor toezichtsdoeleinden vanwege de specifieke kenmerken van het risico of van de kapitaalstructuur van een instelling gerechtvaardigd is, of wanneer lidstaten nationale wetgeving vaststellen op grond waarvan activiteiten binnen een bankgroep structureel moeten worden gescheiden, van een instelling verlangen dat zij op gesubconsolideerde basis voldoet aan de verplichtingen van de delen twee, tot en met acht van deze verordening en van titel VII van Richtlijn 2013/36/EU.

De toepassing van de in de eerste alinea vervatte benadering mag geen afbreuk doen aan het effectieve toezicht op geconsolideerde basis en mag evenmin onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch de werking van de interne markt belemmeren.

▼M8 —————

▼M15

Artikel 12 bis

Geconsolideerde berekening voor MSI’s met meerdere af te wikkelen entiteiten

Wanneer ten minste twee MSI-entiteiten die onderdeel zijn van dezelfde MSI af te wikkelen entiteiten zijn of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien zij in de Unie waren gevestigd, berekent de EU-moederinstelling van die MSI het bedrag van het in artikel 92 bis, lid 1, punt a), bedoelde bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

a) 

voor iedere af te wikkelen entiteit of entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Unie was gevestigd;

b) 

voor de EU-moederonderneming alsof ze de enige af te wikkelen entiteit van de MSI was.

De in de eerste alinea, punt b), bedoelde berekening wordt verricht op basis van de geconsolideerde situatie van de EU-moederinstelling.

Afwikkelingsautoriteiten handelen overeenkomstig artikel 45 quinquies, lid 4, en artikel 45 nonies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU.

▼M8

Artikel 13

Toepassing van openbaarmakingsvereisten op geconsolideerde basis

1.  
EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel acht.

▼M17

Grote dochterondernemingen van EU-moederinstellingen maken de in de artikelen 437, 438, 440, 442, 449 bis, 449 ter, 450, 451, 451 bis en 453 genoemde informatie openbaar op individuele basis of, wanneer van toepassing, overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, op gesubconsolideerde basis.

▼C9

2.  
Als af te wikkelen entiteiten aangemerkte instellingen die MSI-entiteiten zijn, voldoen op basis van de geconsolideerde situatie van hun af te wikkelen groep aan artikel 437 bis en artikel 447, punt h).

▼M8

3.  
De eerste alinea van lid 1 is niet van toepassing op EU-moederinstellingen, financiële EU-moederholdings, gemengde financiële EU-moederholdings of af te wikkelen entiteiten voor zover zij worden betrokken bij gelijkwaardige openbaarmakingen die door een in een derde land gevestigde moederonderneming op geconsolideerde basis worden verstrekt.

De tweede alinea van lid 1 is van toepassing op dochterondernemingen van in een derde land gevestigde moederondernemingen indien die dochterondernemingen als grote dochterondernemingen worden aangemerkt.

4.  
Wanneer artikel 10 van toepassing is, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan deel acht op basis van de geconsolideerde situatie van het centrale orgaan. Artikel 18, lid 1, is van toepassing op het centrale orgaan en de aangesloten instellingen worden behandeld als de dochterondernemingen van het centrale orgaan.

Artikel 14

Toepassing van de vereisten van artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 op geconsolideerde basis

1.  
Moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, wordt voorgeschreven te voldoen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de in artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 neergelegde verplichtingen, zodat hun bij deze bepalingen voorgeschreven regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, procedures en mechanismen hanteren die de inachtneming van deze bepalingen garanderen.
2.  
Instellingen passen overeenkomstig artikel 270 bis van deze verordening een extra risicogewicht toe wanneer zij artikel 92 van deze verordening op een geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toepassen indien de vereisten van artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 niet worden nageleefd op het niveau van een in een derde land gevestigde entiteit die overeenkomstig artikel 18 van deze verordening bij de consolidatie betrokken is, en de niet-naleving een wezenlijke invloed heeft op het algehele risicoprofiel van de groep.

▼M9 —————

▼B

Afdeling 2

Methoden voor prudentiële consolidatie

Artikel 18

Methoden voor prudentiële consolidatie

▼M8

1.  
Instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die aan de in afdeling 1 van dit hoofdstuk genoemde vereisten op basis van hun geconsolideerde situatie moeten voldoen, voeren een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn. De leden 3 tot en met 6 en lid 9 van dit artikel zijn niet van toepassing indien deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van toepassing zijn op de geconsolideerde situatie van een instelling, financiële holding of gemengde financiële holding of op de gesubconsolideerde situatie van een liquiditeitssubgroep zoals beschreven in de artikelen 8 en 10.

▼B

Voor de toepassing van artikel 11, lid 3 bis, voeren instellingen die op geconsolideerde basis moeten voldoen aan de in artikel 92 bis of artikel 92 ter genoemde vereisten, een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn in de betrokken af te wikkelen groepen.

▼M17 —————

▼M8

3.  
Indien ondernemingen die in verhouding staan zoals beschreven in artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.

▼M17

4.  
Door een onderneming die betrokken is bij de consolidatie en een of meer ondernemingen die niet betrokken zijn bij de consolidatie gezamenlijk beheerde deelnemingen in instellingen en financiële instellingen worden proportioneel geconsolideerd naargelang het aandeel in het kapitaal dat zij bezitten, waarbij de aansprakelijkheid van die ondernemingen beperkt is tot het aandeel in het kapitaal dat zij bezitten.

▼M8

5.  
In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 4 bepalen bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Ze kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen bij het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.
6.  

De bevoegde autoriteiten bepalen in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:

a) 

een instelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer instellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en

b) 

twee of meer instellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit op grond van een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn.

▼M17

De bevoegde autoriteiten kunnen in het bijzonder het gebruik van de in artikel 22, leden 7, 8 en 9 van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde methode toestaan of voorschrijven.

▼M8

7.  
►M17  Indien een instelling een dochteronderneming heeft die geen instelling of financiële instelling is, of een deelneming in een dergelijke onderneming heeft, past zij op die dochteronderneming of die deelneming de vermogensmutatiemethode toe. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen bij het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken. ◄

In afwijking van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan of verplichten om op zulke dochterondernemingen of deelnemingen een andere methode toe te passen, met inbegrip van de door het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving voorgeschreven methode, op voorwaarde dat:

a) 

de instelling de vermogensmutatiemethode nog niet gebruikt op 28 december 2020;

b) 

het te belastend zou zijn de vermogensmutatiemethode toe te passen of de vermogensmutatiemethode de risico's van de in de eerste alinea bedoelde onderneming voor de instelling onvoldoende weergeeft; en

c) 

de toegepaste methode niet resulteert in de volledige of proportionele consolidatie van die onderneming.

8.  

►M17  De bevoegde autoriteiten kunnen de volledige of proportionele consolidatie verlangen van een dochteronderneming of een onderneming waarin een instelling een deelneming heeft, mits die dochteronderneming of onderneming geen instelling of financiële instelling is en mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: ◄

a) 

de onderneming is geen verzekeringsonderneming, verzekeringsonderneming uit een derde land, herverzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming uit een derde land, verzekeringsholding of een van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG uitgesloten onderneming overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn;

b) 

er bestaat een significant risico dat de instelling besluit financiële steun te verlenen aan die onderneming in stressomstandigheden, in afwezigheid van, of in aanvulling op enige contractuele verplichtingen om dergelijke steun te verlenen.

▼M8

9.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder consolidatie in de in de leden 3 tot en met 6 en 8 bedoelde gevallen wordt uitgevoerd.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2020 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

10.  
De EBA dient uiterlijk op 10 juli 2025 bij de Commissie een verslag in over de volledigheid en de adequaatheid van de definities en de bepalingen van de onderhavige verordening betreffende het toezicht op alle soorten risico’s waaraan instellingen op geconsolideerd niveau zijn blootgesteld. De EBA beoordeelt met name eventuele nog resterende discrepanties in die definities en bepalingen, samen met de interactie ervan met het toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving, en alle resterende aspecten die onbedoelde restricties kunnen vormen voor een geconsolideerd toezicht dat omvattend is en kan worden aangepast aan nieuwe bronnen of soorten van risico of structuren die tot regelgevingsarbitrage kunnen leiden. De EBA werkt het verslag ten minste om de twee jaar bij.

In het licht van de bevindingen van de EBA dient de Commissie waar nodig een wetgevingsvoorstel bij het Europees Parlement en de Raad in om bepaalde definities of de consolidatiekring aan te passen.

▼B

Afdeling 3

Reikwijdte van de prudentiële consolidatie

Artikel 19

Entiteiten die van de prudentiële consolidatie worden uitgesloten

1.  

►M17  Een instelling of een financiële instelling die een dochteronderneming is of een onderneming waarin een deelneming wordt gehouden, hoeft niet in de consolidatie te worden betrokken indien het totale bedrag van de activumposten en de posten buiten de balanstelling van de betrokken onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen: ◄

a) 

10 miljoen EUR;

b) 

1 % van het totale bedrag van de actiefposten en de posten buiten de balanstelling van de moederonderneming of van de onderneming die de deelneming houdt.

2.  

►M17  De bevoegde autoriteiten die op grond van artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, mogen op ad-hocbasis besluiten dat een instelling, of een financiële instelling die een dochteronderneming is of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie mag worden gelaten indien: ◄

a) 

de betrokken onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde inlichtingen;

▼C2

b) 

de betrokken onderneming enkel in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de instellingen van te verwaarlozen betekenis is;

▼C3

c) 

de consolidatie van de financiële situatie van de betrokken onderneming, naar de mening van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op instellingen niet wenselijk of misleidend zou zijn.

▼B

3.  
Indien in de in lid 1 en in lid 2, onder b), bedoelde gevallen verscheidene ondernemingen aan de daarin genoemde voorwaarden voldoen, worden zij toch in de consolidatie betrokken indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van de vermelde doelstellingen, van niet te verwaarlozen betekenis is.

Artikel 20

Gezamenlijke beslissingen over prudentiële vereisten

1.  

De bevoegde autoriteiten werken in nauw overleg samen:

▼M17

a) 

als een EU-moederinstelling met haar dochterondernemingen, of de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding gezamenlijk, een aanvraag indienen voor de in artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 9, artikel 283 en artikel 325 terquinquagies bedoelde toestemmingen, om te beslissen of de aanvraag al dan niet wordt ingewilligd en welke voorwaarden er eventueel aan een dergelijke toestemming moeten worden verbonden;

▼B

b) 

om vast te stellen of er wordt voldaan aan de criteria voor een specifieke intragroepbehandeling als bedoeld in artikel 422, lid 9, en artikel 425, lid 5, aangevuld met de in artikel 422, lid 10, en artikel 425, lid 6, bedoelde technische reguleringsnormen van de EBA.

Aanvragen worden alleen bij de consoliderend toezichthouder ingediend.

▼M17 —————

▼B

2.  

De bevoegde autoriteiten stellen alles in het werk om binnen zes maanden een gezamenlijke beslissing te nemen betreffende:

a) 

de in lid 1, punt a), bedoelde aanvraag;

b) 

de beoordeling van de criteria en de vaststelling van de specifieke behandeling bedoeld in lid 1, punt b).

De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit doet deze gezamenlijke beslissing schriftelijk, met volledige opgaaf van redenen, aan de aanvrager toekomen.

3.  

De in lid 2 bedoelde termijn vangt aan:

a) 

op de datum waarop de consoliderend toezichthouder de in lid 1, punt a), bedoelde volledige aanvraag ontvangt. De consoliderend toezichthouder doet de volledige aanvraag onverwijld aan de andere bevoegde autoriteiten toekomen;

b) 

op de datum waarop de bevoegde autoriteiten een door de consoliderend toezichthouder opgesteld verslag ontvangen, waarin de intragroepverplichtingen binnen de groep worden geanalyseerd.

4.  
Indien er binnen zes maanden geen gezamenlijke beslissing van de bevoegde autoriteiten is, neemt de consoliderend toezichthouder op eigen gezag een beslissing betreffende lid 1, punt a). De beslissing van de consoliderend toezichthouder leidt niet tot een beperking van de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 105 van 2013/36/EU.

De beslissing wordt op schrift gesteld met volledige opgave van redenen en met inachtneming van de gedurende de termijn van zes maanden door de andere bevoegde autoriteiten te kennen gegeven standpunten en voorbehouden.

De beslissing wordt door de consoliderend toezichthouder toegezonden aan de EU-moederinstelling, financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding en de andere bevoegde autoriteiten.

Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van de termijn van zes maanden de zaak heeft doorverwezen naar de EBA overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de consoliderend toezichthouder zijn beslissing betreffende lid 1, punt a), van dit artikel uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit over zijn beslissing af en neemt hij een beslissing in overeenstemming met het besluit van de EBA. De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de verzoeningsfase in de zin van die verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de termijn van zes maanden of nadat een gezamenlijke beslissing is genomen.

5.  
Indien er binnen zes maanden geen gezamenlijke beslissing van de bevoegde autoriteiten is, neemt de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de dochteronderneming op individuele basis op eigen gezag een beslissing betreffende lid 1, punt b).

De beslissing wordt op schrift gesteld met volledige opgave van redenen en met inachtneming van de gedurende de termijn van zes maanden door de andere bevoegde autoriteiten te kennen gegeven standpunten en voorbehouden.

De beslissing wordt toegezonden aan de consoliderend toezichthouder, die de EU-moederinstelling, financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding ervan in kennis stelt.

Indien de consoliderend toezichthouder aan het einde van de termijn van zes maanden de zaak heeft doorverwezen naar de EBA overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de dochteronderneming op individuele basis zijn beslissing betreffende lid 1, punt b), van deze verordening uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit over zijn beslissing af en neemt hij een beslissing in overeenstemming met het besluit van de EBA. De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de verzoeningsfase in de zin van die verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de termijn van zes maanden of nadat een gezamenlijke beslissing is genomen.

▼M17

6.  
Indien een EU-moederinstelling en haar dochterondernemingen, de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding de in artikel 143 bedoelde IRB-benadering centraal toepassen, staan de bevoegde autoriteiten toe dat de moederonderneming en haar dochterondernemingen samen voldoen aan de in deel drie, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6, genoemde criteria om in aanmerking te komen, op een wijze die samenhang vertoont met de structuur van de groep en haar systemen, processen en methoden voor risicobeheer.

▼B

7.  
De in de leden 2, 4 en 5 bedoelde beslissingen worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten als definitief erkend en toegepast.

▼M17

8.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van het in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvragen voor toestemming zoals bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 9, en de artikelen 283 en 325 terquinquagies met het oog op het faciliteren van de gezamenlijke beslissingen.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 21

Gezamenlijke beslissingen over het toepassingsniveau van liquiditeitsvereisten

1.  
Na de aanvraag van een EU-moederonderneming, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, dan wel een gesubconsolideerde dochteronderneming van een EU-moederinstelling of van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding stellen de consoliderend toezichthouder en de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in een lidstaat alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing te komen over de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, punt a) tot en met d), en tot het bepalen van één enkele liquiditeitssubgroep voor de toepassing van artikel 8.

De gezamenlijke beslissing wordt genomen binnen zes maanden nadat de consoliderend toezichthouder een verslag met vaststelling van de enkele liquiditeitssubgroepen op basis van de in artikel 8 vastgelegde criteria heeft ingediend. Bij een geschil gedurende de periode van zes maanden raadpleegt de consoliderend toezichthouder de EBA op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde autoriteiten. De consoliderend toezichthouder kan de EBA ook op eigen initiatief raadplegen.

De gezamenlijke beslissing kan ook beperkingen op de locatie en eigendom van liquide activa opleggen en voorschrijven dat instellingen die vrijgesteld zijn van de toepassing van deel 6, minimale bedragen aan liquide activa moeten aanhouden.

Deze gezamenlijke beslissing wordt op schrift gesteld en wordt met volledige opgaaf van redenen door de consoliderend toezichthouder aan de moederinstelling van de liquiditeitssubgroep toegezonden.

2.  
Als er binnen zes maanden geen gezamenlijke beslissing is, neemt elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op individuele basis, zijn eigen beslissing.

Eender welke van de bevoegde autoriteiten kan de vraag of aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, punten a) tot en met d), is voldaan, evenwel binnen de termijn van zes maanden aan de EBA voorleggen. In dat geval kan de EBA overeenkomstig artikel 31, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 haar niet-bindende bemiddeling verrichten en alle betrokken bevoegde autoriteiten stellen hun beslissingen uit in afwachting van de conclusie van de niet-bindende bemiddeling. Als er tijdens de bemiddeling binnen drie maanden door de bevoegde autoriteiten geen gezamenlijke beslissing wordt bereikt, neemt elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op individuele basis, haar eigen beslissing, rekening houdend met de evenredigheid van baten en risico's op het niveau van de lidstaat van de moederinstelling en de evenredigheid van baten en risico's op het niveau van de lidstaat van de dochteronderneming. De zaak wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de termijn van zes maanden of nadat een gezamenlijke beslissing is genomen.

De in lid 1 bedoelde gezamenlijke beslissing en de in de tweede alinea van dit lid bedoelde beslissingen zijn bindend.

3.  
Eender welke van de betrokken bevoegde autoriteiten kan ook binnen de termijn van zes maanden de EBA raadplegen in geval van een geschil over de voorwaarden van artikel 8, lid 3, punten a) tot en met d). In dat geval kan de EBA overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1093/2010 haar niet-bindende bemiddeling verrichten en alle betrokken bevoegde autoriteiten stellen hun beslissingen uit in afwachting van de conclusie van de niet-bindende bemiddeling. Als er tijdens de bemiddeling binnen drie maanden door de bevoegde autoriteiten geen gezamenlijke beslissing wordt bereikt, neemt elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op individuele basis, haar eigen beslissing.

▼M17

Artikel 22

Subconsolidatie in het geval van entiteiten in derde landen

1.  
Instellingen die een dochteronderneming zijn of intermediaire financiële holdings die een dochteronderneming zijn of intermediaire gemengde financiële holdings die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie, vier en zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe indien zij in een derde land een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming hebben of een deelneming in dit soort onderneming hebben.
2.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel mogen instellingen die een dochteronderneming zijn of intermediaire financiële holdings die een dochteronderneming zijn of intermediaire gemengde financiële holdings die een dochteronderneming zijn, besluiten de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie, vier en zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis niet op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe te passen indien de totale activa en posten buiten de balanstelling van de dochterondernemingen en deelnemingen in derde landen minder dan 10 % bedragen van het totale bedrag van de activa en de posten buiten de balanstelling van de instelling die een dochteronderneming is, de intermediaire financiële holding die een dochteronderneming is of de intermediaire gemengde financiële holding die een dochteronderneming is.

▼B

Artikel 23

Ondernemingen in derde landen

Voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig dit hoofdstuk zijn de begrippen "beleggingsonderneming", "kredietinstelling", "financiële instelling" en "instelling" ook van toepassing op in derde landen gevestigde ondernemingen die, indien zij in de Unie zouden zijn gevestigd, aan de definities van deze begrippen in artikel 4 zouden voldoen.

Artikel 24

Waardering van actiefposten en posten buiten de balansstelling

1.  
De actiefposten en de posten buiten de balansstelling worden gewaardeerd overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.
2.  
In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten verlangen dat instellingen de actiefposten en de posten buiten de balanstelling waarderen en het eigen vermogen bepalen overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen die van toepassing zijn krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002.

DEEL TWEE

▼M8

EIGEN VERMOGEN EN IN AANMERKING KOMENDE PASSIVA

▼B

TITEL I

BESTANDDELEN VAN HET EIGEN VERMOGEN

HOOFDSTUK 1

Tier 1-kapitaal

Artikel 25

Tier 1-kapitaal

Het tier 1-kapitaal van een instelling bestaat uit de som van het tier 1-kernkapitaal en het aanvullend-tier 1-kapitaal van de instelling.

HOOFDSTUK 2

Tier 1-kernkapitaal

Afdeling 1

Tier 1-kernkapitaalbestanddelen en -instrumenten

Artikel 26

Tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.  

Tier 1-kernkapitaalbestanddelen van instellingen bestaan uit het volgende:

a) 

kapitaalinstrumenten, mits voldaan is aan de voorwaarden van artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29;

b) 

de agiorekeningen gerelateerd aan de in punt a) bedoelde instrumenten;

c) 

ingehouden winsten;

d) 

gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten;

e) 

andere reserves;

f) 

fondsen voor algemene bankrisico's.

De in de punten c) tot en met f) bedoelde bestanddelen worden enkel als tier 1-kernkapitaal erkend indien zij onbeperkt en onmiddellijk door de instelling kunnen worden gebruikt voor het dekken van risico's of verliezen zodra deze zich voordoen.

2.  

Voor de toepassing van lid 1, punt c), kunnen de instellingen, uitsluitend met de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit, de tussentijdse of eindejaarsresultaten opnemen in het tier 1-kernkapitaal voordat de instelling een formeel besluit heeft genomen ter bevestiging van het uiteindelijke resultaat van de instelling voor dat jaar. De bevoegde autoriteit verleent toestemming indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

deze resultaten zijn getoetst door personen die onafhankelijk zijn van de instelling en verantwoordelijk zijn voor de controle van de rekeningen van die instelling;

b) 

de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat alle te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden van het bedrag van deze resultaten zijn afgetrokken.

Een toetsing van de tussentijdse of eindejaarsresultaten van de instelling wijst op bevredigende wijze uit dat deze resultaten beoordeeld zijn overeenkomstig de in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving beschreven beginselen.

▼M8

3.  
De bevoegde autoriteiten gaan na of uitgiften van kapitaalinstrumenten voldoen aan de criteria van artikel 28 of, naargelang het geval, van artikel 29. Uitgiften van kapitaalinstrumenten worden door de instellingen slechts als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt nadat daarvoor toestemming is gegeven door de bevoegde autoriteiten.

In afwijking van de eerste alinea kunnen instellingen opeenvolgende uitgiften van een vorm van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarvoor zij die toestemming reeds hebben gekregen, als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aanmerken mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de voor die opeenvolgende uitgiften geldende bepalingen zijn wezenlijk dezelfde als de bepalingen die gelden voor de uitgiften waarvoor de instellingen reeds toestemming hebben verkregen;

b) 

de instellingen hebben de bevoegde autoriteiten voldoende tijd vóór de indeling ervan als tier 1-kernkapitaalinstrumenten in kennis gesteld van die opeenvolgende uitgiften.

De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA voordat zij toestemming verlenen voor nieuwe vormen van als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken kapitaalinstrumenten. De bevoegde autoriteiten houden terdege rekening met het advies van de EBA en delen, indien zij besluiten van het advies af te wijken, de EBA binnen drie maanden na de datum van ontvangst van het advies van de EBA schriftelijk mee waarom zij van het betrokken advies zijn afgeweken. Deze alinea is niet van toepassing op de in artikel 31 bedoelde kapitaalinstrumenten.

Op basis van de door bevoegde autoriteiten verstrekte informatie wordt door de EBA een lijst opgesteld, geactualiseerd en gepubliceerd van alle vormen van kapitaalinstrumenten in elke lidstaat die als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt. Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan de EBA alle met tier 1-kernkapitaalinstrumenten verband houdende informatie verzamelen die zij nodig acht om zich van de vervulling van de in artikel 28 of, waar toepasselijk, artikel 29 van deze verordening beschreven criteria te vergewissen, en om de in deze alinea bedoelde lijst bij te houden en te actualiseren.

Na de in artikel 80 beschreven toetsingsprocedure en indien voldoende is aangetoond dat de betrokken kapitaalinstrumenten niet of niet meer voldoen aan de in artikel 28 of, waar toepasselijk, artikel 29 beschreven criteria, kan de EBA besluiten die instrumenten niet aan de in de vierde alinea bedoelde lijst toe te voegen of deze van die lijst te schrappen, naargelang het geval. De EBA brengt met dat doel een verklaring uit waarin het standpunt ter zake van de bevoegde autoriteit ook wordt vermeld. Deze alinea is niet van toepassing op de in artikel 31 bedoelde kapitaalinstrumenten.

▼B

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van hetgeen moet worden verstaan onder "te verwachten" bij het bepalen of alle te verwachten opslagen en dividenden zijn afgetrokken.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 27

Kapitaalinstrumenten van onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen en soortgelijke instellingen in tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.  

Tier 1-kernkapitaalbestanddelen omvatten eender welk door een instelling overeenkomstig haar statutaire bepalingen uitgegeven kapitaalinstrument op voorwaarde dat er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling behoort tot een categorie die in het toepasselijk nationaal recht is gedefinieerd en die volgens de bevoegde autoriteiten is aan te merken als:

i) 

een onderlinge maatschappij;

ii) 

een coöperatie;

iii) 

een spaarinstelling;

iv) 

een soortgelijke instelling;

▼M17 —————

▼B

b) 

de voorwaarden als gesteld in artikel 28 of, naar gelang het geval, in artikel 29, zijn vervuld.

Deze onderlinge maatschappijen, coöperaties of spaarinstellingen die als dusdanig uit hoofde van vóór 31 december 2012 toepasselijke nationale wetgeving zijn erkend, blijven voor de toepassing van dit deel zo aangemerkt zolang de criteria waarop die erkenning is gebaseerd, zijn vervuld.

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten kunnen bepalen dat een categorie ondernemingen die in het toepasselijk nationaal recht is erkend, voor de toepassing van dit deel kan worden aangemerkt als onderlinge maatschappij, coöperatie, spaarinstelling of soortgelijke instelling.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 28

Tier 1-kernkapitaalinstrumenten

1.  

Kapitaalinstrumenten worden uitsluitend als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

de instrumenten worden rechtstreeks door de instelling uitgegeven met de voorafgaande goedkeuring van de eigenaars van de instelling of, indien toegestaan volgens het toepasselijke nationaal recht, het leidinggevende orgaan van de instelling;

▼M8

b) 

de instrumenten zijn volgestort en de verwerving van de eigendom van die instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

▼B

c) 

de instrumenten voldoen aan alle volgende voorwaarden wat hun indeling betreft:

i) 

zij worden aangemerkt als kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG;

ii) 

zij worden ingedeeld als gewone aandelen in de zin van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

iii) 

zij worden ingedeeld als aandelenkapitaal voor het bepalen van balansmatige insolventie, indien toepasselijk uit hoofde van het nationaal insolventierecht;

d) 

de instrumenten worden duidelijk en afzonderlijk vermeld op de balans in de financiële overzichten van de instelling;

e) 

de instrumenten zijn doorlopend;

f) 

de hoofdsom van de instrumenten mag niet worden verminderd of terugbetaald, behalve in een van de volgende gevallen:

i) 

de liquidatie van de instelling;

ii) 

discretionaire wederinkopen van de instrumenten of andere discretionaire manieren om het kapitaal te verminderen, waarbij de instelling overeenkomstig artikel 77 de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen;

g) 

de bepalingen betreffende de instrumenten geven niet expliciet of impliciet aan dat de hoofdsom van de instrumenten in een andere situatie dan de liquidatie van de instelling zou worden of zou kunnen worden verminderd of terugbetaald, en de instelling geeft dit niet anderszins aan vóór of bij de uitgifte van de instrumenten, behalve in het geval van in artikel 27 bedoelde instrumenten waarbij de weigering van de instelling om dergelijke instrumenten af te lossen door het toepasselijk nationaal recht verboden wordt;

h) 

de instrumenten voldoen aan de volgende voorwaarden wat uitkeringen betreft:

i) 

er zijn geen preferentiële behandelingen voor de volgorde van betaling van uitkeringen, evenmin voor andere tier 1-kernkapitaalinstrumenten, en de voor de instrumenten geldende voorwaarden voorzien niet in preferentiële rechten op de betaling van uitkeringen;

ii) 

uitkeringen aan houders van de instrumenten mogen alleen geschieden uit uitkeerbare bestanddelen;

iii) 

de voor de instrumenten geldende voorwaarden bevatten geen maximum of een andere beperking op het maximumniveau van de uitkeringen, behalve in het geval van in artikel 27 bedoelde instrumenten;

iv) 

het niveau van de uitkeringen wordt niet bepaald op basis van het bedrag waarvoor de instrumenten bij de uitgifte werden gekocht, behalve in het geval van de in artikel 27 bedoelde instrumenten;

v) 

de voor de instrumenten geldende voorwaarden bevatten geen verplichting voor de instelling om uitkeringen aan hun houders te verrichten en de instelling is niet anderszins aan een dergelijke verplichting onderworpen;

vi) 

niet-betaling van uitkeringen vormt geen wanbetaling door de instelling;

vii) 

het schrappen van uitkeringen legt de instelling geen beperkingen op;

i) 

vergeleken met alle door de instelling uitgegeven kapitaalinstrumenten vangen de instrumenten het eerste en naar verhouding grootste deel van de verliezen op wanneer deze zich voordoen, en vangt elk instrument de verliezen in dezelfde mate op als alle andere tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

j) 

bij insolventie of liquidatie van de instelling komen de instrumenten na alle andere vorderingen in de rangorde;

k) 

de instrumenten verlenen de eigenaars ervan een vordering op de resterende activa van de instelling, die bij liquidatie en na de betaling van alle niet-achtergestelde vorderingen evenredig is aan het bedrag van dergelijke uitgegeven instrumenten en niet vastgesteld is en evenmin onderworpen aan een maximum, behalve in het in artikel 27 bedoelde geval van kapitaalinstrumenten;

l) 

de instrumenten zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:

i) 

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii) 

de moederonderneming van de instelling of de dochterondernemingen ervan;

iii) 

de financiële moederholding of de dochterondernemingen ervan;

iv) 

de gemengde holding of de dochterondernemingen ervan;

v) 

de gemengde financiële holding en de dochterondernemingen ervan;

vi) 

een onderneming die nauwe banden heeft met de in de onder i) tot en met onder v) bedoelde entiteiten;

m) 

de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige regeling, hetzij contractueel hetzij anderszins, die de rangordepositie van vorderingen uit hoofde van de instrumenten bij insolventie of liquidatie verbetert.

Aan de in lid 1, punt j), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien de instrumenten zijn opgenomen in aanvullend tier 1- of tier 2-kapitaal op grond van artikel 484, lid 3, mits zij dezelfde rangorde hebben.

▼M8

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als tier 1-kernkapitaalinstrument worden aangemerkt.

▼B

2.  
Zelfs bij een permanente afwaardering van de hoofdsom van aanvullend tier 1- of tier 2-instrumenten worden de in lid 1, punt i), vastgestelde voorwaarden geacht te zijn vervuld.

Aan de in lid 1, punt f), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs bij een vermindering van de hoofdsom van het kapitaalinstrument in het kader van een afwikkelingsprocedure of als gevolg van een door de voor de instelling verantwoordelijke afwikkelingsautoriteit vereiste afwaardering van kapitaalinstrumenten.

Aan de in lid 1, punt g), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien in de bepalingen inzake het kapitaalinstrument expliciet of impliciet wordt aangegeven dat de hoofdsom zal of zou kunnen worden verminderd in het kader van een afwikkelingsprocedure of als gevolg van een door de voor de instelling verantwoordelijke afwikkelingsautoriteit vereiste afwaardering van kapitaalinstrumenten.

3.  
Aan de in lid 1, punt h), onder iii), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien het instrument een veelvoud van de dividenden uitbetaalt, op voorwaarde dat dit veelvoud van de dividenden niet resulteert in een uitkering die een onevenredige belasting van het eigen vermogen veroorzaakt.

▼M8

Aan de in lid 1, eerste alinea, punt h), onder v), beschreven voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan niettegenstaande een dochteronderneming onderworpen is aan een met haar moederonderneming aangegane overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten volgens welke de dochteronderneming verplicht is om na de opstelling van haar jaarlijkse financiële overzichten haar jaarresultaat over te dragen aan de moederonderneming, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de moederonderneming bezit 90 % of meer van de stemrechten en van het kapitaal van de dochteronderneming;

b) 

de moederonderneming en de dochteronderneming zijn in dezelfde lidstaat gevestigd;

c) 

de overeenkomst werd vanuit rechtmatige fiscale overwegingen gesloten;

d) 

bij het opstellen van het jaarlijks financieel overzicht beschikt de dochteronderneming over een beoordelingsmarge om het bedrag van de uitkeringen neerwaarts bij te stellen door haar winsten geheel of gedeeltelijk toe te wijzen aan haar eigen reserves of middelen voor algemeen bankrisico, voordat betalingen aan haar moederonderneming worden gedaan;

e) 

de moederonderneming is krachtens de overeenkomst verplicht alle verliezen van de dochteronderneming volledig te compenseren;

f) 

de overeenkomst bevat een opzegtermijn volgens welke de overeenkomst pas aan het einde van een boekjaar kan worden beëindigd en die beëindiging niet vroeger dan het begin van het volgende boekjaar van kracht wordt, en die de verplichting voor de moederonderneming om alle verliezen van de dochteronderneming van het lopende boekjaar volledig te compenseren onverlet laat.

Indien een instelling een overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten is aangegaan, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij de bevoegde autoriteit een exemplaar van de overeenkomst. Ook stelt de instelling de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van wijzigingen in de overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten en van de beëindiging ervan. Een instelling gaat maximaal één overeenkomst tot de overdracht van de bedrijfsresultaten aan.

▼B

4.  
Ten behoeve van lid 1, punt h), onder i), mogen gedifferentieerde uitkeringen enkel een afspiegeling zijn van gedifferentieerde stemrechten. In dit verband zijn hogere uitkeringen enkel van toepassing op tier 1-kernkapitaalinstrumenten met minder of geen stemrechten.
5.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van eigenvermogensinstrumenten;

b) 

of en wanneer meerdere uitkeringen een onevenredige belasting zouden vormen op het eigen vermogen;

c) 

de betekenis van preferentiële uitkeringen.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 29

Door onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen en soortgelijke instellingen uitgegeven kapitaalinstrumenten

1.  
Door onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen en soortgelijke instellingen uitgegeven kapitaalinstrumenten worden uitsluitend als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt als er aan de voorwaarden van artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29 wordt voldaan.
2.  

Wat de aflossing van de kapitaalinstrumenten betreft, wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:

a) 

de instelling is in staat de aflossing van de instrumenten te weigeren, tenzij dit door het toepasselijke nationale recht verboden is;

b) 

indien het toepasselijke nationale recht de instelling verbiedt de aflossing van de instrumenten te weigeren, bieden de voor de instrumenten geldende bepalingen de instelling de mogelijkheid de aflossing ervan te beperken;

c) 

de weigering de instrumenten af te lossen of, in voorkomend geval, de beperking van de aflossing van de instrumenten, mag geen wanbetaling door de instelling vormen.

3.  
De kapitaalinstrumenten mogen uitsluitend een maximum of een beperking op het maximumniveau van de uitkeringen bevatten wanneer dat maximum of die beperking in het toepasselijk nationaal recht of in de statuten van de instelling is vastgelegd.
4.  
Indien de kapitaalinstrumenten de eigenaar ervan bij insolventie of liquidatie rechten verlenen op de reserves van de instelling die beperkt zijn tot de nominale waarde van de instrumenten, is een dergelijke beperking in dezelfde mate van toepassing op de houders van alle andere tier 1-kernkapitaalinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven.

De in de eerste alinea gestelde voorwaarde laat de mogelijkheid voor een onderlinge maatschappij, coöperatie, spaarinstelling of soortgelijke instelling onverlet om binnen het tier 1-kernkapitaal instrumenten te erkennen die de houder geen stemrechten verlenen en die aan beide onderstaande voorwaarden voldoen:

a) 

de vordering van de houders van de instrumenten zonder stemrechten bij de insolventie of liquidatie van de instelling is evenredig met het aandeel van de totale tier 1-kernkapitaalinstrumenten die door die instrumenten zonder stemrechten worden vertegenwoordigd;

b) 

de instrumenten worden anderszins als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt.

5.  
Indien de kapitaalinstrumenten de eigenaar ervan bij insolventie of liquidatie een vaste of aan een maximum onderworpen vordering op de activa van de instelling verlenen, is een dergelijke beperking in dezelfde mate van toepassing op alle houders van alle tier 1-kernkapitaalinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven.
6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de aard van de noodzakelijke beperkingen op aflossing indien het toepasselijke nationale recht de instelling verbiedt de aflossing van de instrumenten te weigeren.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 30

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Het volgende geldt wanneer in het geval van tier 1-kernkapitaalinstrumenten de voorwaarden van artikel 28, in voorkomend geval met aanpassingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 29, niet langer zijn vervuld:

a) 

dat instrument wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als een tier 1-kernkapitaalinstrument;

b) 

de aan dat instrument gerelateerde agiorekeningen worden met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als tier 1-kernkapitaalbestanddelen.

Artikel 31

In noodsituaties bij overheden geplaatste kapitaalinstrumenten

1.  

In noodsituaties kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan om in tier 1-kernkapitaal kapitaalinstrumenten op te nemen die ten minste voldoen aan de in artikel 28, lid 1, punten b) tot en met e), gestelde voorwaarden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de kapitaalinstrumenten zijn uitgegeven na 1 januari 2014;

b) 

de kapitaalinstrumenten worden door de Commissie als staatssteun beschouwd;

c) 

de kapitaalinstrumenten worden uitgegeven in de context van herkapitalisatiemaatregelen overeenkomstig op dat ogenblik bestaande voorschriften inzake staatssteun;

d) 

de kapitaalinstrumenten worden volledig geplaatst en aangehouden door de staat of een betrokken overheid of een entiteit in overheidshanden;

e) 

de kapitaalinstrumenten kunnen verliezen opvangen;

f) 

behalve voor de in artikel 27 bedoelde kapitaalinstrumenten geven de kapitaalinstrumenten de eigenaars ervan het recht om bij liquidatie de resterende activa van de instelling te vorderen nadat alle niet-achtergestelde vorderingen zijn betaald;

g) 

er is voorzien in passende uitstapmechanismen van de staat of in voorkomend geval een betrokken overheid of entiteit in overheidshanden;

h) 

de bevoegde autoriteit heeft voorafgaandelijk toestemming verleend en heeft haar beslissing, samen met de motivering daarvan, bekendgemaakt.

2.  
Op een met redenen omkleed verzoek van en in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteit, stelt de EBA voor de toepassing van deze verordening de in lid 1 bedoelde kapitaalinstrumenten gelijk aan tier 1-kernkapitaainstrumenten.

Afdeling 2

Prudentiële filters

Artikel 32

Gesecuritiseerde activa

1.  

Een instelling neemt in geen enkel eigenvermogensbestanddeel enige toename op van haar aandelenkapitaal volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving als die toename uit gesecuritiseerde activa voortvloeit, zoals bijvoorbeeld:

a) 

een dergelijke toename in verband met toekomstige marge-inkomsten die voor de instelling resulteren in een winst bij verkoop ("gain on sale");

b) 

indien de instelling de initiator van een securitisatie is, de nettowinsten die voortvloeien uit de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa die als kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen.

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het in lid 1, onder a), vermelde begrip "winst bij verkoop".

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 33

Kasstroomafdekkingen en veranderingen in de waarde van eigen verplichtingen

1.  

De instellingen nemen de volgende posten niet op in enig eigenvermogensbestanddeel:

a) 

de reserves voor de reële waarde in verband met winsten of verliezen op kasstroomafdekkingen van financiële instrumenten die niet tegen reële waarde zijn gewaardeerd, met inbegrip van voorgenomen kasstromen;

b) 

tegen reële waarde gewaardeerde winsten of verliezen op verplichtingen van de instelling die voortvloeien uit veranderingen in de eigen kredietwaardigheid van de instelling;

▼M8

c) 

tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen op derivatenverplichtingen van de instelling die voortvloeien uit wijzigingen in het eigen kredietrisico van de instelling.

▼B

2.  
Voor de toepassing van lid 1, punt c), worden de tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen die voortvloeien uit het eigen kredietrisico van de instelling, door de instellingen niet gecompenseerd met winsten en verliezen die voortvloeien uit het tegenpartijkredietrisico.
3.  

Onverminderd lid 1, punt b), kunnen instellingen de som van winsten en verliezen op hun verplichtingen in het eigen vermogen opnemen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de verplichtingen zijn in de vorm van obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG;

b) 

de wijzigingen in de waarde van de activa en passiva van de instelling zijn het gevolg van identieke wijzigingen in de eigen kredietwaardigheid van de instelling;

c) 

er is nauwe overeenstemming tussen de waarde van de onder a) bedoelde obligaties en de waarde van de activa van de instelling;

d) 

de hypotheekleningen kunnen worden afgelost door de obligaties ter financiering van de hypotheekleningen terug te kopen tegen markt- of nominale waarde.

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van wat moet worden verstaan onder nauwe overeenstemming tussen de waarde van de obligaties en de waarde van de activa als bedoeld in lid 3, punt c).

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 30 september 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Artikel 34

Aanvullende waardeaanpassingen

1.  
De instellingen passen bij de berekening van het bedrag aan eigen vermogen de vereisten van artikel 105 toe op al hun tegen reële waarde gewaardeerde activa en trekken van het tier 1-kernkapitaal het bedrag van noodzakelijke aanvullende waardeaanpassingen af.
2.  
In afwijking van lid 1 mogen instellingen, in uitzonderlijke omstandigheden waarvan het bestaan in een overeenkomstig lid 3 door de EBA uitgebracht advies moet worden bevestigd, bij de berekening van het totale van het tier 1-kernkapitaal af te trekken bedrag de totale aanvullende waardeaanpassingen verlagen.
3.  
Om het in lid 2 bedoelde advies te kunnen uitbrengen, monitort de EBA de marktomstandigheden om na te gaan of zich uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan en indien dit het geval is, stelt zij de Commissie hier onmiddellijk van in kennis.
4.  
De EBA ontwikkelt, in overleg met de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de indicatoren en voorwaarden die de EBA zal gebruiken om de in lid 2 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden te bepalen en om de in dat lid bedoelde verlaging van de totale geaggregeerde aanvullende waardeaanpassingen vast te stellen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reg6uleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 35

Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten en verliezen

Behalve in het geval van in artikel 33 bedoelde posten doen de instellingen geen aanpassingen ter verwijdering uit hun eigen vermogen van tegen reële waarde gewaardeerde niet-gerealiseerde winsten of verliezen op hun activa of verplichtingen.

Afdeling 3

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen, vrijstellingen en alternatieven

Onderafdeling 1

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

Artikel 36

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.  

De instellingen trekken het volgende van tier 1-kernkapitaalbestanddelen af:

a) 

het verlies van het lopende boekjaar;

▼M8

b) 

de immateriële activa, met uitzondering van de prudent gewaardeerde softwareactiva waarvan de waarde geen negatieve gevolgen ondervindt van een afwikkeling, insolventie of liquidatie van de instelling;

▼B

c) 

de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten;

▼M17

d) 

voor instellingen die risicogewogen posten met behulp van de interneratingbenadering (IRB-benadering) berekenen, wordt het IRB-tekort, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 159 berekend;

▼B

e) 

de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds op de balans van de instelling;

f) 

direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten, met inbegrip van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die een instelling krachtens een bestaande contractuele verplichting feitelijk of op bepaalde voorwaarden moet kopen;

g) 

direct, indirect en synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien deze entiteiten een wederzijdse deelneming hebben in de instelling, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld is om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen;

h) 

het toepasselijke bedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

i) 

het toepasselijke bedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

▼C3

j) 

het bedrag van de posten dat overeenkomstig artikel 56 van de aanvullend-tier 1-bestanddelen moet worden afgetrokken, dat de aanvullend-tier 1-bestanddelen van de instelling overschrijdt;

▼B

k) 

het blootstellingsbedrag van de volgende posten die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1 250  %, waarbij de instelling dat blootstellingsbedrag in mindering brengt op het bedrag van tier 1-kernkapitaalbestanddelen als een alternatief voor het toepassen van een risicogewicht van 1 250  %:

i) 

gekwalificeerde deelnemingen buiten de financiële sector;

▼M5

ii) 

securitisatieposities overeenkomstig artikel 244, lid 1, onder b), artikel 245, lid 1, onder b), en artikel 253;

▼B

iii) 

niet-afgewikkelde transacties overeenkomstig artikel 379, lid 3;

iv) 

posities in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht met de interneratingbenadering niet kan bepalen, overeenkomstig artikel 153, lid 8;

▼M17 —————

▼M17

vi) 

blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb waaraan overeenkomstig artikel 132, lid 2, tweede alinea, een risicogewicht van 1 250  % is toegekend.

▼B

l) 

elke belasting in verband met tier 1-kernkapitaalbestanddelen die op het ogenblik van de berekening te verwachten is, behalve wanneer de instelling het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen corrigeert voor zover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen;

▼M7

m) 

het toepasselijke bedrag van ontoereikende dekking voor niet-renderende blootstellingen;

▼M8

n) 

voor een minimumwaardeverplichting als bedoeld in artikel 132 quater, lid 2, het bedrag waarmee de huidige marktwaarde van de rechten van deelneming of aandelen in een icb die aan de basis liggen van de minimumwaardeverplichting inferieur is aan de huidige waarde van de minimumwaardeverplichting en waarvoor de instelling niet reeds een vermindering van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen heeft opgenomen.

▼B

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de toepassing van de in lid 1, punten a), c), e), f), h), i) en l), van dit artikel bedoelde aftrekkingen en de daarmee verband houdende aftrekkingen als bedoeld in de punten a), c), d) en f) van artikel 56 en de punten a), c) en d) van artikel 66.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de soorten kapitaalinstrumenten van financiële instellingen en, in overleg met de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Supervisory Authority (European Insurance and Occupational Pensions Authority — EIOPA)), zoals opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010  ( 27 ), van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit derde landen, alsmede van ondernemingen die uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn, die van de volgende eigenvermogensbestanddelen worden afgetrokken:

a) 

tier 1-kernkapitaalbestanddelen;

b) 

aanvullend-tier 1-bestanddelen;

c) 

tier 2-bestanddelen.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de toepassing van de in lid 1, punt b), bedoelde aftrekkingen, onder meer met betrekking tot de vraag of er sprake is van negatieve gevolgen voor de waarde die geen aanleiding geven tot prudentiële bezwaren.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

5.  
Uitsluitend met het oog op de berekening van het toepasselijke bedrag van ontoereikende dekking voor niet-renderende blootstellingen in overeenstemming met lid 1, punt m), van dit artikel, is, in afwijking van artikel 47 quater en na kennisgeving aan de bevoegde autoriteit, het toepasselijke bedrag van ontoereikende dekking voor niet-renderende blootstellingen die zijn gekocht door een gespecialiseerde herstructureerder van schulden gelijk aan nul. De in deze alinea vervatte afwijking is van toepassing op individuele basis en, in het geval van groepen waarin alle instellingen als gespecialiseerde herstructureerders van schulden worden gekwalificeerd, op geconsolideerde basis.

Voor de toepassing van dit lid wordt onder „gespecialiseerde herstructureerder van schulden” verstaan een instelling die het voorgaande boekjaar zowel op individuele als op geconsolideerde basis aan alle volgende voorwaarden heeft voldaan:

a) 

de belangrijkste activiteit van de instelling is de aankoop, het beheer en de herstructurering van niet-renderende blootstellingen in overeenstemming met een duidelijk en doeltreffend intern besluitvormingsproces dat door haar bestuursorgaan wordt uitgevoerd;

b) 

de boekwaarde, gemeten zonder rekening te houden met kredietrisicoaanpassingen van haar eigen geïnitieerde leningen, bedraagt niet meer dan 15 % van haar totale activa;

c) 

ten minste 5 % van de boekwaarde, gemeten zonder rekening te houden met kredietrisicoaanpassingen van haar eigen geïnitieerde leningen vormt een volledige of gedeeltelijke herfinanciering, of de aanpassing van relevante voorwaarden, van de gekochte niet-renderende blootstellingen die overeenkomstig artikel 47 ter als respijtmaatregel wordt gekwalificeerd;

d) 

de totale waarde van de activa van de instelling is niet hoger dan 20 miljard EUR;

e) 

de instelling houdt doorlopend een nettostabielefinancieringsratio van ten minste 130 % aan;

f) 

de zichtdeposito’s van de instelling bedragen niet meer dan 5 % van de totale passiva van de instelling.

Indien niet langer aan een of meer van de in de tweede alinea genoemde voorwaarden wordt voldaan, stelt de gespecialiseerde herstructureerder van schulden de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA ten minste jaarlijks in kennis van de toepassing van dit lid door de instellingen waarop zij toezicht uitoefenen.

De EBA stelt een lijst van gespecialiseerde herstructureerders van schulden op, houdt deze bij en publiceert deze. De EBA monitort de activiteiten van gespecialiseerde herstructureerders van schulden en brengt uiterlijk op 31 december 2028 aan de Commissie verslag uit over de resultaten van die monitoring en adviseert, in voorkomend geval, de Commissie over de vraag of de voorwaarden om als „gespecialiseerde herstructureerder van schulden” te worden aangemerkt voldoende risicogebaseerd zijn en passend zijn om de secundaire markt voor niet-renderende leningen te bevorderen, en beoordeelt of er aanvullende voorwaarden nodig zijn.

▼B

Artikel 37

Aftrek van immateriële activa

De instellingen bepalen welk bedrag aan immateriële activa er moet worden afgetrokken aan de hand van het volgende:

a) 

het af te trekken bedrag wordt verminderd met het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen dat zou worden opgeheven als de immateriële activa overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving dubieus zouden worden of zouden worden afgestoten;

b) 

het af te trekken bedrag omvat de goodwill die vervat zit in de waardering van aanzienlijke deelnemingen van de instelling;

▼M8

c) 

het af te trekken bedrag wordt verminderd met het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van de immateriële activa van dochterondernemingen die kunnen worden toegerekend aan andere personen dan de ondernemingen die onder de consolidatie op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2 vallen.

▼B

Artikel 38

Aftrek van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten

1.  
De instellingen bepalen overeenkomstig dit artikel welk bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, moet worden afgetrokken.
2.  
Behalve wanneer de voorwaarden van lid 3 zijn vervuld, wordt het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, berekend zonder het te verminderen met het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de instelling.
3.  

Het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, mag worden verminderd met het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de instelling, mits:

a) 

de entiteit een krachtens het toepasselijke nationale recht een in rechte afdwingbaar recht heeft om die actuele belastingvorderingen te salderen met actuele belastingverplichtingen;

b) 

de uitgestelde belastingvorderingen en de uitgestelde belastingverplichtingen betrekking hebben op belastingen die door dezelfde belastingautoriteit worden geheven en op dezelfde belastbare entiteit.

4.  
Gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de instelling die voor de toepassing van lid 3 worden gebruikt, mogen geen uitgestelde belastingverplichtingen omvatten die het af te trekken bedrag van de immateriële activa of de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds verminderen.
5.  

Het in lid 4 bedoelde bedrag aan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen wordt als volgt ingedeeld:

a) 

uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit verschillen in de tijd die overeenkomstig artikel 48, lid 1, niet worden afgetrokken;

b) 

alle andere uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten.

De instellingen delen de gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen in naar gelang van het aandeel dat de in de punten a) en b) genoemde posten vertegenwoordigen in de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten.

Artikel 39

Te veel betaalde belastingen, achterwaartse belastingverliescompensaties en uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten

1.  

De volgende bestanddelen worden niet van het eigen vermogen afgetrokken en krijgen een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, naar gelang van het geval:

a) 

door de instelling te veel betaalde belastingen voor het lopende jaar;

b) 

fiscale verliezen van de instelling van het lopende jaar die achterwaarts op vorige jaren worden gecompenseerd en aanleiding geven tot een vordering of kortlopende vordering van een centrale of regionale overheid of een lokale belastingautoriteit;

2.  

►M8  Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten, zijn beperkt tot uitgestelde belastingvorderingen die vóór 23 november 2016 zijn gecreëerd en die voortvloeien uit tijdelijke verschillen, indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld: ◄

a) 

zij worden automatisch en verplicht onverwijld door een belastingkrediet vervangen ingeval de instelling bij de formele goedkeuring van de financiële overzichten van de instelling een verlies meldt, of in geval van liquidatie of insolventie van de instelling;

b) 

een instelling moet in staat zijn om krachtens het toepasselijke nationale belastingrecht een belastingkrediet als bedoeld onder a) te verrekenen met een eventuele belastingverplichting van de instelling of van elke andere onderneming die voor belastingdoeleinden krachtens dat recht in dezelfde consolidatie als de instelling is opgenomen, dan wel van elke andere onderneming die overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, aan het toezicht op geconsolideerde basis is onderworpen;

c) 

indien het onder b) bedoelde bedrag aan belastingkredieten hoger is dan de eveneens onder b) bedoelde belastingverplichtingen, wordt het overschot onverwijld vervangen door een rechtstreekse vordering op de centrale overheid van de lidstaat waar de instelling haar statutaire zetel heeft.

De instellingen passen op uitgestelde belastingvorderingen een risicogewicht van 100 % toe, als de in de punten a), b) en c) bepaalde voorwaarden zijn vervuld.

Artikel 40

Aftrek van negatieve bedragen die voortvloeien uit de berekening van de verwachte verliesposten

Het overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt d), af te trekken bedrag wordt niet verminderd met een stijging van de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, of andere aanvullende belastingeffecten die zich zouden kunnen voordoen ►C2  als de voorzieningen zouden stijgen tot het in deel 3, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 3, bedoelde niveau van de verwachte verliezen. ◄

Artikel 41

Aftrek van de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds

▼C2

1.  

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt e), wordt het af te trekken bedrag van de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds met het volgende verminderd:

a) 

het bedrag van enige gerelateerde uitgestelde belastingverplichting die zou kunnen komen te vervallen als de activa overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving dubieus zouden worden of zouden worden afgestoten;

b) 

het bedrag aan activa in het op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenfonds waarvan de instelling onbeperkt gebruik kan maken, mits de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen.

Op deze activa die gebruikt worden om het af te trekken bedrag te verminderen wordt overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, respectievelijk hoofdstuk 3, als toepasselijk, een risicogewicht toegepast.

▼B

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de criteria volgens welke een bevoegde autoriteit een instelling kan toestaan het in lid 1, punt b), bepaalde bedrag van de activa in het op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenfonds te verminderen.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 42

Aftrek van het bezit van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt f), berekenen de instellingen het bezit van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten op basis van bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende vrijstellingen:

a) 

de instellingen kunnen het bedrag van het bezit van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii) 

ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

de instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in de indices vervatte eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten te berekenen;

c) 

de instellingen kunnen bruto lange posities in eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die voortvloeien uit bezit van indexeffecten, verrekenen met korte posities in eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die voortvloeien uit korte posities in de onderliggende indices, ook wanneer deze korte posities een tegenpartijrisico inhouden, mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de lange en de korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende indices;

ii) 

ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

Artikel 43

Aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector

Voor de toepassing van aftrekkingen wordt een instelling geacht een aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector te hebben indien er aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling bezit meer dan 10 % van de door die entiteit uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

b) 

de instelling heeft nauwe banden met deze entiteit en bezit door die entiteit uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

c) 

de instelling bezit door die entiteit uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten en de entiteit is niet opgenomen in de consolidatie overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, maar is ten behoeve van de financiële verslaggeving overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving opgenomen in dezelfde consolidatie van jaarrekeningen als de instelling.

Artikel 44

Aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien een instelling een wederzijdse deelneming heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen

De instellingen verrichten de in artikel 36, lid 1, punten g), h), en i), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a) 

het bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten en andere kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector wordt berekend op basis van de bruto lange posities;

b) 

voor de toepassing van aftrekkingen worden de tier 1-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen als bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten behandeld.

Artikel 45

Aftrek van het bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector

De instellingen verrichten de in artikel 36, lid 1, punten h) en i), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a) 

zij kunnen het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼M8

i) 

de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;

▼B

ii) 

hetzij worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Artikel 46

Aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarbij een instelling geen aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector bezit

1.  

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt h), berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in dit lid, onder a), bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de in dit lid, onder b), bedoelde berekening:

a) 

het totaalbedrag waarmee het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % overschrijdt van het totaalbedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen:

i) 

de artikelen 32 tot en met 35;

▼M17

ii) 

de in artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), ii) tot en met vi), en punten l), m) en n), bedoelde aftrekkingen, exclusief het af te trekken bedrag voor uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

▼B

iii) 

de artikelen 44 en 45.

b) 

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1- kernkapitaalinstrumenten van die entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, ►C2  gedeeld door het totaalbedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend- tier 1- en tier 2-instrumenten van die entiteiten uit de financiële sector. ◄

2.  
De instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor.
3.  

Het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over alle aangehouden tier 1-kernkapitaalinstrumenten. ►C2  De instellingen bepalen het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag van elk tier 1-kernkapitaalinstrument door het in dit lid, onder a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, onder b), gespecificeerde gedeelte: ◄

a) 

het bedrag van het bezit dat overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken;

b) 

het gedeelte van het totaalbedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, vertegenwoordigd door elk aangehouden tier 1-kernkapitaalinstrument.

4.  
Het bedrag van het in artikel 36, lid 1, onder h), bedoelde bezit dat gelijk is aan of minder dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van lid 1, punt a), onder i) tot en met iii), wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel 3, titel IV, vastgestelde vereisten, naar gelang van het geval.

▼C2

5.  

De instellingen bepalen het bedrag van elk tier 1-kernkapitaalinstrument dat krachtens lid 4 naar risico wordt gewogen door het in punt a) van dit lid bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het in punt b) van dit lid bepaalde bedrag:

a) 

het bedrag van het bezit aan instrumenten dat overeenkomstig lid 4 naar risico moet worden gewogen;

b) 

de verhouding die resulteert uit de in lid 3, punt b), bedoelde berekening.

▼B

Artikel 47

Aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten indien een instelling een aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector bezit

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt i), worden de voor vijf werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities niet opgenomen in het toepasselijke, van tier 1-kernkapitaalbestanddelen af te trekken bedrag en wordt dit bedrag bepaald overeenkomstig de artikelen 44 en 45 en onderafdeling 2.

▼M7

Artikel 47 bis

Niet-renderende blootstellingen

1.  

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m), omvat „blootstelling” elk van de volgende elementen, op voorwaarde dat deze niet zijn opgenomen in de handelsportefeuille van de instelling:

a) 

een schuldinstrument, daaronder begrepen een schuldtitel, een lening, een voorschot en een direct opvraagbaar deposito;

b) 

een toegezegde lening, een financiële garantie of iedere andere gedane toezegging, ongeacht of deze herroepelijk of onherroepelijk zijn, met uitzondering van niet-opgenomen kredietfaciliteiten die te allen tijde onvoorwaardelijk en zonder kennisgeving kunnen worden geannuleerd, of die daadwerkelijk voorzien in een automatische annulering als gevolg van een verslechtering van de kredietwaardigheid van de kredietnemer.

2.  
Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m), is de blootstellingswaarde van een schuldinstrument de boekwaarde ervan, zonder daarbij rekening te houden met specifieke kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen in overeenstemming met de artikelen 34 en 105, in overeenstemming met artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen, andere aftrekkingen van het eigen vermogen in verband met de blootstelling of gedeeltelijke afschrijvingen die zijn gedaan door de instelling sinds de laatste keer dat de blootstelling als niet-renderend werd geclassificeerd.

In de blootstellingswaarde van een schuldinstrument dat is aangeschaft tegen een prijs die lager is dan het door de debiteur verschuldigde bedrag, wordt het verschil tussen de aankoopprijs en het bedrag dat de debiteur verschuldigd is in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m).

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m), is de blootstellingswaarde van een toegezegde lening, een financiële garantie of iedere andere toezegging als bedoeld in lid 1, punt b), van dit artikel, de nominale waarde ervan, die de maximale blootstelling van de instelling aan kredietrisico vertegenwoordigt, zonder daarbij rekening te houden met volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie. De nominale waarde van een toegezegde lening is het niet-opgenomen bedrag dat de instelling heeft toegezegd te zullen uitlenen en de nominale waarde van een financiële garantie is het maximumbedrag dat de entiteit zou kunnen moeten betalen indien de garantie wordt uitgewonnen.

Bij de in de derde alinea van dit lid genoemde nominale waarde mogen geen specifieke kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen in overeenstemming met de artikelen 34 en 105, in overeenstemming met artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen of andere aftrekkingen van het eigen vermogen in verband met de blootstelling in aanmerking worden genomen.

3.  

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m), worden de volgende blootstellingen geclassificeerd als niet-renderend:

a) 

een blootstelling ten aanzien waarvan een wanbetaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 178;

b) 

een blootstelling die volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving als aan een bijzondere waardevermindering onderhevig geldt;

c) 

een blootstelling op proef overeenkomstig lid 7, wanneer aanvullende respijtmaatregelen worden toegestaan of wanneer de blootstelling meer dan 30 dagen duurt;

d) 

een blootstelling in de vorm van een krediettoezegging die, wanneer daarop wordt getrokken of daarvan anderszins wordt gebruikgemaakt, waarschijnlijk niet volledig zou worden afgelost zonder dat zekerheden worden gerealiseerd;

e) 

een blootstelling in de vorm van een financiële garantie die waarschijnlijk door de gegarandeerde partij zal worden aangesproken, onder meer wanneer de onderliggende gegarandeerde blootstelling aan de criteria voldoet om als niet-renderend te worden beschouwd.

Voor de toepassing van punt a) worden, wanneer een instelling blootstellingen binnen de balanstelling heeft aan een debiteur met een betalingsachterstand van meer dan 90 dagen en die meer dan 20 % van de brutoboekwaarde van alle blootstellingen binnen de balanstelling aan die debiteur vertegenwoordigen, alle blootstellingen binnen en buiten de balanstelling aan die debiteur beschouwd als zijnde niet-renderend.

4.  

Blootstellingen waarvoor geen respijtmaatregel geldt, worden niet langer als niet-renderend geclassificeerd voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m), wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de blootstelling voldoet aan de uitstapcriteria die door de instelling worden toegepast voor het beëindigen van de classificatie als aan een bijzondere waardevermindering onderhevig overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving en van de classificatie als in wanbetaling overeenkomstig artikel 178;

b) 

de situatie van de debiteur is in die mate verbeterd dat de instelling ervan overtuigd is dat volledige en tijdige terugbetaling waarschijnlijk is;

c) 

de debiteur heeft voor geen enkel bedrag een betalingsachterstand van meer dan 90 dagen.

5.  
Door de classificatie van een niet-renderende blootstelling als vast actief aangehouden voor verkoop overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving komt geen einde aan de classificatie als niet-renderende blootstelling voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m).
6.  

Niet-renderende blootstellingen waarvoor respijtmaatregelen gelden, worden niet langer als niet-renderend geclassificeerd voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m), wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de blootstellingen verkeren niet langer in een situatie die ertoe zou leiden dat zij op grond van lid 3 als niet-renderend zouden worden geclassificeerd;

b) 

ten minste één jaar is verstreken sinds de datum waarop de respijtmaatregelen werden toegekend of, indien die later valt, de datum waarop de blootstellingen als niet-renderend werden geclassificeerd;

c) 

na de respijtmaatregelen is er geen achterstallig bedrag en de instelling is, op basis van de analyse van de financiële situatie van de debiteur, overtuigd van de waarschijnlijkheid dat de blootstelling volledig en tijdig zal worden afgelost.

▼C5

Volledige en tijdige aflossing kan als waarschijnlijk gelden wanneer de debiteur regelmatige en tijdige betalingen van bedragen heeft uitgevoerd die gelijk zijn aan een van de volgende bedragen:

▼M7

a) 

het bedrag dat achterstallig was voordat de respijtmaatregel werd toegekend, wanneer er achterstallige bedragen waren;

b) 

het bedrag dat is afgeschreven in het kader van de toegekende respijtmaatregelen, wanneer er geen achterstallige bedragen waren.

7.  

Indien een niet-renderende blootstelling in overeenstemming met lid 6 niet langer als niet-renderend wordt geclassificeerd, geldt voor een dergelijke blootstelling een proefperiode totdat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

ten minste twee jaar zijn verstreken sinds de datum waarop de blootstelling waarvoor respijtmaatregelen gelden, werd geherclassificeerd als renderend;

b) 

regelmatige en tijdige betalingen zijn gedaan voor ten minste de helft van de periode waarin voor de blootstelling een proefperiode gold, hetgeen heeft geresulteerd in de betaling van een aanzienlijk totaalbedrag van de hoofdsom of de rente;

c) 

voor geen van de blootstellingen aan de debiteur bedraagt de betalingsachterstand meer dan 30 dagen.

Artikel 47 ter

Respijtmaatregelen

1.  

Een respijtmaatregel is een concessie die een instelling doet aan een debiteur die moeilijkheden met het nakomen van zijn financiële verplichtingen ondervindt of waarschijnlijk zal ondervinden. Een concessie kan een verlies voor de leninggever inhouden en betreft een van de volgende acties:

a) 

een wijziging van de voorwaarden van een schuldverplichting, wanneer een dergelijke wijziging niet was toegestaan indien de debiteur geen moeilijkheden met het nakomen van zijn financiële verplichtingen had ondervonden;

b) 

een volledige of gedeeltelijke herfinanciering van een schuldverplichting, wanneer een dergelijke herfinanciering niet was toegestaan indien de debiteur geen moeilijkheden met het nakomen van zijn financiële verplichtingen had ondervonden.

2.  

Ten minste de volgende situaties gelden als respijtmaatregelen:

a) 

nieuwe contractvoorwaarden zijn voor de debiteur gunstiger dan de voorgaande contractvoorwaarden, indien de debiteur moeilijkheden met het nakomen van zijn financiële verplichtingen ondervindt of waarschijnlijk zal ondervinden;

b) 

nieuwe contractvoorwaarden zijn voor de debiteur gunstiger dan contractvoorwaarden die dezelfde instelling aanbiedt aan debiteuren met een vergelijkbaar risicoprofiel op dat tijdstip, indien de debiteur moeilijkheden met het nakomen van zijn financiële verplichtingen ondervindt of waarschijnlijk zal ondervinden;

c) 

de blootstelling op grond van de aanvankelijke contractvoorwaarden werd vóór de wijziging van de contractvoorwaarden als niet-renderend geclassificeerd of zou, indien de contractvoorwaarden niet waren gewijzigd, als niet-renderend zijn geclassificeerd;

d) 

de maatregel resulteert in een volledige of gedeeltelijke annulering van de schuldverplichting;

e) 

de instelling verleent haar goedkeuring voor de uitoefening van clausules waarmee de debiteur de contractvoorwaarden kan wijzigen, en de blootstelling was als niet-renderend geclassificeerd vóór de uitoefening van die clausules of zou als niet-renderend zijn geclassificeerd indien die clausules niet waren uitgeoefend;

f) 

op of rond het tijdstip dat het krediet werd verleend, heeft de debiteur betalingen van de hoofdsom of de rente gedaan voor een andere schuldverplichting jegens dezelfde instelling die als niet-renderende blootstelling werd geclassificeerd of die zonder die betalingen als niet-renderend zou zijn geclassificeerd;

g) 

de wijziging van de contractvoorwaarden behelst aflossingen die worden gedaan door inbezitneming van zekerheden, wanneer een dergelijke wijziging een concessie vormt.

3.  

De volgende omstandigheden vormen aanwijzingen dat mogelijkerwijs respijtmaatregelen zijn vastgesteld:

a) 

voor het initiële contract was er tijdens de drie maanden voorafgaand aan de wijziging ervan ten minste eenmaal een betalingsachterstand van meer dan 30 dagen of zou er, zonder de wijziging, een betalingsachterstand van meer dan 30 dagen zijn;

b) 

op of rond het tijdstip dat de kredietovereenkomst werd afgesloten, heeft de debiteur jegens dezelfde instelling betalingen van hoofdsom of rente gedaan voor een andere schuldverplichting waarvoor er tijdens de drie maanden voorafgaand aan het verlenen van een nieuw krediet ten minste eenmaal een betalingsachterstand van 30 dagen was;

c) 

de instelling verleent haar goedkeuring voor de uitoefening van clausules waarmee de debiteur de contractvoorwaarden kan wijzigen, en de blootstelling heeft een betalingsachterstand van 30 dagen of zou een betalingsachterstand van 30 dagen hebben indien die clausules niet waren uitgeoefend.

4.  
Voor de toepassing van dit artikel worden de moeilijkheden die een debiteur ondervindt bij het nakomen van zijn financiële verplichtingen beoordeeld op debiteurniveau, rekening houdend met alle juridische entiteiten binnen de groep van de debiteur die in de boekhoudkundige consolidatie van de groep vallen, en de natuurlijke personen die zeggenschap over die groep uitoefenen.

Artikel 47 quater

Aftrekking voor niet-renderende blootstellingen

1.  

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt m), bepalen instellingen het van tier 1-kernkapitaalbestanddelen af te trekken toepasselijke bedrag aan onvoldoende dekking afzonderlijk voor elke niet-renderende blootstelling, door het in punt b) van dit lid bepaalde bedrag af te trekken van het in punt a) van dit lid bepaalde bedrag, indien het in punt a) bedoelde bedrag hoger is dan het in punt b) bedoelde bedrag:

a) 

de som van:

i) 

het eventuele niet-gedekte deel van iedere niet-renderende blootstelling, vermenigvuldigd met de in lid 2 genoemde toepasselijke factor;

ii) 

het eventuele gedekte deel van iedere niet-renderende blootstelling, vermenigvuldigd met de in lid 3 genoemde toepasselijke factor;

b) 

de som van de volgende elementen voor zover die betrekking hebben op dezelfde niet-renderende blootstelling:

i) 

specifieke kredietrisicoaanpassingen;

ii) 

aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 105;

iii) 

andere eigenvermogensverlagingen;

iv) 

voor instellingen die de risicogewogen posten volgens de interneratingbenadering berekenen: de absolute waarde van de in overeenstemming met artikel 36, lid 1, punt d), afgetrokken bedragen die betrekking hebben op niet-renderende blootstellingen, wanneer de aan elke niet-renderende blootstelling toe te schrijven absolute waarde wordt bepaald door het vermenigvuldigen van de in overeenstemming met artikel 36, lid 1, punt d), afgetrokken bedrag met het aandeel van de verwachte verliespost op de niet-renderende blootstelling in de totale verwachte verliesposten voor blootstellingen in wanbetaling of niet in wanbetaling, al naargelang;

v) 

indien een niet-renderende blootstelling wordt gekocht voor een prijs die lager is dan het door de debiteur verschuldigde bedrag, het verschil tussen de aankoopprijs en het bedrag dat de debiteur verschuldigd is;

vi) 

door de instelling afgeschreven bedragen sinds de blootstelling als niet-renderend werd geclassificeerd.

Het gedekte deel van een niet-renderende blootstelling is dat deel van de blootstelling dat, ten behoeve van de berekening van eigenvermogensvereisten krachtens titel II van deel drie, geacht wordt gedekt te zijn door een volgestorte kredietprotectie of niet-volgestorte kredietprotectie, of geheel en volledig gedekt te zijn door hypotheken.

Het niet-gedekte deel van een niet-renderende blootstelling stemt overeen met het eventuele verschil tussen de waarde van de blootstelling als bedoeld in artikel 47 bis, lid 1, en het eventuele gedekte deel van de blootstelling.

2.  

Voor de toepassing van lid 1, onder a), i), zijn de volgende factoren van toepassing:

a) 

0,35 voor het niet-gedekte deel van een niet-renderende blootstelling, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het derde jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

b) 

1 voor het niet-gedekte deel van een niet-renderende blootstelling, toe te passen vanaf de eerste dag van het vierde jaar na de classificatie ervan als niet-renderend.

3.  

Voor de toepassing van lid 1, onder a), ii), zijn de volgende factoren van toepassing:

a) 

0,25 voor het gedekte deel van een niet-renderende blootstelling, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het vierde jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

b) 

0,35 voor het gedekte deel van een niet-renderende blootstelling, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het vijfde jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

c) 

0,55 voor het gedekte deel van een niet-renderende blootstelling, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het zesde jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

d) 

0,70 voor het deel van een niet-renderende blootstelling dat gedekt is door onroerend goed krachtens titel II van deel drie, of dat een woonkrediet is dat gedekt is door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het zevende jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

e) 

0,80 voor het deel van een niet-renderende blootstelling dat gedekt is door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie krachtens titel II van deel drie, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het zevende jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

f) 

0,80 voor het deel van een niet-renderende blootstelling dat gedekt is door onroerend goed krachtens titel II van deel drie, of dat een woonkrediet is dat gedekt is door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het achtste jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

g) 

1 voor het deel van een niet-renderende blootstelling dat gedekt is door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie krachtens titel II van deel drie, toe te passen vanaf de eerste dag van het achtste jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

h) 

0,85 voor het deel van een niet-renderende blootstelling dat gedekt is door onroerend goed krachtens titel II van deel drie, of dat een woonkrediet is dat gedekt is door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201, toe te passen in de periode van de eerste tot en met de laatste dag van het negende jaar na de classificatie ervan als niet-renderend;

i) 

1 voor het deel van een niet-renderende blootstelling dat gedekt is door onroerend goed krachtens titel II van deel drie, of dat een woonkrediet is dat gedekt is door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201, toe te passen vanaf de eerste dag van het tiende jaar na de classificatie ervan als niet-renderend.

▼M11

4.  

►M17  In afwijking van lid 3 van dit artikel zijn de volgende factoren van toepassing op het deel van de niet-renderende blootstelling dat een garantie of tegengarantie heeft van een in artikel 201, lid 1, punten a) tot en met e), bedoelde toelaatbare protectiegever, de niet-gedekte blootstellingen waaraan overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0 % zou worden toegekend: ◄

▼M7

a) 

0 voor het gedekte deel van de niet-renderende blootstelling, toe te passen in de periode tussen één jaar en zeven jaar na de classificatie ervan als niet-renderend; en

▼M17

b) 

1 voor het gedekte deel van de niet-renderende blootstelling, toe te passen vanaf de eerste dag van het achtste jaar na de classificatie ervan als niet-renderend, tenzij de toelaatbare protectiegever ermee in heeft gestemd alle betalingsverplichtingen van de debiteur jegens de instelling volledig en in overeenstemming met het oorspronkelijke contractuele betalingsschema na te komen, in welk geval een factor 0 voor het gedekte deel van de niet-renderende blootstelling van toepassing is.

▼M17

4 bis.  
In afwijking van lid 3 valt het deel van de niet-renderende blootstelling dat wordt gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling niet onder de vereisten van dit artikel.

▼M7

5.  
De EBA beoordeelt het scala praktijken dat wordt gehanteerd voor de waardering van gedekte niet-renderende blootstellingen, en kan richtsnoeren uitwerken tot nadere invulling van een gemeenschappelijke methodiek, met onder meer mogelijke minimumvereisten voor herwaardering wat betreft tijdschema en ad-hocmethoden, voor de prudentiële waardering van in aanmerking komende vormen van volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie, met name wat betreft aannames met betrekking tot de invorderbaarheid en uitwinbaarheid ervan. Die richtsnoeren kunnen tevens een gemeenschappelijke methodiek omvatten voor de vaststelling van het gedekte deel van een niet-renderende blootstelling als bedoeld in lid 1.

Deze richtsnoeren worden bekendgemaakt in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  
In afwijking van lid 2, is, indien voor een blootstelling een respijtmaatregel is toegekend tussen een en twee jaar na de classificatie ervan als niet-renderend, de factor die overeenkomstig lid 2 van toepassing is op de datum waarop de respijtmaatregel wordt toegekend, van toepassing voor een aanvullende periode van één jaar.

In afwijking van lid 3 is, indien voor een blootstelling een respijtmaatregel is toegekend tussen twee en zes jaar na de classificatie ervan als niet-renderend, de factor die overeenkomstig lid 3 van toepassing is op de datum waarop de respijtmaatregel wordt toegekend, van toepassing voor een aanvullende periode van één jaar.

Dit lid is uitsluitend van toepassing met betrekking tot de eerste respijtmaatregel die is toegekend sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

▼B

Onderafdeling 2

Vrijstellingen van en alternatieven voor aftrek van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

Artikel 48

Vrijstellingsdrempels voor aftrek van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.  

Bij het verrichten van de bij artikel 36, lid 1, punten c) en i), voorgeschreven aftrekkingen zijn de instellingen niet verplicht de bedragen af te trekken van de in dit lid, onder a) en b), vermelde bestanddelen die in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan het in lid 2 bedoelde drempelbedrag:

a) 

uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, en in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

i) 

de artikelen 32 tot en met 35;

▼M17

ii) 

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), punt k), ii) tot en met vi), en punten l), m) en n), exclusief uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

▼B

b) 

indien een instelling een aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector heeft, het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van die entiteiten die in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

i) 

de artikelen 32 tot en met 35;

▼M17

ii) 

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), punt k), ii) tot en met vi), en punten l), m) en n), exclusief uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen.

▼B

2.  

Voor de toepassing van lid 1 is het drempelbedrag gelijk aan het in dit lid, onder a), bedoelde, vermenigvuldigd met het in dit lid, onder b), bedoelde percentage:

a) 

het resterende bedrag van tier 1-kernkapitaalbestanddelen na de onverkorte toepassing van de aanpassingen en aftrekkingen in de artikelen 32 tot en met 36 en voorafgaand aan de toepassing van de bewerkingen van dit artikel;

b) 

17,65 %.

3.  

Voor de toepassing van lid 1 bepaalt een instelling het deel uitgestelde belastingvorderingen in het totaalbedrag van bestanddelen dat niet hoeft te worden afgetrokken, door het in dit lid, onder a), gespecificeerde bedrag te delen door het in dit lid, onder b), gespecificeerde bedrag:

a) 

het bedrag van uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, en in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling;

b) 

de som van:

i) 

het in punt a) bedoelde bedrag;

ii) 

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van de eigenvermogensinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, die in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling.

Het deel aanzienlijke deelnemingen in het totaalbedrag van bestanddelen dat niet hoeft te worden afgetrokken, is gelijk aan één min het in de eerste alinea bedoelde deel.

4.  
Op de bedragen van de bestanddelen die niet overeenkomstig lid 1 worden afgetrokken, wordt een risicogewicht toegepast van 250 %.

Artikel 49

Vereisten voor aftrek indien er consolidatie, aanvullend toezicht of een institutioneel protectiestelsel van toepassing is

1.  

Voor het berekenen van het eigen vermogen op individuele basis, op gesubconsolideerde basis en op geconsolideerde basis, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zij verlangen of toestaan dat instellingen methode 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toepassen, die instellingen toestaan het bezit van eigenvermogensinstrumenten van een entiteit uit de financiële sector waarin de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, niet af te trekken, mits er aan de voorwaarden van dit lid, onder a) tot en met e), wordt voldaan:

a) 

de entiteit uit de financiële sector is een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding;

b) 

die verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding valt onder hetzelfde aanvullend toezicht uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG als de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling die de holding bezit;

c) 

de instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten ontvangen;

d) 

alvorens de onder c) bedoelde toestemming te verlenen, vergewissen de bevoegde autoriteiten zich ervan dat het geïntegreerd beheer, het risicobeheer en de interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie uit hoofde van methode 1, 2 of 3 zouden vallen, doorlopend een toereikend niveau hebben;

e) 

de deelnemingen in de entiteit behoren toe aan een van de volgende entiteiten:

i) 

de moederkredietinstelling;

ii) 

de financiële moederholding;

iii) 

de gemengde financiële moederholding;

iv) 

de instelling;

v) 

een dochteronderneming van een van de in de onder i) tot en met iv) bedoelde entiteiten, die onder de consolidatie krachtens deel 1, titel II, hoofdstuk 2, valt.

De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast.

2.  
Voor het berekenen van het eigen vermogen op individuele basis en op gesubconsolideerde basis trekken instellingen die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, het bezit van eigenvermogensinstrumenten die worden uitgegeven door onder het geconsolideerde toezicht vallende entiteiten uit de financiële sector niet af, tenzij de bevoegde autoriteiten voor specifieke doeleinden, met name met het oog op structurele scheiding van bankactiviteiten en afwikkelingsplanning, bepalen dat die aftrekkingen uit het oogpunt van toezicht op individuele basis of op gesubconsolideerde basis noodzakelijk zijn.

De toepassing van de in de eerste alinea bedoelde benadering heeft geen onevenredige negatieve gevolgen voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch de werking van de interne markt belemmeren.

▼M8

Dit lid is niet van toepassing op het berekenen van het eigen vermogen ten behoeve van de vereisten beschreven in de artikelen 92 bis en 92 ter, die worden berekend volgens het in artikel 72 sexies, lid 4, beschreven aftrekkader.

▼M15

Deze alinea is niet van toepassing ten aanzien van de in artikel 72 sexies, lid 5, vermelde aftrekkingen.

▼B

3.  

De bevoegde autoriteiten kunnen, voor de berekening van eigen vermogen op individuele basis of gesubconsolideerde basis, in de volgende gevallen instellingen toestaan het bezit van eigenvermogensinstrumenten niet af te trekken:

a) 

een instelling heeft een bezit in een andere instelling en de voorwaarden bedoeld in de punten i) tot en met v) zijn vervuld:

i) 

de instellingen vallen onder hetzelfde in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel;

ii) 

de bevoegde autoriteiten hebben de in artikel 113, lid 7, bedoelde toestemming gegeven;

iii) 

de in artikel 113, lid 7, gestelde voorwaarden zijn vervuld;

iv) 

het institutionele protectiestelsel voorziet in een geconsolideerde balans als bedoeld in artikel 113, lid 7, punt e) of, indien het niet verplicht is geconsolideerde rekeningen op te stellen, in een uitgebreide geaggregeerde berekening ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, welke gelijkwaardig is aan de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG, waarin enkele aanpassingen zijn opgenomen van de bepalingen van Richtlijn 83/349/EEG, of van Verordening (EG) nr. 1606/2002 die op de geconsolideerde jaarrekening van groepen van kredietinstellingen van toepassing zijn. De gelijkwaardigheid van deze uitgebreide geaggregeerde berekening wordt door een extern accountant gecontroleerd; met name wordt nagegaan of het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen, alsook het op enigerlei wijze ongepast creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel, in de berekening zijn weggelaten. De geconsolideerde balans of de uitgebreide geaggregeerde berekening wordt met ten minste de in artikel 99 vastgelegde frequentie ter kennis van de bevoegde autoriteiten gebracht. ►M8  De geconsolideerde balans of de uitgebreide geaggregeerde berekening wordt met de frequentie bepaald in de in artikel 430, lid 7, bedoelde technische uitvoeringsnormen, ter kennis van de bevoegde autoriteiten gebracht; ◄

►M8  v) 

de onder een institutioneel protectiestelsel vallende instellingen voldoen tezamen op geconsolideerde basis of op uitgebreide geaggregeerde basis aan de vereisten van artikel 92 en rapporteren overeenkomstig artikel 430 over de naleving van die vereisten. ◄ Binnen een institutioneel protectiestelsel is de aftrek van de interest van coöperatieve leden of juridische entiteiten die geen lid van het institutioneel protectiestelsel zijn, niet verplicht, op voorwaarde dat het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen, alsook het op enigerlei wijze ongepast creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel en de minderheidsaandeelhouder, als deze een instelling is, achterwege worden gelaten;

b) 

een regionale kredietinstelling heeft een deelneming in een centrale of in een andere regionale kredietinstelling, en er wordt aan de in punt a), onder i) tot en met v), gestelde voorwaarden voldaan.

▼M17

4.  
Het bezit ten aanzien waarvan er geen aftrek overeenkomstig lid 1 wordt verricht, wordt als blootstelling aangemerkt en er wordt een risicogewicht op toegepast overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2.

Het bezit ten aanzien waarvan er geen aftrek overeenkomstig lid 2 of lid 3 wordt verricht, wordt als blootstelling aangemerkt en er wordt een risicogewicht van 100 % op toegepast.

▼B

5.  
►C2  Indien een instelling methode 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toepast, zorgt zij voor ◄ openbaarmaking van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten en de kapitaalratio van het financieel conglomeraat als berekend overeenkomstig artikel 6 van, en bijlage I bij die richtlijn.
6.  
De EBA, de EIOPA en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Securities and Markets Authority - ESMA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 ( 28 ) stellen door middel van het Gemengd Comité ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling, voor de toepassing van dit artikel, van de toepassingsvoorwaarden van de in bijlage I, deel II, van Richtlijn 2002/87/EG vermelde berekeningsmethoden met betrekking tot de in dit artikel, lid 1, bedoelde alternatieven voor aftrek.

▼C1

De EBA, de EAVB en de ESMA leggen die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Afdeling 4

Tier 1-kernkapitaal

Artikel 50

Tier 1-kernkapitaal

Het tier 1-kernkapitaal van een instelling omvat tier 1-kernkapitaalbestanddelen na toepassing van de bij de artikelen 32 tot en met 35 voorgeschreven aanpassingen, de aftrekkingen overeenkomstig artikel 36 en de in de artikelen 48, 49 en 79 bepaalde vrijstellingen en alternatieven.

HOOFDSTUK 3

Aanvullend tier 1-kapitaal

Afdeling 1

Aanvullend-tier 1-bestanddelen en -instrumenten

Artikel 51

Aanvullend-tier 1-bestanddelen

Aanvullend-tier 1-bestanddelen bestaan uit het volgende:

a) 

kapitaalinstrumenten, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1;

b) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt a) bedoelde instrumenten.

Onder punt a) vallende instrumenten worden niet als tier 1-kernkapitaal- of tier 2-bestanddelen aangemerkt.

Artikel 52

Aanvullend-tier 1-instrumenten

1.  

Kapitaalinstrumenten worden alleen als aanvullend-tier 1-instrumenten aangemerkt indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

▼M8

a) 

de instrumenten worden direct uitgegeven door een instelling en volgestort;

b) 

de instrumenten zijn geen eigendom van een van de volgende entiteiten:

▼B

i) 

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii) 

een onderneming waarin de instelling een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;

▼M8

c) 

de verwerving van de eigendom van de instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

▼B

d) 

bij insolventie van de instelling komen de instrumenten na tier 2-instrumenten in de rangorde;

e) 

de instrumenten zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:

i) 

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii) 

de moederonderneming van de instelling of de dochterondernemingen ervan;

iii) 

de financiële moederholding of de dochterondernemingen ervan;

iv) 

de gemengde holding of de dochterondernemingen ervan;

v) 

de gemengde financiële holding en de dochterondernemingen ervan;

vi) 

een onderneming die nauwe banden heeft met de in de onder i) tot en met v) bedoelde entiteiten;

f) 

de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige regeling, hetzij contractueel of anderszins, die de rangordepositie van de vordering uit hoofde van de instrumenten bij insolventie of liquidatie verbetert;

g) 

de instrumenten hebben een onbepaalde looptijd en de bepalingen die erop van toepassing zijn, houden voor de instelling geen aflossingsprikkel in;

▼M8

h) 

indien de instrumenten één of meer opties tot vervroegde aflossing waaronder callopties bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;

▼B

i) 

de instrumenten kunnen uitsluitend worden opgevraagd, afgelost of weder ingekocht indien de voorwaarden van artikel 77 vervuld zijn, en ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte, tenzij de voorwaarden van artikel 78, lid 4, vervuld zijn;

▼M8

j) 

de voor de instrumenten geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten door de instelling zouden worden opgevraagd, afgelost of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;

▼B

k) 

de instelling vermeldt expliciet noch impliciet dat de bevoegde autoriteit zou instemmen met een verzoek tot opvraging, aflossing of wederinkoop van de instrumenten;

l) 

uitkeringen uit hoofde van de instrumenten voldoen aan de volgende voorwaarden:

i) 

zij geschieden uit uitkeerbare bestanddelen;

ii) 

het niveau van de uit hoofde van de instrumenten verrichte uitkeringen zal niet worden aangepast op grond van de kredietwaardigheid van de instelling of haar moederonderneming;

iii) 

de voor de instrumenten geldende bepalingen verlenen de instelling de bevoegdheid om geheel naar eigen inzicht te allen tijde de uitkeringen op de instrumenten voor een onbeperkte periode en op niet-cumulatieve basis te schrappen en de instelling mag dergelijke geschrapte betalingen zonder beperking gebruiken om aan haar verplichtingen te voldoen wanneer deze vervallen;

iv) 

het schrappen van uitkeringen vormt geen wanbetaling door de instelling;

v) 

het schrappen van uitkeringen legt de instelling geen beperkingen op;

m) 

de instrumenten dragen niet bij aan de vaststelling dat de verplichtingen van een instelling haar activa overschrijden indien een dergelijke vaststelling op grond van het toepasselijke nationale recht een insolventietoets vormt;

n) 

de voor de instrumenten geldende bepalingen schrijven voor dat bij een triggergebeurtenis de hoofdsom van de instrumenten permanent of tijdelijk wordt afgeschreven of dat de instrumenten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

o) 

de bepalingen betreffende de instrumenten vertonen geen kenmerk dat de herkapitalisatie van de instelling in de weg zou kunnen staan;

▼M8

p) 

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

▼M8

q) 

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, mogen de instrumenten slechts worden uitgegeven op grond van, of anderszins onderworpen zijn aan, de wetgeving van een derde land indien de uitoefening van de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden krachtens die wetgeving doeltreffend en afdwingbaar is op grond van wettelijke bepalingen of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen die voorzien in afwikkeling of andere afschrijvings- of omzettingsacties;

r) 

de instrumenten zijn niet onderworpen aan salderings- of verrekeningsovereenkomsten die de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten.

▼B

Aan de in lid 1, punt d), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien de instrumenten zijn opgenomen in aanvullend tier 1- of tier 2-kapitaal op grond van artikel 484, lid 3, mits zij dezelfde rangorde hebben.

▼M8

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als een aanvullend-tier 1-instrument worden aangemerkt.

▼B

2.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de vorm en de aard van de prikkels tot aflossing;

b) 

de aard van een eventuele opwaardering van de hoofdsom van een aanvullend-tier 1 instrument naar aanleiding van de tijdelijke afwaardering van de hoofdsom ervan;

c) 

de procedures en de tijdsplanning voor het volgende:

i) 

het constateren dat zich een triggergebeurtenis heeft voorgedaan;

ii) 

het opwaarderen van de hoofdsom van een aanvullend-tier 1-instrument naar aanleiding van de tijdelijke afwaardering van de hoofdsom ervan;

d) 

kenmerken van de instrumenten die de herkapitalisatie van de instelling in de weg zouden kunnen staan;

e) 

het gebruik van special purpose entities voor het indirect uitgeven van eigenvermogensinstrumenten.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 53

Beperkingen op het staken van uitkeringen op aanvullend-tier 1-instrumenten en kenmerken die de herkapitalisatie van de instelling in de weg zouden kunnen staan

Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, punt l), onder v), en punt o), behelzen de voor de aanvullend-tier 1-instrumenten geldende bepalingen met name niet het volgende:

a) 

een verplichting dat er uitkeringen op de instrumenten worden gedaan wanneer er een uitkering plaatsvindt op een door de instelling uitgegeven instrument dat dezelfde of een lagere rangorde heeft als een aanvullend-tier 1-instrument, met inbegrip van een tier 1-kernkapitaalinstrument;

b) 

een verplichting dat de betaling van uitkeringen op tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten wordt gestaakt indien op die aanvullend-tier 1-instrumenten geen uitkeringen worden gedaan;

c) 

een verplichting om de uitkering van interest of dividend te vervangen door een betaling in welke andere vorm ook. De instelling wordt niet anderszins aan een dergelijke verplichting onderworpen.

Artikel 54

Afwaardering of omzetting van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten

1.  

Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, punt n), gelden de volgende bepalingen voor aanvullend-tier 1-instrumenten:

a) 

een triggergebeurtenis doet zich voor wanneer de in artikel 92, lid 1, onder a), bedoelde tier 1-kernkapitaalratio van de instelling een van de volgende waarden onderschrijdt:

i) 

5,125 %;

ii) 

een waarde die hoger ligt dan 5,125 %, indien die door de instelling is bepaald en in de voor de instrumenten geldende bepalingen is gespecificeerd;

b) 

de instellingen kunnen in de voor de instrumenten geldende bepalingen een of meer triggergebeurtenissen naast de in punt a) bedoelde specificeren;

c) 

indien de voor de instrumenten geldende bepalingen voorschrijven dat bij een triggergebeurtenis de instrumenten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, vermelden die bepalingen:

i) 

de omzettingsvoet en een maximaal toegestaan omzettingsbedrag; of

ii) 

een marge waarbinnen de instrumenten zullen worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

d) 

indien de voor de instrumenten geldende bepalingen voorschrijven dat wanneer zich een triggergebeurtenis voordoet, de hoofdsom moet worden afgewaardeerd, wordt bij de afwaardering al het volgende verlaagd:

i) 

de vordering van de houder van het instrument in de insolventie of liquidatie van de instelling;

ii) 

het bedrag dat moet worden betaald ingeval het instrument wordt opgevraagd of afgelost;

iii) 

de op het instrument verrichte uitkeringen;

▼M8

e) 

indien aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten door een in een derde land gevestigde dochteronderneming zijn uitgegeven, wordt het in punt a) bedoelde triggerpercentage van 5.125 % of hoger berekend volgens het nationale recht van dat derde land of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen, mits de bevoegde autoriteit zich er na raadpleging van de EBA van heeft vergewist dat deze bepalingen minstens evenwaardig zijn aan de in dit artikel beschreven vereisten.

▼B

2.  
Het afwaarderen of omzetten van een aanvullend-tier 1-instrument genereert volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving bestanddelen die als tier 1-kernkapitaalbestanddelen worden aangemerkt.
3.  
Het bedrag van de in aanvullend-tier 1-bestanddelen erkende aanvullend-tier 1-instrumenten is beperkt tot het minimumbedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen die gegenereerd zouden worden als de hoofdsom van de aanvullend-tier 1-instrumenten volledig zou worden afgewaardeerd of zou worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten.
4.  

Het totaalbedrag aan aanvullend-tier 1-instrumenten dat naar aanleiding van een triggergebeurtenis moet worden afgewaardeerd of omgezet, mag niet minder zijn dan het laagste van de volgende bedragen:

a) 

het bedrag dat nodig is om de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling weer volledig op 5,125 % te brengen;

b) 

de volledige hoofdsom van het instrument.

5.  

Wanneer zich een triggergebeurtenis voordoet, doen de instellingen het volgende:

a) 

zij stellen de bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld in kennis;

b) 

zij stellen de houders van aanvullend-tier 1-instrumenten daarvan in kennis;

c) 

zij waarderen de hoofdsom van de instrumenten af of zetten de instrumenten onverwijld, maar uiterlijk binnen één maand, om in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

6.  
Een instelling die aanvullend-tier 1-instrumenten uitgeeft die bij een triggergebeurtenis in tier 1-kernkapitaal worden omgezet, zorgt ervoor dat haar maatschappelijk kapitaal te allen tijde volstaat om alle dergelijke converteerbare aanvullend-tier 1-instrumenten in aandelen om te zetten als zich een triggergebeurtenis voordoet. Alle nodige vergunningen worden verkregen op de datum van uitgifte van dergelijke converteerbare aanvullend-tier 1-instrumenten. De instelling behoudt te allen tijde de noodzakelijke voorafgaande vergunning voor de uitgifte van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarin de aanvullend-tier 1-instrumenten bij een triggergebeurtenis zouden worden omgezet.
7.  
Een instelling die aanvullend-tier 1-instrumenten uitgeeft die bij een triggergebeurtenis in tier 1-kernkapitaal worden omgezet, zorgt ervoor dat er uit hoofde van haar oprichtingsakte of statuten of van contractuele regelingen geen procedurele belemmeringen voor die omzetting bestaan.

Artikel 55

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor aanvullend-tier 1 instrumenten

Het volgende geldt wanneer in het geval van een aanvullend-tier 1-instrument de voorwaarden van artikel 52, lid 1, niet langer zijn vervuld:

a) 

dat instrument wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrument;

b) 

het aan dat instrument gerelateerde gedeelte van de agiorekeningen wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als een aanvullend-tier 1-bestanddeel.

Afdeling 2

Aftrekkingen van aanvullend-tier 1-bestanddelen

Artikel 56

Aftrekkingen van aanvullend-tier 1-bestanddelen

De instellingen trekken het volgende van aanvullend-tier 1-bestanddelen af:

a) 

direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten, met inbegrip van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;

b) 

direct, indirect en synthetisch bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen;

c) 

het overeenkomstig artikel 60 bepaalde toepasselijke bedrag van direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

d) 

direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, met uitsluiting van voor vijf werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities;

▼C3

e) 

het bedrag aan bestanddelen dat overeenkomstig artikel 66 van de aanvullend-tier 2-bestanddelen moet worden afgetrokken, dat de tier 2-bestanddelen van de instelling overschrijdt;

▼B

f) 

elke belasting in verband met aanvullend-tier 1-bestanddelen die op het ogenblik van de berekening te verwachten is, behalve indien de instelling het bedrag van de aanvullend-tier 1-bestanddelen corrigeert voor zover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen.

Artikel 57

Aftrekkingen van bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten

Voor de toepassing van artikel 56, punt a), berekenen de instellingen hun bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten op basis van bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

a) 

de instellingen kunnen het bedrag van het bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii) 

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

de instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect of synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen aanvullend-tier 1-instrumenten te berekenen;

c) 

de instellingen kunnen bruto lange posities in eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die voortvloeien uit bezit van indexeffecten, verrekenen met korte posities in eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in de onderliggende indices, ook wanneer deze korte posities een tegenpartijrisico inhouden, mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de lange en de korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende indices;

ii) 

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

Artikel 58

Aftrek van bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien een instelling een wederzijdse deelneming heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen

De instellingen verrichten de in artikel 56, punten b), c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a) 

bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten wordt berekend op basis van de bruto lange posities;

b) 

voor de toepassing van de aftrek worden aanvullend-tier 1 eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen behandeld als aangehouden aanvullend-tier 1-instrumenten.

Artikel 59

Aftrek van het bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector

De instellingen verrichten de in artikel 56, punten c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a) 

zij kunnen het direct, indirect en synthetisch bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼M8

i) 

de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;

▼B

ii) 

hetzij worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Artikel 60

Aftrek van bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten indien een instelling geen aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector heeft

1.  

Voor de toepassing van artikel 56, punt c), berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in dit lid, onder a), bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de in dit lid, onder b), bedoelde berekening:

▼C2

a) 

het totaalbedrag waarmee het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend- tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % overschrijdt van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

▼B

i) 

de artikelen 32 tot en met 35;

▼M17

ii) 

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), ii) tot en met vi), en punten l), m) en n), exclusief uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

▼B

iii) 

de artikelen 44 en 45;

b) 

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van aanvullend-tier 1- instrumenten van die entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van alle direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van die entiteiten uit de financiële sector.

2.  
De instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor.

▼C2

3.  

Het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over alle aangehouden aanvullend-tier 1-instrumenten. De instellingen bepalen het bedrag van elk aanvullend-tier 1-instrument dat overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken, door het in dit lid, onder a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, onder b), gespecificeerde gedeelte:

a) 

het bedrag van het bezit dat overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken;

b) 

het gedeelte van het totaalbedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van de aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft dat wordt vertegenwoordigd door elk aanvullend tier 1-instrument dat wordt aangehouden;

▼B

4.  
Het bedrag van het in artikel 56, punt c), bedoelde bezit dat gelijk is aan of minder dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van lid 1, punt a), onder i), ii) en iii), wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel 3, titel IV, vastgestelde vereisten, naar gelang van het geval.

▼C2

5.  

De instellingen bepalen het bedrag van elk aanvullend-tier 1-instrument dat krachtens lid 4 naar risico wordt gewogen door het in punt a) van dit lid bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het in punt b) van dit lid bepaalde bedrag:

a) 

het bedrag van het bezit aan instrumenten dat overeenkomstig lid 4 naar risico moet worden gewogen;

b) 

de verhouding die resulteert uit de in lid 3, punt b)m bedoelde berekening.

▼B

Afdeling 3

Aanvullend tier 1-kapitaal

Artikel 61

Aanvullend tier 1-kapitaal

Het aanvullend-tier 1-kapitaal van een instelling bestaat uit de aanvullend-tier 1-bestanddelen na aftrek van de in artikel 56 bedoelde bestanddelen en na toepassing van artikel 79.

HOOFDSTUK 4

Tier 2-kapitaal

Afdeling 1

Tier 2-bestanddelen en -instrumenten

Artikel 62

Tier 2-bestanddelen

De tier 2-bestanddelen bestaan uit het volgende:

▼M8

a) 

kapitaalinstrumenten, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 63, en in de mate als bepaald in artikel 64;

▼B

b) 

de agiorekeningen gerelateerd aan de in punt a) bedoelde instrumenten;

c) 

voor instellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, de algemene kredietrisicoaanpassingen, exclusief belastingeffecten, van maximaal 1,25 % van de risicogewogen posten, berekend overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2;

▼M17

d) 

voor instellingen die de risicogewogen posten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, berekenen: in voorkomend geval het IRB-overschot, exclusief belastingeffecten, berekend overeenkomstig artikel 159, tot maximaal 0,6  % van de risicogewogen posten, berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3.

▼B

Bestanddelen die onder punt a) vallen, worden niet als tier 1-kernkapitaal- of als aanvullend-tier 1-bestanddelen aangemerkt.

Artikel 63

Tier 2-instrumenten

▼M8

Kapitaalinstrumenten worden als tier 2-instrumenten aangemerkt indien onderstaande voorwaarden zijn vervuld:

a) 

de instrumenten worden direct uitgegeven door een instelling en volgestort;

b) 

de instrumenten zijn geen eigendom van een van de volgende entiteiten:

▼B

i) 

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii) 

een onderneming waarin de instelling een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;

▼M8

c) 

de verwerving van de eigendom van de instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

d) 

de vordering op de hoofdsom van de instrumenten overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten is volledig achtergesteld bij de vorderingen van alle in aanmerking komende passiva-instrumenten;

e) 

de instrumenten zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:

▼B

i) 

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii) 

de moederonderneming van de instelling of de dochterondernemingen ervan;

iii) 

de financiële moederholding of de dochterondernemingen ervan;

iv) 

de gemengde holding of de dochterondernemingen ervan;

v) 

de gemengde financiële holding of de dochterondernemingen ervan;

vi) 

een onderneming die nauwe banden heeft met de in de onder i) tot en met v) bedoelde entiteiten;

▼M8

f) 

de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige regeling die de rangorde van de vordering uit hoofde van de instrumenten verhoogt;

g) 

de instrumenten hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar;

h) 

de voor de instrumenten geldende bepalingen bevatten geen prikkel voor het aflossen of terugbetalen, naargelang het geval, van de hoofdsom ervan door de instelling vóór hun vervaldatum;

i) 

indien de instrumenten één of meer opties tot vervroegde terugbetaling, waaronder callopties, bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;

j) 

de instrumenten kunnen uitsluitend vervroegd worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht indien de voorwaarden van artikel 77 vervuld zijn, en ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte, tenzij de voorwaarden van artikel 78, lid 4, vervuld zijn;

k) 

de voor de instrumenten geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten door de instelling vervroegd zouden worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;

l) 

de voor de instrumenten geldende bepalingen verlenen de houder ervan niet het recht de voor de toekomst geplande betaling van de interest of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling;

m) 

het niveau van de interest- of dividenduitkeringen, naargelang het geval, die uit hoofde van de instrumenten verschuldigd zijn, zal niet worden gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de instelling of haar moederonderneming;

n) 

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

▼M8

o) 

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, mogen de instrumenten slechts worden uitgegeven op grond van, of anderszins onderworpen zijn aan, de wetgeving van een derde land indien de uitoefening van de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden krachtens die wetgeving doeltreffend en afdwingbaar is op grond van wettelijke bepalingen of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen die voorzien in afwikkeling of andere afschrijvings- of omzettingsacties;

p) 

de instrumenten zijn niet onderworpen aan salderings- of verrekeningsovereenkomsten die de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als een tier-2-instrument worden aangemerkt.

▼M8

Artikel 64

Afschrijving van tier 2-instrumenten

1.  
Het volledige bedrag aan tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van meer dan vijf jaar wordt als tier 2-bestanddelen aangemerkt.
2.  

De mate waarin tier 2-instrumenten gedurende de laatste vijf jaar van de looptijd van de instrumenten als tier 2-bestanddelen worden aangemerkt, wordt berekend door het resultaat van de in punt a) bedoelde berekening te vermenigvuldigen met het in punt b) bedoelde cijfer:

a) 

de boekwaarde van de instrumenten op de eerste dag van de laatste vijf jaar van hun contractuele looptijd, gedeeld door het aantal dagen in die periode;

b) 

het aantal resterende dagen van de contractuele looptijd van de instrumenten.

▼B

Artikel 65

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor tier 2 instrumenten

Het volgende geldt wanneer er in het geval van een tier 2-instrument niet langer aan de voorwaarden van artikel 63 wordt voldaan:

a) 

dat instrument wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als een tier 2-instrument;

b) 

het aan dat instrument gerelateerde gedeelte van de agiorekeningen wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als tier 2-bestanddeel.

Afdeling 2

Aftrekkingen van tier 2-bestanddelen

Artikel 66

Aftrekkingen van tier 2-bestanddelen

Het volgende wordt afgetrokken van tier 2-bestanddelen:

a) 

het direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van eigen tier 2-instrumenten, met inbegrip van eigen tier 2-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;

b) 

het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen;

c) 

het overeenkomstig artikel 70 bepaalde toepasselijke bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

d) 

het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, exclusief de voor minder dan vijf werkdagen ingenomen overnemingsposities;

▼M8

e) 

het op grond van artikel 72 sexies van de in aanmerking komende passivabestanddelen af te trekken bedrag aan bestanddelen dat de in aanmerking komende passivabestanddelen van de instelling overtreft.

▼B

Artikel 67

Aftrekkingen van bezit van eigen tier 2-instrumenten

Voor de toepassing van artikel 66, punt a), berekenen de instellingen hun bezit van instrumenten op basis van de bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

a) 

de instellingen kunnen het bedrag van hun bezit van instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii) 

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

de instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen tier 2-instrumenten te berekenen;

c) 

de instellingen kunnen bruto lange posities in eigen tier 2-instrumenten die voortvloeien uit bezit van indexeffecten verrekenen met korte posities in eigen tier 2-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in de onderliggende indices, ook indien die korte posities tegenpartijrisico inhouden, mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de lange en korte posities zijn in dezelfde onderliggende indices;

ii) 

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden.

Artikel 68

Aftrek van bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien een instelling een wederzijdse deelneming heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen

De instellingen verrichten de in artikel 66, punten b), c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van de volgende bepalingen:

a) 

het bezit van tier 2-instrumenten wordt berekend op basis van de bruto lange posities;

b) 

voor de toepassing van de aftrek wordt het bezit van tier 2-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen en tier 3-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen behandeld als bezit van tier 2-instrumenten.

Artikel 69

Aftrek van bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector

De instellingen verrichten de in artikel 66, punten c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a) 

zij kunnen het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼M8

i) 

de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;

▼B

ii) 

hetzij worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door ook de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector te bekijken.

Artikel 70

Aftrek van tier 2-instrumenten indien een instelling geen aanzienlijke deelneming in een relevante entiteit bezit

1.  

Voor de toepassing van artikel 66, punt c), berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in dit lid, onder a), bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de in dit lid, onder b), bedoelde berekening:

▼C2

a) 

het totaalbedrag waarmee het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend- tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % overschrijdt van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

▼B

i) 

de artikelen 32 tot en met 35;

▼M17

ii) 

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), ii) tot en met vi), en punten l), m) en n), exclusief het af te trekken bedrag voor uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

▼B

iii) 

de artikelen 44 en 45;

▼C2

b) 

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van alle direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van die entiteiten uit de financiële sector.

▼B

2.  
De instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor.

▼C2

3.  

Het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over alle aangehouden tier 2-instrumenten. De instellingen bepalen het bedrag dat moet worden afgetrokken van elk tier 2-instrument dat wordt afgetrokken krachtens lid 1 door het in dit lid, onder a), bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, onder b), bepaalde gedeelte:

a) 

het totaalbedrag van het bezit dat overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken;

b) 

het gedeelte van het totaalbedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van de aanvullend-tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft dat wordt vertegenwoordigd door elk aanvullend tier 2-instrument dat wordt aangehouden;

▼B

4.  
Het bedrag van het in artikel 66, lid 1, onder c, bedoelde bezit dat gelijk is aan of minder dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van lid 1, punt a), onder i) tot en met iii), wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel 3, titel IV, vastgestelde vereisten, naar gelang van het geval.

▼C2

5.  

De instellingen bepalen het bedrag van elk aanvullend-tier 2-instrument dat krachtens lid 4 naar risico wordt gewogen door het in punt a) van dit lid bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het in punt b) van dit lid bepaalde bedrag:

a) 

het bedrag van het bezit aan instrumenten dat overeenkomstig lid 4 naar risico moet worden gewogen;

b) 

de verhouding die resulteert uit de in lid 3, punt b)m bedoelde berekening.

▼B

Afdeling 3

Tier 2-kapitaal

Artikel 71

Tier 2-kapitaal

Het tier 2-kapitaal van een instelling bestaat uit de tier 2-bestanddelen van de instelling na de in artikel 66 bedoelde aftrekkingen en na toepassing van artikel 79.

HOOFDSTUK 5

Eigen vermogen

Artikel 72

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van een instelling bestaat uit de som van haar tier 1-kapitaal en haar tier 2-kapitaal.

▼M8

HOOFDSTUK 5 BIS

In aanmerking komende passiva

Afdeling 1

In aanmerking komende passivabestanddelen en -instrumenten

Artikel 72 bis

In aanmerking komende passivabestanddelen

1.  

In aanmerking komende passivabestanddelen bestaan uit het volgende, tenzij ze onder één van de in lid 2 van dit artikel vastgestelde categorieën uitgesloten verplichtingen vallen, en voor zover gespecificeerd in artikel 72 quater:

a) 

in aanmerking komende passiva-instrumenten indien de in artikel 72 ter beschreven voorwaarden zijn vervuld, voor zover ze niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt;

b) 

tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar, voor zover deze niet als tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt overeenkomstig artikel 64.

2.  

De volgende verplichtingen worden uitgesloten van de in aanmerking komende passivabestanddelen:

a) 

gedekte deposito's;

b) 

zichtdeposito's en kortlopende deposito's met een oorspronkelijke looptijd van minder dan één jaar;

c) 

het gedeelte van in aanmerking komende deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen dat het in artikel 6 van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 29 ) bedoelde dekkingsniveau overschrijdt;

d) 

deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen die in aanmerking komende deposito's zouden zijn indien ze niet waren verricht in zich buiten de Unie bevindende bijkantoren van in de Unie gevestigde instellingen;

e) 

door zekerheden gedekte verplichtingen, met inbegrip van gedekte obligaties en verplichtingen in de vorm van financiële instrumenten voor hedgingdoeleinden die integraal deel uitmaken van de dekkingspool van onderliggende activa en overeenkomstig nationaal recht op gelijke wijze als gedekte obligaties worden gedekt, op voorwaarde dat alle zekergestelde activa in verband met een dekkingspool van gedekte obligaties onaangeroerd en gescheiden blijven en over voldoende financiering blijven beschikken, met uitsluiting van die delen van door zekerheden of anderszins gedekte verplichtingen die de waarde van de activa, het pand, het pandrecht of de zakelijke zekerheid waarmee ze zijn gedekt, overschrijden;

f) 

elke verplichting die ontstaat door het aanhouden van activa of geld van cliënten, met inbegrip van namens instellingen voor collectieve belegging aangehouden activa of geld van cliënten, op voorwaarde dat de cliënten in kwestie bescherming genieten uit hoofde van de toepasselijke insolventiewetgeving;

g) 

elke verplichting die ontstaat doordat er een fiduciaire relatie tussen de af te wikkelen entiteit of een van haar dochterondernemingen (als vertrouwenspersoon) en een andere persoon (als begunstigde) bestaat, op voorwaarde dat de begunstigde in kwestie bescherming geniet uit hoofde van de toepasselijke insolventie- of civielrechtelijke wetgeving;

h) 

verplichtingen jegens instellingen, met uitzondering van verplichtingen jegens tot dezelfde groep behorende entiteiten, met een oorspronkelijke looptijd van minder dan zeven dagen;

i) 

verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens:

i) 

systemen of exploitanten van systemen die als zodanig zijn aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 30 );

ii) 

deelnemers aan een overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG als zodanig aangemerkt systeem, en die ontstaan uit de deelname aan een dergelijk systeem; of

iii) 

CTP's uit derde landen die zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

j) 

verplichtingen jegens:

i) 

werknemers, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele beloningscomponent, en met uitzondering van de variabele beloningscomponent van medewerkers die wezenlijke risico's nemen als bedoeld in artikel 92, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU;

ii) 

commerciële of handelscrediteuren, wanneer de verplichting voortvloeit uit de levering aan de instelling of moederonderneming van goederen of diensten die van kritiek belang zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten van de instelling of de moederonderneming, zoals IT-diensten, nutsvoorzieningen en de huur, de exploitatie en het onderhoud van bedrijfsruimten;

iii) 

belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, op voorwaarde dat het, volgens het toepasselijke recht, preferente verplichtingen betreft;

iv) 

depositogarantiestelsels, wanneer de verplichting voortvloeit uit bijdragen die uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU verschuldigd zijn;

k) 

uit derivaten voortvloeiende verplichtingen;

l) 

uit schuldinstrumenten voortvloeiende verplichtingen met ingebouwde derivaten.

Voor de toepassing van punt l) van de eerste alinea worden schuldinstrumenten met opties tot vervroegde terugbetaling die naar eigen inzicht door de uitgevende instelling of de houder kunnen worden uitgeoefend, en schuldinstrumenten met variabele rente afgeleid van een algemeen gebruikte referentierente zoals Euribor of Libor, niet louter op basis van deze kenmerken beschouwd als schuldinstrumenten met ingebouwde derivaten.

Artikel 72 ter

In aanmerking komende passiva-instrumenten

1.  
Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt, mits ze voldoen aan de voorwaarden, beschreven in dit artikel en slechts in de mate als bepaald in dit artikel.
2.  

Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de verplichtingen zijn direct uitgegeven of aangetrokken, naargelang het geval, door een instelling en volgestort;

b) 

de verplichtingen zijn niet het eigendom van een van de volgende entiteiten:

i) 

de instelling of een in dezelfde af te wikkelen groep opgenomen entiteit;

ii) 

een onderneming waarin de instelling al dan niet middellijk een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;

c) 

de verwerving van de eigendom van de verplichtingen wordt niet direct of indirect door de af te wikkelen entiteit gefinancierd;

d) 

de vordering op de hoofdsom van de verplichtingen overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten is volledig achtergesteld bij de vorderingen die uit de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen voortvloeien; dit achterstellingsvereiste wordt in de volgende situaties geacht te zijn vervuld:

i) 

in de voor de verplichtingen geldende contractuele bepalingen is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen;

ii) 

in de toepasselijke wetgeving is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in van artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij vorderingen die voortvloeien uit de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen;

iii) 

de instrumenten zijn uitgegeven door een af te wikkelen entiteit die op haar balans geen van de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen heeft met eenzelfde rang als of een lagere rang dan de in aanmerking komende passiva-instrumenten;

e) 

de verplichtingen zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie of enige andere regeling die de rang van de vordering verbetert en die door een van de volgende entiteiten is verstrekt:

i) 

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii) 

de moederonderneming van de instelling of haar dochterondernemingen;

iii) 

een onderneming die nauwe banden heeft met de onder i) en ii) bedoelde entiteiten;

f) 

de verplichtingen zijn niet onderworpen aan salderings- of verrekeningsovereenkomsten die bij afwikkelingsoperaties de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten;

g) 

de voor de verplichtingen geldende bepalingen bevatten geen prikkel voor het opvragen, aflossen of wederinkopen van de hoofdsom ervan vóór hun vervaldatum of de vervroegde terugbetaling door de instelling, naargelang het geval, behalve in de in artikel 72 quater, lid 3, bedoelde gevallen;

h) 

de verplichtingen kunnen niet vóór de vervaldatum door de houders van de instrumenten worden afgelost, behalve in de in artikel 72 quater, lid 2, bedoelde gevallen;

i) 

met inachtneming van artikel 72 quater, leden 3 en 4, indien de verplichtingen één of meer opties tot vervroegde terugbetaling, waaronder callopties, bevatten, kunnen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend, behalve in de in artikel 72 quater, lid 2, bedoelde gevallen;

j) 

de verplichtingen mogen alleen vervroegd worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht indien de in de artikelen 77 en 78 bis beschreven voorwaarden zijn vervuld;

k) 

de voor de verplichtingen geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de verplichtingen door de af te wikkelen entiteit vervroegd zouden worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;

l) 

door de voor de verplichtingen geldende bepalingen krijgt de houder ervan niet het recht verleend de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de af te wikkelen entiteit;

m) 

het niveau van de interest- of dividenduitkeringen, naargelang het geval, die uit hoofde van de verplichtingen verschuldigd zijn, wordt niet gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de af te wikkelen entiteit of haar moederonderneming;

n) 

voor instrumenten die zijn uitgegeven na 28 juni 2021 vermelden de toepasselijke contractuele documentatie en, in voorkomend geval, het prospectus met betrekking tot de uitgifte expliciet de mogelijke uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 48 van Richtlijn 2014/59/EU.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kunnen alleen de volgestorte delen van verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt.

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea van dit artikel wordt, wanneer sommige van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen, onder meer doordat zij worden aangehouden door een crediteur met nauwe banden met de debiteur, doordat de crediteur een aandeelhouder is of is geweest, zich in een zeggenschaps- of groepsverhouding bevindt, lid is van het leidinggevende orgaan of een band heeft met een van die personen, de achterstelling niet beoordeeld aan de hand van de uit deze uitgesloten verplichtingen voortvloeiende vorderingen.

▼M15

Voor de toepassing van artikel 92 ter worden verwijzingen naar de af te wikkelen entiteit in de punten c), k), l) en m) van de eerste alinea van dit lid ook begrepen als verwijzingen naar een instelling die een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI is.

▼M8

3.  

►M17  Naast de in lid 2 van dit artikel bedoelde verplichtingen kan de afwikkelingsautoriteit toestaan dat passiva als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt tot een totaalbedrag dat niet meer bedraagt dan 3,5  % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, mits: ◄

a) 

aan alle in lid 2 beschreven voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt d), is voldaan;

b) 

de verplichtingen dezelfde rang hebben als de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de derde alinea van lid 2 van dit artikel; en

c) 

de afwikkelingsautoriteit in het licht van de in artikel 34, lid 1, punt g), en artikel 75 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde beginselen heeft geoordeeld dat de opname van die verplichtingen in de in aanmerking komende passiva geen wezenlijk risico op een succesvolle rechtsvordering of op geldige vorderingen tot schadeloosstelling inhoudt.

4.  

De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat andere verplichtingen dan de in lid 2 bedoelde verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt, op voorwaarde dat:

a) 

de instelling geen verplichtingen als bedoeld in lid 3 opneemt in de in aanmerking komende passivabestanddelen;

b) 

aan alle in lid 2 beschreven voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt d), is voldaan;

c) 

de verplichtingen dezelfde rang hebben als of een hogere rang hebben dan de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de derde alinea van lid 2 van dit artikel;

d) 

het bedrag van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen dat bij insolventie dezelfde rang als of een lagere rang dan die verplichtingen heeft, op de balans van de instelling niet meer beloopt dan 5 % van het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling;

e) 

de afwikkelingsautoriteit in het licht van de in artikel 34, lid 1, punt g), en artikel 75 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde beginselen heeft geoordeeld dat de opname van die verplichtingen in de in aanmerking komende passiva geen wezenlijk risico op een succesvolle rechtsvordering of op geldige vorderingen tot schadeloosstelling inhoudt.

5.  
De afwikkelingsautoriteit mag een instelling uitsluitend toestaan verplichtingen als bedoeld in hetzij lid 3, hetzij lid 4, als in aanmerking komende passivabestanddelen op te nemen.
6.  
De afwikkelingsautoriteit raadpleegt de bevoegde autoriteit wanneer zij onderzoekt of de voorwaarden van dit artikel zijn vervuld.
7.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van in aanmerking komende passiva-instrumenten;

b) 

de vorm en aard van de prikkels tot aflossing, voor de toepassing van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt g), van dit artikel, en artikel 72 quater, lid 3.

Die ontwerpen van technische reguleringsnormen worden volledig afgestemd op de in artikel 28, lid 5, punt a), en artikel 52, lid 2, punt a), bedoelde gedelegeerde handeling.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 72 quater

Afschrijving van in aanmerking komende passiva-instrumenten

1.  
In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar worden volledig aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van minder dan één jaar worden niet aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

2.  
Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument een aflossingsoptie voor de houder bevat die kan worden uitgeoefend vóór de oorspronkelijke vervaldatum van het instrument, de vervaldatum van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de houder de aflossingsoptie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.
3.  
Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument een prikkel voor de uitgevende instelling bevat om het instrument vóór zijn oorspronkelijke vervaldatum op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, de vervaldatum van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de uitgevende instelling die optie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.
4.  
Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument opties voor vroegtijdige aflossing bevat die de uitgevende instelling naar eigen inzicht vóór de oorspronkelijke vervaldatum kan uitoefenen, maar de voor het instrument geldende bepalingen geen prikkels bevatten voor het opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van het instrument vóór de vervaldatum ervan en geen aflossings- of terugbetalingsoptie bevatten die naar eigen inzicht van de houders kan worden uitgeoefend, de vervaldatum van het instrument bepaald als de oorspronkelijke vervaldatum.

Artikel 72 quinquies

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen

Wanneer in het geval van een in aanmerking komend passiva-instrument niet langer aan de in artikel 72 ter beschreven voorwaarden is voldaan, worden de verplichtingen met onmiddellijke ingang niet langer als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt.

De in artikel 72 ter, lid 2, bedoelde verplichtingen mogen verder als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden meegeteld zolang ze krachtens artikel 72 ter, lid 3 of lid 4, kunnen worden aangemerkt als in aanmerking komende passiva-instrumenten.

Afdeling 2

Aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

Artikel 72 sexies

Aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

1.  

Instellingen die onder artikel 92 bis vallen, trekken het volgende af van in aanmerking komende passivabestanddelen:

a) 

direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten, met inbegrip van eigen passiva welke die instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;

b) 

direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarmee de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van de af te wikkelen entiteit kunstmatig te verhogen;

c) 

het overeenkomstig artikel 72 decies bepaalde toepasselijke bedrag aan direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft;

d) 

direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft, met uitsluiting van de voor vijf werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities.

2.  
Voor de toepassing van deze afdeling worden alle instrumenten met dezelfde rang als in aanmerking komende passiva-instrumenten behandeld als in aanmerking komende passiva-instrumenten, met uitzondering van instrumenten met dezelfde rang als instrumenten die op grond van artikel 72 ter, leden 3 en 4, erkend zijn als in aanmerking komende passiva.
3.  

Voor de toepassing van deze afdeling mogen instellingen het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden, als volgt berekenen:

waarbij:

h

=

het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden;

i

=

de index die de uitgevende instelling aangeeft;

Hi

=

het totale bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten van de uitgevende instelling i wordt aangehouden;

li

=

het bedrag aan verplichtingen dat in de in aanmerking komende passivabestanddelen is opgenomen door de uitgevende instelling i binnen de in artikel 72 ter, lid 3, bepaalde beperkingen volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling; en

Li

=

het totale bedrag aan uitstaande verplichtingen van de uitgevende instelling i als bedoeld in artikel 72 ter, lid 3, volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling.

▼M15

4.  

Wanneer een EU-moederinstelling of een moederinstelling in een lidstaat die onder artikel 92 bis valt, direct, indirect of synthetisch eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten aanhoudt van één of meer dochterondernemingen die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren als die moederinstelling, kan de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling, na terdege rekening te hebben gehouden met het advies van de afwikkelingsautoriteiten of van betrokken autoriteiten van derde landen van betrokken dochterondernemingen, de moederinstelling toestaan om die aangehouden instrumenten af te trekken door een door de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling bepaald lager bedrag af te trekken. Dat aangepaste bedrag is ten minste gelijk aan het bedrag (m), berekend als volgt:

mi = max{0; OPi + LPi – max{0; β · [Oi + Li – max{ri · aRWAi; wi · aLREi}]}}

waarbij:

i

=

de index die de dochteronderneming aangeeft;

OPi

=

het bedrag aan door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden eigenvermogensinstrumenten;

LPi

=

het bedrag aan door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten;

β

=

percentage van door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederonderneming aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten, berekend als volgt:

Oi

=

het bedrag aan eigen vermogen van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;

Li

=

het bedrag aan in aanmerking komende passiva van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;

ri

=

de ratio die op dochteronderneming i van toepassing is op het niveau van haar af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening en artikel 45 quater, lid 3, eerste alinea, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU of, in het geval van dochterondernemingen uit derde landen, een gelijkwaardig afwikkelingsvereiste dat op dochteronderneming i van toepassing is in het derde land waar zij haar hoofdkantoor heeft, voor zover aan dat vereiste wordt voldaan met instrumenten die op grond van deze verordening als eigen vermogen of in aanmerking komende passiva zouden worden beschouwd;

aRWAi

=

het totaal van de risicoposten van de MSI-entiteit i, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, rekening houdende met de aanpassingen van artikel 12 bis, of, voor dochterondernemingen uit derde landen, overeenkomstig de toepasselijke lokale regelgeving;

wi

=

de ratio die op dochteronderneming i van toepassing is op het niveau van haar af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 92 bis, lid 1, punt b), van deze verordening en artikel 45 quater, lid 3, eerste alinea, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU of, in het geval van dochterondernemingen uit derde landen, een gelijkwaardig afwikkelingsvereiste dat op dochteronderneming i van toepassing is in het derde land waar zij haar hoofdkantoor heeft, voor zover aan dat vereiste wordt voldaan met instrumenten die op grond van deze verordening als eigen vermogen of in aanmerking komende passiva zouden worden beschouwd;

aLREi

=

de maatstaf van totale blootstelling van de MSI-entiteit i berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4, of, voor dochterondernemingen uit derde landen, overeenkomstig de toepasselijke lokale regelgeving.

Indien de moederinstelling het aangepaste bedrag overeenkomstig de eerste alinea mag aftrekken, wordt het verschil tussen het in de eerste alinea bedoelde bedrag aan aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten en dat aangepaste bedrag door de dochteronderneming afgetrokken.

5.  

In artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde instellingen en entiteiten trekken hun eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten af van de in aanmerking komende passivabestanddelen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangehouden door een instelling of entiteit die zelf geen af te wikkelen entiteit is maar een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit of van een entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Unie zou zijn gevestigd;

b) 

de in punt a) genoemde instelling of entiteit is verplicht tot naleving van de in artikel 92 ter van deze verordening of in artikel 45 septies van Richtlijn 2014/59/EU vastgelegde vereisten;

c) 

de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door de in punt a) genoemde instelling of entiteit worden aangehouden, zijn uitgegeven door een instelling of entiteit bedoeld in artikel 92 ter, lid 1, van deze verordening of in artikel 45 septies, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU die zelf geen af te wikkelen entiteit is en tot dezelfde af te wikkelen groep behoort als de in punt a) genoemde instelling of entiteit.

In afwijking van de eerste alinea wordt het bezit van eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten niet afgetrokken indien de in punt a) van de eerste alinea genoemde instelling of entiteit op geconsolideerde basis aan het in punt b) van de eerste alinea bedoelde vereiste moet voldoen en de in punt c) van de eerste alinea genoemde instelling of entiteit overeenkomstig deel één, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie van de in punt a) van de eerste alinea genoemde instelling of entiteit is opgenomen.

Voor de toepassing van dit lid moet de verwijzing naar in aanmerking komende passivabestanddelen worden begrepen als een verwijzing naar een van de volgende elementen:

a) 

in aanmerking komende passivabestanddelen waarmee rekening wordt gehouden teneinde te voldoen aan het vereiste van artikel 92 ter;

b) 

passiva die voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 septies, lid 2, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU.

Voor de toepassing van dit lid moet de verwijzing naar eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten worden begrepen als een verwijzing naar een van de volgende elementen:

a) 

eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 92 ter, leden 2 en 3;

b) 

eigen vermogen en passiva die voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 septies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU.

▼M8

Artikel 72 septies

Aftrekking van aangehouden eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten

Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punt a), berekenen instellingen de door hen aangehouden instrumenten op basis van de bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

a) 

instellingen mogen het bedrag van de door hen aangehouden instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

i) 

de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii) 

ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten te berekenen;

c) 

instellingen mogen bruto lange posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die uit het aanhouden van indexeffecten voortvloeien, verrekenen met korte posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in onderliggende indices, ook indien die korte posities tegenpartijrisico inhouden, op voorwaarde dat aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

i) 

de lange en korte posities zijn in dezelfde onderliggende indices;

ii) 

ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden.

Artikel 72 octies

Aftrekkingsgrondslag van in aanmerking komende passivabestanddelen

Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punten b), c) en d), trekken instellingen de bruto lange posities af, met inachtneming van de in de artikelen 72 nonies en 72 decies neergelegde uitzonderingen.

Artikel 72 nonies

Aftrekking van aangehouden in aanmerking komende passiva van andere MSI-entiteiten

Instellingen die geen gebruik maken van de in artikel 72 undecies beschreven uitzondering, verrichten de in artikel 72 sexies, lid 1, punten c) en d), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a) 

zij mogen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

i) 

de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;

ii) 

ofwel worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de doorkijkbenadering te hanteren voor de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte in aanmerking komende passiva-instrumenten.

Artikel 72 decies

Aftrekking van in aanmerking komende passiva wanneer de instelling geen aanzienlijke deelneming in MSI-entiteiten bezit

1.  

Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punt c), berekenen instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in punt a) van dit lid bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de uit de in punt b) van dit lid bedoelde berekening afgeleide factor:

a) 

het totaalbedrag waarmee direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling overschrijdt, berekend na toepassing van het volgende:

i) 

de artikelen 32 tot en met 35;

▼M17

ii) 

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), ii) tot en met vi), en punten l), m) en n), exclusief het af te trekken bedrag voor uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

▼M8

iii) 

de artikelen 44 en 45;

b) 

het bedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de af te wikkelen entiteit geen aanzienlijke deelneming heeft.

2.  
Instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, punt a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de factor overeenkomstig lid 1, punt b).
3.  

Het op grond van lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over elk van de door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van een MSI-entiteit. Instellingen bepalen het op grond van lid 1 af te trekken bedrag van elk in aanmerking komend passiva-instrument door het in dit lid, punt a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, punt b), gespecificeerde gedeelte:

a) 

het op grond van lid 1 af te trekken bedrag aan aangehouden instrumenten;

b) 

het gedeelte van het totaalbedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft dat wordt vertegenwoordigd door elk door de instelling aangehouden in aanmerking komend passiva-instrument.

4.  
Het bedrag aan in artikel 72 sexies, lid 1, punt c), bedoelde aangehouden instrumenten dat gelijk is aan of lager ligt dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van punt a), onder i), ii) en iii), van lid 1 van dit artikel wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel drie, titel IV, vastgestelde vereisten, naargelang het geval.
5.  
Instellingen bepalen het op grond van lid 4 af te trekken bedrag van elk in aanmerking komend passiva-instrument door het bedrag aan aangehouden instrumenten dat op grond van lid 4 naar risico moet worden gewogen, te vermenigvuldigen met het uit de in lid 3, punt b), bedoelde berekening resulterende gedeelte.

Artikel 72 undecies

Uitzondering voor de handelsportefeuille wat betreft aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

1.  

Instellingen mogen besluiten om een aangegeven deel van de door hen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten, dat in totaal en gemeten op basis van bruto lange posities gelijk is aan of minder dan 5 % van tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de artikelen 32 tot en met 36 niet af te trekken, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de aangehouden instrumenten worden in de handelsportefeuille aangehouden;

b) 

de in aanmerking komende passiva-instrumenten worden voor maximaal 30 werkdagen aangehouden.

2.  
Voor de bedragen van de bestanddelen die op grond van lid 1 niet worden afgetrokken, gelden de eigenvermogensvereisten voor bestanddelen in de handelsportefeuille.
3.  
Wanneer in het geval van aangehouden bestanddelen die overeenkomstig lid 1 niet worden afgetrokken, niet langer aan de in dat lid beschreven voorwaarden is voldaan, worden de aangehouden bestanddelen afgetrokken overeenkomstig artikel 72 octies, zonder toepassing van de in de artikelen 72 nonies en 72 decies neergelegde uitzonderingen.

Afdeling 3

Eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 72 duodecies

In aanmerking komende passiva

De in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de in aanmerking komende passivabestanddelen van de instelling na de in artikel 72 sexies bedoelde aftrekkingen.

Artikel 72 terdecies

Eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de som van haar eigen vermogen en haar in aanmerking komende passiva.

▼B

HOOFDSTUK 6

▼M8

Algemene vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

▼B

Artikel 73

▼M8

Uitkeringen op instrumenten

1.  
Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het volledig ter beoordeling van een instelling staat om te besluiten uitkeringen in een andere vorm uit te betalen dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten, kunnen alleen als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt indien de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen.
2.  

De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 1 bedoelde voorafgaande toestemming uitsluitend indien naar hun oordeel aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

het vermogen van de instelling om uitkeringen uit hoofde van het instrument te staken, zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

b) 

het vermogen van het kapitaalinstrument of van de verplichting om verliezen te absorberen zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

c) 

de kwaliteit van het kapitaalinstrument of de verplichting zou in geen enkel ander opzicht worden beperkt door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan.

De bevoegde autoriteit raadpleegt de afwikkelingsautoriteit betreffende de naleving door een instelling van die voorwaarden voordat zij de in lid 1 bedoelde voorafgaande toestemming verleent.

3.  
Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het een andere rechtspersoon dan de uitgevende instelling ter beoordeling staat om te besluiten of te verlangen dat de uitkeringen op die instrumenten of passiva in een andere vorm dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten worden gedaan, kunnen niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt.
4.  
Instellingen mogen zich voor het vaststellen van het niveau van de uitkeringen op aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten onder meer op een brede marktindex baseren.

▼B

5.  

Lid 4 is niet van toepassing wanneer de instelling een referentie-entiteit in die brede marktindex is, tenzij aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

naar het oordeel van de instelling vertonen de bewegingen in die brede marktindex geen significante correlatie met de kredietwaardigheid van de instelling, haar moederinstelling of financiële moederholding, dan wel haar gemengde financiële moederholding of gemengde moederholding;

b) 

de bevoegde autoriteit is niet gekomen tot een andere vaststelling dan de onder a) bedoelde.

▼M8

6.  
Instellingen melden de brede marktindices waarop hun kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten berusten, en maken deze openbaar.

▼B

7.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de indices voor de toepassing van lid 4 worden geacht als brede marktindices te worden aangemerkt.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Artikel 74

Bezit van kapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven door entiteiten uit de gereglementeerde financiële sector dat niet als toetsingsvermogen wordt aangemerkt

De instellingen passen op geen enkel eigenvermogensbestanddeel een aftrekking toe van direct, indirect of synthetisch bezit van kapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven door een entiteit uit de gereglementeerde financiële sector dat niet als toetsingsvermogen van die entiteit wordt aangemerkt. Op dit bezit worden door de instellingen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, risicogewichten toegepast.

▼B

Artikel 75

Aftrek- en looptijdvereisten voor korte posities

▼M8

Aan de in artikel 45, punt a), artikel 59, punt a), artikel 69, punt a), en artikel 72 nonies, punt a), bedoelde looptijdvereisten voor korte posities wordt geacht te zijn voldaan voor aangehouden posities indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

▼B

a) 

de instelling heeft het contractuele recht om op een welbepaalde datum in de toekomst de afgedekte lange positie, te verkopen aan de tegenpartij die de afdekking bewerkstelligt;

b) 

de tegenpartij die de afdekking aan de instelling verstrekt, is contractueel gehouden de punt a) bedoelde lange positie op die welbepaalde datum in de toekomst van de instelling te kopen.

▼C9

Artikel 76

In indices opgenomen kapitaalinstrumenten en passiva

1.  

Voor de toepassing van artikel 42, punt a), artikel 45, punt a), artikel 57, punt a), artikel 59, punt a), artikel 67, punt a), artikel 69, punt a), artikel 72 septies, punt a), en artikel 72 nonies, punt a), mogen instellingen het bedrag van een lange positie in een kapitaalinstrument of in een passivum verlagen met het gedeelte van een index dat is samengesteld uit dezelfde onderliggende blootstelling die wordt afgedekt, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

ofwel worden zowel de afgedekte lange positie als de korte positie in een index die wordt gebruikt om die lange positie af te dekken, in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b) 

de in punt a) bedoelde posities worden tegen reële waarde aangehouden op de balans van de instelling;

c) 

de in punt a) bedoelde korte positie wordt in het kader van de internecontroleprocedures van de instelling als een effectieve afdekking aangemerkt;

d) 

de bevoegde autoriteiten toetsen de in punt c) bedoelde internecontroleprocedures ten minste eenmaal per jaar op adequaatheid en vergewissen zich ervan dat die procedures nog steeds naar behoren functioneren.

2.  

Indien de bevoegde autoriteit haar voorafgaande toestemming heeft verleend, mag een instelling uitgaan van een voorzichtige raming van haar onderliggende blootstelling met betrekking tot in indices opgenomen kapitaalinstrumenten of passiva in plaats van haar blootstelling aan een of meer van de in de volgende punten bedoelde bestanddelen te berekenen:

a) 

in indices opgenomen eigen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten;

b) 

in indices opgenomen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector;

c) 

in indices opgenomen in aanmerking komende passiva-instrumenten van instellingen.

▼M8

3.  
De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 2 bedoelde voorafgaande toestemming uitsluitend indien de instelling ten genoegen van die bevoegde autoriteiten heeft aangetoond dat het monitoren van haar onderliggende blootstelling aan de bestanddelen, bedoeld in één of meer van de punten van lid 2, naargelang het geval, voor de instelling in operationeel opzicht belastend zou zijn.

▼B

4.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

wanneer de ramingen die worden gemaakt als alternatief voor het berekenen van de onderliggende positie als bedoeld in lid 2 voldoende voorzichtig zijn;

b) 

de betekenis van "in operationeel opzicht belastend" voor de toepassing van lid 3.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 77

Voorwaarden voor het verminderen van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  

Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit nodig, wil zij een van de volgende handelingen doen:

a) 

de door de instelling uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderen, aflossen of wederinkopen op een wijze die krachtens het toepasselijke nationale recht is toegestaan;

b) 

de agiorekeningen met betrekking tot eigenvermogensinstrumenten verminderen, verdelen of herindelen als een ander eigenvermogensbestanddeel;

c) 

aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen.

2.  
Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit nodig, wil zij niet onder lid 1 vallende in aanmerking komende passiva-instrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen.

Artikel 78

Toestemming van de toezichthouder voor het verminderen van het eigen vermogen

1.  

De bevoegde autoriteit verleent een instelling toestemming voor het verminderen, opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, of voor het verminderen, verdelen of herindelen van daaraan gerelateerde agiorekeningen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als een van de in artikel 77, lid 1, bedoelde handelingen vervangt de instelling de in artikel 77, lid 1, bedoelde instrumenten of de daaraan gerelateerde agiorekeningen door eigenvermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;

b) 

de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling na de in artikel 77, lid 1, van deze verordening bedoelde handeling de in deze verordening, in Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten zouden overschrijden met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht.

Indien een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te functioneren met eigen vermogen boven de in deze verordening en in Richtlijn 2013/13/EU vereiste bedragen, kan de bevoegde autoriteit die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om ongeacht welke handeling als bedoeld in artikel 77, lid 1, van deze verordening te verrichten, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid beschreven voorwaarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de bevoegde autoriteit wordt bepaald. ►C9  In het geval van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bedraagt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 3 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 10 % van het bedrag waarmee het tier 1-kernkapitaal het totaal overschrijdt van de in deze verordening en in de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde tier 1-kernkapitaalvereisten en een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht. ◄ In het geval van aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten overschrijdt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 10 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 3 % van het totale bedrag van uitstaande aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang het geval.

De bevoegde autoriteiten trekken de algemene voorafgaande toestemming in wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.

2.  
Wanneer de bevoegde autoriteiten de duurzaamheid beoordelen van de vervangingsinstrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling als bedoeld in lid 1, punt a), houden zij rekening met de mate waarin die vervangende kapitaalinstrumenten kostbaarder voor de instelling zouden zijn dan de kapitaalinstrumenten of agiorekeningen die zij zouden vervangen.
3.  
Indien een instelling een in artikel 77, lid 1, punt a), bedoelde handeling verricht en het toepasselijke nationale recht verbiedt om het aflossen van de in artikel 27 bedoelde tier 1-kernkapitaalinstrumenten te weigeren, kan de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van de in lid 1 van dit artikel beschreven voorwaarden, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de instelling verlangt dat deze de aflossing van die instrumenten op een passende basis beperkt.
4.  

De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen toestaan om aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of daaraan gerelateerde agiorekeningen op te vragen, af te lossen of weder in te kopen gedurende vijf jaar na de datum van uitgifte ervan wanneer aan de voorwaarden van lid 1 en aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de indeling van die instrumenten volgens de regelgeving ondergaat een wijziging, ten gevolge waarvan ze waarschijnlijk zouden worden uitgesloten van het eigen vermogen of worden heringedeeld als eigen vermogen van lagere kwaliteit, en de beide onderstaande voorwaarden zijn vervuld:

i) 

de bevoegde autoriteit acht dit soort wijziging voldoende zeker;

ii) 

de instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de herindeling van die instrumenten volgens de regelgeving redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte ervan;

b) 

de toepasselijke fiscale behandeling van die instrumenten ondergaat een wijziging waarvan de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat zij wezenlijk is en redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte van die instrumenten;

c) 

op de instrumenten en daaraan gerelateerde agiorekeningen zijn grandfatheringbepalingen krachtens artikel 494 ter van toepassing;

d) 

vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als de in artikel 77, lid 1, bedoelde handeling vervangt de instelling de in artikel 77, lid 1, bedoelde instrumenten of daaraan gerelateerde agiorekeningen door eigen vermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling, en de bevoegde autoriteit heeft toestemming gegeven voor die maatregel op basis van de vaststelling dat deze uit prudentieel oogpunt gunstig zou zijn en gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden;

e) 

de aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten worden wederingekocht ten behoeve van het onderhouden van een markt.

5.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:

a) 

de betekenis van „houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling”;

b) 

de in lid 3 bedoelde passende bases voor de beperking van aflossing;

c) 

de procedures, met inbegrip van de limieten en procedures voor voorafgaande toestemming door de bevoegde autoriteiten voor het uitvoeren van een in artikel 77, lid 1, vermelde handeling, en de gegevensvereisten voor een verzoek van een instelling om toestemming van de bevoegde autoriteit om een daarin vermelde handeling uit te voeren, daaronder begrepen de bij aflossing van aan leden van coöperaties uitgegeven aandelen toe te passen procedure, en de termijn voor de behandeling van een dergelijk verzoek.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 78 bis

Toestemming voor het verminderen van in aanmerking komende passiva-instrumenten

1.  

De afwikkelingsautoriteit verleent een instelling toestemming voor het opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van in aanmerking komende passiva-instrumenten indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als een van de in artikel 77, lid 2, bedoelde handelingen vervangt de instelling de in aanmerking komende passiva-instrumenten door eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;

b) 

de instelling heeft ten genoegen van de afwikkelingsautoriteit aangetoond dat het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling na de in artikel 77, lid 2, van deze verordening bedoelde handeling de in deze verordening en de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva zou overschrijden met een marge die de afwikkelingsautoriteit, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, noodzakelijk acht;

c) 

de instelling heeft ten genoegen van de afwikkelingsautoriteit aangetoond dat de gedeeltelijke of volledige vervanging van de in aanmerking komende passiva door eigenvermogensinstrumenten nodig is om te voldoen aan de in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde eigenvermogensvereisten voor het behouden van de vergunning.

Wanneer een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te opereren met eigen vermogen en in aanmerking komende passiva boven het bedrag van de in deze verordening, in de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten, kan de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om in aanmerking komende passiva-instrumenten op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid beschreven voorwaarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de afwikkelingsautoriteit wordt bepaald. Afwikkelingsautoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van algemene voorafgaande toestemmingen die ze verlenen.

De afwikkelingsautoriteit trekt de algemene voorafgaande toestemming in wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.

2.  
Wanneer de afwikkelingsautoriteiten de duurzaamheid beoordelen van de vervangingsinstrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling als bedoeld in lid 1, punt a), houden zij rekening met de mate waarin die vervangende kapitaalinstrumenten of vervangende in aanmerking komende passiva kostbaarder voor de instelling zouden zijn dan die welke zij zouden vervangen.
3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:

a) 

de samenwerkingsprocedure tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit;

b) 

de procedure, inclusief de termijnen en informatievereisten, voor het verlenen van de toestemming overeenkomstig de eerste alinea van lid 1;

c) 

de procedure, inclusief de termijnen en informatievereisten, voor het verlenen van de algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig de tweede alinea van lid 1;

d) 

de betekenis van „duurzaam voor de inkomstencapaciteit van de instelling”.

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea van dit lid worden de ontwerpen van technische reguleringsnormen volledig afgestemd op de in artikel 78 bedoelde gedelegeerde handeling.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 79

▼M8

Tijdelijke ontheffing van de aftrekking van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  
Indien een instelling houder is van kapitaalinstrumenten of passiva die als eigenvermogensinstrumenten in een entiteit uit de financiële sector of als in aanmerking komende passiva-instrumenten in een instelling kunnen worden aangemerkt, en de bevoegde autoriteit van oordeel is dat het aanhouden van die instrumenten dient voor een financiëlebijstandsoperatie om die entiteit of instelling te saneren en de levensvatbaarheid ervan te herstellen, kan de bevoegde autoriteit tijdelijk ontheffing verlenen van de bepalingen inzake aftrek die anders op die instrumenten van toepassing zouden zijn.

▼B

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het begrip "tijdelijk" voor de toepassing van lid 1 en van de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteit van oordeel mag zijn dat dat tijdelijke bezit van instrumenten bedoeld is voor een financiëlebijstandsoperatie om een relevante entiteit te saneren en te redden.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 79 bis

Beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten

Bij het beoordelen of de in deel twee vastgestelde vereisten worden nageleefd, houden instellingen rekening met de wezenlijke kenmerken van instrumenten, en niet alleen met de rechtsvorm ervan. Bij het beoordelen van de wezenlijke kenmerken van een instrument wordt rekening gehouden met alle regelingen in verband met de instrumenten, zelfs als die niet uitdrukkelijk worden vermeld in de voorwaarden van de instrumenten zelf, teneinde te bepalen of de gecombineerde economische gevolgen van zulke regelingen stroken met de doelstelling van de betrokken bepalingen.

▼B

Artikel 80

▼M8

Doorlopende toetsing van de kwaliteit van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten

1.  
De EBA monitort de kwaliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen in de hele Unie worden uitgegeven, en stelt de Commissie onmiddellijk in kennis wanneer er significante aanwijzingen zijn dat die instrumenten niet voldoen aan de in deze verordening uiteengezette criteria om in aanmerking te komen.

De bevoegde autoriteiten doen de EBA, onverwijld en op haar verzoek, alle informatie toekomen die de EBA met betrekking tot nieuw uitgegeven kapitaalinstrumenten of nieuwe soorten verplichtingen relevant acht, teneinde de EBA in staat te stellen de kwaliteit te monitoren van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen waar ook in de Unie worden uitgegeven.

▼B

2.  

Een kennisgeving bevat:

a) 

een gedetailleerde toelichting bij de aard en de omvang van het geconstateerde tekort;

b) 

technisch advies betreffende de door de Commissie te nemen maatregelen die de EBA noodzakelijk acht;

c) 

significante ontwikkelingen in de methodiek van de EBA voor het stresstesten van de solvabiliteit van instellingen.

▼M8

3.  

De EBA verstrekt de Commissie technisch advies betreffende alle belangrijke wijzigingen die volgens haar in de definitie van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva moeten worden aangebracht naar aanleiding van een van de volgende gevallen:

▼B

a) 

relevante ontwikkelingen in marktstandaarden of -praktijken;

b) 

wijzigingen in relevante wetgeving of standaarden voor jaarrekeningen;

c) 

significante ontwikkelingen in de methodiek van de EBA voor het stresstesten van de solvabiliteit van instellingen.

4.  
De EBA verstrekt uiterlijk op 1 januari 2014 technisch advies aan de Commissie betreffende mogelijke andere behandelingen van tegen reële waarde gewaardeerde niet-gerealiseerde winsten dan het opnemen ervan in het tier 1-kernkapitaal zonder aanpassingen. In dergelijke aanbevelingen wordt rekening gehouden met relevante ontwikkelingen in de internationale standaarden voor jaarrekeningen en in de internationale overeenkomsten over prudentiële normen voor banken.

TITEL II

MINDERHEIDSBELANG EN DOOR DOCHTERONDERNEMINGEN UITGEGEVEN AANVULLEND-TIER 1- EN TIER 2-INSTRUMENTEN

Artikel 81

Minderheidsbelangen die in aanmerking komen voor opname in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal

▼M8

1.  

Minderheidsbelangen omvatten de som van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

▼M9

a) 

de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i) 

een instelling;

ii) 

een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU is onderworpen;

iii) 

een financiële tussenholding of gemengde financiële tussenholding die op gesubconsolideerde basis aan de vereisten van deze verordening is onderworpen of een beleggingstussenholding die op geconsolideerde basis aan de vereisten van Verordening (EU) 2019/2033 is onderworpen;

iv) 

een beleggingsonderneming;

v) 

een financiële tussenholding in een derde land, mits die financiële tussenholding onderworpen is aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en mits de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 4, een besluit heeft vastgesteld waarin is bepaald dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;

▼M8

b) 

de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;

c) 

de tier 1-kernkapitaalbestanddelen, bedoeld in de inleidende zin van dit lid, zijn eigendom van andere personen dan de op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.

▼B

2.  
Minderheidsbelangen die direct of indirect, door middel van een special purpose entity of anderszins, worden gefinancierd door de moederonderneming van de instelling of door haar dochterondernemingen, worden niet aangemerkt als geconsolideerd tier 1-kernkapitaal.

▼M8

Artikel 82

In aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en in aanmerking komend eigen vermogen

Het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en het in aanmerking komend eigen vermogen omvatten het minderheidsbelang, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang het geval, en de daaraan gerelateerde agiorekeningen, van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i) 

een instelling;

ii) 

een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU is onderworpen;

iii) 

een financiële tussenholding of gemengde financiële tussenholding die op gesubconsolideerde basis aan de vereisten van deze verordening is onderworpen of een beleggingstussenholding die op geconsolideerde basis aan de vereisten van Verordening (EU) 2019/2033 is onderworpen;

iv) 

een beleggingsonderneming;

v) 

een financiële tussenholding in een derde land, mits die financiële tussenholding onderworpen is aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en mits de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 4, een besluit heeft genomen waarin is bepaald dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;

b) 

de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;

c) 

de tier 1-kernkapitaalbestanddelen, aanvullend tier 1-bestanddelen en tier 2-bestanddelen bedoeld in de inleidende zin van deze alinea, zijn eigendom van andere personen dan de op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.

▼B

Artikel 83

In aanmerking komend aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaal dat door een special purpose entity wordt uitgegeven

▼M8

1.  

Aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die door een special purpose-entity worden uitgegeven en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden tot en met 31 december 2021 uitsluitend in het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- of tier 2-kapitaal of in aanmerking komend eigen vermogen, naargelang het geval, opgenomen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

▼B

a) 

de special purpose entity die deze instrumenten uitgeeft, is overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, volledig in de consolidatie betrokken;

b) 

de instrumenten en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden uitsluitend in het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-kapitaal opgenomen indien de in artikel 52, lid 1, gestelde voorwaarden zijn vervuld;

c) 

de instrumenten en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden uitsluitend in het in aanmerking komend tier 2-kapitaal opgenomen indien de in artikel 63 gestelde voorwaarden zijn vervuld;

d) 

het enige actief van de special purpose entity is haar deelneming in het eigen vermogen van de moederonderneming of een dochteronderneming daarvan, die volledig in de consolidatie is betrokken overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, en waarvan de vorm voldoet aan de in artikel 52, lid 1, of in artikel 63, naar gelang van het geval, gestelde relevante voorwaarden.

Indien de bevoegde autoriteit de bestanddelen van een special purpose entity, met uitzondering van haar belegging in het eigen vermogen van de moederonderneming of een dochteronderneming daarvan die onder de consolidatie krachtens deel 1, titel II, hoofdstuk 2, valt, minimaal en onbelangrijk acht voor deze entiteit, kan zij ontheffing verlenen van de in de eerste alinea, punt d), gestelde voorwaarde.

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de soorten activa die verband kunnen houden met de werking van special purpose entities, alsmede van de in lid 1, tweede alinea, vermelde begrippen "minimaal" en "onbelangrijk".

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 84

Minderheidsbelangen die in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal worden opgenomen

▼M9

1.  

De instellingen bepalen het bedrag aan minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 1‐kernkapitaal wordt opgenomen door het onder a) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage, af te trekken van de minderheidsbelangen van die onderneming, en wel als volgt:

▼M17

a) 

het tier 1-kernkapitaal van de dochteronderneming, verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i) 

het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van die dochteronderneming dat nodig is om aan het volgende te voldoen:

1) 

indien de dochteronderneming een entiteit is als bedoeld in artikel 81, lid 1, punt a), van deze verordening maar geen beleggingsonderneming of beleggingstussenholding is, de som van het in artikel 92, lid 1, punt a), van deze verordening vastgelegde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten en het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met tier 1-kernkapitaal moet worden voldaan;

2) 

indien de dochteronderneming een beleggingsonderneming of een beleggingstussenholding is, de som van het in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033 vastgelegde vereiste, de in artikel 39, lid 2, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/2034 bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met tier 1-kernkapitaal moet worden voldaan;

ii) 

het bedrag van het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal dat op die dochteronderneming betrekking heeft en dat op geconsolideerde basis nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt a), van deze verordening vastgelegde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU en het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met tier 1-kernkapitaal moet worden voldaan;

▼C6

b) 

de minderheidsbelangen van de dochteronderneming, uitgedrukt als een percentage van alle tier 1-kernkapitaalinstrumenten van die onderneming plus de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves.

▼M17

In afwijking van de eerste alinea, punt a), kan de bevoegde autoriteit een instelling toestaan één van de in punt a), i) of ii), bedoelde bedragen in mindering te brengen, zodra die instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat het extra bedrag van de minderheidsdeelneming beschikbaar is om verliezen op geconsolideerd niveau te absorberen.

▼B

2.  
De in lid 1 bedoelde berekening wordt op gesubconsolideerde basis verricht voor elke dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1.

Een instelling kan besluiten deze berekening voor een dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1, niet te verrichten. Indien een instelling een dergelijk besluit neemt, mag het minderheidsbelang van die dochteronderneming niet in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal worden opgenomen.

▼M9

3.  
Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, of, naargelang het geval, als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2019/2033, worden minderheidsbelangen in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naargelang het geval.

▼B

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de overeenkomstig lid 2 en de artikelen 85 en 87 vereiste subconsolidatieberekening.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.  

De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing van de toepassing van dit artikel verlenen aan een financiële moederholding die aan alle onderstaande voorwaarden voldoet:

a) 

haar hoofdactiviteit is het verwerven van deelnemingen;

b) 

zij is onderworpen aan prudentieel toezicht op geconsolideerde basis;

▼M17

c) 

zij consolideert een dochteronderneming waarin zij slechts een minderheidsdeelneming heeft uit hoofde van de zeggenschapsband in de zin van artikel 4, lid 1, punt 37);

▼B

d) 

meer dan 90 % van het geconsolideerde vereiste tier 1-kernkapitaal, berekend op gesubconsolideerde basis, vloeit voort uit de in punt c) bedoelde dochteronderneming.

►C1  Indien een financiële moederholding die aan de in de eerste alinea gestelde voorwaarden voldoet, na 28 juni 2013 ◄ een gemengde financiële moederholding wordt, kunnen de bevoegde autoriteiten de in de eerste alinea bedoelde ontheffing aan die gemengde financiële moederholding verlenen mits deze aan de in die alinea gestelde voorwaarden voldoet.

6.  
Indien kredietinstellingen die blijvend in een netwerk zijn aangesloten bij een centraal orgaan, alsook instellingen die deel uitmaken van een institutioneel protectiestelsel waarop de voorwaarden van artikel 113, lid 7, van toepassing zijn, een kruiselingse garantieregeling hebben ingesteld waarin geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien is om het bedrag aan eigen vermogen boven de reguleringsvereisten over te dragen van de tegenpartij naar de kredietinstelling, worden deze instellingen ontheven van de bepalingen van dit artikel betreffende aftrekkingen en kunnen zij een minderheidsbelang dat ontstaat in het kader van de kruislingse garantieregeling ten volle erkennen.

Artikel 85

In aanmerking komende tier 1-instrumenten die in het geconsolideerde tier 1-kapitaal worden opgenomen

▼M9

1.  

De instellingen bepalen het bedrag aan in aanmerking komend tier 1‐kapitaal van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen, door het onder a) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage, af te trekken van het in aanmerking komend tier 1‐kapitaal van die onderneming, en wel als volgt:

▼M17

a) 

het tier 1-kapitaal van de dochteronderneming, verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i) 

het bedrag van het tier 1-kapitaal van de dochteronderneming dat nodig is om aan het volgende te voldoen:

1) 

indien de dochteronderneming een onderneming is als bedoeld in artikel 81, lid 1, punt a), van deze verordening maar geen beleggingsonderneming of beleggingstussenholding is, de som van het in artikel 92, lid 1, punt b), van deze verordening vastgelegde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten en het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met tier 1-kapitaal moet worden voldaan;

2) 

indien de dochteronderneming een beleggingsonderneming of een beleggingstussenholding is, de som van het in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033 vastgelegde vereiste, de in artikel 39, lid 2, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/2034 bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met tier 1-kapitaal moet worden voldaan;

ii) 

het bedrag van het geconsolideerde tier 1-kapitaal dat op die dochteronderneming betrekking heeft en dat op geconsolideerde basis nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt b), van deze verordening vastgelegde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU en het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met tier 1-kapitaal moet worden voldaan;

▼C6

b) 

het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van de dochteronderneming, uitgedrukt als een percentage van alle tier 1-kernkapitaalbestanddelen en aanvullend-tier 1‐bestanddelen van die onderneming.

▼M17

In afwijking van de eerste alinea, punt a), kan de bevoegde autoriteit een instelling toestaan een van de in punt a), i) of ii), bedoelde bedragen in mindering te brengen, zodra die instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat het extra bedrag van het tier 1-kapitaal beschikbaar is om verliezen op geconsolideerd niveau te absorberen.

▼B

2.  
De in lid 1 bedoelde berekening wordt op gesubconsolideerde basis verricht voor elke dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1.

Een instelling kan besluiten deze berekening voor een dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1, niet te verrichten. Indien een instelling een dergelijk besluit neemt, mag het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die dochteronderneming niet in het geconsolideerde tier 1-kapitaal worden opgenomen.

▼M9

3.  
Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, of, waar van toepassing, als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2019/2033, worden tier 1‐instrumenten in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naargelang het geval.

▼B

Artikel 86

In aanmerking komend tier 1-kapitaal dat in het geconsolideerde aanvullend-tier 1-kapitaal wordt opgenomen

Onverminderd artikel 84, leden 5 en 6, bepalen de instellingen het bedrag aan in aanmerking komend tier 1-kapitaal van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde aanvullend-tier 1-kapitaal wordt opgenomen, door de in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal opgenomen minderheidsbelangen van die onderneming af te trekken van het in het geconsolideerde tier 1-kapitaal opgenomen in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die onderneming.

Artikel 87

In aanmerking komend eigen vermogen dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen

▼M9

1.  

De instellingen bepalen het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen, door het onder a) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage, af te trekken van het in aanmerking komend eigen vermogen van die onderneming en wel als volgt:

▼M17

a) 

het eigen vermogen van de dochteronderneming, verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i) 

het bedrag van het eigen vermogen van de dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan:

1) 

indien de dochteronderneming een onderneming is als bedoeld in artikel 81, lid 1, punt a), van deze verordening maar geen beleggingsonderneming of beleggingstussenholding, de som van het in artikel 92, lid 1, punt c), van deze verordening vastgelegde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU en het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met eigen vermogen moet worden voldaan;

2) 

indien de dochteronderneming een beleggingsonderneming of een beleggingstussenholding is, de som van het in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033 vastgelegde vereiste, de specifieke eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 39, lid 2, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/2034, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met het eigen vermogen moet worden voldaan;

ii) 

het bedrag van de eigen middelen dat op die dochteronderneming betrekking heeft en dat op geconsolideerde basis nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt c), van deze verordening vastgelegde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, of eventuele lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan met eigen vermogen moet worden voldaan;

▼C6

b) 

het in aanmerking komend eigen vermogen van de onderneming, uitgedrukt als een percentage van de som van alle tier 1-kernkapitaalbestanddelen, aanvullend-tier 1-bestanddelen en tier 2-bestanddelen, uitgezonderd de in artikel 62, onder c) en d), bedoelde bedragen, van die onderneming.

▼M17

In afwijking van de eerste alinea, punt a), kan de bevoegde autoriteit een instelling toestaan een van de in punt a), i) of ii), bedoelde bedragen in mindering te brengen, zodra die instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat het extra bedrag van de eigen middelen beschikbaar is om verliezen op geconsolideerd niveau te absorberen.

▼B

2.  
De in lid 1 bedoelde berekening wordt op gesubconsolideerde basis verricht voor elke dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1.

Een instelling kan besluiten deze berekening voor een dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1, niet te verrichten. Indien een instelling een dergelijk besluit neemt, mag het in aanmerking komend eigen vermogen van die dochteronderneming niet in het geconsolideerde eigen vermogen worden opgenomen.

▼M9

3.  
Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, of, naargelang het geval, als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2019/2033, worden eigenvermogensinstrumenten in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naargelang het geval.

▼B

Artikel 88

In aanmerking komende eigenvermogensinstrumenten die in het geconsolideerde tier 2-kapitaal worden opgenomen

Onverminderd artikel 84, leden 5 en 6, bepalen de instellingen het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 2-kapitaal wordt opgenomen, door het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die onderneming dat wordt opgenomen in het geconsolideerde tier 1-kapitaal, af te trekken van het in aanmerking komend eigen vermogen van die onderneming dat wordt opgenomen in het geconsolideerde eigen vermogen.

▼M8

Artikel 88 bis

Gekwalificeerde in aanmerking komende passiva-instrumenten

Passiva die zijn uitgegeven door een in de Unie gevestigde dochteronderneming die is verbonden aan dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit, komen in aanmerking om te worden opgenomen in de geconsolideerde in aanmerking komende passiva-instrumenten van een onder artikel 92 bis vallende instelling, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

zij zijn uitgegeven overeenkomstig artikel 45 septies, lid 3, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU;

b) 

zij zijn gekocht door een bestaande aandeelhouder die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoort, voor zover de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 van Richtlijn 2014/59/EU zonder gevolgen blijft voor de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;

c) 

zij bedragen niet meer dan het bedrag dat wordt verkregen door het in punt i) bedoelde bedrag af te trekken van het in punt ii) bedoelde bedrag:

i) 

de som van de passiva die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van overeenkomstig artikel 45 septies, lid 3, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU uitgegeven eigenvermogensinstrumenten;

ii) 

het overeenkomstig artikel 45 septies, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU vereiste bedrag.

▼M17

Artikel 88 ter

Ondernemingen in derde landen

Voor de toepassing van deze titel worden de termen „beleggingsonderneming” en „instelling” geacht in derde landen gevestigde ondernemingen te omvatten die, als zij in de Unie gevestigd zijn, onder de definitie van die termen in deze verordening zouden vallen.

▼B

TITEL IV

IN AANMERKING KOMENDE DEELNEMINGEN BUITEN DE FINANCIËLE SECTOR

Artikel 89

Risicoweging van en verbod op in aanmerking komende deelnemingen buiten de financiële sector

▼M17

1.  
Een in aanmerking komende deelneming ten belope van een bedrag dat hoger is dan 15 % van het in aanmerking komende kapitaal van de instelling, in een onderneming niet zijnde een entiteit uit de financiële sector, is aan het bepaalde in lid 3 onderworpen.
2.  
Het totale bedrag van de in aanmerking komende deelnemingen van een instelling in andere dan de in lid 1 bedoelde ondernemingen dat hoger is dan 60 % van het in aanmerking komende kapitaal van de instelling, is onderworpen aan lid 3.

▼B

3.  

De bevoegde autoriteiten passen het in punt a) of het in punt b) bepaalde vereiste toe op de in lid 1 en lid 2 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen van instellingen:

a) 

voor het berekenen van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel 3 passen de instellingen een risicogewicht van 1 250  % toe op het hoogste van de volgende twee bedragen:

i) 

het bedrag van de in lid 1 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen dat hoger is dan 15 % van het in aanmerking komend kapitaal;

ii) 

het totale bedrag van de in lid 2 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen dat hoger is dan 60 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling;

b) 

de bevoegde autoriteiten verbieden de instellingen om in aanmerking komende deelnemingen als bedoeld in lid 1 en lid 2 aan te houden ten belope van een bedrag dat hoger is dan de in die leden bepaalde percentages van het in aanmerking komend kapitaal.

De bevoegde autoriteiten maken hun keuze voor punt a) of punt b) bekend.

▼M17 —————

▼B

Artikel 90

Alternatief voor een risicogewicht van 1 250  %

In plaats van een risicogewicht van 1 250  % toe te passen op de bedragen die de in artikel 89, leden 1 en 2, vermelde limieten overschrijden, kunnen de instellingen deze bedragen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), aftrekken van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen.

Artikel 91

Uitzonderingen

1.  

Aandelen van andere dan de in artikel 89, lid 1, punten a) en b), bedoelde ondernemingen worden niet meegenomen in de berekening van de in dat artikel bepaalde limieten van het in aanmerking komend kapitaal indien er aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

die aandelen worden tijdelijk gehouden tijdens een financiële bijstandsoperatie als bedoeld in artikel 79;

b) 

het bezit van die aandelen is een overnemingspositie die gedurende vijf werkdagen of minder wordt ingenomen;

c) 

die aandelen worden door de instelling gehouden in eigen naam en namens anderen.

2.  
Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa als bedoeld in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegenomen in de in artikel 89 bepaalde berekening.

DEEL DRIE

KAPITAALVEREISTEN

TITEL I

ALGEMENE VEREISTEN, WAARDERING EN RAPPORTAGE

HOOFDSTUK 1

Vereist niveau van het eigen vermogen

Afdeling 1

Eigenvermogensvereisten voor instellingen

Artikel 92

Eigenvermogensvereisten

1.  

Onverminderd de artikelen 93 en 94 voldoen de instellingen te allen tijde aan de volgende eigenvermogensvereisten:

a) 

een tier 1-kernkapitaalratio van 4,5 %;

b) 

een tier 1-kapitaalratio van 6 %;

c) 

een totale kapitaalratio van 8 %;

▼M8

d) 

een hefboomratio van 3 %.

1 bis.  
In aanvulling op het in lid 1, punt d), van dit artikel neergelegde vereiste houdt een MSI een hefboomratiobuffer aan die gelijk is aan de in artikel 429, lid 4, van deze verordening bedoelde maatstaf van totale blootstelling van de MSI vermenigvuldigd met 50 % van het MSI-bufferpercentage van toepassing op de MSI overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU.

Een MSI voldoet bij uitsluiting met tier 1-kapitaal aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer. Tier 1-kapitaal dat wordt gebruikt om aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer te voldoen, wordt niet gebruikt om te voldoen aan de op hefboomwerking gebaseerde vereisten die zijn vastgesteld in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU, tenzij daarin nadrukkelijk anderszins is bepaald.

Voor een MSI die niet aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer voldoet, geldt het vereiste inzake kapitaalinstandhouding overeenkomstig artikel 141 ter van Richtlijn 2013/36/EU.

Voor een MSI die niet tegelijkertijd aan het vereiste inzake de hefboomratio en het gecombineerd buffervereiste, zoals gedefinieerd in artikel 128, punt 6), van Richtlijn 2013/36/EU, voldoet, geldt het hoogste van de vereisten inzake kapitaalinstandhouding overeenkomstig de artikelen 141 en 141 ter van die richtlijn.

▼B

2.  

De instellingen berekenen hun kapitaalratio's als volgt:

a) 

de tier 1-kernkapitaalratio is het tier 1-kernkapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten;

b) 

de tier 1-kapitaalratio is het tier 1-kapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten;

c) 

de totale kapitaalratio is het eigen vermogen van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten.

▼M17

3.  

Instellingen berekenen het totaal van de risicoposten als volgt:

TREA = max {U-TREA; x·S-TREA}

waarbij:

TREA

= het totaal van de risicoposten (total risk exposure amount) van de entiteit;

U-TREA

= het totaal van de risicoposten zonder ondergrens (un-floored total risk exposure amount) van de entiteit, berekend overeenkomstig lid 4;

S-TREA

= het standaardtotaal van de risicoposten (standardised total risk exposure amount) van de entiteit, berekend overeenkomstig lid 5;

x

= 72,5  %.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid kan een lidstaat besluiten dat voor instellingen die onderdeel zijn van een groep met een moederinstelling in dezelfde lidstaat onder het totaal van de risicoposten, het overeenkomstig lid 4 berekende totaal van de risicoposten zonder ondergrens wordt verstaan, op voorwaarde dat die moederinstelling of, in het geval van groepen bestaande uit een centraal orgaan en blijvend aangesloten instellingen, het geheel gevormd door het centrale orgaan en de aangesloten instellingen het totaal van zijn risicoposten op geconsolideerde basis berekent overeenkomstig de eerste alinea van dit lid.

4.  

Het totaal van de risicoposten zonder ondergrens wordt berekend als de som van de punten a) tot en met g) van dit lid, na rekening te hebben gehouden met lid 6 van dit artikel:

a) 

de risicogewogen posten voor kredietrisico, met inbegrip van tegenpartijkredietrisico, en verwateringsrisico, berekend overeenkomstig titel II van dit deel en artikel 379, met betrekking tot alle bedrijfsactiviteiten van een instelling, met uitzondering van risicogewogen posten uit de handelsportefeuilleactiviteiten van de instelling;

b) 

de eigenvermogensvereisten voor de handelsportefeuilleactiviteiten van een instelling, voor het volgende:

i) 

marktrisico, berekend overeenkomstig titel IV van dit deel;

ii) 

grote blootstellingen die de in de artikelen 395 tot en met 401 bepaalde limieten overschrijden, voor zover een instelling die limieten mag overschrijden, als bepaald overeenkomstig deel vier;

c) 

de eigenvermogensvereisten voor marktrisico, berekend overeenkomstig titel IV van dit deel voor alle bedrijfsactiviteiten betreffende de niet-handelsportefeuille die onderhevig zijn aan wisselkoers- of grondstoffenrisico;

d) 

de eigenvermogensvereisten voor afwikkelingsrisico, berekend overeenkomstig de artikelen 378 en 380;

e) 

de eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering, berekend overeenkomstig titel VI van dit deel;

f) 

de eigenvermogensvereisten voor operationeel risico, berekend overeenkomstig titel III van dit deel;

g) 

de risicogewogen posten voor tegenpartijkredietrisico die voortvloeien uit de handelsportefeuilleactiviteiten van de instelling voor de volgende soorten transacties en overeenkomsten, berekend overeenkomstig titel II van dit deel:

i) 

in de lijst in bijlage II vermelde contracten en kredietderivaten;

ii) 

retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen op basis van effecten of grondstoffen;

iii) 

margeleningstransacties op basis van effecten of grondstoffen;

iv) 

transacties met afwikkeling op lange termijn.

▼M17

5.  

Het standaardtotaal van de risicoposten wordt berekend als de som van lid 4, punten a) tot en met g), na inaanmerkingneming van het bepaalde in lid 6 en van de volgende vereisten:

a) 

de risicogewogen posten voor het in lid 4, punt a), bedoelde kredietrisico, met inbegrip van tegenpartijkredietrisico, en verwateringsrisico en voor het in punt g) van dat lid bedoeld tegenpartijkredietrisico dat voortvloeit uit de handelsportefeuilleactiviteiten van de instelling, worden berekend zonder gebruik te maken van:

i) 

de in artikel 221 uiteengezette internemodellenbenadering voor kaderverrekeningsovereenkomsten;

ii) 

de in titel II, hoofdstuk 3 uiteengezette interneratingbenadering;

iii) 

de in de artikelen 258, 259 en 260 uiteengezette op interne ratings gebaseerde securitisatiebenadering en de in artikel 265 uiteengezette internebeoordelingsbenadering;

iv) 

de in titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6 uiteengezette internemodellenmethode;

b) 

de in lid 4, punt b), i), bedoelde eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor de handelsportefeuilleactiviteiten worden berekend zonder gebruik te maken van:

i) 

de in titel IV, hoofdstuk 1 ter, uiteengezette alternatieve internemodellenbenadering, of

ii) 

een in punt a) van dit lid genoemde benadering, indien van toepassing;

c) 

de eigenvermogensvereisten voor alle bedrijfsactiviteiten van een instelling betreffende de niet-handelsportefeuille die onderhevig zijn aan het in lid 4, punt c), van dit artikel bedoelde wisselkoers- of grondstoffenrisico, worden berekend zonder gebruik te maken van de alternatieve internemodellenbenadering van titel IV, hoofdstuk 1 ter.

6.  

De volgende bepalingen zijn van toepassing op het totaal van de risicoposten zonder ondergrens als bedoeld in lid 4 en van het standaardtotaal van de risicoposten als bedoeld in lid 5:

a) 

de in lid 4, punten d), e) en f), bedoelde eigenvermogensvereisten omvatten ook de vereisten die voortvloeien uit alle bedrijfsactiviteiten van een instelling;

b) 

de instellingen vermenigvuldigen de in lid 4, punten b) tot en met f), vermelde eigenvermogensvereisten met 12,5 .

▼M8

Artikel 92 bis

Voor MSI's geldende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

▼C9

1.  

Met inachtneming van de artikelen 93 en 94 en de in lid 2 van dit artikel vervatte uitzonderingen voldoen instellingen die als af te wikkelen entiteiten zijn geïdentificeerd en die MSI-entiteiten zijn, te allen tijde aan de volgende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

▼M17

a) 

een risicogebaseerde ratio van 18 %, die het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3;

▼M8

b) 

een niet-risicogebaseerde ratio van 6,75 %, die het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf van totale blootstelling.

2.  

De in lid 1 vastgestelde vereisten gelden niet in de volgende gevallen:

a) 

binnen drie jaar na de datum waarop de instelling of de groep waarvan de instelling deel uitmaakt, als MSI is aangemerkt;

b) 

binnen twee jaar na de datum waarop de afwikkelingsautoriteit het bail-in-instrument overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU heeft toegepast;

c) 

binnen twee jaar na de datum waarop de af te wikkelen entiteit een in artikel 32, lid 1, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde alternatieve maatregel van de particuliere sector heeft opgezet waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalbestanddelen omgezet, om de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat er afwikkelingsinstrumenten worden aangewend.

▼M15 —————

▼M8

Artikel 92 ter

Voor niet-EU-MSI's geldend vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  
Instellingen die dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU MSI's zijn en die geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen te allen tijde aan de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelijk aan 90 % van de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die in artikel 92 bis zijn vastgesteld.
2.  
Aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten worden ten behoeve van de naleving van lid 1 slechts in aanmerking genomen indien die instrumenten eigendom zijn van de uiteindelijke moederonderneming van de niet-EU-MSI en indien zij direct of indirect zijn uitgegeven via andere entiteiten binnen dezelfde groep, mits al die entiteiten in hetzelfde derde land zijn gevestigd als die uiteindelijke moederonderneming dan wel in een lidstaat.
3.  

Een in aanmerking komend passiva-instrument wordt ten behoeve van de naleving van lid 1 slechts in aanmerking genomen indien het voldoet aan elk van de volgende aanvullende voorwaarden:

a) 

bij normale insolventieprocedures in de zin van artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU is de uit de verplichting voortvloeiende vordering achtergesteld bij vorderingen die voortvloeien uit verplichtingen die niet voldoen aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel en niet als eigen vermogen kunnen worden aangemerkt;

b) 

het valt onder de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 van Richtlijn 2014/59/EU.

▼B

Artikel 93

Aanvangskapitaalvereiste op continuïteitsbasis

1.  
Het eigen vermogen van een instelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning vereiste niveau van aanvangskapitaal.
2.  
Kredietinstellingen die reeds op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het bedrag aan eigen vermogen niet voldoet aan het vereiste aanvangskapitaal, mogen hun activiteiten blijven uitoefenen. In dat geval mag het bedrag aan eigen vermogen van die instellingen niet kleiner worden dan het hoogste niveau dat het sinds 22 december 1989 heeft bereikt.

▼M9 —————

▼M9

4.  
Indien de zeggenschap over een instelling die tot de in lid 2 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, is het bedrag van het eigen vermogen van die instelling ten minste gelijk aan het vereiste aanvangskapitaal.
5.  
Bij een fusie tussen twee of meer tot de in lid 2 bedoelde categorie behorende instellingen mag het bedrag van het eigen vermogen van de uit de fusie ontstane instelling niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde instellingen op de datum van de fusie, zolang het vereiste aanvangskapitaal niet is bereikt.
6.  
Indien de bevoegde autoriteiten het nodig achten dat wordt voldaan aan het in lid 1 vastgestelde vereiste om de solvabiliteit van de instelling te garanderen, zijn de bepalingen van de leden 2, 4 en 5 niet van toepassing.

▼M8

Artikel 94

Afwijking voor geringe handelsportefeuilleactiviteiten

1.  

►M17  In afwijking van artikel 92, lid 4, punt b), en artikel 92, lid 5, punt b), mogen instellingen het eigenvermogensvereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten berekenen overeenkomstig lid 2 van dit artikel, op voorwaarde dat de omvang van de handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling van de instelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing aan de hand van de gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner is dan beide volgende drempelwaarden: ◄

a) 

5 % van de totale activa van de instelling;

b) 

50 miljoen EUR.

2.  

Wanneer aan beide in lid 1, punten a) en b), beschreven voorwaarden is voldaan, mogen instellingen het eigenvermogensvereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten als volgt berekenen:

▼M17

a) 

voor de in bijlage II, punt 1, vermelde contracten, contracten met betrekking tot aandelen als vermeld in punt 3 van die bijlage en kredietderivaten mogen instellingen die posities vrijstellen van het in artikel 92, lid 4, punt b), en artikel 92, lid 5, punt b), bedoelde eigenvermogensvereiste;

b) 

voor andere dan de in dit lid, punt a), bedoelde posities in de handelsportefeuille mogen instellingen het in artikel 92, lid 4, punt b), en artikel 92, lid 5, punt b), bedoelde eigenvermogensvereiste vervangen door het overeenkomstig artikel 92, lid 4, punt a), en artikel 92, lid 5, punt a), berekende vereiste.

▼M8

3.  

Voor de toepassing van lid 1 berekenen instellingen de omvang van hun handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling aan de hand van de gegevens op de laatste dag van elke maand met inachtneming van de volgende vereisten:

a) 

alle aan de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 104 toegewezen posities worden meegenomen in de berekening, met uitzondering van het volgende:

i) 

deviezen- en grondstoffenposities;

ii) 

posities in kredietderivaten die als interne afdekking tegen blootstellingen aan kredietrisico's of tegenpartijrisico's in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen en de kredietderivatentransacties die het marktrisico van die interne afdekkingen als bedoeld in artikel 106, lid 3, perfect ondervangen;

b) 

alle posities die in de berekening overeenkomstig punt a) worden meegenomen, worden tegen hun marktwaarde op die datum gewaardeerd; indien de marktwaarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar is, nemen instellingen voor de positie een reële waarde op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor die positie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;

▼M17

c) 

de absolute waarde van de geaggregeerde lange positie wordt samengeteld met de absolute waarde van de geaggregeerde korte positie.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea betekent een lange positie dat de marktwaarde van de positie toeneemt wanneer de waarde van haar belangrijkste risicofactor toeneemt, en een korte positie dat de marktwaarde van de positie afneemt wanneer de waarde van haar belangrijkste risicofactor toeneemt.

Voor de toepassing van de eerste alinea is de waarde van de geaggregeerde lange of korte positie gelijk aan de som van de waarden van de individuele lange of korte posities die overeenkomstig punt a) in de berekening zijn opgenomen.

▼M8

4.  
Indien aan beide voorwaarden van, lid 1, punten a) en b), van dit artikel is voldaan, zijn artikel 102, leden 3 en 4, artikel 103 en artikel 104 ter van deze verordening niet van toepassing, ongeacht de in de artikelen 74 en 83 van Richtlijn 2013/36/EU beschreven verplichtingen.
5.  
Instellingen delen de bevoegde autoriteiten mee dat ze de eigenvermogensvereisten voor hun handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig lid 2 berekenen, of niet langer berekenen.
6.  
Een instelling die niet langer aan een of meerdere voorwaarden van lid 1 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.
7.  

Een instelling berekent niet langer de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig lid 2 binnen een termijn van drie maanden nadat zich een van de volgende situaties heeft voorgedaan:

a) 

de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de in lid 1, punt a) of punt b), beschreven voorwaarden;

b) 

de instelling voldoet gedurende meer dan zes van de laatste twaalf maanden niet aan de in lid 1, punt a) of punt b) beschreven voorwaarden.

8.  
Ingeval een instelling de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten niet langer overeenkomstig dit artikel berekent, is het haar pas toegestaan de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig dit artikel te berekenen wanneer zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van één volledig jaar aan alle voorwaarden van lid 1 is voldaan.
9.  
Instellingen mogen geen handelsportefeuillepositie innemen, kopen of verkopen met als enig doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van lid 1 te voldoen.

▼M17

10.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de methode voor het vaststellen van de belangrijkste risicofactor van een positie en voor het bepalen of een transactie een lange of een korte positie vormt in de zin van lid 3 van dit artikel, en artikel 273 bis, lid 3, en artikel 325 bis, lid 2.

Bij het ontwikkelen van die ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de EBA rekening met de methode die is ontwikkeld voor de technische reguleringsnormen waartoe opdracht is gegeven in overeenstemming met artikel 279 bis, lid 3, punt b).

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Afdeling 2

Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen met beperkte vergunning voor het verstrekken van beleggingsdiensten

Artikel 95

Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen met beperkte vergunning voor het verstrekken van beleggingsdiensten

1.  
Voor de toepassing van artikel 92, lid 3, gebruiken beleggingsondernemingen die geen vergunning hebben om de in Richtlijn 2004/39/EG, bijlage I, deel A, punten 3 en 6, vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten te verrichten, de in lid 2 bepaalde berekening van het totaal van de risicoposten.
2.  

In lid 1 van dit artikel bedoelde beleggingsondernemingen en in artikel 4, lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, berekenen het totaal van de risicoposten als het hoogste van de volgende bedragen:

▼M17

a) 

de som van de in artikel 92, lid 4, punten a) tot en met e) en punt g), bedoelde bedragen na toepassing van artikel 92, lid 6;

▼B

b) 

12,5 vermenigvuldigd met het in artikel 97 bepaalde bedrag.

In artikel 4, lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, voldoen aan de vereisten van artikel 92, leden 1 en 2, op basis van het in de eerste alinea bedoelde totaal van de risicoposten.

De bevoegde autoriteiten kunnen bepalen dat de eigenvermogensvereisten voor in artikel 4,lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, de eigenvermogensvereisten zijn welke voor die ondernemingen bindend zijn uit hoofde van de nationale omzettingsmaatregelen die op 31 december 2013 voor de Richtlijnen 2006/49/EG en gelden.

▼C2

3.  
Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen gelden alle andere bepalingen betreffende operationele risico's van titel VII, hoofdstuk 2, afdeling II, onderafdeling 2, van Richtlijn 2013/36/EU.

▼B

Artikel 96

Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen die aanvangskapitaal aanhouden als bepaald in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU

1.  

Voor de toepassing van artikel 92, lid 3, gebruiken de volgende beleggingsondernemingen die aanvangskapitaal aanhouden als bepaald in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU, de in lid 2 van dit artikel bepaalde berekening van het totaal van de risicoposten:

a) 

beleggingsondernemingen die voor eigen rekening uitsluitend handelen om orders van cliënten in te willigen of uit te voeren, of om toegang te verkrijgen tot een clearing- en afwikkelingssysteem of een erkende beurs in de hoedanigheid van gemachtigde of uitvoerder van een order van een cliënt;

b) 

beleggingsondernemingen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

i) 

zij houden geen gelden of effecten van cliënten aan;

ii) 

zij handelen uitsluitend voor eigen rekening;

iii) 

zij hebben geen externe cliënten;

iv) 

de uitvoering en afwikkeling van hun transacties vindt plaats onder verantwoordelijkheid en garantie van een clearinginstelling.

2.  

Voor in lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen wordt het totaal van de risicoposten berekend als de som van de volgende bedragen:

▼M17

a) 

artikel 92, lid 4, punten a) tot en met e) en punt g), na toepassing van artikel 92, lid 6;

▼B

b) 

het in artikel 97 bedoelde bedrag vermenigvuldigd met 12,5.

3.  
Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen gelden alle andere bepalingen betreffende operationele risico's van titel VII, hoofdstuk 3, afdeling II, onderafdeling 1, van Richtlijn 2013/36/EU.

Artikel 97

Eigen vermogen op basis van vaste kosten

1.  
Overeenkomstig de artikelen 95 en 96 houden beleggingsondernemingen en in artikel 4, lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, in aanmerking komend kapitaal aan van ten minste een kwart van de vaste kosten voor het voorgaande jaar.
2.  
Indien er sprake is van een verandering in de activiteiten van een beleggingsonderneming sinds het voorgaande jaar die de bevoegde autoriteit van wezenlijk belang acht, kan de bevoegde autoriteit het vereiste van lid 1 aanpassen.
3.  
Indien de onderneming haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend (met inbegrip van de dag van bedrijfsaanvang) houdt de beleggingsonderneming in aanmerking komend kapitaal aan van ten minste een kwart van het in haar programma van werkzaamheden begrote cijfer voor vaste kosten, tenzij de bevoegde autoriteit een aanpassing van dit programma verlangt.
4.  

De EBA ontwikkelt in overleg met de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de berekening van het vereiste om in aanmerking komen kapitaal van ten minste één kwart van de vaste kosten van het voorgaande jaar aan te houden;

b) 

de voorwaarden voor de aanpassing door de bevoegde autoriteit van het vereiste om in aanmerking komen kapitaal van ten minste één kwart van de vaste kosten van het voorgaande jaar aan te houden;

c) 

de berekening van geraamde vaste kosten in het geval van een beleggingsonderneming die haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 maart 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 98

Eigen vermogen voor beleggingsondernemingen op geconsolideerde basis

1.  

Voor in artikel 95, lid 1, bedoelde beleggingsondernemingen in een groep, indien er geen kredietinstellingen tot deze groep behoren, past een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat artikel 92 op geconsolideerd niveau als volgt toe:

a) 

berekening van het totaal van de risicoposten op basis van artikel 95, lid 2;

b) 

berekening van het eigen vermogen op basis van de geconsolideerde situatie van de moederbeleggingsonderneming of die van de financiële holding of de gemengde financiële holding, naar gelang het geval.

2.  

Voor in artikel 96, lid 1, bedoelde beleggingsondernemingen in een groep, indien er geen kredietinstellingen tot deze groep behoren, passen een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat en een beleggingsonderneming die onder zeggenschap van een financiële holding of een gemengde financiële holding staat, artikel 92 op geconsolideerde basis als volgt toe:

a) 

berekening van het totaal van de risicoposten op basis van artikel 96, lid 2;

b) 

berekening van het eigen vermogen op basis van de geconsolideerde situatie van de moederbeleggingsonderneming of van die van de financiële holding of de gemengde financiële holding, naargelang van het geval, en overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2.

▼M8 —————

▼B

HOOFDSTUK 3

Handelsportefeuille

Artikel 102

Vereisten voor de handelsportefeuille

1.  
Posities in de handelsportefeuille zijn ofwel vrij van beperkingen op de verhandelbaarheid ervan, ofwel afdekbaar.

▼M8

2.  
De intentie om te handelen blijkt uit de strategieën, beleidslijnen en procedures die door de instelling in het leven zijn geroepen om de positie of de portefeuille overeenkomstig de artikelen 103, 104 en 104 bis te beheren.
3.  
Instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille overeenkomstig artikel 103 te beheren.

▼M17

4.  
Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig de in artikel 325, lid 1, punt b), bedoelde benadering, worden posities in de handelsportefeuille toegewezen aan tradingafdelingen.

▼M8

5.  
De posities in de handelsportefeuille vallen onder de in artikel 105 bepaalde vereisten voor prudente waardering.
6.  
Instellingen behandelen interne afdekkingsinstrumenten overeenkomstig artikel 106.

▼M8

Artikel 103

Beheer van de handelsportefeuille

1.  

Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor het algemene beheer van de handelsportefeuille. Deze beleidslijnen en procedures regelen ten minste:

a) 

welke activiteiten de instelling met het oog op de eigenvermogensvereisten als commercieel en deel uitmakend van de handelsportefeuilleactiviteiten beschouwt;

b) 

de mate waarin een positie dagelijks tegen marktprijs kan worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt;

c) 

voor posities die op basis van een modellenbenadering worden gewaardeerd, de mate waarin de instelling in staat is:

i) 

alle wezenlijke risico's van de positie te bepalen;

ii) 

alle wezenlijke risico's van de positie af te dekken door middel van instrumenten waarvoor een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;

iii) 

betrouwbare ramingen af te leiden voor de voornaamste in het model gebruikte aannames en parameters;

d) 

de mate waarin een instelling in staat en verplicht is voor de positie waarderingen te produceren die extern op samenhangende wijze kunnen worden gevalideerd;

e) 

de mate waarin de wettelijke beperkingen of andere operationele vereisten het vermogen van de instelling aantasten om op korte termijn liquidatie of afdekking van de positie te bewerkstelligen;

f) 

de mate waarin een instelling in staat en verplicht is om de risico's van de posities in het kader van haar commerciële werkzaamheden actief te beheren;

g) 

de mate waarin de instelling risico's of posities mag herindelen tussen de niet-handelsportefeuille en de handelsportefeuille, en de vereisten voor die herindelingen als bedoeld in artikel 104 bis.

2.  

Bij het beheer van haar posities of portefeuilles van posities in de handelsportefeuille voldoet de instelling aan alle volgende vereisten:

a) 

ten aanzien van de betrokken posities of portefeuilles in de handelsportefeuille beschikt de instelling over een helder gedocumenteerde handelsstrategie, die door de directie is goedgekeurd en de verwachte aanhoudingsperiode omvat;

b) 

voor het actieve beheer van de posities of portefeuilles in de handelsportefeuille beschikt de instelling over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures; in deze beleidslijnen en procedures is onder meer het volgende bepaald:

i) 

welke posities of portefeuilles van posities mogen worden ingenomen door elke tradingafdeling of, naargelang het geval, door aangewezen handelaren;

ii) 

welke positielimieten gelden en hoe de adequaatheid ervan wordt gemonitord;

iii) 

dat handelaren met inachtneming van de vastgestelde strategie autonoom posities kunnen innemen en beheren binnen de overeengekomen limieten en in overeenstemming met de goedgekeurde strategie;

iv) 

dat in het kader van de risicobeheerprocedure van de instelling aan de directie wordt gerapporteerd over de ingenomen posities;

v) 

dat de ingenomen posities actief worden gemonitord op basis van marktinformatiebronnen en er een beoordeling wordt gemaakt van de verhandelbaarheid of de afdekbaarheid van de positie of de risicocomponenten ervan, met inbegrip van de beoordeling, de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de markt voor de waarderingsprocedure, de op de markt gerealiseerde omzet en de omvang van de op de markt verhandelde posities;

vi) 

actieve procedures en controles ter bestrijding van fraude;

c) 

de instelling beschikt over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor toetsing van posities aan de handelsstrategie van de instelling, onder meer voor het monitoren van de omzet en van posities waarvoor de oorspronkelijk beoogde aanhoudingsperiode overschreden is.

▼M17

Artikel 104

Opneming in de handelsportefeuille

1.  
Een instelling beschikt over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures om te bepalen welke posities in de handelsportefeuille worden opgenomen voor de berekening van hun eigenvermogensvereisten, overeenkomstig artikel 102 en dit artikel, rekening houdend met haar vermogen en praktijk op het gebied van risicobeheer. De naleving van die beleidslijnen en procedures wordt volledig door de instelling in documentatie vastgelegd en wordt ten minste op jaarbasis aan een interne audit onderworpen, en de uitkomsten van die audit worden aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar gesteld.

Een instelling beschikt over een onafhankelijke risicocontrolefunctie die doorlopend evalueert of haar instrumenten naar behoren aan de handels- of de niet-handelsportefeuille worden toegewezen.

2.  

Instellingen wijzen posities in de volgende instrumenten toe aan de handelsportefeuille:

a) 

instrumenten die voldoen aan de in artikel 325, leden 6, 7 en 8, bepaalde criteria voor opneming in de alternatieve correlatiehandelsportefeuille („ACHP”);

b) 

instrumenten die tot een netto short credit-positie of netto short aandelenpositie in de niet-handelsportefeuille zouden leiden, met uitzondering van de eigen verplichtingen van de instelling, tenzij die laatste posities voldoen aan de in punt e) vermelde criteria;

c) 

instrumenten die voortvloeien uit verbintenissen voor het overnemen van effecten, indien die overnameverbintenissen uitsluitend betrekking hebben op effecten waarvan de verwachting is dat die op de afwikkelingsdatum zullen worden gekocht door de instelling;

d) 

instrumenten die in het op de instelling toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving ondubbelzinnig zijn ingedeeld als „aangehouden voor handelsdoeleinden”;

e) 

instrumenten die voortvloeien uit market-makingactiviteiten;

f) 

posities die worden ingenomen met de intentie om te handelen in icb’s, mits die icb’s aan ten minste één van de voorwaarden van lid 8 voldoen;

g) 

beursgenoteerde aandelen;

h) 

effectenfinancieringstransacties voor handelsdoeleinden;

i) 

opties of andere derivaten ingebouwd in de eigen verplichtingen van de instelling in de niet-handelsportefeuille die met kredietrisico of aandelenrisico verband houden.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), heeft een instelling een netto short aandelenpositie wanneer een daling in de koers van een aandeel resulteert in winst voor de instelling. Een instelling heeft een netto short credit-positie wanneer de verruiming van de creditspread of de verslechtering van de kredietwaardigheid van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen resulteert in winst voor de instelling. Instellingen monitoren voortdurend of instrumenten aanleiding kunnen geven tot een netto short credit-positie of netto short aandelenpositie in de niet-handelsportefeuille.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt i), splitst een instelling de ingebouwde optie, of het andere derivaat, af van haar eigen verplichtingen in de niet-handelsportefeuille die met krediet- of aandelenrisico verband houdt. Zij wijst de ingebouwde optie of het andere derivaat toe aan de handelsportefeuille en laat haar eigen verplichting in de niet-handelsportefeuille. Wanneer het instrument van dien aard is dat splitsen niet mogelijk is, wijst een instelling het instrument in zijn geheel toe aan de handelsportefeuille. In dat geval documenteert zij naar behoren de reden waarom zij die behandeling toepast.

3.  

Instellingen wijzen posities in de volgende instrumenten niet aan de handelsportefeuille toe:

a) 

instrumenten aangewezen voor securitisation warehousing;

b) 

instrumenten met betrekking tot bezit van onroerend goed;

c) 

niet-beursgenoteerde aandelen;

d) 

instrumenten met betrekking tot krediet aan particulieren en kleine partijen en aan kmo’s;

e) 

posities in andere icb’s dan die genoemd in lid 2, punt f);

f) 

derivatencontracten en icb’s met een of meer van de in de punten a) tot en met d) van dit lid genoemde onderliggende instrumenten;

g) 

instrumenten gehouden voor het afdekken van een bepaald risico van een of meer posities in een in de punten a) tot en met f), h) en i), van dit lid genoemd instrument;

h) 

eigen verplichtingen van de instelling, tenzij die instrumenten aan de criteria van lid 2, punt e), dan wel aan de criteria van lid 2, derde alinea, voldoen;

i) 

instrumenten in hedgefondsen.

4.  
In afwijking van lid 2 mag een instelling aan de niet-handelsportefeuille een positie in een in de punten d) tot en met i) van dat lid genoemd instrument toewijzen, op voorwaarde dat zij daarvoor van haar bevoegde autoriteit toestemming krijgt. De bevoegde autoriteit geeft toestemming indien de instelling ten genoegen van haar bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat de positie niet wordt ingenomen met de intentie om te handelen of geen posities afdekt die worden ingenomen met de intentie te handelen.
5.  
In afwijking van lid 3 mag een instelling aan de handelsportefeuille een positie in een in punt i) van dat lid genoemd instrument toewijzen, op voorwaarde dat zij daarvoor van haar bevoegde autoriteit toestemming krijgt. De bevoegde autoriteit geeft toestemming indien de instelling ten genoegen van haar bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat de positie wordt ingenomen met de intentie om te handelen of posities afdekt die worden ingenomen met de intentie om te handelen, en dat de instelling ten minste aan een van de in lid 8 uiteengezette voorwaarden voor die positie voldoet.
6.  
Wanneer een instelling aan de handelsportefeuille een positie in een instrument niet zijnde de in lid 2, punt a), b) of c), bedoelde instrumenten heeft toegewezen, kan de bevoegde autoriteit van de instelling aan die instelling vragen bewijsmateriaal te verstrekken dat dergelijke toewijzing kan verantwoorden. Indien de instelling onvoldoende bewijzen kan verstrekken, kan haar bevoegde autoriteit die instelling verplichten om die positie opnieuw aan de niet-handelsportefeuille toe te wijzen.
7.  
Wanneer een instelling aan de niet-handelsportefeuille een positie in een instrument niet zijnde de in lid 3 bedoelde instrumenten heeft toegewezen, kan de bevoegde autoriteit van de instelling aan die instelling vragen bewijsmateriaal te verstrekken dat dergelijke toewijzing kan verantwoorden. Indien de instelling onvoldoende bewijzen kan verstrekken, kan haar bevoegde autoriteit die instelling verplichten om die positie opnieuw aan de handelsportefeuille toe te wijzen.
8.  

Een instelling wijst aan de handelsportefeuille een positie in een icb toe, niet zijnde de posities bedoeld in lid 3, punt f), die wordt aangehouden met de intentie om te handelen, indien de instelling aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

de instelling is in staat voldoende informatie te verkrijgen over de individuele onderliggende blootstellingen van de icb;

b) 

de instelling is niet in staat voldoende informatie te verkrijgen over de individuele onderliggende blootstellingen van de icb, doch de instelling heeft kennis van de inhoud van het mandaat van de icb en is in staat dagelijkse koersnoteringen voor de icb te verkrijgen.

9.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de procedure die instellingen moeten gebruiken om in lid 2, punt b), bedoelde netto short credit-posities of netto short aandelenposities in de niet-handelsportefeuille te berekenen en te monitoren.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 104 bis

Herindeling van een positie

1.  
Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen om aan te geven welke uitzonderlijke omstandigheden de herindeling rechtvaardigen van een positie in de handelsportefeuille naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, de herindeling van een positie in de niet-handelsportefeuille naar een positie in de handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigenvermogensvereisten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten. Instellingen evalueren deze beleidslijnen ten minste jaarlijks.

▼M17

De EBA monitort de diverse toezichtpraktijken en vaardigt uiterlijk op 10 juli 2027 overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit over de betekenis van „uitzonderlijke omstandigheden” voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid en van lid 5 van dit artikel. Totdat de EBA die richtsnoeren heeft uitgevaardigd, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van en verstrekken zij een motivering voor hun besluiten om een instelling al dan niet toestemming te verlenen om een positie herin te delen overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

▼M8

2.  
De bevoegde autoriteiten verlenen alleen toestemming om een positie in de handelsportefeuille herin te delen naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, een positie in de niet-handelsportefeuille naar een positie in de handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigenvermogensvereisten, wanneer de instelling de bevoegde autoriteiten schriftelijk bewijs heeft verschaft dat haar besluit om die positie herin te delen, voortvloeit uit een uitzonderlijke omstandigheid die strookt met de door de instelling overeenkomstig lid 1 van dit artikel vastgestelde beleidslijnen. Met het oog daarop verschaft de instelling voldoende bewijs dat de positie niet langer voldoet aan de voorwaarde om op grond van artikel 104 als positie in de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille te worden ingedeeld.

Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt goedgekeurd door het leidinggevende orgaan.

3.  

Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 2 toestemming heeft verleend voor de herindeling van een positie, doet de instelling waaraan toestemming is verleend het volgende:

a) 

zij zorgt onverwijld voor de openbaarmaking van

i) 

de informatie dat haar positie heringedeeld is, en

ii) 

indien de eigenvermogensvereisten van de instelling als gevolg van die herindeling worden verminderd, de omvang van die vermindering; en

b) 

indien de eigenvermogensvereisten van de instelling als gevolg van die herindeling worden verminderd, neemt zij die vermindering niet op totdat de positie is vervallen, tenzij de bevoegde autoriteit de instelling toestaat die vermindering op een vroegere datum op te nemen.

4.  
De instelling berekent de uit de herindeling van de positie voortvloeiende nettoverandering in het bedrag van haar eigenvermogensvereisten als het verschil tussen de eigenvermogensvereisten onmiddellijk na de herindeling en de eigenvermogensvereisten onmiddellijk vóór de herindeling, telkens berekend overeenkomstig artikel 92. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met andere factoren dan de herindeling.

▼M17

5.  
De herindeling van een positie overeenkomstig dit artikel is onherroepelijk, behalve in de in lid 1 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden.

▼M17

6.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel kan een instelling overeenkomstig artikel 104, lid 2, punt d), een positie in de niet-handelsportefeuille herindelen als een positie in de handelsportefeuille zonder dat zij daarvoor toestemming hoeft te vragen aan haar bevoegde autoriteit. In dat geval blijven de in lid 3 en 4 van dit artikel bepaalde vereisten op de instelling van toepassing. De instelling stelt haar bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis zodra die herindeling heeft plaatsgevonden.

▼M8

Artikel 104 ter

Vereisten voor tradingafdelingen

▼M17

1.  
Om hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen volgens de in artikel 325, lid 1, punt b), bedoelde benadering, richten instellingen tradingafdelingen op en wijzen zij elk van hun posities in de handelsportefeuille en niet-handelsportefeuille als bedoeld in lid 5 en 6 van dit artikel toe aan een van die tradingafdelingen. Posities in een handelsportefeuille worden enkel aan dezelfde tradingafdeling toegewezen indien die posities aan de voor de tradingafdeling overeengekomen bedrijfsstrategie voldoen en coherent worden beheerd en gemonitord overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

▼M8

2.  

De tradingafdelingen van instellingen voldoen te allen tijde aan alle volgende vereisten:

a) 

elke tradingafdeling heeft een heldere en afgebakende bedrijfsstrategie en risicobeheersstructuur die adequaat is voor haar bedrijfsstrategie;

b) 

elke tradingafdeling heeft een heldere organisatiestructuur; posities in een bepaalde tradingafdeling worden beheerd door aangewezen handelaren binnen de instelling; elke handelaar heeft specifieke functies binnen de tradingafdeling; elke handelaar wordt aan slechts één tradingafdeling toegewezen;

c) 

positielimieten worden binnen elke tradingafdeling vastgesteld overeenkomstig de bedrijfsstrategie van die tradingafdeling;

d) 

rapporten over de activiteiten, de winstgevendheid, het risicobeheer en de regelgevingsvereisten op het niveau van de tradingafdeling worden ten minste wekelijks opgesteld en op regelmatige basis meegedeeld aan het leidinggevende orgaan;

e) 

elke tradingafdeling heeft een helder bedrijfsjaarplan met een welomschreven beloningsbeleid, op basis van deugdelijke criteria voor prestatiemeting;

f) 

rapporten over vervallende posities, schendingen van intraday-transactielimieten, schendingen van dagelijkse transactielimieten en de maatregelen die de instelling heeft genomen om deze schendingen aan te pakken, evenals beoordelingen van de marktliquiditeit worden maandelijks voor elke tradingafdeling opgesteld en ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gesteld.

3.  
In afwijking van lid 2, punt b), kan een instelling een handelaar toewijzen aan meer dan een tradingafdeling op voorwaarde dat de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat de toewijzing het gevolg is van overwegingen van commerciële aard of op het gebied van de middelen, en dat de toewijzing de andere op handelaren en tradingafdelingen toepasselijke kwalitatieve vereisten van dit artikel onverlet laat.
4.  
Instellingen delen de bevoegde autoriteiten mee hoe ze lid 2 nakomen. De bevoegde autoriteiten kunnen van een instelling verlangen dat deze de structuur of organisatie van haar tradingafdelingen aanpast om dit artikel na te leven.

▼M17

5.  
Om hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen, wijzen instellingen elk van hun posities in de niet-handelsportefeuille die aan wisselkoers- of grondstoffenrisico onderhevig zijn, toe aan overeenkomstig lid 1 opgerichte tradingafdelingen die risico’s beheren die met de risico’s van die posities vergelijkbaar zijn.
6.  
In afwijking van lid 5 mogen instellingen, wanneer zij hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico berekenen, een of meer tradingafdelingen oprichten waaraan zij uitsluitend posities in de niet-handelsportefeuille toewijzen die aan wisselkoers- of grondstoffenrisico onderhevig zijn. Die tradingafdelingen zijn niet onderworpen aan de vereisten van de leden 1, 2 en 3.

Artikel 104 quater

Behandeling van afdekkingen van kapitaalratio’s tegen wisselkoersrisico

1.  

Een instelling die er bewust voor heeft gekozen om een risicopositie in te nemen om — minstens ten dele — haar in artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), bedoelde kapitaalratio’s af te dekken tegen ongunstige wisselkoersbewegingen, kan, met toestemming van haar bevoegde autoriteit, die risicopositie van de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico als bedoeld in artikel 325, lid 1, uitsluiten, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

het maximumbedrag van de van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico uitgesloten risicopositie is beperkt tot het bedrag van de risicopositie dat de gevoeligheid van de kapitaalratio’s voor ongunstige wisselkoersbewegingen neutraliseert;

b) 

de risicopositie wordt voor ten minste zes maanden uitgesloten van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico;

c) 

de instelling heeft een passend kader voor risicobeheer ingevoerd voor het afdekken van haar kapitaalratio’s tegen ongunstige wisselkoersbewegingen, met onder meer een heldere afdekkingsstrategie en governancestructuur;

d) 

de instelling heeft de bevoegde autoriteit een motivering van de reden waarom een risicopositie wordt uitgesloten van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico, de nadere gegevens van die risicopositie en het uit te sluiten bedrag verschaft.

2.  
Uitsluitingen van risicoposities van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig lid 1 worden consistent toegepast.
3.  
De bevoegde autoriteit geeft goedkeuring voor wijzigingen door de instelling van het in lid 1, punt c), bedoelde kader voor risicobeheer en van de in lid 1, punt d), bedoelde nadere gegevens van die risicoposities.
4.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:

a) 

de risicoposities die een instelling doelbewust kan innemen om — minstens ten dele — haar in lid 1 bedoelde kapitaalratio’s af te dekken tegen ongunstige wisselkoersbewegingen;

b) 

de wijze waarop het in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde maximumbedrag moet worden bepaald en de wijze waarop een instelling dat bedrag van elk van de in artikel 325, lid 1, bedoelde benaderingen moet uitsluiten;

c) 

de criteria waaraan het in lid 1, punt c), bedoelde kader voor risicobeheer van een instelling moet voldoen om als geschikt voor de toepassing van dit artikel te kunnen worden beschouwd.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 105

Vereisten voor prudente waardering

▼M8

1.  
Op alle tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en in de niet-handelsportefeuille worden de in dit artikel bepaalde normen voor prudente waardering toegepast. Instellingen dragen er in het bijzonder zorg voor dat de prudente waardering van hun posities in de handelsportefeuille een passende mate van zekerheid bereikt, rekening houdende met het dynamische karakter van de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille, de vereisten inzake prudentiële soliditeit en de werkwijze en doelstellingen van de kapitaalvereisten met betrekking tot de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille.

▼B

2.  

De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van toereikende systemen en controles voor het verstrekken van prudente en betrouwbare waarderamingen. Deze systemen en controles bestaan minimaal uit:

a) 

in documentatie vastgelegde beleidslijnen en procedures voor het waarderingsproces die onder meer de volgende aspecten omvatten: duidelijke afbakening van de bevoegdheden van de verschillende terreinen die bij de waardering betrokken zijn, marktinformatiebronnen en beoordeling van de deugdelijkheid ervan, richtsnoeren voor de gebruikmaking van niet-waarneembare inputs die de aannames van de instelling weerspiegelen met betrekking tot de vraag wat marktdeelnemers voor de prijsbepaling van de positie zouden gebruiken, frequentie van onafhankelijke waardering, timing van slotkoersen, procedures voor het aanpassen van waarderingen, verificatieprocedures (einde maand en ad hoc);

▼C2

b) 

duidelijke, van het bestuur onafhankelijke rapportagelijnen voor de afdeling die verantwoordelijk is voor het waarderingsproces; aan het einde van de rapportagelijn staat het leidinggevend orgaan.

▼M8

3.  
Instellingen herwaarderen de posities in de handelsportefeuille tegen reële waarde ten minste dagelijks. Veranderingen in de waarde van die posities worden opgenomen in de resultatenrekening van de instelling.
4.  
Instellingen waarderen hun tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en niet-handelsportefeuille zoveel mogelijk tegen marktwaarde, ook bij het onderwerpen van die posities aan de toepasselijke kapitaalvereisten.

▼B

5.  
Bij waardering tegen marktwaarde maakt een instelling gebruik van de bied- of de laatprijs, naar gelang van wat het prudentst is, tenzij de instelling kan afwikkelen tegen de middenkoers. Indien instellingen gebruik maken van deze afwijking, stellen zij om de zes maanden hun bevoegde autoriteiten in kennis van de betrokken posities en leveren zij het bewijs dat zij tegen de middenkoers kunnen afwikkelen.

▼M8

6.  
Indien waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, onder meer bij het berekenen van eigenvermogensvereisten voor posities in de handelsportefeuille en tegen reële waarde gewaardeerde posities in de niet-handelsportefeuille, waarderen instellingen hun posities en portefeuilles op een conservatieve manier op basis van een modellenbenadering.

▼B

7.  

Bij waardering op basis van een modellenbenadering nemen de instellingen de volgende vereisten in acht:

a) 

de directie draagt kennis van de bestanddelen van de handelsportefeuille of van andere tegen reële waarde gewaardeerde posities waarvoor waardering op basis van een modellenbenadering wordt toegepast, en is bekend met de belangrijkheid van de onzekerheid die zulks met zich meebrengt voor de rapportage over de bedrijfsrisico's en de bedrijfsresultaten;

b) 

de instellingen halen inputs uit de markt die voor zover mogelijk in overeenstemming zijn met de marktprijzen en evalueren geregeld de relevantie van de marktinputs voor de positie die wordt gewaardeerd en de parameters van het model;

c) 

de instellingen gebruiken waarderingsmethoden die voor bepaalde financiële instrumenten of grondstoffen als vaste marktpraktijk worden beschouwd, indien deze beschikbaar zijn;

d) 

modellen die door de instelling zelf worden ontwikkeld, berusten op deugdelijke hypothesen, die zijn geanalyseerd en beproefd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn;

e) 

de instellingen beschikken over formele controleprocedures voor veranderingen en bewaren een veilig exemplaar van het model, dat zij periodiek gebruiken om waarderingen te verifiëren;

f) 

de met het risicobeheer belaste personen zijn op de hoogte van de tekortkomingen van de gebruikte modellen en weten hoe de impact ervan op het waarderingsresultaat maximaal kan worden beperkt; en

g) 

de modellen van de instellingen worden periodiek onderzocht op hun nauwkeurigheid, onder meer door de blijvende relevantie van de aannames te beoordelen, winst en verlies in verhouding tot risicofactoren te analyseren en daadwerkelijke afwikkelingsprijzen met de modeluitkomsten te vergelijken.

▼M8

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea wordt het model onafhankelijk van de tradingafdelingen ontwikkeld of erkend, en wordt het op onafhankelijke wijze getoetst, onder meer door het valideren van de wiskundige formules, de aannames en de implementatie van de software.

▼B

8.  
Naast de dagelijkse waardering tegen marktprijzen of op basis van een modellenbenadering verrichten de instellingen ook onafhankelijke prijsverificatie. Verificatie van marktprijzen en modelinputs wordt minstens maandelijks of, afhankelijk van de aard van de markt of de handelsactiviteit, met een grotere frequentie verricht door een persoon of een eenheid die onafhankelijk is van personen of eenheden die baat hebben bij de handelsportefeuilleactiviteiten. Indien er geen onafhankelijke bronnen van prijsinformatie beschikbaar zijn of de bronnen van prijsinformatie een veeleer subjectief karakter vertonen, kunnen prudente maatregelen zoals aanpassing van de waarderingen wenselijk zijn.
9.  
De instellingen zorgen voor de instelling en instandhouding van procedures ter beoordeling van de noodzaak van waarderingsaanpassingen.
10.  
De instellingen beoordelen formeel de noodzaak van waarderingsaanpassingen voor de volgende elementen: niet benutte kredietspreidingswinsten, afwikkelingskosten, operationele risico's, onzekerheid van de marktprijzen, vervroegde beëindiging, beleggings- en financieringskosten, toekomstige administratiekosten en, indien van toepassing, het modelrisico.
11.  

De instellingen zorgen voor de instelling en instandhouding van procedures voor de berekening van een aanpassing van een lopende waardering van elke minder liquide positie, die in het bijzonder kan voortvloeien uit marktgebeurtenissen of instellingsgerelateerde situaties, bijvoorbeeld geconcentreerde posities en/of posities waarvoor de oorspronkelijk beoogde periode voor het aanhouden van de positie overschreden is. De instellingen brengen waar nodig dergelijke aanpassingen aan bovenop eventuele voor financiële verslaggevingsdoeleinden vereiste wijzigingen in de waarde van de positie en ontwerpen deze aanpassing dusdanig dat de illiquiditeit van de positie wordt weergegeven. In het kader van deze procedures houden de instellingen bij de beoordeling of een waarderingsaanpassing voor minder liquide posities noodzakelijk is, rekening met een aantal verschillende factoren. Deze betreffen onder meer:

▼M8

a) 

de extra termijn die nodig is voor het afdekken van de positie of risicobestanddelen binnen de positie, bovenop de overeenkomstig artikel 325 septquinquagies aan de risicofactoren van de positie toegekende liquiditeitshorizons;

▼B

b) 

de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen bied- en laatprijzen;

c) 

de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal marktmakers en hun identiteit) en de volatiliteit en het gemiddelde van de handelsvolumes, met inbegrip van handelsvolumes in perioden van marktspanningen;

d) 

marktconcentraties;

e) 

de veroudering van posities;

f) 

de mate waarin de waardering berust op een modellenbenadering;

g) 

het effect van andere modelrisico's.

12.  
Indien de instellingen gebruik maken van externe waarderingen of waardering op basis van een modellenbenadering, beoordelen zij of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten. Tevens beoordelen zij op continue basis of aanpassingen voor minder liquide posities noodzakelijk zijn. De instellingen maken daarnaast een expliciete raming van de noodzaak van waarderingsaanpassingen in verband met de onzekerheid van de parameterinputs in de modellen.
13.  
Met betrekking tot complexe producten, inclusief gesecuritiseerde blootstellingen en kredietderivaten voor de n-de wanbetaling, beoordelen de instellingen expliciet de noodzaak van waarderingsaanpassingen die het modelrisico verbonden aan het gebruik van een mogelijk onjuiste taxatiemethode en het modelrisico verbonden aan het gebruik van niet-waarneembare (en mogelijk onjuiste) kalibratiesparameters in het waarderingsmodel weergeven.
14.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de vereisten van artikel 105 met betrekking tot lid 1 van dit artikel moeten worden toegepast.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 106

Interne afdekking

1.  

Een intern afdekkingsinstrument voldoet in het bijzonder aan de volgende vereisten:

a) 

het heeft niet in de eerste plaats tot doel om kapitaalvereisten te ontlopen of te verminderen;

b) 

het wordt naar behoren in documentatie vastgelegd en onderworpen aan bijzondere interne procedures ten aanzien van goedkeuring en controle;

c) 

het wordt afgewikkeld tegen marktvoorwaarden;

d) 

het aan het interne afdekkingsinstrument verbonden marktrisico wordt, met inachtneming van de toegestane limieten, dynamisch beheerd in de handelsportefeuille;

▼C2

e) 

het wordt zorgvuldig bewaakt in overeenstemming met adequate procedures.

▼M8

2.  
De vereisten van lid 1 zijn van toepassing onverminderd de vereisten die van toepassing zijn op de afgedekte positie in de niet-handelsportefeuille of in de handelsportefeuille, naargelang het geval.

▼M17

3.  
Wanneer een instelling een kredietrisicoblootstelling of een tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat afdekt, wordt die kredietderivatenpositie als een interne afdekking van de kredietrisicoblootstelling of de tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille opgenomen voor de berekening van de in artikel 92, lid 4, punt a), bedoelde risicogewogen posten wanneer de instelling met een in aanmerking komende externe protectiegever een andere kredietderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

Zowel een overeenkomstig de eerste alinea opgenomen interne afdekking als een met een in aanmerking komende externe protectiegever aangegaan kredietderivaat wordt voor het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de handelsportefeuille opgenomen. Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de benadering in artikel 325, lid 1, punt b), worden beide posities toegewezen aan dezelfde tradingafdeling die vergelijkbare risico’s beheert.

4.  
Wanneer een instelling een risicoblootstelling aan aandelen in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen aandelenderivaat afdekt, wordt die aandelenderivatenpositie als een interne afdekking van de risicoblootstelling aan aandelen in de niet-handelsportefeuille opgenomen voor de berekening van de in artikel 92, lid 4, punt a), bedoelde risicogewogen posten wanneer de instelling met een in aanmerking komende externe protectiegever een andere aandelenderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

Zowel een overeenkomstig de eerste alinea van dit lid opgenomen interne afdekking als een met een in aanmerking komende externe protectiegever aangegaan aandelenderivaat wordt voor het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de handelsportefeuille opgenomen. Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de in artikel 325, lid 1, punt b), bedoelde benadering worden beide posities toegewezen aan dezelfde tradingafdeling die vergelijkbare risico’s beheert.

▼M17

4 bis.  
Voor de toepassing van de leden 3 en 4 kan de door een instelling aangegane krediet- of aandelenderivatentransactie bestaan uit meerdere transacties met meerdere in aanmerking komende externe protectiegevers, mits de resulterende geaggregeerde transactie aan de in die leden gestelde voorwaarden voldoet.

▼M17

5.  

Wanneer een instelling blootstellingen aan renterisico in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen renterisicopositie afdekt, wordt die renterisicopositie beschouwd als een interne afdekking ter beoordeling van het uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico overeenkomstig de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico aan de hand van de in artikel 325, lid 1, punten a), b) en c), genoemde benaderingen te berekenen, is de positie toegewezen aan een portefeuille die gescheiden is van de andere posities in de handelsportefeuille en waarvan de bedrijfsstrategie uitsluitend bestaat uit het beheren en limiteren van het marktrisico van interne afdekkingen van blootstellingen aan renterisico;

b) 

om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico aan de hand van de in artikel 325, lid 1, punt b), bedoelde benadering te berekenen, is de positie toegewezen aan een tradingafdeling waarvan de bedrijfsstrategie uitsluitend bestaat uit het beheren en limiteren van het marktrisico van interne afdekkingen van blootstellingen aan renterisico;

c) 

de instelling heeft volledig gedocumenteerd hoe de positie het uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico limiteert ten behoeve van de in de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU vastgelegde vereisten.

▼M17

5 bis.  
Voor de toepassing van lid 5, punt a), mag de instelling aan die portefeuille andere renterisicoposities toewijzen die zijn aangegaan met derden of met haar eigen handelsportefeuille, mits de instelling het marktrisico van die met haar eigen handelsportefeuille aangegane renterisicoposities volkomen compenseert door met derden tegengestelde renterisicoposities aan te gaan.
5 ter.  

De volgende vereisten zijn van toepassing op de in lid 5, punt b), van dit artikel bedoelde tradingafdeling:

a) 

die tradingafdeling mag met derden of met andere tradingafdelingen van de instelling andere renterisicoposities aangaan, mits die posities voldoen aan de in artikel 104 genoemde vereisten voor opname in de handelsportefeuille en mits die andere tradingafdelingen het marktrisico van die andere renterisicoposities volkomen compenseren door tegengestelde renterisicoposities aan te gaan met derden;

b) 

alleen in punt a) van dit lid bedoelde posities in de handelsportefeuille worden aan die tradingafdeling toegewezen;

c) 

in afwijking van artikel 104 ter is die tradingafdeling niet aan de vereisten van de leden 1, 2 en 3 van dat artikel onderworpen.

▼M17

6.  
De eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van alle posities die zijn toegewezen aan de in lid 5, punt a), bedoelde gescheiden portefeuille of aan de in punt b) van dat lid bedoelde tradingafdeling, worden afzonderlijk berekend en vormen een aanvulling op de eigenvermogensvereisten voor de andere handelsportefeuilleposities.
7.  

Wanneer een instelling een blootstelling aan het risico van aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation adjustment — CVA) afdekt met een met haar handelsportefeuille aangegaan derivaat, wordt dat derivaat ten behoeve van de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico volgens de benadering van artikel 383 of 384 in aanmerking genomen als een interne afdekking voor de blootstelling aan het CVA-risico indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de derivatenpositie wordt in aanmerking genomen als een overeenkomstig artikel 386 toelaatbare afdekking;

b) 

wanneer voor de derivatenpositie vereisten van artikel 325 quater, lid 2, punt b) of c), of van artikel 325 sexies, lid 1, punt c), gelden, compenseert de instelling het marktrisico van die derivatenpositie volkomen door met derden tegengestelde posities aan te gaan.

De tegengestelde positie in de handelsportefeuille van de overeenkomstig de eerste alinea opgenomen interne afdekking wordt voor het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de handelsportefeuille opgenomen.

▼B

TITEL II

KAPITAALVEREISTEN VOOR KREDIETRISICO

HOOFDSTUK 1

Algemene beginselen

Artikel 107

Benaderingen van het kredietrisico

▼M17

1.  
Voor de berekening van hun risicogewogen posten met het oog op de toepassing van artikel 92, lid 4, punten a) en g), volgen de instellingen ofwel de standaardbenadering zoals beschreven in hoofdstuk 2, ofwel — mits de bevoegde autoriteiten daarvoor overeenkomstig artikel 143 toestemming hebben verleend — de interneratingbenadering zoals beschreven in hoofdstuk 3.
2.  

Voor transactieblootstellingen en voor bijdragen aan het wanbetalingsfonds met betrekking tot een centrale tegenpartij passen de instellingen de in hoofdstuk 6, afdeling 9, vervatte behandeling toe om hun risicogewogen posten te berekenen voor de toepassing van artikel 92, lid 4, punten a) en g). Alle andere soorten blootstellingen met betrekking tot een centrale tegenpartij worden door instellingen als volgt behandeld:

a) 

als blootstellingen met betrekking tot een instelling voor andere soorten blootstellingen met betrekking tot een gekwalificeerde centrale tegenpartij;

b) 

als blootstellingen met betrekking tot een onderneming voor andere soorten blootstellingen met betrekking tot een niet-gekwalificeerde centrale tegenpartij.

3.  
Voor de toepassing van deze verordening worden blootstellingen met betrekking tot beleggingsondernemingen uit een derde land, kredietinstellingen uit een derde land en effectenbeurzen uit een derde land, alsmede blootstellingen met betrekking tot financiële instellingen uit een derde land waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van autoriteiten van derde landen, en die onderworpen zijn aan prudentiële vereisten die qua robuustheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast, alleen als blootstellingen met betrekking tot een instelling behandeld voor zover het derde land op die entiteit prudentiële en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.

▼B

4.  
Voor de toepassing van lid 3 kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en volgens de in artikel 464, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land toezicht- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast. Bij gebreke van een dergelijk besluit kunnen instellingen tot 1 januari 2015 blootstellingen met betrekking tot de in lid 3 bedoelde entiteiten als blootstellingen met betrekking tot een instelling blijven behandelen mits de relevante bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 als voor deze behandeling in aanmerking komend hadden aangemerkt.

▼M17

Artikel 108

Gebruik van kredietrisicolimiteringstechnieken in het kader van de standaardbenadering en de IRB-benadering voor kredietrisico en verwateringsrisico

1.  
Voor een blootstelling waarop een instelling de standaardbenadering op basis van hoofdstuk 2 of de IRB-benadering op basis van hoofdstuk 3 toepast, maar geen gebruik maakt van eigen LGD-ramingen uit hoofde van artikel 143, kan de instelling overeenkomstig hoofdstuk 4 het effect van volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen bij de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 92, lid 4, punten a) en g), en, in voorkomend geval, de verwachte verliesposten voor de toepassing van de in artikel 36, lid 1, punt d), en in artikel 62, punt d), bedoelde berekening.
2.  
Voor een blootstelling waarop een instelling de IRB-benadering toepast door op grond van artikel 143 haar eigen LGD-ramingen te gebruiken, mag de instelling overeenkomstig hoofdstuk 3 het effect van volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen bij de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 92, lid 4, punten a) en g), en, in voorkomend geval, de verwachte verliesposten voor de toepassing van de in artikel 36, lid 1, punt d), en artikel 62, punt d), bedoelde berekening.
3.  
Wanneer een instelling de IRB-benadering toepast door uit hoofde van artikel 143 haar eigen LGD-ramingen te gebruiken voor zowel de oorspronkelijke blootstelling als vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, mag de instelling overeenkomstig hoofdstuk 3 het effect van niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen bij de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 92, lid 4, punten a) en g), en, in voorkomend geval, de verwachte verliesposten voor de toepassing van de in artikel 36, lid 1, punt d), en artikel 62, punt d), bedoelde berekening. In alle overige gevallen mag de instelling, voor die doeleinden, overeenkomstig hoofdstuk 4 het effect van niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen bij de berekening van de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten.
4.  

Met inachtneming van de voorwaarden van lid 5, mogen instellingen leningen aan natuurlijke personen beschouwen als een door een hypotheek op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling — in plaats van te worden behandeld als gegarandeerde blootstellingen — voor de toepassing van titel II, hoofdstukken 2, 3 en 4, naargelang het geval, indien in een lidstaat de volgende voorwaarden voor die leningen zijn vervuld:

a) 

het merendeel van de leningen aan natuurlijke personen voor de aankoop van niet-zakelijk onroerend goed in die lidstaat wordt niet verstrekt in de juridische vorm van een hypothecaire lening;

b) 

het merendeel van de leningen aan natuurlijke personen voor de aankoop van niet-zakelijk onroerend goed in die lidstaat wordt door een protectiegever gegarandeerd met een door een aangewezen EKBI afgegeven kredietbeoordeling die overeenstemt met kredietkwaliteitscategorie 1 of 2, die vereist is om de instelling volledig terug te betalen bij wanbetaling van de oorspronkelijke kredietnemer;

c) 

de instelling heeft juridisch het recht een hypotheek te vestigen op het niet-zakelijk onroerend goed ingeval de in punt b) bedoelde protectiegever zich niet houdt of niet langer in staat is zich te houden aan zijn verplichtingen uit hoofde van de gegeven garantie.

De bevoegde autoriteiten informeren de EBA wanneer de in de eerste alinea en de punten a), b) en c), van dit lid uiteengezette voorwaarden zijn vervuld op het nationale grondgebied van hun rechtsgebied en verschaffen de namen van voor die behandeling in aanmerking komende protectiegevers die aan de voorwaarden van dit lid en van lid 5 voldoen.

De EBA maakt de lijst van al die in aanmerking komende protectiegevers op haar website bekend en actualiseert die lijst jaarlijks.

5.  

Voor de toepassing van lid 4 mogen de in dat lid bedoelde leningen worden behandeld als door een hypotheek op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen — in plaats van te worden behandeld als gegarandeerde blootstellingen — indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

voor een blootstelling die volgens de standaardbenadering wordt behandeld, voldoet de blootstelling aan alle vereisten om te worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van de artikelen 124 en 125 „Blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed” uit de standaardbenadering, met dien verstande dat de instelling die de lening verstrekt, geen hypotheek op het niet-zakelijk onroerend goed heeft;

b) 

voor een blootstelling die volgens de IRB-benadering wordt behandeld, voldoet de blootstelling aan alle vereisten om te worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 147, lid 2, punt d), ii), „Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed” uit de interneratingbenadering, met dien verstande dat de instelling die de lening verstrekt, geen hypotheek op het niet-zakelijk onroerend goed heeft;

c) 

op het niet-zakelijk onroerend goed zijn bij de toekenning van de lening geen hypothecaire pandrechten gevestigd en voor leningen die worden toegekend na 1 januari 2014 mag de kredietnemer contractueel geen hypothecaire pandrechten vestigen zonder de toestemming van de instelling die de lening oorspronkelijk heeft toegekend;

d) 

de protectiegever is een toelaatbare protectiegever in de zin van artikel 201 en heeft een door een aangewezen EKBI afgegeven kredietbeoordeling die overeenstemt met kredietkwaliteitscategorie 1 of 2;

e) 

de protectiegever is een instelling of een entiteit uit de financiële sector waarvoor eigenvermogensvereisten gelden die vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn op instellingen of verzekeringsondernemingen;

f) 

de protectiegever heeft voorzien in een volledig gefinancierd onderling garantiefonds of een vergelijkbare bescherming voor verzekeringsondernemingen om verliezen door kredietrisico op te vangen, waarvan de kalibratie regelmatig door de bevoegde autoriteiten wordt getoetst en die regelmatig, ten minste om de twee jaar, aan stresstests wordt onderworpen;

g) 

de instelling heeft contractueel en juridisch het recht een hypotheek te vestigen op het niet-zakelijk onroerend goed ingeval de protectiegever zich niet houdt of niet langer in staat is zich te houden aan zijn verplichtingen uit hoofde van de gegeven garantie.

6.  
Instellingen die de optie van lid 4 gebruiken voor een bepaalde toelaatbare protectiegever op grond van het in dat lid bedoelde mechanisme, doen dit voor al hun blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die uit hoofde van dat mechanisme door die protectiegever worden gegarandeerd.

▼M5

Artikel 109

Behandeling van securitisatieposities

De instellingen berekenen de risicogewogen post van een positie in een securitisatie overeenkomstig hoofdstuk 5.

▼B

Artikel 110

Behandeling van kredietrisicoaanpassing

1.  
Instellingen die de standaardbenadering toepassen, behandelen algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 62, onder c).
2.  
Instellingen die de interneratingbenadering toepassen, behandelen algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 159, artikel 62, punt d), en artikel 36, lid 1, punt d).

Voor de toepassing van dit artikel en de hoofdstukken 2 en 3 vallen fondsen voor algemene bankrisico's buiten de algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen.

3.  

Instellingen die de interneratingbenadering volgen en de standaardbenadering toepassen voor een deel van hun blootstellingen op geconsolideerde of individuele basis, bepalen overeenkomstig de artikelen 148 en 150 het deel van de algemene kredietrisicoaanpassing dat wordt toegewezen aan de behandeling van de algemene kredietrisicoaanpassing op basis van de standaardbenadering en aan de behandeling van de algemene kredietrisicoaanpassing op basis van de interneratingbenadering en gaan daarbij als volgt te werk:

a) 

in voorkomend geval, wanneer een instelling die in de consolidatie is betrokken, uitsluitend de interneratingbenadering toepast, worden de algemene kredietrisicoaanpassingen van deze instelling toegewezen aan de in lid 2 vermelde behandeling;

b) 

in voorkomend geval, wanneer een instelling die in de consolidatie is betrokken, uitsluitend de standaardbenadering toepast, wordt de algemene kredietrisicoaanpassing van deze instelling toegewezen aan de in lid 1 vermelde behandeling;

c) 

de rest van de kredietrisicoaanpassing wordt op pro-ratabasis toegewezen naar gelang van de verhouding risicogewogen posten die respectievelijk aan de standaardbenadering en aan de interneratingbenadering onderworpen zijn.

4.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de berekening van specifieke kredietrisicoaanpassingen en algemene kredietrisicoaanpassingen op basis van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving voor het volgende:

a) 

de blootstellingswaarde op basis van de standaardbenadering bedoeld in artikel 111;

b) 

de blootstellingswaarde op basis van de interneratingbenadering als bedoeld in de artikelen 166 tot en met 168;

c) 

de behandeling van de in artikel 159 bedoelde verwachte verliesposten;

d) 

de blootstellingswaarde voor de berekening van de risicogewogen posten voor de in de artikelen 246 en 266 bedoelde securitisatiepositie;

e) 

de vaststelling van wanbetaling overeenkomstig artikel 178;

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Artikel 110 bis

Monitoring van contractuele regelingen niet zijnde kredietlijnen

Instellingen monitoren contractuele regelingen die aan alle in artikel 5, punt 10, a) tot en met e), uiteengezette voorwaarden voldoen, en documenteren ten genoegen van hun bevoegde autoriteiten hun inachtneming van al die voorwaarden.

▼B

HOOFDSTUK 2

Standaardbenadering

Afdeling 1

Algemene beginselen

▼M17

Artikel 111

Blootstellingswaarde

1.  
De blootstellingswaarde van een activumpost bestaat uit de boekwaarde ervan die overblijft na toepassing van specifieke kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 110, aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig artikel 34 met betrekking tot de activiteiten in de niet-handelsportefeuille van de instelling, overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen, en andere eigenvermogensverlagingen in samenhang met de activumpost.
2.  

De blootstellingswaarde van een in bijlage I vermelde post buiten de balanstelling is het volgende percentage van de nominale waarde ervan na aftrek van specifieke kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 110 en overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen:

a) 

100 % voor posten in subklasse 1;

b) 

50 % voor posten in subklasse 2;

c) 

40 % voor posten in subklasse 3;

d) 

20 % voor posten in subklasse 4;

e) 

10 % voor posten in subklasse 5.

3.  

De blootstellingswaarde van een kredietlijn ten aanzien van een in lid 2 van dit artikel bedoelde post buiten de balanstelling is het laagste van de volgende percentages van de nominale waarde van de kredietlijn na aftrek van specifieke kredietrisicoaanpassingen en overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen:

a) 

het in lid 2 van dit artikel bedoelde percentage dat van toepassing is op de post ten aanzien waarvan de kredietlijn geldt;

b) 

het in lid 2 van dit artikel bedoelde percentage dat van toepassing is op het soort kredietlijn.

4.  
Door een instelling aangeboden, maar door de cliënt nog niet geaccepteerde contractuele regelingen die kredietlijnen zouden worden indien deze door de cliënt zouden worden geaccepteerd, worden behandeld als kredietlijnen en het toepasselijke percentage is het percentage dat overeenkomstig lid 2 is bepaald.

Voor contractuele regelingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, punt 10), a) tot en met e), is het toepasselijke percentage 0 %.

5.  
Indien een instelling van de in artikel 223 bedoelde uitgebreide benadering van financiële zekerheden (financial collateral comprehensive method) gebruikmaakt, wordt de blootstellingswaarde van effecten of grondstoffen die in het kader van een effectenfinancieringstransactie worden verkocht, gedeponeerd of uitgeleend, verhoogd met de volatiliteitsaanpassing die op die effecten of grondstoffen is afgestemd overeenkomstig de artikelen 223 en 224.
6.  
De blootstellingswaarde van een in bijlage II vermeld derivaat wordt overeenkomstig hoofdstuk 6 bepaald, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten van schuldvernieuwingsovereenkomsten en andere verrekeningsovereenkomsten als gespecificeerd in dat hoofdstuk. De blootstellingswaarde van effectenfinancieringstransacties en transacties met afwikkeling op lange termijn kan worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk 4 of 6.
7.  
Indien een blootstelling door volgestorte kredietprotectie wordt gegarandeerd, kan de blootstellingswaarde van die post op basis van hoofdstuk 4 worden gewijzigd.
8.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:

a) 

de criteria die instellingen moeten hanteren om posten buiten de balanstelling — met uitzondering van de reeds in bijlage I opgenomen posten — toe te wijzen aan de in bijlage I genoemde categorieën 1 tot en met 5;

b) 

de factoren die de mogelijkheden van instellingen kunnen beperken om de in bijlage I bedoelde onvoorwaardelijk opzegbare kredietlijnen op te zeggen;

c) 

de procedure om de EBA kennis te geven van de indeling door instellingen van andere posten buiten de balanstelling met een risico dat vergelijkbaar is met dat van de in bijlage I bedoelde posten.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 112

Categorieën blootstellingen

Elke blootstelling wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

a) 

blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken;

b) 

blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden;

c) 

blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen;

d) 

blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken;

e) 

blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties;

f) 

blootstellingen met betrekking tot instellingen;

g) 

blootstellingen met betrekking tot ondernemingen;

h) 

blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen;

▼M17

i) 

blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed en ADC-blootstellingen;

▼B

j) 

blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling;

▼M17

k) 

blootstellingen met betrekking tot achtergestelde schulden;

▼B

l) 

blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties;

m) 

posten die securitisatieposities vertegenwoordigen;

n) 

blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn;

o) 

blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb's);

p) 

blootstellingen in aandelen;

q) 

overige posten.

Artikel 113

Berekening van risicogewogen posten

▼M17

1.  
Voor de berekening van de risicogewogen posten worden risicogewichten toegepast op alle blootstellingen, tenzij die blootstellingen worden afgetrokken van het eigen vermogen of onder de behandeling vallen van artikel 72 sexies, lid 5, eerste alinea, overeenkomstig het bepaalde in afdeling 2 van deze verordening. De toegepaste risicogewichten hangen af van de categorie waarin de blootstelling is ondergebracht, en, in de mate als bepaald in afdeling 2, van de kredietkwaliteit ervan. Voor de bepaling van de kredietkwaliteit mogen de kredietbeoordelingen van EKBI’s of de kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen overeenkomstig afdeling 3 worden gebruikt. Met uitzondering van de blootstellingen die zijn ondergebracht in de in artikel 112, punten a), b), c) en e), van deze verordening uiteengezette blootstellingscategorieën, indien de beoordeling overeenkomstig artikel 79, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU, hogere risicokenmerken oplevert dan die welke blijken uit de kredietkwaliteitscategorie waaraan de blootstelling zou worden toegewezen op basis van de toepasselijke kredietbeoordeling van de aangewezen EKBI of exportkredietverzekeringsmaatschappij, wijst de instelling een risicogewicht toe dat ten minste één kredietkwaliteitscategorie hoger is dan het risicogewicht volgens de kredietbeoordeling van de aangewezen EKBI of exportkredietverzekeringsmaatschappij.

▼B

2.  
Voor de toepassing van een risicogewicht als bedoeld in lid 1, wordt de blootstellingswaarde vermenigvuldigd met het risicogewicht dat op basis van afdeling 2 is voorgeschreven of vastgesteld.

▼M17

3.  
Indien een blootstelling door kredietprotectie wordt gegarandeerd, kan de blootstellingswaarde of het op die blootstelling toepasselijke risicogewicht, naargelang het geval, overeenkomstig dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 worden gewijzigd.

▼B

4.  
Bij gesecuritiseerde blootstellingen worden de risicogewogen posten berekend op basis van hoofdstuk 5.

▼M17

5.  
Aan de blootstellingswaarde van posten waarvoor in het kader van dit hoofdstuk geen risicogewicht is bepaald, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

▼B

6.  

►M17  Met uitzondering van blootstellingen die aanleiding geven tot tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen, kan een instelling, met de voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, besluiten de vereisten van lid 1 van dit artikel niet toe te passen op de blootstellingen van die instelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, haar dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, dan wel een onderneming die aan de instelling verbonden is door een band als bedoeld in artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU. De bevoegde autoriteiten worden gemachtigd om goedkeuring te verlenen mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: ◄

▼M17

a) 

de tegenpartij is een instelling of een financiële instelling die onderworpen is aan passende prudentiële vereisten;

▼B

b) 

de tegenpartij en de instelling zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie;

c) 

de tegenpartij is onderworpen aan dezelfde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures als de instelling;

d) 

de tegenpartij is gevestigd in dezelfde lidstaat als de instelling;

e) 

er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de tegenpartij aan de instelling kan verhinderen.

Indien het de instelling overeenkomstig dit lid is toegestaan de vereisten van lid 1 niet toe te passen, kan zij een risicogewicht van 0 % toekennen.

7.  

Met uitzondering van blootstellingen die aanleiding geven tot tier 1-kernkapitaal-, aanvullend tier 1- of tier 2-bestanddelen, kunnen de instellingen, met de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten, besluiten de vereisten van lid 1 van dit artikel niet toe te passen op de blootstellingen met betrekking tot tegenpartijen die aangesloten zijn bij hetzelfde institutioneel protectiestelsel, namelijk een contractuele of wettelijke aansprakelijkheidsregeling waardoor de instellingen beschermd worden en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden om faillissement te voorkomen. De bevoegde autoriteiten worden gemachtigd toestemming te verlenen voor een dergelijke alternatieve methode mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

er wordt voldaan aan de vereisten van lid 6, punten a), d) en e);

b) 

door de regelingen wordt gewaarborgd dat het institutioneel protectiestelsel in staat is uit fondsen waarover het vrijelijk kan beschikken, de steun te verlenen die noodzakelijk is in het kader van zijn verbintenis;

c) 

het institutioneel protectiestelsel beschikt over geschikte en in uniforme regels voorgeschreven systemen voor het toezicht op en de classificatie van risico's, die een compleet overzicht bieden van de risicosituaties van de individuele leden en van het institutioneel protectiestelsel als geheel, met dienovereenkomstige mogelijkheden tot ingrijpen; met behulp van deze systemen worden overeenkomstig artikel 178, lid 1, blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, op passende wijze bewaakt;

d) 

het institutioneel protectiestelsel voert zijn eigen risico-onderzoek uit waarvan de resultaten aan de individuele leden worden medegedeeld;

e) 

het institutioneel protectiestelsel formuleert en publiceert eenmaal per jaar een geconsolideerd verslag met de balans, de resultatenrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel, dan wel een verslag met de geaggregeerde balans, de geaggregeerde resultatenrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel;

f) 

indien de leden van het institutioneel protectiestelsel voornemens zijn het institutioneel protectiestelsel te beëindigen, moeten zij dit ten minste 24 maanden van tevoren kenbaar maken;

g) 

het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen (hierna "multiple gearing" genoemd), alsook het op enigerlei wijze ongepast creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel, wordt afgeschaft;

h) 

het institutioneel protectiestelsel is gebaseerd op breed lidmaatschap van kredietinstellingen met een voornamelijk homogeen bedrijfsprofiel; en

i) 

de toereikendheid van de onder c) en d) bedoelde systemen wordt goedgekeurd en regelmatig gecontroleerd door de ter zake bevoegde autoriteiten.

Indien de instelling overeenkomstig dit lid besluit de vereisten van lid 1 niet toe te passen, kan zij een risicogewicht van 0 % toepassen.

Afdeling 2

Risicogewichten

Artikel 114

Blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken

1.  
Aan blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken wordt een risicogewicht van 100 % toegekend, tenzij de in de leden 2 tot en met 7 vermelde behandelingen van toepassing zijn.
2.  

Aan blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) beschikbaar is, wordt conform tabel 1 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

0  %

20  %

50  %

100  %

100  %

150  %

3.  
Aan blootstellingen met betrekking tot de ECB wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.
4.  
Aan blootstellingen met betrekking tot de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten die luiden in de nationale valuta en die gefinancierd zijn in de nationale valuta van die centrale overheid en centrale bank, wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

▼C2

▼M11 —————

▼B

7.  
Indien de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en reguleringsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Unie worden toegepast, aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde blootstellingen met betrekking tot hun centrale overheid en centrale bank een lager risicogewicht toekennen dan in de leden 1 en 2 is vermeld, kunnen de instellingen het risicogewicht van dergelijke blootstellingen op dezelfde wijze vaststellen.

Voor de toepassing van dit lid kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid of de centrale bank van het derde land op de in dit lid beschreven wijze blijven behandelen indien de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 hadden aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling.

Artikel 115

Blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden

▼M17

-1.  

Aan blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt overeenkomstig tabel 1 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

50 %

100 %

100 %

150 %

▼M17

1.  

Aan blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht toegekend overeenkomstig de kredietkwaliteitscategorie waarin blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid van het rechtsgebied waar de regionale of lokale overheden gevestigd zijn, overeenkomstig tabel 2 zijn ondergebracht.



Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

100 %

100 %

150 %

Aan de in de eerste alinea bedoelde blootstellingen wordt een risicogewicht van 100 % toegekend indien de centrale overheid van het rechtsgebied waar de regionale of lokale overheid gevestigd is, geen rating heeft.

▼B

2.  
►M17  In afwijking van de leden - 1 en 1 worden blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid van het rechtsgebied waar zij gevestigd zijn indien er tussen die blootstellingen geen verschil in risico bestaat vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale en lokale overheden om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels waardoor de kans dat genoemde overheden in gebreke blijven, wordt verminderd. ◄

De EBA onderhoudt een voor het publiek toegankelijke gegevensbank van alle lokale en regionale overheden in de Unie die door de betrokken bevoegde autoriteiten worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot hun centrale overheden.

▼M17

3.  
Blootstellingen met betrekking tot kerken of godsdienstige gemeenschappen die een rechtspersoon van publiek recht zijn, worden, voor zover die instellingen belastingen heffen overeenkomstig rechtshandelingen die hen daartoe het recht verlenen, behandeld als blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden. In dat geval is lid 2 niet van toepassing.

▼B

4.  
►M17  In afwijking van de leden - 1 en 1 mogen instellingen, indien de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezichts- en reguleringsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie wordt toegepast, blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden behandelen als blootstellingen met betrekking tot hun centrale overheid en er geen verschil in risico bestaat tussen dergelijke blootstellingen vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale of lokale overheden om inkomsten te verwerven en het bestaan van specifieke institutionele regels om de kans op in gebreke blijven te verminderen, het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot de betrokken regionale en lokale overheden op dezelfde wijze vaststellen. ◄

Voor de toepassing van dit lid kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 de in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen indien de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 hadden aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling.

▼M17

5.  
In afwijking van de leden - 1 en 1 wordt aan andere dan de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden van de lidstaten die luiden en gefinancierd zijn in de nationale valuta van die regionale of lokale overheid, een risicogewicht van 20 % toegekend.

▼B

Artikel 116

Blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen

1.  

Aan blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht toegekend op basis van de kredietkwaliteitscategorie waarin de blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid in het rechtsgebied waarvan het publiekrechtelijke lichaam zijn statutaire zetel heeft, overeenkomstig de onderstaande tabel 2 zijn ondergebracht.



Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie waarin de centrale overheid is ondergebracht

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20  %

50  %

100  %

100  %

100  %

150  %

Het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen die hun statutaire zetel hebben in landen waarvan de centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt 100 %.

▼M17

2.  
Blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, worden behandeld overeenkomstig artikel 115, lid - 1.

▼B

3.  
Aan blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen met een oorspronkelijke looptijd van drie maanden of minder wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.
4.  
In uitzonderlijke omstandigheden kunnen blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid, de regionale overheid of de lokale overheid in het rechtsgebied waarvan zij gevestigd zijn, indien er, naar de mening van de bevoegde autoriteiten van dat rechtsgebied, tussen die blootstellingen geen verschil in risico bestaat wegens het bestaan van een passende garantie van de centrale overheid, de regionale overheid of de lokale overheid.

▼M17

De EBA houdt een openbaar toegankelijke databank bij met alle in de eerste alinea bedoelde entiteiten uit de publieke sector in de Unie.

▼B

5.  
Indien de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast, blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen behandelen overeenkomstig lid 1 of lid 2, kunnen de instellingen het risicogewicht van de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze vaststellen. Anders passen de instellingen een risicogewicht van 100 % toe.

Voor de toepassing van dit lid kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 de in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen indien de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 hadden aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling.

Artikel 117

Blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken

▼M17

1.  

Aan blootstellingen met betrekking tot andere dan de in lid 2 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht toegekend overeenkomstig tabel 1. Aan blootstellingen met betrekking tot andere dan de in lid 2 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht van 50 % toegekend.



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

30 %

50 %

100 %

100 %

150 %

▼B

De Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij, de Zwarte Zee-Handels- en ontwikkelingsbank, de Midden-Amerikaanse Bank voor economische integratie en de CAF-Ontwikkelingsbank van Latijns-Amerika worden als een multilaterale ontwikkelingsbank aangemerkt.

2.  

Aan blootstellingen met betrekking tot de volgende multilaterale ontwikkelingsbanken wordt een risicogewicht van 0 % toegekend:

a) 

de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling;

b) 

de Internationale Financieringsmaatschappij;

c) 

de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank;

d) 

de Aziatische Ontwikkelingsbank;

e) 

de Afrikaanse Ontwikkelingsbank;

f) 

de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa;

g) 

de Nordic Investment Bank;

h) 

de Caraïbische Ontwikkelingsbank;

i) 

de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling;

j) 

de Europese Investeringsbank;

k) 

het Europees Investeringsfonds;

l) 

het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties;

m) 

de Internationale Financieringsfaciliteit voor Inenting;

n) 

de Islamitische Ontwikkelingsbank;

▼M8

o) 

de Internationale Ontwikkelingsassociatie;

p) 

de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur.

De Commissie is bevoegd om deze verordening te wijzigen door overeenkomstig artikel 462 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van multilaterale ontwikkelingsbanken in de eerste alinea in overeenstemming met de internationale normen.

▼B

3.  
Aan het niet-gestorte gedeelte van het geplaatst kapitaal van het Europees Investeringsfonds wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.

Artikel 118

Blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties

Aan blootstellingen met betrekking tot de volgende internationale organisaties wordt een risicogewicht van 0 % toegekend:

▼M8

a) 

de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

▼B

b) 

het Internationaal Monetair Fonds;

c) 

de Bank voor Internationale Betalingen;

d) 

de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit;

e) 

het Europees stabiliteitsmechanisme;

f) 

een internationale financiële instelling die door twee of meer lidstaten is opgericht, die als doel heeft middelen bijeen te brengen en financiële bijstand te verlenen ten behoeve van leden die ernstige financieringsproblemen ondervinden of daardoor bedreigd worden.

Artikel 119

Blootstellingen met betrekking tot instellingen

1.  
Op blootstellingen met betrekking tot instellingen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht op basis van artikel 120 toegepast. Op blootstellingen met betrekking tot instellingen waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht op basis van artikel 121 toegepast.

▼M17 —————

▼B

4.  

Aan een blootstelling met betrekking tot een instelling die de vorm heeft van door de ECB of door de centrale bank van een lidstaat voorgeschreven, door de instelling aan te houden minimumreserves, kan het risicogewicht worden toegekend dat zou worden toegekend aan blootstellingen met betrekking tot de centrale bank van de betrokken lidstaat, mits:

a) 

de reserves worden aangehouden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen ( 31 ), of overeenkomstig nationale vereisten die in alle wezenlijke opzichten gelijkwaardig zijn aan de vereisten van die verordening;

b) 

de reserves in geval van faillissement of insolventie van de instelling waar ze worden aangehouden tijdig en volledig aan de instelling worden terugbetaald, en niet beschikbaar zijn om aan andere verplichtingen van de instelling te voldoen.

▼M9

5.  

Blootstellingen met betrekking tot financiële instellingen waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteiten, en die onderworpen zijn aan prudentiële vereisten die qua degelijkheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot instellingen.

Voor de toepassing van dit lid worden de in Verordening (EU) 2019/2033 vastgestelde prudentiële vereisten geacht qua degelijkheid vergelijkbaar te zijn met die welke op instellingen worden toegepast.

▼B

Artikel 120

Blootstellingen met betrekking tot instellingen met een rating

▼M17

1.  

Aan blootstellingen met betrekking tot instellingen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt overeenkomstig tabel 1 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

30 %

50 %

100 %

100 %

150 %

2.  

Aan blootstellingen met betrekking tot instellingen met een oorspronkelijke looptijd van drie maanden of minder waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, en aan door de beweging van goederen over nationale grenzen ontstane blootstellingen met een oorspronkelijke looptijd van zes maanden of minder en waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt overeenkomstig tabel 2 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.



Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

20 %

20 %

50 %

50 %

150 %

▼B

3.  

De interactie tussen de behandeling van kredietbeoordelingen voor de korte termijn op basis van artikel 131 en de in lid 2 beschreven algemene preferentiële behandeling voor kortlopende blootstellingen verloopt als volgt:

a) 

indien er voor de blootstelling geen kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat, dan is de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen van toepassing op alle blootstellingen met betrekking tot instellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden;

b) 

indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat gunstiger is dan of gelijk aan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen, dan wordt uitsluitend voor die specifieke blootstelling van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt; voor andere kortlopende blootstellingen wordt de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling toegepast;

c) 

indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat minder gunstig is dan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen, dan wordt geen gebruik gemaakt van de algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen en wordt aan alle kortlopende blootstellingen zonder externe rating hetzelfde risicogewicht toegekend als het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de desbetreffende kredietbeoordeling voor de korte termijn.

▼M17

Artikel 121

Blootstellingen met betrekking tot instellingen zonder rating

1.  

Blootstellingen met betrekking tot instellingen waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, worden in een van de volgende klassen ondergebracht:

a) 

indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan, worden blootstellingen met betrekking tot instellingen ondergebracht in klasse A:

i) 

de instelling beschikt over afdoende capaciteit om tijdig aan haar financiële verplichtingen, met inbegrip van terugbetalingen van hoofdsom en rente, te voldoen voor de verwachte levensduur van de activa of blootstellingen en ongeacht conjunctuurcycli en zakelijke omstandigheden;

ii) 

de instelling voldoet aan of overtreft het in artikel 92, lid 1, van deze verordening vastgelegde vereiste, rekening houdend met, in voorkomend geval, artikel 458, lid 2, punt d), i) en vi), en artikel 459, punt a), van deze verordening, de in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten, het gecombineerde buffervereiste zoals gedefinieerd in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU of, in voorkomend geval, gelijkwaardige en aanvullende lokale toezichts- of regelgevingsvereisten in derde landen, voor zover die vereisten zijn bekendgemaakt en daaraan met tier 1-kernkapitaal, tier 1-kapitaal of eigen vermogen moet worden voldaan;

iii) 

er wordt informatie openbaar gemaakt of anderszins aan de leningverstrekkende instelling beschikbaar gesteld over of de instelling aan de in punt ii), van dit punt bedoelde vereisten heeft voldaan of deze heeft overtroffen;

iv) 

uit de beoordeling die de leningverstrekkende instelling overeenkomstig artikel 79 van Richtlijn 2013/36/EU heeft uitgevoerd, is niet gebleken dat de instelling niet aan de voorwaarden van de punten i) en ii) van dit punt voldoet;

b) 

indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan en ten minste één van de voorwaarden in punt a) van dit lid niet is vervuld, worden blootstellingen met betrekking tot instellingen ondergebracht in klasse B:

i) 

de instelling is onderhevig aan substantieel kredietrisico, met inbegrip van terugbetalingscapaciteiten die afhankelijk zijn van stabiele of gunstige economische of zakelijke omstandigheden;

ii) 

de instelling voldoet aan of overtreft het in artikel 92, lid 1, van deze verordening vastgelegde vereiste, rekening houdend met, in voorkomend geval, artikel 458, lid 2, punt d), i), en artikel 459, punt a), van deze verordening, de in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten of, in voorkomend geval, gelijkwaardige en aanvullende lokale toezichts- of regelgevingsvereisten in derde landen, voor zover die vereisten zijn bekendgemaakt en daaraan met tier 1-kernkapitaal, tier 1-kapitaal of eigen vermogen moet worden voldaan;

iii) 

er wordt informatie openbaar gemaakt of anderszins aan de leningverstrekkende instelling beschikbaar gesteld over of de instelling aan de in punt ii), van dit punt bedoelde vereisten heeft voldaan of deze heeft overtroffen;

iv) 

uit de beoordeling die de leningverstrekkende instelling overeenkomstig artikel 79 van Richtlijn 2013/36/EU heeft uitgevoerd, is niet gebleken dat de instelling niet aan de voorwaarden van de punten i) en ii) van dit punt voldoet;

c) 

indien blootstellingen met betrekking tot instellingen niet worden ondergebracht in klasse A of klasse B, of indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan, worden blootstellingen met betrekking tot instellingen ondergebracht in klasse C:

i) 

de instelling heeft materiële wanbetalingsrisico’s en beperkte veiligheidsmarges;

ii) 

het is zeer waarschijnlijk dat ongunstige zakelijke, financiële of economische voorwaarden leiden of hebben geleid tot de onmogelijkheid voor de instelling om haar financiële verplichtingen na te komen;

iii) 

indien gecontroleerde financiële overzichten bij wet voor de instelling verplicht zijn, de externe accountant heeft een afkeurende controleverklaring afgegeven of heeft in de twaalf voorgaande maanden substantiële twijfel geformuleerd over de mogelijkheden van de instelling om in going concern door te gaan in zijn gecontroleerde financiële verklaringen of gecontroleerde verslagen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), ii), van dit lid omvatten gelijkwaardige lokale toezichts- en regelgevingsvereisten geen kapitaalbuffers die gelijkwaardig zijn aan die welke in artikel 128 van Richtlijn 2013/36/EU worden gedefinieerd.

2.  
Voor blootstellingen met betrekking tot financiële instellingen die overeenkomstig artikel 119, lid 5, als blootstellingen met betrekking tot instellingen worden behandeld, beoordelen de instellingen, om te vast te stellen of die financiële instellingen voldoen aan de voorwaarden van lid 1, punt a), ii), en punt b), ii), van dit artikel, of die financiële instellingen aan vergelijkbare prudentiële vereisten voldoen of deze overschrijden.
3.  

Aan blootstellingen die overeenkomstig lid 1 in klasse A, B of C zijn ondergebracht, wordt als volgt een risicogewicht toegekend:

a) 

in klasse A, B of C ondergebrachte blootstellingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen, krijgen een risicogewicht voor kortlopende blootstellingen toegekend overeenkomstig tabel 1:

i) 

de blootstelling heeft een oorspronkelijke looptijd van drie maanden of minder;

ii) 

de blootstelling heeft een oorspronkelijke looptijd van zes maanden of minder en ontstaat door de beweging van goederen over nationale grenzen;

b) 

in klasse A ondergebrachte blootstellingen niet zijnde kortlopende blootstellingen krijgen een risicogewicht van 30 % toegekend indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de blootstelling voldoet aan geen van de in punt a) uiteengezette voorwaarden;

ii) 

de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling is gelijk aan of hoger dan 14 %;

iii) 

de hefboomratio van de instelling is gelijk aan of groter dan 5 %;

c) 

in klasse A, B of C ondergebrachte blootstellingen die niet aan de in punt a) of b) uiteengezette voorwaarden voldoen, krijgen een risicogewicht toegekend overeenkomstig tabel 1.

Wanneer een blootstelling met betrekking tot een instelling niet luidt in de nationale valuta van het rechtsgebied waar die instelling haar statutaire zetel heeft, of indien de instelling de kredietverplichting in een bijkantoor in een ander rechtsgebied heeft geboekt en de blootstelling niet luidt in de nationale valuta van het rechtsgebied waar het bijkantoor actief is, is het risicogewicht dat overeenkomstig punt a), b) of c), aan blootstellingen niet zijnde blootstellingen met een looptijd van één jaar of minder die voortvloeien uit zelfliquiderende, handelsgerelateerde voorwaardelijke posten die ontstaan door de beweging van goederen over nationale grenzen, wordt toegekend, niet lager dan het risicogewicht van een blootstelling met betrekking tot de centrale overheid van het land waar de instelling haar statutaire zetel heeft.



Tabel 1

Kredietrisicobeoordeling

Klasse A

Klasse B

Klasse C

Risicogewicht voor kortlopende blootstellingen

20 %

50 %

150 %

Risicogewicht

40 %

75 %

150 %

▼B

Artikel 122

Blootstellingen met betrekking tot ondernemingen

1.  

Aan blootstellingen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 6 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

▼M17



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

75 %

100 %

150 %

150 %

2.  
Aan blootstellingen waarvoor geen kredietbeoordeling beschikbaar is, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

▼M17

Artikel 122 bis

Blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening

1.  

Binnen de in artikel 112, punt g), bedoelde categorie blootstellingen met betrekking tot ondernemingen registreren instellingen blootstellingen die alle volgende kenmerken vertonen, als blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening:

a) 

de blootstelling heeft betrekking op een entiteit die speciaal is opgericht om materiële activa te financieren of te beheren, of vormt een in economisch opzicht daarmee vergelijkbare blootstelling;

b) 

de blootstelling houdt geen verband met de financiering van niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed en valt binnen de definities van blootstellingen met betrekking tot objectfinanciering, projectfinanciering of grondstoffenfinanciering in lid 3;

c) 

de voor de verplichting met betrekking tot de blootstelling geldende contractuele regelingen geven de instelling een substantiële mate van zeggenschap over de activa en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd;

d) 

de belangrijkste bron van terugbetaling van de verplichting ten aanzien van de blootstelling zijn de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer de individuele capaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming.

2.  

Aan blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening waarvoor een direct toepasbare kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht overeenkomstig tabel 1 toegekend.



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

75 %

100 %

150 %

150 %

3.  

Aan blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening waarvoor geen direct toepasbare kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt als volgt een risicogewicht toegekend:

a) 

indien een blootstelling met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening tot doel heeft de verwerving te financieren van materiële activa, met inbegrip van schepen, luchtvaartuigen, satellieten, spoorvoertuigen en voertuigparken, en de door die activa gegenereerde inkomsten de vorm hebben van kasstromen die worden gegenereerd door de specifieke materiële activa die zijn gefinancierd en verpand of toegewezen aan de kredietverlener („blootstellingen met betrekking tot objectfinanciering”), passen instellingen een risicogewicht van 100 % toe;

b) 

indien een blootstelling met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening tot doel heeft kortlopende financiering te verstrekken voor reserves, voorraden of vorderingen van beursverhandelde grondstoffen, met inbegrip van aardolie, metalen of gewassen, en de door die reserves, voorraden of vorderingen te genereren inkomsten de inkomsten uit de verkoop van grondstoffen („blootstellingen met betrekking tot grondstoffenfinanciering”) moeten zijn, passen instellingen een risicogewicht van 100 % toe;

c) 

indien een blootstelling met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening tot doel heeft de financiering van een individueel project, zoals de bouw van een nieuwe kapitaalinstallatie of de herfinanciering van een bestaande installatie, met of zonder verbeteringen, waarbij dat project gericht is op de ontwikkeling of verwerving van grote, complexe en dure installaties, met inbegrip van energiecentrales, chemische procesinstallaties, mijnen, vervoersinfrastructuur, milieu- en telecommunicatie-infrastructuur, en waarbij de leningverstrekkende instelling hoofdzakelijk kijkt naar de door het gefinancierde project gegenereerde inkomsten, zowel als bron voor terugbetaling alsook als zekerheid voor de lening („blootstellingen met betrekking tot projectfinanciering”), passen instellingen de volgende risicogewichten toe:

i) 

130 % indien het project waarmee de blootstelling verband houdt in de pre-operationele fase verkeert;

ii) 

mits de in artikel 501 bis bedoelde aanpassing van eigenvermogensvereisten voor kredietrisico niet wordt toegepast, 80 % indien het project waarmee de blootstelling verband houdt in de operationele fase verkeert en de blootstelling aan alle volgende criteria voldoet:

1) 

de mogelijkheden van de debiteur om activiteiten uit te oefenen die nadelig kunnen zijn voor de kredietverleners zijn contractueel beperkt, en met name kan de uitgifte van nieuwe schuld alleen plaatsvinden indien de bestaande verschaffers van vreemd vermogen daarmee instemmen;

2) 

de debiteur beschikt over voldoende volledig gefinancierde reservemiddelen in contanten of andere financiële regelingen met een entiteit ter dekking van de noodfinanciering en werkkapitaalvereisten gedurende de looptijd van het project dat wordt gefinancierd, mits een erkende EKBI die entiteit een EKBI-rating met een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3 heeft toegekend of, in het geval van instellingen die risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekenen overeenkomstig hoofdstuk 3, indien de entiteit niet over een kredietbeoordeling door een erkende EKBI beschikt, mits de instelling die entiteit een interne kredietbeoordeling heeft toegekend die gelijk is aan een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3, op voorwaarde dat de instelling de entiteit intern beoordeelt overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 6;

3) 

het project waarmee de blootstelling verband houdt, genereert kasstromen die voorspelbaar zijn en alle toekomstige terugbetalingen van de lening dekken;

4) 

indien de inkomsten van de debiteur niet worden gefinancierd uit betalingen van een groot aantal gebruikers, hangt de afbetaling van de verplichting af van één belangrijke tegenpartij en is die belangrijke tegenpartij een van de volgende entiteiten:

— 
een centrale bank, een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale overheid, mits hun overeenkomstig de artikelen 114 en 115 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend, of hun door een erkende EKBI een EKBI-rating wordt toegekend met een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3, of, in het geval van instellingen die risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekenen overeenkomstig hoofdstuk 3, indien de centrale bank, de centrale overheid, de regionale overheid of de lokale overheid niet over een kredietbeoordeling door een erkende EKBI beschikt, kent de instelling hun een interne kredietbeoordeling toe die gelijk is aan een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3, op voorwaarde dat de instelling hen intern beoordeelt overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 6;
— 
een publiekrechtelijk lichaam, mits een erkende EKBI die entiteit een risicogewicht van niet meer dan 20 % heeft toegekend overeenkomstig artikel 116, of een EKBI-rating met een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3 heeft toegekend of, in het geval van instellingen die risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekenen overeenkomstig hoofdstuk 3, indien het publiekrechtelijk lichaam niet over een kredietbeoordeling door een erkende EKBI beschikt, mits de instelling dat publiekrechtelijk lichaam een interne kredietbeoordeling heeft toegekend die gelijk is aan een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3, op voorwaarde dat de instelling dat publiekrechtelijk lichaam intern beoordeelt overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 6;
— 
een bedrijfsentiteit waaraan een erkende EKBI een EKBI-rating met een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3 heeft toegekend of, in het geval van instellingen die risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekenen overeenkomstig hoofdstuk 3, indien de bedrijfsentiteit niet over een kredietbeoordeling door een erkende EKBI beschikt, mits de instelling die bedrijfsentiteit een interne kredietbeoordeling heeft toegekend die gelijk is aan een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3, op voorwaarde dat de instelling die bedrijfsentiteit intern beoordeelt overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 6;
5) 

de voor de blootstelling met betrekking tot de debiteur geldende contractuele bepalingen bieden de leningverstrekkende instelling in het geval van wanbetaling van de debiteur een hoge mate van bescherming;

6) 

de belangrijkste tegenpartij of andere tegenpartijen die op vergelijkbare wijze als de belangrijkste tegenpartij aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, beschermen de leningverstrekkende instelling daadwerkelijk tegen verliezen als gevolg van de stopzetting van het project;

7) 

alle voor de uitvoering van het project vereiste activa en contracten zijn aan de leningverstrekkende instelling verpand voor zover dat door toepasselijk recht is toegestaan;

8) 

de leningverstrekkende instelling kan bij wanbetaling de leiding van de debiteurentiteit in handen nemen;

iii) 

100 % indien het project waarmee de blootstelling verband houdt in de operationele fase verkeert en de blootstelling niet aan de voorwaarden van punt c), ii), voldoet;

d) 

voor de toepassing van punt c), ii), punt 3), worden de gegenereerde kasstromen slechts als voorspelbaar beschouwd indien een substantieel deel van de inkomsten voldoet aan een of meer van de volgende voorwaarden:

i) 

de inkomsten zijn afhankelijk van de beschikbaarheid, wat betekent dat de debiteur, zodra de bouw is voltooid en voor zolang als aan de contractuele voorwaarden wordt voldaan, recht heeft op betalingen van zijn contractuele tegenpartijen die de operationele en de onderhoudskosten, de schuldaflossingskosten en het rendement op eigen vermogen dekken in de periode dat hij het project uitvoert, en die betalingen niet onderhevig zijn aan schommelingen in de vraag, zoals vervoersniveaus, en doorgaans alleen worden aangepast bij tekortschietende prestaties of wanneer het activum in onvoldoende mate voor het publiek beschikbaar is;

ii) 

de inkomsten zijn onderworpen aan regelgeving op het gebied van kapitaalrendement;

iii) 

de inkomsten zijn onderworpen aan een take-or-pay-contract;

e) 

voor de toepassing van punt c) betekent „operationele fase” de fase waarin de entiteit die specifiek voor de financiering van het project is opgericht of die in economisch opzicht vergelijkbaar is, voldoet aan deze beide voorwaarden:

i) 

de entiteit heeft een positieve nettokasstroom die voldoende is om resterende contractverplichtingen te dekken;

ii) 

de entiteit heeft een afnemende langlopende schuld.

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de omstandigheden waarin aan de in lid 3, punt c), ii), genoemde criteria wordt voldaan.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Artikel 123

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

1.  

Blootstellingen die aan alle volgende criteria voldoen, worden als blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen beschouwd:

a) 

de blootstelling heeft betrekking op een of meer natuurlijke personen of op een kmo;

b) 

het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden cliënten verschuldigd is aan de instelling, haar moederondernemingen en haar dochterondernemingen, met inbegrip van blootstellingen in wanbetaling, doch exclusief blootstellingen die tot aan de onroerendgoedwaarde worden gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, is bij weten van de instelling, die redelijke stappen onderneemt om dit inzicht te verwerven, niet hoger dan 1 miljoen EUR;

c) 

de blootstelling maakt deel uit van een groot pakket blootstellingen met ongeveer dezelfde kenmerken, zodat de risico’s die aan die blootstelling zijn verbonden, aanzienlijk worden beperkt;

d) 

de betrokken instelling behandelt de blootstelling binnen haar kader voor risicobeheer en beheert de blootstelling intern als een blootstelling met betrekking tot particulieren en kleine partijen op een wijze die consistent is in de tijd en vergelijkbaar is met de wijze waarop de instelling andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen behandelt.

De actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met leasing aan particulieren en kleine partijen komt voor indeling bij de categorie „blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen” in aanmerking.

▼B

Blootstellingen die niet aan de in de punten a) tot en met c) van de eerste alinea bedoelde criteria voldoen, kunnen niet in de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden ondergebracht.

▼M17

Uiterlijk op 10 juli 2025 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, richtsnoeren uit om te bepalen volgens welke evenredige diversificatiemethoden een blootstelling moet worden beschouwd als deel uitmakend van een groot pakket ongeveer dezelfde blootstellingen als bedoeld in de eerste alinea, punt c), van dit lid.

▼M17

2.  

De volgende blootstellingen worden niet als blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen beschouwd:

a) 

blootstellingen niet zijnde schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of de inkomsten van de uitgevende instelling vormen;

b) 

blootstellingen in de vorm van schulden, en andere effecten, partnerschappen, derivaten of andere vehikels waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de in punt a) bedoelde blootstellingen;

c) 

alle overige blootstellingen in de vorm van effecten.

3.  
Aan de in lid 1 bedoelde blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen wordt een risicogewicht van 75 % toegekend, behalve voor blootstellingen met betrekking tot transactors, waaraan een risicogewicht van 45 % wordt toegekend.
4.  
Indien voor een blootstelling aan één of meerdere natuurlijke personen niet aan alle criteria van lid 1 wordt voldaan, wordt de blootstelling beschouwd als een blootstelling met betrekking tot particulieren en kleine partijen en wordt daaraan een risicogewicht van 100 % toegekend.
5.  

In afwijking van lid 3 wordt aan blootstellingen als gevolg van door een instelling aan gepensioneerden of werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur verstrekte leningen tegen de onvoorwaardelijke overdracht van een deel van het pensioen of het salaris van de kredietnemer aan die kredietinstelling, een risicogewicht van 35 % toegekend, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

voor het terugbetalen van de lening geeft de kredietnemer het pensioenfonds of de werkgever de onvoorwaardelijke toestemming directe betalingen aan de instelling te verrichten, zulks door de maandelijkse afbetalingen van de lening in mindering te brengen op het maandelijkse pensioen of salaris van de kredietnemer;

b) 

de risico’s op sterfte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of vermindering van het nettomaandpensioen of -salaris van de kredietnemer zijn afdoende ondervangen door een verzekeringspolis ten behoeve van de kredietinstelling;

c) 

de door de kredietnemer te verrichten maandelijkse afbetalingen voor alle leningen die aan de voorwaarden van de punten a) en b) voldoen, bedragen gezamenlijk maximaal 20 % van het nettomaandpensioen of -salaris van de kredietnemer;

d) 

de oorspronkelijke maximumlooptijd van de lening bedraagt ten hoogste tien jaar.

Artikel 123 bis

Blootstellingen met een valutamismatch

1.  

Voor blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die zijn ondergebracht in de in artikel 112, punt h), bedoelde blootstellingscategorie of voor blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen die kwalificeren als „door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen” die zijn ondergebracht in de in artikel 112, punt i), bedoelde blootstellingscategorie, wordt het overeenkomstig dit hoofdstuk toegekende risicogewicht vermenigvuldigd met een factor 1,5 , waarbij het verkregen risicogewicht niet hoger is dan 150 % indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de blootstelling luidt in een andere valuta dan die van de inkomstenbron van de debiteur;

b) 

de debiteur beschikt niet over een afdekking voor zijn betalingsrisico als gevolg van de valutamismatch — via hetzij een financieel instrument, hetzij valuta-inkomsten die overeenstemmen met de valuta van de blootstelling —, of het totaal van die voor de kredietnemer beschikbare afdekking bestrijkt minder dan 90 % van elke tranche voor die blootstelling.

Indien een instelling die blootstellingen met een valutamismatch niet kan onderscheiden, is de vermenigvuldigingsfactor van 1,5 voor risicogewicht van toepassing op alle niet-afgedekte blootstellingen waarbij de valuta van de blootstellingen verschilt van de nationale valuta van het land van verblijf van de debiteur.

2.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt met „inkomstenbron” iedere bron bedoeld die kasstromen voor de debiteur genereert, onder meer uit overmakingen, huurinkomsten of salarissen, doch met uitsluiting van opbrengsten uit de verkoop van activa of andere regresvorderingen van de instelling.
3.  
In afwijking van lid 1 is, indien het in lid 1, punt a), bedoelde valutapaar bestaat uit de euro en de valuta van een lidstaat die deelneemt aan de tweede fase van de economische en monetaire unie (ERM II), de vermenigvuldigingsfactor van 1,5 voor risicogewicht niet van toepassing.

▼M17

Artikel 124

Door hypotheken op onroerend goed gedekte blootstellingen

1.  

Een niet-ADC-blootstelling die niet aan alle voorwaarden van lid 3 voldoen, of elk deel van een niet-ADC-blootstelling dat het nominale bedrag van het pandrecht op het onroerend goed overschrijdt, wordt als volgt behandeld:

a) 

op een niet-IPRE-blootstelling wordt een risicogewicht toegepast als bij een blootstelling aan de tegenpartij die niet door het betrokken onroerend goed wordt gedekt;

b) 

aan een IPRE-blootstelling wordt een risicogewicht van 150 % toegekend.

2.  

Een niet-ADC-blootstelling tot maximaal het nominale bedrag van het pandrecht op het onroerend goed wordt, indien aan alle voorwaarden van lid 3 van dit artikel wordt voldaan, als volgt behandeld:

a) 

indien de blootstelling door een niet-zakelijk onroerend goed wordt gedekt,

i) 

een niet-IPRE-blootstelling wordt overeenkomstig artikel 125, lid 1, behandeld;

ii) 

een IPRE-blootstelling wordt overeenkomstig artikel 125, lid 1, behandeld indien de blootstelling aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoet:

1) 

het onroerend goed dat de blootstelling dekt, is de hoofdverblijfplaats van de debiteur, ongeacht of het onroerend goed als geheel één wooneenheid vormt, dan wel of het onroerend goed dat de blootstelling dekt, een wooneenheid is die een afgescheiden deel binnen het onroerend goed is;

2) 

de blootstelling heeft betrekking op een natuurlijke persoon en wordt gedekt door een inkomstengenererende wooneenheid, ongeacht of het onroerend goed als geheel één wooneenheid vormt, dan wel of de wooneenheid een afgescheiden deel binnen het onroerend goed is, en de totale blootstellingen van de instelling met betrekking tot die natuurlijke persoon worden niet door meer dan vier onroerende goederen gedekt, met inbegrip van die welke geen niet-zakelijk onroerend goed zijn of die niet aan een of meer criteria van dit punt voldoen, of vier afzonderlijke wooneenheden binnen onroerende goederen;

3) 

de blootstelling heeft betrekking op verenigingen of coöperaties van natuurlijke personen die bij nationaal recht zijn geregeld en die uitsluitend bestaan om hun leden het gebruik toe te kennen van een hoofdverblijfplaats in het onroerend goed dat als zekerheid voor de lening dient;

4) 

de blootstelling heeft betrekking op woningcorporaties of non-profit-verenigingen die bij wet zijn geregeld, en die bestaan om maatschappelijke doelen te dienen en huurders huisvesting voor langere termijn te bieden;

iii) 

een IPRE-blootstelling die aan geen van de voorwaarden van punt ii), van dit punt voldoet, wordt behandeld overeenkomstig artikel 125, lid 2;

b) 

indien de blootstelling door zakelijk onroerend goed wordt gedekt, wordt de blootstelling als volgt behandeld:

i) 

een niet-IPRE-blootstelling wordt overeenkomstig artikel 126, lid 1, behandeld;

ii) 

een IPRE-blootstelling wordt overeenkomstig artikel 126, lid 2, behandeld.

3.  

Om voor de in lid 2 bedoelde behandeling in aanmerking te komen, voldoet een door een onroerend goed gedekte blootstelling aan alle volgende voorwaarden:

a) 

het onroerend goed dat de blootstelling dekt, voldoet aan een of meer van de volgende voorwaarden:

i) 

het onroerend goed is volledig afgewerkt;

ii) 

het onroerend goed is bos- of landbouwgrond;

iii) 

de lening wordt aan een natuurlijk persoon verstrekt en het onroerend goed is hetzij een niet-zakelijk onroerend goed in aanbouw, hetzij grond waarop volgens planning een niet-zakelijk onroerend goed zal worden gebouwd indien dat plan door alle betrokken autoriteiten juridisch is goedgekeurd, naargelang het geval, en indien een of meer van de volgende voorwaarden is vervuld:

1) 

het onroerend goed heeft niet meer dan vier wooneenheden en zal de hoofdverblijfplaats van de debiteur zijn en met de aan die natuurlijke persoon toegekende lening worden niet indirect ADC-blootstellingen gefinancierd;

2) 

een centrale overheid, regionale overheid of lokale overheid of een publiekrechtelijk lichaam is betrokken, waarbij de blootstellingen met betrekking tot die entiteiten worden behandeld overeenkomstig, respectievelijk, artikel 115, lid 2, of artikel 116, lid 4, heeft de juridische bevoegdheid en de mogelijkheid om te borgen dat het onroerend goed in aanbouw binnen een redelijke termijn zal zijn afgewerkt, en is daartoe verplicht of heeft zich daar op een juridisch bindende manier toe verbonden voltooiing te waarborgen indien de bouwwerkzaamheden anders niet binnen die redelijke termijn zouden zijn voltooid. Als alternatief bestaat er een gelijkwaardig juridisch mechanisme om ervoor te zorgen dat het onroerend goed in aanbouw binnen een redelijke termijn wordt afgewerkt;

b) 

de blootstelling wordt gedekt door een eerste pandrecht dat de instelling op het onroerend goed heeft, of de instelling heeft het eerste pandrecht en verdere lagere pandrechten op dat onroerend goed;

c) 

de onroerendgoedwaarde hangt niet materieel af van de kredietkwaliteit van de debiteur;

d) 

alle voor het initiëren van de blootstelling en voor de monitoring vereiste informatie is afdoende gedocumenteerd, met onder meer informatie over het terugbetalingsvermogen van de debiteur en over de waardering van het onroerend goed;

e) 

er wordt voldaan aan de vereisten van artikel 208 en aan de waarderingsregels van artikel 229, lid 1.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), mogen instellingen situaties uitsluiten waarin louter macro-economische factoren zowel op de onroerendgoedwaarde als op de prestaties van de debiteur van invloed zijn.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), voeren de instellingen overnemingsbeleid in met betrekking tot het initiëren van door onroerend goed gedekte blootstellingen, waaronder de beoordeling van het terugbetalingsvermogen van de kredietnemer. Het overnemingsbeleid omvat de relevante maatstaven voor die beoordeling en de respectieve maximumniveaus daarvan.

4.  
In afwijking van lid 3, punt b), kunnen in rechtsgebieden waar lager gerangschikte pandrechten de houder een vordering op de zekerheid geven die juridisch afdwingbaar is en een daadwerkelijke kredietlimiterende factor zijn, ook lager gerangschikte pandrechten die worden gehouden door een instelling niet zijnde de instelling die het hoger gerangschikte pandrecht houdt, in aanmerking worden genomen, onder meer wanneer de instelling niet de hoger gerangschikte pandhouder is noch een pandrecht houdt dat gerangschikt is tussen een hoger en een lager gerangschikt pandrecht die beide door die instelling worden gehouden.

Voor de toepassing van de eerste alinea borgen de regels inzake pandrechten al de volgende punten:

a) 

elke instelling die een pandrecht houdt, kan de verkoop van het onroerend goed initiëren, onafhankelijk van andere entiteiten die een pandrecht op het onroerend goed houden;

b) 

indien de verkoop van het onroerend goed niet via een openbare veiling plaatsvindt, zetten entiteiten met een hoger pandrecht redelijke stappen om een reële marktwaarde te verkrijgen of de beste prijs die, gegeven de omstandigheden waarin zij verkoopbevoegdheden zelf uitoefenen, te verkrijgen is.

5.  
Voor de berekening van risicogewogen posten voor onbenutte faciliteiten, mogen pandrechten die aan alle toelaatbaarheidsvereisten van lid 3 en, indien van toepassing, lid 4 voldoen, in aanmerking worden genomen indien de opneming in het kader van de faciliteit afhankelijk is van de voorafgaande of gelijktijdige vestiging van een pandrecht voor zover de instelling belang heeft bij het pandrecht zodra de faciliteit wordt benut, in die zin dat de instelling geen belang heeft bij het pandrecht indien de faciliteit niet wordt benut.
6.  

Voor de toepassing van artikel 125, lid 2, en artikel 126, lid 2, wordt de exposure-to-value („ETV”)-ratio berekend door het brutoblootstellingsbedrag te delen door de onroerendgoedwaarde, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a) 

het brutoblootstellingsbedrag wordt berekend als de boekwaarde van de activumpost met betrekking tot de door onroerend goed gedekte blootstelling en niet-opgenomen doch toegezegde bedragen die, wanneer deze worden opgenomen, de blootstellingswaarde zouden doen toenemen van de blootstelling die door onroerend goed wordt gedekt. Dat brutoblootstellingsbedrag wordt berekend zonder rekening te houden met:

i) 

specifieke kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 110;

ii) 

aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig artikel 34 met betrekking tot de niet-handelsportefeuille van de instelling;

iii) 

overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen, en

iv) 

andere eigenvermogensverlagingen met betrekking tot de activumpost;

b) 

het brutoblootstellingsbedrag wordt berekend zonder rekening te houden met enig type volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie, met uitzondering van bij de leningverstrekkende instelling in pand gegeven depositorekeningen die voldoen aan alle vereisten voor verrekening van balansposten — hetzij uit hoofde van kaderverrekeningsovereenkomsten overeenkomstig de artikelen 196 en 206, hetzij uit hoofde van andere overeenkomsten voor verrekening van balansposten overeenkomstig de artikelen 195 en 205 — en die onvoorwaardelijk en onherroepelijk in pand zijn gegeven met als uitsluitend doel het vervullen van de kredietverplichting met betrekking tot de door onroerend goed gedekte blootstelling;

c) 

voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2, moeten worden behandeld, indien een partij niet zijnde de instelling een hoger gerangschikt pandrecht houdt en een door de instelling gehouden lager gerangschikt pandrecht krachtens lid 4 van dit artikel in aanmerking wordt genomen, wordt het brutoblootstellingsbedrag berekend als de som van het brutoblootstellingsbedrag van het door de instelling gehouden pandrecht en van de brutoblootstellingsbedragen van alle overige pandrechten die gelijk of hoger gerangschikt zijn dan het door de instelling gehouden pandrecht.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), worden de blootstellingen, wanneer een instelling meer dan één blootstelling heeft die door hetzelfde onroerend goed wordt gedekt en die blootstellingen worden gedekt door pandrechten op dat onroerend goed die lager zijn gerangschikt zonder dat die rangorde wordt doorbroken door een pandrecht van een derde partij, behandeld als één gecombineerde blootstelling en worden de brutoblootstellingsbedragen voor de individuele blootstellingen samengeteld ten behoeve van de berekening van het brutoblootstellingsbedrag voor de ene gecombineerde blootstelling.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), behandelt de instelling, indien er voor het bepalen van de rangorde van de andere pandrechten onvoldoende informatie is, die pandrechten als hadden zij dezelfde rang (pari passu) als het lager gerangschikte pandrecht dat de instelling houdt. De instelling bepaalt eerst het risicogewicht overeenkomstig artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2 (het „basisrisicogewicht”), naargelang het geval. Vervolgens past zij dit risicogewicht aan met een vermenigvuldigingsfactor van 1,25 ten behoeve van de berekening van de risicogewogen bedragen van lager gerangschikte pandrechten. Indien het basisrisicogewicht overeenstemt met de laagste exposure-to-value-subklasse, wordt de vermenigvuldigingsfactor niet toegepast. Het door vermenigvuldiging van het basisrisicogewicht met 1,25 verkregen risicogewicht wordt gemaximeerd op het risicogewicht dat op de blootstelling zou worden toegepast indien niet aan de vereisten van lid 3 was voldaan.

7.  
Blootstellingen met betrekking tot een huurder in het kader van een leasingtransactie inzake onroerend goed waarbij de instelling de leasegever is en de huurder over een koopoptie beschikt, worden beschouwd als door onroerend goed gedekte blootstellingen en worden behandeld overeenkomstig artikel 125 of artikel 126, indien aan de in dit artikel uiteenzette toepasselijke voorwaarden wordt voldaan, mits de blootstelling van de instelling is gedekt door haar eigendom van het onroerend goed.
8.  
De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de toepassing van lid 9. Die autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, de bevoegde autoriteit is, zorgt deze ervoor dat de betrokken nationale instanties en autoriteiten die over een macroprudentieel mandaat beschikken, afdoende worden geïnformeerd over het voornemen van de bevoegde autoriteit om van dit artikel gebruik te maken, en op passende wijze te worden betrokken bij de beoordeling van punten van zorg met betrekking tot de financiële stabiliteit in haar lidstaat, overeenkomstig lid 9.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, een autoriteit niet zijnde de bevoegde autoriteit is, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om, met het oog op de correcte toepassing van dit artikel, te zorgen voor goede coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit. De autoriteiten werken met name nauw samen en wisselen alle informatie uit die nodig kan zijn voor de correcte uitoefening door de aangewezen autoriteit van de haar op grond van dit artikel toegewezen taken. In het kader van die samenwerking wordt getracht elke vorm van overlappend of inconsistent optreden van de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit te vermijden, en naar behoren rekening te houden met de interactie met andere maatregelen, en met name maatregelen krachtens artikel 458 van de onderhavige verordening en artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

9.  

Op basis van de krachtens artikel 430 bis verzamelde gegevens en van andere relevante indicatoren beoordeelt de overeenkomstig lid 8 van dit artikel aangewezen autoriteit periodiek en ten minste jaarlijks of de in de artikelen 125 en 126 vastgelegde risicogewichten voor blootstellingen met betrekking tot hun grondgebied onroerend goed dat zich op het grondgebied van de lidstaat van die autoriteit bevindt, voldoende zijn gebaseerd op:

a) 

de ervaring met verliezen op blootstellingen die door onroerend goed worden gedekt;

b) 

de toekomstige ontwikkelingen op de markt voor onroerend goed.

Indien de overeenkomstig lid 8 van dit artikel aangewezen autoriteit op basis van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling tot de conclusie komt dat de in artikel 125 of 126 vermelde risicogewichten geen adequate afspiegeling vormen van de werkelijke risico’s die verbonden zijn aan blootstellingen met betrekking tot een of meer onroerendgoedsegmenten die gedekt zijn door hypotheken op in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van die autoriteit gelegen niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed, en indien zij van oordeel is dat de ontoereikendheid van de risicogewichten ongunstig kan uitwerken op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in de eigen lidstaat, kan zij de risicogewichten die op die blootstellingen van toepassing zijn, binnen de in de vierde alinea van dit lid vastgelegde marges verhogen of strengere criteria opleggen dan die welke in lid 3 van dit artikel zijn vastgelegd.

De overeenkomstig lid 8 van dit artikel aangewezen autoriteit stelt de EBA en het ESRB in kennis van de aanpassingen die op grond van dit lid in de risicogewichten en de toegepaste criteria zijn aangebracht. Uiterlijk één maand na ontvangst van bovengenoemde kennisgeving verstrekken de EBA en het ESRB hun advies aan de betrokken lidstaat, en kunnen zij, indien nodig, in dat advies aangeven of zij van oordeel zijn dat de aanpassingen van de risicogewichten en -criteria ook ten aanzien van andere lidstaten aanbevolen zijn. De EBA en het ESRB maken de risicogewichten en criteria voor de in de artikelen 125 en 126 en artikel 199, lid 1, punt a), bedoelde blootstellingen zoals geïmplementeerd door de betrokken autoriteit, bekend.

Voor de toepassing van de tweede alinea van dit lid kan de overeenkomstig lid 8 van dit artikel aangewezen autoriteit de in artikel 125, lid 1, eerste alinea, artikel 125, lid 2, eerste alinea, artikel 126, lid 1, eerste alinea, of artikel 126, lid 2, eerste alinea, vastgelegde risicogewichten verhogen, of strengere criteria hanteren dan die bedoeld in lid 3 van dit artikel voor blootstellingen met betrekking tot één of meer onroerendgoedsegmenten die gedekt zijn door hypotheken op in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van die autoriteit gelegen onroerend goed. Die autoriteit verhoogt die risicogewichten tot maximaal 150 %.

Voor de toepassing van de tweede alinea van dit lid kan de overeenkomstig lid 8 van dit artikel aangewezen autoriteit ook een verlaging toepassen op de in artikel 125, lid 1, of artikel 126, lid 1, bedoelde percentages van de onroerendgoedwaarde of de in artikel 125, lid 2, tabel 1, of artikel 126, lid 2, tabel 1, vermelde exposure-to-value-percentages die de exposure-to-value-risicogewichtsubklasse bepalen. De betrokken autoriteit zorgt voor consistentie tussen alle exposure-to-value-risicogewichtsubklassen, zodat het risicogewicht van een lagere exposure-to-value-risicogewichtsubklasse altijd lager is dan of gelijk is aan het risicogewicht van een hogere exposure-to-value-risicogewichtsubklasse.

10.  
Indien de overeenkomstig lid 8 aangewezen autoriteit op grond van lid 9 hogere risicogewichten of striktere criteria vaststelt, krijgen de instellingen een overgangsperiode van zes maanden om deze toe te passen.
11.  
De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESRB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de soorten factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de in lid 9 bedoelde beoordeling van de geschiktheid van de risicogewichten.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

12.  

Het ESRB kan door middel van aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, en in nauwe samenwerking met de EBA, aan de overeenkomstig lid 8 van dit artikel aangewezen autoriteiten richtsnoeren verstrekken betreffende de volgende twee punten:

a) 

factoren die „een negatief effect zouden hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit” zoals bedoeld in lid 9, tweede alinea;

b) 

indicatieve benchmarks waarmee de overeenkomstig lid 8 aangewezen autoriteit rekening dient te houden bij het bepalen van hogere risicogewichten.

13.  
In een lidstaat gevestigde instellingen passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat overeenkomstig lid 9 vastgestelde hogere risicogewichten en criteria toe op hun overeenkomstige blootstellingen die gedekt worden door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of op zakelijk onroerend goed dat zich in een of meer delen van die andere lidstaat bevindt.
14.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van wat moet worden verstaan onder „gelijkwaardig juridisch mechanisme om ervoor te zorgen dat het onroerend goed in aanbouw binnen een redelijke termijn wordt afgewerkt”, overeenkomstig lid 3, punt a), iii), 2).

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 125

Door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen

1.  
Voor een door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling als bedoeld in artikel 124, lid 2, punt a), i) of ii), wordt aan het deel van de blootstelling tot 55 % van de onroerendgoedwaarde een risicogewicht van 20 % toegekend.

Indien een instelling een lager gerangschikt pandrecht houdt en er hoger gerangschikte pandrechten bestaan die zij niet houdt, wordt het bedrag van 55 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 20 %, verminderd met het bedrag van de hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden.

Indien niet door de instelling gehouden pandrechten dezelfde rang (pari passu) hebben als het door de instelling gehouden pandrecht, wordt het bedrag van 55 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 20 %, verminderd met het bedrag van hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden, verminderd met het product van:

a) 

55 % van de onroerendgoedwaarde, waarvan het bedrag van hoger gerangschikte pandrechten (zowel pandrechten die door de instelling worden gehouden als pandrechten die door andere instellingen worden gehouden) wordt afgetrokken, en

b) 

het bedrag van de pandrechten die niet door de instelling worden gehouden en die dezelfde rang (pari passu) hebben als door de instelling gehouden pandrecht, gedeeld door de som van alle pandrechten met dezelfde rang (pari passu).

Indien de bevoegde of aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 124, lid 9, een hoger risicogewicht of een lager percentage van de onroerendgoedwaarde heeft bepaald dan in dit lid vermeld, gebruiken de instellingen het overeenkomstig artikel 124, lid 9, bepaalde risicogewicht of percentage.

Op het eventueel resterende deel van de blootstelling als bedoeld in de eerste alinea wordt een risicogewicht toegepast als een blootstelling aan de tegenpartij die niet door niet-zakelijk onroerend goed wordt gedekt.

2.  
Aan een blootstelling als bedoeld in artikel 124, lid 2, punt a), iii), wordt het risicogewicht toegekend dat is vastgesteld overeenkomstig de respectieve exposure-to-value-risicogewichtsubklasse in tabel 1.

Voor de toepassing van dit lid gebruiken instellingen, indien de bevoegde of aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 124, lid 9, een hoger risicogewicht of een lager exposure-to-value-percentage heeft bepaald dan in dit lid vermeld, het overeenkomstig artikel 124, lid 9, bepaalde risicogewicht of percentage.



Tabel 1

ETV

ETV ≤ 50 %

50 % < ETV ≤ 60 %

60 % < ETV ≤ 80 %

80 % < ETV ≤ 90 %

90 % < ETV ≤ 100 %

ETV > 100 %

Risicogewicht

30 %

35 %

45 %

60 %

75 %

105 %

In afwijking van de eerste alinea van dit lid mogen instellingen de in lid 1 van dit artikel bedoelde behandeling toepassen op blootstellingen die worden gedekt door niet-zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat overeenkomstig artikel 430 bis, lid 3, verliespercentages heeft bekendgemaakt voor die blootstellingen die, op basis van de door alle instellingen in die lidstaat gerapporteerde geaggregeerde gegevens voor die nationale onroerendgoedmarkt, geen van de volgende maxima overschrijden voor verliezen die zijn geaggregeerd over alle dergelijke blootstellingen in het voorgaande jaar:

a) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt a), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt c), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,3  %;

b) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt b), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt c), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,5  %.

3.  
Instellingen kunnen de in lid 2, derde alinea, van dit artikel bedoelde afwijking ook toepassen in gevallen waarin de bevoegde autoriteit van een derde land die regelingen op toezichts- en regelgevingsgebied toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de regelingen die in de Unie worden toegepast, zoals bepaald in een overeenkomstig artikel 107, lid 4, vastgesteld besluit van de Commissie, overeenkomstige verliespercentages openbaar maakt voor blootstellingen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van dat derde land bevindt.

Indien een bevoegde autoriteit van een derde land geen overeenkomstige verliespercentages bekendmaakt voor blootstellingen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van dat derde land bevindt, kan de EBA dergelijke informatie voor dat derde land bekendmaken, mits correcte statistische gegevens beschikbaar zijn die representatief zijn voor de overeenkomstige markt voor niet-zakelijk onroerend goed.

Artikel 126

Door hypotheken op zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen

1.  
Voor een door zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling als bedoeld in artikel 124, lid 2, punt b), i), wordt aan het deel van de blootstelling tot 55 % van de onroerendgoedwaarde een risicogewicht van 60 % toegekend.

Indien een instelling een lager gerangschikt pandrecht houdt en er hoger gerangschikte pandrechten bestaan die zij niet houdt, wordt het bedrag van 55 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 60 %, verminderd met het bedrag van de hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden.

Indien niet door de instelling gehouden pandrechten dezelfde rang hebben als het door de instelling gehouden pandrecht, wordt het bedrag van 55 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 60 %, verminderd met het bedrag van hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden, verminderd met het product van:

a) 

55 % van de onroerendgoedwaarde, waarvan het bedrag van hoger gerangschikte pandrechten (zowel pandrechten die door de instelling worden gehouden als pandrechten die door andere instellingen worden gehouden) wordt afgetrokken, en

b) 

het bedrag van de pandrechten die niet door de instelling worden gehouden en die dezelfde rang hebben als het door de instelling gehouden pandrecht, gedeeld door de som van alle pandrechten met dezelfde rang.

Indien de bevoegde of aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 124, lid 9, een hoger risicogewicht of een lager percentage van de onroerendgoedwaarde heeft bepaald dan in dit lid vermeld, gebruiken de instellingen het risicogewicht of het percentage als bepaald overeenkomstig artikel 124, lid 9.

Op het eventueel resterende deel van de blootstelling als bedoeld in de eerste alinea wordt een risicogewicht toegepast als een blootstelling aan de tegenpartij die niet door zakelijk onroerend goed wordt gedekt.

2.  
Aan een blootstelling als bedoeld in artikel 124, lid 2, punt b), ii), wordt het risicogewicht toegekend dat is vastgesteld overeenkomstig de respectieve exposure-to-value-risicogewichtsubklasse in tabel 1.

Voor de toepassing van dit lid gebruiken instellingen, indien de bevoegde of aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 124, lid 9, een hoger risicogewicht of een lager exposure-to-value-percentage heeft bepaald dan in dit lid vermeld, het overeenkomstig artikel 124, lid 9, bepaalde risicogewicht of percentage.



Tabel 1

 

ETV ≤ 60 %

60 % < ETV ≤ 80 %

ETV > 80 %

Risicogewicht

70 %

90 %

110 %

In afwijking van de eerste alinea van dit lid mogen instellingen de in lid 1 van dit artikel bedoelde behandeling toepassen op blootstellingen die worden gedekt door zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat overeenkomstig artikel 430 bis, lid 3, verliespercentages heeft bekendgemaakt voor die blootstellingen die, op basis van de door alle instellingen in die lidstaat gerapporteerde geaggregeerde gegevens voor die nationale onroerendgoedmarkt, geen van de volgende maxima overschrijden voor verliezen die zijn geaggregeerd over alle dergelijke blootstellingen in het voorgaande jaar:

a) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt d), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt f), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,3  %;

b) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt e), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen overeenkomstig artikel 430 bis, lid 1, punt f), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,5  %.

3.  
Instellingen kunnen de in lid 2, derde alinea, van dit artikel bedoelde afwijking toepassen in gevallen waarin de bevoegde autoriteit van een derde land regelingen op toezichts- en regelgevingsgebied toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de regelingen die in de Unie worden toegepast, zoals bepaald in een overeenkomstig artikel 107, lid 4, vastgesteld besluit van de Commissie, overeenkomstige verliespercentages openbaar maakt voor blootstellingen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van dat derde land bevindt.

Indien een bevoegde autoriteit van een derde land geen overeenkomstige verliespercentages bekendmaakt voor blootstellingen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van dat derde land bevindt, kan de EBA dergelijke informatie voor dat derde land bekendmaken, mits correcte statistische gegevens beschikbaar zijn die representatief zijn voor de overeenkomstige markt voor zakelijk onroerend goed.

4.  
De EBA beoordeelt of het aangewezen is de behandeling aan te passen van door hypotheken op zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen, met inbegrip van IPRE- en niet-IPRE-blootstellingen, en houdt daarbij rekening met de geschiktheid van de risicogewichten en de relatieve verschillen in risico van door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen, de verschillen in risicogevoeligheid van in artikel 125, lid 2, tabel 1, bedoelde door niet-zakelijk onroerend goed gedekte IPRE-blootstellingen en door in tabel 1 van dit artikel bedoelde door zakelijk onroerend goed gedekte IPRE-blootstellingen, alsook de aanbevelingen van het ESRB over de kwetsbaarheden in de sector zakelijk onroerend goed in de Unie. De EBA legt uiterlijk op 31 december 2027 een verslag over haar bevindingen voor aan de Commissie.

Op basis van het in de eerste alinea bedoelde verslag en terdege rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS ontwikkelt, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2028 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼M17

Artikel 126 bis

Blootstellingen met betrekking tot de verwerving, ontwikkeling en bebouwing van gronden

1.  
Aan een ADC-blootstelling wordt een risicogewicht van 150 % toegekend.
2.  

Aan ADC-blootstellingen met betrekking tot niet-zakelijk vastgoed kan een risicogewicht van 100 % worden toegekend, mits de instelling solide initiërings- en monitoringnormen toepast die aan de vereisten van de artikelen 74 en 79 van Richtlijn 2013/36/EU voldoen en indien ten minste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

juridisch bindende voorverkoop- of voorverhuurovereenkomsten, waarvoor de koper of huurder een aanzienlijk bedrag in contanten heeft gestort dat niet-restitueerbaar is bij ontbinding van de overeenkomst of indien de financiering op gelijkwaardige wijze wordt gewaarborgd, juridisch bindende verkoop- of verhuurovereenkomsten, ook indien de betaling in termijnen wordt uitgevoerd naarmate de bouwwerkzaamheden vorderen, vertegenwoordigen een aanzienlijk percentage van het totale aantal overeenkomsten;

b) 

de debiteur heeft een aanzienlijke equity-at-risk, die wordt weergegeven als een in verhouding tot de waarde bij voltooiing van het niet-zakelijke onroerend goed passend bedrag aan door de debiteur bijgedragen eigen vermogen.

3.  
Uiterlijk op 10 juli 2025 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit tot nadere bepaling van de termen „storting van een aanzienlijk bedrag in contanten”, „op gelijkwaardige wijze gewaarborgde financiering”, „aanzienlijk percentage van het totale aantal overeenkomsten”, en „passend bedrag aan door de debiteur bijgedragen eigen vermogen”, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de kredietverlening door instellingen aan woningcorporaties of non-profit-verenigingen in de hele Unie die bij wet zijn geregeld en die bestaan om maatschappelijke doelen te dienen en huurders huisvesting voor langere termijn te bieden.

▼B

Artikel 127

Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling

▼M7

1.  

Aan het niet-gedekte gedeelte van een post ten aanzien waarvan zich met betrekking tot een debiteur een wanbetaling overeenkomstig artikel 178 heeft voorgedaan of, bij blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, aan het niet-gedekte gedeelte van een kredietfaciliteit ten aanzien waarvan zich een wanbetaling overeenkomstig artikel 178 heeft voorgedaan, wordt een risicogewicht toegekend van:

a) 

150 % wanneer het totaal van de specifieke kredietrisicoaanpassingen en van de in overeenstemming met artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen minder dan 20 % van het niet-gedekte deel van de blootstellingswaarde bedraagt indien die specifieke kredietrisicoaanpassingen en aftrekkingen niet zouden worden toegepast;

b) 

100 % wanneer het totaal van de specifieke kredietrisicoaanpassingen van de in overeenstemming met artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen niet minder dan 20 % van het niet-gedekte deel van de blootstellingswaarde bedraagt indien deze specifieke kredietrisicoaanpassingen en aftrekkingen niet zouden worden toegepast.

▼M17

Bij het berekenen van de in de eerste alinea bedoelde specifieke kredietrisicoaanpassingen voor een blootstelling die is gekocht toen die reeds in staat van wanbetaling was, nemen instellingen in de berekening het positieve verschil op tussen het door de debiteur met betrekking tot die blootstelling verschuldigde bedrag en de som van de aftrekking van aanvullend eigen vermogen indien die blootstelling volledig werd afgeschreven en reeds bestaande aftrekkingen van eigen vermogen met betrekking tot die blootstelling.

▼M17

2.  
Voor de bepaling van het gedekte gedeelte van een blootstelling in wanbetaling zijn zekerheden en garanties toelaatbaar voor kredietrisicolimitering overeenkomstig hoofdstuk 4.
3.  
Aan de resterende blootstellingswaarde na specifieke kredietrisicoaanpassingen van niet-IPRE-blootstellingen die overeenkomstig, respectievelijk, artikel 125 en artikel 126 gedekt zijn door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed, wordt een risicogewicht toegekend van 100 % indien er zich een wanbetaling overeenkomstig artikel 178 heeft voorgedaan.

▼M17 —————

▼M17

Artikel 128

Blootstellingen met betrekking tot achtergestelde schulden

1.  

De volgende blootstellingen worden als blootstellingen met betrekking tot achtergestelde schulden behandeld:

a) 

blootstellingen met betrekking tot schulden die achtergesteld zijn aan vorderingen van gewone niet door zekerheden gedekte schuldeisers;

b) 

eigenvermogensinstrumenten voor zover die instrumenten niet worden beschouwd als blootstellingen in aandelen in de zin van artikel 133, lid 1, en

c) 

blootstellingen die voortvloeien uit het aanhouden door de instelling van in aanmerking komende passiva-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72 ter voldoen.

2.  
Aan blootstellingen met betrekking tot achtergestelde schulden wordt een risicogewicht van 150 % toegekend, tenzij zij van het eigen vermogen worden afgetrokken of aan de in artikel 72 sexies, lid 5, eerste alinea, beschreven behandeling worden onderworpen.

▼B

Artikel 129

Blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties

1.  

►M10  Om in aanmerking te komen voor de in de leden 4 en 5 van dit artikel beschreven preferentiële behandeling, voldoen gedekte obligaties als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2019/2162 van het Europees Parlement en de Raad ( 32 ) aan de vereisten van de leden 3, 3 bis en 3 ter van dit artikel, en worden zij zekergesteld door een van de volgende in aanmerking komende activa: ◄

a) 

blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken van het ESCB, publiekrechtelijke lichamen, regionale of lokale overheden in de Unie;

b) 

blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door centrale overheden van derde landen, centrale banken van derde landen, multilaterale ontwikkelingsbanken, internationale organisaties welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 overeenkomstig dit hoofdstuk, en blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door publiekrechtelijke lichamen van derde landen, regionale overheden van derde landen of lokale overheden van derde landen, welke overeenkomstig respectievelijk artikel 115, lid 1 of lid 2, of artikel 116, leden 1, 2 of 4, eenzelfde risicogewicht hebben als blootstellingen met betrekking tot instellingen of centrale overheden en centrale banken en welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 overeenkomstig dit hoofdstuk, en blootstellingen in de zin van dit punt welke ten minste in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 overeenkomstig dit hoofdstuk, mits zij niet hoger liggen dan 20 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende instellingen;

▼M10

c) 

blootstellingen aan kredietinstellingen die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 of kredietkwaliteitscategorie 2 of blootstellingen aan kredietinstellingen die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 3, indien die blootstellingen de vorm aannemen van

i) 

kortetermijndeposito's met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste honderd dagen, indien deze deposito's worden gebruikt om te voldoen aan de in artikel 16 van Richtlijn (EU) 2019/2162 bedoelde verplichting van een liquiditeitsbuffer voor een dekkingspool, of

ii) 

derivatencontracten die voldoen aan de vereisten van artikel 11, lid 1, van die richtlijn, indien door de bevoegde autoriteiten toegestaan;

d) 

leningen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten, en 80 % van de waarde van de in pand gegeven goederen;

▼B

e) 

woonkredieten die volledig gedekt zijn door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201, die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger als bepaald in dit hoofdstuk, mits het gedeelte van elk van de kredieten dat wordt aangewend om te voldoen aan het in dit lid gestelde vereiste voor de zekerheidsstelling van de gedekte obligaties ten hoogste 80 % bedraagt van de waarde van het overeenkomstige in Frankrijk gelegen niet-zakelijk onroerend goed en mits de verhouding tussen hypotheekschuld en inkomen (loan-to-income ratio) hooguit 33 % bedroeg bij de toekenning van het krediet. Op het niet-zakelijk onroerend goed zijn ten tijde van de kredietverlening geen hypothecaire pandrechten gevestigd en voor de kredieten die vanaf 1 januari 2014 worden verleend, dient de kredietnemer zich er contractueel toe te verplichten dergelijke rechten niet te vestigen zonder de toestemming van de kredietinstelling die het krediet heeft verleend. De loan-to-income ratio komt overeen met het gedeelte van het bruto-inkomen van de kredietnemer dat de terugbetaling van het krediet dekt, met inbegrip van de rente. De protectiegever is hetzij een financiële instelling waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staat van de bevoegde autoriteiten, en die onderworpen is aan prudentiële vereisten die qua degelijkheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast, hetzij een verzekeringsonderneming. De protectiegever voorziet in een onderling garantiefonds of in vergelijkbare bescherming voor verzekeringsondernemingen om verliezen door kredietrisico op te vangen, waarvan de kalibratie regelmatig door de bevoegde autoriteiten wordt getoetst. Zowel de kredietinstelling als de protectiegever beoordelen de kredietwaardigheid van de kredietnemer;

▼M10

f) 

leningen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten, en 60 % van de waarde van de in pand gegeven goederen. Door zakelijk onroerend goed gedekte leningen zijn ook toelaatbaar wanneer de ratio van de lening ten opzichte van de waarde meer dan 60 % maar niet meer dan 70 % bedraagt, op voorwaarde dat de totale waarde van de als zekerheid voor de gedekte obligaties in pand gegeven activa ten minste 10 % hoger is dan het nominale bedrag van de gedekte obligatie, en de rechten van de obligatiehouders voldoen aan de rechtszekerheidsvoorschriften van hoofdstuk 4. De rechten van de obligatiehouders hebben voorrang op alle andere zekerheidsrechten;

▼B

g) 

leningen die gedekt zijn door pandrechten op schepen tot aan het verschil tussen 60 % van de waarde van het in pand gegeven schip en de waarde van enige eerder verleende pandrechten op schepen.

▼M10

Voor de toepassing van lid 1 bis worden blootstellingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen door de debiteur van leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen van schuldinstrumenten, dan wel het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van liquidatieopbrengsten in verband met dergelijke leningen, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de in dat lid bedoelde limieten.

▼M10 —————

▼M17

Onverminderd de eerste alinea, punt c), van dit lid worden indirecte blootstellingen aan kredietinstellingen zonder externe rating die hypotheekleningen dekken tot aan de inschrijving ervan, voor de toepassing van dat punt tot en met 1 juli 2027 behandeld als blootstellingen aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 1 in aanmerking komen, mits het overeenkomstig artikel 121 in klasse A ondergebrachte kortlopende blootstellingen zijn en de gedekte hypotheekleningen na inschrijving in aanmerking komen voor de preferentiële behandeling op grond van de eerste alinea, punten d), e) en f), van dit lid.

▼M10

1 bis.  

Voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea van lid 1 geldt het volgende:

a) 

voor blootstellingen aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 1 in aanmerking komen, bedraagt de blootstelling maximaal 15 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling;

b) 

voor blootstellingen aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 2 in aanmerking komen, bedraagt de totale blootstelling maximaal 10 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling;

c) 

voor blootstellingen aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 3 in aanmerking komen, in de vorm van kortetermijndeposito's als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder c), i), van dit artikel of in de vorm van derivatencontracten, als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder c), ii), van dit artikel bedraagt de totale blootstelling maximaal 8 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling; de krachtens artikel 18, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/2162 aangewezen bevoegde autoriteiten kunnen, na raadpleging van EBA, toestemming verlenen voor blootstellingen in de vorm van derivatencontracten aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 3 in aanmerking komen, op voorwaarde dat aanmerkelijke potentiële concentratieproblemen in de betrokken lidstaten als gevolg van de toepassing van de in dit lid bedoelde verplichtingen van kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2 kunnen worden aangetoond;

d) 

de totale blootstelling aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 in aanmerking komen, bedraagt maximaal 15 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling en de totale blootstelling aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 in aanmerking komen, bedraagt maximaal 10 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling.

1 ter.  
Lid 1 bis van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van gedekte obligaties als in aanmerking komende zekerheid overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn (EU) 2019/2162.
1 quater.  
Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea van lid 1, is de limiet van 80 % van toepassing op afzonderlijke leningen, bepaalt zij het gedeelte van de lening dat bijdraagt aan de dekking van de aan de gedekte obligaties verbonden verplichtingen en geldt zij gedurende de volledige looptijd van de lening.
1 quinquies.  
Voor de toepassing van de punten f) en g) van de eerste alinea van lid 1 zijn de limieten van 60 % of 70 % van toepassing op afzonderlijke leningen, bepalen zij het gedeelte van de lening dat bijdraagt aan de dekking van de aan de gedekte obligaties verbonden verplichtingen en gelden zij gedurende de volledige looptijd van de lening.

▼B

2.  
Onder de in lid 1, punten a) tot en met f), bedoelde situaties vallen ook zekerheden die bij wetgeving uitsluitend bestemd zijn om de houders van de obligaties tegen verliezen te beschermen.

▼M10

3.  
Voor onroerend goed en schepen die als zekerheid zijn gesteld voor gedekte obligaties die aan deze verordening voldoen, wordt aan de vereisten van artikel 208 voldaan. Voor alle onroerende goederen en schepen worden de vermogenswaarden regelmatig en ten minste jaarlijks gecontroleerd overeenkomstig artikel 208, lid 3, onder a).

▼M17

Ten behoeve van de waardering van onroerend goed kunnen de op grond van artikel 18, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/2162 aangewezen bevoegde autoriteiten toestaan dat het onroerend goed wordt gewaardeerd tegen of onder de marktwaarde of, in de lidstaten die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria hebben vastgelegd voor de berekening van de hypotheekwaarde, tegen de hypotheekwaarde van dat onroerend goed, zonder dat de in artikel 229, lid 1, punt e), van deze verordening vastgelegde plafonds worden toegepast.

▼M10

3 bis.  

Gedekte obligaties worden zekergesteld door de in lid 1 van dit artikel genoemde in aanmerking komende activa, en zijn tevens onderworpen aan een minimumpercentage van 5 % aan overcollateralisatie in de zin van artikel 3, punt 14, van Richtlijn (EU) 2019/2162.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid heeft het totale nominale bedrag van alle dekkingsactiva in de zin van artikel 3, punt 4, van die richtlijn ten minste dezelfde waarde als de totale nominale waarde van uitstaande gedekte obligaties („nominaal beginsel”) en bestaat het uit in aanmerking komende activa als beschreven in lid 1 van dit artikel.

Lidstaten kunnen een lager minimumpercentage aan overcollateralisatie vaststellen voor gedekte obligaties of kunnen hun bevoegde autoriteiten toestaan dit percentage vast te stellen mits:

a) 

hetzij de berekening van overcollateralisatie is gebaseerd op een formele benadering waarin rekening wordt gehouden met de onderliggende risico's van de activa, hetzij de waardering van de activa afhankelijk is van de hypotheekwaarde, en

b) 

het minimumpercentage aan overcollateralisatie niet lager is dan 2 % op basis van het nominale beginsel als bedoeld in artikel 15, leden 6 en 7, van Richtlijn (EU) 2019/2162.

De activa die bijdragen aan een minimumpercentage aan overcollateralisatie, zijn niet onderworpen aan de limieten voor de omvang van de blootstelling als bepaald in lid 1 bis en worden niet meegeteld voor die limieten.

3 ter.  
De in lid 1 van dit artikel bedoelde in aanmerking komende activa mogen in de dekkingspool worden opgenomen als vervangende activa in de zin van artikel 3, punt 13, van Richtlijn (EU) 2019/2162, met inachtneming van de limieten inzake kredietkwaliteit en omvang van de blootstelling als uiteengezet in de leden 1 en 1 bis van dit artikel.

▼M17

4.  

Aan gedekte obligaties waarvoor een direct toepasbare kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht overeenkomstig tabel 1 toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

10 %

20 %

20 %

50 %

50 %

100 %

5.  

Bij de toekenning van een risicogewicht aan gedekte obligaties waarvoor geen direct toepasbare kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt uitgegaan van het risicogewicht dat is toegekend aan preferente niet-gedekte blootstellingen met betrekking tot de instelling die deze obligaties uitgeeft. Daarbij geldt tussen de betrokken risicogewichten het volgende verband:

a) 

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 20 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10 % toegekend;

a bis) 

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 30 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 15 % toegekend;

a ter) 

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 40 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20 % toegekend;

b) 

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 50 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 25 % toegekend;

b bis) 

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 75 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 35 % toegekend;

c) 

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 100 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50 % toegekend;

d) 

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 150 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100 % toegekend.

▼M10

6.  
Gedekte obligaties die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, vallen niet onder de vereisten van de leden 1, 1 bis, 3, 3 bis en 3 ter. Zij komen tot hun vervaldatum in aanmerking voor de in de leden 4 en 5 beschreven preferentiële behandeling.
7.  
Gedekte obligaties die vóór 8 juli 2022 zijn uitgegeven en voldeden aan de vereisten van deze verordening, zoals van toepassing ten tijde van hun uitgifte, vallen niet onder de vereisten van de leden 3 bis en 3 ter. Zij komen tot hun vervaldatum in aanmerking voor de in de leden 4 en 5 beschreven preferentiële behandeling.

▼B

Artikel 130

Posten die securitisatieposities vertegenwoordigen

Bij securitisatieposities worden de risicogewogen posten bepaald op basis van hoofdstuk 5.

Artikel 131

Blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn

Aan blootstellingen met betrekking tot instellingen en aan blootstellingen met betrekking tot ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 7 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.



Tabel 7

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20  %

50  %

100  %

150  %

150  %

150  %

▼M8

Artikel 132

Eigenvermogensvereisten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

1.  
Instellingen berekenen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de risicogewogen posten van de icb-blootstellingen, berekend overeenkomstig de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.
2.  
Indien aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel is voldaan, mogen instellingen de doorkijkbenadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 1, of de beleidsbenadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 2, toepassen.

Met inachtneming van artikel 132 ter, lid 2, kennen instellingen die de doorkijkbenadering of de beleidsbenadering niet toepassen, een risicogewicht van 1 250  % („fall-backbenadering”) toe aan hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb.

Instellingen mogen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de in dit lid genoemde benaderingen te combineren, mits aan de voorwaarden voor het gebruik van die benaderingen is voldaan.

3.  

Instellingen mogen de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb bepalen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de icb is een van de volgende entiteiten:

i) 

een onder Richtlijn 2009/65/EG vallende instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe);

ii) 

een abi beheerd door een EU-abi-beheerder die krachtens artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2011/61/EU notificatie heeft gedaan;

iii) 

een abi beheerd door een EU-abi-beheerder met een vergunning krachtens artikel 6 van Richtlijn 2011/61/EU;

iv) 

een abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder met een vergunning krachtens artikel 37 van Richtlijn 2011/61/EU;

v) 

een niet-EU-abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder en verhandeld overeenkomstig artikel 42 van Richtlijn 2011/61/EU;

vi) 

een niet-EU-abi die niet in de Unie wordt verhandeld, en die wordt beheerd door een in een derde land gevestigde niet-EU-abi die valt onder een in artikel 67, lid 6, van Richtlijn 2011/61/EU bedoelde gedelegeerde handeling;

b) 

het prospectus of daarmee gelijk te stellen document van de icb bevat het volgende:

i) 

de categorieën activa waarin de icb mag beleggen;

ii) 

indien beleggingslimieten van toepassing zijn: de geldende limieten en berekeningsmethoden;

c) 

de rapportage door de icb of de icb-beheermaatschappij aan de instelling voldoet aan de volgende vereisten:

i) 

over de blootstellingen van de icb wordt ten minste even frequent gerapporteerd als over die van de instelling;

ii) 

de financiële informatie is voldoende gedetailleerd om de instelling in staat te stellen de risicogewogen posten van de icb te berekenen overeenkomstig de door de instelling gekozen benadering;

iii) 

indien de instelling de doorkijkbenadering hanteert, wordt de informatie over de onderliggende blootstellingen gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

In afwijking van punt a) van de eerste alinea van dit lid kunnen multilaterale en bilaterale ontwikkelingsbanken en andere instellingen die gezamenlijk met multilaterale en bilaterale ontwikkelingsbanken in een icb beleggen, de risicogewogen posten van de blootstellingen van die icb bepalen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen, mits de voorwaarden van de punten b) en c) van de eerste alinea van dit lid zijn vervuld en het beleggingsbeleid van de icb de soorten activa waarin kan worden belegd, beperkt tot activa die duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden bevorderen.

Instellingen delen aan hun bevoegde autoriteit mede op welke icb's zij de in de tweede alinea bedoelde behandeling toepassen.

In afwijking van de eerste alinea, punt c), onder i), kan, indien de instelling de risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb bepaalt overeenkomstig de beleidsbenadering, de rapportage door de icb of de icb-beheersmaatschappij aan de instelling worden beperkt tot het beleggingsbeleid van de icb en eventuele wijzigingen daarvan, en kan deze alleen worden verricht wanneer de instelling de blootstelling met betrekking tot de icb voor het eerst aangaat en wanneer er zich een wijziging van het beleggingsbeleid van de icb voordoet.

4.  

Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb te berekenen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

de derde is een van de volgende entiteiten:

i) 

de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

ii) 

voor niet onder punt i) van dit punt vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de maatschappij voldoet aan de in lid 3, punt a), genoemde criteria;

b) 

de derde voert de berekening uit overeenkomstig de benaderingen genoemd in artikel 132 bis, lid 1, 2 of 3, naargelang het geval;

c) 

een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

Instellingen die een beroep doen op berekeningen van derden, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2.

In afwijking van de tweede alinea geldt de factor 1,2 niet indien de instelling onbeperkte toegang heeft tot de gedetailleerde berekeningen door de derde. De instelling verstrekt die berekeningen op verzoek aan haar bevoegde autoriteit.

5.  
Indien een instelling de in artikel 132 bis bedoelde benaderingen toepast voor de berekening van de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb („niveau 1 icb”) en een van de onderliggende blootstellingen van de niveau 1 icb is een blootstelling in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een andere icb („niveau 2 icb”), mogen de risicogewogen posten van de blootstellingen van de niveau 2 icb worden berekend door gebruik te maken van een van de drie in lid 2 van dit artikel beschreven benaderingen. De instelling mag de doorkijkbenadering voor het berekenen van de risicogewogen posten van blootstellingen van icb's op niveau 3 en eventuele verdere niveaus alleen gebruiken wanneer zij die benadering heeft gebruikt voor de berekening van het vorige niveau. In alle overige scenario's gebruikt zij de fall-backbenadering.
6.  
De risicogewogen posten van blootstellingen van een icb berekend overeenkomstig de doorkijkbenadering en de in artikel 132 bis, leden 1 en 2, beschreven beleidsbenadering worden gemaximeerd op de risicogewogen posten van de blootstellingen van die icb berekend overeenkomstig de fall-backbenadering.
7.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel mogen instellingen die de doorkijkbenadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 1, toepassen, de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de blootstellingswaarden van die blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 111, te vermenigvuldigen met het risicogewicht (

), berekend overeenkomstig de formule van artikel 132 quater, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) 

de instellingen berekenen de waarde van hun rechten van deelneming of aandelen in een icb tegen historische kostprijs, maar berekenen de waarde van de onderliggende activa van de icb tegen reële waarde indien zij de doorkijkbenadering toepassen;

b) 

een verandering in de marktwaarde van de rechten van deelneming of aandelen waarvan de instellingen de waarde tegen historische kostprijs berekenen, laat het bedrag aan eigen vermogen van die instellingen en de blootstellingswaarde in verband met die rechten van deelneming of aandelen onverlet.

▼B

Artikel 132 bis

▼M8

Benaderingen voor het berekenen van risicogewogen posten van icb's

1.  
Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende blootstellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door die instellingen werden aangehouden.
2.  
Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb om de doorkijkbenadering te kunnen gebruiken, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen binnen de limieten van het beleggingsbeleid van de icb en het toepasselijke recht.

Instellingen verrichten de in de eerste alinea bedoelde berekeningen vanuit de aanname dat de icb eerst het maximale volume aan blootstellingen aangaat dat op grond van haar beleggingsbeleid of het toepasselijke recht is toegestaan in de blootstellingen met het hoogste eigenvermogensvereiste, en vervolgens in dalende volgorde blootstellingen blijft aangaan totdat de maximale totale blootstellingslimiet is bereikt, en dat de icb, waar toepasselijk, de maximaal toegestane hefboomfinanciering in overeenstemming met het beleggingsbeleid of het toepasselijke recht toepast.

Instellingen verrichten de in de eerste alinea bedoelde berekeningen overeenkomstig de in dit hoofdstuk, in hoofdstuk 5 en in afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel uiteengezette methoden.

3.  
►M17  In afwijking van artikel 92, lid 4, punt e), mogen instellingen die de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb berekenen als een bedrag gelijk aan 50 % van het eigenvermogensvereiste voor de derivatenblootstellingen die zijn berekend overeenkomstig afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naargelang het geval. ◄

In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die blootstellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen hoe instellingen de in lid 2 bedoelde risicogewogen posten moeten berekenen wanneer een of meerdere voor die berekening vereiste inputs niet beschikbaar zijn.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 maart 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 132 ter

In benaderingen voor het berekenen van risicogewogen posten van icb's buiten beschouwing gelaten factoren

1.  
Instellingen mogen de door een icb aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1-, tier 2-instrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die zij overeenkomstig respectievelijk artikel 36, lid 1, artikel 56, artikel 66 en artikel 72 sexies in mindering moeten brengen, bij de in artikel 132 bedoelde berekeningen buiten beschouwing laten.

▼M17

2.  
Instellingen kunnen blootstellingen in aandelen van de in artikel 132 bedoelde berekeningen uitsluiten van onderliggende blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb’s aan entiteiten aan wie kredietverplichtingen krachtens dit hoofdstuk een risicogewicht van 0 % hebben toegekend, met inbegrip van door de overheid gesponsorde entiteiten waarvoor een risicogewicht van 0 % kan worden toegepast, en blootstellingen in aandelen als bedoeld in artikel 133, lid 5, en in plaats daarvan de behandeling van artikel 133 op die blootstellingen in aandelen toepassen.

▼M8

Artikel 132 quater

Behandeling van blootstellingen buiten de balanstelling aan icb's

1.  

Instellingen berekenen de waarde van risicogewogen posten voor hun posten buiten de balanstelling met het potentieel om te worden omgezet in blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb, door de blootstellingswaarden daarvan, berekend overeenkomstig artikel 111, te vermenigvuldigen met het volgende risicogewicht:

a) 

voor alle blootstellingen waarvoor instellingen één van de in artikel 132 bis beschreven benaderingen gebruiken:

waarbij:

=

het risicogewicht;

i

=

de index die de icb aangeeft;

RWAEi

=

het bedrag berekend overeenkomstig artikel 132 bis voor een icbi;

=

de blootstellingswaarde van de blootstellingen van icbi;

Ai

=

de boekwaarde van de activa van icbi; en

EQi

=

de boekwaarde van de aandelen van icbi.

b) 
voor alle overige blootstellingen,

.
2.  
►M17  Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van een minimumwaardeverplichting die voldoet aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel als de met behulp van een risicovrije rente afgeleide disconteringsfactor gedisconteerde huidige waarde van het gegarandeerde bedrag krachtens artikel 325 terdecies, lid 2 of 3, naargelang het geval. Instellingen mogen eventuele volgens de toepasselijke normen voor jaarrekeningen opgenomen verliezen in verband met de minimumwaardeverplichting in mindering brengen op de blootstellingswaarde van de minimumwaardeverplichting. ◄

Instellingen berekenen de risicogewogen posten voor blootstellingen buiten de balanstelling die voortvloeien uit minimumwaardeverplichtingen die voldoen aan alle voorwaarden van lid 3 van dit artikel door de blootstellingswaarde van die blootstellingen te vermenigvuldigen met een omrekeningsfactor van 20 % en het risicogewicht afgeleid krachtens artikel 132 of artikel 152.

3.  

Instellingen bepalen de risicogewogen posten voor blootstellingen buiten de balanstelling die voortvloeien uit minimumwaardeverplichtingen overeenkomstig lid 2 mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de blootstelling buiten de balanstelling van de instelling is een minimumwaardeverplichting voor een belegging in rechten van deelneming of aandelen van een of meerdere icb's volgens welke de instelling slechts tot de betaling uit hoofde van de minimumwaardeverplichting is gehouden indien de marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's op een of meerdere tijdstippen onder een vooraf bepaalde drempel ligt, zoals nader bepaald in het contract;

b) 

de icb is een van de volgende entiteiten:

i) 

een icbe in de zin van Richtlijn 2009/65/EG; of

ii) 

een abi in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU die uitsluitend belegt in effecten of andere liquide financiële activa als bedoeld in artikel 50, lid 1, van Richtlijn 2009/65/EG, mits het beleggingsbeleid van de abi geen hogere hefboomwerking toestaat dan die welke krachtens artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2009/65/EG is toegestaan;

c) 

de huidige marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb die aan de basis liggen van de minimumwaardeverplichting zonder dat het effect van de minimumwaardeverplichtingen buiten de balanstelling in aanmerking wordt genomen, dekt of overtreft de huidige waarde van de in de minimumwaardeverplichting bepaalde drempel;

d) 

indien het surplus van de marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's in vergelijking met de huidige waarde van de minimumwaardeverplichting afneemt, kan de instelling, of een andere onderneming voor zover die onder het geconsolideerd toezicht staat waaraan ook de instelling zelf is onderworpen overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2002/87/EG, de samenstelling van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's beïnvloeden of het potentieel voor een verdere afname van het surplus anderszins beperken;

e) 

de uiteindelijke directe of indirecte begunstigde van de minimumwaardeverplichting is in de regel een niet-professionele cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 11, van Richtlijn 2014/65/EU.

▼M17

Artikel 133

Blootstellingen in aandelen

1.  

Alle volgende blootstellingen worden ingedeeld als blootstellingen in aandelen:

a) 

blootstellingen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

i) 

de blootstelling is niet-aflosbaar in die zin dat restitutie van de belegde middelen alleen mogelijk is door de verkoop van de belegging of de verkoop van de rechten op de belegging of door de liquidatie van de uitgevende instelling;

ii) 

de blootstelling houdt geen verplichting van de uitgevende instelling in;

iii) 

de blootstelling verleent een restvordering op de activa of de inkomsten van de uitgevende instelling;

b) 

instrumenten die als tier 1-bestanddelen zouden kwalificeren indien zij door een instelling waren uitgegeven;

c) 

instrumenten die een verplichting voor de uitgevende instelling inhouden, en aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen:

i) 

de uitgevende instelling kan de afwikkeling van de verplichting onbeperkt uitstellen;

ii) 

de verplichting vereist de afwikkeling door de uitgifte van een vast aantal gewone aandelen van de uitgevende instelling, of staat dat naar discretie van de uitgevende instelling toe;

iii) 

de verplichting vereist de afwikkeling door de uitgifte van een variabel aantal gewone aandelen van de uitgevende instelling, of staat dat naar discretie van de uitgevende instelling toe, en, in overigens gelijke omstandigheden, veranderingen in de waarde van de verplichting zijn toe te schrijven aan, vergelijkbaar met en gaan in dezelfde richting als de verandering in de waarde van een vast aantal gewone aandelen van de uitgevende instelling;

iv) 

de houder van het instrument heeft de optie om te verlangen dat de verplichting wordt afgewikkeld in gewone aandelen, tenzij een van de volgende voorwaarden is vervuld:

1) 

in het geval van een verhandelbaar instrument: de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het instrument op de markt meer als de schuld van de uitgevende instelling dan als haar eigen vermogen wordt verhandeld;

2) 

in het geval van niet-verhandelbare instrumenten: de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het instrument als een schuldpositie moet worden behandeld;

d) 

schuldverplichtingen en andere effecten, partnerschappen, derivaten of andere vehikels die zodanig zijn gestructureerd dat de economische kenmerken overeenkomen met die van de in de punten a), b), en c), bedoelde blootstellingen, met inbegrip van verplichtingen waarvan het rendement aan dat van aandelen is gekoppeld;

e) 

blootstellingen in aandelen die als lening worden geboekt, doch voortvloeien uit een debt-for-equity-swap in het kader van de gecontroleerde realisatie of herstructurering van de schuld.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), iii), zijn er verplichtingen die afwikkeling vereisen of toestaan door de uitgifte van een variabel aantal gewone aandelen van de uitgevende instelling, waarvan de verandering in de monetaire waarde van de verplichting gelijk is aan de verandering van de reële waarde van een vast aantal gewone aandelen vermenigvuldigd met een vastgestelde factor, waarbij zowel de factor als het aantal aandelen waarnaar wordt verwezen, vast is.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), iv), mag, wanneer aan een van de in dat punt vastgelegde voorwaarden wordt voldaan, de instelling het risico voor toezichtdoeleinden uitsplitsen, op voorwaarde dat zij daarvoor vooraf toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen.

2.  

Beleggingen in aandelen worden in de volgende gevallen niet als blootstellingen in aandelen behandeld:

a) 

de beleggingen in aandelen zijn zodanig gestructureerd dat de economische kenmerken ervan overeenkomen met de economische kenmerken van schuldinstrumenten die niet aan de criteria in lid 1 voldoen;

b) 

de beleggingen in aandelen vormen securitisatieblootstellingen.

3.  
Blootstellingen in aandelen niet zijnde die als bedoeld in de leden 4 tot en met 7 krijgen een risicogewicht van 250 % toegekend, tenzij die blootstellingen overeenkomstig deel twee moeten worden afgetrokken of daarop een risicoweging moet worden toegepast.
4.  

De volgende blootstellingen met betrekking tot niet-beursgenoteerde ondernemingen krijgen een risicogewicht van 400 % toegekend, tenzij die blootstellingen overeenkomstig deel twee moeten worden afgetrokken of daarop een risicoweging moet worden toegepast:

a) 

beleggingen bestemd voor wederverkoop op korte termijn;

b) 

beleggingen in durfkapitaalbedrijven of vergelijkbare beleggingen die worden verworven in afwachting van aanzienlijke kapitaalwinst op korte termijn.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid krijgen langetermijnbeleggingen in aandelen, met inbegrip van beleggingen in aandelen van zakelijke cliënten waarmee de instelling voor de lange termijn een zakelijke relatie is aangegaan of voornemens is aan te gaan, en debt-for-equity-swaps ten behoeve van de herstructurering van ondernemingen, overeenkomstig lid 3 of lid 5, naargelang het geval, een risicogewicht toegekend. Voor de toepassing van dit artikel is een langetermijnbelegging in aandelen een belegging in aandelen die voor drie jaar of langer wordt gehouden of die wordt gedaan met de bedoeling te worden gehouden voor drie jaar of langer zoals goedgekeurd door de directie van de instelling.

5.  

Instellingen die de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten hebben gekregen, mogen een risicogewicht van 100 % toekennen aan blootstellingen in aandelen die zijn ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma’s waarmee specifieke economische sectoren worden gestimuleerd, tot het deel van dergelijke blootstellingen in aandelen dat gezamenlijk maximaal 10 % van het eigen vermogen van de instellingen bedraagt, en die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a) 

de wetgevingsprogramma’s verstrekken de instelling aanzienlijke subsidies of garanties, onder meer door multilaterale ontwikkelingsbanken, publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstellingen in de zin van artikel 429 bis, lid 2, of internationale organisaties, ten behoeve van de belegging;

b) 

de wetgevingsprogramma’s omvatten een bepaalde mate van toezicht door de overheid;

c) 

de wetgevingsprogramma’s omvatten beperkingen op de belegging in aandelen, zoals met betrekking tot de omvang en het soort bedrijven waarin de instelling belegt, de toegestane bedragen van eigendomsbelangen, de geografische locatie en andere relevante factoren die het potentiële risico van de belegging voor de beleggingsinstelling beperken.

6.  
Blootstellingen in aandelen met betrekking tot centrale banken krijgen een risicogewicht van 0 % toegekend.
7.  
Aandelenbelangen die als lening worden geboekt, doch voortvloeien uit een debt-for-equity-swap in het kader van de gecontroleerde realisatie of herstructurering van de schuld, krijgen een risicogewicht toegekend dat niet lager is dan het risicogewicht dat van toepassing zou zijn indien het aandelenbelang behandeld werd als een blootstelling met betrekking tot schulden.

▼B

Artikel 134

Andere posten

▼C2

1.  
Aan materiële activa in de zin van punt 10 onder titel „Activa” in artikel 4 van Richtlijn 86/635/EEG wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

▼B

2.  
Aan overlopende posten waarvoor de instelling niet in staat is om overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG uit te maken wie de tegenpartij is, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

▼M17

3.  
Aan liquide middelen in de inningsfase wordt een risicogewicht van 20 % toegekend. Aan kasmiddelen in het bezit van en aangehouden door de instelling of vervoerd met geldtransporten en aan gelijkwaardige liquide middelen wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

▼B

4.  
Aan het goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of is toegewezen voor zover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.
5.  
Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die welke toegekend zijn aan de betrokken activa en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties.

▼M5

6.  
Indien een instelling voor een reeks blootstellingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de n-de wanbetaling op de blootstellingen aanleiding geeft tot betaling en dat die kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich meebrengt, worden de risicogewichten van alle blootstellingen, op n-1 blootstellingen na, geaggregeerd tot een maximum van 1 250  % en vermenigvuldigd met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie om de risicogewogen post voor blootstellingen te verkrijgen. De n-1 posities die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het betreft elke blootstelling waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post voor alle blootstellingen die in de aggregatie zijn opgenomen.

▼B

7.  
Bij lease-overeenkomsten is de blootstellingswaarde gelijk aan de gedisconteerde minimumleasebetalingen. De minimumleasebetalingen zijn de betalingen gedurende de leasetermijn die de leasenemer moet betalen of kan worden verplicht te betalen alsmede alle gunstige koopopties die naar alle waarschijnlijkheid worden uitgeoefend. Als een andere partij dan de leasenemer verplicht kan worden een betaling te verrichten in verband met de restwaarde van een geleased goed en deze betalingsverplichting voldoet aan de reeks voorwaarden van artikel 201 betreffende de toelaatbaarheid van protectiegevers alsook de vereisten van de artikelen 213 tot en met 215 voor de erkenning van andere soorten garanties, kan deze betalingsverplichting op basis van hoofdstuk 4 in aanmerking worden genomen als niet-volgestorte kredietprotectie. Deze blootstellingen worden overeenkomstig artikel 112 in de desbetreffende categorie blootstellingen ondergebracht. Indien de blootstelling een restwaarde van geleasede activa is, wordt de risicogewogen post als volgt berekend: 1/t * 100 % * restwaarde, waarbij t gelijk is aan 1 jaar of aan het dichtstbijzijnde aantal resterende volle jaren van de leaseovereenkomst, indien het laatste hoger is.

Afdeling 3

Erkenning en mapping van kredietrisicobeoordeling

Onderafdeling 1

Erkenning van EKBI's

Artikel 135

Gebruik van kredietbeoordelingen door EKBI's

1.  
Een externe kredietbeoordeling mag voor de bepaling van het risicogewicht van een blootstelling op basis van dit hoofdstuk alleen worden gebruikt als deze is afgegeven door een EKBI of bekrachtigd is door een EKBI overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009.
2.  
De EBA publiceert op haar website de lijst van EKBI's overeenkomstig artikel 2, lid 4, en artikel 18, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

▼M17

3.  
Uiterlijk op 10 juli 2025 stelt de ESMA een verslag op over de vraag of ESG-risico’s op passende wijze tot uiting komen in EKBI-kredietrisicobeoordelingsmethoden en legt zij dat verslag voor aan de Commissie.

Op basis van dat verslag zal de Commissie, zo nodig, uiterlijk op 10 januari 2026 een wetgevingsvoorstel indienen bij het Europees Parlement en de Raad.

▼B

Onderafdeling 2

Mapping van kredietbeoordelingen van EKBI’S

Artikel 136

Mapping van kredietbeoordelingen van EKBI’s

1.  
De EBA, de EIOPA en de ESMA ontwikkelen, via hun Gemengd Comité van de ETA's ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om voor alle erkende EKBI's te bepalen in welke kredietkwaliteitscategorie van afdeling 2 de betrokken kredietbeoordelingen van de erkende EKBI's worden ondergebracht ("mapping"). Daarbij gaan zij objectief en consequent te werk.

De EBA, de EIOPA en de ESMA leggen die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 juli 2014 voor aan de Commissie en dient zo nodig herziene ontwerpen van technische uitvoeringsnormen in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

2.  

Bij het mappen van kredietbeoordelingen voldoen de EBA, de EIOPA en de ESMA aan de volgende vereisten:

a) 

om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de EBA, de EIOPA en de ESMA uit van kwantitatieve factoren zoals de wanbetalingsgraad op lange termijn in verband met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend. Voor recent opgerichte EKBI's en voor EKBI's die over nog maar weinig wanbetalinggegevens beschikken, vragen de EBA, de EIOPA en de ESMA de betrokken EKBI welke wanbetalingsgraad op lange termijn volgens haar overeenkomt met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend;

b) 

om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de EBA, de EIOPA en de ESMA uit van kwalitatieve factoren zoals de groep uitgevende instellingen die door de EKBI wordt bestreken, het spectrum van kredietbeoordelingen die door de EKBI worden toegekend, de betekenis van elke kredietbeoordeling en de door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling;

c) 

De EBA, de EIOPA en de ESMA vergelijken de voor elke kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden en vergelijken deze met een referentiewaarde die is opgesteld op basis van de wanbetalingsgraden die door andere EKBI's zijn geconstateerd bij een populatie van uitgevende instellingen waaraan een gelijkwaardig kredietrisico verbonden is;

d) 

wanneer de voor de kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, brengen de EBA, de EIOPA en de ESMA de kredietbeoordeling van de betrokken EKBI onder in een hogere kredietkwaliteitscategorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal;

e) 

wanneer de EBA, de EIOPA en de ESMA het met een specifieke kredietbeoordeling van een EKBI overeenkomende risicogewicht hebben verhoogd en de voor de kredietbeoordeling van die EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden niet langer systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, kunnen de EBA, de EIOPA en de ESMA de kredietbeoordeling van de EKBI wederom in de oorspronkelijke kredietkwaliteitscategorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal onderbrengen.

3.  
De EBA, de EIOPA en de ESMA ontwikkelen ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 2, onder a), bedoelde kwantitatieve factoren, van de in lid 2, onder b), bedoelde kwalitatieve factoren en van de in lid 2, onder c), bedoelde referentiewaarde.

De EBA, de EIOPA en de ESMA leggen die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 juli 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Onderafdeling 3

Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen

Artikel 137

Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen

1.  

Voor de toepassing van artikel 114 mag een instelling gebruik maken van de kredietbeoordelingen van een door die instelling aangewezen exportkredietverzekeringsmaatschappij, mits aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

het is een via een consensus tot stand gekomen risicoscore van exportkredietverzekeringsmaatschappijen die deelnemen aan de OESO-regeling inzake richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten;

b) 

de exportkredietverzekeringsmaatschappij publiceert haar kredietbeoordelingen en houdt zich aan de OESO-methode; de kredietbeoordeling is gekoppeld aan een van de acht minimumexportverzekeringspremies (MEVP) waarin de OESO-methode voorziet. Een instelling mag haar aanwijzing van een exportkredietverzekeringsmaatschappij intrekken. De instelling omkleedt de intrekking met redenen wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat met de intrekking wordt beoogd de kapitaaltoereikendheidsvereisten te versoepelen.

2.  

Aan blootstellingen waarvoor een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij voor risicowegingsdoeleinden wordt erkend, wordt conform tabel 9 een risicogewicht toegekend.



Tabel 9

MEVP

0

1

2

3

4

5

6

7

Risicogewicht

0  %

0  %

20  %

50  %

100  %

100  %

100  %

150  %

Afdeling 4

Gebruik van kredietbeoordelingen van ekbi's voor de bepaling van risicogewichten

Artikel 138

Algemene vereisten

Een instelling kan een of meer EKBI's aanwijzen als de EKBI's die zij zal gebruiken voor het bepalen van de risicogewichten die aan de actiefposten en posten buiten de balanstelling worden toegekend. Een instelling mag haar aanwijzing van een EKBI intrekken. De instelling omkleedt de intrekking met redenen wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat met de intrekking wordt beoogd de kapitaaltoereikendheidsvereisten te versoepelen. Kredietbeoordelingen worden niet selectief gebruikt. Een instelling maakt alleen gebruik van gevraagde kredietbeoordelingen. Zij mag echter ook ongevraagde kredietbeoordelingen gebruiken indien de EBA heeft bevestigd dat ongevraagde kredietbeoordelingen van een EKBI geen kwaliteitsverschil met gevraagde kredietbeoordelingen van die EKBI vertonen. De EBA weigert of herroept die bevestiging met name indien de EKBI een ongevraagde kredietbeoordeling heeft gebruikt om de beoordeelde entiteit onder druk te zetten om een opdracht tot een kredietbeoordeling of andere diensten te geven. Bij het gebruiken van kredietbeoordelingen voldoen de instellingen aan de volgende vereisten:

a) 

een instelling die besluit om voor een bepaalde categorie posten van de kredietbeoordelingen van een EKBI gebruik te maken, hanteert deze kredietbeoordelingen consequent voor alle blootstellingen die tot die categorie behoren;

b) 

een instelling die besluit om van de kredietbeoordelingen van een EKBI gebruik te maken, past deze kredietbeoordelingen continu en consequent in de tijd toe;

c) 

een instelling mag alleen gebruik maken van EKBI-kredietbeoordelingen die rekening houden met alle haar zowel in hoofdsom als in rente verschuldigde bedragen;

d) 

indien voor een post met een externe rating slechts één kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht van de betrokken post;

e) 

indien voor een post met een externe rating twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn en elk van beide kredietbeoordelingen met een verschillend risicogewicht overeenkomt, dan wordt het hoogste risicogewicht toegepast;

f) 

indien voor een post met een externe rating meer dan twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn, wordt verwezen naar de twee kredietbeoordelingen die met de laagste risicogewichten overeenkomen. Indien de laagste twee risicogewichten verschillend zijn, wordt het hoogste risicogewicht toegepast. Indien de laagste twee risicogewichten gelijk zijn, wordt dat risicogewicht toegepast;

▼M17

g) 

Voor blootstellingen met betrekking tot instellingen gebruikt een instelling geen EKBI-kredietbeoordeling waarin aannames van impliciete overheidsondersteuning worden meegenomen, tenzij de betrokken EKBI-kredietbeoordeling een instelling betreft die in handen is van of is opgericht en wordt gefinancierd door centrale overheden, regionale overheden of lokale overheden.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt g), worden in het geval van instellingen niet zijnde instellingen die in handen zijn van of zijn opgericht en worden gefinancierd door centrale overheden, regionale overheden of lokale overheden en waarvoor alleen EKBI-kredietbeoordelingen voorhanden zijn die aannames van impliciete overheidsondersteuning meenemen, blootstellingen met betrekking tot dergelijke instellingen overeenkomstig artikel 121 behandeld als blootstellingen met betrekking tot instellingen zonder rating.

„Impliciete overheidsondersteuning” betekent dat de centrale overheid, regionale overheid of lokale overheid handelt om te beletten dat schuldeisers van de instelling verliezen lijden bij wanbetaling of moeilijkheden van de instelling.

▼B

Artikel 139

Kredietbeoordeling van uitgevende instellingen en uitgiften

1.  
Indien er een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende blootstelling deel uitmaakt, wordt van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het op die post toepasselijke risicogewicht.
2.  

Indien er voor een bepaalde post geen direct toepasselijke kredietbeoordeling bestaat, maar er wel een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende blootstelling geen deel uitmaakt, of er voor de uitgevende instelling een algemene kredietbeoordeling bestaat, wordt deze kredietbeoordeling in een van de volgende gevallen gebruikt:

▼M17

a) 

de kredietbeoordeling levert een hoger risicogewicht op dan het geval zou zijn indien de blootstelling behandeld werd als zijnde zonder rating en de betrokken blootstelling in kwestie:

i) 

geen blootstelling uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening is;

ii) 

in alle opzichten dezelfde rang (pari passu) heeft als of een lagere rang dan het specifieke uitgifteprogramma of de specifieke uitgiftefaciliteit, of dan niet-achtergestelde niet door zekerheden gedekte blootstellingen van die uitgevende instelling, naargelang het geval;

b) 

de kredietbeoordeling levert een lager risicogewicht op dan het geval zou zijn indien de blootstelling behandeld werd als zijnde zonder rating en de betrokken blootstelling in kwestie:

i) 

geen blootstelling uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening is;

ii) 

in alle opzichten dezelfde rang (pari passu) heeft als of een hogere rang dan het specifieke uitgifteprogramma of de specifieke uitgiftefaciliteit, of dan niet-achtergestelde niet door zekerheden gedekte blootstellingen van die uitgevende instelling, naargelang het geval.

▼B

In alle andere gevallen wordt de blootstelling als een blootstelling zonder rating behandeld.

3.  
De leden 1 en 2 mogen de toepassing van artikel 129 niet beletten.
4.  
Kredietbeoordelingen voor uitgevende instellingen die tot een groep behoren, mogen niet worden gebruikt als kredietbeoordeling van een andere uitgevende instelling van dezelfde groep.

Artikel 140

Kredietbeoordelingen voor de korte en de lange termijn

1.  
Kredietbeoordelingen voor de korte termijn mogen alleen worden gebruikt voor actiefposten en posten buiten de balanstelling op korte termijn die blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen vertegenwoordigen.
2.  

Een kredietbeoordeling voor de korte termijn is uitsluitend van toepassing op de post waarop deze kredietbeoordeling betrekking heeft en mag niet worden gebruikt voor de bepaling van risicogewichten voor andere posten, behalve in de volgende gevallen:

a) 

indien aan een faciliteit met een kortetermijnrating een risicogewicht van 150 % wordt toegekend, dan wordt aan alle niet-gedekte blootstellingen zonder rating op de betrokken debiteur, ongeacht of deze kortlopend dan wel langlopend zijn, eveneens een risicogewicht van 150 % toegekend;

b) 

indien aan een faciliteit met een kortetermijnrating een risicogewicht van 50 % wordt toegekend, dan wordt aan geen enkele kortlopende blootstelling zonder rating een risicogewicht van minder dan 100 % toegekend.

▼M17

Artikel 141

In nationale en buitenlandse valuta luidende posten

1.  
Een kredietbeoordeling die betrekking heeft op een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt, wordt niet gebruikt voor het bepalen van een risicogewicht van een in een buitenlandse valuta luidende blootstelling met betrekking tot dezelfde debiteur.
2.  
In afwijking van lid 1 mag, wanneer een blootstelling ontstaat als gevolg van de deelneming van een instelling aan een lening die is verstrekt of tegen convertibiliteit- en transferrisico gegarandeerd door een in artikel 117, lid 2, vermelde multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van preferente crediteur op de markt wordt erkend, de kredietbeoordeling van de in de nationale valuta van de debiteur luidende post worden gebruikt om een risicogewicht te bepalen voor een in een buitenlandse valuta luidende blootstelling met betrekking tot diezelfde debiteur.

Voor de toepassing van de eerste alinea mag, wanneer de in een buitenlandse valuta luidende blootstelling tegen convertibiliteits- en transferrisico wordt gegarandeerd, de kredietbeoordeling voor de in de nationale valuta van de debiteur luidende post alleen worden gebruikt ten behoeve van de risicoweging van het gegarandeerde deel van die blootstelling. Het deel van die blootstelling dat niet wordt gegarandeerd, krijgt een risicoweging op basis van een kredietbeoordeling van de debiteur waarop een in die buitenlandse valuta luidende post betrekking heeft.

▼B

HOOFDSTUK 3

Interneratingbenadering

Afdeling 1

Toestemming van de bevoegde autoriteiten voor het gebruik van de interneratingbenadering

Artikel 142

Definities

1.  

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(1)

"ratingsysteem" : alle methoden, processen, controlemaatregelen, gegevensverzamelings- en IT-systemen die de beoordeling van het kredietrisico, de onderbrenging van blootstellingen in ratingklassen of -groepen en de kwantificering van ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen ondersteunen die voor een bepaald soort blootstellingen zijn ontwikkeld;

▼M17

(1 bis)

„blootstellingscategorie” : een van de blootstellingscategorieën als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt a), punt a bis), i) of ii), punt b), punt c), i), ii) of iii), punt d), i), ii), iii), of iv), en punt e), e bis), f) of g);

(1 ter)

„blootstellingen met betrekking tot ondernemingen” : een blootstelling die is ondergebracht in een van de blootstellingscategorieën als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), i), ii) of iii);

(1 quater)

„blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen” : een blootstelling die is ondergebracht in een van de blootstellingscategorieën als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), i), ii), iii) of iv);

(1 quinquies)

„blootstellingen met betrekking tot regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen” : een blootstelling die is ondergebracht in de blootstellingscategorieën als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt a bis), i) of ii);

▼M17

(2)

„soort blootstellingen” : een groep homogeen beheerde blootstellingen, die beperkt kunnen zijn tot een enkele entiteit of een enkele subgroep van entiteiten binnen een groep, op voorwaarde dat dezelfde soort blootstellingen in andere entiteiten van de groep anders beheerd wordt;

▼B

(3)

"bedrijfseenheid" : elke organisatorische of juridische entiteit, elk bedrijfsonderdeel, elke geografische locatie afzonderlijk beschouwd;

▼M17

(4)

„grote gereglementeerde entiteit uit de financiële sector” :

een entiteit uit de financiële sector die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

de totale activa van de entiteit, of de totale activa van haar moederonderneming indien de entiteit een moederonderneming heeft, berekend op individuele of geconsolideerde basis, zijn groter dan of gelijk aan 70 miljard EUR, waarbij het meest recente gecontroleerde financiële overzicht of geconsolideerde financiële overzicht gebruikt wordt om de omvang van de activa te bepalen;

b) 

de entiteit is onderworpen aan prudentiële vereisten, hetzij direct op individuele of geconsolideerde basis, hetzij indirect via de prudentiële consolidatie van haar moederonderneming, overeenkomstig de onderhavige verordening, Verordening (EU) 2019/2033 of Richtlijn 2009/138/EG, of wettelijke prudentiële vereisten van een derde land die ten minste gelijkwaardig zijn aan die Uniehandelingen;

(5)

„niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële sector” : een entiteit uit de financiële sector die niet aan de voorwaarde van punt 4, b), voldoet;

▼M17

(5 bis)

„grote onderneming” : een onderneming met een geconsolideerde jaaromzet van meer dan 500 miljoen EUR of die deel uitmaakt van een groep waar de totale jaaromzet voor de geconsolideerde groep meer dan 500 miljoen EUR bedraagt.

▼B

(6)

"debiteurenklasse" : een risicocategorie in een ratingschaal voor debiteuren van een ratingsysteem waarin debiteuren worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit de kansen op wanbetaling worden afgeleid;

(7)

"faciliteitsklasse" : een risicocategorie in een schaal voor faciliteiten van een ratingsysteem waarin blootstellingen worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit ramingen van verlies bij wanbetaling worden afgeleid;

▼M5 —————

▼M17

8 bis)

„modelleringsbenadering PD/LGD-aanpassing” : een aanpassing van de LGD of modellering van een aanpassing van zowel de PD als de LGD van de onderliggende blootstelling;

9)

„RW-vloer ten aanzien van de protectiegever” : het risicogewicht dat van toepassing is op een vergelijkbare, directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever;

10)

„in aanmerking genomen” niet-volgestorte kredietprotectie bij een blootstelling waarvoor een instelling de IRB-benadering toepast met gebruikmaking van haar eigen LGD-ramingen op grond van artikel 143 :

een niet-volgestorte kredietprotectie waarvan het effect op de berekening van risicogewogen posten of verwachte verliesposten van de onderliggende blootstelling in aanmerking wordt genomen aan de hand van een van de volgende methoden, overeenkomstig artikel 108, lid 3:

a) 

modelleringsbenadering PD/LGD-aanpassing;

b) 

benadering met substitutie van risicoparameters in de A-IRB zoals gedefinieerd in artikel 192, punt 5;

11)

„SA-CCF” : het krachtens hoofdstuk 2 toepasselijke percentage, overeenkomstig artikel 111, lid 2;

12)

„IRB-CCF” : eigen ramingen van de omrekeningsfactor.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt 5 bis), moeten bij de beoordeling van de verkoopdrempel de bedragen vermeld worden zoals in de gecontroleerde financiële overzichten van de ondernemingen, of, voor ondernemingen die deel uitmaken van geconsolideerde groepen, hun geconsolideerde groepen overeenkomstig de standaard voor jaarrekeningen die van toepassing is op de uiteindelijke moederonderneming van de geconsolideerde groep. De cijfers moeten gebaseerd zijn op de gemiddelde bedragen die over de voorgaande drie jaar zijn berekend, of op de laatste bedragen die om de drie jaar door de instelling worden geactualiseerd.

▼B

2.  
Voor de toepassing van lid 1, punt 4, onder b) van dit artikel kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie wordt toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 de in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen wanneer de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 als voor deze behandeling in aanmerking komend hadden aangemerkt.

Artikel 143

Toestemming voor het gebruik van de interneratingbenadering

1.  
Indien aan de voorwaarden van dit hoofdstuk wordt voldaan, staat de bevoegde autoriteit instellingen toe hun risicogewogen posten te berekenen aan de hand van de interneratingbenadering (IRB-benadering).

▼M17

2.  
Voor elke categorie blootstellingen, voor elk ratingsysteem en voor elke benadering voor het ramen van gebruikte LGD’s en CCF’s moet voorafgaande toestemming worden verleend voor het gebruik van de IRB-benadering, inclusief de eigen LGD-ramingen en IRB-CCF.

▼B

3.  

De instellingen verkrijgen de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten voor:

▼M17

a) 

wezenlijke wijzigingen in het toepassingsgebied van een ratingsysteem waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen;

b) 

wezenlijke wijzigingen in een ratingsysteem waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen.

▼B

Het toepassingsgebied van een ratingsysteem bestrijkt alle blootstellingen van de relevante soort blootstellingen waarvoor dat ratingsysteem werd ontwikkeld.

▼M17

4.  
De instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van alle wijzigingen in ratingsystemen.
5.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden voor het beoordelen van de materialiteit van het gebruik van een bestaand ratingsysteem voor andere nieuwe blootstellingen die niet reeds onder dat ratingsysteem vallen, en wijzigingen van ratingsystemen in het kader van de IRB-benadering.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 144

Beoordeling door de bevoegde autoriteiten van een aanvraag voor het gebruik van een IRB-benadering

1.  

De bevoegde autoriteit verleent een instelling uitsluitend de toestemming op basis van artikel 143 de IRB-benadering te gebruiken, alsook eigen ramingen van LGD en omrekeningsfactoren te gebruiken, indien de bevoegde autoriteit voldoende overtuigd is dat voldaan is aan de in dit hoofdstuk vastgestelde vereisten, met name die van afdeling 6, en dat de systemen van de instelling voor het beheer en de rating van blootstellingen aan kredietrisico solide zijn en op integere wijze worden toegepast, en in het bijzonder dat de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat de volgende normen zijn nageleefd:

a) 

de ratingsystemen van de instelling maken een bruikbare beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken, een bruikbare risicodifferentiatie en precieze en samenhangende kwantitatieve risicoramingen mogelijk;

b) 

de voor de berekening van de eigenvermogensvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van de omvang van wanbetalingen en verliezen, alsmede de daarmee samenhangende systemen en processen spelen een essentiële rol bij het risicobeheer en de besluitvorming, alsook bij de kredietacceptatie, de interne kapitaalallocatie en de corporate governance van de instelling;

c) 

de instelling heeft een voor haar ratingsystemen verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en niet kan worden beïnvloed;

d) 

de instelling verzamelt alle gegevens aan de hand waarvan de kredietrisico's effectief kunnen worden gemeten en beheerd, en slaat deze gegevens op;

e) 

de instelling legt haar ratingsystemen in documentatie vast, geeft aan waarom ze zo zijn opgezet en valideert ze;

▼M17

f) 

de instelling heeft elk ratingsysteem gevalideerd binnen een passende tijdsperiode vóór de toestemming voor het gebruik van dat ratingsysteem, heeft tijdens die tijdsperiode beoordeeld of elk ratingsysteem geschikt is voor het toepassingsgebied van dat ratingsysteem, en heeft naar aanleiding van haar beoordeling de nodige wijzigingen aangebracht in elk ratingsysteem;

▼M8

g) 

de instelling heeft in het kader van de IRB-benadering de eigenvermogensvereisten berekend die resulteren uit haar ramingen van risicoparameters en is in staat de bij artikel 430 voorgeschreven rapportage te verrichten;

▼M17

h) 

de instelling heeft elke blootstelling binnen het toepassingsgebied van een ratingsysteem in een ratingklasse of -groep van dat ratingsysteem ondergebracht en blijft dat doen.

▼B

De vereisten voor het gebruik van een IRB-benadering, inclusief eigen ramingen van LGD en omrekeningsfactoren, zijn ook van toepassing wanneer een instelling een ratingsysteem of een binnen een ratingsysteem gebruikt model heeft ingesteld dat zij van een derde-verkoper heeft aangekocht.

▼M17

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de beoordelingsmethode die de bevoegde autoriteiten moeten volgen wanneer zij beoordelen of een instelling de vereisten voor het gebruik van de IRB-benadering naleeft.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 145

Eerdere ervaring met het gebruik van IRB-benaderingen

1.  
Een instelling die een aanvraag indient voor het gebruik van de IRB-benadering, heeft gedurende ten minste drie jaar voordat zij daartoe het recht krijgt, voor de betrokken IRB-categorieën blootstellingen ratingsystemen gehanteerd die grotendeels sporen met de in afdeling 6 vermelde vereisten voor de meting en het beheer van interne risico's.
2.  
Een instelling die een aanvraag indient om gebruik te mogen maken van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren, bewijst ten genoegen van de bevoegde autoriteiten dat zij gedurende ten minste drie jaar voordat zij het recht krijgt eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren te gebruiken, geraamd heeft en eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren heeft gebruikt op een wijze die grotendeels spoorde met de in afdeling 6 vermelde vereisten voor het gebruik van eigen ramingen van de betrokken parameters.
3.  
Indien de instelling het gebruik van de IRB-benadering na de initiële toestemming voortzet, heeft de instelling voldoende ervaring om te voldoen aan de vereisten van de leden 1 en 2 met betrekking tot de nieuwe blootstellingen. Als het gebruik van ratingsystemen wordt uitgebreid tot blootstellingen die aanzienlijk verschillen van het bestaande toepassingsgebied, zodat niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de instelling over voldoende ervaring beschikt om te voldoen aan de vereisten van deze bepalingen met betrekking tot de nieuwe blootstellingen, zijn de vereisten van de leden 1 en 2 afzonderlijk op de nieuwe blootstellingen van toepassing.

Artikel 146

Maatregelen die moeten worden genomen wanneer niet langer aan de vereisten van dit hoofdstuk wordt voldaan

Indien een instelling niet langer aan de vereisten van dit hoofdstuk voldoet, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis en onderneemt zij een van de volgende stappen:

a) 

ten genoegen van de bevoegde autoriteit een plan voor een spoedige terugkeer naar naleving indienen en dat plan binnen een met de bevoegde autoriteit overeengekomen termijn ten uitvoer brengen;

b) 

ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen dat de gevolgen van de niet-naleving niet wezenlijk zijn.

Artikel 147

Methode voor het onderbrengen van blootstellingen in categorieën

1.  
Voor het onderbrengen van blootstellingen in de verschillende categorieën blootstellingen past de instelling een adequate en in de tijd gezien consistente methode toe.

▼M17

2.  

Elke blootstelling wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

a) 

blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken;

a bis) 

blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, die in de volgende blootstellingscategorieën worden ondergebracht:

i) 

blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden;

ii) 

blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen;

b) 

blootstellingen met betrekking tot instellingen;

c) 

blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, ondergebracht in de volgende blootstellingscategorieën:

i) 

algemene ondernemingen;

ii) 

blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening;

iii) 

gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen;

d) 

blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, ondergebracht in de volgende blootstellingscategorieën:

i) 

gekwalificeerde revolverende blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen (qualifying revolving retail exposure — QRRE);

ii) 

door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen;

iii) 

gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen;

iv) 

overige blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen;

e) 

blootstellingen in aandelen;

e bis) 

blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb;

f) 

posten die securitisatieposities vertegenwoordigen;

g) 

andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen.

▼B

3.  

De volgende blootstellingen worden in de lid 2, punt a), bedoelde categorie ondergebracht:

▼M17 —————

▼B

b) 

blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken als bedoeld in artikel 117, lid 2;

c) 

blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties die uit hoofde van artikel 118 een risicogewicht van 0 % krijgen.

▼M17

3 bis.  
In afwijking van lid 2 van dit artikel worden blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen ondergebracht in de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde blootstellingscategorie indien die blootstellingen worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot centrale overheden overeenkomstig artikel 115 of 116.

▼B

4.  

De volgende blootstellingen worden in de in lid 2, onder b), bedoelde categorie ondergebracht:

▼M17 —————

▼B

c) 

blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken die geen risicogewicht van 0 % krijgen op grond van artikel 117; en

d) 

blootstellingen met betrekking tot financiële instellingen die overeenkomstig artikel 119, lid 5, als blootstellingen met betrekking tot instellingen worden behandeld.

5.  

Om in de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, bedoeld in lid 2, punt d), ondergebracht te kunnen worden, voldoen de blootstellingen aan de volgende criteria:

a) 

zij hebben betrekking op een van de volgende:

i) 

blootstellingen ten aanzien van één of meerdere natuurlijke personen;

▼M17

ii) 

blootstellingen met betrekking tot een kmo, mits het totale bedrag dat de debiteur-cliënt of de groep van verbonden cliënten verschuldigd is aan de instelling en aan moederondernemingen en hun dochterondernemingen, met inbegrip van blootstellingen in wanbetaling, doch exclusief blootstellingen die ten belope van de onroerendgoedwaarde door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed worden gedekt, voor zover de instelling weet en redelijke stappen heeft gezet om zich van het bedrag van die blootstelling te vergewissen, niet hoger is dan 1 miljoen EUR;

iii) 

door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen, met inbegrip van eerste en volgende pandrechten, termijnleningen, revolverende home equity-kredietlijnen en in artikel 108, leden 4 en 5, bedoelde blootstellingen, ongeacht de omvang van de blootstelling, mits het om een van volgende blootstellingen gaat:

1) 

een blootstelling met betrekking tot een natuurlijk persoon;

2) 

een blootstelling met betrekking tot verenigingen of coöperaties van personen die bij nationaal recht zijn geregeld en die uitsluitend bestaan om hun leden het gebruik toe te kennen van een hoofdverblijfplaats in het onroerend goed dat als zekerheid voor de lening dient;

▼B

b) 

zij worden in het interne risicobeheer van de instelling in de tijd gezien consequent en op dezelfde wijze behandeld;

▼M17

c) 

zij worden niet op een even individuele basis beheerd als blootstellingen in de blootstellingscategorieën bedoeld in lid 2, punt c), i), ii) of iii);

▼B

d) 

zij maken elk deel uit van een belangrijk aantal op vergelijkbare wijze beheerde blootstellingen.

Naast de in de eerste alinea vermelde blootstellingen wordt ook de actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met leasing aan particulieren en kleine partijen bij de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen ingedeeld.

▼M17

Blootstellingen die aan alle voorwaarden van de eerste alinea, punt a), iii), en de punten b), c) en d), van dit lid voldoen, worden ondergebracht in de in lid 2, punt d), ii), bedoelde blootstellingscategorie.

In afwijking van de derde alinea van dit lid mogen bevoegde autoriteiten leningen aan natuurlijke personen die een hypotheek op meer dan vier onroerende goederen of wooneenheden hebben lopen, met inbegrip van de in artikel 108, lid 4, bedoelde leningen aan natuurlijke personen, uitsluiten van de in lid 2, punt d), ii), bedoelde blootstellingscategorie en die leningen indelen bij een van de in lid 2, punt c), i), ii) of iii), bedoelde blootstellingscategorieën.

5 bis)  

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die behoren tot een soort blootstellingen die aan alle volgende voorwaarden voldoen, worden in de in lid 2, punt d), i), bedoelde blootstellingscategorie ondergebracht:

a) 

bij dat soort blootstellingen gaat het om blootstellingen met betrekking tot een of meer natuurlijke personen;

b) 

bij dat soort blootstellingen gaat het om revolverende, niet door zekerheden gedekte blootstellingen die, voor zover de kredietlijnen niet worden aangesproken, onmiddellijk en onvoorwaardelijk door de instelling kunnen worden opgezegd;

c) 

de maximale blootstelling in dat soort blootstellingen met betrekking tot één natuurlijk persoon bedraagt 100 000  EUR of minder;

d) 

dat soort blootstellingen wordt gekenmerkt door lage volatiliteit van de verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages, vooral in de lage PD-bandbreedtes;

e) 

de behandeling van blootstellingen die in die soort blootstellingen zijn ondergebracht als gekwalificeerde revolverende blootstelling met betrekking tot particulieren en kleine partijen spoort met de onderliggende risicokenmerken van dat soort blootstellingen.

In afwijking van de eerste alinea, punt b), is het vereiste dat de blootstellingen niet gedekt zijn, niet van toepassing ten aanzien van door een zekerheid gedekte kredietfaciliteiten die aan een salarisrekening zijn gekoppeld. In dat geval wordt in de LGD-ramingen geen rekening gehouden met op de zekerheid verhaalde bedragen.

Instellingen onderscheiden binnen de in lid 2, punt d), i), bedoelde blootstellingscategorie blootstellingen met betrekking tot een transactor („QRRE-transactors”) en blootstellingen niet zijnde blootstellingen met betrekking tot een transactor („QRRE-revolvers”). Meer bepaald worden QRRE’s met een terugbetalingsgeschiedenis van minder dan twaalf maanden aangemerkt als QRRE-revolvers.

▼M17

6.  
Tenzij zij in de in lid 2, punt e bis), van dit artikel bedoelde blootstellingscategorie zijn ondergebracht, worden de in artikel 133, lid 1, bedoelde blootstellingen ondergebracht in de in lid 2, punt e), van dit artikel bedoelde blootstellingscategorie.
7.  
Kredietverplichtingen die niet in een van de in lid 2, punt a), punt a bis, i) of ii), punt b), punt d), i), ii), iii) of iv), en punt e), e bis) of f), bedoelde categorieën zijn ondergebracht, worden ondergebracht in een van de in punt c), i), ii) of iii), van dat lid bedoelde categorieën blootstellingen.

▼B

8.  

Blootstellingen in de in lid 2, punt c), genoemde categorie blootstellingen met betrekking tot ondernemingen worden door instellingen afzonderlijk geregistreerd als blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als ze de volgende kenmerken bezitten:

a) 

de blootstelling heeft betrekking op een entiteit die speciaal is opgericht om materiële activa te financieren of te beheren, of vormt een in economisch opzicht vergelijkbare blootstelling;

b) 

in het contract is geregeld dat de kredietverlener een grote zeggenschap heeft over de activa en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd;

c) 

de afbetaling van de verplichting is vooral gerelateerd aan de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de individuele capaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming.

▼M17

Die blootstellingen worden ondergebracht in de in lid 2, punt c), ii), genoemde blootstellingscategorie en worden als volgt ingedeeld: „Projectfinanciering” (PF), „Objectfinanciering” (OF), „Grondstoffenfinanciering” (CF) en „Inkomstengenererend onroerend goed” (IPRE).

▼B

9.  
De in lid 2, punt g), bepaalde categorie blootstellingen omvat ook de restwaarde van geleased onroerend goed, voor zover de restwaarde niet is opgenomen in de blootstellingen uit hoofde van een leaseovereenkomst als bepaald in artikel 166, lid 4.
10.  
De blootstelling die voortvloeit uit het bieden van protectie in het kader van een basketkredietderivaat voor de n-de wanbetaling wordt in dezelfde in lid 2 bepaalde categorie ondergebracht als die waarin de in de basket opgenomen blootstellingen zouden worden ondergebracht, behalve indien de afzonderlijke in de basket opgenomen blootstellingen in verschillende categorieën blootstellingen zouden worden ondergebracht, in welk geval de blootstelling wordt ondergebracht in de categorie blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, die is vastgesteld in lid 2, punt c).

▼M17

11.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:

a) 

de indeling in PF, OF en CF, in overeenstemming met de definities van hoofdstuk 2;

b) 

de invulling van de IPRE-categorie, door met name nader te bepalen welke ADC-blootstellingen en door onroerend goed gedekte blootstellingen als IPRE kunnen of mogen worden ingedeeld.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

12.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden en criteria voor de indeling van blootstellingen in de in lid 2 bedoelde categorieën en, indien nodig, tot nadere bepaling van die blootstellingscategorieën.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 148

Voorwaarden voor het toepassen van de IRB-benadering in verschillende categorieën blootstellingen en in verschillende bedrijfseenheden

▼M17

1.  
Een instelling die overeenkomstig artikel 107, lid 1, de IRB-benadering mag toepassen, implementeert, samen met haar eventuele moederonderneming en dochterondernemingen, de IRB-benadering voor ten minste een van de blootstellingscategorieën als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt a), punt a bis), i) of ii), punt b), punt c), i), ii), of iii), punt d), i), ii), iii) of iv), of punt g). Wanneer een instelling de IRB-benadering heeft geïmplementeerd voor een bepaalde soort blootstelling binnen een blootstellingscategorie, doet zij dit voor alle blootstellingen binnen die blootstellingscategorie, tenzij zij van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om overeenkomstig artikel 150 permanent de standaardbenadering te hanteren.

Na voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten mag de implementatie van de IRB-benadering stapsgewijs worden uitgevoerd voor de verschillende blootstellingen binnen een bepaalde blootstellingscategorie binnen dezelfde bedrijfseenheid en voor verschillende bedrijfseenheden binnen dezelfde groep, of voor het gebruik van eigen ramingen van LGD of voor het gebruik van IRB-CCF.

2.  
De bevoegde autoriteiten bepalen binnen welke tijdsperiode een instelling, haar eventuele moederonderneming en dochterondernemingen de IRB-benadering moeten implementeren voor alle blootstellingen binnen een bepaalde blootstellingscategorie voor de verschillende soorten blootstellingen binnen dezelfde bedrijfseenheid en voor verschillende bedrijfseenheden binnen dezelfde groep, of voor het gebruik van eigen ramingen van LGD of voor het gebruik van IRB-CCF. Die tijdsperiode is de periode die de bevoegde autoriteiten geschikt achten op grond van de aard en de schaal van de activiteiten van de betrokken instelling, of van haar eventuele moederonderneming en dochterondernemingen, en het aantal en de aard van de te implementeren ratingsystemen.
3.  
De instellingen voeren de toepassing van de IRB-benadering uit in overeenstemming met de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde voorwaarden. De bevoegde autoriteit formuleert die voorwaarden zodanig dat de in lid 1 geboden flexibiliteit niet selectief kan worden gebruikt om lagere minimumeigenvermogensvereisten te verkrijgen voor die soorten blootstellingen of voor bedrijfseenheden die nog niet onder de IRB-benadering vallen, of bij het gebruik van eigen ramingen van LGD of bij het gebruik van IRB-CCF’s.

▼M17 —————

▼B

Artikel 149

Voorwaarden voor het teruggrijpen op minder verfijnde benaderingen

1.  

Een instelling die voor een bepaalde categorie of een bepaalde soort blootstellingen de IRB-benadering gebruikt, mag het gebruik van die benadering niet staken en in plaats daarvan de standaardbenadering toepassen voor de berekening van risicogewogen posten, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼M17

a) 

de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het gebruik van de standaardbenadering niet bedoeld is om aan regelgevingsarbitrage te doen, onder meer via buitensporige verlaging van de eigenvermogensvereisten van de instelling, dat het nodig is op basis van de aard en de complexiteit van de totale blootstellingen van dat soort van de instelling en dat het geen wezenlijk ongunstig effect zal hebben op de solvabiliteit van de instelling of haar vermogen om risico’s effectief te beheren;

▼B

b) 

de instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit ontvangen.

2.  

Instellingen die overeenkomstig van artikel 151, lid 9, toestemming hebben gekregen voor het gebruik van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren, grijpen niet terug op in artikel 151, lid 8, genoemde LGD-waarden en omrekeningsfactoren, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het gebruik van de in artikel 151, lid 8, genoemde LGD's en omrekeningsfactoren voor een bepaalde categorie of soort blootstellingen niet wordt voorgesteld om het eigenvermogensvereiste van de instelling te verlagen, dat het nodig is vanwege de aard en de complexiteit van de totale blootstellingen van deze soort van de instelling en dat het geen wezenlijk ongunstig effect zal hebben op de solvabiliteit van de instelling of haar vermogen om risico's effectief te beheren;

b) 

de instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit ontvangen.

3.  
De toepassing van de leden 1 en 2 is onderworpen aan de voorwaarden voor het uitvoeren van de IRB-benadering die bepaald worden door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 148 en de toestemming voor het in artikel 150 bedoelde permanent gedeeltelijk gebruik.

Artikel 150

Voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik

▼M17

1.  

De instellingen passen de standaardbenadering toe voor alle volgende blootstellingen:

a) 

blootstellingen die zijn ondergebracht in de in artikel 147, lid 2, punt e), genoemde blootstellingscategorie;

b) 

blootstellingen die zijn ondergebracht in blootstellingscategorieën, of behoren tot de soorten blootstellingen binnen een blootstellingscategorie, waarvoor instellingen van de bevoegde autoriteiten geen voorafgaande toestemming hebben gekregen om de IRB-benadering te gebruiken voor de berekening van de risicogewogen posten en verwachte verliesposten.

Een instelling die voor een bepaalde blootstellingscategorie de IRB-benadering mag toepassen voor de berekening van de risicogewogen posten en verwachte verliesposten, mag, op voorwaarde dat zij daarvoor voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit krijgt, de standaardbenadering toepassen op bepaalde soorten blootstellingen binnen die blootstellingscategorie, blootstellingen van buitenlandse bijkantoren en verschillende productgroepen inbegrepen, indien die blootstellingen immaterieel zijn in termen van omvang en gepercipieerd risicoprofiel.

▼M17

1 bis.  

Naast de in lid 1, tweede alinea bedoelde blootstellingen mag een instelling, op voorwaarde dat zij daarvoor voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit krijgt, ook op de volgende blootstellingen de standaardbenadering toepassen indien de IRB-benadering wordt toegepast op andere soorten blootstellingen binnen dezelfde blootstellingscategorie:

a) 

blootstellingen met betrekking tot de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten, en op regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen van de lidstaten, mits:

i) 

er op grond van bepaalde publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico bestaat tussen de blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid en de centrale bank en de andere blootstellingen, en

ii) 

aan blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken overeenkomstig artikel 114, lid 2 of lid 4, een risicogewicht van 0 % wordt toegekend;

b) 

blootstellingen van een instelling met betrekking tot een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, mits het bij deze tegenpartij om een instelling of een financiële holding, een gemengde financiële holding, een financiële instelling, een vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming gaat waarop passende prudentiële vereisten van toepassing zijn of een onderneming waarmee een band bestaat zoals bedoeld in artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU;

c) 

blootstellingen tussen instellingen die voldoen aan de vereisten van artikel 113, lid 7.

Een instelling die de IRB-benadering voor de berekening van de risicogewogen posten alleen voor bepaalde soorten blootstellingen binnen een blootstellingscategorie mag toepassen, past voor de overige soorten blootstellingen binnen die blootstellingscategorie de standaardbenadering toe.

Naast de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel en in dit lid bedoelde blootstellingen mag een instelling de standaardbenadering toepassen op blootstellingen met betrekking tot kerken en godsdienstige gemeenschappen die aan de vereisten van artikel 115, lid 3, voldoen.

▼M17 —————

▼M17

2 bis.  
Uiterlijk op 10 juli 2028 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit over wat wordt verstaan onder soorten blootstellingen die in termen van omvang en gepercipieerd risicoprofiel immaterieel zijn.

▼M17 —————

▼B

Afdeling 2

Berekening van risicogewogen posten

Onderafdeling 1

Behandeling naar categorie blootstellingen

Artikel 151

Behandeling naar categorie blootstellingen

▼M17

1.  
De voor het kredietrisico gewogen posten betreffende blootstellingen die onder een van de in artikel 147, lid 2, punt a), punt a bis) i) of ii), punt b), punt c), i), ii) of iii), punt d), i), ii), iii) of iv), of punt g), bedoelde categorieën vallen, worden, als die blootstellingen niet worden afgetrokken van het eigen vermogen en niet onder de behandeling vallen van artikel 72 sexies, lid 5, eerste alinea, berekend overeenkomstig onderafdeling 2.

▼B

2.  
De voor het verwateringsrisico gewogen posten die verband houden met gekochte kortlopende vorderingen, worden berekend op basis van artikel 157. Indien een instelling wegens het wanbetalingsrisico en het verwateringsrisico volledig verhaal kan vorderen op de verkoper van de gekochte kortlopende vorderingen, is het bepaalde in dit artikel, in artikel 152 en in artikel 158, leden 1 tot en met 4, betreffende gekochte kortlopende vorderingen niet van toepassing en wordt de blootstelling als een met een zekerheid gedekte blootstelling behandeld.
3.  
Bij de berekening van voor het kredietrisico en het verwateringsrisico gewogen posten wordt uitgegaan van de parameters voor de betrokken blootstelling. Daaronder vallen de PD, het LGD, de looptijd (maturity, hierna M genoemd) en de blootstellingswaarde van de blootstelling. Overeenkomstig afdeling 4 mogen de PD en het LGD afzonderlijk of gezamenlijk in aanmerking worden genomen.

▼M17 —————

▼B

5.  
De voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, mogen worden berekend op basis van artikel 153, lid 5.
6.  
Voor blootstellingen die onder een van de in artikel 147, lid 2, onder a) tot en met d), genoemde categorieën vallen, verstrekken de instellingen hun eigen ramingen van PD's op basis van artikel 143 en afdeling 6.

▼M17

7.  
Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen verstrekken de instellingen overeenkomstig artikel 143 en afdeling 6 eigen LGD-ramingen en, wanneer dat op grond van artikel 166, leden 8 en 8 ter, van toepassing is, IRB-CCF. Instellingen gebruiken SA-CCF’s wanneer artikel 166, leden 8 en 8 ter, het gebruik van IRB-CCF niet toestaat.
8.  

Voor de volgende blootstellingen passen instellingen de in artikel 161, lid 1, vermelde LGD-waarden en SA-CCF’s overeenkomstig artikel 166, leden 8, 8 bis en 8 ter, toe:

a) 

blootstellingen ondergebracht in de in artikel 147, lid 2, punt b), genoemde blootstellingscategorie;

b) 

andere blootstellingen met betrekking tot entiteiten uit de financiële sector dan die bedoeld in punt a) van deze alinea;

c) 

blootstellingen met betrekking tot grote ondernemingen die niet zijn ondergebracht in de blootstellingscategorie als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), ii).

Voor blootstellingen uit de in artikel 147, lid 2, punt a), punt a bis), i), of ii), of punt c), i), ii), of iii), bedoelde blootstellingscategorieën, met uitzondering van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde blootstellingen, passen instellingen de in artikel 161, lid 1, vermelde LGD-waarden en de SA-CCF’s overeenkomstig artikel 166, leden 8, 8 bis en 8 ter, toe, tenzij zij toestemming hebben gekregen om voor die blootstellingen hun eigen LGD-ramingen en IRB-CCF te gebruiken overeenkomstig artikel 9 van dit artikel.

9.  
Voor de in lid 8, tweede alinea, bedoelde blootstellingen staat de bevoegde autoriteit instellingen het gebruik van eigen LGD-ramingen en, wanneer dat volgens artikel 166, leden 8 en 8 ter, van toepassing is, van IRB-CCF toe overeenkomstig artikel 143 en afdeling 6.

▼B

10.  
De risicogewogen posten voor gesecuritiseerde blootstellingen en voor blootstellingen die onder de categorie van artikel 147, lid 2, onder f), vallen, worden berekend op basis van hoofdstuk 5.

▼M17

11.  
Voor blootstellingen in de vorm van aandelen of rechten van deelneming in een icb die tot de in artikel 147, lid 2, punt e bis), bedoelde blootstellingscategorie behoren, passen instellingen de in artikel 152 vervatte behandeling toe, tenzij die blootstellingen van het eigen vermogen worden afgetrokken of onderworpen zijn aan de behandeling van artikel 72 sexies, lid 5, eerste alinea.

▼M8

Artikel 152

Behandeling van blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

1.  
Instellingen berekenen de waarden van risicogewogen posten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de waarde van de risicogewogen posten van de icb, berekend overeenkomstig de in de leden 2 en 5 beschreven benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.
2.  
Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die onderliggende blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende blootstellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door de instellingen werden aangehouden.
3.  
►M17  In afwijking van artikel 92, lid 4, punt e), mogen instellingen die de risicogewogen posten van blootstellingen van de icb overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb berekenen als een bedrag gelijk aan 50 % van het eigenvermogensvereiste voor de derivatenblootstellingen die zijn berekend overeenkomstig afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naargelang het geval. ◄

In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die blootstellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

▼M17

4.  

Instellingen die overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel de doorkijkbenadering toepassen en die de in dit hoofdstuk of in hoofdstuk 5, naargelang het geval, beschreven methoden niet gebruiken voor alle of een deel van de onderliggende blootstellingen van de icb berekenen de risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor alle of een deel van de onderliggende blootstellingen in overeenstemming met de volgende beginselen:

a) 

voor onderliggende blootstellingen die in de in artikel 174, lid 2, punt e), bedoelde categorie blootstellingen zouden worden ondergebracht, passen instellingen de standaardbenadering uit hoofdstuk 2 toe;

b) 

voor blootstellingen die zijn ondergebracht in de in artikel 147, lid 2, punt f), bedoelde categorie posten die securitisatieposities vertegenwoordigen, passen instellingen de in artikel 254 beschreven behandeling toe alsof die blootstellingen rechtstreeks door die instellingen werden aangehouden;

c) 

voor alle overige onderliggende blootstellingen passen instellingen de in hoofdstuk 2 vastgelegde standaardbenadering toe.

▼M8

5.  
Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen overeenkomstig de in artikel 132 bis, lid 2, uiteengezette beleidsbenadering. Voor de in lid 4, punten a), b) en c), van dit artikel opgesomde blootstellingen passen instellingen evenwel de benaderingen uit die bepalingen toe.
6.  
Met inachtneming van artikel 132 ter, lid 2, passen instellingen die geen doorkijkbenadering overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel of geen beleidsbenadering overeenkomstig lid 5 van dit artikel toepassen, de in artikel 132, lid 2, bedoelde fall-backbenadering toe.
7.  
Instellingen mogen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de in dit lid genoemde benaderingen te combineren, mits aan de voorwaarden voor het gebruik van die benaderingen is voldaan.
8.  

Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risicogewogen posten van een icb te berekenen overeenkomstig de in de leden 2, 3, 4 en 5 beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

de derde is een van de volgende entiteiten:

i) 

de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

ii) 

voor niet onder punt i) van dit punt vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat die voldoet aan de in artikel 132, lid 3, punt a), genoemde criteria;

b) 

voor andere blootstellingen dan die welke in lid 4, punten a), b) en c), van dit artikel worden opgesomd, voert de derde de berekening uit overeenkomstig de doorkijkbenadering beschreven in artikel 132 bis, lid 1;

c) 

voor de blootstellingen die in lid 4, punten a), b) en c), worden opgesomd, voert de derde de berekening uit overeenkomstig de daarin uiteengezette benaderingen;

d) 

een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

Instellingen die een beroep doen op berekeningen door derden, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2.

In afwijking van de tweede alinea geldt de factor 1,2 niet indien de instelling onbeperkte toegang heeft tot de gedetailleerde berekeningen door de derde. De instelling verstrekt die berekeningen op verzoek aan haar bevoegde autoriteit.

9.  
Voor de toepassing van dit artikel zijn artikel 132, leden 5 en 6, en artikel 132 ter van toepassing. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 132 quater van toepassing, waarbij de overeenkomstig hoofdstuk 3 van deze titel berekende risicogewichten gelden.

▼B

Onderafdeling 2

Berekening van voor kredietrisico gewogen posten

Artikel 153

▼M17

Risicogewogen posten voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, blootstellingen met betrekking tot instellingen en blootstellingen met betrekking tot ondernemingen

▼B

1.  

►M17  Met inachtneming van de toepassing van de in de leden 2 en 4 bepaalde specifieke behandelingen worden de risicogewogen posten voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, blootstellingen met betrekking tot instellingen en blootstellingen met betrekking tot ondernemingen berekend volgens de onderstaande formules: ◄

waarbij het risicogewicht RW gedefinieerd is als

i) 

als PD = 0, wordt RW opgevat als: 0;

ii) 

als PD = 1, d.w.z. voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan:

— 
indien instellingen de in artikel 161, lid 1, beschreven LGD-waarden hanteren, wordt RW opgevat als 0;

▼C2

— 
indien instellingen eigen LGD-ramingen gebruiken, wordt RW opgevat als:

;

▼B

waarbij de beste raming van het verwachte verlies (Expected Loss Best Estimate, hierna "ELBE" genoemd) wordt opgevat als de beste raming van de instelling van het verwachte verlies voor de blootstelling ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan overeenkomstig artikel 181, lid 1, punt h);

▼M17

iii) 

als 0 < PD < 1, dan:

waarbij:

N

= de cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele, d.w.z. N(x) is gelijk aan de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van 0 en een variantie van 1, kleiner is dan of gelijk is aan x;

G

= de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele, d.w.z. indien x = G(z), heeft x een zodanige waarde dat N(x) = z;

R

= staat voor de correlatiecoëfficiënt, die gedefinieerd is als volgt:

b

= de looptijdaanpassingsfactor, die gedefinieerd is als volgt:

b = 0,11852 – 0,05478 · lnPD2 ;

M

= de looptijd, uitgedrukt in jaar en bepaald overeenkomstig artikel 162.

2.  
Voor blootstellingen met betrekking tot grote gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector en niet-gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector, wordt bij het berekenen van de risicogewichten van die blootstellingen de correlatiecoëfficiënt R van lid 1, punt iii), of lid 4, al naargelang, vermenigvuldigd met 1,25 .

▼M17 —————

▼B

4.  

Voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen waarbij de totale jaaromzet van de geconsolideerde groep waarvan het bedrijf deel uitmaakt, minder is dan 50 miljoen EUR, kunnen de instellingen gebruik maken van de onderstaande correlatieformule in lid 1, onder iii), om de risicogewichten van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen te berekenen. In deze formule staat S voor de totale jaaromzet in miljoen EUR, waarbij 5 miljoen EUR ≤ S ≤ 50 miljoen EUR. Een opgegeven omzet van minder dan 5 miljoen EUR wordt behandeld als een omzet van 5 miljoen EUR. Voor gekochte kortlopende vorderingen is de totale jaaromzet het gewogen gemiddelde van de individuele blootstellingen die tot de pool behoren.

De instellingen vervangen de totale jaaromzet door de totale activa van de geconsolideerde groep wanneer de totale jaaromzet geen relevante indicator is van de omvang van het bedrijf en de totale activa een meer relevante indicator vormen dan de totale jaaromzet.

5.  

Aan blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarvoor een instelling geen PD's kan ramen of de PD-ramingen van de instelling niet voldoen aan de vereisten van afdeling 6, kent zij aan die blootstellingen risicogewichten toe conform tabel 1:



Tabel 1

Resterende looptijd

categorie 1

categorie 2

categorie 3

categorie 4

categorie 5

Minder dan 2,5 jaar

50  %

70  %

115  %

250  %

0  %

Ten minste 2,5 jaar

70  %

90  %

115  %

250  %

0  %

Bij de toekenning van risicogewichten aan blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening houden de instellingen rekening met de volgende factoren: financiële draagkracht, politieke en juridische omgeving, kenmerken van de transactie en/of activa, draagkracht van de sponsor en de ontwikkelaar, met inbegrip van enigerlei inkomstenstroom uit hoofde van een publiek-privaat partnerschap of garantiepakket.

6.  
De instellingen moeten ten aanzien van hun gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen voldoen aan de vereisten van artikel 184. Voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen welke tevens aan de in artikel 154, lid 5, gestelde voorwaarden voldoen en waarvoor het voor een instelling te belastend zou zijn om de in afdeling 6 vervatte normen voor risicokwantificering van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen toe te passen, kan gebruik worden gemaakt van de eveneens in afdeling 6 vervatte normen voor de risicokwantificering van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

▼M5

7.  
Bij gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen kunnen restitueerbare kortingen op de aankoopprijs, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, worden behandeld als een eersteverliesprotectie door de koper van de kortlopende vorderingen of door de begunstigde van de zekerheid of van de gedeeltelijke garantie overeenkomstig hoofdstuk 5, afdeling 3, onderafdelingen 2 en 3. De verkoper die de restitueerbare korting op de aankoopprijs aanbiedt en de verschaffer van een zekerheid of een gedeeltelijke garantie behandelt deze als een blootstelling aan een eersteverliespositie overeenkomstig hoofdstuk 5, afdeling 3, onderafdelingen 2 en 3.
8.  
Indien een instelling voor een reeks blootstellingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de n-de wanbetaling op de blootstellingen aanleiding geeft tot betaling en dat die kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich meebrengt, worden de risicogewichten van alle blootstellingen in de basket, op n-1 blootstellingen na, geaggregeerd, waarbij de som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post voor blootstellingen niet hoger mag zijn dan het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie vermenigvuldigd met 12,5. De n-1 posities die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het betreft elke blootstelling waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post voor alle blootstellingen die in de aggregatie zijn opgenomen. Op blootstellingen in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht niet met de IRB-benadering kan bepalen, wordt een risicogewicht van 1 250  % toegepast.

▼M17

9.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de wijze waarop instellingen de in lid 5, tweede alinea, bedoelde factoren in aanmerking moeten nemen wanneer er risicogewichten aan blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening worden toegekend.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 154

Risicogewogen posten voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

1.  

De risicogewogen posten voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden berekend volgens de onderstaande formules:

waarbij het risicogewicht RW gedefinieerd is als volgt:

i) 

als PD = 1, d.w.z. voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, is RW

;

waarbij ELBE wordt opgevat als de beste raming van de instelling van het verwachte verlies voor de blootstelling ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan overeenkomstig artikel 181, lid 1, punt h);

▼M17

ii) 

als PD < 1, dan:

waarbij:

N

= de cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele, d.w.z. N(x) is gelijk aan de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van 0 en een variantie van 1, kleiner is dan of gelijk is aan x;

G

= de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele, d.w.z. indien x = G(z), heeft x een zodanige waarde dat N(x) = z;

R

= staat voor de correlatiecoëfficiënt, die gedefinieerd is als volgt:

▼M17 —————

▼M17

3.  
Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die niet in wanbetaling zijn en die worden gedekt of gedeeltelijk worden gedekt door niet-zakelijk onroerend goed, vervangt een correlatiecoëfficiënt R van 0,15 het cijfer dat met de formule voor de correlatiecoëfficiënt in lid 1 wordt verkregen.

Het risicogewicht dat op grond van lid 1, punt ii), berekend wordt voor een gedeeltelijk door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling, rekening houdend met een correlatiecoëfficiënt R als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, wordt toegepast op zowel het gedekte als het niet-gedekte deel van die blootstelling.

4.  
Voor QRRE’s die niet in wanbetaling zijn, vervangt een correlatiecoëfficiënt R van 0,04 het cijfer dat met de formule voor de correlatiecoëfficiënt in lid 1 wordt verkregen.

De bevoegde autoriteiten toetsen verliespercentages voor alle tot hetzelfde soort blootstellingen behorende QRRE’s en voor de geaggregeerde QRRE-blootstellingscategorie op hun relatieve volatiliteit en wisselen met de lidstaten en met de EBA informatie uit over de typische kenmerken van verliespercentages van gekwalificeerde revolverende blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

▼B

5.  

Om voor de behandeling als blootstelling met betrekking tot particulieren of kleine partijen in aanmerking te komen, voldoen de gekochte kortlopende vorderingen aan de vereisten van artikel 184 en aan de volgende voorwaarden:

a) 

de instelling heeft de kortlopende vorderingen gekocht van niet-verbonden, derde-verkopers en haar blootstelling met betrekking tot de debiteur van de kortlopende vordering omvat geen blootstellingen die direct of indirect hun oorsprong vinden bij de instelling zelf;

b) 

de gekochte kortlopende vorderingen zijn op marktconforme wijze tot stand gekomen tussen de verkoper en de debiteur. Te ontvangen posten en kortlopende vorderingen opgenomen in tegenrekeningen tussen ondernemingen die van elkaar kopen en aan elkaar verkopen, komen als zodanig niet in aanmerking;

c) 

de kopende instelling heeft recht op alle opbrengsten van de gekochte kortlopende vorderingen of een evenredig belang in de opbrengsten; en

d) 

de portefeuille gekochte kortlopende vorderingen is voldoende gespreid.

▼M5

6.  
Bij gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen kunnen restitueerbare kortingen op de aankoopprijs, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, worden behandeld als een eersteverliesprotectie door de koper van de kortlopende vorderingen of door de begunstigde van de zekerheid of van de gedeeltelijke garantie overeenkomstig hoofdstuk 5, afdeling 3, onderafdelingen 2 en 3. De verkoper die de restitueerbare korting op de aankoopprijs aanbiedt en de verschaffer van een zekerheid of een gedeeltelijke garantie behandelt deze als een blootstelling aan een eersteverliespositie overeenkomstig hoofdstuk 5, afdeling 3, onderafdelingen 2 en 3.

▼B

7.  
Bij hybride pools van gekochte kortlopende vorderingen op particulieren of kleine partijen waarbij de kopende instellingen door onroerend goed gedekte blootstellingen en gekwalificeerde revolverende blootstellingen niet onderscheiden van andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, is de risicogewichtfunctie voor particulieren en kleine partijen van toepassing die de hoogste kapitaalvereisten voor die blootstellingen oplevert.

▼M17 —————

▼B

Artikel 156

Risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen

De risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen, worden berekend volgens de onderstaande formule:

,

behalve voor:

a) 

kasmiddelen en gelijkwaardige posten alsook goud dat in eigen kluizen of op toegewezen basis wordt bewaard voor zover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, in welk geval een risicogewicht van 0 % wordt toegekend;

b) 

▼C3

een restwaarde van geleasede activa, in welk geval de risicogewogen post als volgt wordt berekend:

▼B

waarbij t gelijk is aan 1 jaar of aan het dichtstbijzijnde aantal resterende volle jaren van de leaseovereenkomst, indien het laatste hoger is.

Onderafdeling 3

Berekening van risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen

Artikel 157

Risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen

1.  
De instellingen berekenen de risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen, particulieren en kleine partijen op basis van artikel 153, lid 1.
2.  
De instellingen bepalen de inputparameters PD en LGD overeenkomstig afdeling 4.
3.  
De instellingen bepalen de waarde van posten overeenkomstig afdeling 5.
4.  
Voor de toepassing van dit artikel is de waarde van M 1 jaar.
5.  
De bevoegde autoriteiten stellen een instelling vrij van het berekenen en in aanmerking nemen van risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van een soort blootstellingen die het gevolg is van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen of particulieren en kleine partijen indien de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat het verwateringsrisico niet van wezenlijk belang is voor die soort blootstellingen.

▼M17

6.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de methodiek voor het berekenen van de risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen, met inbegrip van de inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering overeenkomstig artikel 160, lid 4, en de voorwaarden voor het gebruik van eigen ramingen en parameters uit de fall-back-benadering;

b) 

de beoordeling van het criterium „immaterialiteit” voor de in lid 5 bedoelde soorten blootstellingen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Afdeling 3

Verwachte verliesposten

Artikel 158

Behandeling naar soort blootstelling

1.  
Voor de berekening van de verwachte verliesposten wordt bij elke blootstelling uitgegaan van dezelfde inputparameters voor PD, LGD en dezelfde blootstellingswaarde als die welke worden gebruikt voor de berekening van risicogewogen posten op basis van artikel 151.
2.  
Bij gesecuritiseerde blootstellingen worden de verwachte verliesposten berekend op basis van hoofdstuk 5.
3.  
Bij blootstellingen die behoren tot de in artikel 147, lid 2, onder g), genoemde categorie "andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen", is de verwachte verliespost gelijk aan nul.
4.  
De verwachte verliesposten voor blootstellingen in de vorm van aandelen van of rechten van deelneming in een icb als bedoeld in artikel 152 worden berekend volgens de in dat artikel vervatte methoden.

▼M17

5.  

Het verwachte verlies (EL) en de verwachte verliesposten voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden, centrale banken, regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen alsook voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden berekend volgens de onderstaande formules:

verwacht verlies (EL) = PD * LGD

verwacht verliesposten = EL [vermenigvuldigd met] exposure value.

Indien instellingen bij blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan (PD =100 %) gebruik maken van eigen LGD-ramingen, wordt EL opgevat als ELBE, de beste raming van het verwachte verlies voor de blootstelling ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, waarover de instelling overeenkomstig artikel 181, lid 1, punt h), beschikt.

▼B

6.  

De EL-waarden voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarbij instellingen gebruik maken van de in artikel 153, lid 5, beschreven methoden voor de toekenning van risicogewichten, worden toegewezen conform tabel 2.



Tabel 2

Resterende looptijd

categorie 1

categorie 2

categorie 3

categorie 4

categorie 5

Minder dan 2,5 jaar

0  %

0,4  %

2,8  %

8  %

50  %

Ten minste 2,5 jaar

0,4  %

0,8  %

2,8  %

8  %

50  %

▼M17 —————

▼M8

9 bis.  
De verwachte verliesposten voor een minimumwaardeverplichting die aan alle voorwaarden van artikel 132 quater, lid 3, voldoet, zijn gelijk aan nul.

▼B

10.  

De verwachte verliesposten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen worden berekend volgens de onderstaande formules:

▼M17

Artikel 159

Behandeling van verwachte verliesposten, IRB-tekort en IRB-overschot

1.  

Instellingen trekken de verwachte verliesposten van in artikel 158, leden 5, 6 en 10, bedoelde blootstellingen af van de som van alle volgende elementen:

a) 

de algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen met betrekking tot die blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 110;

b) 

overeenkomstig artikel 34 bepaalde aanvullende waardeaanpassingen wegens wanbetaling door de tegenpartij, met betrekking tot blootstellingen waarvoor de verwachte verliesposten worden berekend overeenkomstig artikel 158, leden 5, 6 en 10;

c) 

andere eigenvermogensverlagingen die verband houden met die blootstellingen, met uitzondering van de aftrekkingen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m).

Indien de overeenkomstig de eerste alinea uitgevoerde berekening een positief bedrag oplevert, wordt het verkregen bedrag „IRB-overschot” genoemd. Indien de overeenkomstig de eerste alinea uitgevoerde berekening een negatief bedrag oplevert, wordt het verkregen bedrag „IRB-tekort” genoemd.

2.  
Bij de in lid 1 van dit artikel bedoelde berekening behandelen instellingen overeenkomstig artikel 166, lid 1, bepaalde disagio’s op in de balans opgenomen blootstellingen die in staat van wanbetaling zijn gekocht, op dezelfde wijze als specifieke kredietrisicoaanpassingen. Disagio’s op in de balans opgenomen blootstellingen die niet in staat van wanbetaling zijn gekocht, worden niet in de berekening van het IRB-tekort of het IRB-overschot opgenomen. Specifieke kredietrisicoaanpassingen ten aanzien van blootstellingen in wanbetaling worden niet gebruikt om verwachte verliesposten op andere blootstellingen te dekken. Verwachte verliesposten voor gesecuritiseerde blootstellingen en met die blootstellingen samenhangende algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen worden niet in de berekening van het IRB-tekort of het IRB-overschot opgenomen.

▼B

Afdeling 4

PD, LGD en looptijd

▼M17

Onderafdeling - 1

Blootstellingen gedekt door garanties afgegeven door centrale overheden en centrale banken van lidstaten of door de ECB

Artikel 159 bis

Niet-toepassing van PD-, LGD- en CCF-input floors

Voor de toepassing van hoofdstuk 3, en met name wat betreft artikel 160, lid 1, artikel 161, lid 4, artikel 164, lid 4, en artikel 166, lid 8 quater, zijn, wanneer een blootstelling wordt gedekt door een toelaatbare garantie die is afgegeven door een centrale overheid of centrale bank of door de ECB, de PD-, LGD- en CCF-input floors niet van toepassing op het door die garantie gedekte deel van de blootstelling. Op het deel van de blootstelling dat niet door die garantie wordt gedekt, zijn de betrokken PD-, LGD- en CCF-input floors echter wel van toepassing.

▼B

Onderafdeling 1

▼M17

Blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, regionale en lokale overheden, en publiekrechtelijke lichamen

▼B

Artikel 160

Kans op wanbetaling (Probability of default - PD)

▼M17

1.  
Voor blootstellingen die zijn ondergebracht in de in artikel 147, lid 2, punt b), of punt c), i), ii) of iii), bedoelde blootstellingscategorieën onderschrijdt — uitsluitend voor het berekenen van risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van die blootstellingen, en met name voor de toepassing van artikel 153, artikel 157 en artikel 158, leden 1, 5 en 10 — de voor elke blootstelling als input voor de formules voor risicogewogen posten en verwacht verlies gebruikte PD-waarde de volgende PD-input floor-waarde niet: 0,05  %.

▼M17

1 bis.  
Voor blootstellingen die zijn ondergebracht in de in artikel 147, lid 2, punt a bis), i) of ii), bedoelde blootstellingscategorieën onderschrijdt — uitsluitend voor het berekenen van de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van die blootstellingen — de voor elke blootstelling als input voor de formules voor risicogewogen posten en verwacht verlies gebruikte PD-waarde de volgende PD-input floor-waarde niet: 0,03  %.

▼B

2.  

Voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarvoor een instelling niet in staat is PD's te ramen of de PD-ramingen van een instelling niet aan de vereisten van afdeling 6 voldoen, worden de PD's bepaald volgens de volgende methoden:

a) 

de PD voor niet-achtergestelde rechten op gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de instelling geraamde EL gedeeld door de LGD voor deze kortlopende vorderingen;

b) 

voor achtergestelde rechten op gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is de PD gelijk aan de door de instelling geraamde EL;

c) 

een instelling die overeenkomstig artikel 143 van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen te gebruiken en haar EL-ramingen voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen in PD's en LGD's kan splitsen op een wijze die de bevoegde autoriteit betrouwbaar acht, mag de uit deze splitsing resulterende PD-raming gebruiken.

3.  
De PD voor in gebreke blijvende debiteuren is gelijk aan 100 %.

▼M17

4.  
Voor een door een niet-volgestorte kredietprotectie gedekte blootstelling mag een instelling die op grond van artikel 143 eigen LGD-ramingen gebruikt voor zowel de door een niet-volgestorte kredietprotectie gedekte blootstelling als voor vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, de niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig artikel 183 in aanmerking nemen in de PD.

▼M17 —————

▼M17

6.  
Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is de PD gelijk aan de EL-ramingen van de instelling voor verwateringsrisico. Een instelling die overeenkomstig artikel 143 van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen te gebruiken voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen en haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen in PD’s en LGD’s kan ontbinden op een wijze die de bevoegde autoriteit betrouwbaar acht, mag de uit die ontbinding resulterende PD-ramingen gebruiken. Instellingen kunnen niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen overeenkomstig hoofdstuk 4.
7.  
Een instelling die overeenkomstig artikel 143 van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen eigen LGD-ramingen te gebruiken, kan niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door de PDs aan te passen, onverminderd artikel 161, lid 3.

▼B

Artikel 161

Verlies bij wanbetaling

1.  

De instellingen gebruiken de volgende LGD-waarden:

▼M17

a) 

niet-achtergestelde blootstellingen zonder toelaatbare volgestorte kredietprotectie met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, entiteiten uit de financiële sector, regionale en lokale overheden, en publiekrechtelijke lichamen: 45 %;

▼M17

a bis) 

niet-achtergestelde blootstellingen zonder toelaatbare volgestorte kredietprotectie met betrekking tot ondernemingen niet zijnde entiteiten uit de financiële sector: 40 %;

▼B

b) 

achtergestelde blootstellingen zonder toelaatbare zekerheid: 75 %;

▼M17 —————

▼B

d) 

aan gedekte obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, vervatte behandeling kan een LGD-waarde van 11,25 % worden toegekend;

▼M17

e) 

voor blootstellingen in de vorm van niet-achtergestelde gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarbij een instelling niet in staat is PD’s te ramen, of de PD-ramingen van een instelling niet aan de vereisten van afdeling 6 voldoen: 40 %;

▼B

f) 

voor blootstellingen in de vorm van achtergestelde gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarbij een instelling niet in staat is PD's te ramen of de PD-ramingen van een instelling niet aan de vereisten van afdeling 6 voldoen: 100 %;

▼M17

g) 

voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen: 100 %.

▼B

2.  
Ten aanzien van het verwaterings- en wanbetalingsrisico kan een instelling die overeenkomstig artikel 143 van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen te gebruiken en haar EL-ramingen voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen in PD's en LGD's kan ontbinden op een wijze die de bevoegde autoriteit betrouwbaar acht, de LGD-raming voor gekochte kortlopende vorderingen gebruiken.

▼M17

3.  
Voor een door een niet-volgestorte kredietprotectie gedekte blootstelling mag een instelling die op grond van artikel 143 eigen LGD-ramingen gebruikt voor zowel de door een niet-volgestorte kredietprotectie gedekte blootstelling als voor vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, de niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig artikel 183 in aanmerking nemen in de LGD.
4.  

Voor blootstellingen die zijn ondergebracht in de in artikel 147, lid 2, punt c), i), ii) of iii), bedoelde blootstellingscategorieën onderschrijden — uitsluitend voor het berekenen van de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van die blootstellingen, en met name voor de toepassing van artikel 153, lid 1, punt iii), artikel 157, en artikel 158, leden 1, 5 en 10 — indien eigen LGD-ramingen worden gebruikt, de voor elke blootstelling als input voor de formules voor risicogewogen posten en verwacht verlies gebruikte LGD-waarden de volgende LGD-input floor-waarden niet, berekend overeenkomstig lid 6 van dit artikel.



Tabel 1

LGD-input floors (LGDfloor) voor blootstellingen uit de in artikel 147, lid 2, punt c), i), ii) of iii), bedoelde blootstellingscategorieën

Blootstelling zonder toelaatbare FCP (LGDU-floor)

Blootstelling volledig gedekt door toelaatbare FCP (LGDS-floor)

25 %

Financiële zekerheden

0 %

Kortlopende vorderingen

10 %

Niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed

10 %

Andere fysieke zekerheden

15 %

▼M17

5.  
Voor blootstellingen die zijn ondergebracht in de in artikel 147, lid 2, punt a bis), i) of ii), bedoelde blootstellingscategorieën onderschrijdt — uitsluitend voor het berekenen van de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van die blootstellingen, en met name voor de toepassing van artikel 153, lid 1, punt iii), artikel 157, en artikel 158, leden 1, 5 en 10, indien eigen LGD-ramingen worden gebruikt, de voor blootstellingen zonder toelaatbare FCP als input voor de formules voor risicogewogen posten en verwacht verlies gebruikte LGD-waarde de volgende LGD-input floor-waarde niet: 5 %.
6.  
Voor de toepassing van lid 4 van dit artikel zijn de in tabel 1 in dat lid vermelde LGD-input floors voor volledig door toelaatbare volgestorte kredietprotectie gedekte blootstellingen van toepassing wanneer de waarde van de volgestorte kredietprotectie, na toepassing van de betrokken volatiliteitsaanpassingen Hc en Hfx overeenkomstig artikel 230, gelijk is aan of groter dan de waarde van de onderliggende blootstelling.

Voor de toepassing van lid 4 van dit artikel en de toepassing van de desbetreffende betrokken aanpassingen Hc en Hfx, overeenkomstig artikel 230, is volgestorte kredietprotectie toelaatbaar op grond van dit hoofdstuk. In dat geval wordt het type volgestorte kredietprotectie „andere fysieke zekerheden” in artikel 230, tabel 1, verstaan als „andere fysieke en andere toelaatbare zekerheden”.

De toepasselijke LGD-input floor (LGDfloor) voor een gedeeltelijk door volgestorte kredietprotectie gedekte blootstelling wordt berekend als het gewogen gemiddelde van LGDU-floor voor het deel van de blootstelling zonder volgestorte kredietprotectie en van LGDS-floor voor het volledig gedekte deel, en wel als volgt:

waarbij:

LGDU-floor en LGDS-floor de betrokken vloerwaarden in tabel 1 zijn;

E, ES, EU en HE worden bepaald overeenkomstig artikel 230.

7.  
Indien een instelling die eigen LGD-ramingen gebruikt voor een bepaald soort ongedekte blootstellingen met betrekking tot ondernemingen en ongedekte blootstellingen met betrekking tot regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, niet in staat is om het effect van de volgestorte kredietprotectie die een van de blootstellingen van dat soort blootstellingen dekt, in aanmerking te nemen in de eigen LGD-raming omdat er met betrekking tot verhaalde bedragen voor die volgestorte kredietprotectie geen gegevens voorliggen, is het de instelling toegestaan de formule uit artikel 230 te gebruiken, met dien verstande dat de LGDU in die formule de eigen LGD-raming van de instelling voor ongedekte blootstellingen is. In dat geval is de volgestorte kredietprotectie toelaatbaar overeenkomstig hoofdstuk 4 en wordt de als LGDU gebruikte eigen LGD-raming van de instelling berekend op basis van gegevens over de onderliggende verliezen, met uitsluiting van op die volgestorte kredietprotectie verhaalde bedragen.

▼B

Artikel 162

Looptijd

▼M17

1.  
Voor blootstellingen waarvoor een instelling geen toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen om eigen LGD-ramingen te gebruiken, wordt de looptijdwaarde („M”) consistent toegepast en, ofwel vastgesteld op 2,5  jaar, behalve voor blootstellingen die voortvloeien uit effectenfinancieringstransacties, waar M 0,5 jaar bedraagt, ofwel berekend overeenkomstig lid 2.

▼B

2.  

►M17  Voor blootstellingen waarvoor een instelling eigen LGD-ramingen toepast, wordt de looptijdwaarde („M”) berekend in perioden uitgedrukt in jaren, zoals beschreven in dit lid en met inachtneming van de leden 3, 4 en 5 van dit artikel. M mag niet meer bedragen dan vijf jaar, uitgezonderd in de gevallen vermeld in artikel 384, lid 2, waarin de daarin gespecificeerde M zal worden gebruikt. M wordt in elk van de volgende gevallen als volgt berekend: ◄

a) 

voor een instrument dat onderworpen is aan een kasstroomschema, wordt M berekend volgens de onderstaande formule:

waarbij CFt staat voor de kasstromen (hoofdsom, rentebetalingen en provisies) die de debiteur in periode t contractueel verplicht is te betalen;

b) 

voor afgeleide instrumenten die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de blootstelling, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar en voor de weging van de looptijd de notionele hoofdsom van elke blootstelling wordt gebruikt;

c) 

voor blootstellingen die voortkomen uit transacties met betrekking tot volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide instrumenten die zijn opgesomd in bijlage II en van volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 10 dagen;

d) 

voor retrocessietransacties of transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 5 dagen. Voor de weging van de looptijd wordt het notionele bedrag van elke transactie gebruikt;

▼M17

d bis) 

voor gedekte leningstransacties die aan een kaderverrekeningsovereenkomst zijn onderworpen, is M de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 20 dagen; voor de weging van de looptijd wordt het notionele bedrag van elke transactie gebruikt;

d ter) 

voor een kaderverrekeningsovereenkomst die meer dan één soort transacties omvat die overeenstemmen met punt c), d) of d bis), van dit lid is M de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan de langste aanhoudingsperiode, uitgedrukt in jaar, die geldt voor in artikel 224, lid 2, genoemde transacties — 10 dagen of 20 dagen, afhankelijk van het geval; voor de weging van de looptijd wordt het notionele bedrag van elke transactie gebruikt;

▼B

e) 

indien een instelling overeenkomstig artikel 143 van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen eigen PD-ramingen te gebruiken, is voor opgenomen bedragen M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de blootstelling met betrekking tot de gekochte kortlopende vorderingen, waarbij M ten minste gelijk is aan 90 dagen. Dezelfde waarde van M wordt ook gebruikt voor niet-opgenomen bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit mits de koopovereenkomst effectieve bedingen, vervroegde-aflossingsbepalingen of andere kenmerken omvat die de kopende instelling bescherming bieden tegen een aanzienlijke verslechtering van de kwaliteit van de toekomstige kortlopende vorderingen die zij gedurende de looptijd van de faciliteit verplicht is te kopen. Bij gebreke van dergelijke effectieve beschermingsmiddelen is M voor niet-opgenomen bedragen de som van de langstlopende potentiële kortlopende vordering in het kader van de koopovereenkomst en de resterende looptijd van de koopfaciliteit, waarbij M ten minste gelijk is aan 90 dagen;

▼M17

f) 

voor alle andere instrumenten dan die welke in dit lid worden genoemd of indien een instelling niet in staat is M op de in punt a) beschreven wijze te berekenen, is M gelijk aan de maximale resterende periode, in jaren, die de debiteur mag wachten om zijn contractuele verplichtingen, waaronder de hoofdsom, rentebetalingen en provisies, volledig na te komen, waarbij M ten minste gelijk is aan één jaar;

▼B

g) 

indien een instelling de in afdeling 6 van hoofdstuk 6 beschreven internemodellenmethode hanteert om de blootstellingswaarden te berekenen, wordt M volgens de volgende formule berekend voor de blootstellingen waarop zij deze methode toepast en waarvoor de looptijd van het langstlopende contract van het samenstel van verrekenbare transacties langer is dan één jaar:

waarbij:

=

een dummy-variabele waarvan de waarde in een toekomstige periode tk gelijk is aan 0 indien tk > 1 jaar en aan 1 indien tk ≤ 1;

=

de verwachte blootstelling in een toekomstige periode tk;

=

de effectieve verwachte blootstelling in een toekomstige periode tk;

=

de risicovrije disconteringsfactor voor de toekomstige periode tk;

;
h) 

een instelling die gebruikt maakt van een intern model om een eenzijdige aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation adjustment — CVA) te berekenen, mag de met behulp van het interne model geraamde effectieve duration van het krediet als M gebruiken, onder voorbehoud van toestemming van de bevoegde autoriteiten.

Met inachtneming van lid 2 is op samenstellen van verrekenbare transacties waarin alle overeenkomsten een oorspronkelijke looptijd van minder dan één jaar hebben, de formule in punt a) van toepassing;

▼M17

i) 

voor instellingen die de in artikel 382 bis, lid 1, punt a) of b), bedoelde benaderingen gebruiken om het eigenvermogensvereiste voor het CVA-risico van transacties met een bepaalde tegenpartij te berekenen, is M niet groter dan 1 in de in artikel 153, lid 1, punt iii), omschreven formule voor het berekenen van risicogewogen posten voor tegenpartijrisico voor diezelfde transacties, als bedoeld in artikel 92, lid 4, punt a) of g), naargelang het geval;

j) 

voor revolverende blootstellingen wordt M bepaald aan de hand van de maximale contractuele beëindigingsdatum van de faciliteit; instellingen gebruiken de terugbetalingsdatum van de actuele opneming niet indien die datum niet de maximale contractuele beëindigingsdatum van de faciliteit is.

▼B

3.  

►M17  Indien de documentatie dagelijkse margestortingen en dagelijkse herwaardering vereist en bepalingen bevat die de prompte uitwinning of saldering van zekerheden mogelijk maken in het geval van wanbetaling of het uitblijven van een margestorting, is M de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de transacties en is M ten minste gelijk aan één dag voor: ◄

a) 

de volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide instrumenten die zijn vermeld in bijlage II;

b) 

volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties;

c) 

retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen.

Ook voor in aanmerking komende kortlopende blootstellingen die geen deel uitmaken van de doorlopende financiering door de instelling van de debiteur, is M ten minste gelijk aan 1 dag. Als kortlopende blootstellingen komen onder meer in aanmerking:

▼M9

a) 

blootstellingen aan instellingen of beleggingsondernemingen die voortvloeien uit het voldoen aan valutaverplichtingen;

▼M17

b) 

zelfliquiderende kortlopende handelsfinancieringstransacties en gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen, op voorwaarde dat de respectieve blootstellingen een resterende looptijd hebben van ten hoogste één jaar;

▼B

c) 

blootstellingen die voortkomen uit de vereffening van aankopen en verkopen van effecten binnen de gebruikelijke leveringstermijn van twee werkdagen;

d) 

blootstellingen die voortkomen uit vereffeningen in contanten door middel van telegrafische overschrijving en vereffeningen van elektronische betalingstransacties en van tevoren betaalde kosten, inclusief overdisposities die voortkomen uit falende transacties die geen klein, vast, overeengekomen aantal werkdagen overschrijden;

▼M17

e) 

uitgegeven en geconfirmeerde accreditieven die een korte looptijd hebben, d.w.z. van minder dan één jaar, en zelfliquiderend zijn.

▼M17

4.  
Voor blootstellingen met betrekking tot in de Unie gevestigde ondernemingen niet zijnde grote ondernemingen, kunnen de instellingen ervoor kiezen om voor al die blootstellingen M te bepalen overeenkomstig lid 1, in plaats van lid 2 toe te passen.

▼B

5.  
Looptijdmismatches worden behandeld op de in hoofdstuk 4 beschreven wijze.

▼M17

6.  
Om het in lid 2, punten c) tot en met d ter), en lid 3 genoemde minimumaantal dagen in jaar uit te drukken, wordt het minimumaantal dagen gedeeld door 365,25 .

▼B

Onderafdeling 2

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

Artikel 163

Kans op wanbetaling (Probability of default - PD)

▼M17

1.  

Uitsluitend voor het berekenen van risicogewogen posten en de verwachte verliesposten voor die blootstellingen, en met name voor de toepassing van de artikelen 154 en 157, en artikel 158, leden 1, 5 en 10, is de voor elke blootstelling als input voor de formules voor risicogewogen posten en verwacht verlies gebruikte PD de hoogste van die waarden: de éénjaars-PD in verband met de internekredietnemersklasse of -groep waar de blootstelling met betrekking tot particulieren en kleine partijen bij is ondergebracht en de volgende PD-input floor-waarden:

a) 

0,1  % voor QRRE-revolvers;

b) 

0,05  % voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen niet zijnde QRRE-revolvers.

▼B

2.  
De PD van debiteuren of, bij een verplichtingenbenadering, de PD van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, is gelijk aan 100 %.
3.  
Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen is de PD gelijk aan de EL-ramingen voor het verwateringsrisico. Indien een instelling haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen in PD's en LGD's kan ontbinden op een wijze die de bevoegde autoriteiten betrouwbaar achten, kan de PD-raming worden gebruikt.

▼M17

4.  
Voor een door een niet-volgestorte kredietprotectie gedekte blootstelling mag een instelling die overeenkomstig artikel 143 eigen LGD-ramingen gebruikt voor vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, de niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig artikel 183 in aanmerking nemen in de PD.

▼M8

Artikel 164

Verlies bij wanbetaling (Loss Given Default - LGD)

▼M17

1.  
Instellingen verstrekken eigen ramingen van LGD’s, met inachtneming van de vereisten van afdeling 6 van dit hoofdstuk en met toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 143. Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen wordt een LGD-waarde van 100 % gebruikt. Indien een instelling haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare wijze kan uitsplitsen in PD’s en LGD’s, mag de instelling haar eigen LGD-ramingen gebruiken.
2.  
Instellingen die op grond van artikel 143 eigen LGD-ramingen gebruiken voor vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, mogen de niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig artikel 183 in aanmerking nemen in de LGD.

▼M17 —————

▼M17

4.  

Uitsluitend voor het berekenen van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen overeenkomstig 154, lid 1, punt ii), artikel 157, en artikel 158, leden 1, 5 en 10, onderschrijden de voor elke blootstelling als input voor de formules voor risicogewogen posten en verwacht verlies gebruikte LGD-waarden niet de in tabel 1 vastgelegde LGD-input floor-waarden, berekend overeenkomstig lid 4 bis van dit artikel:



Tabel 1

LGD-input floors (LGDfloor) voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

Blootstelling zonder FCP (LGDU-floor)

Blootstelling gedekt door FCP (LGDS-floor)

Door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling m.b.t. particulieren en kleine partijen

(n.v.t.)

Door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling m.b.t. particulieren en kleine partijen

5 %

QRRE

50 %

QRRE

n.v.t.

Andere blootstelling m.b.t. particulieren en kleine partijen

30 %

Andere door financiële zekerheden gedekte blootstelling m.b.t. particulieren en kleine partijen

0 %

Andere door kortlopende vorderingen gedekte blootstelling m.b.t. particulieren en kleine partijen

10 %

Andere door niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed gedekte blootstelling m.b.t. particulieren en kleine partijen

10 %

Door andere fysieke zekerheden gedekte blootstelling m.b.t. particulieren en kleine partijen

15 %

▼M17

4 bis.  

Voor de toepassing van lid 4 is het volgende van toepassing:

a) 

LGD-input floors uit lid 4, tabel 1, zijn van toepassing voor door volgestorte kredietprotectie gedekte blootstellingen indien de volgestorte kredietprotectie overeenkomstig dit hoofdstuk toelaatbaar is;

b) 

met uitzondering van door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen zijn de LGD-input floors uit lid 4, tabel 1, van dit artikel van toepassing op volledig door volgestorte kredietprotectie gedekte blootstellingen indien de waarde van de volgestorte kredietprotectie, na toepassing van de desbetreffende volatiliteitsaanpassing overeenkomstig artikel 230, gelijk is aan of groter is dan de blootstellingswaarde van de onderliggende blootstelling; voor de toepassing van de desbetreffende betrokken aanpassingen Hc en Hfx, overeenkomstig artikel 230, is volgestorte kredietprotectie toelaatbaar op grond van dit hoofdstuk;

c) 

met uitzondering van door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen wordt de toepasselijke LGD-input floor voor een gedeeltelijk door volgestorte kredietprotectie gedekte blootstelling berekend volgens de formule uit artikel 161, lid 6;

d) 

voor door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen wordt de toepasselijke LGD-input floor vastgesteld op 5 %, ongeacht de omvang van de door het niet-zakelijke onroerend goed gestelde zekerheid.

▼M8

5.  
De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de toepassing van lid 6. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, de bevoegde autoriteit is, zorgt deze ervoor dat de relevante nationale instanties en autoriteiten met een macroprudentieel mandaat voldoende worden geïnformeerd over het voornemen van de bevoegde autoriteit om van dit artikel gebruik te maken, en op passende wijze worden betrokken bij de beoordeling van zorgpunten met betrekking tot de financiële stabiliteit in haar lidstaat, overeenkomstig lid 6.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, een andere dan de bevoegde autoriteit is, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om, met het oog op de correcte toepassing van dit artikel, te zorgen voor goede coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit. De autoriteiten dienen met name nauw samen te werken en alle informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor de juiste uitvoering, door de aangewezen autoriteit, van haar verplichtingen op grond van dit artikel. In het kader van deze samenwerking wordt getracht elke vorm van overlappend of inconsistent optreden van de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit te vermijden, en naar behoren rekening te houden met de interactie met andere maatregelen, met name maatregelen krachtens artikel 458 van deze verordening en artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

▼M17

6.  
Op basis van de gegevens die krachtens artikel 430 bis zijn verzameld en van eventuele andere relevante indicatoren, en rekening houdend met de toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed, beoordeelt de overeenkomstig lid 5 van dit artikel aangewezen autoriteit periodiek en ten minste jaarlijks of de in lid 4 van dit artikel bedoelde LGD-input floor-waarden geschikt zijn voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed of andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van die autoriteit is gesitueerd.

Indien de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit op basis van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde beoordeling tot de conclusie komt dat de LGD-input floor-waarden als bedoeld in lid 4 ontoereikend zijn, en indien zij van oordeel is dat de ontoereikendheid van de LGD-input floor-waarden een negatief effect kan hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in de eigen lidstaat, kan zij hogere LGD-input floor-waarden vaststellen voor de blootstellingen die in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van die autoriteit zijn gesitueerd. Die hogere LGD-input floor-waarden kunnen ook worden toegepast op het niveau van één of meer onroerendgoedsegmenten van dergelijke blootstellingen.

De overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit stelt de EBA en het ESRB in kennis voordat zij het in de tweede alinea van dit lid bedoelde besluit neemt. Uiterlijk één maand na ontvangst van bovengenoemde kennisgeving verstrekken de EBA en het ESRB hun advies aan de betrokken lidstaat. De in de tweede alinea van dit lid bedoelde hogere LGD-input floor-waarden worden bekendgemaakt door de EBA en het ESRB.

7.  
Indien de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit hogere LGD-input floor-waarden vaststelt op grond van lid 6, krijgen de instellingen een overgangsperiode van zes maanden om deze toe te passen.

▼M8

8.  
De EBA stelt, in nauwe samenwerking met het ESRB, ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de omstandigheden waarmee de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit rekening moeten houden bij het beoordelen van de toereikendheid van LGD-waarden in het kader van de beoordeling, bedoeld in lid 6.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2019 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

9.  

Het ESRB kan door middel van aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, en in nauwe samenwerking met de EBA, aan de overeenkomstig lid 5 van dit artikel aangewezen autoriteiten richtsnoeren verstrekken betreffende het volgende:

a) 

factoren die „een negatief effect zouden hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit” als bedoeld in lid 6; en

b) 

indicatieve benchmarks waarmee de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit rekening dient te houden bij het vaststellen van de hogere minimumwaarden van het LGD.

▼M8

10.  
De instellingen van een lidstaat passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat overeenkomstig lid 6 bepaalde hogere minimumwaarden van het LGD toe op alle overeenkomstige blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in één of meerdere delen van die lidstaat is gesitueerd.

▼M17 —————

▼B

Afdeling 5

Blootstellingswaarde

Artikel 166

▼M17

Blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen en blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

▼B

1.  
Tenzij anders is aangegeven, wordt de blootstellingswaarde van op de balans opgenomen blootstellingen bepaald door de boekwaarde ongerekend aangebrachte kredietrisicoaanpassingen.

Deze regel geldt ook voor activa die worden gekocht tegen een prijs die verschilt van het verschuldigde bedrag.

Voor gekochte activa wordt het verschil tussen het verschuldigde bedrag en de na het aanbrengen van bepaalde kredietrisicoaanpassingen in de balans van instellingen opgenomen resterende boekwaarde disagio genoemd als het verschuldigde bedrag groter is en agio als het kleiner is.

2.  
Indien de instellingen bij retrocessietransacties of bij transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen van kaderverrekeningsovereenkomsten gebruik maken, wordt de blootstellingswaarde berekend overeenkomstig hoofdstuk 4 of 6.
3.  
Voor de berekening van de blootstellingswaarde bij verrekening van leningen en deposito's passen de instellingen de in hoofdstuk 4 beschreven methoden toe.
4.  
Bij lease-overeenkomsten is de blootstellingswaarde gelijk aan de gedisconteerde minimumleasebetalingen. Minimumleasebetalingen omvatten de betalingen gedurende de leasetermijn die de leasenemer moet betalen of kan worden verplicht te betalen, alsmede alle gunstige koopopties (dit zijn opties die naar alle waarschijnlijkheid worden uitgeoefend). Indien een andere partij dan de leasenemer een betaling dient te doen in verband met de restwaarde van een geleased actief en deze betalingsverplichting aan het geheel van voorwaarden in artikel 201 betreffende de toelaatbaarheid van protectiegevers alsook de vereisten voor de inaanmerkingneming van andere soorten garanties in artikel 213 voldoet, kan de betalingsverplichting als niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking worden genomen overeenkomstig hoofdstuk 4.
5.  
Indien het gaat om een in bijlage II genoemd contract, wordt de blootstellingswaarde bepaald aan de hand van de methoden die in hoofdstuk 6 zijn beschreven en worden aangebrachte kredietrisicoaanpassingen niet meegerekend.
6.  
De blootstellingswaarde die wordt gehanteerd voor de berekening van de risicogewogen posten die betrekking hebben op gekochte kortlopende vorderingen, is de overeenkomstig lid 1 bepaalde waarde van de post, verminderd met de eigenvermogensvereisten voor het verwateringsrisico vóór kredietrisicolimitering.
7.  
Bij een blootstelling in effecten of grondstoffen die verkocht, gedeponeerd of geleend zijn in het kader van retrocessietransacties of transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties, is de blootstellingswaarde gelijk aan de overeenkomstig artikel 24 bepaalde waarde van de effecten of grondstoffen. Indien de in artikel 223 beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden wordt toegepast, wordt de blootstellingswaarde verhoogd met de volatiliteitsaanpassing die in dat artikel voor de effecten of grondstoffen in kwestie is aangegeven. De blootstellingswaarde van retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties kan hetzij overeenkomstig hoofdstuk 6, hetzij overeenkomstig artikel 220, lid 2, worden bepaald.

▼M17

8.  
De blootstellingswaarde voor posten buiten de balanstelling niet zijnde in bijlage II genoemde contracten wordt berekend aan de hand van ofwel IRB-CCF ofwel SA-CCF’s, overeenkomstig de leden 8 bis en 8 ter van dit artikel en artikel 151, lid 8.

Indien uitsluitend de opgenomen saldi van revolverende faciliteiten zijn gesecuritiseerd, zorgen de instellingen ervoor dat zij het vereiste bedrag aan eigen vermogen blijven aanhouden voor de niet-opgenomen saldi in verband met de securitisatie.

Een instelling die geen toestemming heeft gekregen om de IRB-CCF te gebruiken, berekent de blootstellingswaarde als het toegezegde, doch niet-opgenomen bedrag vermenigvuldigd met de betrokken SA-CCF.

Een instelling die de IRB-CCF gebruikt, berekent de blootstellingswaarde voor onbenutte kredietlijnen als het onbenutte bedrag vermenigvuldigd met de IRB-CCF.

▼M17

8 bis.  
Voor een blootstelling waarvoor een instelling geen toestemming heeft gekregen om de IRB-CCF te gebruiken, is de toepasselijke CCF de in hoofdstuk 2 bepaalde SA-CCF voor de dezelfde typen posten als bepaald in artikel 111. Het bedrag waarop de SA-CCF moet worden toegepast, is de laagste van deze beide waarden: de waarde van het toegezegde, doch niet-opgenomen bedrag, of de waarde die mogelijke beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheid van de faciliteit tot uiting brengt, met inbegrip van het bestaan van een bovengrens voor het potentiële leningbedrag dat verband houdt met de gerapporteerde kasstromen van een debiteur. Indien een faciliteit op die wijze wordt beperkt, beschikt de instelling voor het monitoren en beheren van de kredietlijn over afdoende procedures om het bestaan van die beperking te onderbouwen.
8 ter.  

Met toestemming van de bevoegde autoriteiten gebruiken instellingen die aan de vereisten voor het gebruik van IRB-CCF als bepaald in afdeling 6 voldoen, IRB-CCF voor blootstellingen die voortvloeien uit onbenutte revolverende kredietlijnen die volgens de IRB-benadering worden behandeld, op voorwaarde dat voor die blootstellingen geen SA-CCF van 100 % van toepassing zou zijn onder de standaardbenadering. SA-CCF’s worden gebruikt voor:

a) 

alle overige posten buiten de balanstelling, en met name onbenutte niet-revolverende kredietlijnen;

b) 

blootstellingen indien de instelling niet aan de in afdeling 6 bepaalde minimumvereisten voor het berekenen van IRB-CCF voldoet of indien de bevoegde autoriteit het gebruik van IRB-CCF niet heeft toegestaan.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een kredietlijn als „revolverend” beschouwd indien een debiteur daarmee een lening kan krijgen waarbij de debiteur de flexibiliteit heeft om te beslissen hoe vaak hij van die lening bedragen opneemt en met welke intervallen, zodat de debiteur de mogelijkheid heeft om hem verstrekte leningen op te nemen, terug te betalen en opnieuw op te nemen. Contractuele regelingen die de mogelijkheid bieden om bedragen af te lossen en die afgeloste bedragen nadien opnieuw op te nemen, worden als revolverend beschouwd.

8 quater.  

Indien de IRB-CCF worden gebruikt, uitsluitend voor het berekenen van risicogewogen blootstellingsposten en verwachte verliesposten voor blootstellingen die voortvloeien uit revolverende kredietlijnen andere dan blootstellingen die bij de blootstellingscategorie zijn ondergebracht overeenkomstig artikel 147, lid 2, punt a), en met name overeenkomstig artikel 153, lid 1, artikel 157 en artikel 158, leden 1, 5 en 10, onderschrijdt de voor elke blootstelling als input voor de formules voor risicogewicht en verwacht verlies gebruikte blootstellingswaarde niet de som van:

a) 

het opgenomen bedrag van de revolverende kredietlijn;

b) 

50 % van het blootstellingsbedrag buiten de balanstelling van het resterende onbenutte deel van de revolverende kredietlijn als berekend aan de hand van de in artikel 111 bepaalde toepasselijke SA-CCF.

De som van de punten a) en b) wordt de „CCF-input floor” genoemd.

▼B

9.  
Indien een verplichting betrekking heeft op de uitbreiding van een andere verplichting, wordt gebruik gemaakt van de laagste van beide omrekeningsfactoren die voor de individuele verplichting gelden.

▼M17 —————

▼B

Artikel 168

Andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen

De blootstellingswaarde van andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen, is gelijk aan de resterende boekwaarde na aanbrenging van bepaalde kredietrisicoaanpassingen.

Afdeling 6

Vereisten voor de IRB- benadering

Onderafdeling 1

Ratingsystemen

Artikel 169

Algemene beginselen

1.  
Indien een instelling van meerdere ratingsystemen gebruik maakt, wordt de rationale voor het onderbrengen van een bepaalde debiteur of transactie in een ratingsysteem in documentatie vastgelegd en op zodanige wijze toegepast dat het risiconiveau adequaat wordt weerspiegeld.
2.  
De onderbrengingscriteria en -processen worden periodiek getoetst om na te gaan of zij nog steeds adequaat zijn voor de actuele portefeuille en externe omstandigheden.
3.  
Indien een instelling gebruik maakt van directe ramingen van risicoparameters voor individuele debiteuren of blootstellingen, kunnen deze worden beschouwd als ramingen toegewezen aan klassen op een continue ratingschaal.

▼M17

De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit over de wijze waarop in de praktijk de vereisten moeten worden toegepast inzake opzet van modellen, risicokwantificering, validatie en toepassing van risicoparameters waarbij voor elke risicoparameter continue of zeer fijnmazige ratingschalen worden gebruikt.

▼B

Artikel 170

Opzet van ratingsystemen

1.  

►M17  De opzet van ratingsystemen voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen voldoet aan de volgende vereisten: ◄

a) 

een ratingsysteem houdt rekening met de debiteuren- en transactierisicokenmerken;

b) 

een ratingsysteem heeft een ratingschaal voor debiteuren welke uitsluitend betrekking heeft op de kwantificering van het risico dat de debiteur in gebreke blijft. De ratingschaal voor debiteuren telt ten minste 7 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en één voor in gebreke gebleven debiteuren;

c) 

een instelling legt de relatie tussen debiteurenklassen in documentatie vast in termen van het met de verschillende debiteurenklassen samenhangende niveau van het wanbetalingsrisico en in termen van de gebruikte criteria om de diverse risiconiveaus van elkaar te onderscheiden;

d) 

instellingen waarvan de portefeuilles in een bepaald marktsegment en in een bepaald deel van de PD-distributie zijn geconcentreerd, zorgen ervoor dat er binnen dat deel genoeg debiteurenklassen zijn om ongewenste concentraties van debiteuren in één bepaalde klasse te vermijden. Aanzienlijke concentraties in één klasse worden verantwoord met overtuigende empirische gegevens die aantonen dat de debiteurenklasse een redelijk smalle PD-bandbreedte bestrijkt en dat het wanbetalingsrisico dat aan alle in de betrokken klasse ondergebrachte debiteuren verbonden is, binnen die bandbreedte valt;

e) 

opdat het gebruik van eigen LGD-ramingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor toestemming van de bevoegde autoriteit in aanmerking komt, omvat een ratingsysteem een afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten die uitsluitend betrekking heeft op met LGD verband houdende transactiekenmerken. De definitie van de faciliteitsklasse omvat een beschrijving van de wijze waarop een blootstelling in een klasse wordt ondergebracht en van de gehanteerde criteria om de risiconiveaus van de diverse klassen van elkaar te onderscheiden;

f) 

aanzienlijke concentraties in één faciliteitsklasse worden verantwoord met overtuigende empirische gegevens die aantonen dat de faciliteitsklasse een redelijk smalle LGD-bandbreedte bestrijkt en dat het risico dat aan alle in de betrokken klasse ondergebrachte blootstellingen verbonden is, binnen die bandbreedte valt.

2.  
Instellingen die voor de toekenning van risicogewichten aan blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening de in artikel 153, lid 5, beschreven methoden toepassen, zijn vrijgesteld van de verplichting om een ratingschaal voor debiteuren te hanteren welke uitsluitend het risico kwantificeert dat de debiteur voor die blootstellingen in gebreke blijft. Deze instellingen hebben voor die blootstellingen ten minste 4 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en ten minste één klasse voor in gebreke gebleven debiteuren.
3.  

De opzet van ratingsystemen voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen voldoet aan de volgende vereisten:

a) 

de ratingsystemen weerspiegelen zowel het debiteuren- als het transactierisico en houden rekening met alle relevante debiteuren- en transactiekenmerken;

b) 

het risico is op zodanige wijze gedifferentieerd dat het aantal blootstellingen in een gegeven klasse of groep toereikend is voor een zinvolle kwantificering en validatie van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep. De blootstellingen en debiteuren zijn op zodanige wijze over de klassen of groepen verdeeld dat buitensporige concentraties worden vermeden;

c) 

het proces voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen resulteert in een zinvolle risicodifferentiatie, levert een groepering van voldoende homogene blootstellingen op en maakt een accurate en consequente raming van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep mogelijk. Voor gekochte kortlopende vorderingen weerspiegelt de groepering de overnemingspraktijken van de verkoper en de heterogeniteit van zijn cliënten.

4.  

De instellingen houden rekening met de volgende risicobepalende factoren wanneer zij blootstellingen in klassen of groepen onderbrengen:

a) 

debiteurenrisicokenmerken;

▼M17

b) 

transactierisicokenmerken, zoals product- en volgestorte kredietprotectietypen, in aanmerking genomen niet-volgestorte kredietprotectie, loan-to-value-maatstaven, seasoning en rangorde; de instellingen gaan uitdrukkelijk in op gevallen waarin voor verschillende blootstellingen dezelfde volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie geldt.

▼B

c) 

achterstalligheid, behalve wanneer een instelling ten genoegen van haar bevoegde autoriteit aantoont dat achterstalligheid geen wezenlijke risicobepalende factor van de blootstelling is.

Artikel 171

Onderbrenging in klassen of groepen

1.  

Een instelling past specifieke definities, processen en criteria toe voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen van een ratingsysteem die aan de volgende vereisten voldoen:

a) 

de definities van en de criteria voor de klassen of groepen zijn voldoende gedetailleerd om degenen die ratings toekennen in staat te stellen op consistente wijze debiteuren of faciliteiten waaraan vergelijkbare risico's verbonden zijn, in dezelfde klasse of groep onder te brengen. Dit gebeurt consequent voor alle bedrijfsonderdelen, afdelingen en geografische locaties;

b) 

de documentatie van het ratingproces stelt derden in staat te begrijpen hoe blootstellingen in klassen of groepen worden ondergebracht, de onderbrenging in klassen en groepen te reconstrueren en te oordelen of een onderbrenging in een bepaalde klasse of groep terecht is;

c) 

de criteria sluiten tevens aan bij de door de instelling toegepaste interne normen voor de verstrekking van leningen en bij haar beleidslijnen voor de aanpak van dubieuze debiteuren en probleemfaciliteiten.

2.  
Bij de onderbrenging van debiteuren en faciliteiten in klassen of groepen houdt een instelling rekening met alle relevante informatie. Deze informatie is actueel en stelt de instelling in staat de toekomstige ontwikkeling van de blootstelling te voorspellen. Hoe minder informatie een instelling bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij de onderbrenging van blootstellingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of -groepen. Indien een instelling gebruik maakt van een externe rating als primaire factor voor de toekenning van een interne rating, houdt zij ook rekening met andere relevante informatie.

▼M17

3.  
Instellingen gebruiken bij het toewijzen van ratings een tijdshorizon van meer dan één jaar. De rating van een debiteur is een weerspiegeling van de beoordeling door de instelling van het vermogen en de bereidheid van de debiteur om zich ondanks ongunstige economische omstandigheden of onverwachte gebeurtenissen aan zijn contractuele verplichtingen te houden. Ratingsystemen worden zodanig vormgegeven dat individuele veranderingen en, wanneer zij wezenlijke risicobepalende factoren van de soort blootstelling zijn, sectorspecifieke veranderingen een bepalende factor zijn voor migraties van een klasse of groep naar een andere. Effecten van conjunctuurcycli kunnen ook een factor zijn voor migraties.

▼B

Artikel 172

Onderbrenging van blootstellingen

1.  

►M17  Voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen, worden de blootstellingen ondergebracht overeenkomstig de volgende criteria: ◄

a) 

elke debiteur wordt in het kader van het kredietacceptatieproces in een debiteurenklasse ondergebracht;

b) 

voor blootstellingen waarvoor een instelling overeenkomstig artikel 143 van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren te gebruiken, wordt elke blootstelling in het kader van het kredietacceptatieproces tevens in een faciliteitsklasse ondergebracht;

c) 

instellingen die de in artikel 153, lid 5, beschreven methoden toepassen voor de toekenning van risicogewichten aan blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, brengen elk van deze blootstellingen overeenkomstig artikel 170, lid 2, in een klasse onder;

▼M17

d) 

aan elke individuele rechtspersoon met betrekking waartoe de instelling een blootstelling heeft, wordt een afzonderlijke rating toegekend;

▼B

e) 

verschillende blootstellingen op dezelfde debiteur worden in dezelfde debiteurenklasse ondergebracht, ongeacht of het karakter van elke specifieke transactie verschillen vertoont. Indien verschillende blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur in meerdere klassen worden ondergebracht, is echter het volgende van toepassing:

i) 

het transferrisico, dat afhankelijk is van het feit of de blootstellingen in de lokale dan wel in een buitenlandse valuta luiden;

ii) 

de behandeling van met een blootstelling samenhangende garanties kan worden weerspiegeld door de onderbrenging in een andere debiteurenklasse;

iii) 

consumentenbescherming, het bankgeheim of andere wetgeving verbieden het uitwisselen van gegevens over cliënten.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), beschikt een instelling over passende beleidslijnen voor de behandeling van individuele debiteuren-cliënten en groepen verbonden cliënten. Die beleidslijnen bevatten een procedure voor het identificeren van specifiek wrong-way-risico voor elke rechtspersoon met betrekking waartoe de instelling een blootstelling heeft.

Voor de toepassing van hoofdstuk 6 worden transacties met tegenpartijen waarvoor een specifiek wrong-way-risico is geconstateerd, bij het berekenen van hun blootstellingswaarde anders behandeld.

▼B

2.  
Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden in het kader van het kredietacceptatieproces in een klasse of groep ondergebracht.
3.  
Bij de onderbrengingen in klassen of groepen leggen de instellingen in documentatie vast in welke situaties de inputs of outputs van het onderbrengingsproces door middel van subjectieve inschatting kunnen worden bijgestuurd en welk personeel voor de goedkeuring van deze bijsturingen verantwoordelijk is. De instellingen leggen deze bijsturingen in documentatie vast en noteren welk personeel daarvoor verantwoordelijk is. De instellingen analyseren de ontwikkeling van de blootstellingen waarvan de onderbrenging is bijgestuurd. Deze analyse omvat een beoordeling van de ontwikkeling van blootstellingen waarvan de rating door een bepaalde persoon is bijgestuurd, waarbij voor alle verantwoordelijke personeelsleden verantwoording wordt afgelegd.

Artikel 173

Integriteit van het onderbrengingsproces

1.  

►M17  Voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen, voldoet het onderbrengingsproces aan de volgende vereisten: ◄

a) 

de onderbrengingen en periodieke evaluaties van onderbrengingen worden verricht of goedgekeurd door een onafhankelijke partij die geen onmiddellijk voordeel heeft bij de beslissingen om krediet te verstrekken;

b) 

de onderbrengingen worden ten minste jaarlijks door de instellingen geëvalueerd en worden aangepast indien uit de evaluatie blijkt dat onderbrenging in dezelfde klasse niet langer gerechtvaardigd is. Risicovolle debiteuren en probleemblootstellingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen. De instellingen gaan over tot een herziening van de onderbrenging indien belangrijke informatie over de debiteur of de blootstelling beschikbaar komt;

c) 

de instellingen beschikken over een efficiënt proces voor de verzameling en actualisering van relevante informatie over debiteurenkenmerken die op PD's van invloed zijn en over transactiekenmerken die op LGD's of omrekeningsfactoren van invloed zijn.

2.  
Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden de onderbrengingen in debiteuren- en faciliteitsklassen ten minste eenmaal per jaar door de instelling geëvalueerd en aangepast indien uit de evaluatie blijkt dat onderbrenging in dezelfde klasse niet langer gerechtvaardigd is, of worden de verlieskenmerken en de achterstalligheidssituatie van elke onderscheiden risicogroep door de instelling geëvalueerd, naargelang van het geval. Een instelling evalueert tevens ten minste eenmaal per jaar de status van een representatieve steekproef van individuele blootstellingen uit elke groep om erop toe te zien dat blootstellingen nog steeds in de juiste groep ondergebracht zijn, en past de onderbrenging aan indien uit de evaluatie blijkt dat onderbrenging in dezelfde klasse niet langer gerechtvaardigd is.

▼M17

3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen met daarin de methoden voor de bevoegde autoriteiten voor het beoordelen van de integriteit van het onderbrengingsproces en de regelmatige en onafhankelijke beoordeling van risico’s.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 174

Gebruik van modellen

▼M17

Instellingen maken voor het onderbrengen van blootstellingen in debiteuren- of faciliteitsklassen of -groepen gebruik van statistische en andere wiskundige methoden („modellen”). De volgende vereisten worden vervuld:

a) 

het model heeft een goede voorspelkracht en de eigenvermogensvereisten worden niet vertekend door het gebruik van het model;

▼B

b) 

de instelling beschikt over een proces voor de validatie van de in het model in te voeren gegevens, waarbij onder meer de juistheid, volledigheid en relevantie van die gegevens worden getoetst;

c) 

de voor de opstelling van het model gebruikte gegevens zijn representatief voor de bestaande populatie van debiteuren of blootstellingen van de instelling;

d) 

de instelling voorziet in een regelmatige modelvalidatiecyclus die een monitoring van de prestatie en stabiliteit van het model, een herbeoordeling van de modelspecificatie en een toetsing van de modeloutputs aan de uitkomsten omvat;

e) 

de instelling vult het statistische model aan met subjectieve inschattingen en menselijk toezicht om de op basis van het model verkregen onderbrengingen te toetsen en toe te zien op een oordeelkundig gebruik van de modellen. De toetsingsprocedures zijn erop gericht de met de gebreken van het model samenhangende fouten op te sporen en te beperken. Bij subjectieve inschattingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie die niet door het model in aanmerking wordt genomen. De instelling legt in documentatie vast hoe de subjectieve inschatting en de modelresultaten moeten worden gecombineerd.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), vormen de inputvariabelen een redelijke en effectieve basis voor de daaruit resulterende prognoses. Het model wordt niet gekenmerkt door vertekeningen van betekenis. Er is een functioneel verband tussen de inputs en de outputs van het model, die, in voorkomend geval, worden bepaald aan de hand van expert judgement.

▼B

Artikel 175

In documentatie vastleggen van ratingsystemen

1.  
De instellingen leggen de opzet en operationele bijzonderheden van hun ratingsystemen in documentatie vast. Uit de documentatie blijkt dat de in deze afdeling gestelde vereisten in acht worden genomen. In de documentatie komen onder meer de volgende onderwerpen aan de orde: portefeuillespreiding, ratingcriteria, verantwoordelijkheden van partijen die debiteuren en blootstellingen in ratingklassen onderbrengen, de frequentie waarmee de onderbrenging wordt getoetst, en het toezicht door het management op het ratingproces.
2.  
De instellingen leggen de rationale voor hun keuze van ratingcriteria en de analyse ter ondersteuning van deze keuze in de documentatie vast. De instellingen leggen alle belangrijke wijzigingen in het risicoratingproces in documentatie vast en in de documentatie wordt aangegeven welke wijzigingen in het risicoratingproces zijn aangebracht na de laatste toetsing ervan door de bevoegde autoriteiten en waarom. Ook de organisatie van het onderbrengen in ratingklassen, met inbegrip van het onderbrengingsproces en de internecontrolestructuur, wordt in documentatie vastgelegd.
3.  
De instellingen leggen de intern gebruikte specifieke definities van wanbetaling en verlies in documentatie vast en dragen zorg voor consistentie met de definities in deze verordening.
4.  

Indien instellingen in het kader van het ratingproces van statistische modellen gebruik maken, leggen zij de methode ervan in documentatie vast. Hierbij:

a) 

wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de theorie, aannamen en wiskundige en empirische grondslagen voor de toewijzing van ramingen aan klassen, individuele debiteuren, blootstellingen of pools, alsook van de voor de opstelling van het model gebruikte gegevensbron(nen);

b) 

wordt een stringent statistisch proces (met inbegrip van out-of-time en out-of-sample prestatietesten) voor de validatie van het model vastgelegd;

c) 

wordt aangegeven onder welke omstandigheden het model niet efficiënt werkt.

5.  
Een instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat aan de vereisten van dit artikel wordt voldaan wanneer een instelling bij een derde-verkoper een ratingsysteem of een in verband met een ratingsysteem gebruikt model heeft verkregen en die verkoper de toegang van de instelling tot informatie met betrekking tot de methode van dat ratingsysteem of dat model, of de onderliggende gegevens die worden gebruikt om die methode of dat model te ontwikkelen, weigert of beperkt op grond van het feit dat dit eigendomsrechtelijk beschermde informatie is.

Artikel 176

Bijhouden van gegevens

1.  
De instellingen verzamelen en slaan gegevens op over de aspecten van hun interne ratings, zoals voorgeschreven overeenkomstig deel 8.
2.  

►M17  Voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen en blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen worden door de instellingen de volgende gegevens verzameld en opgeslagen: ◄

a) 

de volledige ratinghistorie van debiteuren en erkende garantiegevers;

b) 

de datums waarop de ratings zijn toegekend;

c) 

de belangrijkste gegevens en methodiek die zijn gebruikt om de ratings te bepalen;

d) 

de voor de onderbrenging in ratingklassen verantwoordelijke persoon;

e) 

de in gebreke gebleven debiteuren en de blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan;

f) 

de datum waarop en omstandigheden waaronder debiteuren in gebreke zijn gebleven en er zich voor blootstellingen wanbetaling heeft voorgedaan;

g) 

gegevens over de PD's en de gerealiseerde wanbetalingsgraden die met ratingklassen en ratingmigraties samenhangen.

▼M17

3.  
Voor blootstellingen waarvoor dit hoofdstuk het gebruik van eigen ramingen van LGD of het gebruik van IRB-CCF toestaat, maar waarvoor de instellingen geen eigen ramingen van LGD of IRB-CCF gebruiken, gaan de instellingen over tot het verzamelen en opslaan van gegevens over vergelijkingen tussen gerealiseerde LGD’s en de in artikel 161, lid 1, bepaalde waarden en tussen gerealiseerde CCF en de in artikel 166, lid 8 bis, bepaalde SA-CCF’s.

▼B

4.  

De instellingen die eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren gebruiken, worden geacht de volgende gegevens te verzamelen en op te slaan:

a) 

volledige historische gegevens over de met elke ratingschaal samenhangende faciliteitsratings- en ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren;

b) 

de datums waarop de ratings zijn toegekend en de ramingen zijn verricht;

c) 

de belangrijkste gegevens en methoden die zijn gebruikt om de faciliteitsratings en de ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren te bepalen;

d) 

de persoon die de faciliteitsrating heeft toegekend en de persoon die de ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren heeft verstrekt;

e) 

gegevens over de met elke blootstelling ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, samenhangende geraamde en gerealiseerde LGD's en omrekeningsfactoren;

f) 

voor de instellingen die door middel van LGD met het kredietrisicoverminderende effect van garanties of kredietderivaten rekening houden, gegevens over het LGD van de blootstelling voor en na de beoordeling van het effect van een garantie of kredietderivaat;

g) 

gegevens over de verliescomponenten van elke blootstelling ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan.

5.  

Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden door de instellingen de volgende gegevens verzameld en opgeslagen:

a) 

bij het proces van de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen gebruikte gegevens;

b) 

gegevens over de geraamde PD's, LGD's en omrekeningsfactoren die samenhangen met de klassen of groepen blootstellingen;

c) 

de identiteit van in gebreke gebleven debiteuren en de blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan;

d) 

voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, de gegevens over de klassen of groepen waarin de blootstelling was ondergebracht in het jaar voordat zij een betalingsachterstand vertoonde en de gerealiseerde uitkomsten voor LGD en de omrekeningsfactor;

e) 

gegevens over de verliespercentages voor gekwalificeerde revolverende blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

Artikel 177

Voor de beoordeling van de kapitaaltoereikendheid gebruikte stresstests

1.  
De instellingen beschikken over deugdelijke processen voor het verrichten van stresstests bij de beoordeling van hun kapitaaltoereikendheid. Bij het verrichten van dergelijke tests wordt nagegaan welke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden een ongunstig effect kunnen hebben op het aan blootstellingen van een instelling verbonden kredietrisico, en beoordeeld in hoeverre de instelling tegen dergelijke veranderingen bestand is.
2.  
De instellingen verrichten regelmatig een stresstest met betrekking tot het kredietrisico om na te gaan welke gevolgen bepaalde specifieke omstandigheden hebben voor hun totale kapitaalvereisten voor het kredietrisico. De soort test wordt door de instelling gekozen, behoudens toetsing door de toezichthouder. De te gebruiken test is relevant en onderzoekt het effect van scenario's waarbij van een hevige, maar plausibele recessie wordt uitgegaan. De instelling gaat na welke veranderingen haar ratings in het kader van de stresstestscenario's ondergaan. De portefeuilles die de stresstest ondergaan, bevatten de overgrote meerderheid van alle blootstellingen van een instelling.

▼M17

2 bis.  
De uit hoofde van lid 2 gebruikte scenario’s omvatten ook ESG-risicodeterminanten, met name fysieke- en transitierisicodeterminanten als gevolg van klimaatverandering.

Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vaardigt de EBA richtsnoeren uit over de toepassing van de leden 2 en 2 bis.

▼M17 —————

▼B

Onderafdeling 2

Risicokwantificering

Artikel 178

▼M17

Wanbetaling door een debiteur of kredietfaciliteit

▼B

1.  

Een wanbetaling met betrekking tot een specifieke debiteur wordt geacht zich te hebben voorgedaan wanneer een van beide of elk van beide volgende gebeurtenissen heeft plaatsgevonden:

a) 

de instelling acht het onwaarschijnlijk dat de debiteur zijn kredietverplichtingen jegens de instelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen volledig zal nakomen zonder dat de instelling zal moeten overgaan tot acties zoals de uitwinning van zekerheden;

▼M17

b) 

de debiteur is meer dan 90 dagen achterstallig bij het nakomen van een aanzienlijke kredietverplichting jegens de instelling, de moederonderneming of haar dochterondernemingen.

▼B

In geval van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen kunnen de instellingen de in de eerste alinea, punten a) en b) vervatte definitie van wanbetaling toepassen op het niveau van een individuele kredietfaciliteit in plaats van met betrekking tot de totale verplichtingen van een kredietnemer.

2.  

Voor de toepassing van lid 1, punt b) geldt het volgende:

a) 

bij overdispositie begint de periode van achterstalligheid te lopen zodra een debiteur een aanbevolen kredietlimiet heeft overschreden, een kredietlimiet is aanbevolen die lager is dan de actuele uitstaande bedragen, of zonder toestemming krediet heeft opgenomen en wanneer het uitstaande bedrag aanzienlijk is;

b) 

voor de toepassing van punt a) omvat een aanbevolen kredietlimiet elke kredietlimiet die door de instelling is bepaald en waarover de debiteur door de instelling is geïnformeerd;

c) 

de periode van achterstalligheid voor kredietkaarten begint te lopen op de vervaldag van de minimumbetaling;

d) 

of een achterstallige kredietverplichting als aanzienlijk aan te merken is, wordt beoordeeld aan de hand van een door de bevoegde autoriteiten vast te stellen drempel. Deze drempel weerspiegelt een risiconiveau dat de bevoegde autoriteit als redelijk beschouwt;

e) 

de instellingen beschikken over in documentatie vastgelegde beleidslijnen met betrekking tot het tellen van het aantal achterstallige dagen, in het bijzonder ten aanzien van de herschikking van de faciliteiten en het toestaan van uitbreidingen, wijzigingen of uitstel, verlengingen, en verrekening van bestaande rekeningen. Deze beleidslijnen worden consequent toegepast en zijn in overeenstemming zijn met de interne risicobeheer- en besluitvormingsprocessen van de instelling.

3.  

Voor de toepassing van lid 1, punt a), worden onder meer de volgende elementen beschouwd als indicaties dat betaling onwaarschijnlijk is:

a) 

de instelling bestempelt de kredietverplichting als dubieus;

b) 

de instelling neemt een uit een gepercipieerde aanzienlijke vermindering van de kredietkwaliteit voortvloeiende specifieke kredietrisicoaanpassing in aanmerking nadat zij de blootstelling heeft geaccepteerd;

c) 

de instelling verkoopt de kredietverplichting met een aanzienlijk kredietgebonden economisch verlies;

▼M17

d) 

de instelling stemt in met een respijtmaatregel als bedoeld in artikel 47 ter van de kredietverplichting indien die maatregel wellicht zal resulteren in een geringere financiële verplichting als gevolg van de kwijtschelding van, dan wel de verlening van betalingsuitstel voor de hoofdsom, de rente of, in voorkomend geval, de provisies;

▼B

e) 

de instelling heeft het faillissement van de debiteur of een soortgelijk bevel aangevraagd met betrekking tot zijn kredietverplichting jegens de instelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen;

f) 

de debiteur heeft het faillissement of een soortgelijke bescherming aangevraagd of is in staat van faillissement verklaard, waardoor de terugbetaling van een kredietverplichting jegens de instelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen wordt vermeden of uitgesteld.

4.  
Instellingen die gebruik maken van externe gegevens die op zich niet beantwoorden aan de in lid 1 vervatte definitie van wanbetaling, verrichten adequate aanpassingen om algemene overeenstemming met de definitie van wanbetaling te bewerkstelligen.
5.  
Indien de instelling oordeelt dat een blootstelling ten aanzien waarvan zich eerder een wanbetaling heeft voorgedaan, thans in een zodanige toestand verkeert dat de definitie van wanbetaling niet langer van toepassing is, kent zij aan de debiteur of faciliteit een rating toe van een blootstelling ten aanzien waarvan er zich geen wanbetaling heeft voorgedaan. Indien de definitie van wanbetaling later toch van toepassing blijkt, dan wordt aangenomen dat er zich een andere wanbetaling heeft voorgedaan.
6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden volgens welke een bevoegde autoriteit de in lid 2, punt d), bedoelde drempel vaststelt.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  
De EBA vaardigt richtsnoeren betreffende de toepassing van dit artikel uit. Deze richtsnoeren worden vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Uiterlijk op 10 juli 2025 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit ter actualisering van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde richtsnoeren. Bij die actualisering moet met name terdege rekening worden gehouden met de noodzaak om instellingen aan te moedigen tot proactieve, preventieve en zinvolle schuldherstructurering ter ondersteuning van debiteuren.

Bij het ontwikkelen van die richtsnoeren houdt de EBA er terdege rekening mee dat instellingen voldoende flexibiliteit moeten krijgen bij het verduidelijken wat een geringere financiële verplichting is voor de toepassing van lid 3, punt d).

▼B

Artikel 179

Algemene ramingsvereisten

1.  

Bij de kwantificering van de risicoparameters die met ratingklassen of -groepen samenhangen, nemen de instellingen de volgende vereisten in acht:

a) 

in de eigen ramingen door een instelling van de risicoparameters PD, LGD, omrekeningsfactor en EL is met alle relevante gegevens, informatie en methoden rekening gehouden. De ramingen zijn verricht op grond van historische ervaring en empirisch bewijsmateriaal en niet louter gebaseerd op subjectieve overwegingen. De ramingen zijn aannemelijk en intuïtief, en gebaseerd op de wezenlijke determinanten van de respectieve risicoparameters. Hoe minder gegevens een instelling bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij het verrichten van haar ramingen;

b) 

de instelling is in staat haar verlieservaring in termen van wanbetalingsfrequentie, LGD en omrekeningsfactor of verlies wanneer EL-ramingen worden gebruikt, te ontbinden in de factoren die zij als de determinanten van de respectieve risicoparameters beschouwt. De ramingen van de instelling zijn gebaseerd op een langdurige ervaring;

c) 

er wordt rekening gehouden met wijzigingen die zich gedurende de in artikel 180, lid 1, punt h), en lid 2, punt e), in artikel 181, lid 1, punt j) en lid 2, en in artikel 182, leden 2 en 3, genoemde waarnemingsperioden in de leningspraktijk of in het proces voor de inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen hebben voorgedaan. In de ramingen van de instelling wordt tevens rekening gehouden met de gevolgen van de technische vooruitgang en met nieuwe gegevens en andere inlichtingen naarmate deze beschikbaar komen. Ten minste eenmaal per jaar en telkens wanneer nieuwe informatie aan het licht komt, onderwerpen de instellingen hun ramingen aan een nieuw onderzoek;

d) 

de populatie van de blootstellingen die in aanmerking worden genomen in de gegevens voor het verrichten van de ramingen, de leningsnormen die zijn toegepast toen de gegevens zijn gegenereerd, en andere relevante kenmerken zijn vergelijkbaar met die van de blootstellingen en de normen van de instelling. De economische of marktvoorwaarden die aan de gegevens ten grondslag liggen, zijn relevant voor de actuele en voorzienbare voorwaarden. Het aantal in de steekproef opgenomen blootstellingen en de voor de kwantificering gebruikte periode waarop de gegevens betrekking hebben, zijn van dien aard dat de instelling kan vertrouwen op de juistheid en deugdelijkheid van haar ramingen;

e) 

in de ramingen met betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie waarover de kopende instelling beschikt ten aanzien van de kwaliteit van de onderliggende vorderingen, met inbegrip van gegevens over soortgelijke pools welke afkomstig zijn van de verkoper, de kopende instelling of externe bronnen. De kopende instelling toetst alle door de verkoper aangeleverde gegevens waarvan zij gebruik maakt;

▼M17

f) 

om vertekeningen te voorkomen, neemt een instelling in haar ramingen voor zover mogelijk de nodige aanpassingen op. Nadat zij de nodige aanpassingen heeft opgenomen, telt zij bij haar ramingen een toereikende voorzichtigheidsmarge die in verhouding staat tot de verwachte foutmarge. In de gevallen waarin de methoden en gegevens als minder bevredigend worden beschouwd, is de verwachte foutmarge groter en is ook de voorzichtigheidsmarge groter.

▼B

Indien instellingen voor de berekening van risicogewichten andere ramingen hanteren dan voor interne doeleinden, wordt dit in documentatie vastgelegd en wordt hierbij redelijkheid betracht. Indien instellingen ten genoegen van hun bevoegde autoriteiten kunnen aantonen dat uiterlijk op 1 januari 2007 verzamelde gegevens op zodanige wijze zijn aangepast dat zij grotendeels beantwoorden aan de in artikel 178 vervatte definitie van wanbetaling of de definitie van verlies, kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen enige flexibiliteit toestaan bij de toepassing van de voorgeschreven gegevensnormen.

2.  

Indien een instelling gebruik maakt van een datapool van verschillende instellingen, voldoet zij aan de volgende vereisten:

a) 

de ratingsystemen en -criteria van de overige instellingen die tot de datapool hebben bijgedragen, zijn vergelijkbaar met de hare;

b) 

de datapool is representatief voor de portefeuille waarvoor de gegevens uit de pool worden gebruikt;

c) 

de instelling gebruikt de gegevens uit de datapool consequent in de tijd voor haar ramingen;

d) 

de instelling blijft verantwoordelijk voor de integriteit van haar ratingsystemen;

e) 

de instelling behoudt voldoende interne kennis van haar ratingsystemen, waardoor zij onder meer feitelijk in staat is het ratingproces te bewaken en te controleren.

Artikel 180

Specifieke vereisten voor PD-ramingen

1.  

►M17  Bij de kwantificering van de risicoparameters die met ratingklassen of -groepen samenhangen, passen de instellingen bij PD-ramingen voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen en blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen de volgende specifieke vereisten toe: ◄

a) 

de instellingen ramen de PD's per debiteurenklasse op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingsgraden. PD-ramingen voor debiteuren met een hoge hefboomfinanciering of voor debiteuren waarvan de activa overwegend verhandelde activa zijn, weerspiegelen de prestaties van de onderliggende activa op basis van periodes van hoge volatiliteit;

b) 

in het geval van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen kunnen de instellingen het EL per debiteurenklasse ramen op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden;

c) 

indien een instelling gemiddelde ramingen over een lange periode van PD's en LGD's voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen afleidt uit een EL-raming en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet het proces voor de raming van de totale verliezen aan de in dit deel beschreven algemene normen voor de raming van PD en LGD en spoort het resultaat met het in artikel 181, lid 1, punt a), vervatte concept van LGD;

d) 

indien de instellingen PD-ramingstechnieken toepassen, mag dat alleen met ondersteunende analyses. De instellingen nemen het belang van subjectieve overwegingen in aanmerking bij het combineren van de resultaten van de toepassing van technieken en bij het aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met de beperkingen waaraan de technieken en de informatie onderhevig zijn;

▼M17

e) 

indien een instelling voor de raming van PDs gebruikmaakt van gegevens over de interne ervaring met wanbetaling, weerspiegelen de ramingen de huidige overnemingsnormen en alle verschillen tussen het ratingsysteem dat de gegevens heeft gegenereerd en het vigerende ratingsysteem; indien de overnemingsnormen of ratingsystemen zijn gewijzigd, telt de instelling, nadat zij de nodige aanpassing heeft opgenomen, een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming, die in verhouding staat tot de verwachte foutmarge van de ramingen en die nog niet onder de nodige aanpassing valt;

▼B

f) 

indien een instelling haar interne klassen relateert aan of mapt naar een schaal die door een EKBI of soortgelijke organisaties wordt toegepast en vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gebruikte klassen, wordt de mapping gebaseerd op een vergelijking van de interne ratingcriteria met de criteria die door de externe organisatie worden gebruikt en op een vergelijking van de interne en externe ratings van gewone debiteuren. Vertekeningen of inconsistenties bij de mapping of in de onderliggende gegevens worden vermeden. De criteria van de externe organisatie welke aan de voor de kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben uitsluitend betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de transactiekenmerken. In de door de instelling verrichte analyse is een vergelijking van de definities van wanbetaling opgenomen, met inachtneming van de voorschriften van artikel 178. De instelling legt de grondslag voor de mapping in documentatie vast;

g) 

indien een instelling gebruik maakt van statistische voorspellingsmodellen voor wanbetaling, dan mag zij PD's ramen als het gewone gemiddelde van de ramingen van de kans op wanbetaling voor individuele debiteuren van een bepaalde klasse. Indien de instelling voor de toepassing van deze bepaling gebruik maakt van waarschijnlijkheidsmodellen voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in artikel 174 gespecificeerde normen;

▼M17

h) 

ongeacht of een instelling voor haar PD-raming gebruik maakt van externe, interne of gepoolde gegevensbronnen, of een combinatie van deze drie bronnen, bedraagt de duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode voor ten minste één bron minimaal vijf jaar;

▼M17

i) 

ongeacht de voor het ramen van PD gebruikte methodiek ramen instellingen een PD voor elke ratingklasse op basis van de waargenomen historisch gemiddelde wanbetalingsgraad op één jaar die een rekenkundig gemiddelde is op basis van het aantal debiteuren (gewogen naar aantal); andere benaderingen, zoals naar blootstelling gewogen gemiddelden, niet zijn toegestaan.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt h), van dit lid wordt, wanneer de waarnemingsperiode voor een van de bronnen een langere periode omspant en die gegevens relevant zijn, van die langere periode gebruikgemaakt. De gegevens omvatten een voor het soort blootstellingen representatieve mix van goede en slechte jaren van de conjunctuurcyclus. Met toestemming van de bevoegde autoriteiten kunnen de instellingen die niet op grond van artikel 143 van de bevoegde autoriteit toestemming hebben gekregen om eigen LGD-ramingen of IRB-CCF te gebruiken, bij de invoering van de IRB-benadering relevante gegevens gebruiken die een periode van twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met één jaar toe totdat de relevante gegevens ten minste vijf jaar bestrijken.

▼B

2.  

Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen gelden de volgende vereisten:

▼M17

a) 

instellingen ramen PD’s per debiteuren- of faciliteitenklasse of -groep op basis van gemiddelden over een lange periode van jaarlijkse wanbetalingsgraden, en wanbetalingsgraden worden alleen op faciliteitniveau berekend indien de definitie van wanbetaling op het niveau van een individuele kredietfaciliteit wordt toegepast overeenkomstig artikel 178, lid 1, tweede alinea;

▼B

b) 

ramingen van PD's mogen ook worden afgeleid uit een raming van de totale verliezen en adequate LGD-ramingen;

c) 

de instellingen beschouwen interne gegevens voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen als primaire informatiebron voor de inschatting van de verlieskenmerken. De instellingen kunnen externe gegevens (met inbegrip van gegevens uit datapools) of statistische modellen gebruiken voor kwantificeringsdoeleinden, mits beide volgende sterke verbanden bestaan:

i) 

tussen het door de instelling gehanteerde proces voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen en het door de externe gegevensbron gehanteerde proces; en

ii) 

tussen het interne risicoprofiel van de instelling en de samenstelling van de externe gegevens;

d) 

indien een instelling gemiddelde ramingen over een lange periode van PD en LGD voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen afleidt uit een raming van de totale verliezen en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet het proces voor de raming van de totale verliezen aan de in dit deel beschreven algemene normen voor de raming van PD en LGD en spoort het resultaat met het in artikel 181, lid 1, punt a), vervatte concept van LGD;

▼M17

e) 

ongeacht of een instelling voor haar PD-raming gebruikmaakt van externe, interne of gepoolde gegevensbronnen, of een combinatie van deze drie bronnen, bedraagt de duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode voor ten minste één bron minimaal vijf jaar;

▼B

f) 

de tijdens de looptijd van de blootstellingen aan kredietrisico verwachte wijzigingen in de risicoparameters (seasoning effects) worden door de instellingen aangegeven en geanalyseerd.

Voor gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen kunnen de instellingen gebruik maken van externe en interne referentiegegevens. De instellingen gebruiken alle relevante gegevensbronnen als vergelijkingspunt.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), is de PD gebaseerd op het waargenomen historisch gemiddelde van de wanbetalingsgraad op één jaar.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt e), wordt, wanneer de waarnemingsperiode voor een van de bronnen een langere periode omspant en die gegevens relevant zijn, van die langere periode gebruikgemaakt. De gegevens omvatten een voor het soort blootstellingen representatieve mix van goede en slechte jaren van de conjunctuurcyclus. Met toestemming van de bevoegde autoriteiten kunnen de instellingen bij de invoering van de IRB-benadering relevante gegevens gebruiken die een periode van twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met één jaar toe totdat relevante gegevens ten minste vijf jaar bestrijken.

▼M17

3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de methoden waarmee de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 143 de methodiek van een instelling voor het ramen van de PD moeten beoordelen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 181

Specifieke vereisten voor eigen LGD-ramingen

1.  

Bij de kwantificering van de risicoparameters die met ratingklassen of -groepen samenhangen, nemen de instellingen de onderstaande specifieke vereisten voor eigen LGD-ramingen in acht:

a) 

de instellingen ramen de LGD's per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde LGD's per faciliteitsklasse of -groep en maken daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling (naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde);

b) 

de instellingen maken gebruik van LGD-ramingen die passend zijn voor een economische neergang indien deze voorzichtiger zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde LGD's per klasse of groep oplevert welke op een constant niveau zijn, passen de instellingen hun ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op het kapitaal te beperken;

▼M17

c) 

een instelling houdt rekening met de mate van afhankelijkheid tussen, enerzijds, het debiteurenrisico en, anderzijds, het risico van volgestorte kredietprotectie niet zijnde kaderverrekeningsovereenkomsten en verrekening op de balans van leningen en deposito’s, of de verstrekker daarvan;

d) 

valutamismatches tussen de onderliggende verplichting en de volgestorte kredietprotectie niet zijnde kaderverrekeningsovereenkomsten en verrekening op de balans van leningen en deposito’s worden op voorzichtige wijze behandeld bij de beoordeling van de LGD door de instelling;

e) 

voor zover LGD-ramingen rekening houden met het bestaan van volgestorte kredietprotectie niet zijnde kaderverrekeningsovereenkomsten en verrekening op de balans van leningen en deposito’s, worden die ramingen niet uitsluitend gebaseerd op de geraamde marktwaarde van de volgestorte kredietprotectie;

f) 

voor zover LGD-ramingen rekening houden met het bestaan van volgestorte kredietprotectie niet zijnde kaderverrekeningsovereenkomsten en verrekening op de balans van leningen en deposito’s, stellen de instellingen interne vereisten vast voor beheer, rechtszekerheid en risicobeheer van die volgestorte kredietprotectie, en zijn die vereisten over het geheel genomen coherent met de vereisten in hoofdstuk 4, afdeling 3, onderafdeling 1;

g) 

voor zover een instelling volgestorte kredietprotectie niet zijnde kaderverrekeningsovereenkomsten en verrekening op de balans van leningen en deposito’s in aanmerking neemt voor het bepalen van de blootstellingswaarde voor tegenpartijkredietrisico overeenkomstig hoofdstuk 6, afdeling 5 of 6, wordt met bedragen die naar verwachting op die volgestorte kredietprotectie kunnen worden verhaald, geen rekening gehouden bij de LGD-ramingen;

▼B

h) 

in het specifieke geval van vorderingen waarbij reeds sprake is van wanbetaling, maakt de instelling gebruik van de som van haar beste ramingen van het voor elke blootstelling verwachte verlies in het licht van het heersende economische klimaat en de status van de blootstelling, en de door haar geraamde stijging van het verliespercentage als gevolg van mogelijke bijkomende onverwachte verliezen die zich zouden kunnen voordoen gedurende de afboekingsperiode, d.w.z. tussen de datum waarop zich een betalingsachterstand voordoet en de definitieve liquidatie van de blootstelling;

▼M17

i) 

voor zover provisies voor achterstallige betalingen die vóór het tijdstip van wanbetaling aan de debiteur worden opgelegd, in de winst- en -verliesrekening van de instelling zijn geactiveerd, worden zij bij de waarde van de blootstelling en het verlies van de instelling geteld;

j) 

voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, zijn de LGD-ramingen gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimaal vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt; indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, wordt van die langere periode gebruikgemaakt.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), van dit lid houden de instellingen afdoende rekening met in de loop van de betrokken verhaalprocedure op enig type van volgestorte kredietprotectie en op niet-volgestorte kredietprotectie die niet onder de definitie in artikel 142, lid 1, punt 10, valt, verhaalde bedragen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), worden gevallen waarin van een aanzienlijke mate van afhankelijkheid sprake is, op voorzichtige wijze benaderd.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt e), houden LGD-ramingen rekening met de gevolgen van het potentiële onvermogen van instellingen om vlot zeggenschap over hun zekerheden te verkrijgen en deze te liquideren.

▼B

2.  

Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen kunnen de instellingen het volgende doen:

a) 

LGD-ramingen afleiden uit gerealiseerde verliezen en adequate PD-ramingen;

▼M17

b) 

toekomstige opnemingen ofwel in hun omrekeningsfactoren, ofwel in hun LGD-ramingen verwerken;

▼B

c) 

bij gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen gebruik maken van externe en interne referentiegegevens om de LGD's te ramen.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), moet, indien instellingen toekomstige verdere opnemingen in hun omrekeningsfactoren opnemen, hiermee zowel in de teller als de noemer in de LGD rekening worden gehouden. Indien instellingen toekomstige verdere opnemingen niet in hun omrekeningsfactoren opnemen, moet hiermee alleen in de teller in de LGD rekening worden gehouden.

▼M17

Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden LGD-ramingen gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. Met toestemming van de bevoegde autoriteiten kunnen de instellingen bij de invoering van de IRB-benadering relevante gegevens gebruiken die een periode van twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met één jaar toe totdat relevante gegevens ten minste een periode van vijf jaar bestrijken.

▼B

3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de aard, ernst en duur van de in lid 1 bedoelde economische neergang;

▼C2

b) 

de voorwaarden waaronder een bevoegde autoriteit een instelling krachtens lid 2 kan toestaan relevante gegevens te gebruiken die een periode van twee jaar bestrijken, wanneer deze instelling de IRB-benadering invoert.

▼B

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

4.  
De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit ter verduidelijking van de behandeling van typen volgestorte kredietprotectie en niet-volgestorte kredietprotectie ten behoeve van lid 1, punt a), van dit artikel en de toepassing van de LGD-parameters.
5.  

Voor de berekening van het verlies vaardigt de EBA uiterlijk op 31 december 2025 overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 bijgewerkte richtsnoeren uit over het volgende:

a) 

met betrekking tot gevallen die terugkeren naar de status van niet-wanbetaling, de nadere bepaling van de wijze waarop kunstmatige kasstromen moeten worden behandeld en of het voor instellingen passender is de kunstmatige kasstromen over de werkelijke periode van wanbetaling te disconteren;

b) 

de beoordeling of de kalibratie en de toepassing van de verdisconteringsvoet passend is voor de berekening van economisch verlies over alle blootstellingen.

▼B

Artikel 182

Specifieke vereisten voor eigen ramingen van omrekeningsfactoren

1.  

Bij de kwantificering van de risicoparameters die met ratingklassen of -groepen samenhangen, nemen de instellingen de onderstaande specifieke vereisten voor eigen ramingen van omrekeningsfactoren in acht:

a) 

de instellingen ramen de omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde gerealiseerde omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep en maken daarbij gebruik van het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde dat uit alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling resulteert;

b) 

de instellingen maken gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren welke passend zijn voor een economische neergang indien deze voorzichtiger zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert welke op een constant niveau zijn, passen de instellingen hun ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op het kapitaal te beperken;

▼M17

c) 

IRB-CCF van instellingen houden rekening met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot en na het plaatsvinden van een gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat;

▼B

d) 

bij de raming van omrekeningsfactoren houden de instellingen rekening met hun specifieke beleidslijnen en strategieën voor het rekeningenbeheer en de betalingsverwerking. De instellingen houden ook rekening met hun vermogen en bereidheid om verdere opnemingen te voorkomen in situaties die net niet als wanbetaling worden beschouwd, zoals inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen waardoor technisch gesproken wanbetaling ontstaat;

e) 

de instellingen beschikken over adequate systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten, de actuele uitstaande bedragen uit hoofde van gecommitteerde kredietlijnen en wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur en per klasse te controleren. De instellingen zijn in staat de uitstaande saldi dagelijks te controleren;

f) 

indien instellingen voor de berekening van risicogewogen posities en interne doeleinden andere ramingen van omrekeningsfactoren hanteren, wordt dit in documentatie vastgelegd en wordt hierbij redelijkheid betracht;

▼M17

g) 

IRB-CCF van instellingen worden geraamd aan de hand van een benadering met een twaalfmaands vaste tijdshorizon;

h) 

IRB-CCF van instellingen zijn gebaseerd op referentiegegevens die, voor de blootstellingen waarop de ramingen worden toegepast, de kenmerken van de debiteur, de faciliteit en beheerspraktijk van de bank weerspiegelen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), moet, indien instellingen een negatieve gerealiseerde omrekeningsfactor constateren op basis van hun standaardwaarnemingen, de gerealiseerde omrekeningsfactor op die waarnemingen gelijk zijn aan nul voor de kwantificering van hun IRB-CCF. Instellingen kunnen de informatie over de negatieve gerealiseerde omrekeningsfactor gebruiken in het proces van modelontwikkeling ten behoeve van risicodifferentiatie.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), wordt in de IRB-CCF een ruimere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er redelijkerwijze een sterkere positieve correlatie kan worden verwacht tussen de wanbetalingsfrequentie en de omvang van de omrekeningsfactor.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt g), wordt elke wanbetaling gekoppeld aan de kenmerken van de betrokken debiteur en faciliteit op de vaste referentiedatum die bepaald is als twaalf maanden vóór de wanbetalingsdatum.

1 bis.  

Voor de toepassing van lid 1, punt h), worden op specifieke blootstellingen toegepaste IRB-CCF niet gebaseerd op gegevens die de effecten van disparate kenmerken of gegevens van blootstellingen met aanzienlijk verschillende risicokenmerken vermengen. IRB-CCF zijn gebaseerd op afdoende homogene segmenten. Daartoe worden de volgende praktijken alleen toegestaan op basis van een gedetailleerd onderzoek en rechtvaardiging door een instelling:

a) 

onderliggende kmo-/midmarketgegevens die worden toegepast op grote zakelijke debiteuren;

b) 

gegevens over kredietlijnen met beperkte onbenutte beschikbare limieten die worden toegepast op faciliteiten met grote onbenutte beschikbare limieten;

c) 

gegevens over op de referentiedatum achterstallige debiteuren of waarvan verdere opnemingen op de referentiedatum zijn geblokkeerd, die worden toegepast op debiteuren zonder bekende achterstand of relevante restricties;

d) 

gegevens die zijn beïnvloed door wijzigingen in de mix van leningen en andere kredietproducten van de debiteuren over de waarnemingsperiode, tenzij die gegevens daadwerkelijk zijn aangepast door de effecten van de wijzigingen in de productmix uit te schakelen.

1 ter.  

Voor de toepassing van lid 1 bis, punt d), tonen de instellingen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat zij een gedetailleerd inzicht hebben in de effecten van wijzigingen in de productmix van cliënten op de referentiegegevenssets voor blootstellingen en daarmee samenhangende IRB-CCF en dat de effecten immaterieel zijn of dat deze daadwerkelijk worden gemitigeerd binnen hun ramingsproces. In dat verband wordt het volgende niet passend geacht:

a) 

het bepalen van ondergrenzen of plafonds voor CCF of voor waarnemingen van blootstellingswaarden, met uitzondering van de gerealiseerde omrekeningsfactor gelijk aan nul, overeenkomstig lid 1, tweede alinea;

b) 

het gebruik van ramingen op debiteurenniveau die de transformatieopties van een betrokken product niet volledig dekken of die ten onrechte producten met zeer verschillende kenmerken combineren;

c) 

het aanpassen van uitsluitend materiële waarnemingen waarop producttransformatie van invloed is;

d) 

het uitsluiten van waarnemingen waarop transformatie van het productieprofiel van invloed is.

1 quater.  
Instellingen zorgen ervoor dat hun IRB-CCF effectief worden losgekoppeld van de potentiële effecten van regionale instabiliteit als gevolg van het feit dat zo goed als alle bedragen van een faciliteit op de referentiedatum opgenomen zijn.
1 quinquies.  
Referentiegegevens zijn niet geplafonneerd op de uitstaande hoofdsom van een faciliteit of de beschikbare limiet van een faciliteit. Opgelopen rente, andere verschuldigde betalingen en opnemingen die de limieten van een faciliteit overschrijden, worden in de referentiegegevens opgenomen.

▼M17

2.  
Voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, regionale overheden, lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, zijn de ramingen van omrekeningsfactoren gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimum vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, wordt van die langere periode gebruikgemaakt.

▼B

3.  
Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen kunnen de instellingen toekomstige opnemingen ofwel in hun omrekeningsfactoren, ofwel in hun LGD-ramingen verwerken.

▼M17

Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen zijn de ramingen van omrekeningsfactoren gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. Met toestemming van de bevoegde autoriteiten kunnen de instellingen bij de invoering van de IRB-benadering toepasselijke gegevens gebruiken die een periode van twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met één jaar toe totdat de relevante gegevens ten minste vijf jaar bestrijken.

▼B

4.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de aard, ernst en duur van de in lid 1 bedoelde economische neergang;

b) 

de voorwaarden waaronder een bevoegde autoriteit een instelling kan toestaan relevante gegevens die een periode van twee jaar bestrijken te gebruiken op het moment dat een instelling de IRB-benadering voor het eerst implementeert.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

5.  
Uiterlijk op 31 december 2026 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit tot nadere bepaling van de methode die instellingen moeten toepassen om IRB-CCF te ramen.

▼B

Artikel 183

▼M17

Vereisten voor de beoordeling van het effect van niet-volgestorte kredietprotectie voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, waarbij van eigen LGD-ramingen gebruik wordt gemaakt, en voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

▼B

1.  

De volgende vereisten zijn van toepassing met betrekking tot toelaatbare garantiegevers en garanties:

a) 

de instellingen hanteren welomschreven criteria voor de categorieën van garantiegevers die zij in aanmerking nemen bij de berekening van de risicogewogen posten;

b) 

voor erkende garantiegevers gelden dezelfde regels als voor debiteuren; deze regels zijn vervat in de artikelen 171, 172 en 173;

▼M17

c) 

de garantie wordt schriftelijk bevestigd, is niet opzegbaar en niet aanpasbaar door de garantiegever, is van kracht totdat de verplichting volledig is nagekomen (rekening houdende met het bedrag en de geldigheidsduur van de garantie) en is juridisch afdwingbaar jegens de garantiegever in een rechtsgebied waar de garantiegever activa bezit waarop beslag kan worden gelegd ter tenuitvoerlegging van een vonnis;

▼M17

d) 

de garantie is onvoorwaardelijk.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), wordt onder „onvoorwaardelijke garantie” verstaan een garantie waarbij de kredietprotectieovereenkomst geen clausule bevat waarvan de naleving buiten de directe controle van de leningverstrekkende instelling valt en die kan verhinderen dat de garantiegever ingevolge de kwalificerende wanbetaling van de debiteur of niet-betaling door de oorspronkelijke debiteur verplicht is tijdig te betalen. Een clausule in de kredietprotectieovereenkomst die bepaalt dat bij een gebrekkig boekenonderzoek of bij fraude door de leningverstrekkende instelling de door de garantiegever afgegeven garantie vervalt of de omvang van de garantie afneemt, betekent niet dat die garantie als onvoorwaardelijk geldt.

Garanties waarbij de betaling door de garantiegever afhankelijk is van het feit dat de leningverstrekkende instelling eerst tegen de debiteur een vordering moet instellen, en die alleen verliezen dekken die overblijven nadat de instelling het debt workout-proces heeft afgerond, worden als onvoorwaardelijk beschouwd.

1 bis.  
Instellingen mogen niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door gebruik te maken van ofwel de modelleringsbenadering PD/LGD-aanpassing, overeenkomstig dit artikel en met in achtneming van het vereiste uit lid 4 van dit artikel, ofwel de benadering met substitutie van risicoparameters in de A-IRB overeenkomstig artikel 236 bis en met inachtneming van de toelaatbaarheidsvereisten van hoofdstuk 4. Instellingen beschikken over duidelijke beleidslijnen voor het beoordelen van de effecten van niet-volgestorte kredietprotectie op risicoparameters. De beleidslijnen van de instellingen zijn consistent met hun interne risicobeheerpraktijken en zijn een afspiegeling van de vereisten van dit artikel. Die beleidslijnen bepalen duidelijk welke in dit lid beschreven specifieke methoden voor elk ratingsysteem worden gebruikt, en instellingen passen die beleidslijnen consistent in de tijd toe.

▼B

2.  
Een instelling hanteert duidelijk gespecificeerde criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen en, in het geval van kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen en toelaatbare gekochte kortlopende vorderingen, voor de aanpassing van het proces voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen teneinde recht te doen aan de gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen posten. Deze criteria voldoen aan de vereisten van de artikelen 171, 172 en 173.

De criteria zijn aannemelijk en intuïtief. Zij hebben betrekking op het vermogen en de bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen, het vermoedelijke tijdschema van alle betalingen van de garantiegever, de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het vermogen van de debiteur om terug te betalen, en de mate waarin er enig restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan.

3.  
De in dit artikel neergelegde vereisten voor garanties gelden ook voor kredietderivaten met één referentie-entiteit. Indien er sprake is van een mismatch tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting van het kredietderivaat of de verplichting waarnaar wordt gekeken om uit te maken of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, zijn de vereisten van artikel 216, lid 2, van toepassing. In het geval van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen en toelaatbare gekochte kortlopende vorderingen is dit punt van toepassing op de procedure voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen.

De criteria hebben betrekking op de uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien in een voorzichtige inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het tijdschema van de inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen. De instelling houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van restrisico blijven bestaan.

▼M17

First-to-default-kredietderivaten kunnen in aanmerking worden genomen als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie. Second-to-default en alle overige nth-to-default-kredietderivaten worden echter niet in aanmerking genomen als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie.

▼M17

4.  
Indien instellingen niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door middel van de modelleringsbenadering PD/LGD-aanpassing, krijgt het gedekte deel van de onderliggende blootstelling geen risicogewicht toegekend dat lager is dan de RW-ondergrens ten aanzien van de protectiegever. Daartoe wordt de RW-ondergrens ten aanzien van de protectiegever berekend aan de hand van dezelfde PD, LGD en risicogewichtfunctie als die welke van toepassing zijn op vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever als bedoeld in artikel 236 bis.

▼B

5.  
Bij garanties ter dekking van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen zijn de vereisten van de leden 1, 2 en 3 ook van toepassing op de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen en de raming van PD.

▼M17 —————

▼B

Artikel 184

Vereisten voor gekochte kortlopende vorderingen

1.  
Bij de kwantificering van de risicoparameters die met ratingklassen of -groepen voor gekochte kortlopende vorderingen samenhangen, zorgen de instellingen ervoor dat de in de leden 2 tot en met 6 gestelde voorwaarden vervuld zijn.
2.  
De structuur van de faciliteit waarborgt dat de instelling onder alle voorzienbare omstandigheden de effectieve eigendom van en de zeggenschap over alle overdrachten van contanten uit hoofde van de kortlopende vorderingen heeft. Indien de betalingen van de debiteur rechtstreeks aan een verkoper of beheerder geschieden, verifieert de instelling regelmatig of deze betalingen volledig en met inachtneming van de contractuele afspraken plaatsvinden. De instellingen beschikken over procedures om te waarborgen dat de eigendom van de kortlopende vorderingen en kasontvangsten beschermd is tegen concordataire uitstellen of juridische verzetsprocedures die de leninggever lange tijd kunnen beletten om de kortlopende vorderingen te liquideren of over te dragen, dan wel om de zeggenschap over de kasontvangsten te verkrijgen.
3.  

De instelling bewaakt zowel de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen als de financiële positie van de verkoper en beheerder. Het volgende is van toepassing:

a) 

de instelling beoordeelt de correlatie tussen de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen en de financiële positie van zowel de verkoper als de beheerder en beschikt over interne beleidslijnen en procedures die voldoende bescherming bieden tegen onvoorziene omstandigheden, waarbij onder meer ook een interne risicorating aan elke verkoper en beheerder wordt toegekend;

b) 

in de instelling bestaan duidelijke en effectieve beleidslijnen en procedures om uit te maken of een verkoper of een beheerder toelaatbaar is. De instelling of haar lasthebber onderwerpt verkopers en beheerders aan periodieke evaluaties om de juistheid van hun verslagen na te gaan, fraude of operationele tekortkomingen op te sporen en de kwaliteit van het kredietbeleid van de verkoper en van het inningsbeleid en de inningsprocedures van de beheerder te verifiëren. De bevindingen van deze evaluaties worden op schrift gesteld;

c) 

de instelling beoordeelt de kenmerken van de pools van gekochte kortlopende vorderingen, met inbegrip van te veel betaalde voorschotten, de precedenten van de verkoper op het gebied van achterstallige betalingen, dubieuze vorderingen en voorzieningen voor dubieuze vorderingen, betalingsvoorwaarden en potentiële tegenrekeningen;

d) 

in de instelling bestaan effectieve beleidslijnen en procedures voor de bewaking op geaggregeerde basis van concentraties van vorderingen op eenzelfde debiteur, zowel binnen pools van gekochte kortlopende vorderingen als voor alle pools van gekochte kortlopende vorderingen samen;

e) 

de instelling ziet erop toe dat zij van de beheerder tijdig voldoende gedetailleerde verslagen ontvangt over de saldoanalyse en de verwatering van kortlopende vorderingen om de inachtneming van haar toelatingscriteria en voorschotbeleid met betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen te kunnen waarborgen, en zij voorziet tevens in een doeltreffend instrument voor de bewaking en bevestiging van de verkoopsvoorwaarden van de verkoper en de verwatering.

4.  
De instelling beschikt over systemen en procedures om verslechteringen in de financiële situatie van de verkoper en in de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen in een vroeg stadium te detecteren, alsook om zich aandienende problemen proactief aan te pakken. In de instelling bestaan met name duidelijke en effectieve beleidslijnen, procedures en informatiesystemen om inbreuken op overeenkomsten vast te stellen, en tevens duidelijke en effectieve beleidslijnen en procedures om juridische stappen te ondernemen en om te gaan met gekochte kortlopende vorderingen die problemen opleveren.
5.  
De instelling volgt duidelijke en effectieve beleidslijnen en procedures voor de controle van gekochte kortlopende vorderingen, krediet en contanten. Met name worden in in documentatie vastgelegde interne beleidslijnen alle wezenlijke onderdelen van het programma voor de aankoop van kortlopende vorderingen gespecificeerd, met inbegrip van voorschotpercentages, toelaatbare zekerheden, benodigde documentatie, concentratiegrenzen, en de wijze waarop kasontvangsten moeten worden behandeld. Daarbij wordt op passende wijze rekening gehouden met alle relevante en belangrijke factoren, met inbegrip van de verkoper en de financiële situatie van de beheerder, risicoconcentraties en de tendens van de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen en het klantenbestand van de verkoper. Aan de hand van interne systemen wordt gewaarborgd dat de fondsen slechts tegen de gespecificeerde zekerheden en bewijsstukken worden verstrekt.
6.  
De instelling beschikt over een effectief intern proces om de naleving van alle interne beleidslijnen en procedures te toetsen. Het proces omvat regelmatige accountantscontroles van alle kritieke fases van het programma van de instelling voor de aankoop van kortlopende vorderingen, verificatie van de scheiding van taken enerzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de beoordeling van de debiteur en anderzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de audit ter plaatse van de verkoper en beheerder, alsook toetsing van de transactieverwerking, met bijzondere nadruk op de kwalificaties, de ervaring, het personeelsbestand en de ondersteunende automatiseringssystemen.

Onderafdeling 3

Validatie van interne ramingen

Artikel 185

Validatie van interne ramingen

De instellingen voldoen bij de validatie van hun interne ramingen aan de volgende vereisten:

a) 

de instellingen beschikken over deugdelijke systemen om de juistheid en consistentie van ratingsystemen, processen en de raming van alle relevante risicoparameters te valideren. De interne validatieprocedure stelt de instelling in staat de werking van de interne rating- en risico-inschattingssystemen op consequente en zinvolle wijze te beoordelen;

b) 

de instellingen vergelijken regelmatig de gerealiseerde wanbetalingsgraden met de PD-ramingen voor elke klasse. Indien de gerealiseerde wanbetalingsgraden buiten het voor de betrokken klasse verwachte bereik vallen, onderzoeken de instellingen specifiek wat de redenen zijn voor de afwijking. Instellingen die van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren gebruik maken, voeren ook voor deze ramingen een soortgelijk onderzoek uit. Bij die vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens die een zo lang mogelijke periode bestrijken. De instelling legt de bij deze vergelijkingen gebruikte methoden en gegevens in documentatie vast. Dit onderzoek en deze documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd;

c) 

de instellingen maken tevens gebruik van andere kwantitatieve validatie-instrumenten en van vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij het onderzoek wordt uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden geactualiseerd, en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij de interne beoordelingen van de werking van hun ratingsystemen gaan de instellingen uit van een zo lang mogelijke periode;

d) 

de voor de kwantitatieve validatie gebruikte methoden en gegevens zijn consistent in de tijd. Wijzigingen in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens (zowel gegevensbronnen als bestreken periodes) worden in documentatie vastgelegd;

e) 

de instellingen hebben deugdelijke interne normen vastgesteld voor de gevallen waarin gerealiseerde PD's, LGD's, omrekeningsfactoren en totale verliezen waarbij van EL gebruik wordt gemaakt, in voldoende belangrijke mate afwijken om twijfel te doen ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen. In deze normen wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een soortgelijke systematische variabiliteit van de wanbetalingservaring. Indien de gerealiseerde waarden de verwachte waarden blijven overtreffen, stellen de instellingen hun ramingen opwaarts bij om met hun wanbetalings- en verlieservaring rekening te houden.

▼M17 —————

▼B

Onderafdeling 5

Interne governance en intern toezicht

Artikel 189

Corporate Governance

1.  
Alle wezenlijke aspecten van het rating- en het ramingproces worden goedgekeurd door het leidinggevend orgaan of een speciaal aangewezen comité daarvan en door de directie van de instelling. Deze partijen beschikken over algemene kennis van de ratingsystemen van de instelling en over diepgaand inzicht in de daarmee samenhangende managementverslagen.
2.  

De directie is onderworpen aan de volgende vereisten:

a) 

zij stelt het leidinggevend orgaan of een speciaal aangewezen comité daarvan in kennis van substantiële wijzigingen in of uitzonderingen op algemeen gebruikelijke beleidslijnen welke een invloed van betekenis hebben op de werking van de ratingsystemen van de instelling;

b) 

zij heeft een goed inzicht in de opzet en de werking van de ratingsystemen;

c) 

zij ziet er continu op toe dat de ratingsystemen naar behoren functioneren.

De directie wordt regelmatig door de afdelingen kredietrisicobeheersing op de hoogte gehouden van de werking van het ratingproces, de terreinen waarop verbeteringen noodzakelijk zijn en de vorderingen die zijn gemaakt bij het verhelpen van eerder geconstateerde gebreken.

3.  
De op interne ratings gebaseerde analyse van het kredietrisicoprofiel van de instelling vormt een essentieel onderdeel van de managementverslaggeving aan deze partijen. Bij de verslaggeving wordt ten minste melding gemaakt van het risicoprofiel per klasse, de migratie van de ene klasse naar de andere, de raming van de relevante parameters per klasse en een vergelijking tussen gerealiseerde wanbetalingsgraden en gebruikte eigen ramingen van gerealiseerde LGD's en gerealiseerde omrekeningsfactoren enerzijds en de verwachtingen en de resultaten van stresstests anderzijds. De frequentie van de verslaggeving hangt af van de belangrijkheid van de informatie, het type informatie en het niveau van de ontvanger.

Artikel 190

Kredietrisicobeheersing

1.  
De afdeling kredietrisicobeheersing is onafhankelijk van de personeels- en managementfunctie verantwoordelijk voor de initiatie of vernieuwing van blootstellingen en brengt rechtstreeks verslag uit aan de directie. De afdeling is verantwoordelijk voor de opzet of selectie, tenuitvoerlegging, controle en werking van de ratingsystemen. Zij produceert en analyseert regelmatig verslagen over de output van de ratingsystemen.
2.  

De afdeling (afdelingen) kredietrisicobeheersing heeft (hebben) onder meer de volgende taken:

a) 

testen en bewaken van klassen en groepen;

▼C2

b) 

produceren en analyseren van beknopte verslagen middels de ratingsystemen van de instelling;

▼B

c) 

ten uitvoer leggen van procedures om te verifiëren of de definities van klasse en groep in alle afdelingen en geografische gebieden consequent worden toegepast;

d) 

evalueren en in documentatie vastleggen van alle wijzigingen in het ratingproces, met opgave van de redenen voor de wijzigingen;

e) 

evalueren van de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven voorspellen. Wijzigingen in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters worden in documentatie vastgelegd en bijgehouden;

f) 

actief deelnemen aan de opzet of de selectie, tenuitvoerlegging en validatie van de modellen die in het ratingproces worden gebruikt;

g) 

toezicht houden op de modellen die in het ratingproces worden gebruikt;

h) 

doorlopend onderzoeken en aanpassen van de modellen die in het ratingproces worden gebruikt.

3.  

Instellingen die overeenkomstig artikel 179, lid 2, gebruik maken van gegevens uit datapools kunnen de volgende taken uitbesteden:

a) 

produceren van informatie die relevant is voor het testen en bewaken van klassen en pools;

▼C2

b) 

produceren van beknopte verslagen middels de ratingsystemen van de instelling;

▼B

c) 

produceren van informatie die relevant is voor het evalueren van de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven voorspellen;

d) 

in documentatie vastleggen van alle wijzigingen in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters;

e) 

produceren van informatie die relevant is voor het doorlopend onderzoeken en aanpassen van de modellen welke in het kader van het ratingproces worden gebruikt.

4.  
Instellingen die van de in lid 3 geboden mogelijkheid gebruik maken, dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten tot alle relevante informatie van de derde toegang hebben die nodig is om na te gaan of aan de vereisten is voldaan en dat de bevoegde autoriteiten in staat zijn inspecties ter plaatse te verrichten die evenwaardig zijn aan die bij de instelling.

Artikel 191

Interne accountantscontrole

De afdeling interne accountantscontrole of een andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling toets ten minste elk jaar de door de instelling toegepaste ratingsystemen en de in het kader daarvan verrichte activiteiten, met inbegrip van de activiteiten van de kredietfunctie en de raming van PD's, LGD's, EL's en omrekeningsfactoren. Bij de toetsing wordt onder meer gelet op de inachtneming van alle toepasselijke vereisten.

HOOFDSTUK 4

Kredietrisicolimitering

Afdeling 1

Definities en algemene vereisten

Artikel 192

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(1)

"leningverstrekkende instelling" : de instelling die de blootstelling in kwestie heeft;

(2)

"gedekte leningstransactie" : een transactie die aanleiding geeft tot het ontstaan van een blootstelling die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst welke geen bepaling bevat waarbij aan de instelling het recht wordt verleend ten minste dagelijks margebetalingen te ontvangen;

(3)

"kapitaalmarktgerelateerde transactie" : een transactie die aanleiding geeft tot het ontstaan van een blootstelling die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst welke een bepaling bevat waarbij aan de instelling het recht wordt verleend ten minste dagelijks margebetalingen te ontvangen;

(4)

"onderliggende icb" : een icb in de aandelen of rechten van deelneming waarvan een andere icb heeft belegd;

▼M17

(5)

„benadering met substitutie van risicoparameters in de A-IRB” : de substitutie, overeenkomstig artikel 236 bis, van zowel de PD- als de LGD-risicoparameters van de onderliggende blootstelling door de overeenkomstige PD en LGD die in de IRB-benadering aan een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever zouden zijn toegekend met gebruikmaking van eigen ramingen van LGD.

▼B

Artikel 193

Beginselen voor het in aanmerking nemen van het effect van kredietrisicolimiteringstechnieken

1.  
Een blootstelling ten aanzien waarvan een instelling kredietrisicolimitering verkrijgt, levert in geen geval een hogere risicogewogen post of verwachte verliespost op dan een blootstelling die in alle overige opzichten identiek is maar ten aanzien waarvan een instelling geen kredietrisicolimitering heeft.
2.  
Als bij de risicogewogen post in het kader van, naargelang het geval, hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3 al rekening wordt gehouden met kredietprotectie, houden de instellingen bij de berekeningen in het kader van dit hoofdstuk geen rekening met die kredietprotectie.
3.  
Indien aan de bepalingen van de afdelingen 2 en 3 wordt voldaan, kunnen de instellingen de berekening van de risicogewogen posten in het kader van de standaardbenadering en de berekening van de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten in het kader van de IRB-benadering wijzigen overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 4, 5 en 6.
4.  
De instellingen behandelen contanten, effecten of grondstoffen die in het kader van een retrocessietransactie of een transactie inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen zijn gekocht, geleend of ontvangen als zekerheid.
5.  

Indien een instelling die risicogewogen posten berekent in het kader van de standaardbenadering voor de dekking van één blootstelling gebruik maakt van meer dan één vorm van kredietrisicolimitering, doet zij het volgende:

a) 

zij splitst de blootstelling in gedeelten op naargelang van het toegepaste kredietrisicolimiteringsinstrument;

b) 

en zij berekent de risicogewogen post voor elk overeenkomstig punt a) verkregen gedeelte afzonderlijk overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 en dit hoofdstuk.

6.  

Indien een instelling die risicogewogen posten berekent in het kader van de standaardbenadering voor de dekking van één blootstelling gebruik maakt van kredietprotectie die door één protectiegever wordt geboden en die protectie verschillende looptijden heeft, doet zij het volgende:

a) 

zij splitst de blootstelling in gedeelten op naargelang van het toegepaste kredietrisicolimiteringsinstrument;

b) 

en zij berekent de risicogewogen post voor elk overeenkomstig punt a) verkregen gedeelte afzonderlijk overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 en dit hoofdstuk.

▼M17

7.  
Zekerheden die aan alle in dit hoofdstuk bepaalde toelaatbaarheidsvereisten voldoen, kunnen in aanmerking worden genomen, zelfs voor blootstellingen met betrekking tot onbenutte faciliteiten, indien de opneming in het kader van de faciliteit afhankelijk is van de voorafgaande of gelijktijdige koop of ontvangst van zekerheden voor zover de instelling een belang heeft bij de zekerheid zodra de faciliteit wordt benut, in die zin dat de instelling geen belang heeft bij de zekerheid indien de faciliteit niet wordt benut.

▼B

Artikel 194

Beginselen betreffende de toelaatbaarheid van kredietrisicolimiteringstechnieken

1.  
De voor het verlenen van kredietprotectie gebruikte techniek leidt in combinatie met de door de leningverstrekkende instelling geïmplementeerde maatregelen, stappen, procedures en beleidslijnen tot kredietprotectieregelingen die in alle relevante rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar zijn.

De leningverstrekkende instelling verstrekt op verzoek van de bevoegde autoriteit de meest recente versie van elk van de onafhankelijke, met redenen omklede schriftelijke juridische adviezen waarvan zij gebruik heeft gemaakt om te bepalen of haar kredietprotectieregelingen aan de in de eerste alinea gestelde voorwaarde voldoen.

2.  
De leningverstrekkende instelling neemt alle vereiste maatregelen om de effectiviteit van de kredietprotectieregeling te waarborgen en de aan die regeling verbonden risico's te beperken.
3.  

De instellingen kunnen volgestorte kredietprotectie bij de berekening van het effect van kredietrisicolimitering uitsluitend in aanmerking nemen als de activa waarop de bescherming gestoeld wordt voldoen aan beide volgende voorwaarden:

a) 

de activa zijn opgenomen in de lijst van toelaatbare activa van de artikelen 197 tot en met 200, naar gelang van het geval;

b) 

de activa zijn voldoende liquide en de waarde ervan in de tijd is voldoende stabiel om, gelet op de benadering die wordt gebruikt om de risicogewogen posten te berekenen en de toegestane mate van inaanmerkingneming, passende zekerheid te bieden wat de protectie van het krediet betreft.

4.  
De instellingen kunnen volgestorte kredietprotectie bij de berekening van het effect van kredietrisicolimitering uitsluitend in aanmerking nemen indien de leningverstrekkende instelling het recht heeft om bij wanbetaling, insolventie of faillissement van de debiteur of, indien van toepassing, van de bewaarnemer van de zekerheid, of bij een andere kredietgebeurtenis die in het desbetreffende contract wordt vermeld, de activa die als protectie dienen, bijtijds te liquideren of te behouden. De waarde van de activa die als protectie worden gebruikt, mag niet te nauw gekoppeld zijn aan de kredietkwaliteit van de debiteur.
5.  
Bij niet-volgestorte kredietprotectie wordt een protectiegever slechts als toelaatbare protectiegever aangemerkt als de protectiegever is opgenomen in de lijst van toelaatbare protectiegevers van artikel 201 of 202, naar gelang van het geval.
6.  

Bij niet-volgestorte kredietprotectie wordt een protectieovereenkomst slechts als een toelaatbare protectieovereenkomst aangemerkt als zij aan beide volgende voorwaarden voldoet:

a) 

zij is opgenomen in de lijst van toelaatbare protectieovereenkomsten van artikel 203 en artikel 204, lid 1;

b) 

zij is rechtsgeldig en afdwingbaar in de relevante rechtsgebieden om, gelet op de benadering die wordt gebruikt om de risicogewogen posten te berekenen en de toegestane mate van inaanmerkingneming, passende zekerheid te bieden wat de protectie van het krediet betreft;

c) 

de protectiegever voldoet aan de criteria van lid 5.

7.  
De kredietprotectie voldoet aan de vereisten van afdeling 3, voor zover van toepassing.
8.  
De instelling is in staat ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan te tonen dat zij over adequate risicobeheerprocessen beschikt ter beheersing van de risico's waaraan zij blootgesteld kan zijn als gevolg van kredietrisicolimiteringspraktijken.
9.  
Niettegenstaande er voor de berekening van risicogewogen posten en eventuele verwachte verliesposten met kredietrisicolimitering rekening werd gehouden, blijven de instellingen een volledige kredietrisicobeoordeling van de onderliggende blootstelling verrichten en blijven zij in staat ten genoegen van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan te tonen dat aan dit vereiste is voldaan. Bij retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte effectenleningen of verstrekte of opgenomen grondstoffenleningen wordt, uitsluitend voor de toepassing van dit lid, aangenomen dat de onderliggende blootstelling de nettopost is.

▼M17 —————

▼B

Afdeling 2

Toelaatbare vormen van kredietrisicolimitering

Onderafdeling 1

Volgestorte kredietprotectie

Artikel 195

Verrekening van balansposten

De verrekening op de balans van wederzijdse vorderingen tussen een instelling en haar tegenpartij kan als een toelaatbare vorm van kredietrisicolimitering worden beschouwd.

Onverminderd het bepaalde in artikel 196 is de toelaatbaarheid beperkt tot wederzijdse kassaldi tussen de instelling en de tegenpartij. De instellingen mogen risicogewogen posten en eventuele verwachte verliesposten alleen wijzigen voor leningen en deposito's die zij zelf hebben ontvangen en die het voorwerp zijn van een overeenkomst tot verrekening van balansposten.

Artikel 196

Kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessietransacties of transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties.

Instellingen die de in artikel 223 beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden toepassen, kunnen het effect van bilaterale verrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties met een tegenpartij in aanmerking nemen. Onverminderd artikel 299 voldoen de in het kader van dergelijke overeenkomsten of transacties geaccepteerde zekerheden en geleende effecten of grondstoffen aan de in de artikelen 197 en 198 vastgelegde toelaatbaarheidsvereisten voor zekerheden.

Artikel 197

Bij alle benaderingen en methoden toelaatbare zekerheden

1.  

De volgende financiële instrumenten kunnen door instellingen bij alle benaderingen en methoden als toelaatbare zekerheid worden gebruikt:

a) 

contanten gedeponeerd bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door de leningverstrekkende instelling;

▼M17

b) 

schuldtitels, uitgegeven door centrale overheden of centrale banken, die een kredietbeoordeling door een EKBI of exportkredietverzekeringsmaatschappij hebben, indien:

i) 

de EKBI of de exportkredietverzekeringsmaatschappij is aangewezen door de instelling voor de toepassing van hoofdstuk 2, en

ii) 

de kredietbeoordeling door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 1, 2, 3 of 4 in het kader van de voorschriften in hoofdstuk 2 voor het toekennen van risicogewichten aan blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken;

c) 

schuldtitels, uitgegeven door instellingen, die een kredietbeoordeling door een EKBI hebben, indien:

i) 

de EKBI is aangewezen door de instelling voor de toepassing van hoofdstuk 2, en

ii) 

de kredietbeoordeling door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 in het kader van de voorschriften in hoofdstuk 2 voor het toekennen van risicogewichten aan blootstellingen met betrekking tot instellingen;

d) 

schuldtitels, uitgegeven door andere entiteiten, die een kredietbeoordeling door een EKBI hebben, indien:

i) 

de EKBI is aangewezen door de instelling voor de toepassing van hoofdstuk 2, en

ii) 

de kredietbeoordeling door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 in het kader van de voorschriften in hoofdstuk 2 voor het toekennen van risicogewichten aan blootstellingen met betrekking tot ondernemingen;

e) 

schuldtitels die een kredietbeoordeling voor de korte termijn door een EKBI hebben, indien:

i) 

de EKBI is aangewezen door de instelling voor de toepassing van hoofdstuk 2, en

ii) 

de kredietbeoordeling door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 in het kader van de voorschriften in hoofdstuk 2 voor het toekennen van risicogewichten aan kortlopende blootstellingen;

▼B

f) 

aandelen of converteerbare obligaties die in een hoofdindex zijn opgenomen;

▼M17

g) 

ongemunt goud;

▼M5

h) 

securitisatieposities die geen hersecuritisatieposities zijn en waarop een risicogewicht van 100 % of minder wordt toegepast overeenkomstig artikel 261 tot en met artikel 264.

▼B

2.  

Voor de toepassing van lid 1, punt b), omvatten schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken alle volgende soorten schuldtitels:

a) 

schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden indien de blootstellingen met betrekking tot deze overheden overeenkomstig artikel 115, lid 2, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid in het rechtsgebied waarvan zij gevestigd zijn;

b) 

schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen die overeenkomstig artikel 116, lid 4, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid;

c) 

schuldtitels uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waaraan overeenkomstig artikel 117, lid 2, een risicogewicht van 0 % wordt toegekend;

d) 

schuldtitels uitgegeven door internationale organisaties waaraan overeenkomstig artikel 118 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend.

3.  

Voor de toepassing van lid 1, punt c), omvatten schuldtitels uitgegeven door instellingen alle volgende soorten schuldtitels:

a) 

andere door regionale of lagere overheden uitgegeven schuldtitels dan de in lid 2, punt a), bedoelde schuldtitels;

b) 

schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen indien de blootstellingen met betrekking tot deze lichamen overeenkomstig artikel 116, leden 1 en 2, worden behandeld;

c) 

schuldtitels uitgegeven door andere multilaterale ontwikkelingsbanken dan die waaraan overeenkomstig artikel 117, lid 2, een risicogewicht van 0 % wordt toegekend.

▼M9

4.  

Een instelling kan schuldtitels die worden uitgegeven door andere instellingen of beleggingsondernemingen en die geen kredietbeoordeling van een EKBI hebben, als toelaatbare zekerheid gebruiken indien die schuldtitels aan elk van de volgende criteria voldoen:

▼B

a) 

zij zijn aan een erkende beurs genoteerd;

b) 

zij zijn aangemerkt als niet-achtergestelde schuld;

c) 

alle andere uitgiften van de uitgevende instelling welke van dezelfde rangorde zijn en een rating van een EKBI hebben, hebben een kredietbeoordeling van een EKBI welke door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan blootstellingen met betrekking tot instellingen of aan kortlopende blootstellingen;

d) 

de leningverstrekkende instelling beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat de uitgifte een lagere kredietbeoordeling zou verdienen dan die welke onder c) is aangegeven;

e) 

de marktliquiditeit van het instrument is toereikend voor deze doeleinden.

5.  

De instellingen kunnen rechten van deelneming of aandelen in icb's als toelaatbare zekerheid gebruiken als er aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de rechten van deelneming of aandelen hebben een dagelijkse publieke koersnotering;

▼C2

b) 

de icb's zijn ertoe gehouden alleen te beleggen in instrumenten die overeenkomstig de leden 1 en 4 als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt;

▼B

c) 

de icb's voldoen aan de voorwaarden van artikel 132, lid 3.

Indien een icb belegt in aandelen of rechten van deelneming van een andere icb, zijn de in de punten a) tot en met c) van de eerste alinea gestelde voorwaarden eveneens van toepassing op elke dergelijke onderliggende icb.

Het gebruik door een icb van derivaten om toegestane beleggingen af te dekken, laat de toelaatbaarheid als zekerheid van de rechten van deelneming of aandelen in deze instelling onverlet.

▼M17

6.  

Voor de toepassing van lid 5 van dit artikel geldt, indien een icb (de „oorspronkelijke icb”) of een van haar onderliggende icb’s er niet toe gehouden is alleen te beleggen in instrumenten die overeenkomstig de leden 1 en 4 van dit artikel toelaatbaar zijn, het volgende:

a) 

indien instellingen de doorkijkbenadering als bedoeld in artikel 132 bis, lid 1, of artikel 152, lid 2, toepassen voor directe blootstellingen met betrekking tot een icb, mogen zij rechten van deelneming of aandelen in die icb als zekerheid gebruiken tot een bedrag dat gelijk is aan de waarde van de door de icb gehouden instrumenten die overeenkomstig de leden 1 en 4 van dit artikel als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt;

b) 

indien instellingen de beleidsbenadering als bedoeld in artikel 132 bis, lid 2, of artikel 152, lid 5, toepassen voor directe blootstellingen met betrekking tot een icb, mogen zij rechten van deelneming of aandelen in die icb als zekerheid gebruiken tot een bedrag dat gelijk is aan de waarde van de door de icb gehouden instrumenten die overeenkomstig de leden 1 en 4 van dit artikel als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt, waarbij wordt aangenomen dat die icb of een van haar onderliggende icb’s tot de in hun respectieve mandaten toegestane limiet in niet-toelaatbare instrumenten heeft belegd.

▼B

Indien een onderliggende icb op haar beurt onderliggende icb's heeft, kunnen de instellingen de rechten van deelneming of aandelen in de oorspronkelijke icb als toelaatbare zekerheid gebruiken, mits zij de in de eerste alinea beschreven methodiek toepassen.

Indien niet-toelaatbare activa als gevolg van uit eigendom voortvloeiende verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen een negatieve waarde kunnen hebben, passen de instellingen elk van beide volgende bepalingen toe:

a) 

zij berekenen de totale waarde van de niet-toelaatbare activa;

b) 

en als het overeenkomstig punt a) verkregen bedrag negatief is, trekken zij de absolute waarde van dat bedrag af van de totale waarde van de toelaatbare activa.

7.  
Met betrekking tot de punten b) tot en met e) van lid 1 passen de instellingen, indien er voor een effect twee kredietbeoordelingen van EKBI's beschikbaar zijn, de minst gunstige kredietbeoordeling toe. Indien er voor een effect meer dan twee kredietbeoordelingen van EKBI's beschikbaar zijn, passen de instellingen de twee gunstigste kredietbeoordelingen toe. Indien de twee gunstigste kredietbeoordelingen verschillend zijn, passen de instellingen de minst gunstige van beide toe.
8.  

De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de in lid 1, punt f), van dit artikel, artikel 198, lid 1, punt a), artikel 224, leden 1 en 4, en artikel 299, lid 2, punt e), bedoelde hoofdindices;

b) 

de in lid 4, punt a), van dit artikel, in artikel 198, lid 1, punt a), artikel 224, leden 1 en 4, artikel 299, lid 2, punt e), artikel 400, lid 2, punt k), artikel 416, lid 3, punt e), artikel 428, lid 1, punt c), en bijlage III, punt 12, bedoelde erkende beurzen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 4, lid 1, punt 72.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 198

Additionele toelaatbare zekerheden in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden

1.  

Indien een instelling gebruik maakt van de in artikel 223 beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden kan die instelling, benevens de in artikel 197 vastgestelde zekerheden, ook de volgende instrumenten als toelaatbare zekerheid gebruiken:

a) 

aandelen of converteerbare obligaties die niet in een hoofdindex zijn opgenomen maar op een erkende beurs worden verhandeld;

b) 

rechten van deelneming of aandelen in icb's wanneer beide volgende voorwaarden vervuld zijn:

i) 

de rechten van deelneming of aandelen hebben een dagelijkse publieke koersnotering;

ii) 

de icb is gehouden alleen te beleggen in instrumenten die overeenkomstig artikel 197, leden 1 en 4, als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt, en in de onder punt a) van deze alinea bedoelde instrumenten.

Indien een icb belegt in rechten van deelneming of aandelen van een andere icb, zijn de voorwaarden van de punten a) en b) van dit lid eveneens van toepassing op elke dergelijke onderliggende icb.

Het gebruik door een icb van derivaten om toegestane beleggingen af te dekken, laat de toelaatbaarheid als zekerheid van de rechten van deelneming of aandelen in deze instelling onverlet.

▼M17

2.  

Indien de icb of een van haar onderliggende icb’s er niet toe gehouden is alleen te beleggen in instrumenten die overeenkomstig artikel 197, leden 1 en 4, als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt en in de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde posten, geldt het volgende:

a) 

indien instellingen de doorkijkbenadering als bedoeld in artikel 132 bis, lid 1, of artikel 152, lid 2, toepassen voor directe blootstellingen met betrekking tot een icb, mogen zij rechten van deelneming of aandelen in die icb als zekerheid gebruiken tot een bedrag dat gelijk is aan de waarde van de door de icb gehouden instrumenten die overeenkomstig artikel 197, leden 1 en 4, als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt en in de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde posten;

b) 

indien instellingen de beleidsbenadering als bedoeld in artikel 132 bis, lid 2, of artikel 152, lid 5, toepassen voor directe blootstellingen met betrekking tot een icb, mogen zij rechten van deelneming of aandelen in die icb als zekerheid gebruiken tot een bedrag dat gelijk is aan de waarde van de door de icb gehouden instrumenten die overeenkomstig artikel 197, leden 1 en 4, als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt en in de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde posten, waarbij wordt aangenomen dat die icb of een van haar onderliggende icb’s tot de in hun respectieve mandaten toegestane limiet in niet-toelaatbare instrumenten heeft belegd.

Indien niet-toelaatbare instrumenten als gevolg van uit eigendom voortvloeiende verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen een negatieve waarde kunnen hebben, passen de instellingen elk van beide volgende bepalingen toe:

a) 

zij berekenen de totale waarde van de niet-toelaatbare instrumenten;

b) 

als het overeenkomstig punt a) verkregen bedrag negatief is, trekken zij de absolute waarde van dat bedrag af van de totale waarde van de toelaatbare instrumenten.

▼B

Artikel 199

Additionele toelaatbare zekerheden in het kader van de IRB-benadering

1.  

Naast de in de artikelen 197 en 198 bedoelde zekerheden kunnen de instellingen die risicogewogen posten en verwachte verliesposten in het kader van de IRB-benadering berekenen eveneens gebruik maken van de volgende vormen van zekerheid:

a) 

onroerend goed overeenkomstig de leden 2, 3 en 4;

b) 

kortlopende vorderingen overeenkomstig lid 5;

c) 

andere fysieke zekerheden overeenkomstig de leden 6 en 8;

d) 

leasing overeenkomstig lid 7.

▼M17

2.  

Tenzij anders bepaald in artikel 124, lid 9, kunnen de instellingen niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, of de economisch rechthebbende in geval van persoonlijke investeringsmaatschappijen, en zakelijk onroerend goed, waaronder kantoorgebouwen en andere bedrijfspanden, als toelaatbare zekerheid gebruiken wanneer beide volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de onroerendgoedwaarde hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de debiteur;

b) 

het risico van de kredietnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggende onroerend goed of project, maar van het onderliggende vermogen van de kredietnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen, en de terugbetaling van de faciliteit hangt bijgevolg niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), mogen instellingen situaties uitsluiten waarin louter macro-economische factoren zowel op de onroerendgoedwaarde als op de prestaties van de kredietnemer van invloed zijn.

▼B

3.  

Voor blootstellingen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed dat op het grondgebied van een lidstaat is gelegen, kunnen de instellingen van lid 2, punt b), afwijken, indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat bewijs heeft gepubliceerd dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend goed met verliescijfers die de volgende maxima niet overschrijden:

▼M17

a) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt a), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt c), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,3  %;

b) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt b), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt c), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,5  %.

▼B

Indien er in een bepaald jaar niet aan een van de voorwaarden in de punten a) en b) van de eerste alinea wordt voldaan, passen de instellingen de in die alinea vervatte behandeling niet meer toe totdat in een volgend jaar aan beide voorwaarden is voldaan.

4.  

Voor zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, kunnen de instellingen van lid 2, punt b), afwijken indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat bewijs heeft gepubliceerd dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed met verliescijfers die de volgende maxima niet overschrijden:

▼M17

a) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt d), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt f), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,3  %;

b) 

het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt e), hebben gerapporteerd, gedeeld door het geaggregeerde bedrag dat de instellingen krachtens artikel 430 bis, lid 1, punt f), hebben gerapporteerd, bedraagt niet meer dan 0,5  %.

▼B

Indien er in een bepaald jaar niet aan een van de voorwaarden in de punten a) en b) van de eerste alinea wordt voldaan, passen de instellingen de in die alinea vervatte behandeling niet meer toe totdat in een volgend jaar aan beide voorwaarden is voldaan.

▼M17

4 bis.  
Instellingen kunnen de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde afwijkingen ook toepassen in gevallen waarin de bevoegde autoriteit van een derde land die regelingen op toezichts- en regelgevingsgebied toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de regelingen die in de Unie worden toegepast, zoals bepaald in een overeenkomstig artikel 107, lid 4, vastgesteld besluit van de Commissie, overeenkomstige verliespercentages openbaar maakt voor blootstellingen die gedekt zijn door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van dat derde land bevindt.

▼B

5.  
De instellingen kunnen kortlopende vorderingen uit hoofde van handelstransacties of transacties met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste een jaar als toelaatbare zekerheid gebruiken. Toelaatbare kortlopende vorderingen omvatten geen kortlopende vorderingen uit hoofde van securitisaties, subdeelnemingen of kredietderivaten, noch vorderingen op verbonden partijen.

▼M17

Indien een publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling zoals gedefinieerd in artikel 429 bis, lid 2, van deze verordening een stimuleringslening zoals gedefinieerd in artikel 429 bis, lid 3, van deze verordening verstrekt aan een andere instelling of aan een financiële instelling die een vergunning heeft om in bijlage I, punt 2 of 3, bij Richtlijn 2013/36/EU vermelde activiteiten uit te voeren en die aan de voorwaarden van artikel 119, lid 5, van de onderhavige verordening voldoet, en indien die andere instelling of financiële instelling die stimuleringslening direct of indirect doorgeeft aan een uiteindelijke debiteur en de vordering van de stimuleringslening als zekerheid aan de publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling cedeert, mag de publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling de gecedeerde vordering als toelaatbare zekerheid gebruiken, ongeacht de oorspronkelijke looptijd van de gecedeerde vordering.

▼B

6.  

De bevoegde autoriteiten verlenen een instelling toestemming om fysieke zekerheden van een andere soort dan de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde als toelaatbare zekerheid te gebruiken indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

er bestaan liquide markten, hetgeen blijkt uit de frequente transacties rekening houdend met het type actief, waarop de zekerheden op een vlotte en economisch efficiënte wijze van de hand kunnen worden gedaan. De instellingen verrichten de beoordeling van deze voorwaarde periodiek en als uit informatie blijkt dat er zich wezenlijke veranderingen in de markt voordoen;

b) 

er bestaan algemeen gangbare, publiek beschikbare marktprijzen voor de zekerheden. De instellingen kunnen marktprijzen als gangbaar beschouwen als deze afkomstig zijn van betrouwbare informatiebronnen, zoals publieke indices, en de prijs van de transacties onder normale omstandigheden weerspiegelen. De instellingen kunnen marktprijzen als publiek beschikbaar beschouwen als deze prijzen worden bekendgemaakt en gemakkelijk toegankelijk en regelmatig en zonder onnodige administratieve of financiële lasten verkrijgbaar zijn;

c) 

de instelling analyseert de marktprijzen, tijd en kosten die vereist zijn om de zekerheid te realiseren en de gerealiseerde opbrengst van de zekerheid;

▼M17

d) 

de instelling toont aan dat de gerealiseerde opbrengst van de zekerheid bij ten minste 90 % van alle liquidaties voor een bepaald soort zekerheid niet minder dan 70 % van de waarde van de zekerheid bedraagt; indien de volatiliteit van de marktprijzen aanzienlijk is, toont de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat haar waardering van de zekerheid voldoende voorzichtig is.

▼B

De instellingen leggen de vervulling van de in de punten a) tot en met d) van de eerste alinea en in artikel 210 gespecificeerde voorwaarden in documentatie vast.

7.  
Behoudens het bepaalde in artikel 230, lid 2, en indien aan de vereisten van artikel 211 is voldaan, kunnen blootstellingen die voortvloeien uit transacties waarbij een instelling een goed aan een derde leaset, op dezelfde wijze worden behandeld als leningen waarvoor een geleased goed van dezelfde soort als zekerheid fungeert.
8.  
De EBA publiceert een lijst van de soorten fysieke zekerheden waarvoor instellingen kunnen aannemen dat de in lid 6, onder a) en b), bedoelde voorwaarden zijn vervuld.

Artikel 200

Overige volgestorte kredietprotectie

De instellingen kunnen de volgende overige volgestorte kredietprotectie als toelaatbare zekerheid gebruiken:

a) 

contanten die gedeponeerd zijn bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten die niet in het kader van een bewaringsovereenkomst aangehouden worden door een derde instelling en die in pand gegeven zijn aan de leningverstrekkende instelling;

b) 

aan leningverstrekkende instellingen in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten;

▼M9

c) 

door een derde instelling of door een beleggingsonderneming uitgegeven instrumenten die op verzoek door die instelling of door die beleggingsonderneming worden teruggekocht.

▼B

Onderafdeling 2

Niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel 201

Bij alle benaderingen toelaatbare protectiegevers

1.  

De instellingen kunnen de volgende partijen gebruiken als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie:

a) 

centrale overheden en centrale banken;

b) 

regionale of lokale overheden;

c) 

multilaterale ontwikkelingsbanken;

▼M17

d) 

internationale organisaties waaraan overeenkomstig artikel 118 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend;

▼B

e) 

publiekrechtelijke lichamen, indien de blootstellingen met betrekking tot deze lichamen overeenkomstig artikel 116 worden behandeld;

f) 

instellingen, en financiële instellingen waarvoor blootstellingen met betrekking tot de financiële instelling worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot instellingen overeenkomstig artikel 119, lid 5;

▼M17

f bis) 

gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector;

▼M17

g) 

indien de kredietprotectie niet wordt verschaft voor een securitisatieblootstelling: andere ondernemingen met een kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI, met inbegrip van moederondernemingen, dochterondernemingen en verbonden entiteiten van de debiteur indien een directe blootstelling met betrekking tot die moederondernemingen, dochterondernemingen of verbonden entiteiten een lager risicogewicht heeft dan de blootstelling met betrekking tot de debiteur;

▼M8

h) 

gekwalificeerde centrale tegenpartijen.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt f bis), van dit artikel wordt onder „gereglementeerde entiteit uit de financiële sector” verstaan een entiteit uit de financiële sector die voldoet aan de voorwaarde van artikel 142, lid 1, punt 4), b).

▼M17

2.  
Naast de in lid 1 vermelde protectiegevers zijn ondernemingen die van de instelling een interne rating overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 6, krijgen, toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie indien de instelling de IRB-benadering gebruikt voor blootstellingen met betrekking tot die ondernemingen.

▼M17 —————

▼B

Artikel 203

Toelaatbaarheid van garanties als niet-volgestorte kredietprotectie

De instellingen kunnen garanties als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie gebruiken.

Onderafdeling 3

Soorten derivaten

Artikel 204

Toelaatbare soorten kredietderivaten

1.  

De instellingen kunnen de volgende soorten kredietderivaten en instrumenten die eventueel uit dergelijke kredietderivaten zijn samengesteld of die economisch feitelijk vergelijkbaar zijn, als toelaatbare kredietprotectie gebruiken:

a) 

kredietverzuimswaps;

b) 

total return swaps;

c) 

credit linked notes voor zover deze in contanten zijn gefinancierd.

Indien een instelling kredietprotectie koopt in de vorm van een total return swap en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het beschermde actief te boeken (door middel van reducties van de reële waarde of een toevoeging aan de reserves), wordt de kredietprotectie niet als toelaatbare kredietprotectie in aanmerking genomen.

2.  
Indien een kredietinstelling gebruik maakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm van een kredietderivaat, wordt de kredietprotectie voor de toepassing van dit hoofdstuk slechts als toelaatbare kredietprotectie in aanmerking genomen indien het naar de handelsportefeuille overgehevelde kredietrisico aan een derde of derden wordt overgedragen.

Indien overeenkomstig de eerste alinea een intern afdekkingsinstrument is gebruikt en aan de vereisten van dit hoofdstuk is voldaan, passen de instellingen bij aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie de regels van de afdelingen 4 tot en met 6 toe voor de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten.

▼M17

3.  
First-to-default- en alle overige nth-to-default-kredietderivaten zijn geen toelaatbare soorten van niet-volgestorte kredietprotectie in het kader van dit hoofdstuk.

▼M8

Artikel 204 bis

In aanmerking komende soorten aandelenderivaten

1.  
Instellingen mogen aandelenderivaten die total return swaps zijn of economisch feitelijk vergelijkbaar, alleen ten behoeve van interne afdekking als toelaatbare kredietprotectie gebruiken.

Indien een instelling kredietprotectie koopt in de vorm van een total return swap en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het door middel van verminderingen van de reële waarde of een toevoeging aan de reserves beschermde actief te boeken, wordt die kredietprotectie niet als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt.

2.  
Indien een instelling gebruikmaakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm van een aandelenderivaat, kan de interne afdekking voor de toepassing van dit hoofdstuk slechts als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt indien het naar de handelsportefeuille overgehevelde kredietrisico aan een derde of aan derden wordt overgedragen.

Indien overeenkomstig de eerste alinea een intern afdekkingsinstrument is gebruikt en aan de vereisten van dit hoofdstuk is voldaan, passen instellingen bij aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie de voorschriften van de afdelingen 4, 5 en 6 van dit hoofdstuk toe voor de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten.

▼B

Afdeling 3

Vereisten

Onderafdeling 1

Volgestorte kredietprotectie

Artikel 205

Vereisten voor andere overeenkomsten tot verrekening van balansposten dan kaderverrekeningsovereenkomsten als bedoeld in artikel 206

Andere overeenkomsten tot verrekening van balansposten dan kaderverrekeningsovereenkomsten als bedoeld in artikel 206 worden als een toelaatbare vorm van kredietrisicolimitering in aanmerking genomen wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de overeenkomsten zijn rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante rechtsgebieden, ook in geval van insolventie of faillissement van een tegenpartij;

b) 

de instellingen zijn te allen tijde in staat te bepalen welke activa en passiva onder die overeenkomsten vallen;

c) 

de instellingen bewaken en beheersen permanent de risico's die aan de opzegging van de kredietprotectie verbonden zijn;

d) 

de instellingen bewaken en beheersen permanent de betrokken blootstellingen op nettobasis.

Artikel 206

Vereisten voor kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessietransacties of transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties

Kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessietransacties of transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties worden als een toelaatbare vorm van kredietrisicolimitering in aanmerking genomen wanneer de uit hoofde van die overeenkomsten verstrekte zekerheden aan de vereisten van artikel 207, leden 2 tot en met 4, voldoen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

zij zijn rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante rechtsgebieden, ook in geval van insolventie of faillissement van een tegenpartij;

b) 

zij verlenen de niet in gebreke blijvende partij het recht alle in het kader van de overeenkomst verrichte transacties zo spoedig mogelijk te beëindigen en af te wikkelen bij wanbetaling, ook in geval van insolventie of faillissement van de tegenpartij;

c) 

zij voorzien in de zodanige verrekening van de winsten en verliezen op in het kader van een overeenkomst afgewikkelde transacties dat uiteindelijk één enkel nettobedrag wordt verkregen dat door de ene partij aan de andere verschuldigd is.

Artikel 207

Vereisten voor financiële zekerheden

1.  
Bij alle benaderingen en methoden worden financiële zekerheden en goud als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen als alle vereisten van de leden 2 tot en met 4 zijn vervuld.
2.  
Tussen de kredietkwaliteit van de debiteur en de waarde van de zekerheid mag geen duidelijk positieve correlatie bestaan. Wanneer de waarde van de zekerheid aanzienlijk wordt verlaagd, houdt dit op zichzelf geen aanzienlijke verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur in. Wanneer de kredietkwaliteit van de debiteur kritiek wordt, houdt dit op zichzelf geen aanzienlijke verlaging van de waarde van de zekerheid in.

Door de debiteur of een verbonden groepsentiteit uitgegeven effecten worden niet als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen. Niettemin worden de eigen uitgiften van de debiteur van gedekte obligaties in de zin van artikel 129 als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen wanneer deze als zekerheid voor een retrocessietransactie worden gesteld, mits zij aan de in de eerste alinea gestelde voorwaarde voldoen.

3.  
De instellingen vervullen alle contractuele en wettelijke voorwaarden, en ondernemen alle stappen die nodig zijn om de zekerheidsovereenkomsten afdwingbaar te maken krachtens het recht dat van toepassing is op hun recht op de zekerheden.

De instellingen hebben voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de zekerheidsovereenkomsten in alle relevante rechtsgebieden bevestigt. Indien nodig herhalen zij dit onderzoek om zich ervan te vergewissen dat de overeenkomsten afdwingbaar blijven.

4.  

De instellingen vervullen alle volgende operationele vereisten:

a) 

zij leggen de zekerheidsovereenkomsten adequaat in documentatie vast en beschikken over duidelijke en deugdelijke procedures voor een zo spoedig mogelijke uitwinning van de zekerheden;

b) 

zij gebruiken deugdelijke procedures en processen ter beheersing van de risico's die uit het gebruik van zekerheden voortvloeien, zoals onder meer de risico's die aan een tekortschietende of verminderde kredietprotectie verbonden zijn, de waarderingsrisico's, de met de opzegging van de kredietprotectie samenhangende risico's, de concentratierisico's die aan het gebruik van zekerheden verbonden zijn, en de interactie met het algemene risicoprofiel van de instelling;

c) 

zij beschikken over in documentatie vastgelegde beleidslijnen en praktijken die ten aanzien van de aanvaarde soorten zekerheden en de aanvaarde bedragen aan zekerheden worden gevolgd;

▼M17

d) 

zij berekenen de marktwaarde van de zekerheden en herwaarderen deze ten minste eenmaal om de zes maanden en telkens als de instelling redenen heeft om aan te nemen dat er zich een aanzienlijke daling van de marktwaarde van de zekerheden heeft voorgedaan; ESG-gerelateerde overwegingen leiden tot een beoordeling van de vraag of de marktwaarde van de zekerheid aanzienlijk is gedaald;

▼B

e) 

indien de zekerheden door een derde worden aangehouden, ondernemen zij alle stappen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om ervoor te zorgen dat de betrokken derde de zekerheden afscheidt van de eigen activa;

f) 

zij zorgen ervoor dat zij voldoende middelen besteden aan de ordelijke werking van de margeovereenkomsten met otc-derivaten en effecten financierende tegenpartijen, als gemeten aan de tijdigheid en nauwkeurigheid van hun margestortingen en de tijd waarbinnen zij op marge-opvragingen reageren;

g) 

zij beschikken over beleidslijnen inzake het beheer van zekerheden om het volgende te beheersen, te bewaken en te rapporteren:

i) 

de risico's waaraan zij als gevolg van margeovereenkomsten blootstaan;

ii) 

het concentratierisico voor bepaalde soorten van als zekerheid fungerende activa;

iii) 

het hergebruik van zekerheden waaronder de mogelijke liquiditeitstekorten als gevolg van het hergebruik van van tegenpartijen ontvangen zekerheden;

iv) 

de afkoop van rechten op zekerheden die aan tegenpartijen worden verleend.

5.  
Voor de inaanmerkingneming van financiële zekerheden als toelaatbare zekerheid in het kader van de eenvoudige benadering van financiële zekerheden geldt benevens het vervullen van alle in de leden 2 tot en met 4 vervatte vereisten dat de resterende looptijd van de protectie ten minste even lang moet zijn als de resterende looptijd van de blootstelling.

Artikel 208

Vereisten voor zekerheden in de vorm van onroerend goed

1.  
Onroerend goed wordt slechts als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen wanneer alle in de leden 2 tot en met 5 vervatte vereisten vervuld zijn.
2.  

De volgende vereisten inzake rechtszekerheid moeten vervuld zijn:

a) 

een hypotheek of bezwaring is afdwingbaar in alle op het tijdstip van de sluiting van de leningsovereenkomst relevante rechtsgebieden, en is tijdig en naar behoren geregistreerd;

b) 

alle juridische vereisten voor de vestiging van het pandrecht zijn vervuld;

c) 

de protectieovereenkomst en de juridische procedure die eraan ten grondslag ligt, stellen de instelling in staat de waarde van de protectie binnen een redelijke tijdshorizon te realiseren.

3.  

De volgende vereisten inzake de controle van de waarde van onroerend goed en de waardering van onroerend goed moeten vervuld zijn:

a) 

de instellingen controleren de waarde van het onroerend goed frequent en ten minste eenmaal per jaar voor zakelijk onroerend goed en eenmaal per drie jaar voor niet-zakelijk onroerend goed. De instellingen voeren frequentere controles uit wanneer de marktomstandigheden significante veranderingen ondergaan;

▼M17

b) 

de waardering van het onroerend goed wordt gecontroleerd als uit informatie waarover instellingen beschikken blijkt dat de onroerendgoedwaarde vermoedelijk sterk is gedaald in vergelijking met de algemene marktprijzen; de controle wordt uitgevoerd door een schatter die over de nodige kwalificaties, bekwaamheid en ervaring beschikt om een taxatie uit te voeren en die geen enkele rol vervult in het kredietacceptatieproces; ESG-gerelateerde overwegingen, met inbegrip van die welke verband houden met beperkingen die zijn opgelegd door de desbetreffende regelgevingsdoelstellingen en rechtshandelingen van de Unie en de lidstaten, alsook, indien relevant voor internationaal actieve instellingen, wettelijke en regelgevingsdoelstellingen van derde landen, worden beschouwd als een aanwijzing dat de onroerendgoedwaarde aanzienlijk zou kunnen zijn gedaald ten opzichte van de algemene marktprijzen; bij leningen die meer dan 3 miljoen EUR bedragen of meer dan 5 % van het eigen vermogen van een instelling vertegenwoordigen, wordt de waardering van het onroerend goed ten minste om de drie jaar door een dergelijke schatter gecontroleerd.

▼M17 —————

▼M17

3 bis.  

Instellingen kunnen de waarde van het onroerend goed monitoren en het onroerend goed identificeren dat moet worden geherwaardeerd, overeenkomstig lid 3, door middel van geavanceerde statistische of andere wiskundige methoden („modellen”), mits die methoden onafhankelijk van het kredietbesluitvormingsproces worden ontwikkeld en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de instellingen zetten in hun beleidslijnen en procedures de criteria uiteen voor het gebruik van modellen voor het monitoren van de waarde van zekerheden en het identificeren van onroerend goed dat geherwaardeerd moet worden; in die beleidslijnen en procedures zijn het bewezen trackrecord van die modellen, de voor het onroerend goed specifieke variabelen waarmee wordt rekening gehouden, het gebruik van minimaal beschikbare en accurate informatie en de onzekerheid van de modellen verwerkt;

b) 

de instellingen zien erop toe dat de gebruikte modellen:

i) 

op een voldoende fijnmazig niveau specifiek zijn voor het onroerend goed en de locatie;

ii) 

geldig en accuraat zijn, en dat daarvoor robuuste en regelmatige backtesting tegen de daadwerkelijk waargenomen transactieprijzen plaatsvindt;

iii) 

op een voldoende ruime en representatieve steekproef zijn gebaseerd, die op waargenomen transactieprijzen berust;

iv) 

op actuele hoogwaardige gegevens zijn gebaseerd;

c) 

de instellingen zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor de geschiktheid en de prestaties van de modellen;

d) 

de instellingen zien erop toe dat de documentatie van de modellen actueel is;

e) 

de instellingen beschikken over adequate IT-processen, -systemen en -capaciteit en beschikken over voldoende en accurate gegevens voor op modellen gebaseerde monitoring van de waarde van zekerheden in de vorm van onroerend goed en identificatie van onroerend goed dat geherwaardeerd moet worden;

f) 

de ramingen van modellen worden onafhankelijk gevalideerd en het valideringsproces is in het algemeen in overeenstemming met de beginselen van artikel 185, indien van toepassing.

▼B

4.  
De instellingen leggen de soorten niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed die zij aanvaarden en hun leningsbeleid ter zake duidelijk in documentatie vast.

▼M17

5.  
Het onroerend goed dat als kredietprotectie wordt geaccepteerd, is adequaat verzekerd tegen schaderisico en de instellingen beschikken over procedures om te monitoren dat de verzekering adequaat is.

In afwijking van artikel 92, lid 5, punt a), ii), en onverminderd de afwijking van artikel 92, lid 3, tweede alinea, zijn instellingen die de in hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde IRB-benadering toepassen door gebruik te maken van hun eigen LGD-ramingen, niet verplicht de bepalingen in de eerste alinea van dit lid toe te passen voor blootstellingen die gedekt zijn door onroerend goed en vóór 1 januari 2025 zijn verleend.

▼B

Artikel 209

Vereisten voor kortlopende vorderingen

1.  
Kortlopende vorderingen worden als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen wanneer alle in de leden 2 en 3 vervatte vereisten vervuld zijn.
2.  

De volgende vereisten inzake rechtszekerheid moeten vervuld zijn:

a) 

de juridische constructie op grond waarvan de zekerheid aan een leningverstrekkende instelling wordt verstrekt, is deugdelijk en effectief en waarborgt dat de instelling duidelijke rechten heeft op de zekerheid, inclusief het recht op de opbrengsten van de verkoop van de zekerheid;

b) 

de instellingen ondernemen alle stappen die noodzakelijk zijn om aan de lokale vereisten voor de afdwingbaarheid van het zakelijke zekerheidsrecht te voldoen. Leningverstrekkende instellingen hebben een voorrangsrecht op de zekerheid, hoewel dergelijke rechten nog steeds kunnen zijn achtergesteld bij de rechten van preferentiële crediteuren welke in wettelijke bepalingen zijn neergelegd;

c) 

de instellingen hebben voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwing-baarheid van de zekerheidsovereenkomsten in alle relevante rechtsgebieden bevestigt;

d) 

de instellingen leggen de zekerheidsovereenkomsten adequaat in documentatie vast en beschikken over duidelijke en deugdelijke procedures voor een zo spoedig mogelijke uitwinning van de zekerheden;

e) 

de instellingen beschikken over procedures die waarborgen dat alle wettelijke voorwaarden voor het in gebreke stellen van een kredietnemer en het zo spoedig mogelijk uitwinnen van de zekerheden in acht worden genomen;

f) 

indien een kredietnemer in financiële moeilijkheden verkeert of in gebreke is gebleven, hebben de instellingen de wettelijke bevoegdheid om de kortlopende vorderingen aan andere partijen te verkopen of over te dragen zonder instemming van de debiteuren van de kortlopende vorderingen.

3.  

De volgende vereisten inzake risicobeheer moeten vervuld zijn:

a) 

een instelling beschikt over een deugdelijk proces voor de bepaling van het kredietrisico dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is. Dit proces omvat onder meer analyses van de bedrijfsactiviteit en de bedrijfstak van de kredietnemer en van de soorten cliënten met wie die kredietnemer zaken doet. Indien de instelling vertrouwt op haar kredietnemers om het aan de cliënten verbonden kredietrisico in te schatten, onderwerpt zij de kredietpraktijken van de kredietnemers aan een onderzoek om zich van de deugdelijkheid en geloofwaardigheid ervan te vergewissen;

b) 

het verschil tussen het bedrag van de blootstelling en de waarde van de kortlopende vorderingen weerspiegelt alle relevante factoren, zoals onder meer de inningskosten, de concentratie binnen de pool van kortlopende vorderingen die door één kredietnemer in pand is gegeven en het potentiële concentratierisico binnen het geheel van blootstellingen van de instelling dat uitstijgt boven het risico dat in het kader van de algemene methode van de instelling wordt beheerst. De instellingen beschikken over een doorlopend bewakingsproces dat passend is voor de kortlopende vorderingen. Zij controleren tevens regelmatig of leningsovereenkomsten, milieubeperkingen en andere wettelijke vereisten worden nageleefd;

c) 

de door een kredietnemer in pand gegeven kortlopende vorderingen zijn gediversi-fieerd en vertonen geen ongepaste correlatie met die kredietnemer. Indien er een wezenlijke positieve correlatie is, houden de instellingen bij de vaststelling van de marges voor de pool van zekerheden als geheel met de daarmee gepaard gaande risico's rekening;

d) 

de instellingen gebruiken geen kortlopende vorderingen op verbonden partijen van een kredietnemer, met inbegrip van dochterondernemingen en werknemers, als toelaatbare kredietprotectie;

e) 

de instellingen beschikken over een in documentatie vastgelegd proces voor de inning van te ontvangen betalingen in probleemsituaties. Instellingen beschikken over de vereiste voorzieningen voor de inning, ook al vertrouwen zij normaliter op hun kredietnemers om betalingen te innen.

Artikel 210

Vereisten voor andere fysieke zekerheden

Andere fysieke zekerheden dan zekerheden in de vorm van onroerend goed worden in het kader van de IRB-benadering als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen als alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de zekerheidsovereenkomst uit hoofde waarvan de fysieke zekerheid aan een instelling wordt verleend, is rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante rechtsgebieden en stelt de instelling in staat de waarde van de zekerheid binnen een redelijke tijdshorizon te realiseren;

b) 

met als enige uitzondering de in artikel 209, lid 2, onder b), bedoelde toegestane voorrangsrechten worden alleen eerste pandrechten of bezwaringen op zekerheden als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen. Het recht van een instelling op de gerealiseerde opbrengsten van de zekerheden heeft voorrang op de rechten van alle andere leninggevers;

c) 

de instellingen controleren de waarde van de zekerheden frequent en ten minste eenmaal per jaar. De instellingen voeren frequentere controles uit wanneer de marktomstandigheden significante veranderingen ondergaan;

d) 

de leningsovereenkomst bevat een gedetailleerde beschrijving van de zekerheid en een gedetailleerde specificatie van de wijze waarop en de frequentie waarmee tot herwaardering wordt overgegaan;

e) 

de door een instelling aanvaarde soorten fysieke zekerheden en de beleidslijnen en praktijken ten aanzien van het bedrag van elke soort zekerheid dat passend wordt geacht in verhouding tot het bedrag van de blootstelling, worden door die instelling helder vastgelegd in documentatie betreffende de interne beleidslijnen en procedures voor de kredietverlening, die kan worden ingezien;

f) 

wat de structuur van de transactie betreft, wordt er in het kader van het kredietbeleid van de instellingen toegezien op het volgende:

i) 

aan de zekerheid te stellen eisen die passend zijn in verhouding tot het bedrag van de blootstelling;

ii) 

de mogelijkheid om de zekerheid vlot uit te winnen;

iii) 

de mogelijkheid om op objectieve wijze een prijs of marktwaarde vast te stellen;

iv) 

de frequentie waarmee de waarde makkelijk vast te stellen is, met inbegrip van een professionele schatting of waardering;

v) 

de volatiliteit of een maatstaf voor de volatiliteit van de waarde van de zekerheid;

▼M17

g) 

zowel bij de eerste waardering als bij latere herwaarderingen houden de instellingen ten volle rekening met een eventuele aantasting of economische veroudering van de zekerheid, en besteden daarbij bijzondere aandacht aan het effect van het verstrijken van de tijd op mode- of tijdgevoelige zekerheden; voor fysieke zekerheden omvat de waardedaling door veroudering van zekerheden ook overwegingen inzake ESG-gerelateerde waardering die verband houden met verboden of beperkingen die zijn opgelegd door de desbetreffende regelgevingsdoelstellingen en rechtshandelingen van de Unie en de lidstaten, alsook, indien relevant voor internationaal actieve instellingen, wettelijke en regelgevingsdoelstellingen van derde landen;

▼B

h) 

de instellingen hebben het recht de zekerheid fysiek te inspecteren. Tevens beschikken zij over de nodige beleidslijnen en procedures voor de uitoefening van hun recht tot fysieke inspectie;

i) 

de zekerheid die als protectie wordt geaccepteerd, is adequaat verzekerd tegen schaderisico en de instellingen beschikken over procedures om dit te bewaken.

▼M17

Indien algemene zekerheidsovereenkomsten, of andere vormen van vlottende zekerheidsrechten, de leningverstrekkende instelling een aangemelde vordering op activa van een onderneming toekennen en indien die vordering zowel activa omvat die volgens de IRB-benadering niet toelaatbaar zijn als zekerheid, als activa die volgens de IRB-benadering wel als zekerheid toelaatbaar zijn, mag de instelling die laatste activa als toelaatbare volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen. In dat geval geldt voor die inaanmerkingneming de voorwaarde dat die activa voldoen aan de vereisten om volgens de IRB-benadering als zekerheid toelaatbaar te zijn zoals bepaald in dit hoofdstuk.

▼B

Artikel 211

Vereisten voor de behandeling van blootstellingen uit hoofde van lease-overeenkomsten als door zekerheden gedekte blootstellingen

De instellingen behandelen blootstellingen uit hoofde van lease-overeenkomsten als blootstellingen waarvoor geleased onroerend goed van dezelfde soort als zekerheid fungeert, indien alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de voorwaarden van artikel 208 of artikel 210, naar gelang van het geval, voor de inaanmerkingneming van de soort geleased goed als toelaatbare zekerheid zijn vervuld;

b) 

de leasegever beschikt over een deugdelijk risicobeheer met betrekking tot het gebruik dat van het geleasede actief wordt gemaakt, de locatie ervan, de ouderdom ervan en de voorziene economische gebruiksduur, met inbegrip van een passende controle van de waarde van de zekerheid;

c) 

de leasegever heeft het actief juridisch in eigendom en is in staat zijn rechten als eigenaar tijdig uit te oefenen;

d) 

voor zover dit niet reeds bij de berekening van de LGD-hoogte is vastgesteld, is het verschil tussen de waarde van het niet-afgeschreven bedrag en de marktwaarde van de zekerheid niet zo groot dat de aan de geleasede activa toegewezen kredietrisicolimitering wordt overschat.

Artikel 212

Vereisten voor andere volgestorte kredietprotectie

1.  

Contanten gedeponeerd bij, of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door, een derde instelling komen in aanmerking voor de in artikel 232, lid 1, bepaalde behandeling als alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de vordering van de kredietnemer op de derde instelling is openlijk in pand gegeven of overgedragen aan de leningverstrekkende instelling, en die pandgeving of overdracht is rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante rechtsgebieden en is onvoorwaardelijk en onherroepelijk;

b) 

de derde instelling is in kennis gesteld van de pandgeving of overdracht;

c) 

als gevolg van de kennisgeving kan de derde instelling alleen aan de leningverstrekkende instelling betalingen doen, of aan andere partijen als zij daarvoor de voorafgaande toestemming van de leningverstrekkende instelling heeft gekregen.

2.  

Aan de leningverstrekkende instelling in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten worden als toelaatbare zekerheid in aanmerking genomen als alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de levensverzekeringsovereenkomst is openlijk in pand gegeven of overgedragen aan de leningverstrekkende instelling;

b) 

de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, is in kennis gesteld van de pandgeving of overdracht en mag als gevolg van de kennisgeving niet tot uitkering van de onder de overeenkomst te betalen bedragen overgaan zonder de toestemming van de leningverstrekkende instelling;

c) 

de leningverstrekkende instelling heeft het recht de overeenkomst op te zeggen en de afkoopwaarde te ontvangen indien de kredietnemer in gebreke blijft;

d) 

de leningverstrekkende instelling wordt ervan in kennis gesteld dat de verzekeringnemer nalaat betalingen overeenkomstig de overeenkomst te verrichten;

e) 

de kredietprotectie geldt voor de gehele looptijd van de lening. Indien dit niet mogelijk is omdat de verzekeringsovereenkomst reeds vóór de leningsovereenkomst afloopt, ziet de instelling erop toe dat het uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende bedrag tot het einde van de looptijd van de leningsovereenkomst de instelling als zekerheid dient;

f) 

de pandgeving of de overdracht is rechtsgeldig en afdwingbaar in alle op het tijdstip van de sluiting van de leningsovereenkomst relevante rechtsgebieden;

g) 

de afkoopwaarde wordt aangegeven door de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, en is niet verminderbaar;

h) 

de afkoopwaarde wordt door de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, zo spoedig mogelijk betaald indien daarom wordt verzocht;

i) 

er wordt niet om betaling van de afkoopwaarde verzocht zonder voorafgaande toestemming van de instelling;

j) 

de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, valt onder Richtlijn 2009/138/EG of staat onder toezicht van een bevoegde autoriteit van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Unie worden toegepast.

Onderafdeling 2

Niet-volgestorte kredietprotectie en credit linked notes

Artikel 213

Voor zowel garanties als kredietderivaten geldende vereisten

▼M17

1.  

Behoudens artikel 214, lid 1, wordt een kredietprotectie in de vorm van een garantie of kredietderivaat als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking genomen indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

het gaat om een rechtstreekse kredietprotectie;

b) 

de omvang van de kredietprotectie is duidelijk omschreven en onbetwistbaar;

c) 

de kredietprotectieovereenkomst bevat geen enkele clausule waarvan de naleving buiten de directe controle van de leningverstrekkende instelling valt en die:

i) 

de protectiegever in staat zou stellen de kredietprotectie eenzijdig op te zeggen of aan te passen;

ii) 

tot een toename van de effectieve kosten van de kredietprotectie zou leiden door een verslechtering van de kredietkwaliteit van de beschermde blootstelling;

iii) 

zou kunnen verhinderen dat de protectiegever verplicht is zo spoedig mogelijk te betalen ingeval de oorspronkelijke debiteur nalaat verschuldigde betalingen te verrichten of indien de leasingovereenkomst is verstreken met het oog op de inaanmerkingneming van de gegarandeerde restwaarde krachtens artikel 134, lid 7, en artikel 166, lid 4;

iv) 

het mogelijk zou kunnen maken dat de protectiegever de looptijd van de kredietprotectie vermindert;

d) 

de kredietprotectieovereenkomst is rechtsgeldig en afdwingbaar in alle op het tijdstip van de sluiting van de leningovereenkomst relevante rechtsgebieden.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), betekent een clausule in de kredietprotectieovereenkomst die bepaalt dat bij een gebrekkig boekenonderzoek of bij fraude door de leningverstrekkende instelling de door de garantiegever afgegeven kredietprotectie vervalt of de omvang daarvan afneemt, niet dat die kredietprotectie niet als toelaatbaar kan kwalificeren.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), mag de protectiegever een eenmalige betaling doen van alle uit hoofde van de vordering verschuldigde gelden, of mag hij de door de kredietprotectieovereenkomst bestreken toekomstige betalingsverplichtingen van de debiteur op zich nemen.

▼B

2.  
Een instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat zij over systemen beschikt om de potentiële concentratie van uit haar gebruik van garanties en kredietderivaten voortvloeiende risico's te beheren. Een instelling kan ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen welke interactie er bestaat tussen, enerzijds, haar strategie ten aanzien van het gebruik van kredietderivaten en garanties en, anderzijds, het beheer van haar algemene risicoprofiel.
3.  
Een instelling vervult alle contractuele en wettelijke voorwaarden, en onderneemt alle stappen die nodig zijn om haar niet-volgestorte kredietprotectie afdwingbaar te maken overeenkomstig het recht dat van toepassing is op haar recht op kredietprotectie.

Een instelling heeft voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de niet-volgestorte kredietprotectie in alle relevante rechtsgebieden bevestigt. Indien nodig herhaalt zij dit onderzoek om zich ervan te vergewissen dat de overeenkomsten afdwingbaar blijven.

Artikel 214

Tegengaranties van de centrale overheid en andere overheidslichamen

1.  

De instellingen kunnen de in lid 2 bedoelde blootstellingen behandelen als beschermd door een garantie die door de in dat lid vermelde entiteiten wordt verstrekt mits er aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de tegengarantie dekt alle kredietrisicoaspecten van de vordering;

b) 

zowel de oorspronkelijke garantie als de tegengarantie voldoen aan de in artikel 213 en artikel 215, lid 1, gestelde vereisten, behalve dat de tegengarantie niet rechtstreeks behoeft te zijn;

c) 

de dekking is deugdelijk en niets in de historische gegevens wijst erop dat de dekking van de tegengarantie niet effectief gelijkwaardig is aan die van een rechtstreekse garantie door de betrokken entiteit.

2.  

De in lid 1 vervatte behandeling is van toepassing op blootstellingen die worden beschermd door een garantie met een tegengarantie van een van de volgende entiteiten:

a) 

een centrale overheid of een centrale bank;

b) 

een regionale of lagere overheid;

c) 

een publiekrechtelijk lichaam ten aanzien waarvan de vorderingen worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid overeenkomstig artikel 116, lid 4;

d) 

een multilaterale ontwikkelingsbank of een internationale organisatie, waaraan overeenkomstig artikel 117, lid 2, respectievelijk artikel 118, een risicogewicht van 0 % wordt toegekend;

e) 

een publiekrechtelijk lichaam, indien de vorderingen op een dergelijk lichaam overeenkomstig artikel 116, leden 1 en 2, worden behandeld.

3.  
De instellingen passen de in lid 1 vastgestelde behandeling eveneens toe op een blootstelling zonder tegengarantie van een in lid 2 vermelde entiteit als de tegengarantie voor die blootstelling op haar beurt rechtstreeks door een van die entiteiten wordt gedekt en er aan de in lid 1 genoemde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 215

Aanvullende vereisten voor garanties

1.  

Garanties worden als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking genomen als alle in artikel 213 gestelde voorwaarden en alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

▼M17

a) 

bij de in aanmerking genomen wanbetaling van of niet-betaling door de debiteur heeft de leningverstrekkende instelling het recht zo spoedig mogelijk een vordering in te stellen tegen de garantiegever voor de gelden die verschuldigd zijn uit hoofde van de vordering waarvoor de protectie is verstrekt;

▼B

b) 

de garantie neemt de vorm aan van een expliciet in documentatie vastgelegde verplichting die door de garantiegever is aangegaan;

c) 

een van beide volgende voorwaarden is vervuld:

i) 

de garantie bestrijkt alle soorten betalingen die de debiteur uit hoofde van de vordering geacht wordt te verrichten;

ii) 

indien bepaalde soorten betalingen niet onder de garantie vallen, heeft de leningverstrekkende instelling de waarde van de garantie aangepast om met de beperkte dekking rekening te houden.

▼M17

De leningverstrekkende kredietinstelling behoeft niet eerst een vordering tegen de debiteur in te stellen opdat de garantiegever tot betaling overgaat.

Bij niet-volgestorte kredietprotectie met betrekking tot hypotheekleningen op niet-zakelijk onroerend goed behoeft slechts binnen 24 maanden te zijn voldaan aan de in artikel 213, lid 1, punt c), iii), en de in de eerste alinea, punt a), van dit lid gestelde vereisten.

▼M17

2.  

Wat betreft garanties die in het kader van onderlinge garantiesystemen zijn verstrekt, dan wel die zijn verstrekt of waarvoor een tegengarantie is verschaft door de in artikel 214, lid 2, vermelde entiteiten, wordt er aan de in lid 1, punt a), van dit artikel en in artikel 213, lid 1, punt c), iii) vervatte vereisten geacht te zijn voldaan indien er aan een van beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

op grond van de in aanmerking genomen wanbetaling van of niet-betaling door de oorspronkelijke debiteur, heeft de leningverstrekkende instelling recht op een zo spoedig mogelijk door de garantiegever te verrichten voorlopige betaling die aan beide volgende voorwaarden voldoet:

i) 

de voorlopige betaling vormt een deugdelijke raming van de omvang van het verlies dat vermoedelijk door de leningverstrekkende instelling zal worden geleden, met inbegrip van de verliezen die voortvloeien uit de niet-betaling van rente en andere soorten betalingen die de kredietnemer verplicht is te verrichten;

ii) 

de voorlopige betaling is evenredig aan de dekking van de garantie;

b) 

de leningverstrekkende instelling kan ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantonen dat het effect van de garantie, die ook de verliezen dekt die voortvloeien uit de niet-betaling van rente en van andere soorten betalingen die de kredietnemer verplicht is te verrichten, een dergelijke behandeling rechtvaardigt; die rechtvaardiging wordt naar behoren gedocumenteerd en onderworpen aan specifieke interne goedkeurings- en controleprocedures.

▼B

Artikel 216

Aanvullende vereisten voor kredietderivaten

1.  

Kredietderivaten worden als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking genomen als alle in artikel 213 gestelde voorwaarden en alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

in het kredietderivatencontract worden onder meer de volgende kredietgebeurtenissen gespecificeerd:

i) 

niet-betaling van de bedragen die verschuldigd zijn onder de voorwaarden van de onderliggende verplichting welke gelden op het tijdstip van de niet-betaling, waarbij de respijtperiode gelijk is aan of korter is dan de respijtperiode bij de onderliggende verplichting;

ii) 

het faillissement, de insolventie of het onvermogen van de debiteur om zijn schulden te betalen, dan wel het nalaten of de schriftelijke bekentenis van het algemene onvermogen om zijn schulden te betalen wanneer deze vervallen, en analoge gebeurtenissen;

iii) 

de herstructurering van de onderliggende verplichting die een kwijtschelding of uitstel van betaling op de hoofdsom, de rente of provisies behelst welke resulteert in een kredietverlies;

b) 

bij kredietderivaten met afwikkeling in contanten:

i) 

hebben de instellingen een deugdelijk waarderingsproces in gebruik om tot een betrouwbare raming van het verlies te komen;

ii) 

is er sprake van een duidelijk gespecificeerde periode voor de verkrijging van waarderingen van de onderliggende verplichting nadat de kredietgebeurtenis zich heeft voorgedaan;

c) 

indien het recht en het vermogen van de protectienemer om de onderliggende verplichting aan de protectiegever over te dragen onontbeerlijk zijn voor de afwikkeling, wordt in de voorwaarden van de onderliggende verplichting bepaald dat de voor een dergelijke overdracht vereiste toestemming niet op onredelijke gronden wordt geweigerd;

d) 

de identiteit van de partijen die verantwoordelijk zijn voor de bepaling of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, wordt duidelijk omschreven;

e) 

het bepalen van de kredietgebeurtenis is niet uitsluitend de verantwoordelijkheid van de protectiegever;

f) 

de protectienemer heeft het recht of het vermogen om de protectiegever in kennis te stellen van het feit dat er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan.

Indien de kredietgebeurtenissen niet de in punt a), iii), omschreven herstructurering van de onderliggende verplichting omvatten, kan de kredietprotectie desondanks toch toelaatbaar zijn, mits de waarde wordt gereduceerd als gespecificeerd in artikel 233, lid 2.

2.  

Een mismatch tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting in het kader van het kredietderivaat of tussen de onderliggende verplichting en de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, is alleen toelaatbaar als beide volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de referentieverplichting of de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, naar gelang van het geval, is gelijkgesteld met of achtergesteld bij de onderliggende verplichting;

b) 

de onderliggende verplichting en de referentieverplichting of de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, naar gelang van het geval, hebben dezelfde debiteur en er is voorzien in juridisch afdwingbare kruislingse wanbetalingsclausules of kruislingse vervroegde-opeisbaarheidsclausules.

▼M17

3.  

In afwijking van lid 1 hoeft voor een door een kredietderivaat gedekte blootstelling met betrekking tot een onderneming de in punt a), iii), van dat lid bedoelde kredietgebeurtenis niet in het derivatencontract te worden bepaald, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

100 % van de stemmen is vereist om de looptijd, hoofdsom, coupon, valuta of rangorde van de onderliggende blootstelling met betrekking tot ondernemingen te wijzigen;

b) 

de wettelijke verblijfplaats waarvan de voorschriften de blootstelling met betrekking tot ondernemingen beregelen, heeft een goed uitgebouwde faillissementswetgeving die de mogelijkheid biedt om een onderneming te reorganiseren en te herstructureren, en voorziet in een gecontroleerde afwikkeling van vorderingen van schuldeisers.

Indien niet aan de voorwaarden van de punten a) en b) van dit lid is voldaan, kan de kredietprotectie desondanks toch toelaatbaar zijn, mits de waarde wordt gereduceerd als gespecificeerd in artikel 233, lid 2.

▼M17 —————

▼B

Afdeling 4

Berekening van het effect van kredietrisicolimitering

Onderafdeling 1

Volgestorte kredietprotectie

Artikel 218

Credit linked notes

Beleggingen in credit linked notes die door de leningverstrekkende instelling zijn uitgegeven, kunnen als zekerheden in de vorm van contanten worden behandeld voor de berekening van het effect van volgestorte kredietprotectie overeenkomstig deze onderafdeling, mits de in de credit linked note ingebedde kredietverzuimswap als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking kan worden genomen. Om te bepalen of de in een credit linked note ingebedde kredietverzuimswap in aanmerking kan worden genomen als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie, kan de instelling ervan uitgaan dat de voorwaarde van artikel 194, lid 6, punt c, vervuld moet zijn.

▼M17

Artikel 219

Verrekening van balansposten

Leningen en deposito’s bij de leningverstrekkende instelling die op de balans worden verrekend, worden door die instelling als zekerheden in de vorm van contanten behandeld voor de berekening van het effect van volgestorte kredietprotectie voor die leningen en deposito’s van de leningverstrekkende instelling die op de balans worden verrekend.

▼B

Artikel 220

▼M17

Gebruik van de toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen voor kaderverrekeningsovereenkomsten

1.  
Instellingen die de „volledig aangepaste blootstellingswaarde van de post” (E*) berekenen met betrekking tot de blootstellingen die vallen onder een toelaatbare kaderverrekeningsovereenkomst met betrekking tot effectenfinancieringstransacties of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties, berekenen de toe te passen volatiliteitsaanpassingen aan de hand van de in de artikelen 223 tot en met 227 beschreven toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen voor de uitgebreide benadering van financiële zekerheden.

▼B

2.  

Voor de berekening van E* doen de instellingen het volgende:

a) 

zij berekenen de nettopositie in elke groep van effecten of in elk type van grondstoffen door het bedrag onder ii) af te trekken van het bedrag onder i):

i) 

de totale waarde van een groep effecten of van grondstoffen van hetzelfde type die overeenkomstig de kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of geleverd;

ii) 

de totale waarde van een groep effecten of van grondstoffen van hetzelfde type die overeenkomstig de kaderverrekeningsovereenkomst zijn geleend, gekocht of ontvangen;

b) 

zij berekenen de nettopositie in elke andere valuta dan de vereffeningsvaluta van de kaderverrekeningsovereenkomst door het bedrag onder ii) af te trekken van het bedrag onder i):

i) 

de som van de totale waarde van de in die valuta luidende effecten die uit hoofde van de kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of geleverd, en het in die valuta luidende bedrag in contanten dat uit hoofde van die overeenkomst is uitgeleend of overgemaakt;

ii) 

de som van de totale waarde van de in die valuta luidende effecten die uit hoofde van de kaderverrekeningsovereenkomst zijn geleend, gekocht of ontvangen, en het in die valuta luidende bedrag in contanten dat uit hoofde van die overeenkomst is geleend of ontvangen;

▼M17

c) 

zij passen de waarde van de volatiliteitsaanpassing of, in voorkomend geval, de absolute waarde van de volatiliteitsaanpassing die voor een bepaalde groep effecten of voor een bepaald type grondstoffen passend wordt geacht, toe op de absolute waarde van de positieve of de negatieve nettopositie in de effecten binnen die groep effecten, of op de grondstoffen van dat soort grondstoffen;

▼B

d) 

zij passen de volatiliteitsaanpassing in verband met het wisselprijsrisico (fx) toe op de positieve of negatieve nettopositie in iedere andere valuta dan de vereffeningsvaluta van de kaderverrekeningsovereenkomst.

▼M17

3.  

De instellingen berekenen E * volgens de onderstaande formule:

waarbij:

i

= de index die alle onder de overeenkomst vallende afzonderlijke effecten, grondstoffen of kasposities aangeeft, die ofwel zijn uitgeleend, verkocht met een overeenkomst om deze terug te kopen, of die door de instelling bij de tegenpartij worden gedeponeerd;

j

= de index die voor alle onder de overeenkomst vallende afzonderlijke effecten, grondstoffen of kasposities aangeeft, die ofwel zijn ontleend, gekocht met een overeenkomst om deze opnieuw te verkopen, of die door de instelling worden gehouden;

k

= de index die alle afzonderlijke valuta aangeeft waarin onder de overeenkomst vallende effecten, grondstoffen of kasposities luiden;

Ei

= de blootstellingswaarde van effect, grondstof of kaspositie i die ofwel is uitgeleend, verkocht met een overeenkomst om deze terug te kopen, of bij de tegenpartij is gedeponeerd op grond van de overeenkomst die bij gebreke van kredietprotectie van toepassing zou zijn indien instellingen de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3, naargelang het geval;

Cj

= de waarde van effect, grondstof of kaspositie j die ofwel is ontleend, gekocht met een overeenkomst om deze opnieuw te verkopen, of die door de instelling wordt gehouden krachtens de overeenkomst;

= de nettopositie (positief of negatief) in een bepaalde valuta k niet zijnde de vereffeningsvaluta van de overeenkomst, als berekend overeenkomstig lid 2, punt b);

= wisselkoers-volatiliteitsaanpassing voor valuta k;

Enetto

= de nettoblootstelling van de overeenkomst, als volgt berekend:

waarbij:

l

= de index die alle onderscheiden groepen van dezelfde effecten en alle onderscheiden typen van dezelfde grondstoffen aangeeft die onder de overeenkomst vallen;

= de nettopositie (positief of negatief) in een bepaalde onder de overeenkomst vallende groep effecten l of soort grondstoffen l, berekend overeenkomstig lid 2, punt a);

= de volatiliteitsaanpassing die passend is voor een bepaalde groep effecten l of voor een bepaalde soort grondstoffen l, bepaald overeenkomstig lid 2, punt c); het teken van wordt als volgt bepaald:

a) 

het teken is positief indien de groep effecten l wordt uitgeleend, verkocht met een overeenkomst om deze terug te kopen, of de transacties daarin vergelijkbaar zijn met ofwel een verstrekte effectenlening of een retrocessieovereenkomst;

b) 

het teken is negatief indien de groep effecten l wordt ontleend, gekocht met een overeenkomst om deze terug te verkopen, of de transacties daarin vergelijkbaar zijn met ofwel een opgenomen effectenlening of een omgekeerde retrocessieovereenkomst;

N

= het totale aantal onderscheiden groepen van dezelfde effecten en onderscheiden soorten dezelfde grondstoffen die onder de overeenkomst vallen; ten behoeve van deze berekening worden groepen en soorten waarvoor minder dan bedraagt, niet meegerekend;

Ebruto

= de brutoblootstelling van de overeenkomst, als volgt berekend:

.

▼B

4.  
Voor de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor retrocessietransacties of transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties die onder kaderverrekeningsovereenkomsten vallen, gebruiken de instellingen E*, als berekend overeenkomstig lid 3, voor de toepassing van artikel 113 in het kader van de standaardbenadering of van hoofdstuk 3 in het kader van de IRB-benadering als de waarde van de blootstelling met betrekking tot de tegenpartij welke voortvloeit uit de transacties die onder de kaderverrekeningsovereenkomst vallen.
5.  
Voor de toepassing van de leden 2 en 3 wordt onder groep van effecten verstaan, de effecten die door dezelfde entiteit op dezelfde datum zijn uitgegeven, die dezelfde looptijd hebben en waarvoor dezelfde voorwaarden en dezelfde liquidatieperiode gelden als vermeld in de artikelen 224 en 225, naar gelang van het geval.

Artikel 221

Gebruik van de internemodellenbenadering voor kaderverrekeningsovereenkomsten

▼M17

1.  
Voor het berekenen van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor effectenfinancieringstransacties of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties niet zijnde derivatentransacties die vallen onder een toelaatbare kaderverrekeningsovereenkomst die aan de vereisten van hoofdstuk 6, afdeling 7, voldoet, mag een instelling de volledig aangepaste blootstellingswaarde van de post (E*) in het kader van de overeenkomst berekenen aan de hand van de internemodellenbenadering, mits de instelling voldoet aan de in lid 2 bepaalde voorwaarden.
2.  

Een instelling mag de internemodellenbenadering gebruiken indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling gebruikt die benadering alleen voor blootstellingen waarvan de risicogewogen posten worden berekend volgens de IRB-benadering van hoofdstuk 3;

b) 

de instelling heeft van haar bevoegde autoriteit de toestemming gekregen om die benadering te gebruiken.

3.  
Indien een instelling van een internemodellenbenadering gebruikmaakt, gebruikt zij deze benadering voor alle tegenpartijen en effecten, met uitzondering van niet-materiële portefeuilles waarvoor zij de toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen uit artikel 220 mag gebruiken.

▼B

4.  

De bevoegde autoriteiten geven een instelling alleen toestemming om een internemodellenbenadering te gebruiken als zij ervan overtuigd zijn dat het systeem van de instelling voor het beheer van de risico's die voortvloeien uit de transacties welke onder de kaderverrekeningsovereenkomst vallen, qua concept solide is en op integere wijze wordt toegepast en dat aan de volgende kwalitatieve normen wordt voldaan:

a) 

het interne risicometingsmodel dat voor de berekening van de potentiële prijsvolatiliteit van de transacties wordt gebruikt, is in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse risicobeheerproces van de instelling en dient als basis voor de rapportering van de risicoblootstellingen aan de directie van de instelling;

b) 

de instelling heeft een afdeling risicobeheersing die aan alle volgende vereisten voldoet:

i) 

zij is onafhankelijk van de handelsafdelingen en rapporteert rechtstreeks aan de directie;

ii) 

zij is belast zijn met het ontwerpen en implementeren van het risicobeheersysteem van de instelling;

iii) 

zij produceert en analyseert dagelijks rapporten over de output van het risicometingsmodel en over de maatregelen die ter zake van de positielimieten moeten worden genomen;

c) 

de dagelijkse rapporten die de afdeling risicobeheersing opstelt, worden beoordeeld door een managementechelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de ingenomen posities of van de totale risicoblootstelling van de instelling op te leggen;

d) 

de instelling beschikt over voldoende personeel dat onderlegd is in het gebruik van verfijnde modellen in de afdeling risicobeheersing;

e) 

de instelling heeft procedures vastgesteld voor het bewaken en doen naleven van een in documentatie vastgelegde reeks interne beleidslijnen en controlevoorschriften, die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem als geheel;

f) 

de modellen van de instelling zijn in het verleden redelijk accuraat gebleken in het meten van risico's, hetgeen kan worden aangetoond door de output ervan achteraf te testen ("back-testing") aan de hand van gegevens over een periode van ten minste één jaar;

g) 

de instelling voert frequent een stringent programma van stresstests uit; de uitkomsten van deze tests worden beoordeeld door de directie en worden verwerkt in het beleid en in de limieten die door haar bepaald worden;

h) 

als onderdeel van het periodieke internecontroleproces laat de instelling een onafhankelijke evaluatie van haar risicometingssysteem uitvoeren. Deze evaluatie heeft betrekking op de activiteiten van de handelsafdelingen en de onafhankelijke afdeling risicobeheersing;

i) 

ten minste eenmaal per jaar verricht de instelling een evaluatie van het algehele risicobeheersysteem;

j) 

het interne model voldoet aan de vereisten van artikel 292, leden 8 en 9, en van artikel 294.

5.  
Het interne risicometingsmodel van een instelling bestrijkt een voldoende aantal risicofactoren om alle wezenlijke prijsrisico's te ondervangen.

Een instelling kan binnen risicocategorieën en tussen uiteenlopende risicocategorieën empirische correlaties gebruiken indien haar systeem voor het meten van correlaties solide is en integer wordt geïmplementeerd.

6.  

De instellingen die de internemodellenbenadering gebruiken, berekenen E* overeenkomstig de volgende formule:

waarbij:

Ei

=

de waarde van elke afzonderlijke post i ingevolge de overeenkomst die bij afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn, indien instellingen de risicogewogen posten berekenen in het kader van de standaardbenadering of de risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekenen in het kader van de IRB-benadering;

Ci

=

de waarde van de effecten die zijn geleend, gekocht of ontvangen dan wel van de contanten die zijn geleend of ontvangen met betrekking tot elke dergelijke post i.

Bij de berekening van de risicogewogen posten op basis van interne modellen maken de instellingen gebruik van de modeloutput van de voorgaande werkdag.

7.  

Voor de berekening van de in lid 6 bedoelde potentiële waardewijziging gelden alle volgende vereisten:

a) 

zij wordt ten minste eenmaal per dag berekend;

b) 

zij is gebaseerd op een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 %;

c) 

zij is gebaseerd op een liquidatieperiode van ten minste vijf dagen of een equivalent daarvan, behalve in geval van andere transacties dan effectenretrocessietransacties of transacties inzake verstrekte of opgenomen effectenleningen, waarvoor een liquidatieperiode van tien dagen of een equivalent daarvan geldt;

d) 

zij is gebaseerd op een feitelijke historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar, tenzij een kortere waarnemingsperiode op grond van een aanzienlijke toeneming van de koersvolatiliteit gerechtvaardigd is;

e) 

het bij de berekening gebruikte gegevensbestand wordt om de drie maanden geactualiseerd.

Indien een instelling beschikt over een retrocessietransactie, een transactie inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en een margelenings- of soortgelijke transactie of een samenstel van verrekenbare transacties waarvoor de criteria van artikel 285, leden 2, 3 en 4, vervuld zijn, wordt de minimumaanhoudingsperiode in overeenstemming gebracht met de margerisicoperiode die van toepassing zou zijn uit hoofde van die leden, in combinatie met artikel 285, lid 5.

▼M17 —————

▼B

9.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

wat moet worden verstaan onder een onbelangrijke portefeuille voor de toepassing van lid 3;

b) 

de criteria om te bepalen of een intern model degelijk is en integer wordt geïmplementeerd voor de toepassing van de leden 4 en 5 en kaderverrekeningsovereenkomsten.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 222

Eenvoudige benadering van financiële zekerheden

1.  
De instellingen mogen de eenvoudige benadering van financiële zekerheden slechts gebruiken wanneer zij de risicogewogen posten in het kader van de standaardbenadering berekenen. De instellingen mogen niet zowel de eenvoudige benadering van financiële zekerheden als de uitgebreide benadering van financiële zekerheden gebruiken, behalve voor de toepassing van artikel 148, lid 1, en artikel 150, lid 1. Instellingen gebruiken deze uitzondering niet selectief om lagere eigenvermogensvereisten te bewerkstelligen of voor regelgevingsarbitrage.
2.  
In het kader van de eenvoudige benadering van financiële zekerheden kennen de instellingen aan toelaatbare financiële zekerheden een waarde toe die gelijk is aan de marktwaarde van die zekerheden als vastgesteld overeenkomstig artikel 207, lid 4, punt d).

▼M17

3.  
De instellingen kennen aan de gedeelten van de blootstellingswaarden die door de marktwaarde van toelaatbare zekerheden zijn gedekt, het risicogewicht toe dat zij overeenkomstig hoofdstuk 2 zouden toekennen als de leningverstrekkende instelling rechtstreeks ten aanzien van het zekerheidsinstrument zou zijn blootgesteld. Voor de toepassing van die bepaling wordt de waarde van een in bijlage I vermelde post buiten de balanstelling 100 % van zijn waarde in plaats van de in artikel 111, lid 2, vermelde waarde.

▼B

4.  
De instellingen kennen aan het door zekerheden gedekte gedeelte van de blootstelling welke voortvloeit uit retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effectenleningen die aan de criteria van artikel 227 voldoen, een risicogewicht van 0 % toe. Indien de tegenpartij bij de transactie geen kerndeelnemer aan de markt is, kennen de instellingen een risicogewicht van 10 % toe.
5.  
De instellingen kennen aan de overeenkomstig hoofdstuk 6 vastgestelde blootstellingswaarden van de in bijlage II opgesomde derivaten die dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd en die gedekt worden door zekerheden in de vorm van contanten of met contanten gelijk te stellen instrumenten waarbij geen sprake is van een valutamismatch, naargelang van de reikwijdte van de zekerheidsstelling, een risicogewicht van 0 % toe.

De instellingen kennen aan de waarden van transacties die gedekt worden door zekerheden in de vorm van door centrale overheden of centrale banken uitgegeven schuldtitels waaraan overeenkomstig hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend, naargelang van de reikwijdte van de zekerheidsstelling, een risicogewicht van 10 % toe.

6.  

Voor andere transacties dan de in de leden 4 en 5 bedoelde kunnen de instellingen een risicogewicht van 0 % toekennen als de blootstelling en de zekerheid in dezelfde valuta luiden en een van beide volgende voorwaarden vervuld is:

a) 

de zekerheid is een termijndeposito of een met contanten gelijk te stellen instrument;

b) 

de zekerheid heeft de vorm van door centrale overheden of centrale banken uitgegeven schuldtitels die overeenkomstig artikel 114 in aanmerking komen voor een risicogewicht van 0 %, en de marktwaarde van die zekerheid is met 20 % verlaagd.

7.  

Voor de toepassing van de leden 5 en 6 worden tot de schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken gerekend:

a) 

schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden indien de blootstellingen met betrekking tot deze overheden overeenkomstig artikel 115 worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid in wier rechtsgebied zij gevestigd zijn;

b) 

schuldtitels uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waaraan overeenkomstig of krachtens artikel 117, lid 2, een risicogewicht van 0 % wordt toegekend;

c) 

schuldtitels uitgegeven door internationale organisaties waaraan overeenkomstig artikel 118 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend;

d) 

schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen, die overeenkomstig artikel 116, lid 4, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot centrale overheden.

Artikel 223

Uitgebreide benadering van financiële zekerheden

1.  
Om rekening te houden met prijsvolatiliteit passen de instellingen bij de waardering van financiële zekerheden in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden volatiliteitsaanpassingen op de marktwaarde van zekerheden toe zoals beschreven in de artikelen 224 tot en met 227.

Indien een zekerheid in een andere valuta luidt dan die van de onderliggende blootstelling, verrichten de instellingen naast de volatiliteitsaanpassing die passend wordt geacht voor de betrokken zekerheid een aanpassing voor valutavolatiliteit zoals beschreven in de artikelen 224 tot en met 227.

In het geval van transacties in otc-derivaten in het kader van door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig hoofdstuk 6 erkende verrekeningsovereenkomsten wordt een aanpassing voor valutavolatiliteit verricht indien er sprake is van een mismatch tussen de valuta van de zekerheid en de vereffeningsvaluta. Ook wanneer de transacties ingevolge de verrekeningsovereenkomst in meerdere valuta's worden uitgevoerd, passen de instellingen slechts één volatiliteitsaanpassing toe.

2.  

De instellingen berekenen de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid (volatility-adjusted value of the collateral - CVA) die zij in aanmerking moeten nemen als volgt:

waarbij:

C

=

de waarde van de zekerheid;

HC

=

de volatiliteitsaanpassing die voor de zekerheid passend wordt geacht, berekend overeenkomstig de artikelen 224 en 227;

Hfx

=

de volatiliteitsaanpassing die voor de valutamismatch passend wordt geacht, berekend overeenkomstig de artikelen 224 en 227.

De instellingen gebruiken de formule in dit lid bij de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid voor alle transacties, met uitzondering van die welke worden verricht uit hoofde van erkende kaderverrekeningsovereenkomsten, waarop het bepaalde in de artikelen 220 en 221 van toepassing is.

3.  

De instellingen berekenen de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de post (volatility-adjusted value of the exposure - EVA) die zij in aanmerking moeten nemen als volgt:

waarbij:

E

=

de waarde van de post zoals deze overeenkomstig hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3, naar gelang van het geval, zou worden vastgesteld als de positie niet door zekerheden zou zijn gedekt;

HE

=

de volatiliteitsaanpassing die voor de blootstelling passend wordt geacht, berekend overeenkomstig de artikelen 224 en 227.

▼M8

In het geval van otc-derivatentransacties berekenen instellingen aan de hand van de in afdeling 6 van hoofdstuk zes uiteengezette methode EVA als volgt:

EVA = E.

▼M17

4.  

Voor de berekening van E in lid 3 geldt het volgende:

a) 

voor instellingen die risicogewogen posten berekenen in het kader van de standaardbenadering bedraagt de waarde van een in bijlage I vermelde post buiten de balanstelling 100 % van zijn waarde in plaats van de in artikel 111, lid 2, vermelde waarde;

b) 

voor posten buiten de balanstelling niet zijnde derivaten die volgens de IRB-benadering worden behandeld, berekenen instellingen hun blootstellingswaarden aan de hand van een CCF van 100 % in plaats van de in artikel 166, leden 8, 8 bis en 8 ter, vastgelegde SA-CCF of IRB-CCF.

▼B

5.  

De instellingen berekenen de volledig aangepaste waarde van de post (E*), waarin zowel de volatiliteit als het risicoverminderende effect van de zekerheid in aanmerking worden genomen, als volgt:

waarbij:

EVA

=

de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de blootstelling als berekend in lid 3;

CVAM

=

CVA, nader gecorrigeerd voor enige looptijdmismatch overeenkomstig de bepalingen van afdeling 5.

▼M8

In het geval van otc-derivatentransacties houden instellingen die van de in afdelingen 3, 4 en 5 van hoofdstuk 6 vastgestelde methoden gebruikmaken, rekening met de risicolimiterende effecten van zekerheden, overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 3, 4, 5 van hoofdstuk 6, naargelang het geval.

▼M17

6.  
De instellingen berekenen de volatiliteitsaanpassingen aan de hand van de in de artikelen 224 tot en met 227 bedoelde toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen.

▼B

7.  

Indien de zekerheid uit een aantal toelaatbare posten bestaat, berekenen de instellingen de volatiliteitsaanpassing (H) als volgt:

waarbij:

ai

=

de waarde van een toelaatbare post i in verhouding tot de totale waarde van de zekerheid;

Hi

=

de volatiliteitsaanpassing die op de toelaatbare post i van toepassing is.

Artikel 224

De toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden

1.  

De volatiliteitsaanpassingen die in het kader van de toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen door instellingen moeten worden verricht, waarbij van een dagelijkse herwaardering wordt uitgegaan, zijn weergegeven in de tabellen 1 tot en met 4 van dit lid.

VOLATILITEITSAANPASSINGEN

▼M17



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie waarin de kredietbeoordeling van de schuldtitel is ondergebracht

Resterende looptijd (m) (in jaren)

Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door in artikel 197, lid 1, punt b), bedoelde entiteiten

Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door in artikel 197, lid 1, punten c) en d), bedoelde entiteiten

Volatiliteitsaanpassingen voor securitisatieposities die voldoen aan de criteria van artikel 197, lid 1, punt h)

 

 

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

1

m ≤ 1

0,707

0,5

0,354

1,414

1

0,707

2,828

2

1,414

 

1 < m ≤ 3

2,828

2

1,414

4,243

3

2,121

11,314

8

5,657

 

3 < m ≤ 5

2,828

2

1,414

5,657

4

2,828

11,314

8

5,657

 

5 < m ≤ 10

5,657

4

2,828

8,485

6

4,243

22,627

16

11,314

 

m > 10

5,657

4

2,828

16,971

12

8,485

22,627

16

11,314

2 tot en met 3

m ≤ 1

1,414

1

0,707

2,828

2

1,414

5,657

4

2,828

 

1 < m ≤ 3

4,243

3

2,121

5,657

4

2,828

16,971

12

8,485

 

3 < m ≤ 5

4,243

3

2,121

8,485

6

4,243

16,971

12

8,485

 

5 < m ≤ 10

8,485

6

4,243

16,971

12

8,485

33,941

24

16,971

 

m > 10

8,485

6

4,243

28,284

20

14,142

33,941

24

16,971

4

alle

21,213

15

10,607

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.



Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie waarin de kredietbeoordeling van een kortlopende schuldtitel is ondergebracht

Resterende looptijd (m) (in jaren)

Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door in artikel 197, lid 1, punt b), bedoelde entiteiten met kredietbeoordelingen voor de korte termijn

Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door in artikel 197, lid 1, punten c) en d), bedoelde entiteiten met kredietbeoordelingen voor de korte termijn

Volatiliteitsaanpassingen voor securitisatieposities die voldoen aan de criteria van artikel 197, lid 1, punt h), met kredietbeoordelingen voor de korte termijn

 

 

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

1

 

0,707

0,5

0,354

1,414

1

0,707

2,828

2

1,414

2 tot en met 3

 

1,414

1

0,707

2,828

2

1,414

5,657

4

2,828



Tabel 3

Andere soorten zekerheden of blootstellingen

 

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

In een hoofdindex opgenomen aandelen en converteerbare obligaties

28,284

20

14,142

Andere aan een erkende beurs genoteerde aandelen of converteerbare obligaties

42,426

30

21,213

Contanten

0

0

0

Ongemunt goud

28,284

20

14,142



Tabel 4

Volatiliteitsaanpassing voor valutamismatch (Hfx)

Liquidatieperiode van 20 dagen (%)

Liquidatieperiode van 10 dagen (%)

Liquidatieperiode van 5 dagen (%)

11,314

8

5,657

▼B

2.  

De berekening van de volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig lid 1 is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a) 

voor gedekte leningstransacties geldt een liquidatieperiode van 20 werkdagen;

b) 

voor retrocessietransacties, behalve voor zover zij betrekking hebben op de overdracht van grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van grondstoffen, en voor transacties inzake verstrekte of opgenomen effectenleningen geldt een liquidatieperiode van vijf werkdagen;

c) 

voor andere kapitaalmarktgerelateerde transacties geldt een liquidatieperiode van tien werkdagen.

Indien een instelling beschikt over een transactie of een samenstel van verrekenbare transacties waarvoor voldaan wordt aan de criteria van artikel 285, leden 2, 3 en 4, wordt de minimumaanhoudingsperiode in overeenstemming gebracht met de margerisicoperiode die uit hoofde van die leden van toepassing zou zijn.

3.  
In de tabellen 1 tot en met 4 van lid 1 en in de leden 4 tot en met 6 wordt onder de kredietkwaliteitscategorie waarin een kredietbeoordeling van een schuldtitel wordt ondergebracht, de kredietkwaliteitscategorie verstaan waarin de kredietbeoordeling door de EBA conform hoofdstuk 2 wordt ondergebracht.

Voor het bepalen van de kredietkwaliteitscategorie waarin een kredietbeoordeling van een schuldtitel wordt ondergebracht, als bedoeld in de eerste alinea, is tevens artikel 197, lid 7, van toepassing.

4.  
Op niet-toelaatbare effecten of grondstoffen die in het kader van retrocessietransacties zijn uitgeleend of verkocht en op transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen wordt dezelfde volatiliteitsaanpassing toegepast als op aandelen die aan een erkende beurs zijn genoteerd maar die niet in de hoofdindex zijn opgenomen.
5.  
Op toelaatbare rechten van deelneming in icb's is de volatiliteitsaanpassing het gewogen gemiddelde van de volatiliteitsaanpassingen die, gelet op de in lid 2 genoemde liquidatieperiode van de transactie, van toepassing zouden zijn op de activa waarin het fonds heeft belegd.

Indien de activa waarin het fonds heeft belegd, niet bekend zijn bij de instelling, is de volatiliteitsaanpassing die van toepassing is, de hoogste volatiliteitsaanpassing die van toepassing zou zijn op de activa waarin het fonds mag beleggen.

▼M9

6.  
Op door instellingen of beleggingsondernemingen uitgegeven schuldtitels zonder externe rating die voldoen aan de toelaatbaarheidscriteria van artikel 197, lid 4, zijn dezelfde volatiliteitsaanpassingen van toepassing als die welke van toepassing zijn op door instellingen of ondernemingen uitgegeven effecten waarvan de externe kredietbeoordeling in kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is ondergebracht.

▼M17 —————

▼M17

Artikel 226

Verhoging van volatiliteitsaanpassingen in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden

De volatiliteitsaanpassingen als bedoeld in artikel 224 worden door een instelling toegepast in geval van dagelijkse herwaardering. Indien de herwaardering minder frequent dan eenmaal per dag geschiedt, passen de instellingen grotere volatiliteitsaanpassingen toe. Instellingen berekenen deze volatiliteitsaanpassingen door deze bij dagelijkse herwaardering te verhogen op basis van de volgende formule voor de vierkantswortel uit de tijd:

waarbij:

H

= de toe te passen volatiliteitsaanpassing;

HM

= de volatiliteitsaanpassing bij dagelijkse herwaardering;

NR

= het feitelijke aantal werkdagen tussen twee herwaarderingen;

TM

= de liquidatieperiode voor het betrokken soort transactie.

▼B

Artikel 227

Voorwaarden voor de toepassing van een volatiliteitsaanpassing van 0 % in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden

▼M17

1.  
Instellingen die de in artikel 224 bedoelde toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen gebruiken, mogen bij retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effectenleningen, een volatiliteitsaanpassing van 0 % toepassen in plaats van de overeenkomstig de artikelen 224 en 226 berekende volatiliteitsaanpassingen, mits aan de in lid 2, punten a) tot en met h), van dit artikel bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Instellingen die de internemodellenbenadering van artikel 221 hanteren, mogen geen gebruik maken van de in dit artikel vervatte behandeling.

▼B

2.  

De instellingen kunnen een volatiliteitsaanpassing van 0 % toepassen als alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

zowel de blootstelling als de zekerheid neemt de vorm aan van contanten of schuldtitels, uitgegeven door centrale overheden of centrale banken in de zin van artikel 197, lid 1, punt b), en komt in aanmerking voor een risicogewicht van 0 % overeenkomstig hoofdstuk 2;

b) 

de blootstelling en de zekerheid luiden in dezelfde valuta;

c) 

óf de looptijd van de transactie bedraagt niet meer dan één dag, óf zowel de blootstelling als de zekerheid wordt dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd of is het voorwerp van dagelijkse margebijstortingen;

d) 

de tijd die verstrijkt tussen de laatste waardering tegen marktwaarde vóór het uitblijven van deponering van extra marge door de tegenpartij en de liquidatie van de zekerheid beloopt ten hoogste vier werkdagen;

e) 

de transactie wordt afgewikkeld in een afwikkelingssysteem dat voor die soort transacties betrouwbaar is gebleken;

f) 

de documentatie met betrekking tot de overeenkomst of de transactie is de standaardmarktdocumentatie voor retrocessietransacties of voor transacties inzake het verstrekken of opnemen van leningen in de betrokken effecten;

g) 

op de transactie is documentatie van toepassing waarin wordt bepaald dat wanneer de tegenpartij verzuimt te voldoen aan de verplichting om contanten of effecten over te dragen of om marge te deponeren of anderszins in gebreke blijft, de transactie onmiddellijk opzegbaar is;

h) 

de tegenpartij wordt door de bevoegde autoriteiten als kerndeelnemer aan de markt beschouwd.

3.  

Kernmarktdeelnemers als bedoeld in lid 2, punt h), omvatten de volgende entiteiten:

a) 

de in artikel 197, lid 1, punt b), genoemde entiteiten, aan de blootstellingen ten aanzien waarvan een risicogewicht van 0 % wordt toegekend overeenkomstig hoofdstuk 2;

b) 

instellingen;

▼M9

b bis) 

beleggingsondernemingen;

▼B

c) 

andere financiële ondernemingen in de zin van artikel 13, punt 25, onder b) en d), van Richtlijn 2009/138/EG aan de blootstellingen ten aanzien waarvan in het kader van de standaardbenadering een risicogewicht van 20 % wordt toegekend of die, indien zij instellingen zijn die risicogewogen posten en verwachte verliesposten in het kader van de IRB-benadering berekenen, geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI hebben en een interne rating van de instelling hebben gekregen;

d) 

gereguleerde icb's die aan kapitaal- of hefboomfinancieringsvereisten zijn onderworpen;

e) 

gereguleerde pensioenfondsen;

f) 

erkende clearinginstellingen.

▼M17

Artikel 228

Berekening van risicogewogen posten volgens de uitgebreide benadering van financiële zekerheden voor blootstellingen die in het kader van de standaardbenadering worden behandeld

In het kader van de standaardbenadering gebruiken de instellingen E * , zoals berekend krachtens artikel 223, lid 5, als de blootstellingswaarde voor de toepassing van artikel 113. In het geval van in bijlage I vermelde posten buiten de balanstelling, gebruiken de instellingen E * als de waarde waarop de in artikel 111, lid 2, vermelde percentages worden toegepast om tot de blootstellingswaarde te komen.

▼B

Artikel 229

▼M17

Waarderingsbeginselen voor toelaatbare zekerheden niet zijnde financiële zekerheden

1.  

De waardering van onroerend goed voldoet aan alle volgende vereisten:

a) 

de waarde wordt, onafhankelijk van de procedures van de instelling voor hypotheekacceptatie, behandeling van de aanvraag voor en de acceptatie van een lening, gewaardeerd door een onafhankelijke schatter die over de nodige kwalificaties, bekwaamheid en ervaring beschikt om een waardering uit te voeren;

b) 

de waarde wordt getaxeerd aan de hand van voorzichtige conservatieve waarderingscriteria die aan alle volgende vereisten voldoen:

i) 

de waarde laat verwachtingen over prijsstijgingen buiten beschouwing;

ii) 

de waarde wordt aangepast om rekening te houden met de mogelijkheid dat de huidige marktwaarde aanzienlijk hoger ligt dan de waarde die over de looptijd van de lening houdbaar zou zijn;

c) 

de waarde wordt op transparante en duidelijke wijze gedocumenteerd;

d) 

de waarde is niet hoger dan een marktwaarde voor het onroerend goed indien die marktwaarde kan worden bepaald;

e) 

indien het onroerend goed wordt geherwaardeerd, bedraagt de onroerendgoedwaarde niet meer dan de gemiddelde waarde die voor dat onroerend goed of voor een vergelijkbaar onroerend goed over de laatste zes jaar voor niet-zakelijk onroerend goed of acht jaar voor zakelijk onroerend goed is gemeten, dan wel de waarde bij initiëring, indien deze hoger is.

Voor de berekening van de gemiddelde waarde nemen de instellingen het gemiddelde van de met gelijke intervallen waargenomen waarden van het onroerende goed, waarbij de referentieperiode ten minste drie waarnemingsmomenten omvat.

Voor de berekening van de gemiddelde waarde kunnen instellingen gebruikmaken van de resultaten van controle van de waarde van onroerend goed overeenkomstig artikel 208, lid 3. De onroerendgoedwaarde kan hoger zijn dan die gemiddelde waarde of de waarde bij initiëring, naargelang het geval, in het geval van wijzigingen aan het onroerend goed die de waarde ervan ondubbelzinnig verhogen, zoals verbeteringen van de energieprestatie of verbeteringen van de bestendigheid, bescherming tegen en aanpassing aan fysieke risico’s van het pand of de wooneenheid. De onroerendgoedwaarde mag niet naar boven worden geherwaardeerd indien instellingen niet over voldoende informatie beschikken om de gemiddelde waarde te berekenen, tenzij de waardestijging gebaseerd is op aanpassingen aan het onroerend goed die de waarde ervan onmiskenbaar verhogen.

Bij de waardering van onroerend goed wordt rekening gehouden met eventuele eerdere vorderingen op het goed, tenzij een eerdere vordering in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het brutoblootstellingsbedrag op grond van artikel 124, lid 6, punt c), of als vermindering van het bedrag van 55 % van de onroerendgoedwaarde op grond van artikel 125, lid 1, of artikel 126, lid 1, en weerspiegelt zij, in voorkomend geval, de resultaten van de krachtens artikel 208, lid 3, vereiste controle.

▼B

2.  
De waarde van kortlopende vorderingen is het te ontvangen bedrag.
3.  
De instellingen waarderen andere fysieke zekerheden dan zekerheden in de vorm van onroerend goed op marktwaarde. Voor de toepassing van dit artikel is de marktwaarde het geraamde bedrag waartegen het goed op de dag van de waardering door een willige verkoper op marktconforme wijze zou kunnen worden verkocht aan een willige en onafhankelijke koper.

▼M17

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de criteria en factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de term „vergelijkbaar onroerend goed”, overeenkomstig lid 1, punt e).

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Artikel 230

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor een blootstelling met een toelaatbare volgestorte kredietprotectie in het kader van de IRB-benadering

1.  

In het kader van de IRB-benadering gebruiken instellingen, behalve voor blootstellingen die onder artikel 220 vallen, de effectieve LGD (LGD*) als de LGD voor de toepassing van hoofdstuk 3 om overeenkomstig dit hoofdstuk toelaatbare volgestorte kredietprotectie (FCP) in aanmerking te nemen. Instellingen berekenen LGD * als volgt:

waarbij:

E

= de blootstellingswaarde vóór inaanmerkingneming van het effect van de volgestorte kredietprotectie; voor een door overeenkomstig dit hoofdstuk toelaatbare financiële zekerheid gedekte blootstelling wordt dat bedrag berekend overeenkomstig artikel 223, lid 3; in het geval van uitgeleende of als zekerheid gedeponeerde effecten, is dat bedrag gelijk aan de uitgeleende contanten of de uitgeleende of gedeponeerde effecten; voor effecten die worden uitgeleend of gedeponeerd, wordt de blootstellingswaarde verhoogd door de volatiliteitsaanpassing (HE) toe te passen overeenkomstig de artikelen 223 tot en met 227;

ES

= de actuele waarde van de volgestorte kredietprotectie die is ontvangen na de toepassing van de voor dat type volgestorte kredietprotectie (HC) toepasselijke volatiliteitsaanpassing en de toepassing van de volatiliteitsaanpassing voor valutamismatches (Hfx) tussen de blootstelling en de volgestorte kredietprotectie, overeenkomstig de leden 2 en 3; ES wordt gemaximeerd op de volgende waarde: E·(1+HE);

EU

= E·(1+HE) — ES;

LGDU

= de toepasselijke LGD voor een niet-gedekte blootstelling als bedoeld in artikel 161, lid 1;

LGDS

= de toepasselijke LGD voor blootstellingen die worden gedekt door het bij de transactie gebruikte type toelaatbare volgestorte kredietprotectie, zoals vermeld in lid 2, tabel 1.

2.  

Tabel 1 geeft de in de formule in lid 1 te gebruiken LGDS- en Hc-waarden.



Tabel 1

Type FCP

LGDS

Volatiliteitsaanpassing (Hc)

Financiële zekerheden

0 %

Volatiliteitsaanpassing Hc zoals beschreven in de artikelen 224 t/m 227

Kortlopende vorderingen

20 %

40 %

Niet-zakelijk onroerend goed en zakelijk onroerend goed

20 %

40 %

Andere fysieke zekerheden

25 %

40 %

Niet-toelaatbare FCP

n.v.t.

100 %

3.  
Indien een toelaatbare volgestorte kredietprotectie in een andere valuta dan die van de blootstelling luidt, is de volatiliteitsaanpassing voor valutamismatch (Hfx) dezelfde als die welke op grond van de artikelen 224 tot en met 227 van toepassing is.
4.  
Als alternatief voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel uiteengezette behandeling, en met inachtneming van artikel 124, lid 9, kunnen de instellingen, indien alle voorwaarden van artikel 199, lid 3 of lid 4, zijn vervuld, een risicogewicht van 50 % toekennen aan het deel van de blootstelling dat, binnen de in artikel 125, lid 1, eerste alinea, respectievelijk in artikel 126, lid 1, eerste alinea, bepaalde maxima, volledig gedekt is door op het grondgebied van een lidstaat gelegen niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed.
5.  
Om de risicogewogen posten en verwachte verliesposten te berekenen voor IRB-blootstellingen die onder artikel 220 vallen, gebruiken instellingen E * overeenkomstig artikel 220, lid 4, en gebruiken zij LGD voor ongedekte blootstellingen, zoals bepaald in artikel 161, lid 1, punten a), a bis), en b).

Artikel 231

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten bij pools van toelaatbare volgestorte kredietprotectie voor een blootstelling die volgens de IRB-benadering worden behandeld

Instellingen die meerdere types volgestorte kredietprotectie hebben ontvangen, kunnen, voor blootstellingen die volgens de IRB-benadering worden behandeld, de formule uit artikel 230 toepassen, stapsgewijs voor elke individuele soort zekerheid. Daartoe verminderen die instellingen, na iedere stap van inaanmerkingneming van één individuele soort volgestorte kredietprotectie, de resterende waarde van de ongedekte blootstelling (EU) met de gecorrigeerde waarde van de in die stap in aanmerking genomen zekerheid (ES). Overeenkomstig artikel 230, lid 1, wordt het totaal van ES voor alle soorten volgestorte kredietprotectie gemaximeerd op de waarde van E·(1+HE), hetgeen de volgende formule oplevert:

waarbij:

LGDS,i

= de LGD van toepassing op FCP i, zoals gespecificeerd in artikel 230, lid 2;

ES,i

= de actuele waarde van FCP i ontvangen na de toepassing van de volatiliteitsaanpassing die van toepassing is op het type FCP (Hc) op grond van artikel 230, lid 2.

▼B

Artikel 232

Overige volgestorte kredietprotectie

▼M17

1.  
Indien de voorwaarden van artikel 212, lid 1, vervuld zijn, kunnen in het kader van een bewaringsovereenkomst en aan de leningverstrekkende instelling in pand gegeven deposito’s bij, of met contanten gelijk te stellen instrumenten gehouden door, een derde instelling, als een door de derde instelling afgegeven garantie worden behandeld.

▼B

2.  

Indien de voorwaarden van artikel 212, lid 2, vervuld zijn, onderwerpen de instellingen het deel van de blootstelling dat door zekerheid in de vorm van de actuele afkoopwaarde van aan de leningverstrekkende instelling in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten wordt gedekt, aan de volgende behandeling:

a) 

indien de blootstelling aan de standaardmethode wordt onderworpen, worden daaraan risicogewichten toegekend door gebruik te maken van de in lid 3 bepaalde risicogewichten;

b) 

indien de blootstelling aan de IRB-benadering, maar niet aan de eigen LGD-ramingen van de instelling wordt onderworpen, wordt daaraan een LGD van 40 % toegekend.

In geval van een valutamismatch verminderen de instellingen de actuele afkoopwaarde overeenkomstig artikel 233, lid 3, waarbij de waarde van de kredietprotectie de actuele afkoopwaarde van de levensverzekeringsovereenkomst is.

3.  

Voor de toepassing van lid 2, punt a), kennen de instellingen de volgende risicogewichten toe, waarbij wordt uitgegaan van het risicogewicht dat wordt toegekend aan een preferente niet-gedekte blootstelling met betrekking tot de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten:

a) 

een risicogewicht van 20 % als aan een preferente niet-gedekte blootstelling met betrekking tot de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten een risicogewicht van 20 % wordt toegekend;

b) 

een risicogewicht van 35 % als aan een preferente niet-gedekte blootstelling met betrekking tot de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten een risicogewicht van 50 % wordt toegekend;

▼M17

b bis) 

een risicogewicht van 52,5  % als aan een preferente niet-gedekte blootstelling met betrekking tot de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten een risicogewicht van 75 % wordt toegekend;

▼B

c) 

een risicogewicht van 70 % als aan een preferente niet-gedekte blootstelling met betrekking tot de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten een risicogewicht van 100 % wordt toegekend;

d) 

een risicogewicht van 150 % als aan een preferente niet-gedekte blootstelling met betrekking tot de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten een risicogewicht van 150 % wordt toegekend.

4.  

De instellingen kunnen op verzoek teruggekochte instrumenten die toelaatbaar zijn overeenkomstig artikel 200, punt c), als een garantie van de uitgevende instelling behandelen. De waarde van de toelaatbare kredietprotectie is als volgt:

a) 

indien het instrument wordt teruggekocht tegen de nominale waarde, is de waarde van de protectie gelijk aan dat bedrag;

b) 

indien het instrument wordt teruggekocht tegen de marktprijs, is de waarde van de protectie gelijk aan de waarde van het instrument; deze waarde wordt op dezelfde wijze vastgesteld als die van de schuldtitels die voldoen aan de voorwaarden in artikel 197, lid 4.

Onderafdeling 2

Niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel 233

Waardering

1.  
Voor de berekening van het effect van niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig deze onderafdeling is de waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie (G) het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen betalen in geval van wanbetaling of niet-betaling door de kredietnemer, of bij andere specifieke kredietgebeurtenissen.
2.  

Indien de in het kader van een kredietderivaat gespecificeerde kredietgebeurtenissen geen herstructurering van de onderliggende verplichting omvatten die een kwijtschelding of uitstel van betaling op de hoofdsom, de rente of provisies behelst welke resulteert in een kredietverlies is het volgende van toepassing:

a) 

indien het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen betalen niet hoger is dan de blootstellingswaarde, verminderen de instellingen de waarde van de uit hoofde van lid 1 berekende kredietprotectie met 40 %;

b) 

indien het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen betalen hoger is dan de blootstellingswaarde, is de waarde van de kredietprotectie niet hoger dan 60 % van de blootstellingswaarde.

3.  

Indien de niet-volgestorte kredietprotectie in een andere valuta luidt dan die van de blootstelling, verminderen de instellingen de waarde van de kredietprotectie door de toepassing van een volatiliteitsaanpassing als volgt:

waarbij:

G*

=

het bedrag van de kredietprotectie, gecorrigeerd voor een eventueel valutarisico,

G

=

het nominale bedrag van de kredietprotectie;

Hfx

=

de volatiliteitsaanpassing voor elke valutamismatch tussen de kredietprotectie en de onderliggende verplichting, bepaald overeenkomstig lid 4.

Indien er geen valutamismatch is, is Hfx gelijk aan nul.

▼M17

4.  
Instellingen baseren de volatiliteitsaanpassingen voor valutamismatches op een liquidatieperiode van tien werkdagen, waarbij wordt uitgegaan van een dagelijkse herwaardering, en berekenen die aanpassingen op basis van de toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen zoals beschreven in artikel 224. Instellingen verhogen de volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig artikel 226.

▼B

Artikel 234

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten bij gedeeltelijke protectie en onderverdeling in tranches

Indien een instelling een deel van het risico van een lening in een of meer tranches onderverdeelt, zijn de in hoofdstuk 5 vastgestelde bepalingen van toepassing. Materialiteitsdrempels inzake betalingen, bij onderschrijding waarvan in geval van verlies geen betaling wordt verricht, kunnen door instellingen als gelijkwaardig met aangehouden eersteverliesposities worden beschouwd en kunnen worden geacht aanleiding te geven tot een risico-overdracht in tranches.

Artikel 235

▼M17

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de substitutiebenadering indien de gegarandeerde blootstelling wordt behandeld in het kader van de standaardbenadering

1.  

Voor de toepassing van artikel 113, lid 3, berekenen instellingen de risicogewogen posten voor blootstellingen met niet-volgestorte kredietprotectie waarop die instellingen de standaardbenadering toepassen, ongeacht de behandeling van vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, overeenkomstig de volgende formule:

max{0, E — GA} · r + GA · g

waarbij:

E

= de blootstellingswaarde, berekend overeenkomstig artikel 111; voor de toepassing van deze bepaling bedraagt de blootstellingswaarde van een in bijlage I vermelde post buiten de balanstelling 100 % van zijn waarde in plaats van de in artikel 111, lid 2, aangegeven blootstellingswaarde;

GA

= het bedrag aan kredietprotectie gecorrigeerd voor wisselkoersrisico (G*) als berekend krachtens artikel 233, lid 3, en nader gecorrigeerd voor enige looptijdmismatch als beschreven in afdeling 5 van dit hoofdstuk;

r

= het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot de debiteur als gespecificeerd in hoofdstuk 2;

g

= het risicogewicht dat toepasselijk is op een directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever als gespecificeerd in hoofdstuk 2.

▼B

2.  
Indien het bedrag van de protectie (GA) lager is dan de waarde van de blootstelling (E), mogen instellingen de in lid 1 gespecificeerde formule slechts toepassen als de gedekte en ongedekte delen van de blootstelling dezelfde rangorde hebben.

▼M17

3.  
De instellingen kunnen de in artikel 114, leden 4 en 7, beschreven voorkeursbehandeling uitbreiden tot blootstellingen of delen van blootstellingen die door de centrale overheid of de centrale bank worden gegarandeerd, als ging het bij die blootstellingen om directe blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid of de centrale bank, mits bij die directe blootstellingen aan de voorwaarden van artikel 114, lid 4 of 7, naargelang het geval, wordt voldaan.

▼M17

Artikel 235 bis

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten in het kader van de substitutiebenadering indien het een volgens de IRB-benadering behandelde gegarandeerde blootstelling betreft en een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever in het kader van de standaardbenadering wordt behandeld

1.  

Voor blootstellingen met niet-volgestorte kredietprotectie waarop een instelling de IRB-benadering uit hoofdstuk 3 toepast en indien vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever in het kader van de standaardbenadering worden behandeld, berekenen instellingen de risicogewogen posten volgens de onderstaande formule:

max{0, E — GA} · r + GA · g

waarbij:

E

= de blootstellingswaarde, berekend overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 5; voor de toepassing van deze bepaling berekenen instellingen de blootstellingswaarde voor posten buiten de balanstelling niet zijnde volgens de IRB-benadering behandelde derivaten met gebruikmaking van een CCF van 100 % — in plaats van de in artikel 166, leden 8, 8 bis en 8 ter, vastgelegde SA-CCF’s of IRB-CCF;

GA

= het bedrag aan kredietprotectie gecorrigeerd voor wisselkoersrisico (G*) als berekend overeenkomstig artikel 233, lid 3, en nader gecorrigeerd voor enige looptijdmismatch als beschreven in afdeling 5 van dit hoofdstuk;

r

= het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot de debiteur als gespecificeerd in hoofdstuk 3;

g

= het risicogewicht dat toepasselijk is op een directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever als gespecificeerd in hoofdstuk 2.

2.  
Indien het bedrag aan kredietprotectie (GA) lager is dan de blootstellingswaarde (E), mogen instellingen de formule uit lid 1 slechts toepassen indien de gedekte en de ongedekte delen van de blootstelling dezelfde rangorde hebben.
3.  
De instellingen kunnen de in artikel 114, leden 4 en 7, beschreven voorkeursbehandeling uitbreiden tot blootstellingen of delen van blootstellingen die door de centrale overheid of de centrale bank worden gegarandeerd, als ging het bij die blootstellingen om directe blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid of de centrale bank, mits bij die directe blootstellingen aan de voorwaarden vervat in artikel 114, lid 4 of 7, naargelang het geval, wordt voldaan.
4.  
De verwachte verliesposten voor het gedekte deel van de blootstellingswaarde bedragen nul.
5.  
Voor ongedekte delen van de blootstellingswaarde (E) gebruiken instellingen het risicogewicht en het verwachte verlies dat met de onderliggende blootstelling overeenstemt. Voor de in artikel 159 vervatte berekening wijzen instellingen algemene of specifieke kredietrisicoaanpassingen of de in artikel 34 bedoelde aanvullende waardeaanpassingen met betrekking tot de activiteiten in de niet-handelsportefeuille van de instelling of andere aftrekkingen van eigen vermogen met betrekking tot de blootstelling dan de aftrekkingen krachtens artikel 36, lid 1, punt m), toe aan het niet-gedekte deel van de blootstellingswaarde.

▼M17

Artikel 236

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten in het kader van de substitutiebenadering indien het een volgens de IRB-benadering zonder gebruikmaking van eigen ramingen van LGD behandelde gegarandeerde blootstelling betreft en een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever volgens de IRB-benadering wordt behandeld

1.  
Voor een blootstelling met niet-volgestorte kredietprotectie waarop een instelling de IRB-benadering uit hoofdstuk 3 toepast, doch zonder gebruik te maken van haar eigen ramingen van LGD, en indien vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever volgens de IRB-benadering uit hoofdstuk 3 worden behandeld, bepaalt de instelling het gedekte deel van de blootstelling als de laagste van deze beide waarden: de blootstellingswaarde E of de gecorrigeerde waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie GA.
1 bis.  
Instelling die de IRB-benadering toepassen op vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever met gebruikmaking van eigen PD-ramingen, berekent de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten voor het gedekte deel van de blootstellingswaarde met gebruikmaking van de PD van de protectiegever en de op een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever toepasselijke LGD uit artikel 161, lid 1, overeenkomstig lid 1 ter van dit artikel. Voor achtergestelde blootstellingen en niet-achtergestelde niet-volgestorte kredietprotectie is de door instellingen op het gedekte deel van de blootstellingswaarde toe te passen LGD de LGD voor niet-achtergestelde schuldvorderingen en aan de instellingen kunnen de volgestorte kredietprotecties worden aangerekend die als zekerheid dienen voor het niet-volgestorte deel van de kredietprotectie overeenkomstig dit hoofdstuk.
1 ter.  
De instellingen berekenen het risicogewicht en het verwachte verlies dat van toepassing is op het gedekte deel van de onderliggende blootstelling met gebruikmaking van de PD, de in lid 1 bis van dit artikel vermelde LGD en dezelfde risicogewichtfunctie als die welke voor een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever worden gebruikt, en zij gebruiken, in voorkomend geval, met betrekking tot de onderliggende blootstelling de looptijd M, berekend overeenkomstig artikel 162.
1 quater.  
Instellingen die de IRB-benadering toepassen op vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever volgens de in artikel 153, lid 5, bepaalde methodiek, gebruiken het risicogewicht en het verwachte verlies dat van toepassing is op het gedekte deel van de blootstelling dat overeenstemt met die uit artikel 153, lid 5, en artikel 158, lid 6.
1 quinquies.  
Niettegenstaande lid 1 quater van dit artikel berekenen instellingen die de IRB-benadering op gegarandeerde blootstellingen volgens de methodiek uit artikel 153, lid 5, toepassen, het risicogewicht en het verwachte verlies dat van toepassing is op het gedekte deel van de blootstelling met gebruikmaking van de PD, van de op een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever toepasselijke LGD uit artikel 161, lid 1, overeenkomstig lid 1 ter van dit artikel, en van dezelfde risicogewichtfunctie als die welke voor een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever worden gebruikt, en zij gebruiken, in voorkomend geval, met betrekking tot de onderliggende blootstelling de looptijd M, berekend overeenkomstig artikel 162. Voor achtergestelde blootstellingen en niet-achtergestelde niet-volgestorte kredietprotectie is de door instellingen op het gedekte deel van de blootstellingswaarde toe te passen LGD de LGD voor niet-achtergestelde schuldvorderingen en aan de instellingen kunnen de volgestorte kredietprotecties worden aangerekend die als zekerheid dienen voor het niet-volgestorte deel van de kredietprotectie overeenkomstig dit hoofdstuk.
2.  
Voor een eventueel ongedekt deel van de blootstellingswaarde (E) gebruiken instellingen het risicogewicht en het verwachte verlies dat met de onderliggende blootstelling overeenstemt. Voor de in artikel 159 vermelde berekening wijzen instellingen algemene of specifieke kredietrisicoaanpassingen of de in artikel 34 bedoelde aanvullende waardeaanpassingen met betrekking tot de activiteiten in de niet-handelsportefeuille van de instelling of andere aftrekkingen van eigen vermogen met betrekking tot de blootstelling dan de aftrekkingen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), toe aan het niet-gedekte deel van de blootstellingswaarde.
3.  
Voor de toepassing van dit artikel is GA het bedrag aan kredietprotectie gecorrigeerd voor wisselkoersrisico (G*) als berekend krachtens artikel 233, lid 3, nader gecorrigeerd voor enige looptijdmismatch als beschreven in afdeling 5 van dit hoofdstuk. De blootstellingswaarde (E) is de blootstellingswaarde vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 5. De instellingen berekenen de blootstellingswaarde voor posten buiten de balanstelling niet zijnde volgens de IRB-benadering behandelde derivaten met gebruikmaking van een CCF van 100 % in plaats van de in artikel 166, leden 8, 8 bis en 8 ter, vastgelegde SA-CCF’s of IRB-CCF.

▼M17

Artikel 236 bis

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten in het kader van de substitutiebenadering indien het een volgens de IRB-benadering met gebruikmaking van eigen ramingen van LGD behandelde gegarandeerde blootstelling betreft en een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever volgens de IRB-benadering wordt behandeld

1.  
Voor een blootstelling met niet-volgestorte kredietprotectie waarop een instelling de IRB-benadering uit hoofdstuk 3 toepast met gebruikmaking van haar eigen ramingen van LGD, en indien vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever volgens de IRB-benadering uit hoofdstuk 3 worden behandeld, doch zonder gebruikmaking van de eigen LGD-ramingen, bepaalt de instelling het gedekte deel van de blootstelling als de laagste van deze beide waarden: de blootstellingswaarde E of de gecorrigeerde waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie GA, berekend overeenkomstig artikel 235 bis, lid 1. De instelling berekent de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten voor het gedekte deel van de blootstellingswaarde met gebruikmaking van de PD, de LGD en dezelfde risicogewichtfunctie als die welke voor een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever worden gebruikt, en gebruikt, in voorkomend geval, met betrekking tot de onderliggende blootstelling de looptijd M, berekend overeenkomstig artikel 162.
2.  
Instellingen die de IRB-benadering uit hoofdstuk 3 toepassen, doch zonder hun eigen ramingen van LGD te gebruiken voor vergelijkbare blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, bepalen de LGD overeenkomstig artikel 161, lid 1. Voor achtergestelde blootstellingen en niet-achtergestelde niet-volgestorte kredietprotectie is de door instellingen op het gedekte deel van de blootstellingswaarde toe te passen LGD de LGD voor niet-achtergestelde schuldvorderingen en aan de instellingen kunnen de volgestorte kredietprotecties worden aangerekend die als zekerheid dienen voor het niet-volgestorte deel van de kredietprotectie overeenkomstig dit hoofdstuk.
3.  
Instellingen die de IRB-benadering uit hoofdstuk 3 toepassen met gebruikmaking van hun eigen LGD-ramingen voor vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever, berekenen het risicogewicht en het verwachte verlies dat van toepassing is op het gedekte deel van de onderliggende blootstelling met gebruikmaking van de PD, de LGD en dezelfde risicogewichtfunctie als die welke voor een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de protectiegever worden gebruikt, en zij gebruiken, indien van toepassing, met betrekking tot de onderliggende blootstelling de looptijd M, berekend overeenkomstig artikel 162.
4.  
Instellingen die de IRB-benadering toepassen op vergelijkbare directe blootstellingen met betrekking tot de protectiegever volgens de in artikel 153, lid 5, bepaalde methodiek, gebruiken het risicogewicht en het verwachte verlies dat van toepassing is op het gedekte deel van de blootstelling dat overeenstemt met die uit artikel 153, lid 5, en artikel 158, lid 6.
5.  
Voor ongedekte delen van de blootstellingswaarde (E) gebruiken instellingen het risicogewicht en het verwachte verlies dat met de onderliggende blootstelling overeenstemt. Voor de in artikel 159 vermelde berekening wijzen instellingen algemene of specifieke kredietrisicoaanpassingen of de in artikel 34 bedoelde aanvullende waardeaanpassingen met betrekking tot de activiteiten in de niet-handelsportefeuille van de instelling of andere aftrekkingen van eigen vermogen met betrekking tot de blootstelling dan de aftrekkingen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), toe aan het niet-gedekte deel van de blootstellingswaarde.

▼B

Afdeling 5

Looptijdmismatches

Artikel 237

Looptijdmismatch

1.  
In het kader van de berekening van risicogewogen posten doet zich een looptijdmismatch voor wanneer de resterende looptijd van de kredietprotectie korter is dan die van de gedekte blootstelling. Indien de protectie een resterende looptijd van minder dan drie maanden heeft en de looptijd van de protectie korter is dan de looptijd van de onderliggende blootstelling, wordt die protectie niet als toelaatbare kredietprotectie in aanmerking genomen.
2.  

Indien er een looptijdmismatch is, wordt de kredietprotectie niet als toelaatbaar in aanmerking genomen als een van beide volgende voorwaarden vervuld is:

a) 

de oorspronkelijke looptijd van de protectie bedraagt minder dan één jaar;

b) 

de blootstelling is een kortlopende blootstelling waarvan de looptijd (M) krachtens artikel 162, lid 3, door de bevoegde autoriteiten is gespecificeerd als zijnde ten minste gelijk aan een dag in plaats van een jaar.

Artikel 238

Looptijd van de kredietprotectie

1.  
De effectieve looptijd van de onderliggende blootstelling is de langst mogelijke periode die de debiteur mag wachten om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen, waarbij een maximum geldt van vijf jaar. Behoudens lid 2 is de looptijd van de kredietprotectie de periode tot de vroegste datum waarop de protectie kan aflopen of worden beëindigd.
2.  
Indien de protectiegever over de mogelijkheid beschikt om de protectie te beëindigen, wordt de looptijd van de protectie door instellingen beschouwd als de periode tot de vroegste datum waarop van die mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt. Indien de protectienemer over de mogelijkheid beschikt om de protectie te beëindigen en de voorwaarden van de overeenkomst die aan de protectie ten grondslag ligt een positieve prikkel voor een instelling bevatten om de transactie vóór de vervaldatum van de overeenkomst af te handelen, wordt door die instelling als looptijd van de protectie de periode beschouwd tot de vroegste datum waarop van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt; is dit niet het geval, dan kan door de instelling worden aangenomen dat een dergelijke mogelijkheid niet van invloed is op de looptijd van de protectie.
3.  
Indien niets belet dat een kredietderivaat wordt beëindigd vóór het verstrijken van enige respijtperiode, waarbij het verstrijken van die respijtperiode een vereiste is voor het zich voordoen van een wanbetaling met betrekking tot de onderliggende verplichting als gevolg van niet-betaling, wordt de looptijd van de protectie door instellingen verminderd met de respijtperiode.

Artikel 239

Waardering van protectie

1.  
Voor transacties die in het kader van de eenvoudige benadering van financiële zekerheden aan volgestorte kredietprotectie onderworpen zijn, wordt de zekerheid niet als toelaatbare volgestorte kredietprotectie in aanmerking genomen als er een verschil is tussen de looptijd van de blootstelling en de looptijd van de protectie.
2.  

Voor transacties die in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden aan volgestorte kredietprotectie onderworpen zijn, worden de looptijd van de kredietprotectie en de looptijd van de blootstelling door instellingen in de aangepaste waarde van de zekerheid weergegeven overeenkomstig de volgende formule:

waarbij:

CVA

=

de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid als gespecificeerd in artikel 223, lid 2, dan wel het bedrag van de blootstelling, naargelang welke van beide waarden lager is;

t

=

het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend overeenkomstig artikel 238, dan wel de waarde van T, naargelang welke van beide waarden lager is;

T

=

het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de blootstelling, berekend overeenkomstig artikel 238, dan wel vijf jaar, naargelang welke van beide waarden lager is;

t*

=

0,25.

De instellingen gebruiken CVAM als CVA, nader gecorrigeerd voor enige looptijdmismatch, in de formule voor de berekening van de volledig aangepaste waarde van de blootstelling (E*) als beschreven in artikel 223, lid 5.

3.  

Voor transacties die aan niet-volgestorte kredietprotectie onderworpen zijn, worden de looptijd van de kredietprotectie en de looptijd van de blootstelling door instellingen in de aangepaste waarde van de kredietprotectie weergegeven overeenkomstig de volgende formule:

waarbij:

GA

=

G*, gecorrigeerd voor enige looptijdmismatch;

G*

=

het bedrag van de protectie, gecorrigeerd voor enige valutamismatch;

t

=

het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend overeenkomstig artikel 238, dan wel de waarde van T, naargelang welke van beide waarden lager is;

T

=

het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de blootstelling, berekend overeenkomstig artikel 238, dan wel vijf jaar, naargelang welke van beide waarden lager is;

t*

=

0,25.

De instellingen gebruiken GA als de waarde van de protectie voor de toepassing van de artikelen 233 tot en met 236.

▼M17 —————

▼M5

HOOFDSTUK 5

Securitisatie

Afdeling 1

Definities en criteria voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisaties

Artikel 242

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1. 

„opschoon-calloptie”: contractuele optie die de initiator het recht geeft de securitisatieposities terug te kopen voordat alle gesecuritiseerde blootstellingen zijn terugbetaald, hetzij door de terugkoop van de onderliggende blootstellingen die in de pool aanwezig blijven in het geval van traditionele securitisaties, hetzij door de beëindiging van de kredietprotectie in het geval van synthetische securitisaties, in beide gevallen wanneer het bedrag van de uitstaande onderliggende blootstellingen tot of onder een bepaald van te voren vastgesteld niveau daalt;

2. 

„kredietverbeterende te ontvangen rentecoupon”: in de balans opgenomen vermogensbestanddeel dat een waardering van kasstromen vertegenwoordigt uit hoofde van toekomstige marge-inkomsten en dat een achtergestelde tranche vormt in de securitisatie;

3. 

„liquiditeitsfaciliteit”: een liquiditeitsfaciliteit als gedefinieerd in artikel 2, punt 14, van Verordening (EU) 2017/2402;

4. 

„positie zonder rating”: securitisatiepositie die geen kredietbeoordeling heeft overeenkomstig afdeling 4;

5. 

„positie met rating”: securitisatiepositie die een kredietbeoordeling heeft overeenkomstig afdeling 4;

6. 

„senior securitisatiepositie”: positie die gedekt of gewaarborgd wordt door een eerste vordering op het geheel van de onderliggende blootstellingen, waarbij in dit verband geen rekening wordt gehouden met verschuldigde bedragen in het kader van rente- of valutaderivatencontracten, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen, noch met een eventueel looptijdverschil met een of meer andere senior tranches waarmee die positie pro rata verliezen deelt;

7. 

„IRB-pool”: een pool van onderliggende blootstellingen van een type waarvoor de instelling toestemming heeft de interneratingbenadering te gebruiken en in staat is voor al deze blootstellingen de risicogewogen posten te berekenen overeenkomstig hoofdstuk 3;

8. 

„gemengde pool”: een pool van onderliggende blootstellingen van een type waarvoor de instelling toestemming heeft de interneratingbenadering te gebruiken en in staat is voor sommige, maar niet voor al deze blootstellingen de risicogewogen posten te berekenen overeenkomstig hoofdstuk 3;

9. 

„overpanding”: iedere vorm van kredietverbetering waarbij de onderliggende blootstellingen een hogere waarde hebben dan de waarde van de securitisatieposities;

10. 

„eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisaties” of „STS-securitisatie”: een securitisatie die voldoet aan de vereisten van artikel 18 van Verordening (EU) 2017/2402;

11. 

„door activa gedekt commercialpaperprogramma” („asset-backed commercialpaperprogramma”) of ABCP-programma: een door activa gedekt commercialpaperprogramma of ABCP-programma als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) 2017/2402;

12. 

„door activa gedekte commercialpapertransactie” („asset-backed commercialpapertransactie”) of ABCP-transactie: een door activa gedekte commercialpapertransactie of ABCP-transactie als gedefinieerd in artikel 2, punt 8, van Verordening (EU) 2017/2402;

13. 

„traditionele securitisatie”: een traditionele securitisatie als gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Verordening (EU) 2017/2402;

14. 

„synthetische securitisatie”: een synthetische securitisatie als gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Verordening (EU) 2017/2402;

15. 

„revolverende blootstelling”: een revolverende blootstelling als gedefinieerd in artikel 2, punt 15, van Verordening (EU) 2017/2402;

16. 

„vervroegdeaflossingsbepaling”: een vervroegdeaflossingsbepaling als gedefinieerd in artikel 2, punt 17, van Verordening (EU) 2017/2402;

17. 

„eersteverliestranche”: een eersteverliestranche als gedefinieerd in artikel 2, punt 18, van Verordening (EU) 2017/2402;

18. 

„mezzanine-securitisatiepositie”: een positie in de securitisatie die is achtergesteld bij de senior securitisatiepositie en een hogere rangorde heeft dan de eersteverliestranche, en die onderworpen is aan een risicogewicht van minder dan 1 250  % en meer dan 25 % overeenkomstig afdeling 3, onderafdelingen 2 en 3;

19. 

„ontwikkelingsentiteit”: door de centrale overheid of een regionale of lokale overheid van een lidstaat opgerichte onderneming of entiteit die stimuleringsleningen of -garanties verstrekt en die in de eerste plaats niet het maken van winst of het maximaliseren van marktaandeel nastreeft, maar het bevorderen van beleidsdoelstellingen van die overheid, mits die overheid, met inachtneming van de staatssteunregels, verplicht is de economische grondslag van de onderneming of entiteit te beschermen en deze gedurende haar gehele bestaan levensvatbaar te houden, of mits ten minste 90 % van haar oorspronkelijke kapitaal of financiering of de stimuleringsleningen die zij verstrekt, direct of indirect door de centrale, regionale of lokale overheid van de lidstaat wordt gewaarborgd;

▼M13

20. 

„synthetische overgebleven rentemarge”: een synthetische overgebleven rentemarge als gedefinieerd in artikel 2, punt 29, van Verordening (EU) 2017/2402.

▼M5

Artikel 243

Criteria voor STS-securitisaties die in aanmerking komen voor gedifferentieerde vermogensbehandeling

1.  

Posities in een ABCP-programma of ABCP-transactie die als posities in een securitisatie worden aangemerkt, komen in aanmerking voor de behandeling vermeld in de artikelen 260, 262 en 264, indien aan de volgende vereisten wordt voldaan:

a) 

de onderliggende blootstellingen voldoen op het moment van opneming in het ABCP-programma, voor zover de initiator of de oorspronkelijke kredietverstrekker bekend, aan de voorwaarden om, in het kader van de standaardbenadering en rekening houdend met eventuele toelaatbare kredietrisicolimiteringen, op individuele basis een risicogewicht te krijgen van 75 % of lager indien het een blootstelling met betrekking tot particulieren en kleine partijen betreft, en van 100 % voor alle overige blootstellingen, en

b) 

de totale waarde van alle blootstellingen ten aanzien van één debiteur op het niveau van het ABCP-programma bedraagt niet meer dan 2 % van de samengetelde waarde van alle blootstellingen binnen het ABCP-programma op het moment dat de blootstellingen aan het ABCP-programma werden toegevoegd. Voor deze berekening worden leningen of leases aan een groep verbonden cliënten, voor zover de sponsor bekend, beschouwd als blootstellingen ten aanzien van één debiteur.

▼M9

In het geval van handelsvorderingen is de eerste alinea, punt b), niet van toepassing indien het kredietrisico van die handelsvorderingen volledig gedekt is door toelaatbare kredietprotectie overeenkomstig hoofdstuk 4, mits in dat geval de protectiegever een instelling, een beleggingsonderneming, een verzekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming is.

▼M5

In het geval van gesecuritiseerde restwaarden van leases is de eerste alinea, onder b), niet van toepassing indien deze waarden niet zijn blootgesteld aan een risico op herfinanciering of wederverkoop op grond van een juridisch afdwingbare verbintenis van een krachtens artikel 201, lid 1, in aanmerking komende derde partij om de blootstelling voor een vooraf bepaald bedrag opnieuw aan te kopen of te herfinancieren.

In afwijking van de eerste alinea, onder a), is, indien een instelling artikel 248, lid 3, toepast of toestemming heeft gekregen om de internebeoordelingsbenadering toe te passen overeenkomstig artikel 265, het risicogewicht dat die instelling zou toekennen aan een liquiditeitsfaciliteit die volledige dekking van de binnen het programma uitgegeven ABCP’s biedt, gelijk aan of kleiner dan 100 %.

2.  

Posities in een andere securitisatie dan een ABCP-programma of ABCP-transactie die als posities in een STS-securitisatie worden aangemerkt, komen in aanmerking voor de behandeling vermeld in de artikelen 260, 262 en 264, indien aan de volgende vereisten wordt voldaan:

a) 

op het moment van opneming in de securitisatie bedraagt de totale waarde van alle blootstellingen ten aanzien van één debiteur in de pool niet meer dan 2 % van de totale uitstaande waarde van de pool van onderliggende blootstellingen. Voor deze berekening worden leningen of leases aan een groep verbonden cliënten beschouwd als blootstellingen ten aanzien van één debiteur.

In het geval van gesecuritiseerde restwaarden van leases is de eerste alinea van dit punt niet van toepassing indien deze waarden niet zijn blootgesteld aan een risico op herfinanciering of wederverkoop op grond van een juridisch afdwingbare verbintenis van een krachtens artikel 201, lid 1, in aanmerking komende derde partij om de blootstelling voor een vooraf bepaald bedrag opnieuw aan te kopen of te herfinancieren;

b) 

op het moment van opneming in de securitisatie voldoen de onderliggende blootstellingen aan de voorwaarden om, in het kader van de standaardbenadering en rekening houdend met eventuele toelaatbare kredietrisicolimiteringen, een risicogewicht te krijgen dat gelijk is aan of lager is dan:

i) 

40 % op basis van een naar blootstellingswaarde gewogen gemiddelde voor de portefeuille indien de blootstellingen door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte leningen of volledig gedekte woonkredieten zijn als bedoeld in artikel 129, lid 1, onder e);

ii) 

50 % op basis van een individuele blootstelling indien de blootstellingen door een commerciële hypotheek gedekte leningen zijn;

iii) 

75 % op basis van een individuele blootstelling voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen;

iv) 

100 % op basis van een individuele blootstelling voor alle overige blootstellingen;

c) 

indien punt b), i) en ii) van toepassing zijn, worden de leningen die met betrekking tot een gegeven actief gedekt zijn door zekerheidsrechten met een lagere rang, uitsluitend in de securitisatie opgenomen indien alle leningen die gedekt zijn door zekerheidsrechten met een hoge rang met betrekking tot dat actief, eveneens in de securitisatie zijn opgenomen;

d) 

indien punt b), i), van dit lid van toepassing is, heeft geen enkele lening in de pool van onderliggende blootstellingen op het moment van opneming in de securitisatie een loan-to-value-ratio van meer dan 100 %, berekend overeenkomstig artikel 129, lid 1, onder d), i), en artikel 229, lid 1.

Afdeling 2

Inaanmerkingneming van de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico

Artikel 244

Traditionele securitisatie

1.  

De initiërende instelling van een traditionele securitisatie mag de onderliggende blootstellingen buiten haar berekening van risicogewogen posten en, in voorkomend geval, verwachte verliesposten houden indien een van beide volgende voorwaarden vervuld is:

a) 

een aanzienlijk deel van het kredietrisico dat verbonden is aan de onderliggende blootstellingen is overgedragen aan derden;

b) 

de initiërende instelling past een risicogewicht van 1 250  % toe op alle securitisatieposities die zij in de securitisatie inneemt, of brengt deze securitisatieposities in mindering op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder k).

2.  

In elk van de volgende gevallen wordt een aanzienlijk deel van het kredietrisico geacht te zijn overgedragen:

a) 

de risicogewogen posten van de mezzanine-securitisatieposities die de initiërende instelling in de securitisatie inneemt, bedragen niet meer dan 50 % van de risicogewogen posten van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine-securitisatieposities;

b) 

de initiërende instelling houdt niet meer dan 20 % van de blootstellingswaarde van de eersteverliestranche in de securitisatie aan, mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

i) 

de initiator kan aantonen dat de blootstellingswaarde van de eersteverliestranche aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de onderliggende blootstellingen;

ii) 

er zijn geen mezzanine-securitisatieposities.

Indien de eventuele vermindering in de waarde van de risicogewogen posten die de initiërende instelling door de securitisatie overeenkomstig punt a) of b), zou bewerkstelligen, niet gerechtvaardigd wordt door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, kunnen de bevoegde autoriteiten per geval besluiten dat er geen aanzienlijk deel van het kredietrisico wordt geacht aan derden te zijn overgedragen.

3.  

In afwijking van lid 2 kunnen de bevoegde autoriteiten initiërende instellingen toestaan de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico in aanmerking te nemen met betrekking tot een securitisatie indien de initiërende instelling in elk afzonderlijk geval aantoont dat de vermindering van de eigenvermogensvereisten die de initiator door de securitisatie bewerkstelligt, door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden wordt gerechtvaardigd. Hiervoor mag alleen toestemming worden verleend indien de instelling aan de volgende twee voorwaarden voldoet:

a) 

de instelling beschikt over passende beleidslijnen en methoden voor intern risicobeheer om de overdracht van kredietrisico te kunnen beoordelen;

b) 

de instelling heeft de overdracht van kredietrisico aan derden in elk afzonderlijk geval ook in aanmerking genomen met betrekking tot de toepassing van haar interne risicobeheer en haar interne kapitaalallocatie.

4.  

Naast de in de leden 1, 2 en 3 genoemde vereisten wordt ook aan alle volgende voorwaarden voldaan:

a) 

de documentatie inzake de transactie geeft de economische kenmerken van de transactie weer;

b) 

de securitisatieposities vormen geen betalingsverplichting van de initiërende instelling;

c) 

de onderliggende blootstellingen worden buiten het bereik van de initiërende instelling en haar schuldeisers geplaatst op een wijze die voldoet aan de in artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2402 genoemde vereisten;

d) 

de initiërende instelling behoudt geen zeggenschap over de onderliggende blootstellingen. Een initiator wordt geacht zeggenschap over de onderliggende blootstellingen te behouden indien hij het recht heeft de eerder overgedragen blootstellingen van de ontvangende entiteit terug te kopen om de daaraan verbonden baten te realiseren of indien hij anderszins verplicht is het overgedragen risico opnieuw over te nemen. Het feit dat de initiërende instelling de rechten of verplichtingen inzake het beheer van de onderliggende blootstellingen behoudt, houdt op zich geen zeggenschap over de blootstellingen in;

e) 

de documentatie inzake de securitisatie bevat geen voorwaarden die:

i) 

de initiërende instelling verplichten de onderliggende blootstellingen te wijzigen ter verbetering van de gemiddelde kwaliteit van de pool, of

ii) 

het aan de houders van posities in de securitisatie te betalen rendement verhogen of de posities in de securitisatie op andere wijze verbeteren naar aanleiding van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende blootstellingen;

f) 

in voorkomend geval wordt in de documentatie van de transactie aangegeven dat de initiator of de sponsor alleen kan overgaan tot aankoop of wederinkoop van securitisatieposities of tot wederinkoop, herstructurering of vervanging van de onderliggende blootstellingen buiten zijn contractuele verplichtingen om, indien dergelijke verrichtingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de heersende marktomstandigheden en de partijen bij die transacties in hun eigen belang handelen als vrije en onafhankelijke partijen (onder marktconforme voorwaarden);

g) 

in geval van een opschooncalloptie voldoet die optie ook aan alle volgende voorwaarden:

i) 

zij kan door de initiërende instelling naar eigen goeddunken worden uitgeoefend;

ii) 

zij mag slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10 % van de oorspronkelijke waarde van de onderliggende blootstellingen nog niet is afgelost;

iii) 

zij is niet opgezet om te vermijden dat verliezen aan kredietverbeteringsposities of aan andere posities ingenomen door beleggers in de securitisatie worden toegewezen en is ook niet anderszins opgezet om kredietverbetering te verschaffen;

h) 

de initiërende instelling heeft een advies van een gekwalificeerd juridisch adviseur ontvangen waarin wordt bevestigd dat de securitisatie voldoet aan de voorwaarden van dit lid, onder c).

5.  
De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van de gevallen waarin zij hebben besloten dat de eventuele vermindering in de waarde van de risicogewogen posten niet gerechtvaardigd werd door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden overeenkomstig lid 2, en van de gevallen waarin de instellingen hebben gekozen voor de toepassing van lid 3.
6.  

De EBA controleert de diverse toezichtpraktijken met betrekking tot de inaanmerkingneming van de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico bij traditionele securitisaties overeenkomstig dit artikel. De EBA evalueert met name:

a) 

de voorwaarden voor de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico aan derden overeenkomstig de leden 2, 3 en 4;

b) 

de interpretatie van „overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden” in het kader van de beoordeling door de bevoegde autoriteiten als bedoeld in de tweede alinea van lid 2 en in lid 3;

c) 

de eisen voor de beoordeling door de bevoegde autoriteiten van securitisatietransacties waarbij de initiator verzoekt om inaanmerkingneming van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico aan derden overeenkomstig lid 2 of 3.

De EBA brengt uiterlijk op 2 januari 2021 verslag uit bij de Commissie. De Commissie kan, rekening houdend met het verslag van de EBA, een gedelegeerde handeling vaststellen overeenkomstig artikel 462 om deze verordening aan te vullen door de onder a), b) en c) vermelde elementen nader te omschrijven.

Artikel 245

Synthetische securitisatie

1.  

De initiërende instelling van een synthetische securitisatie mag risicogewogen posten en, in voorkomend geval, verwachte verliesposten met betrekking tot de onderliggende blootstellingen berekenen overeenkomstig de artikelen 251 en 252, indien aan een van beide volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen aan derden door middel van volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie;

b) 

de initiërende instelling past een risicogewicht van 1 250  % toe op alle securitisatieposities die zij in de securitisatie inneemt, of brengt deze securitisatieposities in mindering op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder k).

2.  

In elk van de volgende gevallen wordt een aanzienlijk deel van het kredietrisico geacht te zijn overgedragen:

a) 

de risicogewogen posten van de mezzanine-securitisatieposities die de initiërende instelling in de securitisatie inneemt, bedragen niet meer dan 50 % van de risicogewogen posten van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine-securitisatieposities;

b) 

de initiërende instelling houdt niet meer dan 20 % van de blootstellingswaarde van de eersteverliestranche in de securitisatie aan, mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

i) 

de initiator kan aantonen dat de blootstellingswaarde van de eersteverliestranche aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de onderliggende blootstellingen;

ii) 

er zijn geen mezzanine-securitisatieposities.

Indien de eventuele vermindering in de waarde van de risicogewogen posten die de initiërende instelling door de securitisatie zou bewerkstelligen, niet gerechtvaardigd wordt door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, kunnen de bevoegde autoriteiten per geval besluiten dat er geen aanzienlijk deel van het kredietrisico wordt geacht aan derden te zijn overgedragen.

3.  

In afwijking van lid 2 kunnen de bevoegde autoriteiten een initiërende instelling toestaan de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico in aanmerking te nemen met betrekking tot een securitisatie indien de initiërende instelling in elk afzonderlijk geval aantoont dat de vermindering van de eigenvermogensvereisten die de initiator door de securitisatie bewerkstelligt, door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden wordt gerechtvaardigd. Hiervoor mag alleen toestemming worden verleend indien de instelling aan beide volgende voorwaarden voldoet:

a) 

de instelling beschikt over passende beleidslijnen en methoden voor intern risicobeheer om de overdracht van risico te beoordelen;

b) 

de instelling heeft de overdracht van kredietrisico aan derden in elk afzonderlijk geval ook in aanmerking genomen met betrekking tot de toepassing van haar interne risicobeheer en haar interne kapitaalallocatie.

4.  

Naast de in de leden 1, 2 en 3 genoemde vereisten wordt ook aan alle volgende voorwaarden voldaan:

a) 

de documentatie inzake de transactie geeft de economische kenmerken van de securitisatie weer;

b) 

de kredietprotectie in het kader waarvan het kredietrisico wordt overgedragen, voldoet aan artikel 249;

c) 

de documentatie inzake de securitisatie bevat geen voorwaarden die:

i) 

significante materialiteitsdrempels voorschrijven, bij onderschrijding waarvan geen kredietprotectie behoeft te worden geboden indien zich een kredietgebeurtenis voordoet;

ii) 

de beëindiging van de protectie toestaan in geval van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende blootstellingen;

iii) 

de initiërende instelling verplichten de onderliggende blootstellingen te wijzigen ter verbetering van de gemiddelde kwaliteit van de pool, of

iv) 

de kosten van kredietprotectie van de instelling of het aan de houders van posities in de securitisatie te betalen rendement verhogen naar aanleiding van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende pool;

d) 

de kredietprotectie is in alle betrokken jurisdicties afdwingbaar;

e) 

in voorkomend geval wordt in de documentatie van de transactie aangegeven dat de initiator of de sponsor alleen kan overgaan tot aankoop of wederinkoop van securitisatieposities of tot wederinkoop, herstructurering of vervanging van de onderliggende blootstellingen buiten zijn contractuele verplichtingen om, indien dergelijke verrichtingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de heersende marktomstandigheden en de partijen bij die transacties in hun eigen belang handelen als vrije en onafhankelijke partijen (onder marktvoorwaarden);

f) 

in geval van een opschooncalloptie voldoet die optie aan alle volgende voorwaarden:

i) 

zij kan door de initiërende instelling naar eigen goeddunken worden uitgeoefend;

ii) 

zij mag slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10 % van de oorspronkelijke waarde van de onderliggende blootstellingen nog niet is afgelost;

iii) 

zij is niet opgezet om te vermijden dat verliezen aan kredietverbeteringsposities of aan andere posities ingenomen door beleggers in de securitisatie worden toegewezen en is ook niet anderszins opgezet om kredietverbetering te verschaffen;

g) 

de initiërende instelling heeft een advies van een gekwalificeerd juridisch adviseur ontvangen waarin wordt bevestigd dat de securitisatie voldoet aan de voorwaarden van dit lid, onder d).

5.  
De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van de gevallen waarin zij hebben besloten dat de eventuele vermindering in de waarde van de risicogewogen posten niet gerechtvaardigd werd door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden overeenkomstig lid 2, en van de gevallen waarin de instellingen hebben gekozen voor de toepassing van lid 3.
6.  

De EBA controleert de diverse toezichtpraktijken met betrekking tot de inaanmerkingneming van de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico bij synthetische securitisaties overeenkomstig dit artikel. De EBA evalueert met name:

a) 

de voorwaarden voor de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico aan derden overeenkomstig de leden 2, 3 en 4;

b) 

de interpretatie van „overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden” in het kader van de beoordeling door de bevoegde autoriteiten als bedoeld in de tweede alinea van lid 2 en in lid 3, en

c) 

de eisen voor de beoordeling door de bevoegde autoriteiten van securitisatietransacties waarbij de initiator verzoekt om inaanmerkingneming van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico aan derden overeenkomstig lid 2 of 3.

De EBA brengt uiterlijk op 2 januari 2021 verslag uit bij de Commissie. De Commissie kan, rekening houdend met het verslag van de EBA, een gedelegeerde handeling vaststellen overeenkomstig artikel 462 om deze verordening aan te vullen door de onder a), b) en c) vermelde elementen nader te omschrijven.

Artikel 246

Operationele vereisten voor vervroegdeaflossingsbepalingen

Indien de securitisatie revolverende blootstellingen en vervroegdeaflossingsbepalingen of soortgelijke bepalingen omvat, wordt een aanzienlijk deel van het kredietrisico enkel beschouwd als door de initiërende instelling overgedragen indien aan de vereisten van de artikelen 244 en 245 is voldaan en de vervroegdeaflossingsbepaling, wanneer zij eenmaal van kracht is geworden, er niet toe leidt dat:

a) 

de vordering van hogere of gelijke rang van de instelling op de onderliggende blootstellingen als achtergesteld wordt behandeld ten opzichte van de vorderingen van de overige beleggers;

b) 

de vordering van de instelling op de onderliggende blootstellingen als achtergesteld wordt behandeld ten opzichte van de vorderingen van andere partijen, of

c) 

zich anderszins een toename voordoet van de aan de onderliggende revolverende blootstellingen verbonden verliesrisico’s voor de instelling.

Afdeling 3

Berekening van risicogewogen posten

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 247

Berekening van risicogewogen posten

1.  

Wanneer een initiërende instelling een aanzienlijk deel van het kredietrisico dat aan de onderliggende blootstellingen van de securitisatie verbonden is overeenkomstig afdeling 2 heeft overgedragen, kan die instelling:

a) 

in het geval van een traditionele securitisatie, de onderliggende blootstellingen buiten de berekening van de risicogewogen posten en, indien van toepassing, de verwachte verliesposten laten;

b) 

in het geval van een synthetische securitisatie, de risicogewogen posten en, indien van toepassing, de verwachte verliesposten met betrekking tot de onderliggende blootstellingen berekenen overeenkomstig de artikelen 251 en 252.

2.  
Indien de initiërende instelling heeft besloten lid 1 toe te passen, berekent zij de risicogewogen posten voor de securitisatieposities zoals in dit hoofdstuk is bepaald.

Indien de initiërende instelling geen aanzienlijk deel van het kredietrisico heeft overgedragen of heeft besloten lid 1 niet toe te passen, hoeft zij voor geen enkele van haar posities in de securitisatie risicogewogen posten te berekenen, maar blijft zij de onderliggende blootstellingen betrekken bij haar berekening van de risicogewogen posten van blootstellingen en, indien van toepassing, de verwachte verliesposten, alsof deze niet waren gesecuritiseerd.

3.  
In het geval van een blootstelling met betrekking tot posities in verschillende tranches van een securitisatie, wordt de blootstelling met betrekking tot elk van de tranches als een afzonderlijke securitisatiepositie beschouwd. De verschaffers van kredietprotectie bij securitisatieposities worden beschouwd als houders van posities in deze securitisatie. Securitisatieposities omvatten ook blootstellingen met betrekking tot een securitisatie die voortvloeien uit rente- of valutaderivatencontracten die de instelling in het kader van de transactie heeft gesloten.
4.  
Tenzij een securitisatiepositie in mindering wordt gebracht op tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder k), wordt de risicogewogen post opgenomen in het totaal van de risicogewogen posten van de instelling voor de toepassing van artikel 92, lid 3.
5.  
De risicogewogen post van een securitisatiepositie wordt berekend door de blootstellingswaarde van de positie, berekend als beschreven in artikel 248, te vermenigvuldigen met het toepasselijke totale risicogewicht.
6.  
Het totale risicogewicht is de som van het risicogewicht beschreven in dit hoofdstuk en enig additioneel risicogewicht overeenkomstig artikel 270 bis.

Artikel 248

Blootstellingswaarde

1.  

De blootstellingswaarde van een securitisatiepositie wordt als volgt berekend:

a) 

de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie op de balans is de boekwaarde die overblijft nadat relevante specifieke kredietrisicoaanpassingen op de securitisatiepositie zijn toegepast overeenkomstig artikel 110;

b) 

de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie buiten de balans is haar nominale waarde, verminderd met eventuele relevante specifieke kredietrisicoaanpassingen op die securitisatiepositie overeenkomstig artikel 110, vermenigvuldigd met de toepasselijke omrekeningsfactor zoals in dit punt is beschreven. De omrekeningsfactor bedraagt 100 %, behalve bij voorschotfaciliteiten. Om de blootstellingswaarde van het niet-opgenomen deel van de voorschotfaciliteiten te bepalen, kan op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit die onvoorwaardelijk opzegbaar is, een omrekeningsfactor van 0 % worden toegepast, mits de terugbetaling van opnemingen ten laste van de faciliteit een hogere rangorde heeft dan alle andere rechten op de kasstromen die uit de onderliggende blootstellingen voortvloeien, en de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat zij een voldoende voorzichtige methode gebruikt om de hoogte van het niet-opgenomen deel te bepalen;

c) 

de blootstellingswaarde voor het tegenpartijkredietrisico van een securitisatiepositie die voortvloeit uit een in bijlage II vermeld derivaat, wordt bepaald overeenkomstig hoofdstuk 6;

d) 

een initiërende instelling mag het overeenkomstig artikel 110 berekende bedrag van de specifieke kredietrisicoaanpassingen voor de onderliggende blootstellingen en alle niet-restitueerbare kortingen die verband houden met deze onderliggende blootstellingen, in de mate dat die kortingen hebben geleid tot de vermindering van het eigen vermogen, aftrekken van de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie die overeenkomstig onderafdeling 3 een risicogewicht van 1 250  % wordt toegekend of overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder k), van het tier 1-kernkapitaal wordt afgetrokken;

▼M13

e) 

De blootstellingswaarde van een synthetische overgebleven rentemarge omvat in voorkomend geval het volgende:

i) 

inkomsten uit de gesecuritiseerde blootstellingen die de initiërende instelling reeds overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving in haar winst- en verliesrekening heeft opgenomen en die de initiërende instelling contractueel aan de transactie heeft toegewezen als synthetische overgebleven rentemarge en die nog steeds beschikbaar is om verliezen op te vangen;

ii) 

synthetische overgebleven rentemarge die de initiërende instelling in eerdere perioden contractueel heeft toegewezen en die nog steeds beschikbaar is om verliezen op te vangen;

iii) 

synthetische overgebleven rentemarge die de initiërende instelling voor de huidige periode contractueel heeft toegewezen en die nog steeds beschikbaar is om verliezen op te vangen;

iv) 

synthetische overgebleven rentemarge die de initiërende instelling contractueel voor toekomstige perioden heeft toegewezen.

Voor de toepassing van dit punt mag een bedrag dat als zekerheid of kredietverbetering met betrekking tot de synthetische securitisatie is verstrekt en dat reeds is onderworpen aan een eigenvermogensvereiste overeenkomstig dit hoofdstuk, niet worden opgenomen in de blootstellingswaarde.

▼M5

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen wat een voldoende voorzichtige methode is om de hoogte van het onder b) van de eerste alinea bedoelde niet-opgenomen deel te bepalen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 januari 2019 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de derde alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

2.  
Indien een instelling twee of meer posities in een securitisatie heeft die elkaar overlappen, dan wordt slechts een van de posities voor de berekening van de risicogewogen posten gebruikt.

Indien de posities elkaar gedeeltelijk overlappen, kan de instelling de positie in twee delen splitsen en de overlapping uitsluitend met betrekking tot één deel in aanmerking nemen overeenkomstig de eerste alinea. Als alternatief kan de instelling de posities behandelen alsof zij elkaar volledig overlappen door met het oog op de berekening van de kapitaalvereisten, de positie die de hoogste risicogewogen posten oplevert, uit te breiden.

De instelling kan ook een overlap tussen de eigenvermogensvereisten voor specifieke risico’s in verband met posities in de handelsportefeuille en de eigenvermogensvereisten voor securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille in aanmerking nemen, mits de instelling in staat is de eigenvermogensvereisten voor de posities in kwestie te berekenen en te vergelijken.

Voor de toepassing van dit lid worden twee posities geacht elkaar te overlappen wanneer zij elkaar op zodanige wijze compenseren dat de instelling verliezen met betrekking tot de ene positie kan voorkomen door de verplichtingen na te komen die in het kader van de andere positie op haar rusten.

3.  
Wanneer artikel 270 quater, onder d), op posities in een ABCP van toepassing is, kan de instelling voor de berekening van de risicogewogen post van het ABCP het aan een liquiditeitsfaciliteit toegekende risicogewicht hanteren, mits het door het ABCP-programma uitgegeven ABCP voor 100 % onder de liquiditeitsfaciliteit valt en de liquiditeitsfaciliteit dezelfde rangorde heeft als het ABCP zodat zij een overlappende positie vormen. Indien de instelling de bepalingen van dit lid heeft toegepast, stelt zij de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis. Om vast te stellen of het ABCP voor 100 % onder de liquiditeitsfaciliteit valt zoals in dit lid is bepaald, kan de instelling andere liquiditeitsfaciliteiten in het ABCP-programma in aanmerking nemen, op voorwaarde dat zij een overlappende positie met het ABCP vormen.

▼M13

4.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om nader te bepalen hoe initiërende instellingen de in lid 1, onder e), bedoelde blootstellingswaarde moeten vaststellen, rekening houdend met de betreffende verliezen die naar verwachting door de synthetische overgebleven rentemarge zullen worden opgevangen.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 oktober 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M5

Artikel 249

Inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering voor securitisatieposities

1.  
Een instelling kan volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie ten aanzien van een securitisatiepositie in aanmerking nemen indien aan de vereisten voor kredietrisicolimitering als vastgelegd in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 4 is voldaan.
2.  
Toelaatbare volgestorte kredietprotectie is beperkt tot financiële zekerheden die in aanmerking komen voor de berekening van risicogewogen posten overeenkomstig hoofdstuk 2, als vastgesteld in hoofdstuk 4, en kredietrisicolimitering kan slechts in aanmerking worden genomen indien aan de toepasselijke vereisten van hoofdstuk 4 is voldaan.

Als toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie en als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie komen alleen de vormen van protectie en de protectiegevers in aanmerking die overeenkomstig hoofdstuk 4 toelaatbaar zijn, en kredietrisicolimitering kan slechts in aanmerking worden genomen indien aan de toepasselijke vereisten van hoofdstuk 4 is voldaan.

▼M13

3.  
In afwijking van lid 2 van dit artikel beschikken de toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie die zijn vermeld in artikel 201, lid 1, onder g), over een kredietbeoordeling van een erkende EKBI die op het moment dat de kredietprotectie voor het eerst in aanmerking werd genomen, van kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger was en thans van kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger is.

▼M5

Instellingen die de IRB-benadering mogen toepassen op een rechtstreekse blootstelling met betrekking tot de protectiegever, kunnen de toelaatbaarheid overeenkomstig de eerste alinea beoordelen op basis van de gelijkwaardigheid van de PD van de protectiegever met de PD die gerelateerd is aan de in artikel 136 bedoelde kredietkwaliteitscategorieën.

4.  

In afwijking van lid 2 zijn SSPE’s toelaatbare protectiegevers indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de SSPE bezit activa die als toelaatbare financiële zekerheden kunnen worden aangemerkt overeenkomstig hoofdstuk 4;

b) 

de activa bedoeld onder a) zijn niet onderworpen aan vorderingen of voorwaardelijke vorderingen met een hogere of gelijke rang dan de vordering of voorwaardelijke vordering van de instelling die de niet-volgestorte kredietprotectie ontvangt, alsmede

c) 

aan alle vereisten voor de inaanmerkingneming van financiële zekerheden van hoofdstuk 4 is voldaan.

5.  
Voor de toepassing van lid 4 wordt het bedrag van de protectie gecorrigeerd voor valutamismatch en looptijdmismatch (Ga) overeenkomstig hoofdstuk 4, beperkt tot de voor volatiliteit gecorrigeerde marktwaarde van die activa en is het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot de protectiegever zoals gespecificeerd overeenkomstig de standaardbenadering (g) gelijk aan het gewogen gemiddelde risicogewicht dat op die activa van toepassing zou zijn als financiële zekerheid in het kader van de standaardbenadering.
6.  

Indien een securitisatiepositie volledige kredietprotectie of gedeeltelijke pro rata kredietprotectie heeft, gelden de volgende voorschriften:

a) 

de instelling die kredietprotectie verschaft, berekent de risicogewogen posten voor het gedeelte van de securitisatiepositie waarvoor kredietprotectie is verleend overeenkomstig onderafdeling 3 alsof zij dat gedeelte van de positie rechtstreeks inneemt;

b) 

de instelling die kredietprotectie koopt, berekent de risicogewogen posten overeenkomstig hoofdstuk 4 voor het beschermde gedeelte.

7.  

Voor alle niet in lid 6 bedoelde gevallen gelden de onderstaande voorschriften:

a) 

de instelling die kredietprotectie verschaft, behandelt het gedeelte van de positie waarvoor kredietprotectie is verleend als een securitisatiepositie en berekent de risicogewogen posten alsof zij die positie rechtstreeks inneemt overeenkomstig onderafdeling 3, met inachtneming van de leden 8, 9 en 10;

b) 

de instelling die kredietprotectie koopt, berekent de risicogewogen posten voor het beschermde gedeelte van de positie als bedoeld onder a) overeenkomstig hoofdstuk 4. De instelling behandelt het gedeelte van de securitisatiepositie waarvoor geen kredietprotectie is verleend als een afzonderlijke securitisatiepositie en berekent de risicogewogen posten overeenkomstig onderafdeling 3, met inachtneming van de leden 8, 9 en 10.

8.  
Instellingen die gebruikmaken van de op interne ratings gebaseerde benadering („SEC-IRBA”) of de standaardbenadering („SEC-SA”) op grond van onderafdeling 3, bepalen het attachment point (A) en het detachment point (D) afzonderlijk voor elk van de overeenkomstig lid 7 afgeleide posities alsof deze ten tijde van de initiëring van de transactie als afzonderlijke securitisatieposities waren uitgegeven. Bij de berekening van de waarde van respectievelijk KIRB of KSA wordt rekening gehouden met de oorspronkelijk pool van onderliggende blootstellingen van de securitisatie.
9.  

Instellingen die voor de oorspronkelijke securitisatiepositie gebruikmaken van de op externe ratings gebaseerde benadering („SEC-ERBA”) overeenkomstig onderafdeling 3, berekenen de risicogewogen posten voor de overeenkomstig lid 7 afgeleide posities als volgt:

a) 

indien de afgeleide positie de hoogste rangorde heeft, krijgt deze het risicogewicht van de oorspronkelijke securitisatiepositie;

b) 

indien de afgeleide positie de laagste rangorde heeft, kan zij een afgeleide rating krijgen overeenkomstig artikel 263, lid 7. Waarde T voor de omvang van de tranche wordt in dat geval alleen op basis van de afgeleide positie berekend. Indien geen afgeleide rating mag worden gebruikt, past de instelling het risicogewicht toe dat voortvloeit uit:

i) 

de toepassing van SEC-SA in overeenstemming met lid 8 en onderafdeling 3, of

ii) 

het risicogewicht van de oorspronkelijke securitisatiepositie overeenkomstig de SEC-ERBA.

10.  
De afgeleide positie met de laagste rangorde wordt als een junior securitisatiepositie behandeld, zelfs als de oorspronkelijke securitisatiepositie voorafgaand aan de bescherming een senior positie vertegenwoordigde.

Artikel 250

Stilzwijgende steun

1.  
Een als sponsor optredende instelling of een als initiator optredende instelling die in verband met een securitisatie bij de berekening van de risicogewogen posten gebruik heeft gemaakt van artikel 247, leden 1 en 2, of instrumenten uit haar handelsportefeuille verkocht heeft met als gevolg dat niet meer van haar wordt verlangd dat ze eigen vermogen aanhoudt voor de risico’s van deze instrumenten, mag bij het verlenen van directe of indirecte steun aan een securitisatie, teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van beleggers te beperken, de grenzen van haar contractuele verplichtingen niet overschrijden.
2.  

Een transactie wordt niet geacht steun te verlenen in de zin van lid 1 indien zij naar behoren in aanmerking is genomen bij de beoordeling van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico, en beide partijen bij de uitvoering van de transactie in hun eigen belang als vrije en onafhankelijke partijen hebben gehandeld (onder marktconforme voorwaarden). Hiertoe verrichten de instellingen een volledige kredietbeoordeling van de transactie en houden zij ten minste rekening met elk van de volgende punten:

a) 

de prijs van de wederinkoop;

b) 

de kapitaal- en liquiditeitspositie van de instelling voor en na wederinkoop;

c) 

de prestaties van de onderliggende blootstellingen;

d) 

de prestaties van de securitisatieposities;

e) 

het effect van de steun op het verwachte verlies dat de initiator ten opzichte van de beleggers zou lijden.

3.  
De initiërende instelling en de als sponsor optredende instelling stellen de bevoegde autoriteit in kennis van iedere transactie die zij overeenkomstig lid 2 met betrekking tot de securitisatie zijn aangegaan.
4.  
De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit over de vraag wat onder marktconforme voorwaarden voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan en onder welke omstandigheden een transactie niet is opgezet om steun te verlenen.
5.  

Indien een als initiator of een als sponsor optredende instelling met betrekking tot een securitisatie lid 1 niet naleeft, neemt de instelling alle onderliggende blootstellingen van die securitisatie op in haar berekening van de risicogewogen posten alsof deze niet gesecuritiseerd waren, en maakt zij bekend:

a) 

dat zij steun aan de securitisatie heeft verleend in strijd met lid 1, alsmede

b) 

wat het effect is van de verleende steun ten aanzien van de eigenvermogensvereisten.

Artikel 251

Berekening door de initiërende instellingen van bij een synthetische securitisatie gesecuritiseerde risicogewogen posten

1.  
Bij de berekening van risicogewogen posten voor de onderliggende blootstellingen past de initiërende instelling van een synthetische securitisatie, in voorkomend geval, de in deze afdeling beschreven berekeningsmethoden toe en niet de in hoofdstuk 2 beschreven berekeningsmethoden. Voor instellingen die de risicogewogen posten en, in voorkomend geval, de verwachte verliesposten met betrekking tot de onderliggende blootstellingen overeenkomstig hoofdstuk 3 berekenen, is de verwachte verliespost met betrekking tot deze blootstellingen nihil.
2.  
De vereisten van lid 1 van dit artikel zijn van toepassing op de gehele pool van blootstellingen die deel uitmaken van de securitisatie. Met inachtneming van artikel 252 berekent de initiërende instelling de risicogewogen posten met betrekking tot alle tranches van de securitisatie overeenkomstig deze afdeling, met inbegrip van de posities waarvoor de instelling kredietrisicolimitering kan erkennen overeenkomstig artikel 249. Het risicogewicht dat wordt toegepast op posities waarvoor kredietrisicolimitering geldt, kan overeenkomstig hoofdstuk 4 worden gewijzigd.

Artikel 252

Behandeling van looptijdmismatches bij synthetische securitisaties

Bij de berekening van risicogewogen posten overeenkomstig artikel 251 wordt als volgt rekening gehouden met een eventuele looptijdmismatch tussen de kredietprotectie in het kader waarvan de risico-overdracht heeft plaatsgevonden en de onderliggende blootstellingen:

a) 

de looptijd van de onderliggende blootstellingen is de langste looptijd van één van die blootstellingen, met een maximum van vijf jaar. De looptijd van de kredietprotectie wordt vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 4;

b) 

een initiërende instelling laat eventuele looptijdmismatches bij de berekening van risicogewogen posten voor securitisatieposities waaraan in het kader van deze afdeling een risicogewicht van 1 250  % is toegekend, buiten beschouwing. Voor alle andere posities wordt de looptijdmismatch behandeld als beschreven in hoofdstuk 4, overeenkomstig de volgende formule:

waarbij:

▼M17

RW *

=

de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 92, lid 4, punt a);

▼M5

RWAss

=

de risicogewogen posten voor de onderliggende blootstellingen alsof die niet gesecuritiseerd waren, pro rata berekend;

RWSP

=

de risicogewogen posten, berekend overeenkomstig artikel 251, alsof er geen looptijdmismatch was;

T

=

de looptijd van de onderliggende blootstellingen, uitgedrukt in jaren;

t

=

de looptijd van de kredietprotectie, uitgedrukt in jaren;

t*

=

0,25.

Artikel 253

Vermindering in de waarde van risicogewogen posten

1.  
Indien aan een securitisatiepositie een risicogewicht van 1 250  % wordt toegekend overeenkomstig deze afdeling, kunnen de instellingen, in plaats van de positie in hun berekening van risicogewogen posten op te nemen, als alternatief de blootstellingswaarde van de positie overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder k), in mindering brengen op het tier 1-kernkapitaal. Daartoe mag bij de berekening van de blootstellingswaarde de toelaatbare volgestorte kredietprotectie in aanmerking worden genomen overeenkomstig artikel 249.
2.  
Indien een instelling gebruik maakt van het in lid 1 beschreven alternatief, mag zij het overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder k), in mindering gebrachte bedrag aftrekken van het in artikel 268 gespecificeerde bedrag als de maximale kapitaalvereiste die voor de onderliggende blootstellingen zou worden berekend indien die niet gesecuritiseerd waren.

Onderafdeling 2

Rangorde van methoden en gemeenschappelijke parameters

Artikel 254

Rangorde van methoden

1.  

De instellingen maken gebruik van een van de in onderafdeling 3 beschreven methoden voor de berekening van de risicogewogen posten, volgens de volgende rangorde:

a) 

indien aan de voorwaarden van artikel 258 is voldaan, gebruikt een instelling de SEC-IRBA overeenkomstig de artikelen 259 en 260;

b) 

indien de SEC-IRBA niet mag worden gebruikt, gebruikt een instelling de SEC-SA overeenkomstig de artikelen 261 en 262;

c) 

indien de SEC-SA niet mag worden gebruikt, gebruikt een instelling de SEC-ERBA overeenkomstig de artikelen 263 en 264 voor posities met een rating of voor posities ten aanzien waarvan een afgeleide rating mag worden gebruikt.

2.  

In het geval van posities met een rating of voor posities ten aanzien waarvan een afgeleide rating mag worden gebruikt, gebruikt een instelling de SEC-ERBA in plaats van de SEC-SA in elk van de volgende gevallen:

a) 

indien de toepassing van de SEC-SA zou resulteren in een risicogewicht hoger dan 25 % voor posities die als posities in een STS-securitisatie worden aangemerkt;

b) 

indien de toepassing van de SEC-SA zou resulteren in een risicogewicht hoger dan 25 % of de toepassing van de SEC-ERBA zou resulteren in een risicogewicht hoger dan 75 % voor posities die niet als posities in een STS-securitisatie worden aangemerkt;

c) 

voor securitisatietransacties die worden gedekt door pools van autoleningen, autoleases en leases van uitrusting.

3.  
In gevallen die niet onder lid 2 vallen kan een instelling besluiten, in afwijking van lid 1, onder b), de SEC-ERBA in plaats van de SEC-SA toe te passen op al haar securitisatieposities met een rating of op posities ten aanzien waarvan een afgeleide rating mag worden gebruikt.

Voor de toepassing van de eerste alinea stelt een instelling de bevoegde autoriteit uiterlijk op 17 november 2018 in kennis van haar besluit.

De instelling brengt elk daaropvolgend besluit tot verdere wijziging van de gevolgde aanpak voor al haar securitisatieposities met een rating vóór de 15e november onmiddellijk volgend op de datum van dat besluit ter kennis van de bevoegde autoriteit.

Indien de bevoegde autoriteit niet uiterlijk de 15e december onmiddellijk volgend op de in de tweede of de derde alinea bedoelde termijn, naargelang het geval, bezwaar heeft gemaakt, treedt het door de instelling ter kennis gegeven besluit in werking op 1 januari van het volgende jaar en blijft het geldig totdat een volgend ter kennis gegeven besluit in werking treedt. Een instelling gebruikt geen verschillende benaderingen in de loop van hetzelfde jaar.

4.  
In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen per geval verbieden de SEC-SA toe te passen indien de risicogewogen post die voortvloeit uit de toepassing van de SEC-SA niet in verhouding staat tot de risico’s voor de instelling of de financiële stabiliteit, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, het kredietrisico dat aan de onderliggende blootstellingen van de securitisatie verbonden is. In het geval van blootstellingen die niet als posities in een STS-securitisatie worden aangemerkt, wordt bijzondere aandacht besteed aan securitisaties met uiterst complexe en riskante kenmerken.
5.  
Onverminderd lid 1 van dit artikel kan een instelling de internebeoordelingsbenadering toepassen om risicogewogen posten te berekenen voor een positie zonder rating in een ABCP-programma of ABCP-transactie overeenkomstig artikel 266, mits aan de voorwaarden van artikel 265 is voldaan. Wanneer een instelling overeenkomstig artikel 265, lid 2, toestemming heeft gekregen om de internebeoordelingsbenadering toe te passen, en een specifieke positie in een ABCP-programma of ABCP-transactie onder het toepassingsgebied van die toestemming valt, past de instelling die benadering toe om de risicogewogen blootstelling van die positie te berekenen.
6.  
Voor een positie in een hersecuritisatie passen de instellingen de SEC-SA toe overeenkomstig artikel 261, met de in artikel 269 vermelde wijzigingen.
7.  
In alle andere gevallen wordt een risicogewicht van 1 250  % aan securitisatieposities toegekend.
8.  
De bevoegde autoriteiten stellen de EBA op de hoogte van elke overeenkomstig lid 3 van dit artikel gedane kennisgeving. De EBA houdt toezicht op de gevolgen van dit artikel voor de kapitaalvereisten en voor de diverse toezichtpraktijken in verband met lid 4 van dit artikel, en zij brengt jaarlijks verslag uit aan de Commissie over haar bevindingen en geeft richtsnoeren overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 255

Bepaling van KIRB en KSA

1.  
Indien een instelling de SEC-IRBA toepast volgens onderafdeling 3, berekent zij KIRB overeenkomstig de leden 2 tot en met 5.
2.  
Instellingen bepalen KIRB door vermenigvuldiging van de risicogewogen posten die overeenkomstig hoofdstuk 3 met betrekking tot de onderliggende blootstellingen zouden zijn berekend alsof zij niet gesecuritiseerd waren, met 8 %, gedeeld door de blootstellingswaarde van de onderliggende blootstellingen. KIRB wordt in decimalen tussen nul en één uitgedrukt.
3.  

Voor de berekening van KIRB omvatten de risicogewogen posten die overeenkomstig hoofdstuk 3 met betrekking tot de onderliggende blootstellingen zouden worden berekend:

a) 

het bedrag van de verwachte verliezen in verband met alle onderliggende blootstellingen van de securitisatie, met inbegrip van onderliggende blootstellingen ten aanzien waarvan wanbetaling heeft plaatsgevonden en die nog deel uitmaken van de pool overeenkomstig hoofdstuk 3, en

b) 

het bedrag van de onverwachte verliezen in verband met alle onderliggende blootstellingen, met inbegrip van onderliggende blootstellingen ten aanzien waarvan wanbetaling heeft plaatsgevonden in de pool overeenkomstig hoofdstuk 3.

4.  
Instellingen kunnen KIRB berekenen met betrekking tot de onderliggende blootstellingen van de securitisatie overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3 voor de berekening van de kapitaalvereisten voor gekochte kortlopende vorderingen. Hiertoe worden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen behandeld als gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen en worden andere blootstellingen dan die met betrekking tot particulieren en kleine partijen behandeld als gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen.
5.  
De instellingen berekenen KIRB afzonderlijk voor het verwateringsrisico met betrekking tot de onderliggende blootstellingen van een securitisatie indien er sprake is van een materieel verwateringsrisico met betrekking tot deze blootstellingen.

Indien verliezen als gevolg van het verwaterings- en het kredietrisico op geaggregeerde wijze worden behandeld in de securitisatie, voegen de instellingen de respectieve KIRB voor het verwaterings- en het kredietrisico samen tot één KIRB voor de toepassing van onderafdeling 3. De aanwezigheid van één reservefonds of van overpanding om verliezen als gevolg van het krediet- of het verwateringsrisico af te dekken, kan als indicatie worden beschouwd dat deze risico’s op geaggregeerde wijze worden behandeld.

Indien het verwaterings- en het kredietrisico niet op geaggregeerde wijze worden behandeld in de securitisatie, wijzigen de instellingen de in de tweede alinea genoemde behandeling ten einde de respectieve KIRB voor het verwaterings- en het kredietrisico op prudente wijze samen te voegen.

6.  
Indien een instelling de SEC-SA toepast overeenkomstig onderafdeling 3, berekent zij KSA door vermenigvuldiging van de risicogewogen posten die overeenkomstig hoofdstuk 2 met betrekking tot de onderliggende blootstellingen zouden worden berekend alsof deze niet gesecuritiseerd waren, met 8 %, gedeeld door de waarde van de onderliggende blootstellingen. KSA wordt in decimalen tussen nul en één uitgedrukt.

Voor de toepassing van dit lid berekenen de instellingen de blootstellingswaarde van de onderliggende blootstellingen zonder verrekening van specifieke kredietrisicoaanpassingen en aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 110 en andere eigenvermogensverlagingen.

7.  
Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 6 worden, wanneer een securitisatiestructuur gepaard gaat met het gebruik van een SSPE, alle blootstellingen van de SSPE in verband met de securitisatie behandeld als onderliggende blootstellingen. Onverminderd het voorgaande kan de instelling voor de berekening van KIRB of KSA de blootstellingen van de SSPE uitsluiten van de pool van onderliggende blootstellingen indien er geen sprake is van een materieel risico met betrekking tot de blootstellingen van de SSPE of indien het risico geen invloed heeft op de securitisatiepositie van de instelling.

In het geval van gedekte synthetische securitisaties wordt de eventuele opbrengst van de uitgifte van credit-linked notes of andere gedekte verplichtingen van de SSPE die dienen als zekerheid voor de terugbetaling van de securitisatieposities, opgenomen in de berekening van KIRB of KSA indien het kredietrisico van de zekerheid onderworpen is aan de in tranches verdeelde spreiding van verliezen.

8.  
Voor de toepassing van de derde alinea van lid 5 van dit artikel brengt de EBA richtsnoeren uit overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 over passende methoden om KIRB voor het verwaterings- en het kredietrisico samen te voegen indien deze risico’s niet op geaggregeerde wijze worden behandeld in een securitisatie.
9.  

Om de instellingen in staat te stellen KIRB voor de pools van onderliggende blootstellingen overeenkomstig lid 4 te berekenen, ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin de voorwaarden nader worden uitgelegd, met name met betrekking tot:

a) 

intern kredietbeleid en modellen voor het berekenen van KIRB voor securitisaties;

b) 

het toepassen van verschillende risicofactoren met betrekking tot de pool van onderliggende blootstellingen en, indien er onvoldoende accurate of betrouwbare gegevens over die pool voorhanden zijn, van proxygegevens om de PD en de LGD te kunnen inschatten, en

c) 

duediligencevereisten inzake het toezicht op de maatregelen en het beleid van verkopers van kortlopende vorderingen of andere initiators.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 januari 2019 in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de tweede alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 256

Bepaling van het attachment point (A) en het detachment point (D)

1.  
Voor de toepassing van onderafdeling 3 stellen de instellingen het attachment point (A) vast op de drempelwaarde waarop de toewijzing van verliezen binnen de pool van onderliggende blootstellingen aan de desbetreffende securitisatiepositie een aanvang zou nemen.

Het attachment point (A) wordt in decimalen weergegeven tussen nul en één, en is gelijk aan nul of aan de ratio tussen het uitstaande saldo van de pool van onderliggende blootstellingen in de securitisatie minus het saldo van alle tranches met een hogere rangorde dan, of een gelijke rangorde met, de tranche waarin de desbetreffende securitisatiepositie, met inbegrip van de blootstelling zelf, is opgenomen, en het uitstaande saldo van alle onderliggende blootstellingen in de securitisatie, welke van de twee het grootst is.

2.  
Voor de toepassing van onderafdeling 3 stellen de instellingen het detachment point (D) vast op de drempelwaarde waarop de verliezen binnen de pool van onderliggende blootstellingen zou resulteren in een volledig verlies van de hoofdsom voor de tranche waarin de desbetreffende securitisatiepositie is opgenomen.

Het detachment point (D) wordt in decimalen weergegeven tussen nul en één, en is gelijk aan nul of aan de ratio tussen het uitstaande saldo van de pool van onderliggende blootstellingen in de securitisatie minus het saldo van alle tranches met een hogere rangorde dan de tranche waarin de desbetreffende securitisatiepositie is opgenomen, en het uitstaande saldo van alle onderliggende blootstellingen in de securitisatie, welke van de twee het grootst is.

3.  
Voor de toepassing van de leden 1 en 2 behandelen de instellingen overpanding en gedekte reserverekeningen als tranches en de activa waartoe deze reserverekeningen behoren als onderliggende blootstellingen.
4.  
Voor de toepassing van de leden 1 en 2 houden de instellingen geen rekening met ongedekte reserverekeningen en activa die geen kredietverbetering verschaffen, zoals die welke slechts liquiditeitssteun bieden, valuta- of renteswaps en rekeningen betreffende zekerheden in de vorm van contanten met betrekking tot die posities in de securitisatie. Ten aanzien van gedekte reserverekeningen en activa die kredietverbetering verschaffen, behandelen de instellingen slechts de delen van deze rekeningen of activa waarmee verliezen kunnen worden gecompenseerd als securitisatieposities.
5.  
Indien twee of meer posities van dezelfde transactie verschillende looptijden, maar pro rata dezelfde verliesallocatie hebben, worden de attachment points (A) en de detachment points (D) op basis van het totale uitstaande saldo van die posities berekend en zijn de daaruit voortvloeiende attachment points (A) en detachment points (D) dezelfde.

▼M13

6.  
Voor de berekening van attachment points (A) en detachment points (D) van een synthetische securitisatie behandelt de initiërende instelling van de securitisatie de blootstellingswaarde van de securitisatiepositie die overeenstemt met de in punt e) van artikel 248 vermelde synthetische overgebleven rentemarge als een tranche, en past zij de attachment points (A) en detachment points (D) van de andere tranches die zij aanhoudt, aan door die blootstellingswaarde toe te voegen aan de openstaande saldi van de pool van onderliggende blootstellingen in de securitisatie. Andere instellingen dan de initiërende instelling hoeven deze aanpassing niet te doen.

▼M5

Artikel 257

Bepaling van tranche looptijd (MT)

1.  

Voor de toepassing van onderafdeling 3 en met inachtneming van lid 2, kunnen de instellingen de looptijd van een tranche (MT) berekenen als:

a) 

de gewogen gemiddelde looptijd van de contractuele betalingen die in het kader van de tranche verschuldigd zijn overeenkomstig de volgende formule:

waarbij CFt staat voor alle contractuele betalingen (hoofdsom, rente en provisies) die de leningnemer in periode t verschuldigd is, of

b) 

de definitieve wettelijke looptijd van de tranche overeenkomstig de volgende formule:

waarbij ML de definitieve wettelijke looptijd van de tranche is.

2.  
Voor de toepassing van lid 1 wordt bij de bepaling van de looptijd van een tranche (MT) in alle gevallen een termijn van ten minste één jaar en ten hoogste vijf jaar gehanteerd.
3.  
Indien een instelling op grond van een contract kan worden blootgesteld aan potentiële verliezen op de onderliggende blootstellingen, bepaalt de instelling de looptijd van de securitisatiepositie door de looptijd van het contract plus de langste looptijd van die onderliggende blootstellingen in aanmerking te nemen. Voor revolverende blootstellingen geldt de langste contractueel mogelijke resterende looptijd van de blootstelling die tijdens de doorroltermijn kan worden toegevoegd.
4.  
De EBA houdt toezicht op de diverse praktijken op dit gebied, met bijzondere aandacht voor de toepassing van dit artikel, lid 1, onder a), en vaardigt uiterlijk op 31 december 2019 richtsnoeren uit overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Onderafdeling 3

Methoden voor de berekening van risicogewogen posten

Artikel 258

Voorwaarden voor het gebruik van de interneratingbenadering (SEC-IRBA)

1.  

De instellingen gebruiken de SEC-IRBA voor de berekening van risicogewogen posten met betrekking tot een securitisatiepositie indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de positie wordt gedekt door een IRB-pool of een gemengde pool, mits in dat laatste geval de instelling KIRB kan berekenen overeenkomstig afdeling 3 op een minimum van 95 % van de waarde van de onderliggende blootstelling;

b) 

er is voldoende informatie met betrekking tot de onderliggende blootstellingen van de securitisatie beschikbaar aan de hand waarvan de instelling KIRB kan berekenen, en

c) 

de instelling is niet overeenkomstig lid 2 belet de SEC-IRBA te gebruiken met betrekking tot een gespecificeerde securitisatiepositie.

2.  

De bevoegde autoriteiten kunnen per geval het gebruik van de SEC-IRBA beletten indien securitisaties uiterst complexe of riskante kenmerken hebben. Daartoe kan het volgende als een uiterst complex of riskant kenmerk worden beschouwd:

a) 

een kredietverbetering die om andere redenen dan portefeuilleverliezen kan worden uitgehold;

b) 

pools van onderliggende blootstellingen met een hoge mate van interne correlatie ten gevolge van geconcentreerde blootstellingen aan één sector of één geografisch gebied;

c) 

transacties waarbij de terugbetaling van de securitisatieposities in hoge mate afhankelijk is van risicobepalende factoren die niet in KIRB tot uiting komen, of

d) 

uiterst complexe verliestoewijzingen tussen tranches.

Artikel 259

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de SEC-IRBA

1.  

In het kader van de SEC-IRBA wordt de risicogewogen post voor een securitisatiepositie berekend door de overeenkomstig artikel 248 berekende blootstellingswaarde van de positie te vermenigvuldigen met het toepasselijke risicogewicht dat als volgt is bepaald, waarbij in alle gevallen een ondergrens van 15 % geldt:



RW = 1 250  %

indien D ≤ KIRB

indien A ≥ KIRB

indien A < KIRB < D

waarbij:

KIRB

de kapitaaltoeslag van de pool van onderliggende blootstellingen in de zin van artikel 255 is

D

het overeenkomstig artikel 256 bepaalde detachment point is

A

het overeenkomstig artikel 256 bepaalde attachment point is

waarbij:

a

=

– (1/(p * KIRB))

u

=

D – KIRB

l

=

max (A – KIRB; 0)

waarbij:

waarbij:

N

het overeenkomstig lid 4 berekende effectieve aantal blootstellingen in de pool van onderliggende blootstellingen is;

LGD

het overeenkomstig lid 5 berekende naar blootstelling gewogen gemiddelde verlies bij wanbetaling van de pool van onderliggende blootstellingen is;

MT

de overeenkomstig artikel 257 vastgestelde looptijd van de tranche is.

De parameters A, B, C, D en E worden volgens de volgende tabel vastgesteld:



 

A

B

C

D

E

Niet-retail

Senior, granulair (N ≥ 25)

0

3,56

-1,85

0,55

0,07

Senior, niet-granulair (N < 25)

0,11

2,61

-2,91

0,68

0,07

Niet-senior, granulair (N ≥ 25)

0,16

2,87

-1,03

0,21

0,07

Niet-senior, niet-granulair (N < 25)

0,22

2,35

-2,46

0,48

0,07

Retail

Senior

0

0

-7,48

0,71

0,24

Niet-senior

0

0

-5,78

0,55

0,27

2.  
Indien de onderliggende IRB-pool zowel blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen (retailblootstellingen) als andere blootstellingen (niet-retailblootstellingen) omvat, wordt de pool verdeeld in één retailsubpool en één niet-retailsubpool en wordt voor elke subpool een afzonderlijke p-parameter (en de overeenkomstige inputparameters N, KIRB en LGD) geraamd. Vervolgens wordt een gewogen gemiddelde p-parameter voor de transactie berekend op basis van de p-parameters van elke subpool en de nominale omvang van de blootstellingen in elke subpool.
3.  
Indien een instelling de SEC-IRBA op een gemengde pool toepast, wordt de berekening van de p-parameter gebaseerd op de onderliggende blootstellingen die alleen onder de IRB-benadering vallen. De onderliggende blootstellingen die onder de standaardbenadering vallen, worden voor die doeleinden buiten beschouwing gelaten.
4.  

Het effectieve aantal blootstellingen (N) wordt als volgt berekend:

waarbij EADi de met de ide blootstelling in de pool verbonden waarde van blootstelling vertegenwoordigt.

Meerdere blootstellingen aan dezelfde debiteur worden geconsolideerd en als één enkele blootstelling behandeld.

5.  

Het naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD wordt als volgt berekend:

waarbij LGDi het gemiddelde met alle blootstellingen aan de ide debiteur verbonden LGD vormt.

Indien bij een securitisatie het krediet- en het verwateringsrisico voor gekochte kortlopende vorderingen op geaggregeerde wijze worden behandeld, wordt de LGD-input bij het kredietrisico opgevat als een gewogen gemiddelde van het LGD en bij het verwateringsrisico als 100 % van het LGD. De gewichten zijn de afzonderlijke kapitaalvereisten van de IRB-benadering voor respectievelijk het kredietrisico en het verwateringsrisico. Indien voor de dekking van verliezen vanwege hetzij het kredietrisico hetzij het verwateringsrisico één enkel reservefonds of één enkele overpanding beschikbaar is, kan dit reservefonds of die overpanding voor die doeleinden worden beschouwd als een aanwijzing dat deze risico’s op een geaggregeerde wijze worden beheerd.

6.  

Wanneer het aandeel van de grootste onderliggende blootstelling in de pool (C1) niet meer dan 3 % bedraagt, kunnen de instellingen de volgende vereenvoudigde methode gebruiken om N en de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD’s te berekenen:

LGD = 0,50

waarbij:

Cm

het met de som van de grootste m-blootstellingen overeenstemmende aandeel van de pool aangeeft, en

m

door de instelling wordt vastgesteld.

Indien alleen C1 beschikbaar is en de waarde daarvan niet meer dan 0,03 bedraagt, kan de instelling het LGD als 0,50 en N als 1/C1 vaststellen.

7.  

Wanneer de positie door een gemengde pool wordt gedekt en de instelling KIRB overeenkomstig artikel 258, lid 1, onder a), op ten minste 95 % van de onderliggende posten kan berekenen, berekent de instelling de kapitaaltoeslag voor de pool van onderliggende blootstellingen als:

waarbij:

d het aandeel is van het bedrag van de onderliggende blootstellingen waarvoor de instelling KIRB over het bedrag van alle onderliggende blootstellingen kan berekenen.

8.  
Wanneer een instelling een securitisatiepositie heeft in de vorm van een derivaat ter afdekking van marktrisico’s, waaronder renterisico’s of valutarisico’s, kan zij dat derivaat een afgeleid risicogewicht toekennen dat gelijk is aan het overeenkomstig dit artikel berekende risicogewicht van de referentiepositie.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt onder referentiepositie de positie verstaan die in alle opzichten dezelfde rang als het derivaat heeft of, bij gebrek aan een dergelijke positie van dezelfde rang, de positie die het derivaat onmiddellijk in rang volgt.

Artikel 260

Behandeling van STS-securitisaties in het kader van de SEC-IRBA

In het kader van de SEC-IRBA wordt het risicogewicht voor een positie in een STS-securitisatie overeenkomstig artikel 259 berekend, met de volgende wijzigingen:

risicogewichtondergrens voor senior securitisatieposities = 10 %

Artikel 261

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de standaardbenadering (SEC-SA)

1.  

In het kader van de SEC-SA wordt de risicogewogen post voor een securitisatiepositie berekend door de overeenkomstig artikel 248 berekende blootstellingswaarde van de positie te vermenigvuldigen met het toepasselijke risicogewicht dat als volgt is bepaald, waarbij in alle gevallen een ondergrens van 15 % geldt:



RW = 1 250  %

indien D ≤ KA

indien A ≥ KA

indien A < KA < D

waarbij:

D

het overeenkomstig artikel 256 bepaalde detachment point is;

A

het overeenkomstig artikel 256 bepaalde attachment point is;

KA

een overeenkomstig lid 2 berekende parameter is;

waarbij:

a

=

– (1/(p · KA))

u

=

D – KA

l

=

max (A – KA; 0)

p

=

1 voor een securitisatieblootstelling die geen hersecuritisatieblootstelling is

2.  

Voor de toepassing van lid 1 wordt KA als volgt berekend:

waarbij:

KSA de kapitaaltoeslag is van de onderliggende pool in de zin van artikel 255;

W = verhouding van:

a) 

de som van de nominale bedragen van de onderliggende blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, en

b) 

de som van de nominale bedragen van alle onderliggende blootstellingen.

Te dien einde wordt onder een blootstelling waarbij sprake is van wanbetaling een onderliggende blootstelling verstaan die ofwel: i) sinds minstens 90 dagen achterstallig is; ii) het voorwerp uitmaakt van een faillissements- of insolventieprocedure; iii) het voorwerp uitmaakt van een executie- of soortgelijke procedure; of iv) in wanbetaling is overeenkomstig de securitisatiedocumentatie.

Indien een instelling de achterstalligheidsstatus van 5 % of minder van de onderliggende blootstellingen in de pool niet kent, kan zij de SEC-SA gebruiken, met de volgende aanpassing in de berekening KA:

Indien de instelling de achterstalligheidsstatus van meer dan 5 % van de onderliggende blootstellingen in de pool niet kent, moet de positie in de securitisatie worden risicogewogen op 1 250  %.

3.  
Wanneer een instelling een securitisatiepositie heeft in de vorm van een derivaat ter afdekking van marktrisico’s, waaronder renterisico’s of valutarisico’s, kan zij dat derivaat een afgeleid risicogewicht toekennen dat gelijk is aan het overeenkomstig dit artikel berekende risicogewicht van de referentiepositie.

Voor de toepassing van dit lid wordt onder referentiepositie de positie verstaan die in alle opzichten dezelfde rang heeft als het derivaat of, bij gebrek aan een dergelijke positie van gelijke rang, de positie het derivaat onmiddellijk in rang volgt.

Artikel 262

Behandeling van STS-securitisaties in het kader van de SEC-SA.

In het kader van de SEC-SA wordt het risicogewicht voor een positie in een STS-securitisatie overeenkomstig artikel 261 berekend, met de volgende wijzigingen:

risicogewichtondergrens voor senior securitisatieposities = 10 %
p = 0,5

Artikel 263

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de externeratingbenadering (SEC-ERBA)

1.  
In het kader van de SEC-ERBA wordt de risicogewogen post voor een securitisatiepositie berekend door de overeenkomstig artikel 248 berekende blootstellingswaarde van de positie te vermenigvuldigen met het toepasselijke risicogewicht dat overeenkomstig dit artikel is bepaald.
2.  

Voor blootstellingen met kortetermijnkredietbeoordelingen of indien een rating op basis van een kortetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig lid 7 kan worden afgeleid, gelden de volgende risicogewichten:



Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

Alle andere ratings

Risicogewicht

15  %

50  %

100  %

1 250  %

3.  

Voor blootstellingen met langetermijnkredietbeoordelingen of indien een rating op basis van een langetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig lid 7 van dit artikel kan worden afgeleid, gelden de in tabel 2 opgenomen risicogewichten, die naargelang het geval overeenkomstig artikel 257 en lid 4 van dit artikel voor tranchelooptijd (MT) en overeenkomstig lid 5 van dit artikel voor trancheomvang voor niet-senior tranches zijn aangepast:



Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie

Senior tranche

Niet-senior (dunne) tranche

Tranchelooptijd (MT)

Tranchelooptijd (MT)

1 één jaar

5 vijf jaar

1 één jaar

5 vijf jaar

1

15  %

20  %

15  %

70  %

2

15  %

30  %

15  %

90  %

3

25  %

40  %

30  %

120  %

4

30  %

45  %

40  %

140  %

5

40  %

50  %

60  %

160  %

6

50  %

65  %

80  %

180  %

7

60  %

70  %

120  %

210  %

8

75  %

90  %

170  %

260  %

9

90  %

105  %

220  %

310  %

10

120  %

140  %

330  %

420  %

11

140  %

160  %

470  %

580  %

12

160  %

180  %

620  %

760  %

13

200  %

225  %

750  %

860  %

14

250  %

280  %

900  %

950  %

15

310  %

340  %

1 050  %

1 050  %

16

380  %

420  %

1 130  %

1 130  %

17

460  %

505  %

1 250  %

1 250  %

Alle andere

1 250  %

1 250  %

1 250  %

1 250  %

4.  
Om het risicogewicht te bepalen voor tranches met een looptijd tussen 1 en 5 jaar, gebruiken de instellingen lineaire interpolatie tussen de risicogewichten die overeenkomstig tabel 2 voor een looptijd van één jaar respectievelijk vijf jaar toepasselijk zijn.
5.  

Om rekening te houden met de omvang van de tranche, berekenen de instellingen het risicogewicht voor niet-senior tranches als volgt:

waarbij:

T = omvang van de tranche gemeten als D – A

waarbij:

D

het overeenkomstig artikel 256 bepaalde detachment point is

A

het overeenkomstig artikel 256 bepaalde attachment point is

6.  
Voor de uit de leden 3, 4 en 5 voortvloeiende risicogewichten voor niet-senior tranches geldt een ondergrens van 15 %. Daarnaast mogen de resulterende risicogewichten niet lager zijn dan het risicogewicht dat overeenstemt met een hypothetische senior tranche van dezelfde securitisatie met dezelfde kredietbeoordeling en looptijd.
7.  

Voor het gebruik van afgeleide ratings kennen instellingen aan een positie zonder rating een afgeleide rating toe die gelijk is aan de kredietbeoordeling van een referentiepositie met een rating die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

de referentiepositie heeft in alle opzichten dezelfde rang als de securitisatiepositie zonder rating of volgt, bij gebrek aan een positie van dezelfde rang, de positie zonder rating onmiddellijk in rang;

b) 

de referentiepositie geniet geen garanties van derden of andere kredietverbeteringen waarover de positie zonder rating niet beschikt;

c) 

de looptijd van de referentiepositie is gelijk aan of langer dan die van de betrokken positie zonder rating;

d) 

alle afgeleide ratings worden voortdurend geactualiseerd om rekening te houden met alle wijzigingen in de kredietbeoordeling van de referentiepositie.

8.  
Wanneer een instelling een securitisatiepositie heeft in de vorm van een derivaat ter afdekking van marktrisico’s, waaronder renterisico’s of valutarisico’s, kan zij dat derivaat een afgeleid risicogewicht toekennen dat gelijk is aan het overeenkomstig dit artikel berekende risicogewicht van de referentiepositie.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt onder referentiepositie de positie verstaan die in alle opzichten dezelfde rang als het derivaat heeft of, bij gebrek aan een dergelijke positie van dezelfde rang, de positie die het derivaat onmiddellijk in rang volgt.

Artikel 264

Behandeling van STS-securitisaties in het kader van de SEC-ERBA

1.  
In het kader van de SEC-ERBA wordt het risicogewicht voor een positie in een STS-securitisatie overeenkomstig artikel 263 berekend, met de in dit artikel vastgestelde wijzigingen.
2.  

Voor blootstellingen met kortetermijnkredietbeoordelingen of indien een rating op basis van een kortetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig artikel 263, lid 7, kan worden afgeleid, gelden de volgende risicogewichten:



Tabel 3

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

Alle andere ratings

Risicogewicht

10  %

30  %

60  %

1 250  %

3.  

Voor blootstellingen met langetermijnkredietbeoordelingen of indien een rating op basis van een langetermijnkredietbeoordeling overeenkomstig artikel 263, lid 7, kan worden afgeleid, worden de risicogewichten vastgesteld overeenkomstig tabel 4, aangepast overeenkomstig artikel 257 en artikel 263, lid 4, voor tranchelooptijd (MT) en overeenkomstig artikel 263, lid 5, voor trancheomvang voor niet-senior tranches:



Tabel 4

Kredietkwaliteitscategorie

Senior tranche

Niet-senior (dunne) tranche

Tranchelooptijd (MT)

Tranchelooptijd (MT)

1 één jaar

5 vijf jaar

1 één jaar

5 vijf jaar

1

10  %

10  %

15  %

40  %

2

10  %

15  %

15  %

55  %

3

15  %

20  %

15  %

70  %

4

15  %

25  %

25  %

80  %

5

20  %

30  %

35  %

95  %

6

30  %

40  %

60  %

135  %

7

35  %

40  %

95  %

170  %

8

45  %

55  %

150  %

225  %

9

55  %

65  %

180  %

255  %

10

70  %

85  %

270  %

345  %

11

120  %

135  %

405  %

500  %

12

135  %

155  %

535  %

655  %

13

170  %

195  %

645  %

740  %

14

225  %

250  %

810  %

855  %

15

280  %

305  %

945  %

945  %

16

340  %

380  %

1 015  %

1 015  %

17

415  %

455  %

1 250  %

1 250  %

Alle andere

1 250  %

1 250  %

1 250  %

1 250  %

Artikel 265

Toepassingsgebied en operationele vereisten voor de internebeoordelingsbenadering

1.  
Instellingen kunnen gebruikmaken van de internebeoordelingsbenadering om risicogewogen posten te berekenen voor een positie zonder rating in een ABCP-programma of ABCP-transactie overeenkomstig artikel 266, mits aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel is voldaan.

Wanneer een instelling overeenkomstig lid 2 van dit artikel toestemming heeft gekregen om de internebeoordelingsbenadering toe te passen, en een specifieke positie in een ABCP-programma of ABCP-transactie onder het toepassingsgebied van die toestemming valt, past de instelling die benadering toe om de risicogewogen blootstelling van die positie te berekenen.

2.  

De bevoegde autoriteiten verlenen aan instellingen toestemming om de internebeoordelingsbenadering binnen een duidelijk omschreven toepassingsgebied toe te passen indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:

a) 

alle posities in het commercial paper dat in het kader van het ABCP-programma is uitgegeven, zijn posities met een rating;

b) 

de interne beoordeling van de kredietkwaliteit van de positie is in overeenstemming met de voor het publiek toegankelijke beoordelingsmethode die door één of meer EKBI’s wordt toegepast voor het opstellen van ratings met betrekking tot securitisatieposities gedekt door onderliggende blootstellingen van het type dat gesecuritiseerd is;

c) 

het in het kader van het ABCP-programma uitgegeven commercial paper wordt voornamelijk aan derden-beleggers uitgegeven;

d) 

de internebeoordelingsprocedure van de instelling is ten minste even voorzichtig als de voor het publiek toegankelijke beoordelingen van die EKBI’s die een externe rating hebben opgesteld voor het commercial paper dat in het kader van het ABCP-programma is uitgegeven, met name met betrekking tot stressfactoren en andere relevante kwantitatieve elementen;

e) 

de internebeoordelingsmethode van de instelling houdt rekening met alle relevante voor het publiek toegankelijke ratingmethoden van de EKBI’s die een rating opstellen voor het commercial paper van het ABCP-programma, en omvat ratingklassen die overeenstemmen met de kredietbeoordelingen van EKBI’s. De instelling neemt in haar interne registers een toelichting op waarin wordt beschreven hoe aan de in dit punt vastgestelde vereisten is voldaan, en werkt die toelichting regelmatig bij;

f) 

de instelling gebruikt de internebeoordelingsmethode voor intern risicobeheer, onder meer in haar besluitvormingsprocedures en procedures met betrekking tot informatiebeheer en interne kapitaalallocatie;

g) 

interne of externe accountants, een EKBI of de interne kredietbeoordelings- of risicobeheerfunctie van de instelling evalueren regelmatig het interne beoordelingsproces en de kwaliteit van de interne beoordelingen van de kredietkwaliteit van de blootstellingen van de instelling in een ABCP-programma of ABCP-transactie;

h) 

de instelling houdt de resultaten van haar interne ratings bij in de tijd om haar internebeoordelingsmethode te evalueren en past die methode zo nodig aan wanneer de prestaties van de blootstellingen regelmatig afwijken van die welke in de interne ratings zijn vermeld;

i) 

het ABCP-programma omvat overnemingsnormen en passivabeheernormen in de vorm van richtsnoeren voor de programmabeheerder over, ten minste:

i) 

de toelaatbaarheidscriteria voor activa, onder de onder j) vastgestelde voorwaarden;

ii) 

de types en monetaire waarde van de blootstellingen die voortvloeien uit het verstrekken van liquiditeitsfaciliteiten en kredietverbeteringen;

iii) 

de verdeling van verliezen over de securitisatieposities in het ABCP-programma of de ABCP-transactie;

iv) 

de juridische en economische afzondering van de overgedragen activa van de entiteit die deze activa verkoopt;

j) 

de toelaatbaarheidscriteria voor activa in het ABCP-programma voorzien ten minste in:

i) 

uitsluiting van de aankoop van activa waarvoor er sprake is van een aanzienlijke betalingsachterstand of van wanbetaling;

ii) 

beperking van een al te sterke concentratie op een individuele debiteur of een individueel geografisch gebied, en

iii) 

beperking van de looptijd van de te kopen activa;

k) 

een analyse van het kredietrisico en het bedrijfsprofiel van de verkoper van activa, waarbij ten minste een beoordeling wordt verricht van de volgende gegevens van de verkoper:

i) 

vroegere en verwachte toekomstige financiële prestaties;

ii) 

actuele marktpositie en verwacht toekomstig concurrentievermogen;

iii) 

hefboomfinanciering, kasstromen, rentedekking en schuldrating, en

iv) 

overnemingsnormen, vermogen om schulden af te lossen en inningsprocessen;

l) 

het ABCP-programma beschikt over inningsstrategieën en -processen die rekening houden met de operationele capaciteit en kredietkwaliteit van de servicer en heeft kenmerken waarmee prestatiegerelateerde risico’s van de verkoper en de servicer worden getemperd. Voor de toepassing van dit punt kunnen prestatiegerelateerde risico’s worden getemperd met reactiemechanismen op basis van de actuele kredietkwaliteit van de verkoper of de servicer, die ervoor zorgen dat een vermenging van middelen wordt voorkomen in het geval van wanbetaling van de verkoper of de servicer;

m) 

bij de totale raming van verliezen op een pool van activa die in het ABCP-programma kunnen worden gekocht, wordt met alle bronnen van potentiële risico’s, zoals krediet- en verwateringsrisico, rekening gehouden;

n) 

indien de door de verkoper verstrekte kredietverbetering uitsluitend is gebaseerd op kredietgerelateerde verliezen en er sprake is van een materieel verwateringsrisico met betrekking tot de specifieke pool van activa, omvat het ABCP-programma een aparte reserve voor het verwateringsrisico;

o) 

het vereiste niveau van kredietverbetering in het ABCP-programma wordt berekend rekening houdend met de historische gegevens van meerdere jaren die onder meer betrekking hebben op verliezen, betalingsachterstanden, verwatering en de omlooptijd van kortlopende vorderingen;

p) 

het ABCP-programma bevat structurele kenmerken bij de aankoop van blootstellingen waarmee potentiële kredietverslechtering van de onderliggende portefeuille wordt getemperd. Die kenmerken kunnen afbouwmechanismen omvatten die specifiek zijn voor een pool van blootstellingen;

q) 

de instelling evalueert de kenmerken van de onderliggende activapool, zoals de gewogen gemiddelde kredietscore ervan, stelt vast dat er sprake is van concentraties met betrekking tot een individuele debiteur of een individueel geografisch gebied en bepaalt de granulariteit van de activapool.

3.  
Indien de in lid 2, onder g), bedoelde evaluatie wordt uitgevoerd door de interne accountants-, kredietbeoordelings- of risicobeheerfuncties van de instelling, zijn die functies onafhankelijk van de interne functies van de instelling die zich bezighouden met het ABCP-programma en de relatie met cliënten.
4.  

De instellingen die toestemming hebben gekregen om de internebeoordelingsbenadering toe te passen, grijpen niet terug op andere methoden voor posities die onder de toepassing van de internebeoordelingsbenadering vallen, tenzij beide volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat de instelling daartoe goede gronden heeft;

b) 

de instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit ontvangen.

Artikel 266

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de internebeoordelingsbenadering

1.  
In het kader van de internebeoordelingsbenadering brengt de instelling de positie zonder rating in het ABCP-programma of de ABCP-transactie onder in één van de in artikel 265, lid 2, onder e), uiteengezette ratingklassen, op basis van een interne beoordeling. Aan deze positie wordt dezelfde afgeleide rating toegekend als aan de kredietbeoordelingen die met die in artikel 265, lid 2, onder e), uiteengezette ratingklasse overeenstemmen.
2.  
De overeenkomstig lid 1 afgeleide rating heeft ten minste een niveau van investeringswaardig of hoger op het ogenblik waarop zij voor het eerst werd toegekend, en wordt beschouwd als een kredietbeoordeling door een EKBI voor de berekening van de risicogewogen posten overeenkomstig artikel 263 of artikel 264, naargelang het geval.

Onderafdeling 4

Bovengrenzen voor securitisatieposities

Artikel 267

Maximaal risicogewicht voor senior securitisatieposities: „doorkijkbenadering”

1.  
Een instelling die te allen tijde kennis heeft van de samenstelling van de onderliggende blootstellingen kan de senior securitisatiepositie een maximaal risicogewicht toekennen gelijk aan het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht dat op de onderliggende blootstellingen toepasselijk zou zijn alsof de onderliggende blootstellingen niet waren gesecuritiseerd.
2.  
Indien de instelling voor pools van onderliggende blootstellingen uitsluitend de standaardbenadering of de IRB-benadering gebruikt, is het maximale risicogewicht van de senior securitisatiepositie gelijk aan het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht dat op grond van hoofdstuk 2 respectievelijk hoofdstuk 3 op de onderliggende blootstellingen van toepassing zou zijn, als die niet waren gesecuritiseerd.

Voor gemengde pools wordt het maximale risicogewicht als volgt berekend:

a) 

indien de instelling de SEC-IRBA toepast, wordt aan het aandeel standaardbenadering en het aandeel IRB-benadering van de onderliggende pool het risicogewicht toegekend op grond van respectievelijk de standaardbenadering en de IRB-benadering;

b) 

indien de instelling de SEC-SA of de SEC-ERBA toepast, is het maximale risicogewicht voor senior securitisatieposities gelijk aan het volgens de standaardbenadering gewogen gemiddelde risicogewicht van de onderliggende blootstellingen.

3.  

Voor de toepassing van dit artikel omvat het risicogewicht dat volgens de IRB-benadering overeenkomstig hoofdstuk 3 toepasselijk zou zijn, de verhouding tussen:

a) 

de verwachte verliezen vermenigvuldigd met 12,5 en

b) 

de blootstellingswaarde van de onderliggende blootstellingen.

4.  
Indien het overeenkomstig lid 1 berekende maximale risicogewicht lager uitvalt dan de in de artikelen 259 tot en met 264 vastgestelde risicogewichtondergrenzen, naargelang het geval, wordt dat laagste risicogewicht gebruikt.

Artikel 268

Maximale kapitaalvereisten

1.  
Een initiërende instelling, een sponsorinstelling of een andere instelling die de SEC-IRBA gebruikt, of een initiërende instelling of een sponsorinstelling die de SEC-SA of de SEC-ERBA gebruikt, kan voor de door haar aangehouden securitisatiepositie een maximale kapitaalvereiste toepassen die gelijk is aan de kapitaalvereisten die overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 zouden zijn berekend met betrekking tot de onderliggende blootstellingen, alsof die niet waren gesecuritiseerd. Voor de toepassing van dit artikel omvat de kapitaalvereiste volgens de IRB-benadering het overeenkomstig hoofdstuk 3 berekende bedrag van de verwachte verliezen die aan die blootstellingen verbonden zijn, en het bedrag van de onverwachte verliezen.
2.  
Voor gemengde pools wordt de maximale kapitaalvereiste bepaald door het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de kapitaalvereisten van de aandelen volgens de IRB-benadering en de standaardbenadering van de onderliggende blootstellingen overeenkomstig lid 1.
3.  

De maximale kapitaalvereiste is het resultaat van de vermenigvuldiging van het overeenkomstig de leden 1 of 2 berekende bedrag met het hoogste aandeel van rente dat de instelling in de betrokken tranches (V) heeft, uitgedrukt als een percentage en berekend als volgt:

a) 

voor een instelling die één of meer securitisatieposities in één enkele tranche heeft, is V gelijk aan de verhouding van het nominale bedrag van de securitisatieposities die de instelling in die bepaalde tranche heeft tot het nominale bedrag van de tranche;

b) 

voor een instelling die securitisatieposities in verschillende tranches heeft, is V gelijk aan het maximale aandeel van rente doorheen de tranches. Daartoe wordt het aandeel van rente voor elk van de verschillende tranches berekend volgens de bepalingen onder a).

4.  
Wanneer de maximale kapitaalvereiste voor een securitisatiepositie overeenkomstig dit artikel wordt berekend, wordt het volledige bedrag van alle winsten op verkoop en kredietverbeterende te ontvangen rentecoupons die uit de securitisatietransactie voortvloeien, overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder k), van de tier 1-kernkapitaalinstrumenten afgetrokken.

Onderafdeling 5

Diverse bepalingen

Artikel 269

Hersecuritisaties

1.  

Voor een positie in een hersecuritisatie passen de instellingen de SEC-SA overeenkomstig artikel 261 toe, met de volgende wijzigingen:

a) 

W = 0 voor alle blootstellingen aan een securitisatietranche binnen de pool van onderliggende blootstellingen;

b) 

p = 1,5;

c) 

voor het resulterende risicogewicht geldt een risicogewichtondergrens van 100 %.

2.  
KSA voor de onderliggende securitisatieblootstellingen wordt berekend overeenkomstig onderafdeling 2.
3.  
De in onderafdeling 4 vastgestelde maximale kapitaalvereisten worden niet toegepast op hersecuritisatieposities.
4.  
Indien de pool van onderliggende blootstellingen bestaat uit een mengeling van securitisatietranches en andere typen van activa, wordt de KA-parameter bepaald als het nominale naar blootstelling gewogen gemiddelde van de KA, individueel berekend voor elke subreeks van blootstellingen.

▼M13

Artikel 269 bis

Behandeling van securitisaties van niet-renderende blootstellingen („non performing exposures” — NPE’s)

1.  

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a) 

„NPE-securitisatie”: een securitisatie van niet-renderende blootstellingen (NPE’s) als gedefinieerd in artikel 2, punt 25, van Verordening (EU) 2017/2402;

b) 

„in aanmerking komende traditionele NPE-securitisatie”: een traditionele NPE-securitisatie waarbij de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs ten minste 50 % bedraagt van het uitstaande bedrag van de onderliggende blootstellingen op het tijdstip waarop zij aan de SSPE werden overgedragen.

2.  
Het risicogewicht voor een positie in een NPE-securitisatie wordt berekend overeenkomstig artikel 254 of 267. Voor het risicogewicht geldt een ondergrens van 100 %, behalve wanneer artikel 263 wordt toegepast.
3.  
In afwijking van lid 2 van dit artikel kennen instellingen een risicogewicht van 100 % toe aan de senior securitisatiepositie in een in aanmerking komende traditionele NPE-securitisatie, behalve wanneer artikel 263 wordt toegepast.
4.  
Instellingen die overeenkomstig hoofdstuk 3 de IRB-benadering toepassen op blootstellingen in de pool van onderliggende blootstellingen en die geen gebruik mogen maken van eigen ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren met betrekking tot dergelijke blootstellingen, mogen geen gebruikmaken van de SEC-IRBA voor de berekening van risicogewogen blootstellingsbedragen in een NPE-securitisatie en mogen noch lid 5, noch lid 6 toepassen.
5.  
Voor de toepassing van artikel 268, lid 1, worden de verwachte verliezen die verband houden met onderliggende blootstellingen van een in een in aanmerking komende traditionele NPE-securitisatie opgenomen na aftrek van de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs en, waar nodig, aanvullende specifieke kredietrisicoaanpassingen.

Instellingen voeren de berekening uit volgens de volgende formule:

waarbij:

CRmax

=

het maximale kapitaalvereiste in het geval van een in aanmerking komende traditionele NPE-securitisatie;

RWEAIRB

=

de som van de risicogewogen blootstellingsbedragen van de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen;

ELIRB

=

de som van de te verwachten verliezen van de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen;

NRPPD

=

de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs;

EVIRB

=

de som van de blootstellingswaarden van de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen;

EVPool

=

de som van de blootstellingswaarden van alle onderliggende blootstellingen in de pool;

SCRAIRB

=

voor initiërende instellingen, de specifieke kredietrisicoaanpassingen die door de instelling worden aangebracht met betrekking tot de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen, alleen indien en voor zover deze aanpassingen de NRPPD overschrijden; voor institutionele beleggers is het bedrag nul;

RWEASA

=

de som van de risicogewogen blootstellingsbedragen van de onderliggende blootstellingen die onder de standaardbenadering vallen.

6.  
In afwijking van lid 3 van dit artikel mogen instellingen, indien het volgens de doorkijkbenadering van artikel 267 berekende naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht lager is dan 100 %, het lagere risicogewicht toepassen, met een ondergrens van 50 %.

Voor de toepassing van de eerste alinea trekken initiërende instellingen die de SEC-IRBA op een positie toepassen en die overeenkomstig hoofdstuk 3 gebruik mogen maken van eigen ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren met betrekking tot alle onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen, de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs en, waar nodig, aanvullende specifieke kredietrisicoaanpassingen af van de verwachte verliezen en blootstellingswaarden van de onderliggende blootstellingen die verband houden met een senior positie in een in aanmerking komende traditionele NPE-securitisatie, volgens de volgende formule:

waarbij:

RWmax

=

het risicogewicht, vóór toepassing van de ondergrens, dat van toepassing is op een senior positie in een in aanmerking komende traditionele NPE-securitisatie indien de doorkijkbenadering wordt gebruikt;

RWEAIRB

=

de som van de risicogewogen blootstellingsbedragen van de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen;

RWEASA

=

de som van de risicogewogen blootstellingsbedragen van de onderliggende blootstellingen die onder de standaardbenadering vallen;

ELIRB

=

de som van de te verwachten verliezen van de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen;

NRPPD

=

de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs;

EVIRB

=

de som van de blootstellingswaarden van de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen;

EVpool

=

de som van de blootstellingswaarden van alle onderliggende blootstellingen in de pool;

EVSA

=

de som van de blootstellingswaarden van de onderliggende blootstellingen die onder de standaardbenadering vallen;

SCRAIRB

=

de specifieke kredietrisicoaanpassingen die door de instelling worden aangebracht met betrekking tot de onderliggende blootstellingen die onder de IRB-benadering vallen, alleen indien en voor zover deze aanpassingen de NRPPD overschrijden.

7.  

Voor de toepassing van dit artikel wordt de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs berekend door het in het volgende punt b) bedoelde bedrag af te trekken van het in het punt a) bedoelde bedrag:

a) 

het uitstaande bedrag van de onderliggende blootstellingen van de NPE-securitisatie op het tijdstip waarop die blootstellingen aan de SSPE werden overgedragen;

b) 

de som van:

i) 

de initiële verkoopprijs van de tranches of, indien van toepassing, delen van de tranches van de NPE-securitisatie die aan derden zijn verkocht, en

ii) 

het uitstaande bedrag, op het tijdstip waarop de onderliggende blootstellingen aan de SSPE werden overgedragen, van de tranches of, indien van toepassing, delen van tranches van die securitisatie die door de initiator worden aangehouden.

Voor de toepassing van de leden 5 en 6 wordt de berekening van de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs gedurende de gehele looptijd van de transactie naar beneden bijgesteld, rekening houdend met de geleden verliezen. Elke verlaging van het uitstaande bedrag van de onderliggende blootstellingen als gevolg van geleden verliezen vermindert de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs, met een ondergrens van nul.

Indien een korting zodanig gestructureerd is dat zij in haar geheel of gedeeltelijk kan worden gerestitueerd aan de initiërende instelling, wordt een dergelijke korting niet gerekend als een niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs voor de doeleinden van dit artikel.

▼M13

Artikel 270

Senior posities in eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisaties

1.  

Een initiërende instelling mag de risicogewogen blootstellingsbedragen van een securitisatiepositie in een eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisatie als bedoeld in artikel 26 bis, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2402, overeenkomstig de artikelen 260, 262 of 264 van deze verordening, naargelang het geval, berekenen indien die positie aan beide volgende voorwaarden voldoet:

a) 

de securitisatie voldoet aan de eisen van artikel 243, lid 2;

b) 

de positie kan worden aangemerkt als de senior securitisatiepositie.

2.  

De EBA monitort de toepassing van lid 1, met name met betrekking tot:

a) 

het marktvolume en het marktaandeel van eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisaties waarop de initiërende instelling lid 1 toepast, in de verschillende activaklassen;

b) 

de waargenomen toewijzing van verliezen aan de senior tranche en aan andere tranches van eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisaties, indien de initiërende instelling lid 1 toepast op de in dergelijke securitisaties aangehouden senior positie;

c) 

het effect van de toepassing van lid 1 op de hefboomwerking van instellingen;

d) 

het effect van het gebruik van eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisaties waarop de initiërende instelling lid 1 toepast op de uitgifte van kapitaalinstrumenten door de respectieve initiërende instellingen.

3.  
De EBA dient uiterlijk op 10 april 2023 een verslag over haar bevindingen in bij de Commissie.
4.  
Uiterlijk op 10 oktober 2023 dient de Commissie, op basis van het in lid 3 bedoelde verslag, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van dit artikel, met bijzondere aandacht voor het risico van buitensporige hefboomwerking ten gevolge van het gebruik van eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisaties die in aanmerking komen voor de behandeling overeenkomstig lid 1 en voor de mogelijke vervanging van de uitgifte van kapitaalinstrumenten door initiërende instellingen door dat gebruik. Dat verslag gaat indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

▼M5

Artikel 270 bis

Additioneel risicogewicht

1.  
Indien een instelling in enig wezenlijk opzicht, ingevolge nalatigheid of verzuim harerzijds, niet voldoet aan de in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 beschreven vereisten, leggen de bevoegde autoriteiten een evenredig additioneel risicogewicht op van niet minder dan 250 % van het risicogewicht, met een maximum van 1 250  %, dat van toepassing is op de betrokken securitisatieposities, op de in artikel 247, lid 6, respectievelijk artikel 337, lid 3, van deze verordening gespecificeerde wijze. Het additionele risicogewicht wordt bij elke volgende overtreding van de bepalingen inzake due diligence en risicobeheer geleidelijk verhoogd. De bevoegde autoriteiten houden rekening met de vrijstellingen voor bepaalde securitisaties waarin artikel 6, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 voorziet, door het risicogewicht te verlagen dat zij anders overeenkomstig dit artikel zouden opleggen met betrekking tot een securitisatie waarop artikel 6, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 van toepassing is.
2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen voor technische uitvoeringsnormen ter vergemakkelijking van de convergentie van toezichtpraktijken met betrekking tot de uitvoering van lid 1, waaronder de te nemen maatregelen in geval van een overtreding van de verplichtingen op het gebied van due diligence en risicobeheer. De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Afdeling 4

Externe kredietbeoordelingen

Artikel 270 ter

Gebruik van kredietbeoordelingen door EKBI’s

De instellingen kunnen voor het bepalen van het risicogewicht van een securitisatiepositie overeenkomstig dit hoofdstuk slechts van kredietbeoordelingen gebruikmaken als de kredietbeoordeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 door een EKBI is afgegeven of bekrachtigd.

Artikel 270 quater

Vereisten waaraan de kredietbeoordelingen door EKBI’s moeten voldoen

Voor de berekening van risicogewogen posten overeenkomstig afdeling 3 gebruiken de instellingen slechts een kredietbeoordeling door een EKBI indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

er is geen incongruentie tussen de soorten betalingen die in de kredietbeoordeling tot uiting komen en de soorten betalingen waarop de instelling recht heeft overeenkomstig het contract dat tot de betrokken securitisatiepositie aanleiding heeft gegeven;

b) 

de EKBI publiceert de kredietbeoordelingen en informatie over verlies- en kasstroomanalyses, gegevens betreffende de gevoeligheid van ratings voor veranderingen in de onderliggende ratingveronderstellingen, met inbegrip van de prestaties van de onderliggende blootstellingen, en over de procedures, methoden, aannames en de belangrijkste elementen ter ondersteuning van de kredietbeoordelingen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009. Voor de toepassing van dit punt wordt informatie als voor het publiek toegankelijk beschouwd wanneer zij in een toegankelijk format is gepubliceerd. Informatie die slechts aan een beperkt aantal entiteiten ter beschikking is gesteld, wordt niet als voor het publiek toegankelijk beschouwd;

c) 

de kredietbeoordelingen worden opgenomen in de overgangsmatrix van de EKBI;

d) 

de kredietbeoordelingen worden niet geheel of gedeeltelijk gebaseerd op ongedekte steun die door de instelling zelf wordt verstrekt. Indien een positie geheel of gedeeltelijk op ongedekte steun is gebaseerd, beschouwt de instelling die positie met het oog op de berekening van risicogewogen posten voor die positie overeenkomstig afdeling 3 als zonder rating;

e) 

de EKBI heeft zich ertoe verbonden een toelichting te publiceren betreffende de wijze waarop de prestaties van de onderliggende blootstellingen de kredietbeoordeling beïnvloeden.

Artikel 270 quinquies

Gebruik van kredietbeoordelingen

1.  
Een instelling kan besluiten één of meer EKBI’s aan te wijzen als de EKBI’s waarvan zij de kredietbeoordelingen zal gebruiken bij de berekening van haar risicogewogen posten overeenkomstig dit hoofdstuk (een „aangewezen EKBI”).
2.  

Een instelling gebruikt de kredietbeoordelingen van haar securitisatieposities op een consistente en niet-selectieve wijze en voldoet daartoe aan de volgende vereisten:

a) 

een instelling maakt geen gebruik van de kredietbeoordelingen door de ene EKBI ten aanzien van haar posities in bepaalde tranches en van de kredietbeoordelingen door een andere EKBI voor haar posities in andere tranches binnen dezelfde securitisatie waarvoor al dan niet een rating door de eerstgenoemde EKBI beschikbaar is;

b) 

indien ten aanzien van een positie twee kredietbeoordelingen door aangewezen EKBI’s beschikbaar zijn, past de instelling de minst gunstige kredietbeoordeling toe;

c) 

indien ten aanzien van een positie drie of meer kredietbeoordelingen door aangewezen EKBI’s beschikbaar zijn, worden de twee gunstigste kredietbeoordelingen toegepast. Indien de twee gunstigste kredietbeoordelingen verschillend zijn, wordt de minst gunstige van beide toegepast;

d) 

een instelling dringt niet actief aan op het intrekken van minder gunstige ratings.

3.  
Indien de aan een securitisatie onderliggende blootstellingen volledige of gedeeltelijke toelaatbare kredietprotectie genieten overeenkomstig hoofdstuk 4 en het effect van die protectie in de kredietbeoordeling van een securitisatiepositie door een aangewezen EKBI is weerspiegeld, maakt de instelling gebruik van het met die kredietbeoordeling verbonden risicogewicht. Indien de in dit lid bedoelde kredietprotectie niet toelaatbaar is overeenkomstig hoofdstuk 4, wordt de kredietbeoordeling niet erkend en wordt de securitisatiepositie behandeld als was die zonder rating.
4.  
Indien een securitisatiepositie toelaatbare kredietprotectie overeenkomstig hoofdstuk 4 geniet en het effect van die protectie in haar kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI is weerspiegeld, behandelt de instelling de securitisatiepositie als was die zonder rating, en berekent zij de risicogewogen posten overeenkomstig hoofdstuk 4.

Artikel 270 sexies

Indeling van securitisaties

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om de in dit hoofdstuk vastgestelde kredietkwaliteitscategorieën op objectieve en consistente wijze bij de betrokken kredietbeoordelingen van alle EKBI’s in te delen. Voor de toepassing van dit artikel doet de EBA met name het volgende:

a) 

onderscheid maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven;

b) 

rekening houden met kwantitatieve factoren, zoals wanbetalings- of verliesgraden en de historische prestaties van de kredietbeoordelingen door elke EKBI in de verschillende activaklassen;

c) 

rekening houden met kwalitatieve factoren, zoals het scala aan transacties dat door de EKBI wordt beoordeeld, de door haar toegepaste methoden en de betekenis van haar kredietbeoordelingen, met name de vraag of die beoordeling rekening houdt met verwacht verlies of eerste-euroverlies en tijdige betaling van rente of laatste betaling van rente;

d) 

trachten ervoor te zorgen dat voor securitisatieposities waarop op basis van de kredietbeoordelingen door EKBI’s hetzelfde risicogewicht wordt toegepast, gelijkwaardige kredietrisicograden gelden.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 juli 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

HOOFDSTUK 6

Tegenpartijkredietrisico

Afdeling 1

Definities

Artikel 271

Bepaling van de blootstellingswaarde

1.  
Een instelling bepaalt de blootstellingswaarde van in bijlage II opgenomen derivaten overeenkomstig dit hoofdstuk.
2.  
Een instelling kan de blootstellingswaarde van retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties bepalen overeenkomstig dit hoofdstuk in plaats van gebruik te maken van hoofdstuk 4.

Artikel 272

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en titel VI van dit deel wordt verstaan onder:

Algemene termen

1)

'tegenpartijkredietrisico' of "CCR" : het risico dat de tegenpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;

Soorten transacties

2)

'transacties met afwikkeling op lange termijn' : transacties waarbij een tegenpartij toezegt een hoeveelheid effecten, grondstoffen of deviezen te leveren tegen contanten, andere financiële instrumenten of grondstoffen, of vice versa, op een in het contract bepaalde afwikkelings- of leveringsdatum die valt na de als marktstandaard voor deze welbepaalde soort transactie geldende termijn of vijf werkdagen na de datum waarop de instelling de transactie aangaat, indien laatstgenoemde termijn korter is;

3)

'margeleningstransacties' : transacties waarbij een instelling krediet verleent in verband met het aankopen, verkopen, aanhouden of verhandelen van effecten. Andere leningen die door zekerheid in de vorm van effecten gedekt zijn, vallen niet onder margeleningstransacties;

Samenstel van verrekenbare transacties, samenstel van afdekkingsinstrumenten en daarmee verband houdende termen

4)

'samenstel van verrekenbare transacties (netting set)' :

een groep tussen een instelling en één tegenpartij gesloten transacties die onderworpen is aan een in rechte afdwingbare bilaterale verrekeningsovereenkomst welke in aanmerking wordt genomen overeenkomstig afdeling 7 en hoofdstuk 4.

Elke transactie die niet onderworpen is aan een in rechte afdwingbare bilaterale verrekeningsovereenkomst welke overeenkomstig afdeling 7 in aanmerking wordt genomen, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk als een apart samenstel van verrekenbare transacties behandeld.

In het kader van de in afdeling 6 beschreven internemodellenmethode kunnen alle samenstellen van verrekenbare transacties met een en dezelfde tegenpartij worden behandeld als één samenstel indien de negatieve gesimuleerde marktwaarden van de afzonderlijke samenstellen bij de raming van de verwachte blootstelling (expected exposure - EE) op 0 worden bepaald;

5)

'risicopositie' : een risicowaarde die in het kader van de in afdeling 5 beschreven standaardmethode aan een transactie wordt toegekend op basis van een vooraf bepaald algoritme;

▼M8

6)

„samenstel van afdekkingsinstrumenten („hedging set”)” : een tot eenzelfde netting set behorende groep transacties, waarvoor volledige of gedeeltelijke verrekening is toegestaan om de potentiële toekomstige blootstelling te bepalen volgens de in de afdeling 3 of 4 van dit hoofdstuk beschreven methoden;

▼B

7)

'margeovereenkomst' : een overeenkomst of clausules in een overeenkomst op grond waarvan een tegenpartij zekerheden aan een tweede tegenpartij moet verstrekken wanneer een blootstelling van deze tweede tegenpartij aan de eerste tegenpartij een welbepaalde hoogte overschrijdt;

▼M8

7 bis)

„eenrichtingsmargeovereenkomst” : een margeovereenkomst op grond waarvan een instelling aan een tegenpartij variatiemarges moet storten, maar niet gerechtigd is tot ontvangst van variatiemarge van die tegenpartij, of omgekeerd;

▼B

8)

'margedrempel' : het hoogste uitstaande bedrag dat een blootstelling mag bereiken voordat een partij het recht heeft zekerheden op te vragen;

9)

'margerisicoperiode' (margin period of risk) : de periode vanaf de recentste uitwisseling van zekerheden ter dekking van een samenstel van verrekenbare transacties met een in gebreke blijvende tegenpartij totdat de transacties zijn afgewikkeld en het resulterende marktrisico opnieuw is afgedekt;

▼C2

10)

'effectieve looptijd' in het kader van de internemodellenmethode voor een samenstel van verrekenbare transacties met een looptijd van meer dan een jaar :

het verhoudingsgetal tussen de som van de verwachte blootstellingen over de looptijd van de transacties van een samenstel van verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement, gedeeld door de som van de verwachte blootstellingen over één jaar van het samenstel van verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement.

▼B

Deze effectieve looptijd mag worden aangepast voor het doorrolrisico door de verwachte blootstelling te vervangen door de feitelijk verwachte blootstelling over een prognosehorizon van minder dan een jaar;

11)

'productoverschrijdende verrekening' : de opneming van transacties met betrekking tot verschillende productcategorieën in hetzelfde samenstel van verrekenbare transacties overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven regels voor productoverschrijdende verrekening;

▼M8

12)

„actuele marktwaarde” („current market value” of „CMV”) : de nettomarktwaarde van alle transacties binnen een netting set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden, waarbij bij de berekening van de CMV zowel positieve als negatieve marktwaarden worden verrekend;

▼M8

12 bis)

„nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden” („NICA”) : de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte nettozekerheden, naargelang het geval, van de netting set niet zijnde variatiemarge;

▼B

Verdelingen

13)

'verdeling van marktwaarden' : de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van netto marktwaarden van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties voor een datum in de toekomst (de prognosehorizon) in het licht van de gerealiseerde marktwaarde van die transacties op de datum van de prognose;

14)

'verdeling van blootstellingen' : de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van marktwaarden waarbij de verwachte negatieve netto marktwaarden door nul worden vervangen;

15)

'risiconeutrale verdeling' : een verdeling van marktwaarden of blootstellingen tijdens een periode in de toekomst waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van impliciete marktwaarden, zoals impliciete volatiliteiten;

16)

'feitelijke verdeling' : een verdeling van marktwaarden of blootstellingen in een toekomstige periode waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van historische of gerealiseerde waarden, zoals volatiliteiten die zijn berekend op basis van prijs- of koerswijzigingen welke zich in het verleden hebben voorgedaan;

Maatstaven voor blootstellingen en aanpassingen

17)

'actuele blootstelling' : de hogere van een waarde gelijk aan nul en een waarde gelijk aan de marktwaarde van een transactie of van een portefeuille van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties met een tegenpartij welke verloren zou gaan indien de tegenpartij in gebreke blijft, ervan uitgaande dat bij insolventie of liquidatie niets van de waarde van die transacties kan worden teruggevorderd;

18)

'maximumblootstelling' : een hoog percentiel van de verdeling van blootstellingen aan een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties;

19)

'verwachte blootstelling (expected exposure - EE)' : het gemiddelde van de verdeling van blootstellingen aan een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties;

20)

'effectieve verwachte blootstelling met betrekking tot een specifieke datum (effectieve EE)' : de hoogste verwachte blootstelling die zich voordoet op die datum of op een eerdere datum. Als alternatief kan de effectieve EE voor een specifieke datum ook worden gedefinieerd als de verwachte blootstelling met betrekking tot die datum of de effectieve verwachte blootstelling met betrekking tot een eerdere datum, naargelang welke waarde het grootst is;

21)

'verwachte positieve blootstelling (expected positive exposure - EPE)' :

het tijdgewogen gemiddelde van de verwachte blootstellingen, waarbij de voor de afzonderlijke verwachte blootstellingen representatieve fracties van het volledige tijdsinterval de wegingsfactoren vormen.

Bij de berekening van het eigenvermogensvereiste nemen de instellingen het gemiddelde over het eerste jaar of, indien alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties binnen minder dan een jaar vervallen, over het tijdsinterval (…) tot het tijdstip waarop het contract met de langste looptijd in het samenstel van verrekenbare transacties is verstreken.

22)

'effectieve verwachte positieve blootstelling (effectieve EPE)' : het gewogen gemiddelde van de effectieve verwachte blootstelling over het eerste jaar van een samenstel van verrekenbare transacties of, indien alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties binnen minder dan een jaar vervallen, over de duur van het langstlopende contract van het samenstel van verrekenbare transacties, waarbij de voor de afzonderlijke verwachte blootstellingen representatieve fracties van het volledige tijdsinterval de wegingsfactoren vormen;

Met het CCR samenhangende risico's

23)

'doorrolrisico' :

het bedrag waarmee de EPE wordt onderschat wanneer wordt verwacht dat toekomstige transacties met een tegenpartij een permanent karakter krijgen

De additionele blootstelling die uit deze toekomstige transacties voortvloeit, wordt niet meegenomen in de berekening van de EPE;

.

24)

'tegenpartij' : voor de toepassing van artikel 7, een rechtspersoon of natuurlijke persoon die een verrekeningsovereenkomst aangaat, en daartoe handelingsbevoegd is;

25)

'overeenkomst inzake productoverschrijdende contractuele verrekening' :

een bilaterale overeenkomst tussen een instelling en een tegenpartij waarbij één uit de verrekening van gedekte transacties voortvloeiende juridische verbintenis tot stand komt die alle in de overeenkomst opgenomen, tot verschillende categorieën producten behorende bilaterale raamovereenkomsten en transacties dekt.

Voor de toepassing van deze definitie wordt onder 'verschillende categorieën producten' verstaan:

a) 

retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen;

b) 

margeleningstransacties;

c) 

de in bijlage II vermelde contracten;

26)

'betalingsgedeelte (payment leg)' :

de betaling overeengekomen in het kader van een otc-derivatentransactie met een lineair risicoprofiel die in de uitwisseling van een financieel instrument en een betaling voorzien.

In het geval van transacties die in de uitwisseling van twee betalingen voorzien, bestaan die twee betalingsgedeelten uit contractueel overeengekomen brutobetalingen, met inbegrip van het notionele bedrag van de transactie.

Afdeling 2

Methoden voor de berekening van de blootstellingswaarde

Artikel 273

Methoden voor de berekening van de blootstellingswaarde

▼M8

1.  
►M17  Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van de in bijlage II vermelde contracten en van kredietderivaten, met uitzondering van de in de leden 3 en 5 van het onderhavige artikel bedoelde kredietderivaten, op basis van een van de in afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden, overeenkomstig het onderhavige artikel. ◄

Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 1, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 4 beschreven methode. Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 2, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 5 beschreven methode.

Instellingen mogen binnen een groep de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden permanent in combinatie gebruiken. Een afzonderlijke instelling mag de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden niet permanent in combinatie gebruiken.

▼B

2.  

Mits de bevoegde autoriteiten daartoe overeenkomstig artikel 283, leden 1 en 2, toestemming hebben gegeven, kan een instelling de blootstellingswaarde voor de volgende posten bepalen door de internemodellenmethode van afdeling 6 toe te passen:

a) 

de in bijlage II vermelde contracten;

b) 

retrocessietransacties;

c) 

transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;

d) 

margeleningstransacties;

e) 

transacties met afwikkeling op lange termijn.

3.  

Indien een instelling protectie in de vorm van een kredietderivaat koopt ter afdekking van een blootstelling in de niet-handelsportefeuille of van een CCR-blootstelling, mag zij haar eigenvermogensvereiste voor de afgedekte blootstelling berekenen overeenkomstig een van beide volgende punten:

a) 

de artikelen 223 tot en met 236;

▼M17

b) 

overeenkomstig artikel 183, indien overeenkomstig artikel 143 toestemming is verleend.

▼B

De blootstellingswaarde voor het CCR voor die kredietderivaten is gelijk aan nul, tenzij een instelling de in artikel 299, lid 2, punt h), ii), bedoelde behandeling toepast.

4.  
Niettegenstaande lid 3 kan een instelling ervoor opteren om voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het tegenpartijkredietrisico consequent rekening te houden met alle niet in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten die zijn gekocht als protectie voor een blootstelling in de niet-handelsportefeuille of voor een CCR-blootstelling wanneer de kredietprotectie op grond van deze richtlijn wordt erkend.
5.  
Indien door een instelling verkochte kredietverzuimswaps door een instelling worden behandeld als door die instelling verleende kredietprotectie en voor het volle notionele bedrag onderworpen zijn aan een eigenvermogensvereiste voor kredietrisico van de onderliggende waarde, is de blootstellingswaarde daarvan voor het CCR in de niet-handelsportefeuille gelijk aan nul.

▼M8

6.  
In het kader van de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden is de blootstellingswaarde voor een bepaalde tegenpartij gelijk aan de som van de voor iedere netting set met die tegenpartij berekende blootstellingswaarden.

In afwijking van de eerste alinea wordt, wanneer een margeovereenkomst van toepassing is op meerdere netting sets met die tegenpartij en de instelling voor het berekenen van de blootstellingswaarde van deze netting sets gebruikmaakt van een van de in afdeling 3 tot en met 6 beschreven methoden, de blootstellingswaarde berekend overeenkomstig de relevante afdeling.

Voor een bepaalde tegenpartij ligt de blootstellingswaarde voor een bepaalde netting set met in bijlage II vermelde otc-derivaten, berekend overeenkomstig dit hoofdstuk, tussen nul en het verschil tussen de som van de blootstellingswaarden van alle netting sets met de tegenpartij en de som van de aanpassingen van de kredietwaardering voor die tegenpartij die door de instelling als een ondergane afschrijving worden opgenomen. Bij de berekening van de aanpassingen van de kredietwaarderingen wordt geen rekening gehouden met enige compenserende aanpassing van de aan het eigen kredietrisico van de instelling toegekende schuldwaarde die reeds van het eigen vermogen is uitgesloten overeenkomstig artikel 33, lid 1, punt c).

7.  
Bij de berekening van de blootstellingswaarde volgens de in de afdelingen 3, 4 en 5 beschreven methoden mogen instellingen twee in dezelfde verrekeningsovereenkomst opgenomen perfect matchende otc-derivatencontracten behandelen als één enkel contract waarvan de notionele hoofdsom gelijk is aan nul.

Voor de toepassing van de eerste alinea zijn twee otc-derivatencontracten perfect matchend wanneer ze aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a) 

de risicoposities ervan zijn tegengesteld;

b) 

de kenmerken ervan zijn, afgezien van de transactiedatum, identiek;

c) 

de kasstromen compenseren elkaar volledig.

8.  
Instellingen bepalen de blootstellingswaarde voor uit transacties met afwikkeling op lange termijn voortvloeiende blootstellingen door een van de in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden toe te passen, ongeacht de methode die door de instelling is gekozen voor de behandeling van otc-derivaten en retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor transacties met afwikkeling op lange termijn mag een instelling die de in hoofdstuk 3 beschreven benadering toepast, op permanente basis en ongeacht de materialiteit van die posities, de risicogewichten toekennen volgens de in hoofdstuk 2 beschreven benadering.

▼M8

9.  
Voor de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden behandelen de instellingen transacties waarvoor een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld overeenkomstig artikel 291, leden 2, 4, 5 en 6.

Artikel 273 bis

Voorwaarden voor het gebruik van vereenvoudigde methoden om de blootstellingswaarde te berekenen

1.  

Een instelling mag de blootstellingswaarde van haar derivatenposities berekenen volgens de in afdeling 4 beschreven methode, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing op basis van gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner is dan beide volgende drempelwaarden:

a) 

10 % van de totale activa van de instelling;

b) 

300 miljoen EUR.

2.  

Een instelling mag de blootstellingswaarde van haar derivatenposities berekenen volgens de in afdeling 5 beschreven methode, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing op basis van gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner is dan beide volgende drempelwaarden:

a) 

5 % van de totale activa van de instelling;

b) 

100 miljoen EUR.

3.  

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 berekenen instellingen de omvang van hun derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling op basis van gegevens op de laatste dag van elke maand, met inachtneming van de volgende voorschriften:

a) 

derivatenposities worden gewaardeerd tegen hun marktwaarden op die datum; indien de marktwaarde van een positie op die datum niet beschikbaar is, nemen instellingen een reële waarde voor de positie in kwestie op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor die positie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;

▼M17

b) 

de absolute waarde van de geaggregeerde lange positie wordt samengeteld met de absolute waarde van de geaggregeerde korte positie;

▼M8

c) 

alle derivatenposities worden in aanmerking genomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne afdekking tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea is de betekenis van lange en korte posities dezelfde als in artikel 94, lid 3.

Voor de toepassing van de eerste alinea is de waarde van de geaggregeerde lange of korte positie gelijk aan de som van de waarden van de individuele lange of korte posities die overeenkomstig punt c) in de berekening zijn opgenomen.

▼M8

4.  
In afwijking van lid 1 of lid 2, naargelang het geval, wanneer de derivatenactiviteiten op geconsolideerde basis de in lid 1 of lid 2, naargelang het geval, vastgelegde drempelwaarden niet overschrijden, kan een instelling die betrokken is bij de consolidatie en de methode als bedoeld in afdeling 3 of 4 zou moeten toepassen aangezien zij die drempelwaarden op individuele basis overschrijdt, in plaats daarvan de methode toepassen die op geconsolideerde basis zou moeten worden toegepast, op voorwaarde dat zij hiervoor toestemming krijgt van de bevoegde autoriteiten.
5.  
Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de in afdeling 4 of 5 beschreven methoden die ze gebruiken of niet langer gebruiken, naargelang het geval, om de blootstellingswaarde van hun derivatenposities te berekenen.
6.  
Instellingen mogen geen derivatentransactie aangaan of een derivaat kopen of verkopen met als enige doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van de leden 1 en 2 te voldoen.

Artikel 273 ter

▼M17

Niet-naleving van de voorwaarden voor het gebruik van vereenvoudigde methoden ter berekening van de blootstellingswaarde van derivaten en de vereenvoudigde benadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico

▼M8

1.  
Een instelling die niet langer aan één of meer van de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1 of 2, voldoet, stelt de bevoegde autoriteit onverwijld daarvan in kennis.
2.  

►M17  Instellingen berekenen de blootstellingswaarden van hun derivatenposities niet langer overeenkomstig afdeling 4 of 5, en berekenen de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico niet langer overeenkomstig artikel 385, naargelang het geval, uiterlijk drie maanden nadat zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan: ◄

a) 

de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt a) of van artikel 273 bis, lid 2, punt a), naargelang het geval, of niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt b) of van artikel 273 bis, lid 2, punt b), naargelang het geval;

b) 

de instelling voldoet gedurende meer dan zes van de voorgaande twaalf maanden niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt a), of van artikel 273 bis, lid 2, punt a), naargelang het geval, of niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt b), of van artikel 273 bis, lid 2, punt b), naargelang het geval.

▼M17

3.  
Instellingen die de blootstellingswaarden van hun derivatenposities niet langer overeenkomstig afdeling 4 of 5, berekenen en de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico niet langer overeenkomstig artikel 385, berekenen, naargelang het geval, mogen de blootstellingswaarde van hun derivatenposities pas opnieuw overeenkomstig afdeling 4 of 5 berekenen en de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico pas opnieuw overeenkomstig artikel 385 berekenen, indien zij aan de bevoegde autoriteit aantonen dat gedurende een ononderbroken periode van één jaar aan alle in artikel 273 bis, lid 1 of 2, uiteengezette voorwaarden is voldaan.

▼M8

Afdeling 3

standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico

Artikel 274

Blootstellingswaarde

1.  

Een instelling mag voor alle onder een overeenkomst inzake contractuele verrekening vallende transacties één blootstellingswaarde op het niveau van de netting set berekenen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

de verrekeningsovereenkomst behoort tot een van de in artikel 295 bedoelde soorten overeenkomsten inzake contractuele verrekening;

b) 

de verrekeningsovereenkomst is door de bevoegde autoriteiten erkend overeenkomstig artikel 296;

c) 

de instelling heeft ten aanzien van de verrekeningsovereenkomst de verplichtingen uit hoofde van artikel 297 vervuld.

Wanneer een van de in de eerste alinea vermelde voorwaarden niet is vervuld, behandelt de instelling elke transactie alsof het haar eigen netting set was.

2.  

Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van een netting set volgens de standaardbenadering voor de tegenpartijkredietrisico als volgt:

Blootstellingswaarde = α · (RC + PFE)
waarbij:

RC

=

de overeenkomstig artikel 275 berekende vervangingswaarde; en

PFE

=

de overeenkomstig artikel 278 berekende potentiële toekomstige blootstelling;

α

=

1,4.

3.  
De blootstellingswaarde van een aan een contractuele margeovereenkomst onderworpen netting set wordt gemaximeerd op de blootstellingswaarde van diezelfde netting set die niet aan enige vorm van margeovereenkomst is onderworpen.

▼M17

4.  

Indien meerdere margeovereenkomsten van toepassing zijn op dezelfde netting set, of dezelfde netting set zowel transacties omvat die onder een margeovereenkomst vallen als transacties die niet onder een margeovereenkomst vallen, berekent een instelling haar blootstellingswaarde als volgt:

a) 

de instelling bepaalt de betrokken hypothetische sub-netting sets, bestaande uit in de netting set vervatte transacties, als volgt:

i) 

alle transacties die vallen onder een margeovereenkomst en onder dezelfde overeenkomstig artikel 285, leden 2 tot en met 5, bepaalde margerisicoperiode vallen, worden ondergebracht in dezelfde sub-netting set;

ii) 

alle transacties die niet onder een margeovereenkomst vallen, worden in eenzelfde, van de overeenkomstig punt a), i), van dit lid bepaalde sub-netting sets onderscheiden sub-netting set ondergebracht;

b) 

de instelling berekent de vervangingswaarde van de netting set overeenkomstig artikel 275, lid 2, rekening houdend met alle transacties binnen de netting set, ongeacht of die al dan niet onder een margeovereenkomst vallen, en passen daarop al het volgende toe:

i) 

de CMV wordt berekend voor alle transacties binnen een netting set, ongerekend aangehouden of gestorte zekerheden, waarbij bij de berekening van de CMV zowel positieve als negatieve marktwaarden worden verrekend;

ii) 

NICA, VM, TH, en MTA, naargelang het geval, worden afzonderlijk berekend als het totaal voor dezelfde inputs van toepassing op elke individuele margeovereenkomst van de netting set;

c) 

de instelling berekent de in artikel 278 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling van de netting set door al het volgende toe te passen:

i) 

de in artikel 278, lid 1, bedoelde multiplicator is gebaseerd op de inputs CMV, NICA en VM, naargelang het geval, overeenkomstig punt b) van dit lid;

ii) 

wordt, overeenkomstig artikel 278, voor elke in punt a) van dit lid bedoelde hypothetische sub-netting set afzonderlijk berekend.

▼M8

5.  

Instellingen mogen de blootstellingswaarde van een netting set die aan alle volgende voorwaarden voldoet, op nul stellen:

a) 

de netting set bestaat uitsluitend uit verkochte opties;

b) 

de actuele marktwaarde van de netting set is steeds negatief;

c) 

de premie van alle in de netting set opgenomen opties is vooraf ontvangen door de instelling om de uitvoering van de contracten te garanderen;

d) 

de netting set is niet aan enige margeovereenkomst onderworpen.

6.  
In een netting set vervangen instellingen een transactie die een eindige lineaire combinatie van alle ge- of verkochte call- of putopties is, door alle individuele opties welke die lineaire combinatie vormen, beschouwd als een individuele transactie met het oog op de berekening van de blootstellingswaarde van de netting set in overeenstemming met deze afdeling. Elke dergelijke combinatie van opties wordt behandeld als een individuele transactie in de netting set waarin de combinatie is opgenomen met het oog op de berekening van de blootstellingswaarde.

▼M17

In afwijking van de eerste alinea vervangen instellingen een vanilla digitale optie waarvan de uitoefenprijs gelijk is aan K, door de betrokken collar-combinatie van twee verkochte en gekochte vanilla call- of putopties die aan de volgende vereisten voldoen:

a) 

de beide opties van de collar-combinatie hebben:

i) 

dezelfde expiratiedatum en dezelfde spot- of termijnprijs van het onderliggende instrument als de vanilla digitale optie;

ii) 

de uitoefenprijs is gelijk aan, respectievelijk, 0,95 ·K en 1,05 ·K;

b) 

de collar-combinatie repliceert precies de opbrengst van de vanilla digitale optie buiten de range tussen de beide in punt a) genoemde uitoefenprijzen.

De risicopositie van de beide in de tweede alinea bedoelde opties van de collar-combinatie wordt afzonderlijk berekend overeenkomstig artikel 279.

▼M8

7.  
De blootstellingswaarde van een kredietderivatentransactie die een lange positie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, kan worden gemaximeerd op het bedrag van de uitstaande onbetaalde premie mits die wordt behandeld als eigen netting set die niet aan een margeovereenkomst is onderworpen.

Artikel 275

Vervangingswaarde

1.  

Instellingen berekenen de vervangingswaarde RC voor netting sets die niet aan een margeovereenkomst onderworpen zijn, volgens de volgende formule:

RC = max{CMV – NICA, 0}
2.  

Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor eenzelfde aan een margeovereenkomst onderworpen netting set volgens de volgende formule:

RC = max{CMV – VM – NICA, TH + MTA – NICA, 0}
waarbij:

RC

=

de vervangingswaarde;

VM

=

de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte nettovariatiemarge, naargelang het geval, om verandering in de CMV van de netting set te limiteren;

TH

=

de uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen; en

MTA

=

het uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht.

3.  

Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor meerdere aan dezelfde margeovereenkomst onderworpen netting sets volgens de onderstaande formule:

waarbij:

RC

=

de vervangingswaarde;

i

=

de index die aangeeft dat de netting set aan de individuele margeovereenkomst onderworpen is;

CMVi

=

de CMV van de netting set i;

VMMA

=

de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte zekerheden, naargelang het geval, voor meervoudige netting sets om veranderingen in hun CMV te limiteren; en

NICAMA

=

de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte zekerheden, naargelang het geval, voor meervoudige netting sets niet zijnde VMMA.

Voor de toepassing van de eerste alinea mag NICAMA, afhankelijk van het niveau waarop de margeovereenkomst van toepassing is, worden berekend op handelsniveau, op het niveau van de netting set of op het niveau van alle netting sets waarop de margeovereenkomst van toepassing is.

Artikel 276

Opname en behandeling van zekerheden

1.  

Voor de toepassing van deze afdeling berekenen instellingen de bedragen aan zekerheden van VM, VMMA, NICA en NICAMA door alle volgende voorwaarden toe te passen:

a) 

indien alle in een netting set opgenomen transacties tot de handelsportefeuille behoren, worden alleen krachtens de artikelen 197 en 299 in aanmerking komende zekerheden opgenomen;

b) 

indien een netting set ten minste één transactie bevat die tot de niet-handelsportefeuille behoort, worden alleen krachtens artikel 197 toelaatbare zekerheden opgenomen;

c) 

van een tegenpartij ontvangen zekerheden worden opgenomen met een positief teken, terwijl bij een tegenpartij gestorte zekerheden met een negatief teken worden opgenomen;

▼M17

d) 

de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van alle soorten ontvangen of gestorte zekerheden wordt berekend overeenkomstig artikel 223;

▼M8

e) 

hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VM en NICA opgenomen;

f) 

hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VMMA en NICAMA opgenomen;

g) 

aan de tegenpartij gestorte zekerheden die gescheiden zijn van de activa van die tegenpartij en, als gevolg van die scheiding, buiten het faillissement vallen in geval van wanbetaling door of insolventie van de tegenpartij, worden niet opgenomen in de berekening van NICA en NICAMA.

2.  

Voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van gestorte zekerheden als bedoeld in lid 1, punt d), van dit artikel vervangen instellingen de formule van artikel 223, lid 2, door de volgende formule:

CVA = C · (1 + HC + Hfx)
waarbij:
CVA = de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van gestorte zekerheden; en
C = de zekerheden;
Hc en Hfx zijn bepaald overeenkomstig artikel 233, lid 2.
3.  

Voor de toepassing van punt d) van lid 1 stellen instellingen de voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van ontvangen of gestorte zekerheden toepasselijke liquidatieperiode vast volgens één van de volgende tijdshorizons:

a) 

één jaar voor de in artikel 275, lid 1, bedoelde netting sets;

b) 

de margerisicoperiode als bepaald overeenkomstig artikel 279 quater, lid 1, punt b), voor de in artikel 275, leden 2 en 3, bedoelde netting sets.

Artikel 277

Mapping van transacties naar risicocategorieën

1.  

Instellingen mappen elke transactie van een netting set naar een van de volgende risicocategorieën om de in artikel 278 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling van de netting set te bepalen:

a) 

renterisico;

b) 

wisselkoersrisico;

c) 

kredietrisico;

d) 

aandelenrisico;

e) 

grondstoffenrisico;

f) 

overige risico's.

2.  
Instellingen voeren de in lid 1 bedoelde mapping uit op basis van de primaire risicodeterminant van de derivatentransactie. De primaire risicodeterminant is de enige substantiële risicodeterminant van een derivatentransactie.
3.  
In afwijking van lid 2 mappen instellingen derivatentransacties die meer dan één substantiële risicodeterminant hebben, naar meer dan één risicocategorie. Wanneer alle substantiële risicodeterminanten van één van die transacties tot dezelfde risicocategorie behoren, wordt van instellingen alleen verlangd dat ze die transactie eenmaal naar die risicocategorie mappen op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten. Wanneer de substantiële risicodeterminanten van een van die transacties tot verschillende risicocategorieën behoren, mappen instellingen die transactie eenmaal naar elke risicocategorie waarvoor de transactie, op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten in die risicocategorie, ten minste één substantiële risicodeterminant heeft.
4.  

Niettegenstaande de leden 1, 2 en 3 passen instellingen bij de mapping van transacties naar de in lid 1 opgesomde risicocategorieën de volgende voorwaarden toe:

a) 

wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie, of de meest substantiële risicodeterminant in een bepaalde risicocategorie voor in lid 3 bedoelde transacties, een inflatievariabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie „renterisico”;

b) 

wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie, of de meest substantiële risicodeterminant in een bepaalde risicocategorie voor in lid 3 bedoelde transacties, een klimaatafhankelijke variabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie „grondstoffenrisico”.

▼M8

5.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de methode om transacties met slechts één substantiële risicodeterminant te identificeren;

b) 

de methode om transacties met meer dan één substantiële risicodeterminant te identificeren en om de voor de toepassing van lid 3 meest substantiële van deze risicodeterminanten te identificeren;

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 277 bis

Samenstellen van afdekkingsinstrumenten („hedging sets”)

1.  

Instellingen bepalen de voor elke risicocategorie van netting sets relevante hedging sets en wijzen elk van deze transacties als volgt aan die hedging sets toe:

a) 

naar de risicocategorie „renterisico” gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, in dezelfde valuta luidt;

b) 

naar de risicocategorie „wisselkoersrisico” gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, op hetzelfde valutapaar is gebaseerd;

c) 

alle naar de risicocategorie „kredietrisico” gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;

d) 

alle naar de risicocategorie „aandelenrisico” gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;

e) 

naar de risicocategorie „grondstoffenrisico” gemapte transacties worden aan één van de volgende hedging sets toegewezen op basis van de aard van hun primaire risicodeterminant of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties:

i) 

energie;

ii) 

metalen;

iii) 

landbouwproducten;

iv) 

overige grondstoffen;

v) 

klimatologische omstandigheden;

f) 

naar de risicocategorie „overige risico's” gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, identiek is.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea van dit lid worden naar de risicocategorie „renterisico” gemapte transacties die een inflatievariabele als de primaire risicodeterminant hebben, toegewezen aan afzonderlijke hedging sets niet zijnde de hedging sets, bepaald voor transacties gemapt naar de risicocategorie „renterisico” die geen inflatievariabele als primaire risicodeterminant hebben. Die transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, in dezelfde valuta luidt.

2.  

In afwijking van lid 1 van dit artikel bepalen instellingen binnen elke risicocategorie afzonderlijke individuele hedging sets voor de volgende transacties:

a) 

transacties waarvoor de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, ofwel de impliciete marktvolatiliteit is of de gerealiseerde volatiliteit van een risicodeterminant of de correlaties tussen beide risicodeterminanten;

b) 

transacties waarvoor de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, het verschil is tussen twee risicodeterminanten die naar dezelfde risicocategorie zijn gemapt of transacties die bestaan uit twee in dezelfde valuta luidende betalingsgedeelten en waarvoor een risicodeterminant uit dezelfde risicocategorie van de primaire risicodeterminant is vervat in het andere betalingsgedeelte dan het gedeelte dat de primaire risicodeterminant bevat.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea van dit lid wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, identiek is.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer het paar van risicodeterminanten in die transacties als bedoeld daarin identiek is en de beide in dit paar vervatte risicodeterminanten positief gecorreleerd zijn. Anders wijzen instellingen in punt b) van de eerste alinea bedoelde transacties toe aan één van de overeenkomstig lid 1 bepaalde hedging sets, op basis van slechts één van de beide in punt b) van de eerste alinea bedoelde risicodeterminanten.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), van dit lid wijzen instellingen transacties aan een afzonderlijke hedging set van de betrokken risicocategorie toe op basis van dezelfde samenstelling van de hedging set als beschreven in lid 1.

▼M8

3.  
Instellingen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteiten het aantal overeenkomstig lid 2 van dit artikel voor elke risicocategorie bepaalde hedging sets beschikbaar, met de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, of het paar van risicodeterminanten van elk van die hedging sets, en met het aantal transacties in elk van die hedging sets.

Artikel 278

Potentiële toekomstige blootstelling

1.  

Instellingen berekenen de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set als volgt:

waarbij:

PFE

=

de potentiële toekomstige blootstelling;

a

=

de index die de in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van de netting set opgenomen risicocategorieën aangeeft;

AddOn(a)

=

de opslagfactor voor risicocategorie „a”, berekend overeenkomstig de artikelen 280 bis tot en met 280 septies, naargelang het geval; en

multiplier

=

de vermenigvuldigingsfactor, berekend volgens de in lid 3 bedoelde formule.

Ten behoeve van deze berekening nemen instellingen de opslagfactor van een bepaalde risicocategorie op in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set wanneer ten minste één transactie van de netting set naar die risicocategorie is gemapt.

2.  
De potentiële toekomstige blootstelling van aan één margeovereenkomst onderworpen meervoudige netting sets, als bedoeld in artikel 275, lid 3, wordt berekend als de som van de potentiële toekomstige blootstellingen van alle individuele netting sets alsof deze niet aan enige vorm van margeovereenkomst waren onderworpen.
3.  

Voor de toepassing van lid 1 wordt de multiplicator als volgt berekend:



multiplier =

1 if z ≥ 0

if

waarbij:

Floorm = 5 %;
y = 2 · (1 – Floorm) · ΣaAddOn(a)



z =

CMV – NICA voor de in artikel 275,lid 1,bedoelde netting sets

CMV – VM – NICA voor in de artikel 275,lid 2,bedoelde netting sets

CMVi – NICAi voor in de artikel 275,lid 3,bedoelde netting sets

NICAi

=

het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden, berekend uitsluitend voor transacties die in de netting set i zijn opgenomen. NICAi wordt berekend op handelsniveau of op het niveau van de netting set, afhankelijk van de margeovereenkomst.

Artikel 279

Berekening van de risicopositie

Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor risicocategorieën berekenen instellingen de risicopositie van iedere transactie van een netting set als volgt:

Risicopositie = δ · AdjNot · MF
waarbij:

δ

=

de delta voor toezichtsdoeleinden van de transactie, berekend volgens de in artikel 279 bis bepaalde formule;

AdjNot

=

het aangepaste notionele bedrag van de transactie, berekend overeenkomstig artikel 279 ter; en

MF

=

de looptijdfactor van de transactie, berekend volgens de in artikel 279 quater bepaalde formule.

Artikel 279 bis

Delta voor toezichtsdoeleinden

1.  

Instellingen berekenen de delta voor toezichtsdoeleinden als volgt:

▼M17

a) 

voor call- en putopties die de optiekoper het recht geven een onderliggend instrument te kopen of verkopen voor een positieve prijs op één specifieke datum of meerdere datums in de toekomst, behalve wanneer die opties zijn gemapt naar de risicocategorie „renterisico” of de risicocategorie „grondstoffenrisico”, gebruiken instellingen de volgende formule:

▼M8

waarbij:

δ

=

de delta voor toezichtsdoeleinden;

sign

=

– 1 als de transactie een verkochte calloptie of een gekochte putoptie is;

sign

=

+ 1 als de transactie een gekochte calloptie of een verkochte putoptie is;

type

=

– 1 als de transactie een putoptie is;

type

=

+ 1 als de transactie een calloptie is;

N(x)

=

de cumulatieve distributiefunctie van een standaardnormale toevalsvariabele, d.w.z. de kans dat een normale toevalsvariabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan „x”;

P

=

de spot- of termijnprijs van het onderliggende instrument van de optie; voor opties waarvan de kasstromen afhangen van een gemiddelde waarde van de prijs van het onderliggende instrument, is P gelijk aan de gemiddelde waarde op de berekeningsdatum.

K

=

de uitoefenprijs van de optie;

▼C9

T

=

de periode tussen de uiterste geldigheidsdatum van de optie Texp en de rapportagedatum; voor opties die slechts op een enkele toekomstige datum kunnen worden uitgeoefend, is Texp gelijk aan die datum; voor opties die op meerdere toekomstige datums kunnen worden uitgeoefend, is Texp gelijk aan de laatste van die datums; T wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen, en

▼M8

σ

=

de volatiliteit voor toezichtsdoeleinden van de optie, bepaald overeenkomstig tabel 1, op basis van de risicocategorie van de transactie en de aard van het onderliggende instrument van de optie.



Tabel 1

Risicocategorie

Onderliggend instrument

Volatiliteit voor toezichtsdoeleinden

Wisselkoers

Alle

15 %

Krediet

Single-name-instrument

100 %

Multiple-names-instrument

80 %

Aandeel

Single-name-instrument

120 %

Multiple-names-instrument

75 %

Grondstof

Elektriciteit

150 %

Overige grondstoffen (elektriciteit uitgezonderd)

70 %

Overige

Alle

150 %

Instellingen die de termijnprijs van het onderliggende instrument gebruiken, zorgen ervoor dat:

i) 

de termijnprijs coherent is met de kenmerken van de optie;

ii) 

de termijnprijs wordt berekend aan de hand van een relevant rentepercentage dat op het tijdstip van de rapportage geldt;

iii) 

in de termijnprijs de verwachte kasstromen van het onderliggende instrument vóór het aflopen van de optie zijn verwerkt;

b) 

voor tranches van een synthetische securitisatie en een nth-to-default-kredietderivaat gebruiken instellingen de volgende formule:

waarbij:



sign =

+ als kredietprotectie d.m.v. transactie is verkregen

– als kredietprotectie d.m.v. transactie is verschaft

A

=

het attachment point van de tranche; voor een nth-to-default kredietderivatentransactie die gebaseerd is op referentie-entiteiten k, A = (n – 1)/k; en

D

=

het detachment point van de tranche; voor een nth-to-default kredietderivatentransactie die gebaseerd is op referentie-entiteiten k, D = n/k;

c) 

voor niet in punt a) of b) vermelde transacties maken instellingen gebruik van de volgende delta voor toezichtsdoeleinden:



δ =

+ 1 „als de transactie een longpositie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie is”

– 1 „als de transactie een shortpositie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie is”

2.  
Voor de toepassing van deze afdeling betekent een lange positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, dat de marktwaarde van de transactie toeneemt wanneer de waarde van die risicodeterminant toeneemt, en betekent een korte positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, dat de marktwaarde van de transactie afneemt wanneer de waarde van die risicodeterminant toeneemt.

▼M8

3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

▼M17

a) 

in overeenstemming met internationale ontwikkelingen op regelgevingsgebied, de formules die door instellingen worden gebruikt voor het berekenen van de delta voor toezichtsdoeleinden van call- en putopties die zijn gemapt naar de risicocategorie „renterisico” of de risicocategorie „grondstoffenrisico”, in overeenstemming met marktomstandigheden waarin rentepercentages of grondstoffenprijzen negatief kunnen zijn en de volatiliteit voor toezichtsdoeleinden welke voor die formules geschikt is;

▼M8

b) 

de methode om te bepalen of een transactie een lange of korte positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties is.

▼M17

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

▼M8

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 279 ter

Aangepast notioneel bedrag

1.  

Instellingen berekenen het aangepaste notionele bedrag als volgt:

a) 

voor naar de risicocategorie „renterisico” of de risicocategorie „kredietrisico” gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van het notionele bedrag van het derivatencontract en de duurfactor voor toezichtsdoeleinden, die als volgt wordt berekend:

▼C9

waarbij:

R

=

de disconteringsvoet voor toezichtsdoeleinden; R = 5 %;

S

=

de termijn tussen de aanvangsdatum van een transactie en de rapportagedatum, die wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen;

E

=

de termijn tussen de einddatum van een transactie en de rapportagedatum, die wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen, en

OneBusinessYear

=

één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen.

▼M8

De aanvangsdatum van een transactie is de eerste datum waarop er in het kader van de transactie ten minste een contractuele betaling aan of door de instelling wordt vastgesteld of gedaan, met uitzondering van betalingen in verband met de uitwisseling van zekerheden in het kader van een margeovereenkomst. Indien de transactie op de rapportagedatum al aanleiding heeft gegeven tot de vaststelling of het doen van betalingen, is de aanvangsdatum van een transactie gelijk aan 0.

Indien een transactie betrekking heeft op één of meerdere contractuele toekomstige datums waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten, is de startdatum van een transactie gelijk aan de vroegste van de volgende datums:

i) 

de datum of de vroegste van de diverse toekomstige datums waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten;

ii) 

de datum waarop een transactie aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen, niet zijnde betalingen in verband met de uitwisseling van zekerheden in het kader van een margeovereenkomst.

Indien een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de aanvangsdatum van de transactie bepaald op basis van de vroegste datum waarop het onderliggende instrument aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen.

De einddatum van een transactie is de laatste datum waarop in het kader van de transactie een contractuele betaling aan of door de instelling wordt uitgewisseld, of uitgewisseld kan worden.

Indien een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de einddatum van de transactie bepaald op basis van de laatste contractuele betaling van het onderliggende instrument van de transactie.

Indien een transactie gestructureerd is om op gespecificeerde betalingsdatums een uitstaande blootstelling af te wikkelen en indien de voorwaarden zodanig worden herzien dat de marktwaarde van de transactie op die gespecificeerde betaaldatums gelijk is aan nul, wordt de afwikkeling van de uitstaande blootstelling op deze gespecificeerde datums als een contractuele betaling in het kader van de transactie in kwestie aangemerkt;

b) 

voor naar de risicocategorie „wisselkoersrisico” gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als volgt:

i) 

indien de transactie uit één betalingsgedeelte bestaat, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het derivatencontract;

ii) 

indien de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van één betalingsgedeelte in de rapportagevaluta van de instelling luidt, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het andere betalingsgedeelte;

iii) 

indien de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van elk betalingsgedeelte luidt in een andere valuta dan de rapportagevaluta van de instelling, is het aangepaste notionele bedrag het grootste notionele bedrag van de beide betalingsgedeelten nadat die bedragen zijn omgezet in de rapportagevaluta van de instelling tegen de geldende contante wisselkoers;

c) 

voor naar de risicocategorie „aandelenrisico” of „grondstoffenrisico” gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van de marktprijs van één eenheid van het onderliggende instrument van de transactie en het aantal eenheden in het onderliggende instrument waarnaar de transactie verwijst;

indien een naar de risicocategorie „aandelenrisico” of „grondstoffenrisico” gemapte transactie contractueel als een notioneel bedrag is uitgedrukt, gebruiken de instellingen het notionele bedrag van de transactie als het aangepaste notionele bedrag, en niet het aantal eenheden in het onderliggende instrument;

d) 

voor naar andere risicocategorieën gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag op basis van de meest geschikte van de in de punten a), b) en c) vermelde methodes, naar gelang van de aard en kenmerken van het onderliggende instrument van de transactie.

2.  

Instellingen bepalen het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument ten behoeve van de berekening van het aangepaste notionele bedrag van een in lid 1 bedoelde transactie, als volgt:

a) 

indien het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument van een transactie pas aan het einde van de contractuele looptijd wordt vastgesteld:

i) 

voor deterministische notionele bedragen en aantallen eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het gewogen gemiddelde van alle deterministische waarden van notionele bedragen of aantallen eenheden van het onderliggende instrument, naargelang het geval, tot het eind van de contractuele looptijd van de transactie, waarbij de gewichten in verhouding staan tot de tijd dat elke waarde van het notionele bedrag van toepassing is;

ii) 

voor stochastische notionele bedragen en aantallen van eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het bedrag als vastgesteld door het vastleggen van actuele marktwaarden in de formule voor het berekenen van de toekomstige marktwaarden;

b) 

voor contracten met meervoudige uitwisselingen van het notionele bedrag wordt het notionele bedrag vermenigvuldigd met het aantal resterende betalingen dat overeenkomstig de contracten nog moet worden verricht;

c) 

voor contracten die voorzien in een vermenigvuldiging van de kasstroombetalingen of een vermenigvuldiging van de onderliggende waarde van het derivatencontract, wordt het notionele bedrag door een instelling aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van die contracten.

3.  
Instellingen zetten het aangepaste notionele bedrag van een transactie om in hun rapportagevaluta tegen de geldende contante wisselkoers wanneer het aangepaste notionele bedrag op grond van dit artikel wordt berekend op basis van een contractueel notioneel bedrag of een marktprijs van het aantal eenheden van het in een andere valuta luidende onderliggende instrument.

Artikel 279 quater

Looptijdfactor

1.  

Instellingen berekenen de looptijdfactor als volgt:

a) 

voor transacties opgenomen in de netting sets als bedoeld in artikel 275, lid 1, gebruiken instellingen de volgende formule:

waarbij:

MF

=

de looptijdfactor;

M

=

de resterende looptijd van de transactie die gelijk is aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van de transactie te beëindigen; met het oog daarop wordt iedere optionaliteit van een derivatencontract als een contractuele verplichting beschouwd; de resterende looptijd wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen;

indien een transactie een ander derivatencontract als onderliggend instrument heeft dat aanleiding kan geven tot aanvullende contractuele verplichtingen bovenop de contractuele verplichtingen van de transactie, is de resterende looptijd van de transactie gelijk aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van het onderliggende instrument te beëindigen;

indien een transactie gestructureerd is om op gespecificeerde betalingsdatums de uitstaande blootstelling af te wikkelen en indien de voorwaarden zodanig herzien worden dat de marktwaarde van de transactie op die gespecificeerde datums gelijk is aan nul, is de resterende looptijd van de transactie gelijk aan de resterende tijd tot de volgende herzieningsdatum; en

„OneBusinessYear”

=

één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen;

b) 

voor transacties die zijn opgenomen in de netting sets als bedoeld in artikel 275, leden 2 en 3, wordt de looptijdfactor omschreven als:

waarbij:

MF

=

de looptijdfactor;

MPOR

=

de margerisicoperiode van de netting set, bepaald overeenkomstig artikel 285, leden 2 tot en met 5; en

OneBusinessYear

=

één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen.

Bij het bepalen van de margerisicoperiode voor transacties tussen een cliënt en een clearinglid vervangt een instelling die hetzij als cliënt hetzij als clearinglid handelt, de in artikel 285, lid 2, punt b), genoemde minimale periode door vijf werkdagen.

2.  
Voor de toepassing van lid 1 is de resterende looptijd gelijk aan de tijd tot de volgende herzieningsdatum voor transacties die zijn gestructureerd om na gespecificeerde betalingsdatums de uitstaande blootstelling af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig worden herzien dat de marktwaarde van het contract op die gespecificeerde betaaldatums gelijk is aan nul.

Artikel 280

Factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor hedging sets

Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor een hedging set is de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor hedging set „є” de volgende:



є =

1 voor de hedging sets als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1

5 voor de hedging sets als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2

0,5 voor de hedging sets als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2

Artikel 280 bis

Opslagfactor voor de risicocategorie „renterisico”

1.  

Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie „renterisico” voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

AddOnIR

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „renterisico”;

j

=

de index die alle hedging sets voor renterisico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt a), en overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „renterisico” voor de hedging set „j” van de risicocategorie „renterisico”, berekend overeenkomstig lid 2.

2.  

Instellingen berekenen de opslagfactor voor de hedging set „j” van de risicocategorie „renterisico” als volgt:

waarbij:

єj

=

de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set „j”, bepaald overeenkomstig de in artikel 280 gespecificeerde toepasselijke waarde;

SFIR

=

de factor voor toezichtsdoeleinden voor de risicocategorie „renterisico” met een waarde gelijk aan 0,5 %; en

=

het effectieve notionele bedrag van de hedging set „j”, berekend overeenkomstig lid 3.

3.  

Voor de berekening van het effectieve notionele bedrag van de hedging set „j” mappen instellingen eerst elke transactie van de hedging set naar de passende subklasse in tabel 2. Ze doen dit op basis van de einddatum van elke transactie als bepaald krachtens artikel 279 ter, lid 1, punt a):



Tabel 2

Subklasse

Einddatum

(in jaar)

1

> 0 en <=1

2

> 1 en <=5

3

> 5

Instellingen berekenen vervolgens het effectieve notionele bedrag van de hedging set „j” volgens de volgende formule:

waarbij:

=

het effectieve notionele bedrag van de hedging set „j”; en

Dj,k

=

het effectieve notionele bedrag van subklasse „k” van de hedging set „j”, berekend als volgt:

waarbij:

l

=

de index die de risicopositie aangeeft.

Artikel 280 ter

Opslagfactor voor de risicocategorie „wisselkoersrisico”

1.  

Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie „wisselkoersrisico” voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

AddOnFX

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „wisselkoersrisico”;

j

=

de index die de hedging sets voor wisselkoersrisico als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt b), en overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „wisselkoersrisico” voor de hedging set „j” van de risicocategorie „wisselkoersrisico”, berekend overeenkomstig lid 2.

2.  

Instellingen berekenen de opslagfactor voor de risicocategorie „wisselkoersrisico” voor de hedging set „j” van de risicocategorie „wisselkoersrisico” als volgt:

waarbij:

єj

=

de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set „j”, bepaald overeenkomstig artikel 280;

SFFX

=

de factor voor toezichtsdoeleinden voor de risicocategorie „wisselkoersrisico” met een waarde gelijk aan 4 %;

=

het effectieve notionele bedrag van de hedging set „j”, berekend als volgt:

waarbij:

l

=

de index die de risicopositie aangeeft.

Artikel 280 quater

Opslagfactor risicocategorie „kredietrisico”

1.  

Voor de toepassing van lid 2 bepalen instellingen de relevante kredietreferentie-entiteiten van de netting set in overeenstemming met het volgende:

a) 

er is één kredietreferentie-entiteit voor elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie „kredietrisico” toegewezen single-nametransactie vormt; single-nametransacties worden alleen aan dezelfde kredietreferentie-entiteit toegewezen indien het onderliggende referentieschuldinstrument van die transacties door dezelfde uitgevende instelling is uitgegeven;

b) 

er is één kredietreferentie-entiteit voor elke groep van referentieschuldinstrumenten of single-namekredietderivaten die de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie „kredietrisico” toegewezen multi-namestransactie vormt; multi-namestransacties worden alleen aan dezelfde kredietreferentie-entiteit toegewezen indien de groep van onderliggende referentieschuldinstrumenten of single-namekredietderivaten van die transacties dezelfde bestanddelen heeft.

2.  

Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie „kredietrisico” voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

AddOnCredit

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „kredietrisico”;

j

=

de index die alle hedging sets voor kredietrisico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt c), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en

=

de opslagfactor van de hedging set „j” van de risicocategorie „kredietrisico”, berekend overeenkomstig lid 3.

3.  

Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie „kredietrisico” voor de hedging set „j” als volgt:

waarbij:

=

de opslagfactor van de risicocategorie „kredietrisico” voor de hedging set „j”;

єj

=

de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set „j”, bepaald overeenkomstig artikel 280;

k

=

de index die de kredietreferentie-entiteiten van de overeenkomstig lid 1 bepaalde netting set aangeeft;

=

de correlatiefactor van kredietreferentie-entiteit „k”; indien de kredietreferentie-entiteit „k” overeenkomstig lid 1, punt a), is bepaald,

, indien de kredietreferentie-entiteit „k” overeenkomstig lid 1, punt b), is bepaald,

, en

AddOn(Entityk)

=

de opslagfactor voor kredietreferentie-entiteit „k”, bepaald overeenkomstig lid 4.

4.  

Instellingen berekenen de opslagfactor voor kredietreferentie-entiteit „k” als volgt:

waarbij:

=

het effectieve notionele bedrag van kredietreferentie-entiteit „k”, berekend als volgt:

waarbij:

l

=

de index die de risicopositie aangeeft; en

=

de voor kredietreferentie-entiteit „k” toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden, berekend overeenkomstig lid 5.

5.  

Instellingen berekenen de voor kredietreferentie-entiteit „k” toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden als volgt:

a) 
voor kredietreferentie-entiteit „k”, bepaald overeenkomstig lid 1, punt a), wordt

gemapt naar één van de zes in tabel 3 van dit lid aangegeven factoren voor toezichtsdoeleinden op basis van een externe kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI van de overeenkomstige individuele uitgevende instelling. Voor een individuele uitgevende instelling waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt als volgt te werk gegaan:
i) 

een instelling die van de benadering in hoofdstuk 3 gebruikmaakt, mapt de interne rating van de individuele uitgevende instelling naar één van de externe kredietbeoordelingen;

ii) 
een instelling die van de benadering in hoofdstuk 2 gebruikmaakt, wijst

aan deze kredietreferentie-entiteit toe. Indien een instelling echter voor de risicoweging van de tegenpartijkredietrisicoblootstellingen met betrekking tot deze individuele uitgevende instelling gebruikmaakt van artikel 128, wordt

toegewezen aan deze kredietreferentie-entiteit;
b) 

voor kredietreferentie-entiteiten „k”, bepaald overeenkomstig lid 1, punt b), wordt als volgt te werk gegaan:

i) 
indien een aan kredietreferentie-entiteit „k” toegewezen risicopositie „l” een aan een erkende effectenbeurs genoteerde kredietindex is, wordt

gemapt naar een van de beide in tabel 4 van dit lid vermelde factoren voor toezichtsdoeleinden op basis van de kredietkwaliteit van de meerderheid van zijn individuele bestanddelen;
ii) 
indien een aan kredietreferentie-entiteit „k” toegewezen risicopositie „l” niet in onder i) van dit punt is bedoeld, is

het gewogen gemiddelde van de volgens de in punt a) beschreven methode naar elk van de bestanddelen gemapte factoren voor toezichtsdoeleinden, waarbij de gewichten worden bepaald door het aandeel notioneel van de bestanddelen van die positie.



Tabel 3

Kredietkwaliteitscategorie

Factor voor toezichtsdoeleinden voor single-nametransacties

1

0,38 %

2

0,42 %

3

0,54 %

4

1,06 %

5

1,6 %

6

6,0 %



Tabel 4

Overheersende kredietkwaliteit

Factor voor toezichtsdoeleinden voor genoteerde indices

Investeringswaardig

0,38 %

Niet-investeringswaardig

1,06 %

Artikel 280 quinquies

Opslagfactor voor de risicocategorie „aandelenrisico”

1.  

Voor de toepassing van lid 2 bepalen instellingen de relevante aandelenreferentie-entiteiten van de netting set in overeenstemming met het volgende:

a) 

er is één aandelenreferentie-entiteit voor elke uitgevende instelling van een referentieaandeleninstrument dat de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie „aandelenrisico” toegewezen single-nametransactie vormt; single-nametransacties worden alleen aan dezelfde aandelenreferentie-entiteit toegewezen indien het onderliggende referentieaandeleninstrument van die transacties door dezelfde uitgevende instelling is uitgegeven;

b) 

er is één aandelenreferentie-entiteit voor elke groep van referentieaandeleninstrumenten of single-nameaandelenderivaten die de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie „aandelenrisico” toegewezen multi-namestransactie vormt; multi-namestransacties worden alleen aan dezelfde aandelenreferentie-entiteit toegewezen indien de groep van onderliggende referentieaandeleninstrumenten of single-nameaandelenderivaten van die transacties, naargelang het geval, dezelfde bestanddelen heeft.

2.  

Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie „aandelenrisico” voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

AddOnEquity

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „aandelenrisico”;

j

=

de index die alle hedging sets voor aandelenrisico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt d), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en

=

de opslagfactor voor de hedging set „j” van de risicocategorie „aandelenrisico”, berekend overeenkomstig lid 3.

3.  

Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie „aandelenrisico” voor de hedging set „j” als volgt:

waarbij:

=

de opslagfactor van de risicocategorie „aandelenrisico” voor de hedging set „j”;

єj

=

de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set „j”, bepaald overeenkomstig artikel 280;

k

=

de index die de aandelenreferentie-entiteiten van de overeenkomstig lid 1 bepaalde netting set aangeeft;

=

de correlatiefactor van aandelenreferentie-entiteit „k”; indien de aandelenreferentie-entiteit „k” overeenkomstig lid 1, punt a), is bepaald,

; indien de aandelenreferentie-entiteit „k” overeenkomstig lid 1, punt b), is bepaald,

; en

AddOn(Entityk)

=

de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit „k”, bepaald overeenkomstig lid 4.

4.  

Instellingen berekenen de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit „k” als volgt:

waarbij:

AddOn(Entityk)

=

de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit „k”;

=

de voor aandelenreferentie-entiteit „k” toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden; indien de aandelenreferentie-entiteit „k” overeenkomstig lid 1, punt a), is bepaald,

; indien de aandelenreferentie-entiteit „k” overeenkomstig lid 1, punt b), is bepaald,

; en

=

het effectieve notionele bedrag van aandelenreferentie-entiteit „k”, berekend als volgt:

waarbij:

l

=

de index die de risicopositie aangeeft.

Artikel 280 sexies

Opslagfactor voor de risicocategorie „grondstoffenrisico”

1.  

Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie „grondstoffenrisico” voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

AddOnCom

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „grondstoffenrisico”;

j

=

de index die de hedging sets voor grondstoffen als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt e), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en

=

de opslagfactor van de hedging set „j” van de risicocategorie „grondstoffenrisico”, berekend overeenkomstig lid 4.

2.  
Voor de berekening van de opslagfactor van een hedging set voor grondstoffen van een bepaalde netting set overeenkomstig lid 4 stellen instellingen voor elke hedging set de betrokken grondstoffenreferentiesoorten vast. Grondstoffenderivatentransacties worden alleen aan dezelfde grondstoffenreferentiesoort toegewezen indien het onderliggende grondstoffeninstrument van die transacties hetzelfde karakter heeft, ongeacht de locatie van levering en kwaliteit van het grondstoffeninstrument.
3.  
In afwijking van lid 2 mogen bevoegde autoriteiten van een instelling met een significante blootstelling aan het basisrisico van verschillende posities met hetzelfde karakter als bedoeld in lid 2, eisen dat deze de grondstoffenreferentiesoorten voor die posities bepaalt aan de hand van meer kenmerken dan enkel het karakter van het onderliggende grondstoffeninstrument. In een dergelijke situatie worden grondstoffenderivatentransacties alleen aan dezelfde grondstoffenreferentiesoort toegewezen indien zij die kenmerken gemeenschappelijk hebben.
4.  

Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie „grondstoffenrisico” voor de hedging set „j” als volgt:

waarbij:

=

de opslagfactor van de risicocategorie „grondstoffenrisico” voor de hedging set „j”;

єj

=

de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set „j”, bepaald overeenkomstig artikel 280;

ρCom

=

de correlatiefactor voor de risicocategorie „grondstoffenrisico” met een waarde gelijk aan 40 %;

k

=

de index die de overeenkomstig lid 2 bepaalde grondstoffenreferentiesoorten van de netting set aangeeft; en

=

de opslagfactor voor grondstoffenreferentiesoort „k”, berekend overeenkomstig lid 5.

5.  

Instellingen berekenen de opslagfactor voor grondstoffenreferentiesoort „k” als volgt:

waarbij:

▼C9

=

de voor grondstoffenreferentiesoort „k” toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden; indien de grondstoffenreferentiesoort „k” overeenstemt met transacties toegewezen aan de hedging set als bedoeld in artikel 277 bis, lid 1, punt e), met uitzondering van transacties die betrekking hebben op elektriciteit, ; voor transacties die betrekking hebben op electriciteit, , en;

▼M8

=

de voor grondstoffenreferentiesoort „k” toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden; indien de grondstoffenreferentiesoort „k” overeenstemt met transacties toegewezen aan de hedging set als bedoeld in artikel 277 bis, lid 1, punt e), onder i), met uitzondering van transacties die betrekking hebben op elektriciteit,

; voor transacties die betrekking hebben op elektriciteit,

; en

=

het effectieve notionele bedrag van grondstoffenreferentiesoort „k”, berekend als volgt:

waarbij:

l

=

de index die de risicopositie aangeeft.

Artikel 280 septies

Opslagfactor voor de risicocategorie „overige risico's”

1.  

Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie „overige risico's” voor een bepaalde netting set als volgt:

waarbij:

AddOnOther

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „overige risico's”;

j

=

de index die de hedging sets voor overige risico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt f), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en

=

de opslagfactor voor de risicocategorie „overige risico's” voor de hedging set „j”, berekend overeenkomstig lid 2.

2.  

Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie „overige risico's” voor de hedging set „j” als volgt:

waarbij:

=

de opslagfactor van de risicocategorie „overige risico's” voor de hedging set „j”;

єj

=

de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set „j”, bepaald overeenkomstig artikel 280; en

SFOther

=

de factor voor toezichtsdoeleinden voor de risicocategorie „overige risico's” met een waarde gelijk aan 8 %;

=

het effectieve notionele bedrag van de hedging set „j”, berekend als volgt:

waarbij:

l

=

de index die de risicopositie aangeeft.

Afdeling 4

Vereenvoudigde standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico

Artikel 281

Berekening van de blootstellingswaarde

1.  
Instellingen berekenen één enkele blootstellingswaarde op het niveau van de netting set overeenkomstig afdeling 3, met inachtneming van lid 2 van dit artikel.
2.  

De blootstellingswaarde van een netting set wordt berekend overeenkomstig de volgende voorschriften:

a) 

instellingen passen de in artikel 274, lid 6, bedoelde behandeling niet toe;

b) 

in afwijking van artikel 275, lid 1, berekenen instellingen voor niet in artikel 275, lid 2, bedoelde netting sets de vervangingswaarde volgens onderstaande formule:

RC = max{CMV, 0}

waarbij:

RC

=

de vervangingswaarde; en

CMV

=

de huidige marktwaarde.

c) 

in afwijking van artikel 275, lid 2, van deze verordening voor netting sets van transacties die op een erkende beurs plaatsvinden; die centraal worden gecleard door een centrale tegenpartij waaraan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vergunning is verleend of die overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is erkend; of die waarvoor overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bilateraal zekerheden met de tegenpartij worden uitgewisseld, berekenen instellingen de vervangingswaarde volgens onderstaande formule:

RC = TH + MTA

waarbij:

RC

=

de vervangingswaarde;

TH

=

de krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen; en

MTA

=

het krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht;

d) 

in afwijking van artikel 275, lid 3, berekenen instellingen voor aan een margeovereenkomst onderworpen netting sets de vervangingswaarde als de som van de overeenkomstig lid 1 berekende vervangingswaarden van elke individuele netting set alsof deze niet door marges zijn gedekt;

e) 

alle hedging sets worden vastgesteld overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1;

f) 

instellingen stellen de multiplicator in de in artikel 278, lid 1, toegepaste formule ter berekening van de potentiële toekomstige blootstelling vast op 1, wat het volgende oplevert:

waarbij:

PFE

=

de potentiële toekomstige blootstelling; en

AddOn(a)

=

de opslagfactor voor risicocategorie „a”;

g) 

in afwijking van artikel 279 bis, lid 1, berekenen instellingen voor alle transacties de delta voor toezichtsdoeleinden als volgt:



δ =

+ 1 als de transactie een longpositie is in de primaire risicodeterminant

– 1 als de transactie een shortpositie is in de primaire risicodeterminant

waarbij:

δ

=

de delta voor toezichtsdoeleinden;

h) 

de in artikel 279 ter, lid 1, punt a), bedoelde formule voor de berekening van de duurfactor voor toezichtsdoeleinden luidt als volgt:

duurfactor voor toezichtdoeleinden = E – S

waarbij:

E

=

de termijn tussen de einddatum van een transactie en de rapportage-datum; en

S

=

de termijn tussen de aanvangsdatum van een transactie en de rapportagedatum;

i) 

de in artikel 279 quater, lid 1, bedoelde looptijdfactor wordt berekend als volgt:

(i) 

voor transacties die deel uitmaken van de in artikel 275, lid 1, bedoelde netting sets, MF = 1;

(ii) 

voor transacties die deel uitmaken van de in artikel 275, leden 2 en 3, bedoelde netting sets, MF = 0,42;

j) 

de in artikel 280 bis, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van het effectieve notionele bedrag van hedging set „j” luidt als volgt:

waarbij:

=

het effectieve notionele bedrag van hedging set „j”; en

Dj,k

=

het effectieve notionele bedrag van subklasse „k” van hedging set „j”;

k) 

de in artikel 280 quater, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set „j” luidt als volgt:

waarbij:

=

de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set „j”; en

AddOn(Entityk)

=

de opslagfactor voor de kredietreferentie-entiteit „k”;

l) 

de in artikel 280 quinquies, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set „j” luidt als volgt:

waarbij:

=

de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set „j”; en

AddOn(Entityk)

=

de opslagfactor voor de kredietreferentie-entiteit „k”;

m) 

de in artikel 280 sexies, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van de opslagfactor voor de grondstoffenrisicocategorie van hedging set „j” luidt als volgt:

waarbij:

=

de opslagfactor voor de grondstoffenrisicocategorie van hedging set „j”; en

=

de opslagfactor voor de grondstoffenreferentiesoort „k”.

Afdeling 5

Oorspronkelijkeblootstellingsmethode

Artikel 282

Berekening van de blootstellingswaarde

1.  
Instellingen mogen één enkele blootstellingswaarde berekenen voor alle onder een contractuele verrekeningsovereenkomst vallende transacties, mits aan alle voorwaarden van artikel 274, lid 1, is voldaan. Anders berekenen instellingen een blootstellingswaarde voor elke transactie afzonderlijk, waarbij de betrokken transactie als haar eigen netting set wordt beschouwd.
2.  
De blootstellingswaarde van een netting set of van een transactie is gelijk aan de uitkomst van 1,4 maal de som van de actuele vervangingswaarde en de potentiële toekomstige blootstelling.
3.  

De in lid 2 bedoelde actuele vervangingswaarde wordt als volgt berekend:

a) 

voor netting sets van transacties die op een erkende beurs worden verhandeld; die centraal worden gecleard door een centrale tegenpartij waaraan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vergunning is verleend of die overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is erkend; of die waarvoor overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bilateraal zekerheden met de tegenpartij worden uitgewisseld, gebruiken instellingen onderstaande formule:

RC = TH + MTA

waarbij:

RC

=

de vervangingswaarde;

TH

=

de krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen; en

MTA

=

het krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht;

b) 

voor alle overige netting sets of individuele transacties gebruiken instellingen de volgende formules:

RC = max{CMV, 0}

waarbij:

RC

=

de vervangingswaarde; en

CMV

=

de huidige marktwaarde.

Met het oog op de berekening van de actuele vervangingswaarde werken instellingen de actuele marktwaarden ten minste maandelijks bij.

4.  

Instellingen berekenen de in lid 2 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling als volgt:

a) 

de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set is de som van de potentiële toekomstige blootstelling van alle van de netting set deel uitmakende transacties, als berekend overeenkomstig punt b);

b) 

de potentiële toekomstige blootstelling van één enkele transactie is het notionele bedrag ervan vermenigvuldigd met:

i) 

het product van 0,5 % en de resterende looptijd van de transactie, uitgedrukt in jaren voor derivatencontracten die betrekking hebben op rentes;

ii) 

het product van 6 % en de resterende looptijd van de transactie, uitgedrukt in jaren voor derivatencontracten die betrekking hebben op kredietinstrumenten;

iii) 

4 % voor deviezenderivaten;

iv) 

18 % voor derivatencontracten die betrekking hebben op goud en op andere grondstoffen dan elektriciteit;

v) 

40 % voor elektriciteitsderivaten;

vi) 

32 % voor aandelenderivaten;

c) 

het in punt b) van dit lid bedoelde notionele bedrag wordt voor alle in dat punt genoemde derivaten bepaald overeenkomstig artikel 279 ter, leden 2 en 3; daarnaast wordt het notionele bedrag van de in punt b), onder iii) tot en met vi), van dit lid bedoelde derivaten bepaald overeenkomstig de punten b) en c) van artikel 279 ter, lid 1;

d) 

de potentiële toekomstige blootstelling van in lid 3, punt a), bedoelde netting sets wordt vermenigvuldigd met 0,42.

Ter berekening van de potentiële blootstellingswaarde van rentederivaten en kredietderivaten overeenkomstig punt b), onder i) en ii), mag een instelling ervoor kiezen de oorspronkelijke looptijd in plaats van de resterende looptijd van de contracten te gebruiken.

▼B

Afdeling 6

Internemodellenmethode

Artikel 283

Toestemming voor het toepassen van de internemodellenmethode

1.  

Nadat de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een instelling voldoet aan de in lid 2 vervatte vereisten, verlenen zij haar toestemming de internemodellenmethode (IMM) toe te passen voor de berekening van de blootstellingswaarde voor de volgende transacties:

a) 

de transacties bedoeld in artikel 273, lid 2, punt a);

b) 

de transacties bedoeld in artikel 273, lid 2, punten b), c) en d);

c) 

de transacties bedoeld in artikel 273, lid 2, punten a) tot en met d).

Indien een instelling toestemming heeft gekregen om de IMM toe te passen voor de berekening van de blootstellingswaarde voor de transacties vermeld in de punten a) tot en met c) van de eerste alinea, mag zij de IMM eveneens gebruiken voor de in artikel 273, lid 2, punt e), bedoelde transacties.

Niettegenstaande artikel 273, lid 1, derde alinea, kan een instelling besluiten deze methode niet toe te passen op blootstellingen die qua omvang en risico te verwaarlozen zijn. In dat geval past een instelling één van de in de afdelingen 3 tot en met 5 beschreven methoden op die blootstellingen toe indien de voor iedere benadering toepasselijke vereisten vervuld zijn.

2.  
De bevoegde autoriteiten verlenen de instellingen slechts toestemming om de IMM te gebruiken voor de in lid 1 bedoelde berekeningen indien de instelling heeft aangetoond dat zij voldoet aan de in deze afdeling beschreven vereisten en indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat de systemen voor CCR-beheer van de instelling deugdelijk zijn en naar behoren zijn geïmplementeerd.
3.  
De bevoegde autoriteiten kunnen de instellingen toestemming verlenen om gedurende een beperkte periode de IMM stapsgewijze voor de verschillende soorten transacties in te voeren. Tijdens deze periode van stapsgewijze invoering kunnen de instellingen de in afdeling 3 of de in afdeling 5 beschreven methode toepassen voor transactiesoorten waarvoor zij niet de IMM toepassen.

▼M8

4.  
Voor alle otc-derivatentransacties en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor een instelling niet krachtens lid 1 toestemming heeft gekregen om de IMM toe te passen, past zij de in afdeling 3 beschreven methoden toe. Die methoden kunnen binnen een groep permanent in combinatie worden toegepast.

▼B

5.  
Een instelling die overeenkomstig lid 1 toestemming heeft gekregen om de IMM te gebruiken, valt niet terug op de in afdeling 3 of de in afdeling 5 beschreven methode zonder daartoe toestemming van de bevoegde autoriteit te hebben gekregen. De bevoegde autoriteiten verlenen die toestemming indien de instelling aantoont dat zij daartoe goede gronden heeft.
6.  

Een instelling die niet langer voldoet aan de vereisten van deze afdeling, stelt de bevoegde autoriteit daarvan in kennis en voldoet aan een van beide volgende bepalingen:

a) 

zij toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat zij de vereisten spoedig opnieuw zal naleven;

b) 

zij toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat het effect van het niet-naleven van de vereisten te verwaarlozen is.

Artikel 284

Blootstellingswaarde

1.  
Indien een instelling overeenkomstig artikel 283, lid 1, toestemming heeft gekregen om de IMM toe te passen voor de berekening van de blootstellingswaarde voor sommige of alle van de in dat lid vermelde transacties, meet zij de blootstellingswaarde van die transacties op het niveau van het samenstel van verrekenbare transacties.

Het door de instelling voor dat doel toegepaste model:

a) 

specificeert de prognoseverdeling voor veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties die toe te schrijven zijn aan gezamenlijke veranderingen in toepasselijke marktvariabelen zoals rentetarieven, wisselkoersen, enz.;

b) 

berekent de blootstellingswaarde van het samenstel van verrekenbare transacties op elke datum in de toekomst in het licht van de gezamenlijke veranderingen in de marktvariabelen.

▼C2

2.  
Om met het effect van margeovereenkomsten rekening te houden, voldoet het model van de waarde van de gestelde zekerheden aan de kwantitatieve, kwalitatieve en gegevensvereisten voor het IMM overeenkomstig deze afdeling en mag de instelling in haar prognoseverdelingen voor veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties alleen toelaatbare financiële zekerheden als bedoeld in de artikelen 197 en 198, en artikel 299, lid 2, punten c) en d), betrekken.

▼B

3.  

Het eigenvermogensvereiste voor het tegenpartijkredietrisico met betrekking tot de CCR-blootstellingen waarop een instelling de IMM toepast, is het hoogste van de hierna bedoelde bedragen:

a) 

het eigenvermogensvereiste voor die blootstellingen, berekend op basis van de effectieve EPE met behulp van actuele marktgegevens;

b) 

het eigenvermogensvereiste voor die blootstellingen, berekend op basis van de effectieve EPE, met behulp van één consistente stresskalibratie voor alle CCR-blootstellingen waarop zij de IMM toepast.

4.  

Behalve voor tegenpartijen die geacht worden een specifiek wrongwayrisico te lopen en die onder het toepassingsgebied van artikel 291, leden 4 en 5, vallen, berekenen de instellingen de blootstellingswaarde als het product van alfa (α) keer de effectieve EPE, als volgt:

waarbij:

α

=

1,4, tenzij de bevoegde autoriteiten een hogere α vereisen of de instellingen toestaan hun eigen ramingen te gebruiken overeenkomstig lid 9;

de effectieve EPE wordt berekend door de verwachte blootstelling (EEt) te ramen als de gemiddelde blootstelling met betrekking tot een toekomstige datum t, waarbij het gemiddelde wordt genomen van mogelijke toekomstige waarden van relevante marktrisicofactoren.

Het model raamt de EE op een reeks toekomstige datums t1, t2, t3, enz.

5.  

De effectieve EE wordt recursief berekend op de volgende wijze:

waarbij:

de actuele datum aangeduid wordt als t0;
de effectieve EEt0 gelijk is aan de actuele blootstelling.
6.  

De effectieve EPE is gelijk aan de gemiddelde effectieve EE gedurende de eerste vijf jaar van de toekomstige blootstelling. Indien alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties binnen minder dan een jaar vervallen, is de EPE het gemiddelde van de EE totdat alle contracten vervallen die tot het samenstel van verrekenbare transacties behoren. De effectieve EPE wordt berekend als een gewogen gemiddelde van de effectieve EE:

▼C3

▼B

waarbij de wegingsfactoren

het mogelijk maken om rekening te houden met het geval waarin de toekomstige blootstelling wordt berekend op datums die niet gelijk verdeeld zijn in de tijd.
7.  
De instellingen berekenen de EE of de maximumblootstelling op basis van een verdeling van blootstellingen welke met de mogelijke abnormaliteit van de verdeling van de blootstellingen rekening houdt.

▼C2

8.  
Een instelling kan voor elke tegenpartij een door het IMM berekende maatstaf voor de verdeling gebruiken die voorzichtiger is dan α vermenigvuldigd met de effectieve EPE als berekend door middel van de vergelijking in lid 4.

▼B

9.  

Niettegenstaande lid 4 kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestemming verlenen om hun eigen ramingen van alfa te gebruiken waarbij:

a) 

alfa gelijk is aan de verhouding tussen het bedrag aan intern kapitaal dat wordt verkregen na uitvoering van een volledige simulatie van de blootstelling aan het tegenpartijkredietrisico voor alle tegenpartijen (teller) en het op basis van de EPE berekende bedrag aan intern kapitaal (noemer);

b) 

in de noemer de EPE wordt gebruikt alsof het een vast uitstaand leningsbedrag betreft.

De overeenkomstig dit lid geraamde alfa mag niet lager zijn dan 1,2.

10.  
Voor de raming van alfa overeenkomstig lid 9 garandeert een instelling dat de teller en de noemer worden berekend op een wijze die strookt met de modelleringsmethode, de parameterspecificaties en de portefeuillesamenstelling. De voor de raming van α toegepaste benadering berust op de door de instelling toegepaste internkapitaalbenadering, is naar behoren in documentatie vastgelegd en is aan onafhankelijke validatie onderworpen. Voorts onderwerpt een instelling haar ramingen van alfa ten minste om de drie maanden aan een nieuw onderzoek. Dit onderzoek vindt veelvuldiger plaats wanneer de samenstelling van de portefeuille varieert in de tijd. Een instelling beoordeelt tevens het modelrisico.
11.  
Een instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat bij haar interne ramingen van alfa in de teller rekening wordt gehouden met belangrijke bronnen van de afhankelijkheid van de verdeling van de marktwaarden van transacties of van portefeuilles van transacties over de tegenpartijen. Bij de interne ramingen van alfa wordt rekening gehouden met de granulariteit van de portefeuilles.
12.  
Bij het toezicht op het gebruik van ramingen overeenkomstig lid 9 houden de bevoegde autoriteiten rekening met de significante variatie in de ramingen van alfa die voortvloeit uit het potentieel voor misspecificatie in de modellen welke gebruikt worden voor de teller, met name wanneer convexiteit aanwezig is.
13.  
In voorkomend geval worden de volatiliteiten en correlaties van de marktrisicofactoren die bij de gezamenlijke modellering van het marktrisico en het kredietrisico worden gebruikt, bepaald aan de hand van de kredietrisicofactor om de potentiële toename van de volatiliteit of de correlatie bij een economische neergang tot uiting te laten komen.

Artikel 285

Blootstellingswaarde voor aan een margeovereenkomst onderworpen samenstellen van verrekenbare transacties

▼C2

1.  

Indien het samenstel van verrekenbare transacties aan een margeovereenkomst en aan dagelijkse waardering tegen marktwaarde onderworpen is, berekent de instelling de effectieve EPE als beschreven in dit lid. Indien het model bij de raming van EE met het effect van margestortingen rekening houdt, kan de instelling, mits de bevoegde autoriteit daartoe toestemming verleent, de EE- maatstaf van het model rechtstreeks in de vergelijking bedoeld in artikel 284, lid 5, toepassen. De bevoegde autoriteiten verlenen die toestemming alleen indien zij zich ervan vergewissen dat het model bij de raming van EE terdege met het effect van margestortingen rekening houdt. Een instelling die een dergelijke toestemming niet gekregen heeft maakt gebruik van een van de volgende EPE-maatstaven:

a) 

de effectieve EPE, berekend zonder rekening te houden met de zekerheden die bij wijze van marge worden aangehouden of gestort, vermeerderd met de zekerheden die, onafhankelijk van het dagelijkse waarderings- en margestortingsproces of de actuele blootstelling, bij de tegenpartij zijn gestort;

b) 

de effectieve EPE, berekend als de potentiële toename van de blootstelling in de loop van de margerisicoperiode, vermeerderd met het grootste van de volgende bedragen:

i) 

de actuele blootstelling inclusief alle op het actuele tijdstip aangehouden of gestorte zekerheden, met uitzondering van opgevraagde of betwiste zekerheden;

ii) 

de grootste nettopositie, inclusief zekerheden uit hoofde van de margeovereenkomst, die niet tot opvraging van zekerheden leidt. Dit bedrag weerspiegelt alle toepasselijke drempels, de minimumbedragen van de overdracht, onafhankelijke bedragen en initiële marges uit hoofde van de margeovereenkomst.

▼B

Voor de toepassing van punt b) berekenen de instellingen de opslagfactor als de verwachte positieve verandering van de tegen marktwaarde gewaardeerde waarde van de transacties gedurende de margerisicoperiode. Veranderingen in de waarde van zekerheden ►C2  worden tot uitdrukking gebracht door middel van de toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig hoofdstuk 4, afdeling 4, ◄ of door middel van de eigenramingenbenadering van volatiliteitsaanpassingen van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden, maar er worden geen betalingen van zekerheid geacht te zijn gedaan gedurende de margerisicoperiode. De margerisicoperiode is onderworpen aan de minimumtermijnen van de leden 2 tot en met 5.

2.  

Voor transacties die aan dagelijkse margebijstortingen en waardering tegen marktwaarde onderworpen zijn, bedraagt de margerisicoperiode die bij margeovereenkomsten voor de modellering van de blootstellingswaarde wordt gebruikt niet minder dan:

a) 

5 werkdagen voor samenstellen van verrekenbare transacties die alleen bestaan uit retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties;

b) 

10 werkdagen voor alle andere samenstellen van verrekenbare transacties.

3.  

De punten a) en b) van lid 2 worden toegepast met inachtneming van de volgende uitzonderingen:

a) 

voor alle samenstellen van verrekenbare transacties waarbij het aantal transacties op enig moment tijdens een kwartaal groter is dan 5 000 , bedraagt de margerisicoperiode voor het volgende kwartaal niet minder dan 20 werkdagen. Deze uitzondering is niet van toepassing op de CTP-transactieblootstellingen van de instellingen;

b) 

voor samenstellen van verrekenbare transacties die een of meer transacties omvatten waarbij illiquide zekerheden of een niet gemakkelijk vervangbaar otc-derivaat betrokken zijn, bedraagt de marge-risicoperiode niet minder dan 20 werkdagen.

Een instelling bepaalt of zekerheden illiquide zijn dan wel of otc-derivaten niet gemakkelijk vervangbaar zijn in de context van gespannen marktomstandigheden, gekenmerkt door de afwezigheid van continu actieve markten waarbij een tegenpartij binnen twee of minder dagen meerdere prijsnoteringen zou verkrijgen die de markt niet in beweging zouden brengen of een prijs zouden vertegenwoordigen die een marktkorting (in het geval van zekerheden) of een marktpremie (in het geval van een otc-derivaat) tot uitdrukking brengt.

Een instelling gaat na of transacties of de door haar als zekerheid aangehouden effecten bij een bepaalde tegenpartij zijn geconcentreerd, alsmede of, indien die tegenpartij plotseling uit de markt zou uittreden, de instelling in staat zou zijn die transacties of effecten te vervangen.

4.  
Indien een instelling in de loop van de twee onmiddellijk voorafgaande kwartalen betrokken is geweest bij meer dan twee geschillen in verband met margeopvragingen betreffende een bepaald samenstel van verrekenbare transacties, die langer hebben geduurd dan de overeenkomstig de leden 2 en 3 van toepassing zijnde margerisicoperiode, maakt de instelling voor de twee volgende kwartalen gebruik van een margerisicoperiode die ten minste het dubbele bedraagt van de in de leden 2 en 3 bepaalde termijn.
5.  

Voor de margebijstortingen met een periodiciteit van N dagen is de margerisicoperiode ten minste gelijk aan de in de leden 2 en 3 bepaalde termijn F, plus N dagen min één dag. Dat wil zeggen:

6.  
Indien het interne model het effect van margestortingen op veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties omvat, modelleert een instelling andere zekerheden dan in dezelfde valuta als de blootstelling luidende contanten samen met de blootstelling in haar berekeningen van de blootstellingswaarden voor otc-derivaten en effectenfinancieringstransacties.

▼M17

7.  
Indien een instelling niet in staat is om zekerheden samen met de positie te modelleren, neemt zij bij haar berekeningen van de blootstellingswaarden voor otc-derivaten het effect van andere zekerheden dan in dezelfde valuta als de blootstelling luidende contanten slechts in aanmerking indien de instelling gebruik maakt van de volatiliteitsaanpassingen in het kader van de toezichtsbenadering van standaardvolatiliteitsaanpassingen overeenkomstig hoofdstuk 4.

▼M17

7 bis.  
Indien een instelling niet in staat is om zekerheden samen met de positie te modelleren, neemt zij bij haar berekeningen van de blootstellingswaarden voor effectenfinancieringstransacties het effect van andere zekerheden dan in dezelfde valuta als de blootstelling luidende contanten niet in aanmerking.

▼B

8.  
Een instelling die de IMM toepast, houdt in haar modellen geen rekening met het effect van een vermindering van de blootstellingswaarde als gevolg van een clausule in een zekerheidsovereenkomst die de ontvangst van zekerheid vereist als de kredietwaardigheid van de tegenpartij verslechtert.

Artikel 286

CCR-beheer – Beleidslijnen, processen en systemen

1.  

Een instelling is verplicht een kader voor CCR-beheer in te stellen en in stand te houden, omvattende:

a) 

beleidslijnen, processen en systemen om te zorgen voor vaststelling, meting, beheer, goedkeuring en interne rapportage van het CCR;

b) 

procedures om ervoor te zorgen dat die beleidslijnen, processen en systemen worden nageleefd.

Die beleidslijnen, processen en systemen moeten solide zijn qua concept, integer worden geïmplementeerd en in documentatie worden vastgelegd. In de documentatie wordt uitgelegd welke empirische technieken worden gebruikt om het CCR te meten.

2.  

Het bij lid 1 vereiste kader voor CCR-beheer houdt rekening met het marktrisico, het liquiditeitsrisico en het juridisch en operationeel risico die samenhangen met het CCR. In het bijzonder waarborgt het kader dat de instelling de volgende beginselen in acht neemt:

a) 

zij doet geen zaken met een tegenpartij zonder haar kredietwaardigheid te beoordelen;

b) 

zij houdt op passende wijze rekening met het vóór en bij de afwikkeling optreden van kredietrisico;

c) 

zij beheert deze risico's zo veel mogelijk op het niveau van de tegenpartij (CCR-blootstellingen worden geaggregeerd met andere kredietrisicoposities) en op het niveau van de onderneming in haar geheel.

3.  

Een instelling die de IMM toepast, zorgt ervoor dat haar kader voor CCR-beheer ten genoegen van de bevoegde autoriteit rekening houdt met alle hierna bedoelde liquiditeitsrisico's:

a) 

potentiële margeopvragingen in het kader van de uitwisseling van variatiemarge of andere margetypes, zoals initiële of onafhankelijke marge, bij ongunstige marktschokken;

b) 

potentiële verzoeken tot terugstorting van door tegenpartijen te veel gestorte zekerheid;

c) 

opvragingen als gevolg van een mogelijke downgrade van haar eigen externe kredietkwaliteitsbeoordeling.

Een instelling garandeert dat de aard en de horizon van het hergebruik van zekerheden in overeenstemming zijn met haar liquiditeitsbehoeften en haar vermogen om zekerheden tijdig te storten of terug te storten.

4.  
Het leidinggevend orgaan en de directie van een instelling zijn actief betrokken bij het CCR-beheer en zorgen ervoor dat voldoende middelen aan het CCR-beheer worden toegewezen. De directie heeft door middel van een formeel proces kennis van de beperkingen en aannames van het gebruikte model en het mogelijke effect van die beperkingen en aannames op de betrouwbaarheid van de output. De directie heeft tevens kennis van de onzekerheden van het marktklimaat en operationele kwesties, en van de wijze waarop deze in het model tot uiting komen.
5.  
De dagelijkse rapporten die overeenkomstig artikel 287, lid 2, punt b), over de CCR-blootstellingen van een instelling worden opgesteld, worden getoetst door een managementechelon dat hoog genoeg geplaatst is en voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de door afzonderlijke kredietbeheerders of handelaren ingenomen posities en van de totale CCR-blootstelling van de instelling op te leggen.
6.  
Het overeenkomstig lid 1 door een instelling gecreëerde kader voor CCR-beheer wordt gebruikt in combinatie met interne krediet- en transactielimieten. De krediet- en transactielimieten zijn aan het risicometingsmodel van de instelling gerelateerd op een wijze die consistent is in de tijd en die goed wordt begrepen door kredietbeheerders, handelaren en de directie. Een instelling heeft een formeel proces om inbreuken op risicolimieten aan het passende managementniveau te rapporteren.
7.  
Een CCR-meting van de instelling behelst de meting van het dagelijkse en intra-day gebruik van kredietlijnen. De instelling meet de actuele blootstelling met en zonder inaanmerkingneming van gestelde zekerheden. Op het niveau van de portefeuille en de tegenpartij berekent en bewaakt de instelling de maximumblootstelling of de potentiële toekomstige blootstelling voor het door haar gekozen betrouwbaarheidsinterval. De instelling houdt rekening met grote of geconcentreerde posities, met inbegrip van posities per groep van verbonden tegenpartijen, per sector en per markt.
8.  
Een instelling is verplicht een ordelijk en strikt programma van stresstesten op te stellen en in stand te houden. De resultaten van die stresstesten worden door de directie regelmatig en ten minste elk kwartaal getoetst en worden verwerkt in de CCR-beleidslijnen en -limieten die door het leidinggevend orgaan of de directie worden bepaald. Indien uit de stresstesten blijkt dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid voor een bepaalde samenloop van omstandigheden, neemt de instelling terstond maatregelen om die risico's te beheren.

Artikel 287

Organisatiestructuren voor CCR-beheer

1.  

Een instelling die de IMM toepast, is verplicht tot het instellen en in stand houden van:

a) 

een afdeling risicobeheersing die voldoet aan lid 2;

b) 

een afdeling zekerhedenbeheer die voldoet aan lid 3.

2.  

De afdeling risicobeheersing is verantwoordelijk voor de opzet en implementatie van haar CCR-beheer, met inbegrip van de initiële en doorlopende validatie van het model, verricht de volgende functies en voldoet aan de volgende vereisten:

a) 

zij is verantwoordelijk voor de opzet en implementatie van het CCR-beheersysteem van de instelling;

b) 

zij stelt dagelijkse rapporten op over en analyseert de output van het risicometingsmodel van de instelling. Die analyse omvat een evaluatie van de relatie tussen de maatstaven voor de CCR-blootstellingswaarde enerzijds en de transactielimieten anderzijds;

c) 

zij controleert de integriteit van de inputgegevens en produceert en analyseert rapporten over de output van het risicometingsmodel van de instelling, inclusief een evaluatie van de relatie tussen de maatstaven voor risicoblootstelling enerzijds en de krediet- en transactielimieten anderzijds;

d) 

zij is onafhankelijk van de afdelingen die verantwoordelijk zijn voor het doen ontstaan, het hernieuwen en het verhandelen van blootstellingen, en staat niet bloot aan ongewenste invloeden;

e) 

zij beschikt over voldoende en geschikt personeel;

f) 

zij rapporteert rechtstreeks aan de directie van de instelling;

g) 

haar werkzaamheden zijn in hoge mate in het dagelijkse kredietrisicobeheerproces van de instelling geïntegreerd;

h) 

haar output is een geïntegreerd onderdeel van het proces van de planning, bewaking en beheersing van het kredietrisicoprofiel en het algemene risicoprofiel van de instelling.

3.  

De afdeling zekerhedenbeheer voert de volgende taken en functies uit:

a) 

accuraat en dagelijks berekenen en verrichten van margin calls, beheren van geschillen in verband met margin calls en rapporteren van niveaus van onafhankelijke bedragen, initiële marges en variatiemarges;

b) 

controleren van de integriteit van de gegevens die worden gebruikt om marge op te vragen en ervoor zorgen dat deze in overeenstemming zijn met en regelmatig afgestemd worden op alle relevante bronnen van gegevens binnen de instelling;

c) 

het volgen van de mate van hergebruik van zekerheden en elke wijziging van de rechten van de instelling op of in verband met de door haar gestorte zekerheden;

d) 

rapportage aan het passende managementniveau van de soorten als zekerheid verstrekte activa die worden hergebruikt en de voorwaarden van dit hergebruik, waaronder instrumenten, kredietkwaliteit en looptijd;

e) 

het volgen van de concentratie op de afzonderlijke soorten als zekerheid verstrekte activa die door de instelling worden aanvaard;

f) 

rapportage van informatie over zekerhedenbeheer op regelmatige basis, maar ten minste elk kwartaal, aan de directie, inclusief informatie over de soort zekerheid die is ontvangen en gestort, de omvang, ouderdomsstructuur en oorzaak van geschillen in verband met margeopvragingen. Bij die interne rapportage worden tevens trends in deze cijfers tot uitdrukking gebracht.

4.  
De directie wijst voldoende middelen toe aan de bij lid 1, punt b), voorgeschreven afdeling zekerhedenbeheer om ervoor te zorgen dat de systemen van de afdeling een passend niveau van operationele prestaties bereiken, als gemeten door de tijdigheid en nauwkeurigheid van margeopvragingen door de instelling en de tijdigheid van de reactie van de instelling op margeopvragingen van haar tegenpartijen. De directie draagt er zorg voor dat de afdeling over voldoende personeel beschikt om opvragingen en geschillen ook bij een hevige marktcrisis tijdig te behandelen en de instelling in staat te stellen haar aantal grote door transactievolumes veroorzaakte geschillen te beperken.

Artikel 288

Toetsing van het CCR-beheersysteem

Een instelling laat door middel van haar interne auditproces regelmatig een onafhankelijke toetsing van haar CCR-beheersysteem verrichten. Bij die toetsing worden de activiteiten van de bij artikel 287 voorgeschreven afdelingen risicobeheersing en zekerhedenbeheer betrokken en wordt specifiek aandacht besteed aan ten minste het volgende:

a) 

de toereikendheid van de documentatie over het bij artikel 286 voorgeschreven systeem en proces voor het beheer van het CCR;

b) 

de organisatie van de bij artikel 287, lid 1, punt a), voorgeschreven afdeling CCR-beheersing;

c) 

de organisatie van de bij artikel 287, lid 1, punt b), voorgeschreven afdeling zekerhedenbeheer;

d) 

de integratie van de CCR-maatstaven in het dagelijkse risicobeheer;

e) 

het proces voor de fiattering van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in de afdeling administratieve verwerkingen en de handelsafdelingen worden gebruikt;

f) 

de validatie van significante veranderingen in het CCR-metingsproces;

g) 

de omvang van de CCR's waarmee in het risicometingsmodel rekening is gehouden;

h) 

de deugdelijkheid van het beheersinformatiesysteem;

i) 

de nauwkeurigheid en volledigheid van de CCR-gegevens;

j) 

de accurate weerspiegeling van de juridische voorwaarden in zekerheids- en verrekeningsovereenkomsten in de metingen van de blootstellingswaarden;

k) 

de verificatie van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen worden gebruikt alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen;

l) 

de nauwkeurigheid en adequaatheid van de aannames inzake volatiliteit en correlatie;

m) 

de nauwkeurigheid van de waarderings- en risicotransformatieberekeningen;

n) 

de verificatie van de accuraatheid van het model door middel van frequente back-testing als beschreven in de artikel 293, lid 1, punten b) tot en met e);

o) 

de naleving door de afdelingen CCR-beheersing en zekerhedenbeheer van de toepasselijke regelgevingsvereisten.

Artikel 289

Gebruikstest

1.  
De instellingen zorgen ervoor dat de verdeling van de blootstellingen die resulteert uit het voor de berekening van de effectieve EPE toegepaste model nauw in het dagelijkse CCR-beheerproces van de instelling wordt geïntegreerd en dat de output van het model in aanmerking wordt genomen in het proces van kredietgoedkeuring, CCR-beheer, interne kapitaalallocatie en corporate governance.
2.  
De instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat zij voor het berekenen van de verdeling van de blootstellingen waarop de EPE-berekening is gebaseerd, gedurende ten minste één jaar voordat de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 283 toestemming voor de toepassing van de IMM verlenen, gebruik heeft gemaakt van een model dat in grote lijnen voldoet aan de in deze afdeling beschreven vereisten.
3.  
Het gehanteerde model waaruit een verdeling van de CCR-blootstellingen resulteert, is onderdeel van het bij artikel 286 voorgeschreven kader voor CCR-beheer. Dit kader omvat de meting van het gebruik van kredietlijnen, waarbij CCR-blootstellingen met andere kredietposities worden geaggregeerd, en de interne kapitaalallocatie.
4.  
Benevens de EPE meet en beheert een instelling de actuele blootstellingen. In voorkomend geval meet de instelling de actuele blootstelling met en zonder inaanmerkingneming van gestelde zekerheden. Aan de gebruikstest is voldaan indien een instelling gebruik maakt van andere CCR-maatstaven, zoals de maximumblootstelling, op basis van de verdeling van de blootstellingen welke resulteert uit hetzelfde model voor de berekening van de EPE.
5.  
De instelling beschikt over de systeemcapaciteit om indien nodig de EE dagelijks te ramen, tenzij zij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat haar CCR-blootstellingen een minder frequente berekening rechtvaardigen. De instelling raamt de EE langs een tijdsprofiel van prognosehorizons waarin adequaat de tijdsstructuur van de toekomstige kasstromen en de looptijd van de contracten tot uiting komen, en op een wijze die consistent is met het belang en de samenstelling van de blootstellingen.
6.  
Een positie wordt gemeten, bewaakt en beheerst over de volledige duur van alle contracten van het samenstel van verrekenbare transacties, en niet alleen over een tijdshorizon van één jaar. De instelling beschikt over procedures voor het onderkennen en beheersen van de tegenpartijrisico's waarbij de blootstelling de tijdshorizon van een jaar overschrijdt. De voorspelde toename van de blootstelling is een input in het door de instelling gebruikte internkapitaalmodel.

Artikel 290

Stresstests

1.  
Een instelling beschikt, ook voor gebruik bij de beoordeling van de eigenvermogensvereisten voor het CCR, over een uitgebreid programma van stresstests voor het CCR dat voldoet aan de vereisten van de leden 2 tot en met 10.
2.  
Het programma biedt de mogelijkheid mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden op te sporen die een nadelig effect op de kredietposities van een instelling kunnen hebben en schat in in hoeverre de instelling tegen dergelijke veranderingen bestand is.
3.  
De stressmaatstaven overeenkomstig het programma worden vergeleken met de risicolimieten en worden door de instelling als een onderdeel van het in artikel 81 van Richtlijn 2013/36/EU beschreven proces beschouwd.
4.  
Het programma houdt rekening met het geheel van transacties en samengevoegde blootstellingen voor alle vormen van tegenpartijkredietrisico op het niveau van specifieke tegenpartijen, gedurende een voldoende lang tijdsbestek om regelmatig stresstesten te kunnen verrichten.
5.  
Het voorziet in het ten minste maandelijks onderwerpen aan stresstests van de blootstellingen aan de belangrijkste marktrisicofactoren, zoals rente, FX, aandelen, creditspreads en grondstoffenprijzen voor alle tegenpartijen van de instelling, om buitensporig grote concentraties in bepaalde directionele risico's op te sporen en de instelling in staat te stellen deze concentraties zo nodig te verminderen. Er worden op het niveau van specifieke tegenpartijen, op het niveau van groepen tegenpartijen en op het niveau van het samengevoegde CCR voor de gehele instelling, stresstests verricht naar het CCR – inclusief unifactoriële risico's, multifactoriële risico's en niet-directionele risico's van betekenis – evenals gezamenlijke stresstesten naar risicoblootstelling en kredietwaardigheid.
6.  

Er worden ten minste elk kwartaal stresstestscenario's voor multifactoriële risico's toegepast en er wordt een inschatting gemaakt van de niet-directionele risico's van betekenis, waaronder rendementscurveposities en basisrisico's. Bij multifactoriële stresstesten worden minimaal de volgende scenario's behandeld:

a) 

er hebben zich hevige economische of marktgebeurtenissen voorgedaan;

b) 

de brede marktliquiditeit is significant gedaald;

c) 

een grote financiële intermediair is bezig posities te liquideren.

7.  
De hevigheid van de schokken van de onderliggende risicofactoren is consistent met het doel van de stresstest. Bij de beoordeling van de solvabiliteit onder stress zijn de schokken van de onderliggende risicofactoren hevig genoeg om rekening te houden met historische extreme marktomstandigheden en met extreme, maar plausibele stressvolle marktomstandigheden. Met de stresstesten worden de impact van dergelijke schokken op het eigen vermogen, de eigenvermogensvereisten en de winst geëvalueerd. Voor de dagelijkse monitoring van de portefeuille, de hedging en het beheer van de concentraties houdt het testprogramma ook rekening met scenario's die minder hevig maar waarschijnlijker zijn.
8.  
Het programma voorziet, in voorkomend geval, ook in omgekeerde stresstests om extreme, maar plausibele, scenario's vast te stellen die in zeer ongunstige uitkomsten kunnen resulteren. Bij omgekeerde stresstesten wordt rekening gehouden met de impact van aanzienlijke niet-lineariteit in de portefeuille.
9.  
De resultaten van de stresstests overeenkomstig het programma worden regelmatig, ten minste op kwartaalbasis, aan de directie gerapporteerd. De rapporten en analyse van de resultaten hebben betrekking op de grootste effecten op tegenpartijniveau over de hele portefeuille, de concentraties van betekenis binnen segmenten van de portefeuille (binnen dezelfde branche of regio) en relevante portefeuille- en tegenpartijspecifieke trends.
10.  
De directie neemt een leidende rol op zich bij de integratie van de stresstests in het kader voor risicobeheer en de risicocultuur van de instelling, en zorgt ervoor dat de resultaten zinvol zijn en gebruikt worden om het CCR te beheren. De resultaten van de stresstests voor significante blootstellingen worden beoordeeld aan de hand van richtsnoeren die de risicobereidheid van een instelling aangeven en worden aan de directie ter fine van discussie en actie voorgelegd als buitensporige of geconcentreerde risico's aan het licht worden gebracht.

Artikel 291

Wrongwayrisico

1.  

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a) 

"algemeen wrongwayrisico": risico dat zich voordoet wanneer de kans op wanbetaling door tegenpartijen een positieve correlatie vertoont met algemene marktrisicofactoren;

b) 

"specifiek wrongwayrisico": risico dat zich voordoet wanneer een toekomstige blootstelling met betrekking tot een specifieke tegenpartij een positieve correlatie vertoont met de PD door de tegenpartij op grond van de aard van de transacties met de tegenpartij. Een instelling wordt geacht aan een specifiek wrongwayrisico te zijn blootgesteld als verwacht wordt dat de toekomstige blootstelling aan het risico van een specifieke tegenpartij groot zal zijn wanneer de kans op wanbetaling van de tegenpartij ook groot is.

2.  
Een instelling houdt terdege rekening met blootstellingen die aanleiding geven tot het ontstaan van een significante graad van specifiek en algemeen wrongwayrisico.
3.  
Om algemeen wrongwayrisico te onderkennen ontwikkelt een instelling stresstesten en scenarioanalyses om risicofactoren onder stress te brengen die ongunstig aan de kredietwaardigheid van een tegenpartij zijn gerelateerd. Dergelijke testen hebben betrekking op de mogelijkheid dat zich hevige schokken voordoen wanneer de relaties tussen de risicofactoren veranderen. Een instelling bewaakt het algemene wrongwayrisico per product, per regio, per sector, of op basis van andere categorieën die relevant zijn voor de bedrijfsactiviteit.
4.  
Een instelling houdt, vanaf de aanvang van een transactie en tijdens de gehele duur ervan, procedures in stand om gevallen van specifiek wrongwayrisico te onderkennen, te bewaken en te beheersen.
5.  

De instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor het CCR met betrekking tot transacties waarbij specifiek wrongwayrisico is onderkend en waarbij er een rechtsbetrekking bestaat tussen de tegenpartij en de uitgevende instelling van de onderliggende waarde van het otc-derivaat of de onderliggende waarde van de in artikel 273, lid 2, punten b), c) en d), bedoelde transacties, overeenkomstig de volgende principes:

a) 

de instrumenten waarvoor specifiek wrongwayrisico bestaat, worden niet opgenomen in hetzelfde samenstel van verrekenbare transacties als de andere transacties met de tegenpartij en worden elk als een afzonderlijk samenstel van verrekenbare transacties behandeld;

b) 

binnen een dergelijk afzonderlijk samenstel van verrekenbare transacties is voor kredietverzuimswaps met één referentie-entiteit de blootstellingswaarde gelijk aan het volledige verwachte verlies van de resterende reële waarde van de onderliggende instrumenten op basis van de aanname dat de onderliggende uitgevende instelling in liquidatie is;

c) 

het LGD voor een instelling die de in hoofdstuk 3 beschreven benadering toepast, bedraagt 100 % voor dergelijke swaptransacties;

d) 

voor een instelling die de in hoofdstuk 2 beschreven benadering toepast, is het toepasselijke risicogewicht dat van een ongedekte transactie;

e) 

voor alle andere transacties die betrekking hebben op één referentie-entiteit (single name) in een dergelijk afzonderlijk samenstel van verrekenbare transacties strookt de berekening van de blootstellingswaarde met de aanname dat er zich een jump-to-default voordoet met betrekking tot de onderliggende verplichtingen waarbij de uitgevende instelling juridisch verbonden is met de tegenpartij. Voor transacties die betrekking hebben op een basket van referentie-entiteiten of index, wordt de jump-to-default met betrekking tot de respectieve onderliggende verplichtingen waarbij de uitgevende instelling juridisch verbonden is met de tegenpartij, toegepast, voor zover dit van wezenlijk belang is;

▼M17

f) 

voor zover de berekening gebruikmaakt van bestaande marktrisicoberekeningen voor de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico als beschreven in titel IV, hoofdstuk 1 bis, afdeling 4 of 5, of voor het wanbetalingsrisico met gebruikmaking van een intern wanbetalingsrisicomodel als beschreven in titel IV, hoofdstuk 1 ter, afdeling 3, die al een LGD-aanname bevatten, wordt in de formule een LGD gebruikt gelijk aan 100 %.

▼B

6.  
De instellingen verstrekken de directie en het bevoegde comité van het leidinggevend orgaan regelmatig verslagen over zowel het specifieke als het algemene wrongwayrisico en over de stappen die worden ondernomen om die risico's te beheren.

Artikel 292

Deugdelijkheid van het modelleringsproces

1.  

Een instelling garandeert de deugdelijkheid van het modelleringsproces als beschreven in artikel 284 door het nemen van ten minste de volgende maatregelen:

a) 

het model weerspiegelt de voorwaarden en specificaties van de transacties op tijdige, volledige en voorzichtige wijze;

b) 

die voorwaarden omvatten ten minste contractuele notionele bedragen, looptijd, referentieactiva, margestortingsovereenkomsten en verrekeningsovereenkomsten;

c) 

die voorwaarden en specificaties worden bijgehouden in een database die periodiek aan een formele accountantscontrole wordt onderworpen;

d) 

een proces voor het in aanmerking nemen van verrekeningsovereenkomsten waarbij wordt verlangd dat de juridisch medewerkers verifiëren of verrekening uit hoofde van die overeenkomsten in rechte afdwingbaar is;

e) 

de in punt d) voorgeschreven verificatie wordt door een onafhankelijke afdeling in de in punt c) vermelde database ingevoerd;

f) 

de overbrenging van de transactievoorwaarden en specificatiegegevens naar het EPE-model wordt aan een interne accountantscontrole onderworpen;

g) 

er zijn processen voorhanden voor formele afstemming tussen het model en de brongegevenssystemen om doorlopend te verifiëren of de transactievoorwaarden en -specificaties op correcte of ten minste voorzichtige wijze in de EPE worden weerspiegeld.

2.  
Er worden actuele marktgegevens gebruikt om de actuele blootstellingen te bepalen. Een instelling kan haar EPE-model kalibreren met behulp van historische marktgegevens of impliciete marktgegevens om de parameters van de onderliggende stochastische processen zoals drift, volatiliteit en correlatie vast te stellen. Indien een instelling gebruik maakt van historische gegevens, gebruikt zij gegevens die ten minste drie jaar bestrijken. De gegevens worden ten minste elk kwartaal en indien nodig vaker geactualiseerd om de marktomstandigheden te weerspiegelen.

Voor de berekening van de effectieve EPE met behulp van een stresskalibratie kalibreert een instelling de effectieve EPE met behulp van hetzij gegevens over een periode van drie jaar die mede een door de kredietverzuimspreads van haar tegenpartijen veroorzaakte stressperiode omvat, hetzij impliciete marktgegevens uit een dergelijke stressperiode.

De in de leden 3, 4 en 5 beschreven vereisten worden door de instelling met dat doel toegepast.

3.  
Een instelling toont ten minste elk kwartaal ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de voor de berekening overeenkomstig dit lid gebruikte stressperiode samenvalt met een periode van verhoogde kredietverzuimswap-spreads of andere creditspreads (zoals voor leningen of bedrijfsobligaties) voor een representatieve selectie van haar tegenpartijen met verhandelde creditspreads. In situaties waarin de instelling voor een tegenpartij niet over voldoende creditspreadgegevens beschikt, mapt zij die tegenpartij naar specifieke creditspreadgegevens op basis van regio, interne rating en sector.
4.  
In het EPE-model voor alle tegenpartijen wordt gebruik gemaakt van hetzij historische, hetzij impliciete gegevens, die de gegevens uit de stressvolle kredietperiode omvatten en worden deze gegevens gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de methode die wordt gebruikt voor de kalibratie van het EPE-model op basis van actuele gegevens.
5.  
Voor het evalueren van de doeltreffendheid van haar stresskalibratie voor EEPE creëert een instelling verschillende benchmarkportefeuilles die gevoelig zijn voor de belangrijkste risicofactoren waaraan de instelling bloot staat. De positie ten aanzien van die benchmarkportefeuilles wordt berekend met behulp van a) een stressmethode op basis van actuele marktwaarden en modelparameters die gekalibreerd zijn op basis van stressvolle marktomstandigheden en b) de tijdens de stressperiode gegenereerde positie, maar onder toepassing van de in deze afdeling beschreven methode (marktwaarde aan het einde van stressperiode, volatiliteiten en correlaties van de stressperiode van 3 jaar).

De bevoegde autoriteiten verlangen dat een instelling de stresskalibratie aanpast indien de blootstellingen van die benchmarkportefeuilles onderling sterk afwijken.

6.  

Een instelling onderwerpt het model aan een validatieproces dat duidelijk wordt beschreven in de beleidslijnen en procedures van de instelling. In het kader van dat validatieproces:

a) 

worden de testen gespecificeerd die nodig zijn om de deugdelijkheid van het model te waarborgen en wordt vermeld onder welke omstandigheden de aan het model ten grondslag liggende aannames niet passend zijn, en waardoor zij derhalve in een onderschatting van de EPE kunnen resulteren;

b) 

wordt de breedte van het model getoetst.

7.  

Een instelling bewaakt de relevante risico's en beschikt over processen om haar EEPE-raming aan te passen wanneer deze risico's significant worden. Bij de naleving van dit lid wordt de instelling geacht:

a) 

haar blootstellingen waarvoor specifiek wrongwayrisico als gespecificeerd in artikel 291, lid 1, punt b), ontstaat en haar blootstellingen waarvoor algemeen wrongwayrisico als gespecificeerd in artikel 291, lid 1, punt a), ontstaat, te onderkennen en te beheren;

b) 

voor blootstellingen met een na één jaar stijgend risicoprofiel, regelmatig de raming van een relevante blootstellingsmaatstaf gedurende één jaar te vergelijken met dezelfde blootstellingsmaatstaf over de gehele duur van de positie;

c) 

voor blootstellingen met een resterende looptijd van minder dan één jaar, regelmatig de vervangingswaarde (actuele blootstelling) en het gerealiseerde blootstellingsprofiel te vergelijken en de gegevens die een dergelijke vergelijking mogelijk maken, op te slaan.

8.  
Een instelling beschikt over interne procedures om, voordat zij een bepaalde transactie in een samenstel van verrekenbare transacties opneemt, te verifiëren of de transactie onder een in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst valt die aan de in afdeling 7 beschreven vereisten voldoet.
9.  
Een instelling die van zekerheden gebruik maakt om haar CCR te limiteren, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de in hoofdstuk 4 beschreven rechtszekerheidsnormen voldoet voordat zij het effect van de zekerheid in haar berekeningen in aanmerking neemt.
10.  
De EBA houdt toezicht op de diverse werkwijzen op dit gebied en geeft richtsnoeren betreffende de toepassing van het onderhavige artikel overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 293

Vereisten inzake het risicobeheersysteem

1.  

Een instelling voldoet aan de volgende vereisten:

a) 

zij voldoet aan de kwalitatieve vereisten beschreven in deel 3, titel IV, hoofdstuk 5;

b) 

zij voert regelmatig een back-testingprogramma uit, waarbij de door het model gegenereerde risicomaatstaven met de gerealiseerde risicomaatstaven, en de hypothetische veranderingen op basis van statische posities met de gerealiseerde maatstaven worden vergeleken;

c) 

zij verricht een initiële validatie en een doorlopende periodieke toetsing van haar model voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de door het model gegenereerde risicomaatstaven. De validatie en de toetsing worden onafhankelijk van de modelontwikkeling verricht;

d) 

het leidinggevend orgaan en de directie worden betrokken bij het risicobeheersingproces en zorgen ervoor dat er voldoende middelen worden uitgetrokken voor de beheersing van het kredietrisico en het tegenpartijkredietrisico. In dit verband worden de dagelijkse rapporten die door de overeenkomstig artikel 287, lid 1, punt a), ingestelde onafhankelijke afdeling risicobeheersing zijn opgesteld, getoetst door een managementechelon dat hoog genoeg geplaatst is en voldoende bevoegdheden heeft om zowel verminderingen van de posities die afzonderlijke handelaren ingenomen hebben als verminderingen in de totale risicoblootstelling van de instelling af te dwingen;

e) 

het interne model voor meting van risicoposities wordt in het dagelijkse risicobeheerproces van de instelling geïntegreerd;

f) 

het risicometingssysteem wordt gebruikt in combinatie met interne handels- en positielimieten. In dat verband worden de positielimieten aan het risicometingsmodel van de instelling gerelateerd op een wijze die consistent is in de tijd en die goed wordt begrepen door handelaren, kredietfunctie en directie;

g) 

een instelling zorgt ervoor dat haar risicobeheersysteem naar behoren in documentatie is vastgelegd. In het bijzonder houdt zij een in documentatie vastgelegd geheel in stand van interne beleidslijnen, controlemaatregelen en procedures die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem en regelingen om te garanderen dat die beleidslijnen worden nageleefd;

h) 

een onafhankelijke toetsing van het risicometingssysteem wordt regelmatig verricht in het kader van het eigen interne accountantscontroleproces van de instelling. Deze toetsing heeft betrekking op de activiteiten van de handelsafdelingen en de onafhankelijke afdeling risicobeheersing. Op regelmatige tijdstippen (en ten minste jaarlijks) vindt een toetsing van het globale risicobeheerproces plaats en worden ten minste alle in artikel 288 bedoelde punten specifiek behandeld;

i) 

de doorlopende validatie van de tegenpartijkredietrisicomodellen, waaronder back-testing, wordt periodiek getoetst door een managementechelon dat voldoende bevoegdheden heeft om maatregelen te nemen om zwakke punten in de modellen te ondervangen.

2.  
De bevoegde autoriteiten houden rekening met de mate waarin een instelling bij het vaststellen van het niveau van alfa, zoals beschreven in artikel 284, lid 4, voldoet aan de in lid 1 beschreven vereisten. Alleen die instellingen welke volledig aan die vereisten voldoen, komen in aanmerking voor de toepassing van de minimumvermenigvuldigingsfactor.
3.  
Een instelling legt het proces voor de initiële en doorlopende validatie van haar model voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de berekening van de door de modellen gegenereerde risicometingen in documentatie vast op een niveau van gedetailleerdheid dat een derde in staat stelt de analyse respectievelijk de risicomaatstaven te reproduceren. Deze documentatie omvat een beschrijving van de frequentie waarmee back-testanalyses en alle andere doorlopende validaties worden uitgevoerd, de wijze waarop de validatie wordt uitgevoerd met betrekking tot gegevensstromen en portefeuilles en de analyses die worden gebruikt.
4.  
Een instelling stelt criteria vast voor de beoordeling van haar modellen voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de modellen die input genereren voor de berekening van de blootstelling en handhaaft een in documentatie vastgelegde beleidslijn waarin het proces wordt beschreven waarmee onaanvaardbare prestaties worden onderkend en verholpen.
5.  
Een instelling bepaalt hoe representatieve tegenpartijportefeuilles worden geconstrueerd met het oog op het valideren van een model voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de risicomaatstaven van het model.
6.  
Voor de validatie van modellen voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de risicomaatstaven van het model die prognoseverdelingen genereren, wordt rekening gehouden met meer dan één statistiek van de prognoseverdeling.

Artikel 294

Validatievereisten

1.  

In het kader van de initiële en doorlopende validatie van haar model voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de risicomaatstaven van het model garandeert een instelling dat aan de volgende vereisten wordt voldaan:

a) 

de instelling verricht back-testing met behulp van historische gegevens over bewegingen in de marktrisicofactoren alvorens overeenkomstig artikel 283, lid 1, toestemming van de bevoegde autoriteiten wordt verkregen. Bij die back-testing wordt rekening gehouden met een aantal afzonderlijke prognosehorizons van ten minste één jaar, over een scala van verschillende initialisatiedata en een breed scala van marktomstandigheden;

b) 

de instelling die de in artikel 285, lid 1, punt b), beschreven benadering toepast, valideert regelmatig haar model om te testen of de gerealiseerde actuele blootstellingen stroken met de prognose over alle margeperiodes binnen één jaar. Indien sommige van de transacties in het samenstel van verrekenbare transacties een looptijd hebben van minder dan één jaar en het samenstel van verrekenbare transacties hogere risicofactorgevoeligheden vertoont zonder deze transacties, houdt de validatie hiermee rekening;

c) 

zij verricht back-testing van de prestaties van haar model voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de toepasselijke risicometingen van het model alsook van het prognosemodel voor de marktrisicofactoren. Voor door zekerheden gedekte transacties wordt rekening gehouden met prognosehorizons die onder meer typische margerisicoperioden weerspiegelen welke bij door zekerheden of marges gedekte transacties van toepassing zijn;

d) 

indien uit de modelvalidatie blijkt dat de effectieve EPE wordt onderschat, onderneemt de instelling de actie die nodig is om de onnauwkeurigheid van het model te ondervangen;

e) 

zij test in het kader van het initiële en doorlopende validatieproces van het model de prijsmodellen die worden gebruikt voor de berekening van de CCR-blootstellingen in een bepaald scenario waarbij marktrisicofactoren toekomstige schokken ondergaan. In prijsmodellen voor opties wordt rekening gehouden met de niet-lineariteit van de optiewaarde ten opzichte van marktrisicofactoren;

f) 

het model voor de berekening van de CCR-blootstellingen houdt rekening met transactiespecifieke informatie om blootstellingen met betrekking tot het niveau van het samenstel van verrekenbare transacties te kunnen samenvoegen. Een instelling verifieert of de transacties in het model in het passende samenstel van verrekenbare transacties worden ondergebracht;

g) 

het model voor de berekening van de CCR-blootstellingen bevat ook transactiespecifieke informatie om rekening te houden met het effect van margestortingen. Het model houdt rekening met zowel het actuele bedrag van de marge als met toekomstige uitwisselingen van marge tussen tegenpartijen. Dit model houdt tevens rekening met de aard van de margeovereenkomsten die unilateraal of bilateraal zijn, de frequentie van de margeopvragingen, de margerisicoperiode, de minimumdrempel van een niet door margestortingen gedekte blootstelling die de instelling bereid is te accepteren en het minimumbedrag van de overdracht. In een dergelijk model worden hetzij de verandering in de tegen marktwaarde gewaardeerde waarde van de gestorte zekerheden geraamd, hetzij de in hoofdstuk 4 beschreven regels toegepast;

h) 

in het kader van het validatieproces van het model wordt statische, historische back-testing van representatieve tegenpartijportefeuilles verricht. Een instelling verricht die back-testing met regelmatige tussenpozen op een aantal representatieve tegenpartijportefeuilles (feitelijke of hypothetische). Deze representatieve portefeuilles worden gekozen op grond van hun gevoeligheid voor de wezenlijke risicofactoren en combinaties van risicofactoren waaraan de instelling bloot staat;

i) 

een instelling verricht back-testing die is opgezet om de belangrijkste aannames van het model voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de toepasselijke risicomaatstaven te testen, waaronder de gemodelleerde relatie tussen dragers van dezelfde risicofactor en de gemodelleerde relaties tussen risicofactoren;

j) 

de prestaties van de modellen voor de berekening van de CCR-blootstellingen en de risicomaatstaven van het model zijn onderworpen aan een passende back-testingpraktijk. Het back-testingprogramma maakt het mogelijk slechte prestaties bij risicometingen van een EPE-model te onderkennen;

k) 

een instelling valideert haar modellen voor de berekening van de CCR-blootstellingen en alle risicomaatstaven voor tijdshorizons die samenvallen met de looptijd van de transacties waarvoor de blootstelling met gebruikmaking van IMM wordt berekend overeenkomstig artikel 283;

l) 

een instelling test in het kader van het doorlopende modelvalidatieproces regelmatig de voor de berekening van de CCR-blootstellingen gebruikte prijsstellingsmodellen op basis van passende onafhankelijke benchmarks;

m) 

de doorlopende validatie van het model voor de berekening van de CCR-blootstellingen van een instelling en de toepasselijke risicomaatstaven omvat een beoordeling van de toereikendheid van de recente prestaties;

n) 

de frequentie waarmee de parameters van een model voor de berekening van de CCR-blootstellingen worden geactualiseerd, wordt door een instelling beoordeeld in het kader van het initiële en doorlopende validatieproces;

o) 

bij de initiële en doorlopende validatie van de modellen voor de berekening van de CCR-blootstellingen wordt beoordeeld of de berekeningen van de blootstellingen met betrekking tot het niveau van de tegenpartij en het samenstel van verrekenbare transacties al dan niet passend zijn.

2.  
Met de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten kan, in plaats van de formule alfa vermenigvuldigd met de effectieve EPE, een maatstaf worden gebruikt die voorzichtiger is dan de graadmeter die wordt gebruikt voor de berekening van de wettelijk voorgeschreven blootstellingswaarde voor elke tegenpartij. De mate van relatieve voorzichtigheid zal worden beoordeeld bij de initiële goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en tijdens de regelmatige evaluaties van de EPE-modellen door de toezichthouder. Een instelling valideert regelmatig de voorzichtigheidsgraad. De doorlopende beoordeling van de modelprestaties heeft betrekking op alle tegenpartijen waarvoor de modellen worden gebruikt.
3.  
Indien bij de back-testing blijkt dat een model onvoldoende nauwkeurig is, trekken de bevoegde autoriteiten hun toestemming voor de toepassing van het model in of leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat het model onmiddellijk wordt verbeterd.

Afdeling 7

Contractuele verrekening

Artikel 295

Inaanmerkingneming van contractuele verrekening als risicoverminderend

De instellingen kunnen alleen de volgende soorten overeenkomsten inzake contractuele verrekening behandelen als risicoverminderend overeenkomstig artikel 298, indien de verrekeningsovereenkomst overeenkomstig artikel 296 door de bevoegde autoriteiten in aanmerking is genomen en indien de instelling voldoet aan de in artikel 297 beschreven vereisten:

a) 

bilaterale schuldvernieuwingscontracten tussen een instelling en haar tegenpartij krachtens welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen automatisch worden samengevoegd zodat de schuldvernieuwing, telkens wanneer schuldvernieuwing van toepassing is, leidt tot de vaststelling van één nettobedrag, waardoor één nieuw contract ontstaat dat in de plaats treedt van alle vroegere contracten en van alle uit die contracten voortvloeiende verplichtingen tussen partijen en bindend is voor de partijen;

b) 

andere bilaterale overeenkomsten tussen een instelling en haar tegenpartij;

c) 

overeenkomsten inzake productoverschrijdende contractuele verrekening voor instellingen die toestemming hebben gekregen om de in afdeling 6 beschreven methode toe te passen voor onder het toepassingsgebied van die methode vallende transacties. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van een lijst van de goedgekeurde productoverschrijdende contractuele verrekeningsovereenkomsten.

Onderlinge verrekeningstransacties tussen verschillende juridische entiteiten van een groep worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten.

Artikel 296

Inaanmerkingneming van contractuele verrekeningsovereenkomsten

1.  
De bevoegde autoriteiten nemen een contractuele verrekeningsovereenkomst alleen in aanmerking wanneer de in lid 2 en, in voorkomend geval, lid 3 beschreven voorwaarden vervuld zijn.
2.  

Alle contractuele verrekeningsovereenkomsten die door een instelling worden gebruikt voor het bepalen van de blootstellingswaarde in dit deel voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) 

de instelling heeft een contractuele verrekeningsovereenkomst met haar tegenpartij gesloten waaruit één juridische verplichting ontstaat die alle in die overeenkomst opgenomen transacties bestrijkt zodat de instelling in geval van wanbetaling door een tegenpartij slechts gerechtigd is tot ontvangst of verplicht is tot betaling van het nettobedrag van de positieve en negatieve tegen marktwaarde gewaardeerde waarden van de afzonderlijke betrokken transacties;

b) 

de instelling heeft de bevoegde autoriteiten schriftelijke en met redenen omklede juridische adviezen ter beschikking gesteld waaruit blijkt dat, ingeval de verrekeningsovereenkomst juridisch wordt aangevochten, de vorderingen en verplichtingen van de instelling de in punt a) bedoelde vorderingen en verplichtingen niet overschrijden. Het juridisch advies verwijst naar het geldende recht van:

i) 

het rechtsgebied waar de tegenpartij haar statutaire zetel heeft;

ii) 

indien het om een bijkantoor van een onderneming gaat dat in een ander land is gevestigd dan het land waar de onderneming haar statutaire zetel heeft, het rechtsgebied waarin het bijkantoor is gevestigd;

iii) 

het rechtsgebied waarvan het recht van toepassing is op de afzonderlijke in de verrekeningsovereenkomst opgenomen transacties;

iv) 

het rechtsgebied waarvan het recht van toepassing is op alle contracten of overeenkomsten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de contractuele verrekening;

c) 

het kredietrisico voor elke tegenpartij wordt samengevoegd om te komen tot één juridische blootstelling voor alle transacties met elke tegenpartij. Deze samenvoeging wordt als factor meegenomen in de berekeningen inzake inzake kredietlimieten en intern kapitaal;

d) 

het contract mag geen beding bevatten op grond waarvan, bij wanbetaling van een tegenpartij, een niet in gebreke blijvende tegenpartij slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke blijvende partij kan verrichten, zelfs wanneer de in gebreke blijvende partij een nettocrediteur is (zogenaamd walkawaybeding).

Indien niet alle bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn dat de contractuele verrekening naar het recht van elk van in punt b) bedoelde rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar is, wordt de overeenkomst inzake contractuele verrekening voor geen van beide tegenpartijen als risicoverminderend in aanmerking genomen. De bevoegde autoriteiten stellen elkaar van die feiten in kennis.

3.  

De in punt b) bedoelde juridische adviezen kunnen betrekking hebben op soorten van contractuele verrekening. Voor overeenkomsten inzake productoverschrijdende contractuele verrekening gelden de volgende additionele voorwaarden:

a) 

het in lid 2, punt a), bedoelde nettobedrag is het nettobedrag van de positieve en negatieve afwikkelingsprijzen van de opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomsten en van de positieve en negatieve tegen marktwaarde gewaardeerde waarden van de afzonderlijke transacties (het 'productoverschrijdend nettobedrag');

b) 

de in lid 2, onder b), bedoelde juridische adviezen behandelen de geldigheid en afdwingbaarheid van de gehele overeenkomst inzake productoverschrijdende contractuele verrekening en het effect van de verrekeningsregeling op de belangrijke bepalingen van de opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomsten.

Artikel 297

Verplichtingen van de instellingen

1.  
Een instelling is verplicht tot het opstellen en in stand houden van procedures om te waarborgen dat de rechtsgeldigheid en de afdwingbaarheid van haar contractuele verrekening worden getoetst in het licht van veranderingen in het recht van de relevante rechtsgebieden bedoeld in artikel 296, lid 2, punt b).
2.  
De instelling bewaart alle vereiste documentatie betreffende haar contractuele verrekening in haar dossiers.
3.  
De instelling weegt het effect van de verrekening als factor mee bij de meting van de samengevoegde blootstelling aan het kredietrisico van elke tegenpartij en de instelling beheert haar CCR op basis van dat effect van die meting.
4.  
In het geval van in artikel 295 bedoelde overeenkomsten inzake productoverschrijdende contractuele verrekening houdt de instelling overeenkomstig artikel 296, lid 2, punt c), procedures in stand om te controleren of met betrekking tot alle in de verrekeningsovereenkomst op te nemen transacties een juridisch advies als bedoeld in artikel 296, lid 2, punt b), is opgesteld.

Rekening houdend met de overeenkomst inzake productoverschrijdende contractuele verrekening blijft de instelling de vereisten voor de inaanmerkingneming van bilaterale verrekening en de vereisten van hoofdstuk 4 voor de inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering, voor zover van toepassing, met betrekking tot elke opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomst en transactie naleven.

▼M8

Artikel 298

Impact van de inaanmerkingneming van verrekening als risicoverminderend

Verrekening in de zin van de afdelingen 3 tot en met 6 wordt in aanmerking genomen als beschreven in genoemde afdelingen.

▼B

Afdeling 8

Posten in de handelsportefeuille

Artikel 299

Posten in de handelsportefeuille

1.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt in bijlage II een verwijzing opgenomen naar afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico als vermeld in Richtlijn 2004/39/EG, bijlage I, deel C, punt 8).
2.  

Wanneer de instellingen de risicogewogen posten berekenen voor het tegenpartijrisico van posten in de handelsportefeuille, nemen zij de volgende beginselen in acht:

▼M8 —————

▼B

b) 

de instellingen maken geen gebruik van de in artikel 222 beschreven eenvoudige benadering van financiële zekerheden voor de inaanmerkingneming van het effect van de financiële zekerheid;

c) 

in het geval van in de handelsportefeuille geboekte retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen kunnen de instellingen alle financiële instrumenten en grondstoffen die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen als toelaatbare zekerheid erkennen;

d) 

met betrekking tot de uit in de handelsportefeuille geboekte otc-derivaten voortvloeiende blootstellingen kunnen de instellingen grondstoffen die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen als toelaatbare zekerheid erkennen;

e) 

voor het berekenen van volatiliteitsaanpassingen in de gevallen waarin de financiële instrumenten of grondstoffen die niet toelaatbaar zijn overeenkomstig hoofdstuk 4 in het kader van dergelijke transacties als zekerheid of anderszins worden uitgeleend, verkocht of verstrekt, dan wel geleend, gekocht of ontvangen, en een instelling de toezichthoudersbenadering van volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig hoofdstuk 4, afdeling 3, toepast, behandelen de instellingen de desbetreffende instrumenten en grondstoffen op dezelfde wijze als aan een erkende beurs genoteerde, maar niet in een hoofdindex opgenomen aandelen;

f) 

indien een instelling de benadering van eigen ramingen van volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig hoofdstuk 4, afdeling 3, toepast met betrekking tot financiële instrumenten of grondstoffen die niet toelaatbaar zijn overeenkomstig hoofdstuk 4, berekent zij volatiliteitsaanpassingen voor iedere afzonderlijke post. Indien een instelling toestemming heeft gekregen om de in hoofdstuk 4 beschreven internemodellenbenadering toe te passen, mag zij deze benadering ook in de handelsportefeuille toepassen;

g) 

ten aanzien van de inaanmerkingneming van kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties, nemen de instellingen verrekening tussen blootstellingen in en blootstellingen buiten de handelsportefeuille slechts in aanmerking wanneer de verrekende transacties aan de volgende voorwaarden voldoen:

i) 

alle transacties worden dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd;

ii) 

alle in het kader van de transacties geleende, gekochte of ontvangen posten kunnen in aanmerking worden genomen als toelaatbare financiële zekerheid overeenkomstig hoofdstuk 4, met dien verstande dat de punten c) tot en met f) van dit lid niet van toepassing zijn;

h) 

indien een in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat deel uitmaakt van een intern afdekkingsinstrument en de kredietprotectie in het kader van deze verordening overeenkomstig artikel 204 als toelaatbaar wordt erkend, passen de instellingen een van de volgende benaderingen toe:

i) 

zij behandelen het alsof er geen tegenpartijrisico uit de positie in dat kredietderivaat voortvloeit;

ii) 

zij nemen consequent alle in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten die deel uitmaken van interne afdekkingsinstrumenten of die zijn gekocht als protectie tegen een CCR-blootstelling mee in de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het tegenpartijkredietrisico indien de kredietprotectie overeenkomstig hoofdstuk 4 als toelaatbaar wordt erkend.

Afdeling 9

Eigenvermogensvereisten voor blootstellingen met betrekking tot een centrale tegenpartij

Artikel 300

Definities

▼M8

Voor de toepassing van deze afdeling en van deel zeven wordt verstaan onder:

▼B

1)

"buiten het faillissement vallend" : met betrekking tot activa van cliënten, het feit dat effectieve regelingen bestaan die waarborgen dat die activa niet beschikbaar zullen zijn voor de crediteuren van een CTP of van een clearinglid in het geval van insolventie van respectievelijk die CTP of dat clearinglid, of dat de activa niet beschikbaar zullen zijn voor het clearinglid om verliezen te dekken die het clearinglid heeft geleden als gevolg van de wanbetaling door een andere cliënt of door andere cliënten dan degenen die de activa in kwestie hebben verstrekt;

2)

"CTP-gerelateerde transactie" : een tussen een cliënt en een clearinglid gesloten, in artikel 301, lid 1, vermelde overeenkomst of transactie die rechtstreeks gerelateerd is aan een tussen dat clearinglid en een CTP gesloten, in dat lid vermelde overeenkomst of transactie;

3)

"clearinglid" : een clearinglid als omschreven in artikel 2, punt 14, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

4)

"cliënt" : een cliënt als omschreven in artikel 2, punt 15, van Verordening (EU) nr. 648/2012 of een onderneming die indirecte clearingregelingen met een clearinglid heeft getroffen overeenkomstig artikel 4, lid 3, van die verordening;

▼M8

5)

"contante transactie" : transactie in contanten, schuldinstrumenten of aandelen, een contante deviezen- of een en grondstoffentransactie; retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen zijn evenwel geen contante transacties;

6)

"indirecte clearingregeling" : regeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

7)

"cliënt van hoger niveau" : entiteit die clearingdiensten voor een cliënt van lager niveau verricht;

8)

"cliënt van lager niveau" : entiteit die via een cliënt van hoger niveau toegang heeft tot de diensten van een CTP;

9)

"meerlagige cliëntstructuur" : indirecte clearingregeling waarbij clearingdiensten voor een instelling worden verricht door een entiteit die geen clearinglid is, maar die zelf een cliënt is van een clearinglid of van een cliënt van hoger niveau;

10)

"niet-volgestorte bijdrage aan een wanbetalingsfonds" : bijdrage die een als clearinglid optredende instelling contractueel heeft toegezegd aan een CTP te zullen verstrekken nadat de CTP haar wanbetalingsfonds heeft uitgeput, en die is bedoeld om de verliezen te dekken die de CTP heeft geleden als gevolg van de wanbetaling door een of meer van haar clearingleden;

11)

"volledig gegarandeerde transactie inzake het opnemen of verstrekken van deposito's" : volledig met zekerheden gedekte geldmarkttransactie waarbij twee tegenpartijen deposito's uitwisselen en een CTP zich tussen beide tegenpartijen plaatst om de nakoming van de betalingsverplichtingen van die tegenpartijen te garanderen;

▼M8

Artikel 301

Materieel toepassingsgebied

1.  

Deze afdeling is van toepassing op de volgende contracten en transacties zolang zij bij een CTP uitstaan:

a) 

de derivatencontracten, vermeld in bijlage II en kredietderivaten;

b) 

effectenfinancieringstransacties en volledig gegarandeerde transacties inzake het opnemen of verstrekken van deposito's; alsmede

c) 

transacties met afwikkeling op lange termijn.

Deze afdeling is niet van toepassing op blootstellingen die uit de afwikkeling van contante transacties voortvloeien. Instellingen passen de in titel V beschreven behandeling toe op transactieblootstellingen die uit dergelijke transacties voortvloeien en een risicogewicht van 0 % op bijdragen aan een wanbetalingsfonds dat alleen dergelijke transacties dekt. Instellingen passen de in artikel 307 beschreven behandeling toe op bijdragen aan een wanbetalingsfonds dat naast contante transacties ook de in de eerste alinea van dit lid genoemde transacties dekt.

2.  

Voor de toepassing van deze afdeling gelden navolgende vereisten:

a) 

de initiële marge omvat geen bijdragen aan een CTP voor regelingen voor het onderling delen van verliezen;

b) 

de initiële marge omvat zekerheden die door een als clearinglid optredende instelling of door een cliënt zijn gedeponeerd boven het minimumbedrag dat wordt vereist door respectievelijk de CTP of de als clearinglid optredende instelling, op voorwaarde dat de CTP of de als clearinglid optredende instelling, indien nodig, respectievelijk de als clearinglid optredende instelling of de cliënt kan beletten deze te veel gestorte zekerheden in te trekken;

c) 

indien een CTP de initiële marge gebruikt voor het onderling delen van verliezen tussen haar clearingleden, behandelen als clearingleden optredende instellingen de gebruikte initiële marge als een bijdrage aan een wanbetalingsfonds.

▼B

Artikel 302

Bewaking van blootstellingen ten aanzien van CTP's

1.  
De instellingen bewaken al hun blootstellingen aan CTP's en stellen procedures vast voor het regelmatig rapporteren van informatie over die blootstellingen aan de directie en aan het bevoegde comité of de bevoegde comités van het leidinggevend orgaan.

▼M8

2.  
Instellingen beoordelen door middel van passende scenarioanalyses en stresstests of het niveau van het eigen vermogen dat wordt aangehouden voor de blootstellingen ten aanzien van een CTP, met inbegrip van mogelijke toekomstige of voorwaardelijke kredietblootstellingen, blootstellingen die het gevolg zijn van bijdragen aan een wanbetalingsfonds en, als de instelling als clearinglid optreedt, blootstellingen die het gevolg zijn van contractuele regelingen als bepaald in artikel 304, in een goede verhouding staat tot de aan die blootstellingen verbonden risico's.

Artikel 303

Behandeling van blootstellingen van clearingleden ten aanzien van CTP's

1.  

Een instelling die als clearinglid optreedt, hetzij voor eigen doeleinden, hetzij als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen ten aanzien van een CTP als volgt:

a) 

zij past de in artikel 306 beschreven behandeling toe op haar transactieblootstellingen ten aanzien van de CTP;

b) 

zij past de in artikel 307 beschreven behandeling toe op haar aan de CTP gestorte bijdragen aan een wanbetalingsfonds.

2.  
Voor de toepassing van lid 1 is de som van de eigenvermogensvereisten van een instelling voor haar blootstellingen ten aanzien van een GCTP wegens transactieblootstellingen en bijdragen aan een wanbetalingsfonds begrensd tot de som van de eigenvermogensvereisten die op dezelfde blootstellingen zouden zijn toegepast indien de CTP een niet-gekwalificeerde CTP was geweest.

▼B

Artikel 304

Behandeling van blootstellingen van clearingleden ten aanzien van cliënten

▼M8

1.  
Een instelling die als clearinglid optreedt en die in die hoedanigheid als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met die cliënt overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, hoofdstuk 4, afdeling 4, van deze titel of titel VI, naargelang het geval.

▼B

2.  
Indien een instelling die als clearinglid optreedt, met een cliënt van een ander clearinglid een contractuele regeling aangaat die overeenkomstig artikel 48, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 de in artikel 305, lid 2, onder b), van deze verordening bedoelde overboekbaarheid van activa en posities voor die cliënt faciliteert en waaruit een voorwaardelijke verplichting voor de instelling voortvloeit, mag die instelling op die voorwaardelijke verplichting een blootstellingswaarde van nul toepassen.

▼M8

3.  

Indien een als clearinglid optredende instelling van de in afdeling 3 of afdeling 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen te berekenen, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) 

in afwijking van artikel 285, lid 2, mag de instelling voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt een margerisicoperiode van ten minste 5 werkdagen hanteren;

b) 

voor haar blootstellingen ten aanzien van een CTP past de instelling een margerisicoperiode van ten minste 10 werkdagen toe;

c) 

in afwijking van artikel 285, lid 3, geldt dat indien een in de berekening opgenomen samenstel van verrekenbare transacties aan de voorwaarde van punt a) van genoemd lid voldoet, de instelling de in genoemd punt vastgestelde limiet mag negeren, mits het betrokken samenstel van verrekenbare transacties niet aan de voorwaarde van punt b) van genoemd lid voldoet en geen betwiste transacties of exotische opties omvat;

d) 

indien een CTP een variatiemarge ten aanzien van een transactie aanhoudt en de zekerheden van de instelling niet tegen de insolventie van de CTP zijn beschermd, past de instelling een margerisicoperiode toe van ofwel een jaar, ofwel de resterende looptijd van de transactie, al naargelang welke periode het kortst is, met dien verstande dat een minimumperiode van 10 werkdagen geldt.

4.  
In afwijking van artikel 281, lid 2, punt i), geldt dat indien een als clearinglid optredende instelling van de in de afdeling 4 beschreven methode gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt te berekenen, die instelling voor haar berekening een looptijdfactor van 0,21 mag hanteren.
5.  
In afwijking van artikel 282, lid 4, punt d), geldt dat indien een als clearinglid optredende instelling van de in de afdeling 5 beschreven methode gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt te berekenen, die instelling voor die berekening een looptijdfactor van 0,21 mag hanteren.

▼M8

6.  
Een als clearinglid optredende instelling mag van de uit de berekeningen volgens de leden 3, 4 en 5 resulterende verminderde blootstelling bij wanbetaling gebruikmaken om overeenkomstig titel VI haar eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen.
7.  
Een als clearinglid optredende instelling die bij een cliënt zekerheden voor een CTP-gerelateerde transactie opvraagt en de zekerheden aan de CTP doorgeeft, mag die zekerheden in aanmerking nemen om haar blootstelling ten aanzien van de cliënt voor die CTP-gerelateerde transactie te verminderen.

Bij een meerlagige cliëntstructuur mag de in de eerste alinea beschreven behandeling op elk niveau van die structuur worden toegepast.

▼B

Artikel 305

Behandeling van blootstellingen van cliënten

▼M8

1.  
Een instelling die een cliënt is, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met haar clearinglid overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, hoofdstuk 4, afdeling 4, van deze titel, of titel VI, naargelang het geval.

▼B

2.  

Onverminderd de in lid 1 gespecificeerde benadering kan een instelling, indien zij een cliënt is, de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen met betrekking tot CTP-gerelateerde transacties met haar clearinglid berekenen overeenkomstig artikel 306, mits beide volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de posities en activa van die instelling die betrekking hebben op die transacties worden, zowel op het niveau van het clearinglid als op het niveau van de CTP, onderscheiden en gescheiden van de posities en activa van zowel het clearinglid als de andere cliënten van dat clearinglid; door die scheiding vallen die posities en activa buiten het faillissement in geval van wanbetaling door of insolventie van het clearinglid of een of meer van zijn andere cliënten;

b) 

de wetten, voorschriften, regels en contractuele regelingen die van toepassing zijn op of bindend zijn voor die instelling of de CTP faciliteren de overboeking van de posities van de cliënt met betrekking tot die overeenkomsten en transacties en van de bijbehorende zekerheden naar een ander clearinglid binnen de toepasselijke margerisicoperiode in geval van wanbetaling of insolventie van het oorspronkelijke clearinglid. In die omstandigheden worden de posities van de cliënt en de zekerheden tegen marktwaarde overgeboekt, tenzij de cliënt om afwikkeling van de positie tegen marktwaarde verzoekt;

▼M8

c) 

de cliënt heeft voldoende grondig juridisch onderzoek gedaan, dat hij actueel heeft gehouden en dat aantoont dat de regelingen die ervoor zorgen dat de voorwaarde van punt b) is vervuld, wettig, geldig, bindend en afdwingbaar zijn krachtens de desbetreffende wetten van het rechtsgebied of de rechtsgebieden in kwestie;

▼B

d) 

de CTP is een gCTP.

▼M8

Een instelling mag bij de beoordeling van haar naleving van de voorwaarde van de eerste alinea, punt b), rekening houden met duidelijke precedenten van overboekingen van posities van cliënten en van de bijbehorende zekerheden bij een CTP, alsook met een eventueel voornemen van de sector om deze praktijk voort te zetten.

▼M8

3.  
In afwijking van lid 2 van dit artikel geldt dat indien een instelling die een cliënt is, niet aan de voorwaarde van punt a) van genoemd lid voldoet omdat zij bij gezamenlijke wanbetaling door het clearinglid en een andere cliënt van het clearinglid niet tegen verliezen is beschermd, mits alle andere voorwaarden van de punten a) tot en met d) zijn vervuld, de instelling de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen met betrekking tot CTP-gerelateerde transacties met haar clearinglid mag berekenen overeenkomstig artikel 306, mits het in artikel 306, lid 1, punt a), beschreven risicogewicht van 2 % wordt vervangen door een risicogewicht van 4 %.
4.  
Bij een meerlagige cliëntstructuur mag een instelling die een cliënt van lager niveau is die via een cliënt van hoger niveau tot de diensten van een CTP toegang heeft, de in de leden 2 of 3 beschreven behandeling slechts toepassen als op elk niveau van die structuur aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan.

▼B

Artikel 306

Eigenvermogensvereisten voor CTP-transactieblootstellingen

1.  

Een instelling past de volgende behandeling toe op haar CTP-transactieblootstellingen:

a) 

zij past een risicogewicht van 2 % toe op de blootstellingswaarden van al haar CTP-transactieblootstellingen;

b) 

zij past het risicogewicht dat wordt gebruikt voor de standaardbenadering van kredietrisico's als vermeld in artikel 107, lid 2, onder b), toe op al haar transactieblootstellingen met niet-gekwalificeerde CTP's;

▼M8

c) 

indien een instelling als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt en in de voorwaarden van de CTP-gerelateerde transactie is bepaald dat de instelling bij wanbetaling van de CTP niet verplicht is de cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen ten gevolge van veranderingen in de waarde van die transactie, dan mag die instelling de blootstellingswaarde van de transactie met de CTP die met die CTP-gerelateerde transactie overeenstemt, gelijkstellen aan nul;

▼M8

d) 

indien een instelling als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt en in de voorwaarden van de CTP-gerelateerde transactie is bepaald dat de instelling bij wanbetaling van de CTP verplicht is de cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen ten gevolge van veranderingen in de waarde van die transactie, dan past die instelling, naargelang het geval, de in punt a) of de in punt b) beschreven behandeling toe op de blootstellingswaarde van de transactie met de CTP die met die CTP-gerelateerde transactie overeenstemt.

▼M8

2.  
Indien de activa die als zekerheid bij een CTP of een clearinglid zijn gestort buiten het faillissement vallen ingeval de CTP, het clearinglid of een of meer van de andere cliënten van het clearinglid insolvent worden, mag een instelling, in afwijking van lid 1, een blootstellingswaarde van nul toekennen aan de blootstellingen aan het tegenpartijkredietrisico voor die activa.
3.  
Een instelling berekent de blootstellingswaarden van haar CTP-transactieblootstellingen overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk en hoofdstuk 4, afdeling 4, naargelang het geval.

▼B

4.  
Een instelling berekent de risicogewogen posten voor haar CTP-transactieblootstellingen voor de toepassing van de artikelen 92, lid 3 als de som van de blootstellingswaarden van haar overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel berekende CTP-transactieblootstellingen, vermenigvuldigd met het overeenkomstig lid 1 van dit artikel bepaalde risicogewicht.

▼M8

Artikel 307

Eigenvermogensvereisten voor bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP

Een als clearinglid optredende instelling past de volgende behandeling toe op de blootstellingen die voortvloeien uit haar bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP:

a) 

zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een GCTP volgens de benadering van artikel 308;

b) 

zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar voorgefinancierde en niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP volgens de benadering van artikel 309;

c) 

zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een GCTP overeenkomstig de in artikel 310 beschreven behandeling.

▼B

Artikel 308

Eigenvermogensvereisten voor voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een gCTP

1.  
De blootstellingswaarde voor een door de instelling voorgefinancierde bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een gCTP (DFi) is gelijk aan het gestorte bedrag of de marktwaarde van de door die instelling geleverde activa minus het bedrag van die bijdrage dat de gCTP reeds heeft gebruikt voor het opvangen van haar verliezen ingevolge de wanbetaling van een of meer van haar clearingleden.

▼M8

2.  

Een instelling berekent het eigenvermogensvereiste om de uit haar voorgefinancierde bijdrage voortvloeiende blootstelling te dekken als volgt:

waarbij:

Ki

=

het eigenvermogensvereiste;

i

=

de index die het clearinglid aangeeft;

KCCP

=

het overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de GCTP aan de instelling meegedeelde hypothetische kapitaal van de GCTP;

DFi

=

de voorgefinancierde bijdrage;

DFCCP

=

de overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de CTP aan de instelling meegedeelde voorgefinancierde financiële middelen van de CTP; en

DFCM

=

de overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de GCTP aan de instelling meegedeelde som van de voorgefinancierde bijdragen van alle clearingleden van de GCTP.

3.  
Een instelling berekent de risicogewogen posten voor blootstellingen die voortvloeien uit de voorgefinancierde bijdrage van die instelling aan het wanbetalingsfonds van een GCTP voor de toepassing van artikel 92, lid 3, als de overeenkomstig lid 2 van dit artikel berekende eigenvermogensvereisten, vermenigvuldigd met 12,5.

▼M8 —————

▼M8

Artikel 309

Eigenvermogensvereisten voor voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP en voor niet-volgestorte bijdragen aan een niet-gekwalificeerde CTP

1.  

Een instelling past de onderstaande formule toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor de blootstellingen die voortvloeien uit haar voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP en uit niet-volgestorte bijdragen aan die CTP:

K = DF + UC
waarbij:

K

=

het eigenvermogensvereiste;

DF

=

de voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP; en

UC

=

de niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP;

2.  
Een instelling berekent de risicogewogen posten voor blootstellingen die voortvloeien uit een bijdrage van die instelling aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP voor de toepassing van artikel 92, lid 3, als de overeenkomstig lid 1 van dit artikel berekende eigenvermogensvereisten, vermenigvuldigd met 12,5.

Artikel 310

Eigenvermogensvereisten voor niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een GCTP

Een instelling past een risicogewicht van 0 % toe op haar niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een GCTP.

Artikel 311

Eigenvermogensvereisten voor blootstellingen ten aanzien van CTP's die niet langer aan bepaalde voorwaarden voldoen

1.  
Instellingen passen de in dit artikel beschreven behandeling toe indien het hun, na een openbare aankondiging of kennisgeving van de bevoegde autoriteit van een CTP die door die instellingen wordt gebruikt, dan wel van die CTP zelf, bekend is dat de betrokken CTP niet langer zal voldoen aan de vergunnings- of erkenningsvoorwaarden, naargelang het geval.
2.  

Indien de voorwaarde van lid 1 is vervuld, doen instellingen binnen drie maanden nadat zij de in dat lid bedoelde omstandigheid vaststellen, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van die instellingen dat verlangen, het volgende met betrekking tot hun blootstellingen ten aanzien van die CTP:

a) 

zij passen de behandeling van artikel 306, lid 1, punt b), toe op hun transactieblootstellingen ten aanzien van die CTP;

b) 

zij passen de behandeling van artikel 309 toe op hun voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van die CTP en op hun niet-volgestorte bijdragen aan die CTP;

c) 

zij behandelen hun andere blootstellingen ten aanzien van die CTP dan de in de punten a) en b) van dit lid vermelde blootstellingen als blootstellingen ten aanzien van een onderneming overeenkomstig de in hoofdstuk 2 beschreven standaardbenadering voor kredietrisico.

▼M17

TITEL III

EIGENVERMOGENSVEREISTEN VOOR OPERATIONEEL RISICO

HOOFDSTUK 1

BEREKENING VAN DE EIGENVERMOGENSVEREISTEN VOOR OPERATIONEEL RISICO

Artikel 311 bis

Definities

Voor de toepassing van deze titel gelden de volgende definities:

1) 

„operationeel-risicogebeurtenis”: een gebeurtenis in verband met een operationeel risico die een of meerdere verliezen veroorzaakt, binnen een of meerdere boekjaren;

2) 

„geaggregeerd brutoverlies”: de som van alle brutoverliezen in verband met dezelfde operationele risicogebeurtenis over een of meerdere boekjaren;

3) 

„geaggregeerd nettoverlies”: de som van alle nettoverliezen in verband met dezelfde operationele risicogebeurtenis over een of meerdere boekjaren;

4) 

„gegroepeerde verliezen”: alle operationele verliezen veroorzaakt door een gemeenschappelijke onderliggende aanleiding of oorzaak die in één operationeel-risicogebeurtenis kunnen worden gegroepeerd.

Artikel 312

Eigenvermogensvereiste voor operationeel risico

Het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico is de overeenkomstig artikel 313 berekende Business Indicator Component.

Artikel 313

Business indicator component

Instellingen berekenen hun Business Indicator Component volgens de onderstaande formule:

waarbij:

BIC

= de Business Indicator Component;

BI

= de Business Indicator, uitgedrukt in miljard euro, berekend overeenkomstig artikel 314.

Artikel 314

Business indicator

1.  

Instellingen berekenen hun Business Indicator volgens de onderstaande formule:

BI = ILDC + SC + FC

waarbij:

BI

= de Business Indicator, uitgedrukt in miljard euro;

ILDC

= de rente-, lease- en dividendcomponent, uitgedrukt in miljard euro en berekend overeenkomstig lid 2;

SC

= de dienstencomponent, uitgedrukt in miljard euro en berekend overeenkomstig lid 5;

FC

= de financiële component, uitgedrukt in miljard euro en berekend overeenkomstig lid 6.

2.  

Voor de toepassing van lid 1 wordt de rente-, lease- en dividendcomponent berekend volgens de onderstaande formule:

waarbij:

ILDC

= de rente-, lease- en dividendcomponent;

IC

= de rentecomponent, d.w.z. de rentebaten van de instelling uit alle financiële activa en andere rentebaten, met inbegrip van financiële inkomsten uit financiële leasing en inkomsten uit operationele leasing en winst behaald met geleasede activa, minus de rentelasten van de instelling uit alle financiële verplichtingen en andere rentelasten, met inbegrip van rentelasten uit financiële en operationele leasing, afschrijving en waardevermindering van, en verlies op, de exploitatie van geleasede activa, berekend als het jaargemiddelde van de absolute waarden van de verschillen over de afgelopen drie boekjaren;

AC

= de activacomponent, d.w.z. de som van de totale bruto uitstaande leningen, voorschotten, rentedragende effecten, met inbegrip van overheidsobligaties, en leaseactiva van de instelling, berekend als het jaargemiddelde over de afgelopen drie boekjaren op basis van de bedragen per ultimo van elk betrokken boekjaar;

DC

= de dividendcomponent, d.w.z. de dividendinkomsten van de instelling uit beleggingen in aandelen en fondsen die niet in de financiële verklaringen van de instelling zijn geconsolideerd, met inbegrip van dividendinkomsten van niet-geconsolideerde dochterondernemingen, verbonden ondernemingen en joint ventures, berekend als het jaargemiddelde over de afgelopen drie boekjaren.

3.  

In afwijking van lid 2 kan een EU-moederinstelling tot en met 31 december 2027 haar consoliderende toezichthouder vragen om toestemming om een afzonderlijke rente-, lease- en dividendcomponent te berekenen voor elk van haar specifieke dochterinstellingen en om het resultaat van die berekening op te tellen bij de op geconsolideerde basis berekende rente-, lease- en dividendcomponent voor de andere entiteiten van de groep, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de activiteiten van de dochterondernemingen op het gebied van bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen of zakelijke bankdiensten vertegenwoordigen het grootste deel van hun activiteiten;

b) 

een significant deel van de activiteiten van de dochterondernemingen op het gebied van bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen of zakelijke bankdiensten bestaat uit leningen met een grote PD;

c) 

het gebruik van de afwijking vormt een passende basis voor de berekening van het eigenvermogensvereiste van de EU-moederinstelling voor operationeel risico.

Zodra de toestemming is verleend, worden deze en de eraan verbonden voorwaarden door de consoliderend toezichthouder om de twee jaar opnieuw beoordeeld.

De consoliderend toezichthouder stelt de EBA ervan in kennis dat een dergelijke toestemming is verleend, bevestigd of ingetrokken.

Uiterlijk op 31 december 2031 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over het gebruik en de geschiktheid van de in de eerste alinea bedoelde afwijking, met name gelet op de betrokken specifieke bedrijfsmodellen en de toereikendheid van het daarmee verband houdende eigenvermogensvereiste voor operationeel risico. Op basis van dat verslag en terdege rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS ontwikkelt, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2032 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

4.  
Tot en met 31 december 2027 of, indien dit eerder is, totdat de consoliderend toezichthouder overeenkomstig lid 3 toestemming verleent, mag een EU-moederinstelling die toestemming heeft gekregen om de alternatieve standaardbenadering op haar bedrijfsonderdelen inzake bankdiensten ten behoeve van particulieren en zakelijke bankdiensten toe de passen voor het berekenen van haar eigenvermogensvereiste voor operationeel risico, na haar consoliderend toezichthouder daarvan in kennis te hebben gesteld, blijven gebruikmaken van de alternatieve standaardbenadering zoals bepaald in de versie van deze verordening die van toepassing was op 8 juli 2024 voor het berekenen van het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico met betrekking tot die twee bedrijfsonderdelen en conform de reikwijdte van de bestaande toestemming.
5.  

Voor de toepassing van lid 1 wordt de dienstencomponent berekend volgens de onderstaande formule:

SC = max (OI, OE) + max (FI, FE)

waarbij:

SC

= de dienstencomponent;

OI

= overige bedrijfsinkomsten, d.w.z. het jaargemiddelde over de afgelopen drie boekjaren van de inkomsten van de instelling uit de gewone uitoefening van het bankbedrijf die niet zijn opgenomen in andere elementen van de Business Indicator, maar die van vergelijkbare aard zijn;

OE

= overige bedrijfsuitgaven, d.w.z. het jaargemiddelde over de afgelopen drie boekjaren van de uitgaven en verliezen van de instelling bij de gewone uitoefening van het bankbedrijf die niet zijn opgenomen in andere elementen van de Business Indicator, maar die van vergelijkbare aard zijn, en bij operationeel-risicogebeurtenissen;

FI

= de component vergoedingen- en provisie-inkomsten, d.w.z. het jaargemiddelde over de afgelopen drie boekjaren van de instelling voor de inkomsten ontvangen uit advies- en dienstverlening, met inbegrip van inkomsten die de instelling als uitbesteder van financiële diensten heeft ontvangen;

FE

= de component vergoedingen- en provisie-uitgaven, d.w.z. het jaargemiddelde over de afgelopen drie boekjaren van de door de instelling gedane uitgaven voor het ontvangen van advies en diensten, met inbegrip van door de instelling voor de levering van financiële diensten betaalde uitbestedingsvergoedingen, doch met uitsluiting van uitbestedingsvergoedingen voor de levering van niet-financiële diensten.

Na voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit en voor zover het institutioneel protectiestelsel beschikt over geschikte en in uniforme regels voorgeschreven systemen voor het toezicht op en de classificatie van operationele risico’s, kunnen instellingen die lid zijn van een institutioneel protectiestelsel dat voldoet aan de vereisten van artikel 113, lid 7, de dienstencomponent berekenen na aftrek van eventuele inkomsten ontvangen van of uitgaven betaald aan instellingen die lid zijn van hetzelfde institutioneel protectiestelsel. Eventuele verliezen die voortvloeien uit de gerelateerde operationele risico’s worden tussen leden van institutionele protectiestelsels onderling gedeeld.

6.  

Voor de toepassing van lid 1 wordt de financiële component berekend volgens de onderstaande formule:

FC = TC + BC

waarbij:

FC

= de financiële component;

TC

= de handelsportefeuillecomponent, d.w.z. het jaargemiddelde van de absolute waarden over de afgelopen drie boekjaren van de nettowinst of het nettoverlies, naargelang het geval, behaald met de handelsportefeuille van de instelling, aangemerkt als passend overeenkomstig standaarden voor jaarrekeningen of overeenkomstig deel drie, titel I, hoofdstuk 3, inclusief met voor handelsdoeleinden aangehouden activa en verplichtingen, met hedge accounting en met wisselkoersverschillen;

BC

= de niet-handelsportefeuillecomponent, d.w.z. het jaargemiddelde van de absolute waarden over de afgelopen drie boekjaren van de nettowinst of het nettoverlies, naargelang het geval, behaald met de niet-handelsportefeuille van de instelling, inclusief uit tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa en verplichtingen met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, met hedge accounting en uit winst en verlies behaald met niet tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa en verplichtingen met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

7.  

De instellingen laten de volgende bestanddelen buiten beschouwing bij de berekening van hun Business Indicator:

a) 

inkomsten en uitgaven uit het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf;

b) 

premies betaald en betalingen ontvangen uit gekochte verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten;

c) 

beheerskosten, met inbegrip van personeelsuitgaven, uitbestedingsvergoedingen betaald voor de levering van niet-financiële diensten, en overige beheerskosten;

d) 

terugvordering van beheerskosten, met inbegrip van namens cliënten verhaalde bedragen;

e) 

uitgaven voor gebouwen en vaste activa, behalve wanneer die uitgaven voortvloeien uit operationeel-risicogebeurtenissen;

f) 

afschrijving van materiële activa en amortisatie van immateriële activa, met uitzondering van afschrijvingen voor de exploitatie van leaseactiva, die bij de uitgaven voor financiële en operationele leasing moeten worden opgenomen;

g) 

voorzieningen en terugneming van voorzieningen, behalve wanneer die voorzieningen operationeel-risicogebeurtenissen betreffen;

h) 

uitgaven in verband met op verzoek onmiddellijk opeisbaar aandelenkapitaal;

i) 

bijzondere-waardeverminderingsverliezen en terugneming van bijzondere-waardeverminderingsverliezen;

j) 

veranderingen in goodwill verantwoord in winst of verlies;

k) 

vennootschapsbelasting.

8.  
Indien een instelling nog geen drie jaar actief is, gebruikt zij toekomstgerichte bedrijfsramingen voor het berekenen van de relevante componenten van haar Business Indicator, op voorwaarde dat dit ten genoegen van de bevoegde autoriteit is. De instelling gebruikt historische gegevens zodra die gegevens beschikbaar zijn.
9.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:

a) 

de componenten van de Business Indicator, en het gebruik ervan, door lijsten van typische subposten te ontwikkelen, rekening houdend met internationale reguleringsnormen en, indien van toepassing, de prudentiële grens als omschreven in deel drie, titel I, hoofdstuk 3;

b) 

de in lid 7 van dit artikel genoemde bestanddelen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

10.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot vaststelling van de elementen van de Business Indicator door die elementen waar dat passend is te mappen met de overeenkomstige rapportagecellen in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie ( 33 ).

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 315

Aanpassingen van de Business Indicator

1.  
De instellingen nemen Business Indicator-posten van gefuseerde of overgenomen entiteiten of activiteiten op in de berekening van hun Business Indicator vanaf het tijdstip van de fusie of acquisitie, naargelang het geval, en deze bestrijken de afgelopen drie boekjaren.
2.  
De instellingen kunnen de bevoegde autoriteit toestemming vragen om bedragen met betrekking tot afgestoten entiteiten of activiteiten uit te sluiten van de Business Indicator.
3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:

a) 

de wijze waarop instellingen de in de leden 1 en 2 bedoelde aanpassingen van de Business Indicator moeten bepalen;

b) 

de voorwaarden waarop bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde toestemming kunnen verlenen;

c) 

het tijdschema voor de in lid 2 bedoelde aanpassingen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

HOOFDSTUK 2

VERZAMELEN VAN GEGEVENS EN GOVERNANCE

Artikel 316

Berekening van het jaarlijkse uit operationeel risico voortvloeiende verlies

1.  
Instellingen met een Business Indicator gelijk aan of groter dan 750 miljoen EUR berekenen hun jaarlijks uit operationeel risico voortvloeiend verlies als de som van alle nettoverliezen over een bepaald boekjaar, berekend overeenkomstig artikel 318, lid 1, die gelijk zijn aan of groter dan de in artikel 319, lid 1 of 2, genoemde drempels voor verliesgegevens.

In afwijking van de eerste alinea kunnen bevoegde autoriteiten aan instellingen met een Business Indicator van maximaal 1 miljard EUR ontheffing verlenen van het vereiste om een jaarlijks uit operationeel risico voortvloeiend verlies te berekenen, op voorwaarde dat de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat het voor de instelling onnodig belastend zou zijn om de eerste alinea toe te passen.

2.  
Voor de toepassing van lid 1 is de betrokken Business Indicator de hoogste waarde van de Business Indicator die de instelling op de laatste acht rapportagereferentiedatums heeft gerapporteerd. Een instelling die haar Business Indicator nog niet heeft gerapporteerd, gebruikt haar meest recente Business Indicator.
3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere invulling van de voorwaarde onnodig belastend voor de toepassing van lid 1.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 317

Dataset met verliesgegevens

1.  
Instellingen die een jaarlijks uit operationeel risico voortvloeiend verlies overeenkomstig artikel 316, lid 1, berekenen, beschikken over regelingen, processen en mechanismen voor het vormen en op doorlopende basis actueel houden van een dataset met verliesgegevens waarin voor elke geboekte operationeel-risicogebeurtenis de brutoverliesbedragen, op andere partijen dan verzekeringen verhaalde bedragen, op verzekeringen verhaalde bedragen, referentiedatums en gegroepeerde verliezen, met inbegrip van die als gevolg van wangedragsgebeurtenissen, worden samengebracht.
2.  
De dataset met verliesgegevens van de instelling bestrijkt alle operationeel-risicogebeurtenissen van alle entiteiten die overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatiekring zijn opgenomen.
3.  

Voor de toepassing van lid 1 doen de instellingen het volgende:

a) 

zij nemen in de dataset met verliesgegevens elke operationeel-risicogebeurtenis op die in één of meer boekjaren is geboekt;

b) 

zij gebruiken voor het opnemen van verliezen in verband met operationeel-risicogebeurtenissen in de dataset met verliesgegevens de datum van administratieve verwerking;

c) 

zij wijzen verliezen en met een gemeenschappelijke operationeel-risicogebeurtenis of aanverwante operationeel-risicogebeurtenissen in de tijd samenhangende geboekte terugontvangsten over meerdere jaren toe aan de overeenkomstige boekjaren van de dataset met verliesgegevens, in lijn met de boekhoudkundige verwerking ervan.

4.  

De instellingen verzamelen ook:

a) 

informatie over de referentiedatums van operationeel-risicogebeurtenissen, met inbegrip van:

i) 

de datum waarop de operationeel-risicogebeurtenis plaatsvond of voor het eerst begon („datum van plaatsvinden”), voor zover beschikbaar;

ii) 

de datum waarop de instelling kennis heeft gekregen van de operationeel-risicogebeurtenis („datum van ontdekking”);

iii) 

de datum of de datums waarop een operationeel-risicogebeurtenis in een verlies resulteert, of de reserve of voorziening tegen verlies, in de verlies- en winstrekening van de instelling wordt opgenomen („datum van administratieve verwerking”);

b) 

informatie over terugontvangen brutoverliesbedragen, alsmede beschrijvende informatie over de bepalende factoren of oorzaken van de verliesgebeurtenissen.

Hoe gedetailleerd beschrijvende informatie is, hangt af van de omvang van het brutoverliesbedrag.

5.  
Een instelling neemt in haar dataset met verliesgegevens geen operationeel-risicogebeurtenissen in verband met kredietrisico op die in de risicogewogen posten voor kredietrisico in aanmerking zijn genomen. Operationeel-risicogebeurtenissen die verband houden met kredietrisico, doch niet in aanmerking worden genomen in de risicogewogen posten voor kredietrisico, worden in de dataset met verliesgegevens opgenomen.
6.  
Operationeel-risicogebeurtenissen in verband met marktrisico worden als operationeel risico behandeld en worden in de dataset met verliesgegevens opgenomen.
7.  
Een instelling is, na een verzoek van de bevoegde autoriteit in die zin, in staat haar historische interne verliesgegevens te mappen met het type gebeurtenis.
8.  

Voor de toepassing van dit artikel zien instellingen toe op de deugdelijkheid, robuustheid en prestaties van hun IT-systemen en -infrastructuur die nodig is om de dataset met verliesgegevens in stand te houden en te actualiseren, met name door al het volgende te waarborgen:

a) 

dat hun IT-systemen en -infrastructuur deugdelijk en veerkrachtig zijn en dat die deugdelijkheid en veerkracht doorlopend gehandhaafd kunnen worden;

b) 

dat hun IT-systemen en -infrastructuur onderworpen zijn aan processen voor configuratiebeheer, change management en release management;

c) 

dat, indien een instelling delen van de instandhouding van haar IT-systemen en -infrastructuur uitbesteedt, de deugdelijkheid, robuustheid en prestaties van de IT-systemen en -infrastructuur gewaarborgd worden door bevestiging van ten minste de volgende punten:

i) 

haar IT-systemen en -infrastructuur zijn deugdelijk en veerkrachtig, en die deugdelijkheid en veerkracht kunnen doorlopend gehandhaafd worden;

ii) 

het proces voor het plannen, opzetten, testen en uitrollen van de IT-systemen en -infrastructuur is deugdelijk en geschikt wat betreft projectmanagement, risicobeheer, governance, engineering, kwaliteitsborging en testplanning, modellering en ontwikkeling van systemen, kwaliteitsborging voor alle activiteiten, met inbegrip van codereviews en, in voorkomend geval, codeverificatie, en testing, met inbegrip van acceptatie van gebruikers;

iii) 

haar IT-systemen en -infrastructuur zijn onderworpen aan processen voor configuratiebeheer, change management en release management;

iv) 

het proces voor het plannen, opzetten, testen en uitrollen van de IT-systemen en -infrastructuur en noodplannen is goedgekeurd door het leidinggevend orgaan of de directie, en het leidinggevend orgaan en de directie worden periodiek geïnformeerd over de prestaties van de IT-systemen en -infrastructuur.

9.  
Voor de toepassing van lid 7 ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin een risicotaxonomie voor operationeel risico wordt opgesteld die voldoet aan internationale normen, alsook een methodiek voor de indeling van de in de dataset met verliesgegevens opgenomen verliesgebeurtenissen op basis van die risicotaxonomie voor operationeel risico.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

10.  
Voor de toepassing van lid 8 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit met toelichting bij de technische elementen die nodig zijn om de deugdelijkheid, robuustheid en prestaties van governanceregelingen om de dataset met verliesgegevens te onderhouden te garanderen, met bijzondere aandacht voor IT-systemen en -infrastructuur.

Artikel 318

Berekening van nettoverlies en brutoverlies

1.  

Voor de toepassing van artikel 316, lid 1, berekenen de instellingen voor elke operationeel-risicogebeurtenis een nettoverlies als volgt:

nettoverlies = brutoverlies – terugontvangst

waarbij:

brutoverlies

= een verlies in verband met een operationeel-risicogebeurtenis vóór terugontvangsten van enigerlei soort;

terugontvangst

= één of meer onafhankelijke gebeurtenissen, die met de oorspronkelijke operationele-risicogebeurtenis verband houden, van elkaar gescheiden in tijd, waarbij middelen of instromen van economische voordelen van een derde partij worden ontvangen.

De instellingen houden permanent een geactualiseerde berekening van het nettoverlies voor elke specifieke operationeel-risicogebeurtenis bij. Daartoe actualiseren de instellingen de berekening van het nettoverlies op basis van de waargenomen of geraamde variaties van het brutoverlies en de terugontvangen bedragen in elk van de tien voorgaande boekjaren. Indien gedurende meerdere boekjaren binnen die periode van tien jaar verliezen met betrekking tot dezelfde operationeel-risicogebeurtenis worden waargenomen, berekent de instelling de volgende elementen en houdt zij die actueel:

a) 

het nettoverlies, het brutoverlies en de terugontvangen bedragen voor elk van de boekjaren uit de periode van tien jaar waarin het nettoverlies, het brutoverlies en de terugontvangen bedragen werden geboekt;

b) 

het geaggregeerde nettoverlies, het geaggregeerde brutoverlies en de geaggregeerde terugontvangen bedragen voor alle betrokken boekjaren uit de periode van tien jaar.

2.  

Voor de toepassing van lid 1 worden de volgende posten opgenomen in de berekening van het brutoverlies:

a) 

directe lasten, zoals bijzondere waardeverminderingen, schikkingen, schadevergoedingen, geldboeten en moratoire rente en honoraria van advocaten, voor de winst- en-verliesrekening van de instelling en afschrijvingen als gevolg van de operationeel-risicogebeurtenis, met inbegrip van:

i) 

indien de operationeel-risicogebeurtenis verband houdt met marktrisico: de kosten voor de afwikkeling van marktposities in het geboekte verliesbedrag van de operationeel-risicoposten;

ii) 

indien betalingen verband houden met falen of ontoereikende processen van de instelling: geldboeten, rentelasten, vertragingsvergoedingen, honoraria van advocaten en, evenwel met uitsluiting van het oorspronkelijk verschuldigde belastingbedrag, belastingen, tenzij dat bedrag reeds in punt e) is opgenomen;

b) 

kosten gemaakt als gevolg van de operationeel-risicogebeurtenis, met inbegrip van externe uitgaven met een direct verband met de operationeel-risicogebeurtenis en reparatie- of vervangingskosten, gemaakt om de positie te herstellen zoals die bestond voordat de operationeel-risicogebeurtenis is ingetreden;

c) 

voorzieningen of reserves die in de winst-en-verliesrekening zijn opgenomen voor mogelijke operationeel-risicoverliezen, met inbegrip van die als gevolg van wangedragsgebeurtenissen;

d) 

verliezen als gevolg van operationeel-risicogebeurtenissen met een definitief financieel effect die tijdelijk worden geboekt op transit- of tussenrekeningen en die niet tot uiting komen in de winst-en-verliesrekening („te verwachten verliezen”);

e) 

negatieve economische effecten die in een boekjaar worden geboekt en die het gevolg zijn van operationeel-risicogebeurtenissen die van invloed zijn op de kasstromen of financiële overzichten van voorgaande financiële jaren („timingverliezen”).

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), worden te verwachten materiële verliezen opgenomen in de dataset met verliesgegevens binnen een termijn die in verhouding staat tot de omvang en de looptijd van te verwachten post.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt e), neemt de instelling in de dataset met verliesgegevens materiële timingverliezen op indien die verliezen het gevolg zijn van operationeel-risicogebeurtenissen die meer dan één boekjaar bestrijken. De instellingen nemen in het geboekte verliesbedrag van de operationeel-risicopost van een boekjaar verliezen op die het gevolg zijn van de correctie van boekingsfouten die zich in een voorgaand boekjaar hebben voorgedaan, ook al zijn die verliezen niet direct van invloed op derden. Indien er materiële timingverliezen zijn en de operationeel-risicogebeurtenissen direct van invloed zijn op derden, met inbegrip van cliënten, leveranciers en werknemers van de instelling, neemt de instelling ook de officiële aanpassing van voordien gepubliceerde financiële verslagen op.

3.  

Voor de toepassing van lid 1 worden de volgende posten opgenomen in de berekening van het brutoverlies:

a) 

kosten voor de algemene instandhouding van contracten voor materiële vaste activa;

b) 

interne of externe uitgaven ter versterking van het bedrijf na de uit operationeel risico voortvloeiende verliezen, inclusief upgrades, verbeteringen, initiatieven voor en de versterking van risicobeoordelingen;

c) 

verzekeringspremies.

4.  
Voor de toepassing van lid 1 worden terugontvangen bedragen alleen voor het verminderen van brutoverliezen gebruikt indien de instelling betaling heeft ontvangen. Vorderingen gelden niet als terugontvangen bedragen.

Op verzoek van de bevoegde autoriteit verschaft de instelling alle documentatie die nodig is om de ontvangen en bij de berekening van het nettoverlies van een operationeel-risicogebeurtenis meegenomen betalingen te verifiëren.

Artikel 319

Drempels voor verliesgegevens

1.  
Om het in artikel 316, lid 1, bedoelde jaarlijks uit operationeel risico voortvloeiend verlies te berekenen, nemen instellingen in de dataset met verliesgegevens operationeel-risicogebeurtenissen in aanmerking met een nettoverlies, berekend overeenkomstig artikel 318, dat gelijk is aan of groter dan 20 000  EUR.
2.  
Onverminderd lid 1 van dit artikel, en ten behoeve van artikel 446, berekenen instellingen ook het jaarlijkse uit operationeel risico voortvloeiende verlies overeenkomstig artikel 316, lid 1, door in de dataset met verliesgegevens operationeel-risicogebeurtenissen in aanmerking te nemen met een nettoverlies, berekend overeenkomstig artikel 318, dat gelijk is aan of groter dan 100 000  EUR.
3.  
Ingeval een operationeel-risicogebeurtenis gedurende meer dan één boekjaar tot verliezen leidt, als bedoeld in artikel 318, lid 1, tweede alinea, is het voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde drempels in aanmerking te nemen nettoverlies het geaggregeerde nettoverlies.

Artikel 320

Uitsluiting van verliezen

1.  

Een instelling kan om toestemming van de bevoegde autoriteit vragen om van de berekening van haar jaarlijkse uit operationeel risico voortvloeiende verlies uitzonderlijke operationeel-risicogebeurtenissen uit te sluiten die niet langer relevant zijn voor het risicoprofiel van de instelling, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kan ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantonen dat de oorzaak van de operationeel-risicogebeurtenis die aan de oorsprong ligt van het uit operationeel risico voortvloeiende verlies, zich niet opnieuw zal voordoen;

b) 

het geaggregeerde nettoverlies van de overeenkomstige operationeel-risicogebeurtenis is een van de volgende:

i) 

het is gelijk aan of groter dan 10 % van het gemiddelde jaarlijkse uit operationeel risico voortvloeiende verlies van de instelling, berekend over de afgelopen tien boekjaren en gebaseerd op de in artikel 319, lid 1, genoemde drempel, indien de operationeel-risicogebeurtenis activiteiten betreft die nog steeds deel uitmaken van de Business Indicator;

ii) 

het houdt verband met een operationeel-risicogebeurtenis die betrekking heeft op afgestoten activiteiten uit de Business Indicator overeenkomstig artikel 315, lid 2;

c) 

het uit operationeel risico voortvloeiende verlies stond voor ten minste één jaar in de verliesgegevensbank, tenzij het uit operationeel risico voortvloeiende verlies verband houdt met afgestoten activiteiten uit de Business Indicator overeenkomstig artikel 315, lid 2.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), van dit lid vangt de minimumperiode van één jaar aan op de datum waarop de operationeel-risicogebeurtenis die in de dataset met verliesgegevens is opgenomen, voor het eerst de in artikel 319, lid 1, vastgelegde materialiteitsdrempel heeft overschreden.

2.  

Een instelling die om de in lid 1 bedoelde toestemming vraagt, verschaft de bevoegde autoriteit een gedocumenteerde onderbouwing voor de uitsluiting van een uitzonderlijke operationeel-risicogebeurtenis, met inbegrip van:

a) 

een beschrijving van de operationeel-risicogebeurtenis;

b) 

het bewijs dat het door de operationeel-risicogebeurtenis ontstane verlies de in lid 1, punt b), i), genoemde materialiteitsdrempel voor uitsluiting van verliezen overschrijdt, met inbegrip van de datum waarop die operationeel-risicogebeurtenis de materialiteitsdrempel heeft overschreden;

c) 

de datum waarop de betrokken operationeel-risicogebeurtenis zou zijn uitgesloten, rekening houdende met de in lid 1, punt c), bedoelde minimumretentieperiode;

d) 

de reden waarom de operationeel-risicogebeurtenis niet langer relevant wordt geacht voor het risicoprofiel van de instelling;

e) 

een bewijs dat er geen vergelijkbare of resterende juridische blootstellingen zijn en dat de uit te sluiten operationeel-risicogebeurtenis niet relevant is voor andere activiteiten of producten;

f) 

verslagen van de onafhankelijke toetsing of validatie door de instelling, die bevestigen dat de operationeel-risicogebeurtenis niet langer relevant is en er geen vergelijkbare of resterende juridische blootstellingen zijn;

g) 

het bewijs dat bevoegde autoriteiten van de instelling, via de goedkeuringsprocedures voor de instelling, het verzoek tot uitsluiting van de operationeel-risicogebeurtenis hebben goedgekeurd en de datum van die goedkeuring;

h) 

het effect van de uitsluiting van de operationeel-risicogebeurtenis op het jaarlijkse uit operationeel risico voortvloeiende verlies.

3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de voorwaarden die de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 1 moet beoordelen, met inbegrip van de wijze waarop het jaarlijkse uit operationeel risico voortvloeiende verlies moet worden berekend en de specificaties voor de informatie die overeenkomstig lid 2 moet worden verzameld of alle verdere informatie die noodzakelijk wordt geacht om die beoordeling te kunnen uitvoeren.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 321

Opneming van verliezen van gefuseerde of overgenomen entiteiten of activiteiten

1.  
Verliezen afkomstig van gefuseerde of overgenomen entiteiten of activiteiten worden in de dataset met verliesgegevens opgenomen zodra de Business Indicator-posten met betrekking tot die entiteiten of activiteiten worden opgenomen in de berekening overeenkomstig artikel 315, lid 1, van de Business Indicator van de instelling. Daartoe nemen de instellingen verliezen op die zijn waargenomen over een periode van tien jaar vóór de overname of fusie.
2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader in te vullen hoe instellingen de aanpassingen van hun dataset met verliesgegevens moeten bepalen nadat de verliezen van gefuseerde of overgenomen activiteiten overeenkomstig lid 1 zijn opgenomen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 322

Uitgebreidheid, nauwkeurigheid en kwaliteit van de verliesgegevens

1.  
De instellingen beschikken over de organisatie en processen om de volledigheid, nauwkeurigheid en kwaliteit van de verliesgegevens te garanderen en die gegevens aan een onafhankelijke toetsing te onderwerpen.
2.  
Bevoegde autoriteiten toetsen periodiek, en ten minste om de vijf jaar, de kwaliteit van de verliesgegevens van een instelling die een jaarlijks uit operationeel risico voortvloeiend verlies berekent overeenkomstig artikel 316, lid 1. Bevoegde autoriteiten voeren die toetsing ten minste om de drie jaar uit voor een instelling met een Business Indicator van meer dan 1 miljard EUR.

Artikel 323

Raamwerk voor het beheer van operationeel risico

1.  

De instellingen beschikken over:

a) 

een goed gedocumenteerd beoordelings- en beheerssysteem voor operationeel risico dat nauw geïntegreerd is in dagelijkse risicobeheersprocessen, integrerend deel uitmaakt van het proces voor monitoring en bewaking van het operationeel-risicoprofiel van de instelling en waarvoor de verantwoordelijkheden helder zijn toegedeeld; het beoordelings- en beheerssysteem voor operationeel risico brengt de blootstellingen van de instelling met betrekking tot operationeel risico in beeld en houdt de betrokken gegevens voor operationeel risico bij, met inbegrip van gegevens over materiële verliezen;

b) 

een functie voor het beheer van operationeel risico die onafhankelijk is van de bedrijfseenheden en operationele eenheden van de instelling;

c) 

een systeem van rapportage aan de directie dat aan de relevante functies binnen de instelling rapporteert over operationeel risico;

d) 

een systeem van regelmatige monitoring van en rapportage over blootstellingen aan operationeel risico en geleden verliezen, en procedures om passende corrigerende maatregelen te nemen;

e) 

procedures om naleving te waarborgen en beleidslijnen om niet-naleving aan te pakken;

f) 

regelmatige toetsing van de processen en systemen voor beoordeling en beheer van operationeel risico van een instelling, uitgevoerd door interne of externe accountants die over de vereiste kennis beschikken;

g) 

interne validatieprocessen die degelijk en doeltreffend functioneren;

h) 

transparante en toegankelijke gegevensstromen en -processen met betrekking tot het systeem van de instelling voor het beoordelen van operationeel risico.

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de verplichtingen krachtens lid 1, punten a) tot en met h), rekening houdende met de omvang en complexiteit van de instelling.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

TITEL IV

EIGENVERMOGENSVEREISTEN VOOR HET MARKTRISICO

▼M8

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 325

Benaderingen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico

▼M17

1.  

Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor al haar handelsportefeuilleposities en al haar niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is, volgens de volgende benaderingen:

a) 

de alternatieve standaardbenadering van hoofdstuk 1 bis;

b) 

de in hoofdstuk 1 ter beschreven alternatieve internemodellenbenadering voor de posities die zijn toegewezen aan tradingafdelingen waarvoor de instelling van haar bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om die alternatieve benadering van artikel 325 terquinquagies, lid 1, te gebruiken;

c) 

de in lid 2 van dit artikel bedoelde vereenvoudigde standaardbenadering, mits de instelling aan de voorwaarden uit artikel 325 bis, lid 1, voldoet.

In afwijking van de eerste alinea berekent een instelling geen eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico voor posities in de handelsportefeuille en posities in de niet-handelsportefeuille die aan wisselkoersrisico onderhevig zijn, indien die posities van het eigen vermogen van de instelling worden afgetrokken. De instelling documenteert haar toepassing van de in deze alinea vastgelegde afwijking, inclusief het effect en de materialiteit ervan, en stelt de informatie op verzoek ter beschikking aan haar bevoegde autoriteit.

2.  

Onder de eigenvermogensvereisten voor marktrisico, berekend overeenkomstig de vereenvoudigde standaardbenadering, wordt de som verstaan van de volgende eigenvermogensvereisten, naargelang het geval:

a) 

de eigenvermogensvereisten voor positierisico als bedoeld in hoofdstuk 2, vermenigvuldigd met:

i) 

1,3 voor de algemene en specifieke risico’s van posities in schuldinstrumenten, met uitzondering van de in artikel 337 bedoelde securitisatie-instrumenten;

ii) 

3,5 voor de algemene en specifieke risico’s van posities in eigenvermogensinstrumenten;

b) 

de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico als bedoeld in hoofdstuk 3, vermenigvuldigd met 1,2 ;

c) 

de eigenvermogensvereisten voor grondstoffenrisico als bedoeld in hoofdstuk 4, vermenigvuldigd met 1,9 ;

d) 

de eigenvermogensvereisten voor securitisatie-instrumenten als bedoeld in artikel 337.

3.  
Een instelling die de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde alternatieve internemodellenbenadering gebruikt voor het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van posities in de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille die aan wisselkoersrisico of grondstoffenrisico onderhevig zijn, rapporteert aan haar bevoegde autoriteit de maandelijkse berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico aan de hand van de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde alternatieve standaardbenadering voor elke handelsafdeling waaraan die posities overeenkomstig artikel 104 ter zijn toegewezen.
4.  
Een instelling mag de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde alternatieve standaardbenadering en de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde alternatieve internemodellenbenadering permanent combineren, mits de aan de hand van de alternatieve internemodellenbenadering berekende totale eigenvermogensvereisten voor marktrisico ten minste 10 % van de totale eigenvermogensvereisten voor marktrisico vertegenwoordigen. Op individuele basis mag een instelling geen van deze beide benaderingen in combinatie met de in lid 1, punt c), van dit artikel bedoelde vereenvoudigde standaardbenadering gebruiken. Op geconsolideerd niveau kan een instelling een combinatie van die drie benaderingen gebruiken om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig artikel 325 ter, lid 4, punt b), te berekenen, zolang de vereenvoudigde standaardbenadering niet in combinatie met de twee andere benaderingen binnen één juridische entiteit wordt gebruikt.
5.  
Een instelling gebruikt de in lid 1, punt b), bedoelde alternatieve internemodellenbenadering niet voor instrumenten in haar handelsportefeuille die ofwel securitisatieposities zijn, ofwel van de alternatieve correlatiehandelsportefeuille (ACHP) deel uitmakende posities zijn als bedoeld in de leden 6, 7 en 8.

▼M8

6.  

Securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten die aan alle volgende criteria voldoen, worden in de ACHP opgenomen:

a) 

de posities zijn noch hersecuritisatieposities, noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van securitisatieblootstellingen die geen evenredig aandeel in de opbrengsten van een securitisatietranche bieden;

b) 

alle onderliggende instrumenten ervan zijn:

i) 

ofwel single-name-instrumenten, met inbegrip van single-namekredietderivaten, waarvoor een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;

ii) 

ofwel courant verhandelde indices, gebaseerd op de in punt i) bedoelde instrumenten.

Een vraag- en aanbodmarkt wordt geacht te bestaan als er onafhankelijke aanbiedingen te goeder trouw zijn om te kopen en verkopen zodat er binnen één dag een prijs kan worden vastgesteld die redelijk gerelateerd is aan de prijs van de laatste verkoop of actuele concurrerende vraag- en aanbodnoteringen te goeder trouw, en de koop tegen die prijs binnen betrekkelijk korte tijd kan worden gesloten, overeenkomstig de handelsgebruiken.

7.  

Posities met een van de volgende onderliggende instrumenten worden niet in de ACHP opgenomen:

a) 

in de in artikel 112, punt h) of i), bedoelde blootstellingsklassen ondergebrachte onderliggende instrumenten;

b) 

een vordering op een special purpose-entity, die direct of indirect wordt gegarandeerd door een positie die op zich geen overeenkomstig lid 6 toelaatbaar onderdeel van de ACHP zou vormen.

8.  
Een instelling mag in de ACHP posities opnemen die geen securitisatieposities of nth-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in die portefeuille afdekken, op voorwaarde dat er voor het instrument of de onderliggende instrumenten ervan een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat als beschreven in de tweede alinea van lid 6.

▼M17

9.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de wijze waarop instellingen voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is, de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de benaderingen uit lid 1, punten a) en b), van dit artikel moeten berekenen, rekening houdende met de vereisten van artikel 104 ter, leden 5 en 6, in voorkomend geval.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 325 bis

▼M17

Voorwaarden voor het gebruik van de vereenvoudigde standaardbenadering

▼M8

1.  

►M17  Een instelling mag de eigenvermogensvereisten voor marktrisico aan de hand van de in artikel 325, lid 1, punt c), bedoelde vereenvoudigde standaardbenadering berekenen mits de omvang van de activiteiten van de instelling binnen en buiten de balanstelling waaraan marktrisico verbonden is, volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing aan de hand van gegevens op de laatste dag van de maand, gelijk is aan of kleiner is dan elk van beide volgende drempelwaarden: ◄

a) 

10 % van de totale activa van de instelling;

b) 

500 miljoen EUR.

2.  

Instellingen berekenen de omvang van hun activiteiten binnen en buiten de balanstelling waaraan marktrisico verbonden is, aan de hand van gegevens op de laatste dag van elke maand, met inachtneming van de volgende vereisten:

a) 

alle aan de handelsportefeuille toegekende posities worden opgenomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne afdekking tegen blootstellingen aan kredietrisico in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen en van de kredietderivatentransacties die het marktrisico van de interne afdekkingen als bedoeld in artikel 106, lid 3, perfect compenseren;

▼M17

b) 

alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico verbonden is, worden in aanmerking genomen, met uitzondering van de posities die overeenkomstig artikel 104 quater van de berekening van de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico zijn uitgesloten of die van het eigen vermogen van de instellingen worden afgetrokken;

▼C9

c) 

alle posities worden tegen hun marktwaarden op die datum gewaardeerd, met uitzondering van de in punt b) bedoelde posities. Indien de marktwaarde van een handelsportefeuillepositie op een gegeven datum niet beschikbaar is, nemen instellingen voor de handelsportefeuillepositie een reële waarde op die datum; indien de reële waarde en de marktwaarde van een handelsportefeuillepositie op een gegeven datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor de positie in kwestie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;

▼M8

d) 

alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico's verbonden is, worden als een totale netto grondstoffenpositie beschouwd en overeenkomstig artikel 352 gewaardeerd;

e) 

alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een grondstoffenrisico's verbonden is, worden gewaardeerd overeenkomstig de artikelen 357 en 358;

▼M17

f) 

de absolute waarde van de geaggregeerde lange positie wordt samengevoegd met de absolute waarde van de geaggregeerde korte positie.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea is de betekenis van lange en korte posities dezelfde als in artikel 94, lid 3.

Voor de toepassing van de eerste alinea is de waarde van de geaggregeerde lange of korte positie gelijk aan de som van de waarden van de individuele lange of korte posities die overeenkomstig de punten a) en b) van die alinea in de berekening zijn opgenomen.

▼M8

3.  
Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten ervan in kennis dat zij hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico berekenen, of niet langer berekenen, overeenkomstig dit artikel.
4.  
Een instelling die niet meer aan één of meer van de voorwaarden van lid 1 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.
5.  

►M17  Binnen drie maanden na een van de onderstaande gevallen berekenen instellingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico niet langer volgens de in artikel 325, lid 1, punt c), bedoelde benadering: ◄

a) 

de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de in lid 1, punt a) of b), beschreven voorwaarden; of

b) 

de instelling voldoet gedurende meer dan zes van de laatste twaalf maanden niet aan de in lid 1, punt a) of b) beschreven voorwaarde.

▼M17

6.  
Een instelling die de eigenvermogensvereisten voor marktrisico niet langer overeenkomstig de in artikel 325, lid 1, punt c), bedoelde benadering berekent, mag de eigenvermogensvereisten voor marktrisico enkel aan de hand van die benadering berekenen wanneer zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van één jaar aan alle voorwaarden van lid 1 van dit artikel is voldaan.

▼M8

7.  
Instellingen mogen geen positie innemen, kopen of verkopen met als enig doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van lid 1 te voldoen.

▼M17 —————

▼M8

Artikel 325 ter

Toestemming voor geconsolideerde vereisten

1.  
Met inachtneming van lid 2 en uitsluitend voor de berekening van nettoposities en eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis overeenkomstig deze titel mogen instellingen posities in een instelling of onderneming gebruiken om posities in een andere instelling of onderneming te compenseren.
2.  

Instellingen mogen lid 1 uitsluitend toepassen met toestemming van de bevoegde autoriteiten, die wordt verleend indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

binnen de groep wordt het eigen vermogen op adequate wijze toegewezen;

b) 

het reglementaire, juridische of contractuele kader waarbinnen de instellingen werken, waarborgt wederzijdse financiële ondersteuning binnen de groep.

3.  

Indien er in derde landen gevestigde ondernemingen zijn, wordt behalve aan de in lid 2 genoemde voorwaarden, ook aan alle volgende voorwaarden voldaan:

a) 

aan die ondernemingen is vergunning verleend in een derde land en zij beantwoorden aan de definitie van kredietinstelling of zijn erkende beleggingsondernemingen uit een derde land;

b) 

op individuele basis voldoen die ondernemingen aan eigenvermogensvereisten die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vastgestelde vereisten;

c) 

in de betrokken derde landen bestaan geen voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor de overdracht van middelen binnen de groep.

▼M17

4.  

Wanneer een bevoegde autoriteit een instelling de in lid 2 bedoelde toestemming niet heeft gegeven voor ten minste één instelling of onderneming van de groep, zijn de volgende vereisten van toepassing voor de berekening op geconsolideerde basis van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig deze titel:

a) 

de instelling berekent nettoposities en eigenvermogensvereisten overeenkomstig deze titel voor alle posities in instellingen of ondernemingen van de groep waarvoor de instelling de in lid 2 bedoelde toestemming heeft gekregen, aan de hand van de in lid 1 beschreven behandeling;

b) 

de instelling berekent nettoposities en eigenvermogensvereisten overeenkomstig deze titel individueel voor alle posities in elke instelling of onderneming van de groep waarvoor de instelling niet de in lid 2 bedoelde toestemming heeft gekregen;

c) 

de instelling berekent de totale eigenvermogensvereisten overeenkomstig deze titel op geconsolideerde basis door de in de punten a) en b) berekende bedragen op te tellen.

Ten behoeve van de in de eerste alinea, punten a) en b), bedoelde berekening gebruiken de in die punten bedoelde instellingen en ondernemingen dezelfde rapportagevaluta als die welke wordt gebruikt om de eigenvermogensvereisten overeenkomstig deze titel op geconsolideerde basis voor de groep te berekenen.

▼M8

HOOFDSTUK 1 bis

Alternatieve standaardbenadering

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 325 quater

▼M17

Toepassingsgebied, structuur en kwalitatieve vereisten van de alternatieve standaardbenadering

1.  
De instellingen beschikken over een gedocumenteerd samenstel van interne beleidslijnen, procedures en controles voor het monitoren en borgen van de inachtneming van de vereisten van dit hoofdstuk, en stellen deze beschikbaar aan de bevoegde autoriteiten. Aanpassingen van die beleidslijnen, procedures en controles worden te gelegener tijd ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten.

▼M8

2.  

Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de alternatieve standaardbenadering voor een portefeuille van handelsportefeuilleposities of niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico verbonden is, als de som van de volgende drie componenten:

a) 

het in afdeling 2 beschreven eigenvermogensvereiste volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode;

b) 

het in afdeling 5 beschreven eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico, dat alleen van toepassing is op de in die afdeling genoemde handelsportefeuilleposities;

c) 

het in afdeling 4 beschreven eigenvermogensvereiste voor restrisico, dat alleen van toepassing is op de in die afdeling genoemde handelsportefeuilleposities.

▼M17

3.  
In afwijking van lid 2 berekent een instelling de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de alternatieve standaardbenadering voor door de instelling gehouden eigen schuldinstrumenten als de som van de twee in lid 2, punten a) en c), bedoelde componenten. Bij het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor eigen schuldinstrumenten volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode, bedoeld in lid 2, punt a), sluit de instelling de risico’s van haar eigen creditspread van die berekening uit.
4.  
De instellingen beschikken over een afdeling risicobeheersing, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en rechtstreeks aan de directie rapporteert. De afdeling risicobeheersing is belast met ontwerp en uitvoering van de alternatieve standaardbenadering. Zij is belast met het opstellen en analyseren van maandelijkse verslagen over de output van de alternatieve standaardbenadering, alsmede over de geschiktheid van de transactielimieten van de instelling.
5.  
De instellingen toetsen de alternatieve standaardbenadering die zij ten behoeve van dit hoofdstuk gebruiken, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, hetzij in het kader van hun periodieke interne auditproces, hetzij door een externe onderneming met die toetsing te belasten. De uitkomst van die toetsing wordt aan de geëigende beheersorganen gemeld.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt onder „externe onderneming” verstaan een onderneming die audit- of adviesdiensten ten behoeve van instellingen verricht en die beschikt over personeel dat voldoende onderlegd is op het gebied van marktrisico.

6.  

De in lid 5 bedoelde toetsing van de alternatieve standaardbenadering bestrijkt de activiteiten van zowel de handelsafdelingen als de onafhankelijke afdeling risicobeheersing en maakt een beoordeling van ten minste de volgende punten:

a) 

de interne beleidslijnen, procedures en controles voor het monitoren en borgen van de inachtneming van de in lid 1 van dit artikel bedoelde vereisten;

b) 

de adequaatheid van de documentatie over het risicobeheersysteem en de risicobeheerprocessen en van de organisatie van de in lid 4 van dit artikel bedoelde afdeling risicobeheersing;

c) 

de nauwkeurigheid van gevoeligheidsberekeningen en het proces om die berekeningen af te leiden van de prijsmodellen van de instelling die als basis dienen voor winst- en verliesrapportage aan de directie, als bedoeld in artikel 325 unvicies;

d) 

het verificatieproces dat de instelling hanteert voor het beoordelen van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico aan de hand van de alternatieve standaardbenadering gebruikte gegevensbronnen, alsmede van de onafhankelijkheid van die gegevensbronnen.

Een instelling voert de in de eerste alinea bedoelde toetsing minstens eenmaal per jaar uit, of op een minder frequente basis minstens eenmaal om de twee jaar indien de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan aantonen dat de omvang, systeemrelevantie, aard, schaal en complexiteit van haar handelsportefeuilleactiviteiten een lagere toetsingsfrequentie rechtvaardigt.

7.  
De bevoegde autoriteiten verifiëren of de in lid 2 van dit artikel bedoelde berekening, met inbegrip van de toepassing door een instelling van de vereisten van dit hoofdstuk en van artikel 325 bis, integer wordt uitgevoerd.
8.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de beoordelingsmethode volgens welke de bevoegde autoriteiten de in lid 7 bedoelde verificatie verrichten.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2028 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Afdeling 2

Op gevoeligheden gebaseerde methode voor de berekening van de eigenvermogensvereiste

Artikel 325 quinquies

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1)

„risicoklasse” :

één van de volgende zeven categorieën:

i) 

algemene-renterisico;

ii) 

creditspreadrisico (CSR) voor niet-securitisatie;

iii) 

creditspreadrisico voor securitisatie niet opgenomen in de alternatieve correlatiehandelsportefeuille (niet-ACHP CSR);

iv) 

creditspreadrisico voor securitisatie opgenomen in de alternatieve correlatiehandelsportefeuille (ACHP CSR);

v) 

aandelenrisico;

vi) 

grondstoffenrisico;

vii) 

wisselkoersrisico;

2)

„gevoeligheid” : de relatieve verandering in de waarde van een positie, als gevolg van een verandering in de waarde van één van de relevante risicofactoren van de positie, berekend volgens het prijsmodel van de instelling overeenkomstig onderafdeling 2 van afdeling 3;

3)

„subklasse” : een subcategorie van posities binnen een risicoklasse met eenzelfde risicoprofiel waaraan een risicogewicht als omschreven in afdeling 3, onderafdeling 1, van dit hoofdstuk is toegewezen.

Artikel 325 sexies

Componenten van de op gevoeligheden gebaseerde methode

1.  

Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode door de volgende drie eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 325 nonies te aggregeren:

a) 

eigenvermogensvereisten voor het deltarisico, die het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeven die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de niet-volatiliteitsgerelateerde risicofactoren ervan;

b) 

eigenvermogensvereisten voor het vegarisico, die het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeven die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de volatiliteitsgerelateerde risicofactoren ervan;

c) 

eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico, die het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeven die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de belangrijkste niet-volatiliteitsgerelateerde risicofactoren welke niet door de eigenvermogensvereisten voor het deltarisico worden weergegeven.

2.  

Voor de in lid 1 bedoelde berekening geldt het volgende:

▼M12

a) 

alle posities in instrumenten met optionaliteit zijn onderworpen aan de in lid 1, onder a), b) en c), genoemde eigenvermogensvereisten voor de risico’s niet zijnde exotische onderliggende waarden van de in artikel 325 duovicies, lid 2, onder a), bedoelde instrumenten;

b) 

alle posities in instrumenten zonder optionaliteit zijn onderworpen aan de in lid 1, onder a), genoemde eigenvermogensvereisten voor de risico’s niet zijnde exotische onderliggende waarden van de in artikel 325 duovicies, lid 2, onder a), bedoelde instrumenten.

▼M8

Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvatten instrumenten met optionaliteit onder meer: callopties, putopties, caps, floors, swapopties, barrieropties en exotische opties. Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico worden ingebouwde opties, zoals opties tot vervroegde aflossing of gedragsopties, als op zichzelf staande posities in opties beschouwd.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden instrumenten waarvan de kasstromen als een lineaire functie van het onderliggende notionele bedrag kunnen worden uitgedrukt, als instrumenten zonder optionaliteit beschouwd.

▼M12

3.  
In afwijking van lid 2, onder b), kan een instelling ervoor kiezen om alle posities van instrumenten zonder optionaliteit aan de in lid 1, onder a) en c), genoemde eigenvermogensvereisten te onderwerpen.

Een instelling die ervoor kiest om de in de eerste alinea genoemde benadering te gebruiken, stelt haar bevoegde autoriteit ten minste drie maanden vóór het eerste gebruik daarvan in kennis. Nadat die drie maanden zijn verstreken en mits de bevoegde autoriteit geen bezwaar heeft gemaakt, mag de instelling die benadering gebruiken totdat de bevoegde autoriteit de instelling meedeelt dat zij dit langer mag doen.

Een instelling die ervoor kiest om de in de eerste alinea genoemde benadering stop te zetten, stelt haar bevoegde autoriteit ten minste drie maanden voordat zij dat gebruik stopzet, daarvan in kennis. De instelling mag het gebruik van die benadering stopzetten, tenzij de bevoegde autoriteit binnen die periode van drie maanden bezwaar heeft gemaakt.

▼M8

Artikel 325 septies

Eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico

1.  
Instellingen passen de in afdeling 3, onderafdeling 1, beschreven delta- en vegarisicofactoren toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico.
2.  
Instellingen passen de in de leden 3 tot en met 8 beschreven procedure toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico.
3.  
Voor elke risicoklasse wordt de gevoeligheid van alle onder de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico vallende instrumenten voor elk van de bij de betrokken risicoklasse behorende, toepasselijke delta- of vegarisicofactoren berekend volgens de overeenkomstige formules in afdeling 3, onderafdeling 2. Indien de waarde van een instrument van meerdere risicofactoren afhankelijk is, wordt de gevoeligheid voor elke risicofactor afzonderlijk bepaald.
4.  
Gevoeligheden worden aan één van de subklassen „b” binnen elke risicoklasse toegewezen.
5.  
Binnen elke subklasse „b” worden de positieve en negatieve gevoeligheden voor dezelfde risicofactor verrekend, wat in nettogevoeligheden (sk) voor elke riscofactor k binnen een subklasse resulteert.
6.  

De nettogevoeligheden voor elke risicofactor binnen elke subklasse worden volgens de onderstaande formule met de in afdeling 6 beschreven overeenkomstige risicogewichten vermenigvuldigd, wat in gewogen gevoeligheden voor elke risicofactor binnen die subklasse resulteert:

WSk = RWk · sk
waarbij:

WSk

=

de gewogen gevoeligheden;

RWk

=

de risicogewichten; en

sk

=

de risicofactor.

7.  

De gewogen gevoeligheden voor de verschillende risicofactoren binnen elke subklasse worden geaggregeerd volgens de onderstaande formule, waarbij de laagste waarde binnen de vierkantswortelfunctie op nul is vastgesteld, wat in de subklassespecifieke gevoeligheid resulteert. Er wordt gebruikgemaakt van de overeenkomstige correlaties voor gewogen gevoeligheden binnen dezelfde subklasse (ρkl) welke in afdeling 6 zijn beschreven.

waarbij:

Kb

=

de subklassespecifieke gevoeligheid; en

WS

=

de gewogen gevoeligheden.

8.  

Overeenkomstig de leden 5, 6 en 7 wordt voor elke subklasse binnen een risicoklasse de subklassespecifieke gevoeligheid berekend. Nadat voor alle subklassen de subklassespecifieke gevoeligheid is berekend, worden de gewogen gevoeligheden voor alle risicofactoren van alle subklassen volgens de onderstaande formule geaggregeerd, met gebruikmaking van de overeenkomstige correlaties γbc voor de gewogen gevoeligheden in de verschillende subklassen welke in afdeling 6 zijn beschreven, wat in het risicoklassespecifieke eigenvermogensvereiste voor het delta- of het vegarisico resulteert:

waarbij:

▼C9

Sb

=

Σk WSk voor alle risicofactoren van subklasse b en Sc = Σk WSk voor die van subklasse c; indien deze waarden voor Sb en voor Sc voor de totale som van een negatieve waarde opleveren, berekent de instelling de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta- of het vegarisico door middel van een alternatieve specificatie, waarbij

▼M8

Sb

=

max [min (Σk WSk, Kb), – Kb] voor alle risicofactoren van subklasse b en

Sc

=

max [min (Σk WSk, Kc), – Kc] voor alle risicofactoren van subklasse c.

Voor elke risicoklasse worden de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta- of het vegarisico berekend overeenkomstig de leden 1 tot en met 8.

▼M12

Artikel 325 octies

Eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico

1.  
Instellingen voeren de in lid 2 vastgestelde berekeningen uit voor elke risicofactor van de instrumenten waarvoor het eigenvermogensvereiste voor curvatuurrisico geldt, met uitzondering van de in lid 3 genoemde risicofactoren.

Voor een gegeven risicofactor voeren instellingen die berekeningen op nettobasis uit voor alle posities van de aan het eigenvermogensvereiste voor curvatuurrisico onderworpen instrumenten welke die risicofactor bevatten.

2.  
Voor een gegeven risicofactor k die is opgenomen in één of meer in lid 1 bedoelde instrumenten, berekenen instellingen de opwaartse nettocurvatuurrisicopositie van die risicofactor () en de neerwaartse nettocurvatuurisicopositie van die risicofactor () als volgt:

waarbij:

i

=

de index die alle in lid 1 bedoelde posities van instrumenten aangeeft en risicofactor k omvat;

xk

=

het actuele niveau van risicofactor k;

Vi (xk )

=

de waarde van instrument i zoals geraamd aan de hand van het prijsmodel van de instelling met behulp van de actuele waarde van risicofactor k;

=

de waarde van instrument i zoals geraamd aan de hand van het prijsmodel van de instelling op basis van een opwaartse verschuiving van de waarde van risicofactor k;

=

de waarde van instrument i zoals geraamd aan de hand van het prijsmodel van de instelling op basis van een neerwaartse verschuiving van de waarde van risicofactor k;

=

het overeenkomstig afdeling 6 bepaalde risicogewicht voor risicofactor k;

sik

=

de deltagevoeligheid van instrument i met betrekking tot risicofactor k die in overeenstemming met artikel 325 novodecies is berekend.

3.  
In afwijking van lid 2 voeren instellingen ten behoeve van curves van risicofactoren die behoren tot de klassen algemeen renterisico (hierna „GIRR” genoemd), creditspreadrisico (hierna „CSR” genoemd) en grondstoffenrisico, de in lid 6 vastgestelde berekeningen uit op het niveau van de volledige curve — in plaats van op het niveau van elke risicofactor die tot de curve behoort.

Ten behoeve van de in lid 2 genoemde berekening is, wanneer xk een curve van aan de risicoklassen GIRR, CSR en grondstoffenrisico toegewezen risicofactoren is, sik de som van de deltagevoeligheden voor de risicofactor van de curve voor alle tenors van de curve.

4.  
Om op subklasseniveau een eigenvermogensvereiste voor curvatuurrisico te bepalen, aggregeren instellingen, in overeenstemming met de onderstaande formule, de opwaartse en neerwaartse nettocurvatuurrisicoposities, berekend in overeenstemming met lid 2, van alle in overeenstemming met afdeling 3, onderafdeling 1, aan die subklasse toegewezen risicofactoren:

waarbij:

b

=

de index die een subklasse van een gegeven risicoklasse aangeeft;

Kb

=

het eigenvermogensvereiste voor het curvatuurrisico voor subklasse b;

pkl

=

de correlaties binnen subklassen tussen de risicofactoren k en l zoals voorgeschreven in afdeling 6;

k, l

=

de indices die alle risicofactoren aangeven van in lid 1 bedoelde instrumenten die aan subklasse b zijn toegewezen;

()

=

de opwaartse nettocurvatuurrisicopositie;

()

=

de neerwaartse nettocurvatuurrisicopositie.

5.  
In afwijking van lid 4 wordt voor de eigenvermogensvereisten voor curvatuurrisico op subklasseniveau van subklasse 18 van artikel 325 quintricies, van subklasse 18 van artikel 325 octotricies, van subklasse 25 van artikel 325 quadragies en van subklasse 11 van artikel 325 terquadragies de volgende formule gebruikt:

6.  
Instellingen berekenen de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor curvatuurrisico (RCCR) door alle eigenvermogensvereisten voor curvatuurrisico op subklasseniveau binnen een bepaalde risicoklasse als volgt te aggregeren:

waarbij:

b, c

=

de indices die alle subklassen aangeven van een bepaalde risicoklasse die overeenstemt met in lid 1 bedoelde instrumenten;

Kb

=

het eigenvermogensvereiste voor het curvatuurrisico voor subklasse b;

γbc

=

de correlaties binnen subklassen tussen de subklassen b en c zoals beschreven in afdeling 6.

7.  
Het eigenvermogensvereiste voor curvatuurrisico is de som van de eigenvermogensvereisten voor curvatuurrisico berekend in overeenstemming met lid 6 voor alle risicoklassen waartoe ten minste één risicofactor van de in lid 1 bedoelde instrumenten behoort.

▼M8

Artikel 325 nonies

Aggregatie van risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico

1.  
Instellingen aggregeren de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico volgens de in de leden 2, 3 en 4 beschreven procedure.
2.  

De in de artikelen 325 septies en 325 octies beschreven procedure voor de berekening van de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico wordt drie keer uitgevoerd per risicoklasse, waarbij telkens een verschillende reeks correlatieparameters ρkl (correlatie tussen risicofactoren binnen een subklasse) en γbc (correlatie tussen subklassen binnen een risicoklasse) wordt gehanteerd. Elk van deze drie reeksen stemt overeen met één van de volgende verschillende scenario's:

a) 

het „mediumcorrelaties”-scenario, waarbij de correlatieparameters ρkl en γbc ongewijzigd blijven ten opzichte van die welke in afdeling 6 zijn vermeld;

b) 

het „hoge correlaties”-scenario, waarbij de in afdeling 6 vermelde correlatieparameters ρkl en γbc allemaal met 1,25 worden vermenigvuldigd, waarbij voor ρkl en γbc een limiet van 100 % geldt;

▼M12

c) 

het „lage correlaties”-scenario, waarbij de in afdeling 6 vermelde correlatieparameters ρkl en γbc worden vervangen door, respectievelijk, en.

▼M8

3.  
Instellingen berekenen de som van de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico voor elk scenario teneinde drie scenariospecifieke eigenvermogensvereisten te bepalen.
4.  
Het eigenvermogensvereiste volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode is het hoogste van de drie in lid 3 bedoelde scenariospecifieke eigenvermogensvereisten.

▼M12

Artikel 325 decies

Behandeling van indexinstrumenten en andere instrumenten met meerdere onderliggende waarden

1.  

Instellingen maken gebruik van een doorkijkbenadering voor indexinstrumenten en andere instrumenten met meerdere onderliggende waarden in overeenstemming met het volgende:

a) 

voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor delta- en curvatuurrisico gaan instellingen ervan uit dat zij individuele posities rechtstreeks in de onderliggende samenstellende delen van de indexinstrumenten of andere instrumenten met meerdere onderliggende waarden houden, behalve voor een in de ACHP opgenomen positie in een index waarvoor zij één individuele gevoeligheid voor de index berekenen;

b) 

instellingen mogen de gevoeligheden voor een risicofactor van een gegeven samenstellend deel van een indexinstrument of ander instrument met meerdere onderliggende waarden verrekenen met de gevoeligheden van dezelfde risicofactor van hetzelfde samenstellende deel van single-name-instrumenten, met uitzondering van in de ACHP opgenomen posities;

c) 

voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor vegarisico kunnen instellingen ofwel ervan uitgaan dat zij individuele posities rechtstreeks in de onderliggende samenstellende delen van het indexinstrument of ander instrument met meerdere onderliggende waarden houden, dan wel één gevoeligheid voor de onderliggende waarde berekenen. In dat laatste geval wijzen instellingen die ene gevoeligheid zoals bepaald in onderafdeling 1 van afdeling 6 als volgt toe aan de desbetreffende subklasse:

i) 

wanneer, rekening houdende met de gewichten van die index, meer dan 75 % van de samenstellende delen in die index zouden worden gemapt met dezelfde subklasse, wijzen instellingen de gevoeligheid aan die subklasse toe en behandelen zij die als een single-namegevoeligheid in die subklasse;

ii) 

in alle overige gevallen wijzen instellingen de gevoeligheid aan de desbetreffende indexsubklasse toe.

2.  

In afwijking van lid 1, onder a), mogen instellingen één gevoeligheid aan een positie in een beursgenoteerde aandelen- of kredietindex berekenen ten behoeve van de berekening van de eigenvermogensvereisten voor delta- en curvatuurrisico’s, mits de beurgenoteerde aandelen- of kredietindex aan de in lid 3 uiteengezette voorwaarden voldoet. In dat geval wijzen instellingen die ene gevoeligheid zoals bepaald in onderafdeling 1 van afdeling 6 als volgt toe aan de desbetreffende subklasse:

a) 

wanneer, rekening houdende met de gewichten van die beursgenoteerde index, meer dan 75 % van de samenstellende delen in die beursgenoteerde index zouden worden gemapt met dezelfde subklasse, wijzen instellingen de gevoeligheid aan die subklasse toe en behandelen zij die als een single-namegevoeligheid in die subklasse;

b) 

in alle overige gevallen wijzen instellingen de gevoeligheid aan de desbetreffende subklasse beursgenoteerde indices toe.

3.  

Instellingen mogen voor instrumenten die betrekking hebben op een beursgenoteerde aandelen- of kredietindex, de in lid 2 beschreven benadering gebruiken wanneer elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a) 

de samenstellende delen van de beursgenoteerde index en de respectieve gewichten in die index zijn bekend;

b) 

de beursgenoteerde index bevat ten minste twintig samenstellende delen;

c) 

geen enkel samenstellend deel in de beursgenoteerde index vertegenwoordigt meer dan 25 % van de totale marktkapitalisatie van die index;

d) 

geen enkele groep die één tiende van het totale aantal samenstellende delen van de beursgenoteerde index, afgerond op het volgende gehele getal, omvat, vertegenwoordigt meer dan 60 % van de totale marktkapitalisatie van die index;

e) 

de totale marktkapitalisatie van alle samenstellende delen van de beursgenoteerde index samen bedraagt ten minste 40 miljard EUR.

4.  
Een instelling gebruikt, consequent in de tijd, alleen de in lid 1 beschreven benadering of de in lid 2 beschreven benadering voor alle instrumenten die betrekking hebben op een beursgenoteerde aandelen- of kredietindex die aan de voorwaarden van lid 2 voldoet. Een instelling vraagt de bevoegde autoriteit vooraf om toestemming voordat zij van één benadering overschakelt naar een andere.
5.  
Voor een indexinstrument of ander instrument met meerdere onderliggende waarden zijn de gevoeligheidsinputs voor de berekening van delta- en curvatuurrisico’s consistent, ongeacht de voor dat instrument gebruikte benaderingen.
6.  
Indexinstrumenten of instrumenten met meerdere onderliggende waarden die andere restrisico’s dragen als bedoeld in artikel 325 duovicies, lid 5, zijn onderworpen aan de in afdeling 4 genoemde opslag voor restrisico.

Artikel 325 undecies

Behandeling van instellingen voor collectieve belegging

▼M17

1.  

Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van een positie in een icb aan de hand van een van de volgende benaderingen:

a) 

een instelling die aan de voorwaarde van artikel 104, lid 8, punt a), voldoet, berekent de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van die positie door op maandbasis de doorkijkbenadering te hanteren voor de onderliggende posities van de icb, als waren die posities rechtstreeks door de instelling ingenomen;

b) 

een instelling die aan de voorwaarde van artikel 104, lid 8, punt b), voldoet, berekent de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van die positie aan de hand van een van deze beide benaderingen:

i) 

zij beschouwt de positie in de icb als één aandelenpositie die is ondergebracht in de subklasse „andere sector” in artikel 325 terquadragies, lid 1, tabel 8;

ii) 

zij houdt rekening met de limieten van het beleggingsbeleid van de icb en het toepasselijk recht.

Voor de in de eerste alinea, punt b), ii), van dit lid bedoelde berekening mag de instelling de eigenvermogensvereisten voor tegenpartijkredietrisico en de eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenposities van de icb berekenen aan de hand van de vereenvoudigde benadering van artikel 132 bis, lid 3.

▼M17

1 bis.  

Voor de toepassing van de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde benaderingen doet de instelling het volgende:

a) 

zij past de eigenvermogensvereisten voor wanbetalingsrisico van afdeling 5 en de opslagfactor voor restrisico van afdeling 4 op een positie in een icb toe indien het beleggingsbeleid van die icb haar toestaat om te beleggen in blootstellingen waarvoor die eigenvermogensvereisten van toepassing zijn. Indien een instelling de in lid 1, punt b), i), van dit artikel bedoelde benadering hanteert, beschouwt zij de positie in de icb als één aandelenpositie zonder rating die is ondergebracht in de subklasse „zonder rating” van artikel 325 sexvicies, lid 1, tabel 2, en

b) 

voor alle posities in dezelfde icb maakt zij gebruik van dezelfde benadering uit de in lid 1, punt b), van dit artikel beschreven benaderingen om de eigenvermogensvereisten afzonderlijk te berekenen als een afzonderlijke portefeuille.

▼M12

2.  
In afwijking van lid 1 mag een instelling, wanneer zij een positie in een icb heeft die een indexbenchmark volgt, zodat het geannualiseerde rendementsverschil tussen de icb en de gevolgde indexbenchmark over de laatste twaalf maanden minder dan 1 % in absolute termen bedraagt, ongerekend vergoedingen en commissies, die positie als een positie in de gevolgde indexbenchmark behandelen. Een instelling vergewist zich ervan dat aan die voorwaarde is voldaan, wanneer zij de positie inneemt en nadien ten minste jaarlijks.

Wanneer gegevens voor de laatste twaalf maanden echter niet volledig beschikbaar zijn, kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de instelling daarvoor toestemming verleent, een geannualiseerd rendementsverschil over een periode korter dan twaalf maanden gebruiken.

▼M17

3.  
Een instelling kan voor haar posities in icb’s een combinatie van de in lid 1, punten a) en b), bedoelde benaderingen gebruiken. Een instelling mag evenwel slechts een van die benaderingen gebruiken voor alle posities in dezelfde icb.
4.  
Voor de toepassing van lid 1, punt b), ii), van dit artikel berekent een instelling de eigenvermogensvereisten voor marktrisico door de hypothetische portefeuille van de icb te bepalen die de hoogste eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 325 quater, lid 2, punt a), zou opleveren op grond van het beleggingsbeleid van de icb of het toepasselijke recht, waarbij, in voorkomend geval, maximaal rekening wordt gehouden met de hefboomwerking.

De instelling maakt van diezelfde, in de eerste alinea bedoelde hypothetische portefeuille gebruik voor het berekenen van, in voorkomend geval, de eigenvermogensvereisten voor wanbetalingsrisico van afdeling 5 en de opslagfactor voor restrisico van afdeling 4 voor een positie in een icb.

De methodiek die de instelling ontwikkelt om de hypothetische portefeuilles te bepalen voor alle posities in icb’s waarvoor de in de eerste alinea bedoelde berekeningen worden gebruikt, moet de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van de instelling krijgen.

5.  
Een instelling mag de in lid 1 bedoelde benaderingen alleen gebruiken wanneer de icb aan alle voorwaarden van artikel 132, lid 3, voldoet. Indien de icb niet aan alle voorwaarden van artikel 132, lid 3, voldoet, wijst de instelling haar posities in die icb toe aan de niet-handelsportefeuille.
6.  

Om de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van een icb-positie volgens de in lid 1, punt a), beschreven benadering te berekenen, mogen instellingen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de derde is een van de volgende entiteiten:

i) 

de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

ii) 

voor niet onder punt i) van dit punt vallende icb’s: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de icb-beheermaatschappij aan de in artikel 132, lid 3, punt a), bepaalde criteria voldoet;

iii) 

een derde verkoper, op voorwaarde dat de gegevens, informatie of risicomaatstaven worden verstrekt of berekend door de in punt i) of ii) van dit punt bedoelde derden of door een andere, soortgelijke derde verkoper;

b) 

de derde verschaft de instelling de gegevens, informatie of risicomaatstaven om het eigenvermogensvereiste voor het marktrisico van de icb-positie volgens de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde benadering te berekenen;

c) 

een externe accountant van de instelling heeft de adequaatheid van de in punt b) van dit lid bedoelde gegevens, informatie of risicomaatstaven van de derde bevestigd en de bevoegde autoriteit van de instelling heeft, op verzoek, onbeperkte toegang tot die gegevens, informatie of risicomaatstaven.

7.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de technische elementen van de methodiek om hypothetische portefeuilles te bepalen ten behoeve van de benadering van lid 4, met inbegrip van de wijze waarop instellingen, in voorkomend geval, hefboomwerking maximaal in die methodiek in aanmerking moeten nemen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 325 duodecies

Overnemingsposities

1.  
Instellingen mogen van de in dit artikel beschreven procedure gebruikmaken ter berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van overnemingsposities in schuld- of aandeleninstrumenten.
2.  

Instellingen passen één van de in tabel 1 vermelde passende vermenigvuldigingsfactoren toe op de nettogevoeligheden van alle overnemingsposities op elke individuele uitgevende instelling, met uitzondering van de op grond van formele overeenkomsten bij externe partijen geplaatste of door externe partijen herovergenomen overnemingsposities, en berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico conform de in dit hoofdstuk beschreven benadering op basis van de aangepaste nettogevoeligheden.



Tabel 1

werkdag 0

0 %

werkdag 1

10 %

werkdagen 2 en 3

25 %

werkdag 4

50 %

werkdag 5

75 %

na werkdag 5

100 %

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „werkdag 0” de werkdag verstaan waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekende hoeveelheid effecten tegen een overeengekomen prijs.

3.  
Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de toepassing van de in dit artikel beschreven procedure.

Afdeling 3

Definities van risicofactoren en gevoeligheden

Onderafdeling 1

Definities van risicofactoren

Artikel 325 terdecies

Algemene-renterisicofactoren

1.  
Voor alle algemene-renterisicofactoren, met inbegrip van het inflatierisico en het cross-currencybasisrisico, is er één subklasse per valuta die telkens verschillende soorten risicofactoren omvat.

De op rentegevoelige instrumenten toepasselijke algemene-rentedeltarisicofactoren zijn de desbetreffende risicovrije rentes per valuta voor elk van de volgende looptijden: 0,25 jaar, 0,5 jaar, 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar, 20 jaar en 30 jaar. Instellingen wijzen risicofactoren aan de gespecificeerde punten toe door middel van lineaire interpolatie of met behulp van een methode die het meest consistent is met de prijsfuncties die door de onafhankelijke risicocontrolefunctie van de instelling worden gehanteerd om marktrisico of winsten en verliezen aan de directie te rapporteren.

2.  
Instellingen verkrijgen de risicovrije rentes per valuta van de in de handelsportefeuille van de instelling aangehouden geldmarktinstrumenten met het laagste kredietrisico, zoals overnight index swaps.
3.  
Indien instellingen de in lid 2 beschreven benadering niet kunnen toepassen, worden de risicovrije rentes gebaseerd op één of meer door de markt geïmpliceerde swapcurves die door de instelling worden gebruikt voor de waardering van posities tegen marktwaarde, zoals de swapcurves voor de interbankenrente.

Indien de gegevens over de in lid 2 en in de eerste alinea van dit lid beschreven door de markt geïmpliceerde swapcurves ontoereikend zijn, mogen de risicovrije rentes worden afgeleid van de meest geschikte overheidsobligatiecurve voor een gegeven valuta.

Indien instellingen voor overheidsschuldinstrumenten gebruikmaken van de algemene-renterisicofactoren die volgens de procedure van de tweede alinea van dit lid zijn afgeleid, is het overheidsschuldinstrument in kwestie niet van de eigenvermogensvereisten voor creditspreadrisico vrijgesteld. In de gevallen waarin de risicovrije rente niet van de creditspreadcomponent kan worden losgekoppeld, wordt de gevoeligheid voor de risicofactor zowel aan de algemene-renterisicoklasse als aan de creditspreadrisicoklasse toegewezen.

4.  
In het geval van algemene-renterisicofactoren vormt elke valuta een afzonderlijke subklasse. Instellingen wijzen aan risicofactoren binnen dezelfde subklasse maar met verschillende looptijden overeenkomstig afdeling 6 een verschillend risicogewicht toe.

Instellingen passen additionele risicofactoren voor inflatierisico toe op schuldinstrumenten waarvan de kasstromen functioneel afhankelijk zijn van inflatiepercentages. Deze additionele risicofactoren bestaan in één vector van door de markt geïmpliceerde inflatiepercentages voor de verschillende looptijden per valuta. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er inflatiepercentages zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

5.  
Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor de in lid 4 bedoelde additionele risicofactor voor inflatierisico als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Elke valuta vormt een afzonderlijke subklasse. Binnen elke subklasse behandelen instellingen inflatie als één enkele risicofactor, ongeacht het aantal componenten van elke vector. Instellingen verrekenen alle op de in dit lid beschreven wijze berekende gevoeligheden voor inflatie binnen een subklasse om één enkele nettogevoeligheid per subklasse te verkrijgen.
6.  
Aan schuldinstrumenten die betalingen in verschillende valuta's inhouden, is ook een cross-currencybasisrisico tussen die valuta's verbonden. Voor de toepassing van de op gevoeligheden gebaseerde methode zijn de door instellingen toe te passen risicofactoren het cross-currencybasisrisico van elke valuta, waarbij ofwel de US dollar, ofwel de euro als basis fungeren. Cross-currencybases waarbij noch de US dollar, noch de euro als basis fungeren, worden door de instellingen berekend met ofwel de US dollar, ofwel de euro als basis.

Elke cross-currencybasisrisicofactor bestaat uit één vector voor de cross-currencybasis voor de verschillende looptijden per valuta. Voor elk schuldinstrument omvat de vector evenveel componenten als er cross-currencybases zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Elke valuta vormt een verschillende subklasse.

Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor de cross-currencybasisrisicofactor als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Elke valuta vormt een afzonderlijke subklasse. Binnen elke subklasse zijn er twee mogelijke onderscheiden risicofactoren: de euro-basis en de US dollar-basis, ongeacht hoeveel componenten elke cross-currencybasisvector omvat. Het maximumaantal nettogevoeligheden per subklasse is gelijk aan twee.

7.  
De algemene-rentevegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor de algemene rente, zijn de impliciete volatiliteiten van de in de leden 2 en 3 beschreven desbetreffende risicovrije rentes, die naargelang de valuta aan subklassen worden toegewezen en die binnen elke subklasse naar de volgende looptijden worden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er is één subklasse per valuta.

Voor verrekeningsdoeleinden beschouwen instellingen impliciete volatiliteiten die met dezelfde risicovrije rentes verband houden en die naar dezelfde looptijden zijn gemapt, als dezelfde risicofactor.

Indien instellingen impliciete volatiliteiten naar de in dit lid genoemde looptijden mappen, zijn de volgende vereisten van toepassing:

a) 

indien de looptijd van de optie met de looptijd van de onderliggende waarde overeenstemt, wordt één enkele risicofactor in aanmerking genomen, die naar die looptijd wordt gemapt;

b) 

indien de looptijd van de optie korter is dan de looptijd van de onderliggende waarde, worden de volgende risicofactoren als volgt in aanmerking genomen:

i) 

de eerste risicofactor wordt gemapt naar de looptijd van de optie;

ii) 

de tweede risicofactor wordt gemapt naar de resterende looptijd van de onderliggende waarde van de optie op de vervaldatum van de optie.

8.  
De door instellingen toe te passen algemene-rentecurvatuurrisicofactoren bestaan in één vector van risicovrije rentes die een specifieke risicovrije rendementscurve per valuta weergeven. Elke valuta vormt een verschillende subklasse. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van risicovrije rentes zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.
9.  
Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen met verschillende rendementscurves overeenstemmende en uit een verschillend aantal componenten bestaande vectoren als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op dezelfde valuta betrekking hebben. Instellingen verrekenen gevoeligheden voor dezelfde risicofactor. Er is slechts één nettogevoeligheid per subklasse.

Er is geen eigenvermogensvereiste voor het curvatuurrisico voor inflatie- en cross-currencybasisrisico.

Artikel 325 quaterdecies

Creditspreadrisicofactoren voor niet-securitisatie

1.  
De creditspread-deltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op niet-securitisatie-instrumenten die gevoelig zijn voor de creditspread, zijn de creditspreads voor de uitgevende instellingen van die instrumenten; deze worden van de desbetreffende schuldinstrumenten en kredietverzuimswaps afgeleid en naar elk van de volgende looptijden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar. Instellingen passen één risicofactor per uitgevende instelling en per looptijd toe, ongeacht of de desbetreffende creditspreads voor de uitgevende instelling van schuldinstrumenten of van kredietverzuimswaps zijn afgeleid. De subklassen zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen, en elke subklasse omvat alle risicofactoren die aan de desbetreffende sector zijn toegewezen.
2.  
De vegarisicofactoren voor de creditspread die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die niet-securitisatie-instrumenten zijn die gevoelig zijn voor de creditspread, zijn de impliciete volatiliteiten van de overeenkomstig lid 1 afgeleide creditspreads voor de uitgevende instellingen; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er wordt van dezelfde subklassen gebruikgemaakt als bij creditspread-deltarisico voor niet-securitisatie.
3.  
De creditspreadcurvatuurrisicofactoren die instellingen op niet-securitisatie-instrumenten moeten toepassen, bestaan in één vector van creditspreads die een creditspreadcurve weergeven die specifiek is voor de uitgevende instelling. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van creditspreads zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Er wordt van dezelfde subklassen gebruikgemaakt als bij creditspread-deltarisico voor niet-securitisatie.
4.  
Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen vectoren die ofwel van desbetreffende schuldinstrumenten, ofwel van desbetreffende kredietverzuimswaps zijn afgeleid en die uit een verschillend aantal componenten bestaan, als dezelfde risicofactor, mits die vectoren op dezelfde uitgevende instelling betrekking hebben.

Artikel 325 quindecies

Creditspreadrisicofactoren voor securitisatie

1.  
Instellingen passen de in lid 3 genoemde creditspreadrisicofactoren toe op in de ACHP opgenomen securitisatieposities als bedoeld in artikel 325, leden 6, 7 en 8.

Instellingen passen de in lid 5 genoemde creditspreadrisicofactoren toe op niet in de ACHP opgenomen securitisatieposities als bedoeld in artikel 325, leden 6, 7 en 8.

2.  
Op het creditspreadrisico voor securitisaties die in de ACHP zijn opgenomen, zijn dezelfde subklassen van toepassing als de in afdeling 6 genoemde subklassen die op het creditspreadrisico voor niet-securitisaties van toepassing zijn.

Op het creditspreadrisico voor securitisaties die niet in de ACHP zijn opgenomen, zijn de specifieke subklassen voor die risicoklasse van toepassing, als bedoeld in afdeling 6.

3.  

Op de in de ACHP opgenomen securitisatieposities passen instellingen de volgende creditspreadrisicofactoren toe:

a) 

de deltarisicofactoren zijn alle desbetreffende creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie; deze worden van de desbetreffende schuldinstrumenten en kredietverzuimswaps en voor elk van de volgende looptijden afgeleid: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

b) 

de vegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met in de ACHP opgenomen securitisatieposities als onderliggende waarden, zijn de impliciete volatiliteiten van de creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie; deze worden overeenkomstig punt a) van dit lid afgeleid en naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de overeenkomstige optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

c) 

de curvatuurrisicofactoren zijn de desbetreffende rendementscurves van de creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie, uitgedrukt als een vector van de creditspreads voor verschillende looptijden, zoals afgeleid als aangegeven in punt a) van dit lid; voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van creditspreads zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

4.  
Instellingen berekenen de gevoeligheid van de securitisatiepositie voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen vectoren die ofwel van desbetreffende schuldinstrumenten, ofwel van desbetreffende kredietverzuimswaps zijn afgeleid en die uit een verschillend aantal componenten bestaan, als dezelfde risicofactor, mits die vectoren op dezelfde uitgevende instelling betrekking hebben.
5.  

De creditspreadrisicofactoren die instellingen op niet in de ACHP opgenomen securitisatieposities moeten toepassen, hebben betrekking op de spread van de tranche in plaats van op de spread van de onderliggende instrumenten en zijn de volgende:

a) 

de deltarisicofactoren zijn de creditspreads voor de desbetreffende tranche die volgens de looptijd van de tranche naar de volgende looptijden worden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar;

b) 

de vegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met niet in de ACHP opgenomen securitisatieposities als onderliggende waarden, zijn de impliciete volatiliteiten van de creditspreads van de tranches; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de overeenkomstige optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar;

c) 

de curvatuurrisicofactoren zijn die welke in punt a) van deze alinea worden beschreven; voor al deze risicofactoren wordt een gemeenschappelijk risicogewicht toegepast, als bedoeld in afdeling 6.

Artikel 325 sexdecies

Aandelenrisicofactoren

1.  
De subklassen voor alle aandelenrisicofactoren zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen.
2.  
De door instellingen toe te passen aandelendeltarisicofactoren zijn alle contante aandelenkoersen en alle aandelenrepo's.

Voor de doeleinden van het aandelenrisico vormt een specifieke aandelenrepocurve één enkele risicofactor, die wordt uitgedrukt als een vector van repotarieven voor verschillende looptijden. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van repotarieven zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

Instellingen berekenen de gevoeligheid van een instrument voor een aandelenrisicofactor als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Instellingen verrekenen gevoeligheden voor de repotariefrisicofactor van hetzelfde aandeel, ongeacht het aantal componenten van elke vector.

3.  
De aandelenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor aandelen, zijn de impliciete volatiliteiten van de contante aandelenkoersen; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het vegarisico voor aandelenrepotarieven.
4.  
De aandelencurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor aandelen, zijn alle contante aandelenkoersen, ongeacht de looptijd van de overeenkomstige opties. Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico voor aandelenrepotarieven.

Artikel 325 septdecies

Grondstoffenrisicofactoren

1.  
De subklassen voor alle grondstoffenrisicofactoren zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen.
2.  
De grondstoffendeltarisicofactoren die instellingen op voor grondstoffen gevoelige instrumenten moeten toepassen, zijn alle contante grondstoffenprijzen per soort grondstof en per navolgende looptijden: 0,25 jaar, 0,5 jaar, 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar, 20 jaar en 30 jaar. Instellingen nemen slechts twee grondstoffenprijzen van dezelfde soort grondstof en met dezelfde looptijd in aanmerking om dezelfde risicofactor te vormen ingeval de reeks wettelijke voorwaarden betreffende de leveringsplaats identiek zijn.
3.  
De grondstoffenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor grondstoffen, zijn de impliciete volatiliteiten van de grondstoffenprijzen per soort grondstof; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Instellingen beschouwen gevoeligheden voor dezelfde soort grondstof die aan dezelfde looptijd zijn toegewezen, als één enkele risicofactor, die instellingen vervolgens verrekenen.
4.  
De grondstoffencurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor grondstoffen, zijn één reeks grondstoffenprijzen met verschillende looptijden per soort grondstof, uitgedrukt als een vector. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er prijzen van die grondstoffen zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Instellingen maken geen verschil tussen grondstoffenprijzen naargelang de leveringsplaats.

De gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt, wordt berekend overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen uit een verschillend aantal componenten bestaande vectoren als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op dezelfde soort grondstof betrekking hebben.

Artikel 325 octodecies

Wisselkoersrisicofactoren

▼M12

1.  
De wisselkoersdeltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten die voor wisselkoersen gevoelig zijn, zijn alle contante wisselkoersen tussen de valuta waarin een instrument luidt, en de rapportagevaluta van de instelling of de basisvaluta van de instelling wanneer de instelling, in overeenstemming met lid 7, een basisvaluta gebruikt. Er is één subklasse per valutapaar; deze subklasse bevat één enkele risicofactor en één enkele nettogevoeligheid.

▼M17

2.  
De wisselkoersvegarisicofactoren die de instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor wisselkoersen, zijn de impliciete volatiliteiten van wisselkoersen tussen valutaparen. Die impliciete volatiliteiten worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5  jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

▼M12

3.  
De wisselkoerscurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die voor wisselkoersen gevoelig zijn, zijn de in lid 1 bedoelde wisselkoersdeltarisicofactoren.

▼M8

4.  
Voor alle wisselkoersdelta-, wisselkoersvega- en wisselkoerscurvatuurrisicofactoren zijn instellingen niet verplicht onderscheid te maken tussen onshore- en offshorevarianten van een valuta.

▼M12

5.  
Wanneer een wisselkoers van een instrument i waarvoor eigenvermogensvereisten voor curvatuurrisico gelden, niet verwijst naar de rapportagevaluta van de instelling noch naar de basisvaluta van de instelling, mag de instelling de in artikel 325 octies, lid 2, beschreven overeenkomstige componenten en waarvoor xk de wisselkoersrisicofactor is tussen een van de beide wisselkoersen van de onderliggende waarde en, naargelang van het geval, de rapportagevaluta of basisvaluta van de instelling, delen door 1,5.
6.  
Een instelling kan, op voorwaarde dat haar bevoegde autoriteit daarvoor toestemming verleent, de in artikel 325 octies, lid 2, beschreven componenten en consequent voor alle wisselkoersrisicofactoren van valuta-instrumenten waarvoor eigenvermogensvereisten voor curvatuurrisico gelden en die aan het eigenvermogensrisico voor curvatuurrisico onderworpen zijn, delen door 1,5, op voorwaarde dat wisselkoersrisicofactoren op basis van, al naargelang, de rapportagevaluta van de instelling of de basisvaluta van de instelling die in de berekening van die componenten zijn opgenomen, terzelfder tijd worden geschokt.
7.  

In afwijking van de leden 1 en 3 mag een instelling, op voorwaarde dat haar bevoegde autoriteit daarvoor toestemming geeft, voor alle contante wisselkoersen haar rapportagevaluta vervangen door een andere valuta (hierna „basisvaluta” genoemd) om de delta- en curvatuurrisico’s van wisselkoersrisicofactoren uit te drukken, wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de instelling gebruikt slechts één basisvaluta;

b) 

de instelling past de basisvaluta consistent toe op al haar handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities;

c) 

de instelling heeft ten genoegen van haar bevoegde autoriteit aangetoond dat:

i) 

het gebruik van de gekozen basisvaluta een passende risicopresentatie is voor de posities van de instelling die aan wisselkoersrisico’s onderhevig zijn;

ii) 

de keuze van de basisvaluta verenigbaar is met de wijze waarop de instelling die wisselkoersrisico’s intern beheert;

iii) 

de keuze van de basisvaluta niet in eerste instantie is ingegeven door de wens om de eigenvermogensvereisten van de instelling terug te brengen;

d) 

de instelling houdt rekening met het translatierisico tussen de rapportagevaluta en de basisvaluta.

Een instelling die toestemming heeft gekregen om, zoals in de eerste alinea uiteengezet, een basisvaluta te gebruiken, zet de daaruit resulterende eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico in de rapportagevaluta om tegen de geldende contante wisselkoers tussen de basisvaluta en de rapportagevaluta.

▼M8

Onderafdeling 2

Definities van gevoeligheden

Artikel 325 novodecies

Deltarisicogevoeligheden

1.  

Instellingen berekenen de algemene-rentedeltarisicogevoeligheden als volgt:

a) 

de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit risicovrije rentes worden als volgt berekend:

waarbij:

=

de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit risicovrije rentes;

rkt

=

de rente van een risicovrije curve k met looptijd t;

Vi (.)

=

de prijsfunctie van instrument i; en

x, y

=

andere risicofactoren dan rkt in de prijsfunctie Vi;

b) 

de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit het inflatierisico en de cross-currencybasis worden als volgt berekend:

waarbij:

=

de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit het inflatierisico en de cross-currencybasis;

=

een vector van m componenten die de impliciete inflatiecurve of de cross-currencybasiscurve voor een gegeven valuta j weergeven, waarbij m gelijk is aan het aantal met inflatie of cross-currencybasis samenhangende variabelen dat in het prijsmodel van instrument i wordt gebruikt;

=

de eenheidsmatrix van dimensie (1 x m);

Vi (.)

=

de prijsfunctie van het instrument i; en

y, z

=

andere variabelen in het prijsmodel.

2.  

Instellingen berekenen de creditspread-deltarisicogevoeligheden voor alle securitisatie- en niet-securitisatieposities als volgt:

waarbij:

=

de creditspread-deltarisicogevoeligheden voor alle securitisatie- en niet-securitisatieposities;

cskt

=

de waarde van de creditspread van een uitgevende instelling j voor looptijd t;

Vi (.)

=

de prijsfunctie van instrument i; en

x, y

=

andere risicofactoren dan cskt in de prijsfunctie Vi.

3.  

Instellingen berekenen de aandelendeltarisicogevoeligheden als volgt:

a) 

de gevoeligheden voor de risicofactoren bestaande uit contante aandelenkoersen worden als volgt berekend:

waarbij:

sk

=

de gevoeligheden voor de risicofactoren bestaande uit contante aandelenkoersen;

k

=

een specifiek aandeel;

EQk

=

de waarde van de contante koers van dat aandeel;

Vi (.)

=

de prijsfunctie van instrument i; en

x, y

=

andere risicofactoren dan EQk in de prijsfunctie Vi;

b) 

de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit aandelenrepotarieven worden als volgt berekend:

waarbij:

=

de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit aandelenrepotarieven;

k

=

de index die het aandeel aangeeft;

=

een vector van m componenten die de looptijdstructuur van de repo voor een specifiek aandeel k weergeven, waarbij m gelijk is aan het met verschillende looptijden overeenstemmende aantal repotarieven dat in het prijsmodel van instrument i wordt gebruikt;

=

de eenheidsmatrix van dimensie (1 · m);

Vi (.)

=

de prijsfunctie van het instrument i; en

y, z

=

andere risicofactoren dan
in de prijsfunctie Vi.

4.  

Instellingen berekenen de grondstoffendeltarisicogevoeligheden voor elke risicofactor k als volgt:

waarbij:

sk

=

de grondstoffendeltarisicogevoeligheden;

k

=

een gegeven grondstoffenrisicofactor;

CTYk

=

de waarde van risicofactor k;

▼C9

Vi (.)

=

de prijsfunctie van instrument i, en

▼M8

y, z

=

andere risicofactoren dan CTYk in het prijsmodel van instrument i.

5.  

Instellingen berekenen de wisselkoersdeltarisicogevoeligheden voor elke wisselkoersrisicofactor k als volgt:

waarbij:

sk

=

de wisselkoersdeltarisicogevoeligheden;

k

=

een gegeven wisselkoersrisicofactor;

FXk

=

de waarde van de risicofactor;

▼C9

Vi (.)

=

de prijsfunctie van instrument i, en

▼M8

y, z

=

andere risicofactoren dan FXk in het prijsmodel van instrument i.

Artikel 325 vicies

Vegarisicogevoeligheden

1.  

Instellingen berekenen de vegarisicogevoeligheid van een optie voor een gegeven risicofactor k als volgt:

waarbij:

sk

=

de vegarisicogevoeligheid van een optie;

k

=

een specifieke vegarisicofactor, bestaande uit een impliciete volatiliteit;

volk

=

de waarde van die risicofactor, die als een percentage moet worden uitgedrukt; en

x, y

=

andere risicofactoren dan volk in de prijsfunctie Vi.

2.  
Bij risicoklassen waarbij vegarisicofactoren een looptijddimensie hebben, maar waarbij de regels voor de mapping van de risicofactoren niet toepasselijk zijn omdat de opties geen looptijd hebben, mappen instellingen deze risicofactoren naar de langste voorgeschreven looptijd. Deze opties zijn onderworpen aan de opslagfactor voor restrisico.
3.  
Bij opties die geen strike of barrier hebben en opties die meerdere strikes of barriers hebben, passen instellingen de mapping toe op de strikes en de looptijd die intern door de instelling worden gebruikt om de prijs van de optie te bepalen. Deze opties zijn ook onderworpen aan de opslagfactor voor restrisico.
4.  
Instellingen berekenen het vegarisico niet voor bedoelde securitisatietranches die in de ACHP zijn opgenomen, als bedoeld in artikel 325, leden 6, 7 en 8, en die geen impliciete volatiliteit hebben. Voor dergelijke securitisatietranches worden eigenvermogensvereisten voor het delta- en het curvatuurrisico berekend.

Artikel 325 unvicies

Vereisten voor gevoeligheidsberekeningen

1.  
Instellingen leiden met behulp van de in deze onderafdeling beschreven formules gevoeligheden af van de prijsmodellen van de instelling die als basis dienen om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren.

▼M17

In afwijking van de eerste alinea van dit lid kunnen de bevoegde autoriteiten verlangen dat een instelling waaraan toestemming is verleend om gebruik te maken van de in hoofdstuk 1 ter beschreven alternatieve internemodellenbenadering, bij de berekening van gevoeligheden krachtens dit hoofdstuk gebruik maakt van de prijsfuncties van het risicometingssysteem van hun internemodellenbenadering voor de in artikel 325, lid 3, vermelde berekenings- en rapportagevereisten.

▼M8

2.  
Bij de berekening van de deltarisicogevoeligheden van instrumenten met optionaliteit of instrumenten als bedoeld in artikel 325 sexies, lid 2, punt a), kunnen de instellingen aannemen dat de met de impliciete volatiliteit verband houdende risicofactoren constant blijven.
3.  

Bij de berekening van de vegarisicogevoeligheden van instrumenten met optionaliteit of instrumenten als bedoeld in artikel 325 sexies, lid 2, punt b), gelden de volgende vereisten:

a) 

voor het algemene-renterisico en het creditspreadrisico nemen de instellingen voor elke valuta aan dat de onderliggende waarde van de met de volatiliteit verband houdende risicofactoren waarvoor het vegarisico wordt berekend ofwel een lognormale, ofwel een normale verdeling volgt in de prijsmodellen die voor die instrumenten worden gebruikt;

b) 

voor het aandelenrisico, het grondstoffenrisico en het valutarisico nemen de instellingen aan dat de onderliggende waarde van de met de volatiliteit verband houdende risicofactoren waarvoor het vegarisico wordt berekend, een lognormale verdeling volgt in de prijsmodellen die voor die instrumenten worden gebruikt.

4.  
Instellingen berekenen alle gevoeligheden, met uitzondering van de gevoeligheden voor aanpassingen van de kredietwaarderingen.
5.  

In afwijking van lid 1 kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor een positie in de handelsportefeuille krachtens dit hoofdstuk gebruik maken van alternatieve definities van deltarisicogevoeligheden, mits de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

▼M17

a) 

deze alternatieve definities worden door een onafhankelijke afdeling risicobeheersing binnen de instelling gebruikt voor doeleinden van intern risicobeheer of om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren;

▼M8

b) 

de instelling toont aan dat deze alternatieve definities beter geschikt zijn om de gevoeligheden voor de positie te vatten dan de in deze onderafdeling beschreven formules en dat de daaruit resulterende gevoeligheden niet wezenlijk verschillen van die van de formules.

6.  

In afwijking van lid 1 kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor een positie in de handelsportefeuille krachtens dit hoofdstuk de vegarisicogevoeligheden berekenen op basis van een lineaire transformatie van alternatieve definities van gevoeligheden, mits de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

▼M17

a) 

deze alternatieve definities worden door een onafhankelijke afdeling risicobeheersing binnen de instelling gebruikt voor doeleinden van intern risicobeheer of om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren;

b) 

de instelling toont aan dat deze alternatieve definities beter geschikt zijn om de gevoeligheden voor de positie te vatten dan de in deze onderafdeling beschreven formules, dat de in de eerste alinea bedoelde lineaire transformatie een vegarisicogevoeligheid weergeeft en dat de daaruit resulterende gevoeligheden niet wezenlijk verschillen van die welke deze formules toepassen.

▼M8

Afdeling 4

Opslagfactor voor restrisico

Artikel 325 duovicies

Eigenvermogensvereisten voor restrisico

1.  
Naast de in afdeling 2 beschreven eigenvermogensvereisten voor marktrisico passen instellingen additionele eigenvermogensvereisten toe op instrumenten die overeenkomstig dit artikel aan restrisico's zijn blootgesteld.
2.  

Instrumenten worden geacht aan restrisico te zijn blootgesteld als zij aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

het instrument heeft betrekking op een exotische onderliggende waarde waaronder voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan een handelsportefeuille-instrument dat betrekking heeft op een onderliggende waarde met een onderliggende blootstelling die noch onder de werkingssfeer van delta-, vega- of curvatuurrisicoblootstellingen in het kader van de in afdeling 2 beschreven op gevoeligheden gebaseerde methode, noch onder de in afdeling 5 beschreven eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico valt;

b) 

het instrument is een aan andere restrisico's onderhevig instrument, waaronder voor de toepassing van dit hoofdstuk een van de navolgende instrumenten wordt verstaan:

i) 

instrumenten die onderworpen zijn aan de eigenvermogensvereisten voor het vega- en het curvatuurrisico in het kader van de in afdeling 2 beschreven op gevoeligheden gebaseerde methode en die uitbetalingen genereren die niet als een eindige lineaire combinatie van gewone opties kunnen worden gereproduceerd met één onderliggende aandelenkoers, grondstoffenprijs, wisselkoers, obligatiekoers, kredietverzuimswapprijs of renteswap;

ii) 

instrumenten die in de ACHP opgenomen posities zijn als bedoeld in artikel 325, lid 6. Afdekkingen die in genoemde ACHP zijn opgenomen, als bedoeld in artikel 325, lid 7 ter, worden niet in aanmerking genomen.

3.  

Instellingen berekenen de in lid 1 bedoelde additionele eigenvermogensvereisten als de som van de notionele brutobedragen van de in lid 2 bedoelde instrumenten, vermenigvuldigd met de volgende risicogewichten:

a) 

1,0 % in het geval van de in lid 2, punt a), bedoelde instrumenten;

b) 

0,1 % in het geval van de in lid 2, punt b), bedoelde instrumenten.

4.  

In afwijking van lid 1 passen instellingen het eigenvermogensvereiste voor restrisico niet toe op een instrument dat aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

het instrument is aan een erkende beurs genoteerd;

b) 

het instrument komt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 voor centrale clearing in aanmerking;

c) 

het instrument compenseert perfect het marktrisico van een andere handelsportefeuillepositie, in welk geval beide perfect overeenstemmende handelsportefeuilleposities van het eigenvermogensvereiste voor restrisico zijn vrijgesteld.

▼M17

4 bis.  
In afwijking van lid 1 past een instelling tot en met 31 december 2032 het eigenvermogensvereiste voor restrisico’s niet toe op instrumenten die uitsluitend tot doel hebben het marktrisico af te dekken van posities in de handelsportefeuille die een eigenvermogensvereiste voor restrisico’s genereren en die aan hetzelfde soort restrisico’s zijn onderworpen als de posities die zij afdekken.

De bevoegde autoriteit verleent toestemming om de in de eerste alinea bedoelde behandeling toe te passen indien de instelling op doorlopende basis ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan aantonen dat de instrumenten voldoen aan de criteria om als afdekkingsposities te worden behandeld.

De instelling rapporteert aan de bevoegde autoriteit het resultaat van de berekening van de eigenvermogensvereisten voor de restrisico’s voor alle instrumenten waarvoor de in de eerste alinea bedoelde afwijking wordt toegepast.

▼M8

5.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van wat voor de toepassing van lid 2 onder een exotische onderliggende waarde moet worden verstaan en welke andere instrumenten aan restrisico's onderhevig zijn.

Bij het ontwikkelen van deze ontwerpen van technische reguleringsnormen gaat de EBA ten minste na of het langlevenrisico, weer, natuurrampen en toekomstige gerealiseerde volatiliteit als exotische onderliggende waarden moeten worden beschouwd.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria die de instellingen moeten gebruiken om te bepalen welke posities in aanmerking komen voor de in lid 4 bis bedoelde afwijking. Die criteria omvatten ten minste de aard van de in dat lid bedoelde instrumenten, de nettowinst en het nettoverlies van de gecombineerde posities, de gevoeligheden van de gecombineerde posities en de risico’s die in de gecombineerde posities niet-afgedekt blijven, met name rekening houdend met de mogelijkheid dat de oorspronkelijke positie met een gedeeltelijk bedrag kan worden afgedekt.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 30 juni 2024 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  
Uiterlijk op 31 december 2029 legt de EBA aan de Commissie een verslag voor over het effect van de toepassing van de in lid 4 bis bedoelde behandeling. Op basis van de bevindingen in dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel om de in dat lid bedoelde behandeling te verlengen in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼M8

Afdeling 5

Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico

Artikel 325 tervicies

Definities en algemene bepalingen

1.  

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

„shortblootstelling” : blootstelling waarbij de wanbetaling van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen in een winst voor de instelling resulteert, ongeacht het type instrument of transactie dat tot het ontstaan van de blootstelling aanleiding geeft;

b)

„longblootstelling” : blootstelling waarbij de wanbetaling van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen in een verlies voor de instelling resulteert, ongeacht het type instrument of transactie dat tot het ontstaan van de blootstelling aanleiding geeft;

c)

bruto „jump to default”-bedrag (bruto JTD-bedrag) : de geraamde omvang van de op een bepaalde blootstelling behaalde winst of het op een bepaalde blootstelling geleden verlies waartoe de wanbetaling van de debiteur aanleiding zou geven;

d)

netto „jump to default”-bedrag (netto JTD-bedrag) : de geraamde omvang van de winst of het verlies waartoe de wanbetaling van de debiteur voor een bepaalde instelling aanleiding zou geven nadat de bruto JTD-bedragen met elkaar zijn verrekend;

e)

„loss given default” of LGD : het verlies bij wanbetaling van de debiteur op een door deze debiteur uitgegeven instrument, uitgedrukt als percentage van het notionele bedrag van het instrument;

f)

wanbetalingsrisicogewicht : het percentage dat de geraamde kans op wanbetaling van elke debiteur volgens de kredietwaardigheid van die debiteur weergeeft.

2.  
De eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico zijn van toepassing op schuld- en aandeleninstrumenten, op derivaten die deze instrumenten als onderliggende waarde hebben, en op derivaten waarvan de uitbetalingen of reële waarde worden beïnvloed door het in gebreke blijven van een andere debiteur dan de tegenpartij van het derivaat zelf. Instellingen gaan voor elk van de volgende typen instrumenten over tot de afzonderlijke berekening van eigenvermogensvereisten voor wanbetalingsrisico: niet-securitisaties, niet in de ACHP opgenomen securitisaties en in de ACHP opgenomen securitisaties. De uiteindelijke eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico die moeten worden toegepast door een instelling zijn de som van die drie componenten.

▼M17

3.  
Bij verhandelde krediet- en aandelenderivaten die niet-securitisatie-instrumenten zijn, worden de JTD-bedragen per individueel bestanddeel bepaald door een doorkijkbenadering toe te passen.

▼M8

Onderafdeling 1

Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor non-securitisaties

Artikel 325 quatervicies

Bruto „jump to default”-bedragen

1.  

Instellingen berekenen de bruto JTD-bedragen voor elke lange blootstelling in de vorm van schuldinstrumenten als volgt:

JTDlong = max {LGD Vnotional + P&Llong + Adjustmentlong; 0}
waarbij:

JTDlong

=

het bruto JTD-bedrag voor de lange blootstelling;

▼C9

Vnotional

=

het notionele bedrag van het instrument waaruit de blootstelling voortvloeit;

P&Llong

=

een term die corrigeert voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de lange blootstelling aanleiding heeft gegeven; winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken; en

Adjustmentlong

=

indien het instrument waaruit de blootstelling voortvloeit een derivaat is, het bedrag waarmee het verlies van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument; verhogingen worden met een positief teken in de formule opgenomen en verlagingen met een negatief teken.

▼M8

2.  

Instellingen berekenen de bruto JTD-bedragen voor elke korte blootstelling in de vorm van schuldinstrumenten als volgt:

JTDshort = min {LGD Vnotional + P&Lshort + Adjustmentshort; 0}
waarbij:

JTDshort

=

het bruto JTD-bedrag voor de korte blootstelling;

▼C9

Vnotional

=

het notionele bedrag van het instrument waaruit de blootstelling voortvloeit wordt met een negatief teken in de formule opgenomen;

P&Lshort

=

een term die corrigeert voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de korte blootstelling aanleiding heeft gegeven; winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken; en

Adjustmentshort

=

indien het instrument waaruit de blootstelling voortvloeit een derivaat is, het bedrag waarmee de winst van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument; verlagingen worden met een positief teken in de formule opgenomen en verhogingen met een negatief teken.

▼M8

3.  

Voor de in de leden 1 en 2 beschreven berekening wordt de door instellingen toe te passen LGD voor schuldinstrumenten als volgt bepaald:

a) 

aan blootstellingen in de vorm van achtergestelde schuldinstrumenten wordt een LGD van 100 % toegekend;

b) 

aan blootstellingen in de vorm van niet-achtergestelde schuldinstrumenten wordt een LGD van 75 % toegekend;

c) 

aan blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties zoals bedoeld in artikel 129 wordt een LGD van 25 % toegekend.

▼C9

4.  

Voor de in de leden 1 en 2 beschreven berekeningen worden de notionele bedragen als volgt bepaald:

a) 

het notionele bedrag van een obligatie is de nominale waarde van de obligatie;

b) 

in het geval van een verkochte putoptie op een obligatie, is het notionele bedrag het notionele bedrag van de optie; in het geval van een gekochte calloptie op een obligatie, is het notionele bedrag gelijk aan 0.

5.  

Voor blootstellingen in de vorm van aandeleninstrumenten berekenen instellingen de bruto JTD-bedragen als volgt:

JTDlong = max {LGD · Vnotional + P&Llong + Adjustmentlong; 0}

JTDshort = min {LGD · Vnotional + P&Lshort + Adjustmentshort; 0}

waarbij:

JTDlong

=

het bruto JTD-bedrag voor de lange blootstelling;

Vnotional

=

het notionele bedrag van het instrument waaruit de blootstelling voortvloeit; het notionele bedrag is de reële waarde van het aandeel voor aandeleninstrumenten in contanten; voor de JTDshort-formule wordt het notionele bedrag van het instrument met een negatief teken in de formule opgenomen;

P&Llong

=

een term die corrigeert voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de lange blootstelling aanleiding heeft gegeven; winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken;

Adjustmentlong

=

het bedrag waarmee het verlies van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument; verhogingen worden met een positief teken in de formule opgenomen en verlagingen met een negatief teken;

JTDshort

=

het bruto JTD-bedrag voor de korte blootstelling;

P&Lshort

=

een term die corrigeert voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de korte blootstelling aanleiding heeft gegeven; winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken, en

Adjustmentshort

=

het bedrag waarmee de winst van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument; verlagingen worden met een positief teken in de formule opgenomen en verhogingen met een negatief teken.

▼M8

6.  
Voor de in lid 5 beschreven berekening kennen instellingen aan aandeleninstrumenten een LGD van 100 % toe.
7.  
Bij blootstellingen aan wanbetalingsrisico die voortvloeien uit derivaten waarvan de uitbetalingen in geval van wanbetaling van de debiteur geen verband houden met het notionele bedrag van een specifiek instrument dat door deze debiteur is uitgegeven, dan wel met het LGD van de debiteur of van een door deze debiteur uitgegeven instrument, passen instellingen alternatieve methoden toe voor de raming van de bruto JTD-bedragen.
8.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

▼C9

a) 

de manier waarop instellingen de componenten P&Llong, P&Lshort, Adjustmentlong en Adjustmentshort moeten bepalen bij het berekenen van de JTD-bedragen voor verschillende typen instrumenten overeenkomstig dit artikel;

▼M8

b) 

de alternatieve methoden die instellingen moeten hanteren voor de in lid 7 bedoelde raming van bruto JTD-bedragen;

c) 

de notionele bedragen van andere instrumenten dan de in lid 4, punten a) en b) genoemde.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 quinvicies

Netto „jump to default”-bedragen

1.  
Instellingen berekenen de netto JTD-bedragen door de bruto JTD-bedragen van korte en lange blootstellingen met elkaar te verrekenen. Verrekening is alleen mogelijk tussen blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur, waarbij de korte blootstellingen dezelfde rang hebben als of een lagere rang hebben dan de lange blootstellingen.
2.  

De verrekening is, afhankelijk van de looptijden van de te verrekenen blootstellingen, ofwel volledig ofwel gedeeltelijk:

a) 

de verrekening is volledig indien alle te verrekenen blootstellingen een looptijd van één jaar of meer hebben;

b) 

de verrekening is gedeeltelijk indien ten minste één van de te verrekenen blootstellingen een looptijd van minder dan één jaar heeft; in dat geval wordt de omvang van het JTD-bedrag van elke blootstelling met een looptijd van minder dan één jaar vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal tussen de looptijd van de blootstelling en één jaar.

3.  
Ingeval geen verrekening mogelijk is, zijn bij blootstellingen met looptijden van ten minste een jaar de bruto JTD-bedragen gelijk aan de netto JTD-bedragen. Voor de berekening van de netto JTD-bedragen worden de bruto JTD-bedragen met looptijden van minder dan een jaar vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal tussen de looptijd van de blootstelling en één jaar, met dien verstande dat een minimumlooptijd van drie maanden geldt.
4.  
Voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden de looptijden van de derivatencontracten in aanmerking genomen, en niet die van de onderliggende waarden ervan. Aan blootstellingen met betrekking tot contante aandelenkoersen wordt een looptijd van ofwel een jaar, ofwel drie maanden toegewezen, naar eigen inzicht van de instelling.

▼M17

5.  
Indien volgens de contractuele of juridische voorwaarden van een derivatenpositie met een schuld- of eigenvermogensinstrument in contanten als onderliggende waarde, en afgedekt met dat schuld- of eigenvermogensinstrument in contanten, een instelling beide gedeelten van die positie mag afwikkelen op het tijdstip van het verstrijken van de eerste looptijd van de beide gedeelten zonder blootstelling aan het wanbetalingsrisico van de onderliggende waarde, wordt het netto „jump-to-default”-bedrag van de gecombineerde positie op nul gesteld.

▼M8

Artikel 325 sexvicies

Berekening van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico

1.  

Netto JTD-bedragen, ongeacht het type tegenpartij, worden vermenigvuldigd met de wanbetalingsrisicogewichten die overeenstemmen met de kredietkwaliteit ervan, zoals vermeld in tabel 2:



Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie

Wanbetalingsrisicogewicht

Kredietkwaliteitscategorie 1

0,5 %

Kredietkwaliteitscategorie 2

3 %

Kredietkwaliteitscategorie 3

6 %

Kredietkwaliteitscategorie 4

15 %

Kredietkwaliteitscategorie 5

30 %

Kredietkwaliteitscategorie 6

50 %

Zonder rating

15 %

Bij wanbetaling

100 %

2.  
Aan blootstellingen waaraan volgens de in titel II, hoofdstuk 2, beschreven standaardbenadering voor kredietrisico een risicogewicht van 0 % zou worden toegekend, wordt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico een wanbetalingsrisicogewicht van 0 % toegekend.
3.  
De gewogen netto JTD-bedragen worden aan de volgende subklassen toegewezen: ondernemingen, staten en lokale overheden/gemeenten.
4.  

De gewogen netto JTD-bedragen worden binnen elke subklasse geaggregeerd volgens de onderstaande formule:

DRCb = max {(Σi ∈ long RWi · net JTDi) – WtS · (Σi ∈ short RWi |net JTDi|); 0}
waarbij:

DRCb

=

het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b;

i

=

de index die een instrument aangeeft dat tot subklasse b behoort;

RWi

=

het risicogewicht; en

WtS

=

een ratio die een voordeel voor afdekkingsrelaties binnen een subklasse weergeeft en die als volgt wordt berekend:

Voor de berekening van het DRCb en de WtS worden de lange en de korte posities voor alle posities binnen een subklasse geaggregeerd, ongeacht de kredietkwaliteitscategorie waaraan deze posities zijn toegewezen, om tot de subklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico te komen.

5.  
Het uiteindelijke eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties wordt berekend als de eenvoudige som van de eigenvermogensvereisten op het niveau van de subklassen.

▼M17

6.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt aan een blootstelling de kredietkwaliteitscategorie toegewezen die overeenstemt met de kredietkwaliteitscategorie die daaraan uit hoofde van de standaardbenadering voor kredietrisico van titel II, hoofdstuk 2, zou zijn toegewezen.

▼M8

Onderafdeling 2

Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties

Artikel 325 septvicies

„Jump to default”-bedragen

1.  
De bruto JTD-bedragen voor securitisatieblootstellingen zijn de marktwaarden van die blootstellingen, of, indien hun marktwaarde niet beschikbaar is, hun reële waarden, bepaald volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.
2.  
De netto JTD-bedragen worden bepaald door de bruto JTD-bedragen voor lange blootstellingen en de bruto JTD-bedragen voor korte blootstellingen te verrekenen. Verrekening is alleen mogelijk tussen securitisatieblootstellingen die dezelfde pool van onderliggende activa hebben en die tot dezelfde tranche behoren. Verrekening tussen securitisatieblootstellingen met verschillende pools van onderliggende activa is niet toegestaan, zelfs niet bij identieke attachment en detachment points.
3.  
Indien door het splitsen of combineren van bestaande securitisatieposities andere bestaande securitisatieposities perfect kunnen worden gereproduceerd, op de looptijddimensie na, mag voor de verrekening gebruik worden gemaakt van de uit de splitsing of combinatie resulterende blootstellingen in plaats van de bestaande securitisatieblootstellingen.
4.  
Indien door het splitsen of combineren van bestaande securitisatieposities in onderliggende namen de gehele tranchestructuur van een bestaande securitisatieblootstelling perfect kan worden gereproduceerd, mag voor de verrekening gebruik worden gemaakt van de uit die splitsing of combinatie resulterende blootstellingen in plaats van de bestaande securitisatieblootstellingen. Ingeval op deze wijze van onderliggende namen wordt gebruikgemaakt, worden deze niet meer in aanmerking genomen bij de behandeling van het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties.
5.  
Artikel 325 quatervicies is van toepassing op zowel bestaande securitisatieblootstellingen als overeenkomstig lid 3 of 4 van dit artikel gebruikte securitisatieblootstellingen. De desbetreffende looptijden zijn die van de securitisatietranches.

Artikel 325 octovicies

Berekening van het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor securitisaties

1.  
De netto JTD-bedragen van securitisatieblootstellingen worden vermenigvuldigd met 8 % van het risicogewicht dat op de desbetreffende securitisatieblootstelling, met inbegrip van STS-securitisaties, in de niet-handelsportefeuille van toepassing is, overeenkomstig de in titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, beschreven rangorde van benaderingen en ongeacht het type tegenpartij.
2.  
Ingeval de risicogewichten volgens de SEC-IRBA en de SEC-ERBA worden berekend, wordt op alle tranches een looptijd van één jaar toegepast.
3.  
De risicogewogen JTD-bedragen voor individuele contante securitisatieblootstellingen worden begrensd op de reële waarde van de positie.
4.  

De risicogewogen netto JTD-bedragen worden aan de volgende subklassen toegewezen:

a) 

één gemeenschappelijke subklasse voor alle ondernemingen, ongeacht de regio;

b) 

44 verschillende subklassen die overeenstemmen met één subklasse per regio voor elk van de elf in de tweede alinea gedefinieerde activaklassen.

Voor de toepassing van de eerste alinea zijn de elf activaklassen ABCP, autoleningen/leases, effecten gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed (RMBS), kredietkaarten, effecten gedekt door hypotheken op zakelijk onroerend goed (CMBS), Collateralised Loan Obligations, collateralised debt obligation squared (CDO-squared), kleine en middelgrote ondernemingen, studentenleningen, overige retail en overige wholesale. De vier regio's zijn Azië, Europa, Noord-Amerika en de rest van de wereld.

5.  
Om een securitisatiepositie aan een subklasse toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie. Instellingen wijzen elke securitisatieblootstelling aan slechts één van de in lid 4 genoemde subklassen toe. Elke securitisatieblootstelling die een instelling niet aan een subklasse voor een activaklasse of regio kan toewijzen, wordt aan respectievelijk de subklassen „overige retail”, „overige wholesale” of „rest van de wereld” toegewezen.
6.  
Gewogen netto JTD-bedragen worden op dezelfde wijze als bij het wanbetalingsrisico van niet-securitisatieposities binnen elke subklasse geaggregeerd met behulp van de in artikel 325 sexvicies, lid 4, vervatte formule, hetgeen in het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor elke subklasse resulteert.
7.  
Het uiteindelijke eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties wordt berekend als de eenvoudige som van de eigenvermogensvereisten op het niveau van de subklassen.

Onderafdeling 3

Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor in de ACHP opgenomen securitisaties

Artikel 325 novovicies

Toepassingsgebied

1.  
Voor de ACHP omvatten de eigenvermogensvereisten het wanbetalingsrisico voor securitisatieblootstellingen en voor niet-securitisatieafdekkingen. Die afdekkingen worden niet meer in aanmerking genomen bij de berekeningen van het wanbetalingsrisico voor niet-securitisatie. Er mag geen diversificatievoordeel bestaan tussen de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties, de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties en eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor in de ACHP opgenomen securitisaties.

▼M17 —————

▼M8

Artikel 325 tricies

„Jump to default”-bedragen voor de ACHP

1.  

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a) 

„splitsing met behulp van een waarderingsmodel” dat een van een securitisatie deel uitmakend single-namebestanddeel wordt gewaardeerd als het verschil tussen de onvoorwaardelijke waarde van de securitisatie en de voorwaardelijke waarde van de securitisatie in de veronderstelling dat die single-name in gebreke blijft met een LGD van 100 %;

b) 

„reproductie” dat individuele securitisatie-indextranches zodanig worden gecombineerd dat een andere tranche van dezelfde indexreeks of een niet in tranches verdeelde positie in de indexreeks wordt gereproduceerd;

c) 

„splitsing” dat een index wordt gereproduceerd door middel van een securitisatie waarvan de onderliggende blootstellingen in de pool identiek zijn aan de single-nameblootstellingen waaruit de index is samengesteld.

2.  
De bruto JTD-bedragen voor securitisatieblootstellingen en niet-securitisatieposities in de ACHP zijn de marktwaarden van die blootstellingen, of, indien hun marktwaarde niet beschikbaar is, hun reële waarden, bepaald volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.
3.  

„Nth-to-default”-producten worden als in tranches verdeelde producten behandeld met de volgende attachment en detachment points:

a) 

attachment point = (N – 1) / Total Names;

b) 

detachment point = N / Total Names;

waarbij „Total Names” het totale aantal namen in de onderliggende basket of pool is.

4.  

De netto JTD-bedragen worden bepaald door de bruto JTD-bedragen voor lange blootstellingen en de bruto JTD-bedragen voor korte blootstellingen te verrekenen. Verrekening is enkel mogelijk tussen blootstellingen die op de looptijd na anderszins identiek zijn. Verrekening is enkel mogelijk als volgt:

a) 

voor indexen, indextranches en tranches op maat is verrekening over looptijden heen mogelijk binnen dezelfde indexfamilie, -reeks en -tranche, met inachtneming van het bepaalde in artikel 325 quinvicies over blootstellingen van minder dan een jaar; bruto JTD-bedragen voor lange blootstellingen en bruto JTD-bedragen voor korte blootstellingen die perfect met elkaar overeenstemmen, mogen worden verrekend via de splitsing ervan in equivalente single-nameblootstellingen met behulp van een waarderingsmodel; in die gevallen is de som van de bruto JTD-bedragen van via splitsing verkregen equivalente single-nameblootstellingen gelijk aan het bruto JTD-bedrag van de niet-gesplitste blootstelling;

b) 

verrekening via splitsing als beschreven in punt a) is niet toegestaan voor hersecuritisaties of derivaten met betrekking tot securitisaties;

c) 

voor indexen en indextranches is verrekening over looptijden heen mogelijk binnen dezelfde indexfamilie, -reeks en -tranche via reproductie of door splitsing; indien lange blootstellingen en korte blootstellingen op één restcomponent na volledig equivalent zijn, is verrekening toegestaan en geeft het netto JTD-bedrag de resterende blootstelling weer;

d) 

verschillende tranches van dezelfde indexreeks, verschillende reeksen van dezelfde index en verschillende indexfamilies mogen niet worden gebruikt om met elkaar te worden verrekend.

Artikel 325 untricies

Berekening van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor de ACHP

▼M17

1.  

De netto JTD-bedragen worden vermenigvuldigd met:

a) 

voor niet in tranches verdeelde producten, de wanbetalingsrisicogewichten die met de in artikel 325 sexvicies, leden 1 en 2, vermelde kredietkwaliteit ervan overeenstemmen;

b) 

voor in tranches verdeelde producten, de in artikel 325 octovicies, lid 1, bedoelde wanbetalingsrisicogewichten.

▼M8

2.  
De risicogewogen netto JTD-bedragen worden toegewezen aan subklassen die met een index overeenstemmen.
3.  

De gewogen netto JTD-bedragen worden binnen elke subklasse geaggregeerd volgens de onderstaande formule:

waarbij:

DRCb

=

het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b;

i

=

een instrument dat tot subklasse b behoort; en

WtSACTP

=

de ratio die een voordeel voor afdekkingsrelaties binnen een subklasse weergeeft en die volgens de in artikel 325 sexvicies, lid 4, beschreven WtS-formule wordt berekend, maar met gebruikmaking van de lange en de korte posities van de gehele ACHP en niet enkel van de posities in de specifieke subklasse.

4.  

Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor de ACHP met behulp van de onderstaande formule:

waarbij:

DRCACTP

=

de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor de ACHP; en

DRCb

=

de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b.

Afdeling 6

Risicogewichten en correlaties

Onderafdeling 1

Deltarisicogewichten en -correlaties

Artikel 325 duotricies

Risicogewichten voor het algemene renterisico

▼M12

1.  

Voor valuta die niet tot de in artikel 325 septquinquagies, lid 7, onder b), bedoelde subcategorie van meest liquide valutaparen behoren, gelden de volgende risicogewichten van de gevoeligheden voor de risicovrije renterisicofactoren:



Tabel 3

Subklasse

Looptijd

Risicogewicht

1

0,25 jaar

1,7 %

2

0,5 jaar

1,7 %

3

1 jaar

1,6 %

4

2 jaar

1,3 %

5

3 jaar

1,2 %

6

5 jaar

1,1 %

7

10 jaar

1,1 %

8

15 jaar

1,1 %

9

20 jaar

1,1 %

10

30 jaar

1,1 %

2.  
Instellingen passen een risicogewicht van 1,6 % toe op alle gevoeligheden voor inflatie en op cross-currencybasisrisicofactoren.

▼M17

3.  

De risicogewichten van risicofactoren op basis van de valuta die tot de in artikel 325 septquinquagies, lid 7, punt b), bedoelde subcategorie van meest liquide valuta behoren, en de nationale valuta van de instelling, zijn de volgende:

a) 

voor de risicovrije renterisicofactoren: de in lid 1, tabel 3, van dit artikel bedoelde risicogewichten, gedeeld door ;

b) 

voor de inflatierisicofactor en voor cross-currencybasisrisicofactoren: de in lid 2 van dit artikel bedoelde risicogewichten, gedeeld door .

▼M8

Artikel 325 tertricies

Correlaties binnen subklassen voor het algemene renterisico

1.  
Tussen twee gewogen gevoeligheden voor algemene-renterisicofactoren WSk en WSl die tot dezelfde subklasse behoren en die dezelfde toegewezen looptijd hebben maar die met verschillende curves overeenstemmen, wordt de correlatie ρkl vastgesteld op 99,90 %.
2.  

Tussen twee gewogen gevoeligheden voor algemene-renterisicofactoren WSk en WSl die tot dezelfde subklasse behoren en die met dezelfde curve overeenstemmen, maar die verschillende looptijden hebben, wordt de correlatie vastgesteld volgens de onderstaande formule:

waarbij:

Tk (respectievelijk Tl)

=

de looptijd die aan de risicovrije rente is gekoppeld;

θ

=

3 %.

3.  
Tussen twee gewogen gevoeligheden voor algemene-renterisicofactoren WSk en WSl die tot dezelfde subklasse behoren, die met verschillende curves overeenstemmen en die verschillende looptijden hebben, is de correlatie ρkl gelijk aan de in lid 2 nader bepaalde correlatieparameter, vermenigvuldigd met 99,90 %.
4.  
De correlatie tussen een gewogen gevoeligheid voor algemene-renterisicofactoren WSk en een gewogen gevoeligheid voor inflatierisicofactoren WSl wordt vastgesteld op 40 %.
5.  
De correlatie tussen een gewogen gevoeligheid voor cross-currencybasisrisicofactoren WSk en een gewogen gevoeligheid voor algemeen-renterisicofactoren WSl, met inbegrip van een andere cross-currencybasisrisicofactor, wordt vastgesteld op 0 %.

Artikel 325 quatertricies

Correlaties tussen subklassen voor het algemene renterisico

1.  
Voor de aggregatie van tot verschillende subklassen behorende risicofactoren wordt de parameter γbc = 50 % gebruikt.
2.  
Voor de aggregatie van een renterisicofactor op basis van een valuta als bedoeld in artikel 325 novoquadragies, lid 3, en een renterisicofactor op basis van de euro wordt de parameter γbc = 80 % gebruikt.

Artikel 325 quintricies

Risicogewichten voor creditspreadrisico voor niet-securitisaties

1.  

De risicogewichten voor de gevoeligheden voor creditspreadrisicofactoren voor niet-securitisaties zijn identiek voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse in tabel 4:

▼M12



Tabel 4

Nummer subklasse

Kredietkwaliteit

Sector

Risicogewicht

1

Alle

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten

0,5 %

2

Kredietkwaliteitscategorieën 1 t/m 3

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

0,5 %

3

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

1,0 %

4

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

5,0 %

5

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

3,0 %

6

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

3,0 %

7

Technologie, telecommunicatie

2,0 %

8

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

1,5 %

9

 

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten

1,0 %

10

Kredietkwaliteitscategorie 1

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in derde landen

1,5 %

Kredietkwaliteitscategorieën 2 t/m 3

2,5 %

11

Kredietkwaliteitscategorieën 4 t/m 6 en zonder rating

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

2 %

12

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

4,0 %

13

►M17  Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, verstrekkers van stimuleringsleningen en gedekte obligaties ◄

12,0 %

14

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

7,0 %

15

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

8,5 %

16

Technologie, telecommunicatie

5,5 %

17

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

5,0 %

18

Andere sector

12,0 %

19

Beursgenoteerde kredietindices waarvan het merendeel van de individuele samenstellende delen investeringswaardig is

1,5 %

20

Beursgenoteerde kredietindices waarvan het merendeel van de individuele samenstellende delen niet investeringswaardig is of geen rating heeft

5 %

▼M17

Voor de toepassing van dit artikel wordt aan een blootstelling de kredietkwaliteitscategorie toegewezen die overeenstemt met de kredietkwaliteitscategorie die daaraan uit hoofde van de standaardbenadering voor kredietrisico van titel II, hoofdstuk 2, zou zijn toegewezen.

▼M8

2.  
Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per sector. Instellingen wijzen elke uitgevende instelling slechts aan één van de in tabel 4 vermelde sectorale subklassen toe. Risicoblootstellingen van een uitgevende instelling die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 18 in tabel 4 toegewezen.

▼M17

3.  
In afwijking van lid 2 mogen instellingen een risicoblootstelling van een gedekte obligatie zonder rating toewijzen aan subklasse 4 indien de instelling die de gedekte obligatie heeft uitgegeven, een kredietkwaliteitscategorie van 1, 2 of 3 heeft.

▼M8

Artikel 325 sextricies

Correlaties binnen subklassen voor het creditspreadrisico voor niet-securitisaties

1.  

De correlatieparameter ρk tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt vastgesteld als volgt:

ρkl = ρkl (name) · ρkl (tenor) · ρkl (basis)
waarbij:

▼M17

ρkl (name) gelijk is aan 1 indien de twee namen van de gevoeligheden k en l identiek zijn; deze is gelijk aan 35 % indien de twee namen van de gevoeligheden k en l in de subklassen 1 tot en met 18 in artikel 325 quintricies, lid 1, tabel 4, zijn, en anders is deze gelijk aan 80 %.

▼M8

ρkl (tenor) is gelijk aan 1 indien de twee toppunten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 65 %;
ρkl (basis) is gelijk aan 1 indien de twee gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,90 %.
2.  

De in lid 1 van dit artikel bedoelde correlatieparameters zijn niet van toepassing op subklasse 18 in tabel 4 van artikel 325 quintricies. Het kapitaalvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 18 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

Artikel 325 septtricies

Correlaties tussen subklassen voor het creditspreadrisico voor niet-securitisaties

De correlatieparameter γbc die op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen van toepassing is, wordt als volgt vastgesteld:

γbc = γbc (rating) · γbc (sector)
waarbij:

▼M17

γbc (rating) is gelijk aan:
a) 

1, indien de subklassen b en c de subklassen 1 tot en met 17 zijn en beide subklassen dezelfde kredietkwaliteitscategorie hebben (ofwel kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3” ofwel kredietkwaliteitscategorie 4, 5 of 6); anders is deze gelijk aan 50 %; voor die berekening wordt subklasse 1 geacht tot dezelfde kredietkwaliteitscategorie te behoren als subklassen met kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3;

b) 

1, indien subklasse b of c subklasse 18 is;

c) 

1, indien subklasse b of c subklasse 19 is en de andere subklasse een kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 heeft; anders is deze gelijk aan 50 %;

d) 

1, indien subklasse b of c subklasse 20 is en de andere subklasse een kredietkwaliteitscategorie 4, 5 of 6 heeft; anders is deze gelijk aan 50 %.

▼M8

γbc (sector) gelijk is aan 1 als de twee subklassen tot dezelfde sector behoren, en anders aan de overeenstemmende percentages in tabel 5:

▼M12



Tabel 5

Subklasse

1, 2 en 11

3 en 12

4 en 13

5 en 14

6 en 15

7 en 16

8 en 17

9 en 10

18

19

20

1, 2 en 11

 

75 %

10 %

20 %

25 %

20 %

15 %

10 %

0 %

45 %

45 %

3 en 12

 

 

5 %

15 %

20 %

15 %

10 %

10 %

0 %

45 %

45 %

4 en 13

 

 

 

5 %

15 %

20 %

5 %

20 %

0 %

45 %

45 %

5 en 14

 

 

 

 

20 %

25 %

5 %

5 %

0 %

45 %

45 %

6 en 15

 

 

 

 

 

25 %

5 %

15 %

0 %

45 %

45 %

7 en 16

 

 

 

 

 

 

5 %

20 %

0 %

45 %

45 %

8 en 17

 

 

 

 

 

 

 

5 %

0 %

45 %

45 %

9 en 10

 

 

 

 

 

 

 

 

0 %

45 %

45 %

18

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0 %

0 %

19

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

75 %

20

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

▼M8

Artikel 325 octotricies

Risicogewichten voor het creditspreadrisico voor in de ACHP opgenomen securitisaties

De risicogewichten voor de gevoeligheden voor creditspreadrisicofactoren voor in de ACHP opgenomen securitisaties zijn identiek voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse en worden voor elke subklasse in tabel 6 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling:

▼M12



Tabel 6

Nummer subklasse

Kredietkwaliteit

Sector

Risicogewicht

1

Alle

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten

4,0 %

2

►M17  Kredietkwaliteitscategorieën 1 t/m 10 ◄

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

4,0 %

3

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

4,0 %

4

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

8,0 %

5

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

5,0 %

6

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

4,0 %

7

Technologie, telecommunicatie

3,0 %

8

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

2,0 %

9

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten

3,0 %

10

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in derde landen

6,0 %

11

►M17  Kredietkwaliteitscategorieën 11 t/m 17 ◄

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

13,0 %

12

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

13,0 %

13

►M17  Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, verstrekkers van stimuleringsleningen en gedekte obligaties ◄

16,0 %

14

Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

10,0 %

15

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

12,0 %

16

Technologie, telecommunicatie

12,0 %

17

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

12,0 %

18

Andere sector

13,0 %

▼M17

Voor de toepassing van dit artikel wordt aan een blootstelling de kredietkwaliteitscategorie toegewezen die overeenstemt met de kredietkwaliteitscategorie die daaraan uit hoofde van de standaardbenadering voor kredietrisico van titel II, hoofdstuk 2, zou zijn toegewezen.

In afwijking van de tweede alinea mogen instellingen een risicoblootstelling van een gedekte obligatie zonder rating toewijzen aan subklasse 4 indien de instelling die de gedekte obligatie uitgeeft, een kredietkwaliteitscategorie van 1, 2 of 3 heeft.

▼M8

Artikel 325 novotricies

Correlaties voor het creditspreadrisico voor in de ACHP opgenomen securitisaties

1.  
De deltarisicocorrelatie ρk l wordt overeenkomstig artikel 325 sextricies afgeleid, met dien verstande dat voor de toepassing van dit lid, ρk l (basis) gelijk is aan 1 als beide gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,00 %.
2.  
De correlatie γb c wordt overeenkomstig artikel 325 septtricies afgeleid.

Artikel 325 quadragies

Risicogewichten voor het creditspreadrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties

1.  

De risicogewichten voor de gevoeligheden voor creditspreadrisicofactoren voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties zijn identiek voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse in tabel 7 en worden voor elke subklasse in tabel 7 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

▼M12



Tabel 7

Nummer subklasse

Kredietkwaliteit

Sector

Risicogewicht

1

►M17  Niet-achtergesteld en kredietkwaliteitscategorieën 1 t/m 10 ◄

RMBS — Prime

0,9 %

2

RMBS — Mid-Prime

1,5 %

3

RMBS — Sub-Prime

2,0 %

4

CMBS

2,0 %

5

Door activa gedekte effecten (ABS) — Studentenleningen

0,8 %

6

ABS — Kredietkaarten

1,2 %

7

ABS — Autoleningen

1,2 %

8

Collateralised loan obligations (CLO) niet-ACHP

1,4 %

9

►M17  Achtergesteld en kredietkwaliteitscategorieën 1 t/m 10 ◄

RMBS — Prime

1,125 %

10

RMBS — Mid-Prime

1,875 %

11

RMBS — Sub-Prime

2,5 %

12

CMBS

2,5 %

13

ABS — Studentenleningen

1 %

14

ABS — Kredietkaarten

1,5 %

15

ABS — Autoleningen

1,5 %

16

CLO niet-ACHP

1,75 %

17

►M17  Kredietkwaliteitscategorieën 11 t/m 17 en zonder rating ◄

RMBS — Prime

1,575 %

18

RMBS — Mid-Prime

2,625 %

19

RMBS — Sub-Prime

3,5 %

20

CMBS

3,5 %

21

ABS — Studentenleningen

1,4 %

22

ABS — Kredietkaarten

2,1 %

23

ABS — Autoleningen

2,1 %

24

CLO niet-ACHP

2,45 %

25

Andere sector

3,5 %

▼M8

2.  
Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per sector. Instellingen wijzen elke tranche aan één van de in tabel 7 vermelde sectorale subklassen toe. Risicoblootstellingen van een tranche die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 25 toegewezen.

▼M17

3.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt aan een blootstelling de kredietkwaliteitscategorie toegewezen die overeenstemt met de kredietkwaliteitscategorie die daaraan uit hoofde van de op externe ratings gebaseerde benadering van titel II, hoofdstuk 5, zou zijn toegewezen.

▼M8

Artikel 325 unquadragies

Correlaties binnen subklassen voor het creditspreadrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties

1.  

Tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt de correlatieparameter ρk l vastgesteld als volgt:

ρkl = ρkl (tranche) · ρkl (tenor) · ρkl (basis)
waarbij:
►C9  ρkl (tranche) gelijk is aan 1 indien ◄ de twee namen van de gevoeligheden k en l tot dezelfde subklasse behoren en met dezelfde securitisatietranche verband houden (een overlapping van meer dan 80 % in notionele termen), en anders aan 40 %;
ρkl (tenor) gelijk is aan 1 indien de twee toppunten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 80 %; en
ρkl (basis) gelijk is aan 1 indien de twee gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,90 %.
2.  

De in lid 1 bedoelde correlatieparameters gelden niet voor subklasse 25 in tabel 7 van artikel 325 quadragies, lid 1. Het eigenvermogensvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 25 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

Artikel 325 duoquadragies

Correlaties tussen subklassen voor het creditspreadrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties

1.  
De correlatieparameter γb c is van toepassing op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen en bedraagt 0 %.
2.  
Het eigenvermogensvereiste voor subklasse 25 wordt bij het totale kapitaal op het niveau van de risicoklasse opgeteld, zonder dat met diversificatie- of afdekkingseffecten ten opzichte van een andere subklasse rekening wordt gehouden.

Artikel 325 terquadragies

Risicogewichten voor het aandelenrisico

1.  

De risicogewichten voor de gevoeligheden voor aandelenrisicofactoren en aandelenrepotarievenrisicofactoren worden voor elke subklasse in tabel 8 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

▼M12



Tabel 8

Nummer subklasse

Marktkapitalisatie

Economie

Sector

Risicogewicht voor contante aandelenkoers

Risicogewicht voor aandelenrepotarief

1

Groot

Opkomende markteconomie

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

55 %

0,55 %

2

Telecommunicatie, industrie

60 %

0,60 %

3

Basismaterialen, energie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

45 %

0,45 %

4

Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, vastgoedactiviteiten, technologie

55 %

0,55 %

5

Geavanceerde economie

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

30 %

0,30 %

6

Telecommunicatie, industrie

35 %

0,35 %

7

Basismaterialen, energie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

40 %

0,40 %

8

Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, vastgoedactiviteiten, technologie

50 %

0,50 %

9

Klein

Opkomende markteconomie

Alle onder de subklassen met nummers 1, 2, 3 en 4 beschreven sectoren

70 %

0,70 %

10

Geavanceerde economie

Alle onder de subklassen met nummers 5, 6, 7 en 8 beschreven sectoren

50 %

0,50 %

11

Andere sector

70 %

0,70 %

12

Grote marktkapitalisatie, geavanceerde-economie-indices

15 %

0,15 %

13

Andere indices

25 %

0,25 %

▼M8

2.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt in de artikel 325 septquinquagies, lid 7, bedoelde technische reguleringsnormen nader bepaald wat onder een kleine en een grote marktkapitalisatie moet worden verstaan.
3.  
Voor de toepassing van dit artikel ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen wat wordt verstaan onder een opkomende-markteconomie en een geavanceerde economie.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

4.  
Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per sector. Instellingen wijzen elke uitgevende instelling aan één van de in tabel 8 vermelde sectorale subklassen toe en wijzen alle uitgevende instellingen van dezelfde bedrijfstak aan dezelfde sector toe. Risicoblootstellingen van een uitgevende instelling die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 11 in tabel 8 toegewezen. Multinationale of in meerdere sectoren actief zijnde uitgevende instellingen van aandelen worden op basis van de belangrijkste regio en sector waarin de uitgevende instelling van aandelen opereert, aan een bepaalde subklasse toegewezen.

Artikel 325 quaterquadragies

Correlaties binnen subklassen voor het aandelenrisico

▼M12

1.  
De correlatieparameter voor het deltarisico ρκl tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt vastgesteld op 99,90 % als de ene een gevoeligheid voor een contante aandelenkoers en de andere een gevoeligheid voor een aandelenrepotarief is, en als beide op dezelfde naam van de uitgevende instelling van het aandeel betrekking hebben.

▼M8

2.  

In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen wordt de correlatieparameter ρkl tussen twee gevoeligheden WS k en WS l voor een contante aandelenkoers binnen dezelfde subklasse vastgesteld als volgt:

a) 

15 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder de categorie grote marktkapitalisatie, opkomende-markteconomie vallen (subklasse nummer 1, 2, 3 of 4);

b) 

25 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder de categorie grote marktkapitalisatie, geavanceerde economie vallen (subklasse nummer 5, 6, 7 of 8);

c) 

7,5 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder kleine marktkapitalisatie, opkomende-markteconomie vallen (subklasse nummer 9);

d) 

12,5 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder kleine marktkapitalisatie, geavanceerde economie vallen (subklasse nummer 10);

▼M12

e) 

80 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder een van beide indexsubklassen vallen (subklasse nummer 12 of 13).

▼M12

3.  
De correlatieparameter ρkl tussen twee gevoeligheden WSk en WSl voor het aandelenrepotarief binnen dezelfde subklasse wordt overeenkomstig lid 2, onder a) tot en met d), vastgesteld.

▼M8

4.  
Tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse, waarbij de ene een gevoeligheid voor een contante aandelenkoers en de andere een gevoeligheid voor een aandelenrepotarief is, en beide gevoeligheden met een verschillende naam van de uitgevende instelling van het aandeel verband houden, wordt de correlatieparameter ρkl vastgesteld op de in lid 2 nader bepaalde correlatieparameters, vermenigvuldigd met 99,90 %.
5.  

De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde correlatieparameters gelden niet voor subklasse 11. Het kapitaalvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 11 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

▼M12

Artikel 325 quinquadragies

Correlaties tussen subklassen voor het aandelenrisico

De correlatieparameter γbc is van toepassing op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen.

Deze wordt als volgt vastgesteld met betrekking tot de subklassen van tabel 8 in artikel 325 terquadragies:

a) 

15 % als beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 10 vallen;

b) 

0 % als een van beide subklassen onder subklasse 11 valt;

c) 

75 % als beide subklassen onder de subklassen 12 en 13 vallen;

d) 

45 % in de overige gevallen.

Artikel 325 sexquadragies

Risicogewichten voor het grondstoffenrisico

Risicogewichten voor gevoeligheden voor grondstoffenrisicofactoren zijn als volgt:



Tabel 9

Nummer subklasse

Naam subklasse

Risicogewicht

1

Energie — Vaste brandstoffen

30 %

2

Energie — Vloeibare brandstoffen

35 %

3

►M17  Energie — Elektriciteit ◄

60 %

▼M17

3 bis

Energie — Handel in koolstofemissierechten binnen het EU-ETS

40 %

3 ter

Energie — Handel in koolstofemissierechten buiten het EU-ETS

60 %

▼M12

4

Goederenvervoer

80 %

5

Niet-edele metalen

40 %

6

Gasvormige brandstoffen

45 %

7

Edele metalen (met inbegrip van goud)

20 %

8

Granen en oliehoudende zaden

35 %

9

Vee en zuivel

25 %

10

Zachte en andere landbouwgrondstoffen

35 %

11

Andere grondstoffen

50 %

▼M8

Artikel 325 septquadragies

Correlaties binnen subklassen voor het grondstoffenrisico

1.  
Voor de toepassing van dit artikel worden twee grondstoffen als onderscheiden grondstoffen beschouwd indien er op de markt twee contracten bestaan die enkel van elkaar verschillen qua op grond van elk contract te leveren onderliggende grondstof.
2.  

De correlatieparameter ρk l tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt vastgesteld als volgt:

ρkl = ρkl (commodity) · ρkl (tenor) · ρkl (basis)
waarbij:
ρkl(commodity) gelijk is aan 1 indien de twee grondstoffen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan de correlaties binnen subklassen in tabel 10;
ρkl (tenor) gelijk is aan 1 als de twee toppunten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 99 %; en
ρkl (basis) gelijk is aan 1 als de twee gevoeligheden identiek zijn wat betreft de leveringsplaats van de grondstof, en anders aan 99,90 %.
3.  

De correlaties ρkl (commodity) binnen subklassen zijn:



Tabel 10

Nummer subklasse

Naam subklasse

Correlatie

ρkl (commodity)

1

Energie - Vaste brandstoffen

55 %

2

Energie - Vloeibare brandstoffen

95 %

3

Energie - Handel in elektriciteit en koolstofemissierechten

40 %

4

Goederenvervoer

80 %

5

Niet-edele metalen

60 %

6

Gasvormige brandstoffen

65 %

7

Edele metalen (met inbegrip van goud)

55 %

8

Granen & oliehoudende zaden

45 %

9

Vee & zuivel

15 %

10

Zachte en andere landbouwgrondstoffen

40 %

11

Andere grondstof

15 %

4.  

Niettegenstaande lid 1 zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) 

twee risicofactoren die zijn toegewezen aan subklasse 3 in tabel 10 en die betrekking hebben op elektriciteit, worden als aparte grondstoffenrisicofactoren beschouwd indien het elektriciteit betreft die in verschillende regio's wordt gegenereerd of in verschillende tijdsperiodes wordt geleverd krachtens de contractuele overeenkomst;

b) 

twee risicofactoren die zijn toegewezen aan subklasse 4 in tabel 10 en betrekking hebben op goederenvervoer, worden als aparte grondstoffenrisicofactoren beschouwd indien de vrachtroute of de week van levering van de goederen verschillend zijn.

Artikel 325 octoquadragies

Correlaties tussen subklassen voor het grondstoffenrisico

De correlatieparameter γb c die op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen van toepassing is, wordt vastgesteld op:

a) 

20 % als beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 10 vallen;

b) 

0 % als één van beide subklassen subklasse 11 is.

Artikel 325 novoquadragies

Risicogewichten voor het wisselkoersrisico

▼M12

1.  
Op alle gevoeligheden voor wisselkoersrisicofactoren wordt een risicogewicht van 15 % toegepast.

▼M8

2.  

Het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren met betrekking tot valutaparen die zijn samengesteld uit de euro en de valuta van een lidstaat die aan de tweede fase van de economische en monetaire unie (ERM II) deelneemt, is één van de onderstaande gewichten:

a) 

het risicogewicht als bedoeld in lid 1, gedeeld door 3;

b) 

de maximale fluctuatie binnen de fluctuatiemarge die formeel is overeengekomen tussen de lidstaat en de Europese Centrale Bank, mits die fluctuatiemarge smaller is dan die, vastgesteld in het kader van ERM II.

3.  
Niettegenstaande lid 2 is het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren met betrekking tot valuta's als bedoeld in lid 2, die deelnemen aan ERM II met een formeel overeengekomen fluctuatiemarge die smaller is dan de standaardmarge van plus of min 15 %, gelijk aan de maximale procentuele fluctuatie binnen deze smallere marge.
4.  
Het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren die tot de in artikel 325 septquinquagies, lid 7, punt c), bedoelde subklasse van meest liquide valutaparen behoren, is het in lid 1 van dit artikel vermelde risicogewicht, gedeeld door √2.
5.  
Indien uit de dagelijkse wisselkoersen van de voorgaande drie jaar blijkt dat een valutapaar dat bestaat uit de euro en de valuta van een lidstaat die niet de euro is, stabiel is en dat de instelling altijd bestand is tegen een bied- en laatspread van 0 op de respectieve transacties in verband met dit valutapaar, mag de instelling, mits zij daarvoor de uitdrukkelijke toestemming van haar bevoegde autoriteit krijgt, het in lid 1 bedoelde risicogewicht toepassen, gedeeld door 2.

Artikel 325 quinquagies

Risicogewichten voor het wisselkoersrisico

Op de aggregatie van gevoeligheden voor wisselkoersrisicofactoren is een uniforme correlatieparameter γb c, gelijk aan 60 %, van toepassing.

Onderafdeling 2

Vega- en curvatuurrisicogewichten en -correlaties

Artikel 325 unquinquagies

Vega- en curvatuurrisicogewichten

▼M17

1.  
Subklassen voor vegarisicofactoren zijn vergelijkbaar met de overeenkomstig afdeling 3, onderafdeling 1, bepaalde subklassen voor deltarisicofactoren.
2.  

Risicogewichten voor gevoeligheden voor vegarisicofactoren worden toegewezen overeenkomstig de risicoklasse van de risicofactoren, en wel als volgt:



Tabel 1

Risicoklasse

Risicogewichten

Algemeen renterisico (GIRR)

100 %;

Creditspreadrisico (CSR) voor niet-securitisaties

100 %;

Creditspreadrisico voor securitisaties (ACHP)

100 %;

Creditspreadrisico voor securitisaties (niet-ACHP)

100 %;

Aandelen (grote kapitalisatie en indexen)

77,78  %;

Aandelen (kleine kapitalisatie en andere sector)

100 %

Grondstoffen

100 %;

Wisselkoersen

100 %;

▼M17 —————

▼M8

4.  
In de context van het deltarisico in onderafdeling 1 gehanteerde subklassen worden ook in de context van het curvatuurrisico gebruikt, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.
5.  
Voor de wisselkoers- en aandelencurvatuurrisicofactoren zijn de gewichten voor het curvatuurrisico relatieve bijstellingen die gelijk zijn aan de in onderafdeling 1 vermelde deltarisicogewichten.

▼M17

6.  
Voor de algemeen-rente-, creditspread- en grondstoffencurvatuurrisicofactoren is het curvatuurrisicogewicht de parallelle verschuiving van alle toppunten van elke curve op basis van het hoogste voorgeschreven deltarisicogewicht vermeld in onderafdeling 1 voor de relevante risicosubklasse.

▼M8

Artikel 325 duoquinquagies

Vega- en curvatuurrisicocorrelaties

▼C9

1.  

Tussen vegarisicogevoeligheden binnen dezelfde subklasse van de algemeen-renterisicoklasse (GIRR-klasse) wordt de correlatieparameter ρkl als volgt vastgesteld:

▼M8

waarbij:

gelijk is aan

, waarbij α op 1 % wordt vastgesteld, en Tk en Tl gelijk zijn aan de in aantal jaren uitgedrukte looptijden van de opties waarvoor de vegagevoeligheden worden afgeleid; en

gelijk is aan

, waarbij α op 1 % wordt vastgesteld,

en

gelijk zijn aan de in aantal jaren uitgedrukte looptijden zijn van de onderliggende waarden van de opties waarvoor de vegarisicogevoeligheden worden afgeleid, min de in aantal jaren uitgedrukte looptijden van de overeenkomstige opties.
2.  

Tussen vegarisicogevoeligheden binnen een subklasse van de andere risicoklassen wordt de correlatieparameter ρkl als volgt vastgesteld:

waarbij:

gelijk is aan de deltacorrelatie binnen de subklasse welke overeenstemt met de subklassen waaraan de vegarisicofactoren k en l zouden worden toegewezen; en

wordt vastgesteld overeenkomstig lid 1.
3.  
Wat vegarisicogevoeligheden tussen subklassen binnen een risicoklasse (algemeen-renterisicoklasse en andere klassen dan de algemeen-renterisicoklasse) betreft, worden in de context van het vegarisico voor γbc dezelfde correlatieparameters gehanteerd als die welke in afdeling 4 voor deltacorrelaties nader zijn bepaald.
4.  
In de standaardbenadering wordt tussen vegarisicofactoren en deltarisicofactoren geen diversificatie- of afdekkingsvoordeel in aanmerking genomen. De eigenvermogensvereisten voor het vegarisico en voor het deltarisico worden door middel van gewone optelling geaggregeerd.
5.  
De curvatuurrisicocorrelaties zijn het kwadraat van de in onderafdeling 1 vermelde overeenkomstige deltarisicocorrelaties ρkl en γbc.

HOOFDSTUK 1 TER

Alternatieve internemodellenbenadering

Afdeling 1

Toestemming en eigenvermogensvereisten

Artikel 325 terquinquagies

Alternatieve internemodellenbenadering en toestemming voor het gebruik van alternatieve interne modellen

▼M17

1.  
De alternatieve internemodellenbenadering mag door een instelling worden gebruikt om haar eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen, op voorwaarde dat de instelling aan alle vereisten uit dit hoofdstuk voldoet.

▼M8

2.  

Na de controle van de naleving door instellingen van de in de artikelen 325 unsexagies tot en met 325 tersexagies beschreven vereisten verlenen de bevoegde autoriteiten die instellingen toestemming om hun eigenvermogensvereisten voor de portefeuille van alle aan tradingafdelingen toegewezen posities te berekenen aan de hand van hun alternatieve interne modellen overeenkomstig artikel 325 quaterquinquagies, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de tradingafdelingen zijn overeenkomstig artikel 104 ter opgericht;

b) 

de instelling heeft aan de bevoegde autoriteit de redenen verstrekt voor de opname van de tradingafdelingen in de werkingssfeer van de alternatieve internemodellenbenadering;

▼M17

c) 

de tradingafdelingen hebben aan de in artikel 325 novoquinquagies, lid 3, bedoelde backtestingvereisten voldaan;

d) 

de tradingafdelingen hebben aan de in artikel 325 sexagies bedoelde vereisten inzake de toeschrijving van winsten en verliezen („P&L-toeschrijving”) voldaan;

▼M8

e) 

tradingafdelingen waaraan ten minste één van de in artikel 325 quinsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities is toegewezen, voldoen aan de vereisten van artikel 325 sexsexagies voor het interne wanbetalingsrisicomodel;

f) 

aan de tradingafdelingen zijn geen securitisatie- of hersecuritisatieposities toegewezen;

▼M17

g) 

aan de tradingafdelingen zijn geen posities in icb’s toegewezen die aan de voorwaarde van artikel 104, lid 8, punt b), voldoen.

▼M8

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea van dit lid mag het niet opnemen van een tradingafdeling in de werkingssfeer van de alternatieve internemodellenbenadering niet worden gemotiveerd met het gegeven dat het eigenvermogensvereiste, berekend volgens de alternatieve standaardbenadering in artikel 325, lid 3, punt a), lager zou zijn dan het eigenvermogensvereiste, berekend volgens de alternatieve internemodellenbenadering.

▼M17

3.  
Instellingen waaraan toestemming is gegeven om de alternatieve internemodellenbenadering te gebruiken, voldoen ook aan het rapportagevereiste van artikel 325, lid 3.

▼M8

4.  
Een instelling die toestemming heeft gekregen als bedoeld in lid 2, stelt haar bevoegde autoriteiten er onmiddellijk van in kennis dat één van haar tradingafdelingen niet meer aan ten minste een van de vereisten van dat lid voldoet. Die instelling mag dit hoofdstuk niet meer op aan die tradingafdeling toegewezen posities toepassen en berekent de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor alle aan die tradingafdeling toegewezen posities vanaf de eerstvolgende rapportagedatum volgens de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering en blijft dit doen totdat de instelling aan de bevoegde autoriteiten aantoont dat de tradingafdeling wederom aan alle vereisten van lid 2 voldoet.
5.  
In afwijking van lid 4 kunnen bevoegde autoriteiten in buitengewone omstandigheden een instelling toestemming geven om haar alternatieve interne modellen te blijven gebruiken voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van een tradingafdeling die niet meer aan de voorwaarden van punt c) van lid 2 van dit artikel en van artikel 325 sexagies, lid 1, voldoet. Ingeval de bevoegde autoriteiten deze bevoegdheid uitoefenen, stellen zij de EBA daarvan in kennis en motiveren zij hun besluit.
6.  
Bij posities toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor de instelling geen toestemming heeft gekregen als bedoeld in lid 2, worden de eigenvermogensvereisten voor marktrisico door deze instelling berekend overeenkomstig hoofdstuk 1 bis van deze titel. Voor de toepassing van die berekening worden al deze posities op zichzelf als een afzonderlijke portefeuille beschouwd.
7.  
Voor wezenlijke veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen, voor de verlenging van het gebruik van alternatieve interne modellen waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen en voor wezenlijke veranderingen in de keuze van de subset van de in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde modelleerbare risicofactoren is een afzonderlijke toestemming van de bevoegde autoriteiten van de instelling vereist.

Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van alle andere verlengingen en veranderingen van het gebruik van de alternatieve interne modellen waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen.

8.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de voorwaarden voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van de verlengingen en veranderingen van het gebruik van alternatieve interne modellen, en van de veranderingen in de subset van de in artikel 325 sexquinquagies bedoelde modelleerbare risicofactoren;

▼M17

b) 

de beoordelingsmethode op basis waarvan de bevoegde autoriteiten controleren of een instelling aan de vereisten van dit hoofdstuk voldoet.

▼M8

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2024 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

9.  
De EBA brengt advies uit over de vraag of er zich buitengewone omstandigheden als bedoeld in lid 5 van dit artikel en in artikel 325 novoquinquagies, lid 6, tweede alinea, hebben voorgedaan.

Om dat advies te kunnen uitbrengen, monitort de EBA de marktomstandigheden om na te gaan of er zich buitengewone omstandigheden hebben voorgedaan en stelt zij in voorkomend geval de Commissie onmiddellijk daarvan in kennis.

10.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden en indicatoren die de EBA moet gebruiken om te bepalen of er zich buitengewone omstandigheden hebben voorgedaan.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 30 juni 2024 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 325 quaterquinquagies

Eigenvermogensvereisten bij gebruik van alternatieve interne modellen

1.  

Een instelling die een alternatief intern model gebruikt, berekent de eigenvermogensvereisten voor de portefeuille van alle posities die zijn toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor de instelling de in artikel 325 terquinquagies, lid 2, bedoelde toestemming heeft gekregen als de hoogste van de volgende waarden:

a) 

de som van:

i) 

de „expected shortfall”-risicomaatstaf voor de vorige dag van de instelling, berekend overeenkomstig artikel 325 quinquinquagies (ESt-1), en

ii) 

de stressscenariorisicomaatstaf voor de vorige dag van de instelling, berekend overeenkomstig afdeling 5 (SSt-1); of

b) 

de som van:

i) 

het gemiddelde van de overeenkomstig artikel 325 quinquinquagies berekende dagelijkse „expected shortfall”-risicomaatstaf van de instelling voor elk van de voorgaande zestig werkdagen (ESavg), vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (mc); en

ii) 

het gemiddelde van de overeenkomstig afdeling 5 berekende dagelijkse stressscenariorisicomaatstaf van de instelling voor elk van de voorgaande zestig werkdagen (SSavg).

▼M17

Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico met behulp van een intern model overeenkomstig de eerste alinea neemt een instelling haar eigen creditspreads niet op in de berekening van de in de punten a) en b) bedoelde maatregelen voor posities in de eigen schuldinstrumenten van de instelling.

▼M8

2.  

Instellingen met posities in verhandelde schuld- en aandeleninstrumenten die onder de werkingssfeer van het interne wanbetalingsrisicomodel vallen en die aan de in lid 1 bedoelde tradingafdelingen zijn toegewezen, voldoen aan een aanvullend-eigenvermogensvereiste dat is uitgedrukt als de hoogste waarde van:

a) 

het meest recente eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico, berekend overeenkomstig afdeling 3;

b) 

het gemiddelde van de in punt a) bedoelde waarde over de voorgaande twaalf weken.

▼M17

In afwijking van de eerste alinea is een instelling niet onderworpen aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste voor het bezit van eigen schuldinstrumenten.

3.  

Een instelling die van een alternatief intern model gebruikmaakt, berekent de totale eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor alle posities in haar handelsportefeuille en alle posities in haar niet-handelsportefeuille die wisselkoersrisico of grondstoffenrisico opleveren, volgens de onderstaande formule:

waarbij:

AIMA

= de som van de in de leden 1 en 2 bedoelde eigenvermogensvereisten;

PLAaddon

= het in artikel 325 sexagies, lid 2, bedoelde aanvullend-eigenvermogensvereiste;

ASAnon-aima

= de volgens de in artikel 325, lid 1, punt a), bedoelde alternatieve standaardbenadering berekende eigenvermogensvereisten voor marktrisico, ten aanzien van de portefeuille van posities in de handelsportefeuille en posities in de niet-handelsportefeuille die wisselkoersrisico of grondstoffenrisico opleveren en waarvoor de instelling de alternatieve standaardbenadering gebruikt om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen;

ASAallportfolio

= de volgens de in artikel 325, lid 1, punt a), bedoelde alternatieve standaardbenadering berekende eigenvermogensvereisten voor marktrisico, ten aanzien van de portefeuille van alle posities in de handelsportefeuille en alle posities in de niet-handelsportefeuille die wisselkoersrisico of grondstoffenrisico opleveren;

ASAaima

= de volgens de in artikel 325, lid 1, punt a), bedoelde alternatieve standaardbenadering berekende eigenvermogensvereisten voor marktrisico, ten aanzien van de portefeuille van posities in de handelsportefeuille en posities in de niet-handelsportefeuille die wisselkoersrisico of grondstoffenrisico opleveren en waarvoor de instelling de in artikel 325, lid 1, punt b), bedoelde benadering gebruikt om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen.

▼M8

Afdeling 2

Algemene voorschriften

Artikel 325 quinquinquagies

Expected shortfall-risicomaatstaf

▼C9

1.  

Instellingen berekenen de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), bedoelde „expected shortfall”-risicomaatstaf voor een gegeven datum „t” en voor een gegeven portefeuille van handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico verbonden is als volgt:

▼M8

waarbij:

ESt

=

de „expected shortfall”-risicomaatstaf;

i

=

de index die de in de eerste kolom van tabel 2 van artikel 325 septquinquagies vermelde vijf brede risicofactorcategorieën aangeeft;

UESt

=

de als volgt berekende „unconstrained expected shortfall”-maatstaf:

=

de als volgt berekende „unconstrained expected shortfall”-maatstaf voor de brede risicofactorcategorie i:

ρ

=

de toezichtscorrelatiefactor tussen brede risicocategorieën; ρ = 50 %;

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 2, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 3, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 4, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf voor de brede risicocategorie i die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 2, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf voor de brede risicocategorie i die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 3, voor alle portefeuilleposities wordt berekend; en

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf voor de brede risicocategorie i die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 4, voor alle portefeuilleposities wordt berekend.

2.  
Bij de bepaling van elke „partial expected shortfall”-maatstaf voor de berekening van de „expected shortfall”-risicomaatstaf overeenkomstig lid 1 passen instellingen uitsluitend scenario's van toekomstige schokken toe op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren die van toepassing zijn op elke „partial expected shortfall”-maatstaf, zoals beschreven in artikel 325 sexquinquagies.
3.  
Indien ten minste één transactie van de portefeuille ten minste één modelleerbare risicofactor heeft die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies naar de brede risicofactorcategorie i is gemapt, berekenen instellingen de „unconstrained expected shortfall”-maatstaf voor de brede risicofactorcategorie i en nemen zij deze op in de in lid 1 van dit artikel vermelde formule voor de expected shortfall-risicomaatstaf.
4.  
In afwijking van lid 1 kan een instelling de frequentie waarmee de „unconstrained expected shortfall”-maatstaf

en de „partial expected shortfall”-maatstaven

,

en

voor alle brede risicocategorieën i worden berekend, terugbrengen van dagelijks tot wekelijks, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) 
de instelling kan aan haar bevoegde autoriteit aantonen dat het berekenen van de „unconstrained expected shortfall”-maatstaf

geen onderschatting vormt van het marktrisico van de betrokken handelsportefeuilleposities;
b) 
de instelling kan de frequentie waarmee

,

,

en

worden berekend, opvoeren van wekelijks tot dagelijks, indien zulks door haar bevoegde autoriteit wordt geëist.

Artikel 325 sexquinquagies

Berekeningen van de partial expected shortfall

1.  

Instellingen berekenen alle in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde „partial expected shortfall”-maatstaven als volgt:

a) 

dagelijkse berekeningen van de „partial expected shortfall”-maatstaven;

b) 

een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval op het 97,5e percentiel;

c) 

▼C9

voor een gegeven portefeuille van handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico verbonden is, berekenen instellingen de„partial expected shortfall”-maatstaf op het tijdstip „t” volgens de onderstaande formule:

▼M8

waarbij:

PESt

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf op het tijdstip „t”;

j

=

de index die de in de eerste kolom van tabel 1 vermelde vijf liquiditeitshorizons aangeeft;

LHj

=

de duur van de liquiditeitshorizons j, zoals uitgedrukt in dagen in tabel 1;

T

=

de basistijdshorizon, waarbij T = 10 dagen;

PESt(T)

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf die wordt bepaald door enkel op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren van de in de leden 2, 3 en 4 beschreven portefeuilleposities voor elke in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde „partial expected shortfall”-maatstaf scenario's van toekomstige schokken met een tijdshorizon van 10 dagen toe te passen; en

PESt(T, j)

=

de „partial expected shortfall”-maatstaf die wordt bepaald door enkel op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren van de in de leden 2, 3 en 4 beschreven portefeuilleposities voor elke in artikel 325 quinquinquagies, lid 2, bedoelde „partial expected shortfall”-maatstaf waarvan de overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 1, bepaalde effectieve liquiditeitshorizon ten minste gelijk is aan LHj, scenario's van toekomstige schokken met een tijdshorizon van 10 dagen toe te passen.



Tabel 1

Liquiditeitshorizon j

Duur van liquiditeitshorizon j

(in dagen)

1

10

2

20

3

40

4

60

5

120

2.  
Bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde „partial expected shortfall”-maatstaven

en

voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1 van dit artikel, maar ook aan de volgende vereisten:
a) 
bij de berekening van

passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op een subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zodanig door de instelling zijn gekozen dat aan de volgende voorwaarde is voldaan, waarbij de som wordt overgenomen uit de voorgaande 60 werkdagen:

Een instelling die niet meer aan het vereiste van de eerste alinea van dit punt voldoet, stelt de bevoegde autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis en actualiseert de subset van de modelleerbare risicofactoren binnen twee weken om aan dat vereiste te voldoen; indien die instelling na twee weken niet aan dat vereiste voldoet, grijpt zij terug op de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering om voor sommige tradingafdelingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen, totdat zij in staat is aan de bevoegde autoriteit aan te tonen dat zij aan het vereiste van de eerste alinea van dit punt voldoet;

b) 
bij de berekening van

passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities die de instelling voor de toepassing van punt a) van dit lid heeft gekozen en die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies naar de brede risicofactorcategorie „i” zijn gemapt;
c) 
de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren bedoeld in de punten a) en b) worden toegepast, zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit een ononderbroken periode van twaalf maanden van financiële spanningen die zodanig door de instelling wordt gekozen dat de waarde van

maximaal is. Met het oog op het kiezen van die stressperiode maken instellingen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten gebruik van een waarnemingsperiode die ten minste vanaf 1 januari 2007 aanvangt; en
d) 
de gegevensinputs van

worden geijkt op de stressperiode van twaalf maanden die de instelling voor de toepassing van punt c) heeft gekozen.
3.  
Bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde partial expected shortfall-maatstaven

en

voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1 van dit artikel, maar ook aan de volgende vereisten:
a) 
bij de berekening van

passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities als bedoeld in lid 2, punt a);
b) 
bij de berekening van

passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities als bedoeld in lid 2, punt b);
c) 

de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren als bedoeld in dit lid, punten a) en b), worden toegepast, zijn geijkt op de in lid 4, punt c), bedoelde historische gegevens. Deze gegevens worden ten minste maandelijks geactualiseerd.

4.  
Bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde „partial expected shortfall”-maatstaven

en

voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1 van dit artikel, maar ook aan de volgende vereisten:
a) 
bij de berekening van

passen instellingen scenario's van toekomstige schokken toe op alle modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities;
b) 
bij de berekening van

passen instellingen scenario's van toekomstige schokken toe op alle modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies naar de brede risicofactorcategorie i zijn gemapt;
c) 

de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren als bedoeld in de punten a) en b) worden toegepast, zijn geijkt op historische gegevens uit de voorgaande periode van twaalf maanden; ingeval er zich een significante toename voordoet van de prijsvolatiliteit van een wezenlijk aantal modelleerbare risicofactoren van een portefeuille van een instelling die niet tot de subset van de risicofactoren als bedoeld in lid 2, punt a), behoren, kunnen de bevoegde autoriteiten van een instelling verlangen dat deze historische gegevens uit een kortere periode dan de voorgaande twaalf maanden hanteert, maar een dergelijke kortere periode is niet korter dan de voorgaande periode van zes maanden; de bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van elk besluit waarbij zij van een instelling verlangen dat deze historische gegevens uit een kortere periode dan twaalf maanden hanteert, en motiveren dat besluit.

5.  
Bij de berekening van een gegeven „partial expected shortfall”-maatstaf als bedoeld in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, handhaven instellingen de waarden van de modelleerbare risicofactoren waarop zij krachtens de leden 2, 3 en 4 van dit artikel geen scenario's van toekomstige schokken voor die „partial expected shortfall”-maatstaf hoeven toe te passen.

▼M17

6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het gebruik van data-inputs in het in dit artikel bedoelde risicometingsmodel, met inbegrip van criteria over de juistheid van gegevens en criteria voor het kalibreren van de data-inputs indien marktgegevens onvoldoende zijn.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 325 septquinquagies

Liquiditeitshorizons

1.  
Instellingen mappen elke risicofactor van posities die zijn toegewezen aan tradingafdelingen waarvoor zij de in artikel 325 terquinquagies, lid 2, bedoelde toestemming hebben gekregen of waarvoor zij de procedure volgen om die toestemming te krijgen, naar één van de in tabel 2 vermelde brede risicofactorcategorieën en naar één van de in genoemde tabel vermelde brede risicofactorsubcategorieën.
2.  
De liquiditeitshorizon van een risicofactor van de in lid 1 bedoelde posities is de liquiditeitshorizon van de overeenkomstige brede risicofactorsubcategorie waarnaar deze factor is gemapt.
3.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel mag een instelling voor een gegeven tradingafdeling besluiten de liquiditeitshorizon van een in tabel 2 van dit artikel vermelde brede risicofactorsubcategorie te vervangen door een van de in tabel 1 van artikel 325 sexquinquagies vermelde langere liquiditeitshorizons. Ingeval een instelling een dergelijk besluit neemt, is de langere liquiditeitshorizon van toepassing op alle modelleerbare risicofactoren van de aan die tradingafdeling toegewezen posities die naar die brede risicofactorsubcategorie zijn gemapt voor de berekening van de „partial expected shortfall”-maatstaf overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 1, punt c).

Een instelling stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de tradingafdelingen en de brede risicofactorsubcategorieën waarop zij heeft besloten de in de eerste alinea beschreven behandeling toe te passen.

▼C9

4.  

Voor de berekening van de „partial expected shortfall”maatstaven overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 1, punt c), wordt de effectieve liquiditeitshorizon van een gegeven modelleerbare risicofactor van een gegeven handelsportefeuillepositie of een niet-handelsportefeuillepositie waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico verbonden is, als volgt berekend:

▼M8



EffectiveLH =

SubCatLH if Mat > LH5

min (SubCatLH, minj {LHj/LHj ≥ Mat}) if LH1 ≤ Mat ≤ LH5

LH1 if Mat < LH1

waarbij:

EffectiveLH

=

de effectieve liquiditeitshorizon;

Mat

=

de looptijd van de handelsportefeuillepositie;

SubCatLH

=

de overeenkomstig lid 1 bepaalde duur van de liquiditeitshorizon van de modelleerbare risicofactor; en

minj {LHj/LHj ≥ Mat}

=

de duur van de in tabel 1 van artikel 325 sexquinquagies vermelde liquiditeitshorizon die het dichtst boven de looptijd van de handelsportefeuillepositie ligt.

5.  
Valutaparen die zijn samengesteld uit de euro en de valuta van een lidstaat die deelneemt aan ERM II, worden in de subcategorie van de meest liquide valutaparen binnen de brede wisselkoersrisicofactorcategorie van tabel 2 opgenomen.

▼M17

5 bis.  
Valuta’s van lidstaten die deelnemen aan ERM II worden in de subcategorie van de meest liquide valuta’s en nationale valuta’s binnen de brede renterisicofactorcategorie van tabel 2 opgenomen.

▼M8

6.  
Een instelling controleert ten minste maandelijks de adequaatheid van de in lid 1 bedoelde mapping.
7.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen:

a) 

hoe instellingen de risicofactoren van de posities als bedoeld in lid 1 naar brede risicofactorcategorieën en brede risicofactorsubcategorieën moeten mappen voor de toepassing van lid 1;

b) 

uit welke valuta's de subcategorie van meest liquide valuta's in de brede renterisicofactorcategorie van tabel 2 is samengesteld;

c) 

uit welke valutaparen de subcategorie van meest liquide valutaparen in de brede wisselkoersrisicofactorcategorie van tabel 2 is samengesteld;

d) 

welke definitie wordt gegeven aan kleine marktkapitalisatie en grote marktkapitalisatie voor de toepassing van de subcategorie aandelenkoers en volatiliteit in de brede aandelenrisicofactorcategorie van tabel 2.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 maart 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.



Tabel 2

Brede risicofactorcategorieën

Brede risicofactorsubcategorieën

Liquiditeitshorizons

Duur van de liquiditeitshorizon (in dagen)

Rente

Meest liquide valuta's en nationale valuta

1

10

Andere valuta's (met uitzondering van de meest liquide valuta's)

2

20

Volatiliteit

4

60

Andere soorten

4

60

Creditspread

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten

2

20

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten (investeringswaardig)

2

20

Staat (investeringswaardig)

2

20

Staat (hoog rendement)

3

40

Onderneming (investeringswaardig)

3

40

Onderneming (hoog rendement)

4

60

Volatiliteit

5

120

Andere soorten

5

120

Aandeel

Aandelenkoers (grote marktkapitalisatie)

1

10

Aandelenkoers (kleine marktkapitalisatie)

2

20

Volatiliteit (grote marktkapitalisatie)

2

20

Volatiliteit (kleine marktkapitalisatie)

4

60

Andere soorten

4

60

Wisselkoers

Meest liquide valutaparen

1

10

Andere valutaparen (met uitzondering van meest liquide valutaparen)

2

20

Volatiliteit

3

40

Andere soorten

3

40

Grondstof

Energieprijs en prijs van koolstofemissierechten

2

20

Prijs van edele metalen en prijs van non-ferrometalen

2

20

Andere grondstoffenprijzen (exclusief energieprijs, prijs van koolstofemissierechten, prijs van edele metalen en prijs van non-ferrometalen)

4

60

Volatiliteit van energie en volatiliteit van koolstofemissierechten

4

60

Volatiliteit van edele metalen en volatiliteit van non-ferrometalen

4

60

Volatiliteit van andere grondstoffen (exclusief volatiliteit van energie, volatiliteit van koolstofemissierechten, volatiliteit van edele metalen en volatiliteit van non-ferrometalen)

5

120

Andere soorten

5

120

Artikel 325 octoquinquagies

Beoordeling van de modelleerbaarheid van risicofactoren

1.  
Instellingen beoordelen de modelleerbaarheid van alle risicofactoren van de posities die zijn toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor zij de in artikel 325 terquinquagies, lid 2, bedoelde toestemming hebben gekregen of waarvoor zij de procedure volgen om die toestemming te krijgen.

▼M17

Ten behoeve van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling kunnen bevoegde autoriteiten instellingen toestaan om door een derde verkoper verschafte marktgegevens te gebruiken.

1 bis.  
Bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat een instelling een risicofactor die door de instelling overeenkomstig lid 1 van dit artikel als modelleerbaar is beoordeeld, als niet-modelleerbaar aanmerkt indien de data-inputs die zijn gebruikt om de scenario’s met toekomstige schokken te bepalen die op de risicofactor zijn toegepast, niet, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, aan de in artikel 325 sexquinquagies, lid 6, bedoelde vereisten voldoen.

▼M8

2.  
Als onderdeel van de in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling berekenen instellingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig artikel 325 quatersexagies voor de risicofactoren die niet modelleerbaar zijn.

▼M17

2 bis.  

In buitengewone omstandigheden, die zich voordoen in perioden van aanzienlijke afname van bepaalde handelsactiviteiten op financiële markten, kunnen bevoegde autoriteiten instellingen die de in dit hoofdstuk beschreven benadering gebruiken, toestaan om risicofactoren die overeenkomstig lid 1 door die instellingen als niet-modelleerbaar zijn aangemerkt, als modelleerbaar te beschouwen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de risicofactoren waarop de behandeling wordt toegepast, stemmen overeen met de handelsactiviteiten die aanzienlijk zijn afgenomen op financiële markten;

b) 

de behandeling wordt tijdelijk toegepast, en voor maximaal zes maanden binnen één boekjaar;

c) 

de behandeling doet de totale eigenvermogensvereisten voor marktrisico niet aanzienlijk dalen voor de instellingen die deze behandeling toepassen;

d) 

bevoegde autoriteiten stellen de EBA onmiddellijk in kennis van besluiten om instellingen toe te staan de in dit hoofdstuk beschreven benadering toe te passen waarbij als niet-modelleerbaar beoordeelde risicofactoren als modelleerbaar worden beschouwd, alsmede van de betrokken handelsactiviteiten, en onderbouwen dat besluit.

▼M17

3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria om de modelleerbaarheid van risicofactoren te beoordelen overeenkomstig lid 1, ook wanneer door een derde verkoper verschafte marktgegevens worden gebruikt, alsmede van de frequentie van die beoordeling.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 325 novoquinquagies

Wettelijke backtestingvereisten en vermenigvuldigingsfactoren

1.  

Voor de toepassing van dit artikel betekent een overschrijding een eendagsverandering in de waarde van een portefeuille van alle aan de tradingafdeling toegewezen posities die groter is dan de gerelateerde VaR-waarde die berekend is aan de hand van het alternatieve interne model van de instelling overeenkomstig de volgende vereisten:

a) 

de berekening van de VaR is onderworpen aan een aanhoudingsperiode van één dag;

b) 

op de in artikel 325 sexagies, lid 3, bedoelde risicofactoren van de posities van de tradingafdeling welke overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies als modelleerbaar worden aangemerkt, worden scenario's van toekomstige schokken toegepast;

c) 

gegevensinputs die worden gebruikt voor het bepalen van de op de modelleerbare risicofactoren toegepaste scenario's van toekomstige schokken, zijn geijkt op historische gegevens als bedoeld in artikel 325 sexquinquagies, lid 4, punt c);

d) 

tenzij in dit artikel anders is bepaald, is het alternatieve interne model van de instelling gebaseerd op dezelfde modelleringaannames als die welke voor de berekening van de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), bedoelde „expected shortfall”-risicomaatstaf worden gehanteerd.

2.  
Instellingen tellen dagelijkse overschrijdingen door middel van backtesting op de hypothetische en werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille die is samengesteld uit alle aan de tradingafdeling toegewezen posities.
3.  

Een tradingafdeling van een instelling wordt geacht te voldoen aan de backtestingvereisten indien het aantal overschrijdingen voor die tradingafdeling gedurende de laatste 250 werkdagen niet groter is dan:

a) 

12 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval op het 99e percentiel door middel van backtesting op de hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille;

b) 

12 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval op het 99e percentiel door middel van backtesting op de werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille;

c) 

30 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval op het 97,5e percentiel door middel van backtesting op de hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille;

d) 

30 overschrijdingen voor de VaR-waarde, berekend op basis van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval op het 97,5e percentiel door middel van backtesting op de werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille.

4.  

Instellingen tellen dagelijkse overschrijdingen overeenkomstig het volgende:

a) 

de backtesting op hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille wordt gebaseerd op een vergelijking tussen de eindedagswaarde van de portefeuille en, uitgaande van ongewijzigde posities, de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende dag;

b) 

de backtesting op werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille wordt gebaseerd op een vergelijking tussen de eindedagswaarde van de portefeuille en de werkelijke waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende dag, exclusief vergoedingen en commissies;

c) 

voor elke werkdag waarvoor de instelling niet in staat is de waarde van de portefeuille te beoordelen of de in lid 3 bedoelde VaR-waarde te berekenen, wordt een overschrijding geteld.

5.  
Voor de portefeuille van alle posities die zijn toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor de instelling de in artikel 325 terquinquagies, lid 2, bedoelde toestemming heeft gekregen om alternatieve interne modellen te gebruiken, berekent de instelling de in artikel 325 quaterquinquagies bedoelde vermenigvuldigingsfactor (mc) overeenkomstig dit artikel, leden 6 en 7.
6.  

►M17  De vermenigvuldigingsfactor (mc) is ten minste gelijk aan de som van 1,5 en een overeenkomstig tabel 3 bepaalde opslagfactor. Voor de in lid 5 bedoelde portefeuille wordt die opslagfactor berekend op basis van het aantal overschrijdingen gedurende de laatste 250 werkdagen dat de instelling bij de backtesting van de overeenkomstig punt a) van deze alinea berekende VaR-waarde heeft geconstateerd. De berekening van de opslagfactor is onderworpen aan de volgende vereisten: ◄

a) 

een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de portefeuille die meer bedraagt dan de gerelateerde VaR-waarde die is berekend aan de hand van het interne model van de instelling met inachtneming van de volgende vereisten:

i) 

er is een aanhoudingsperiode van één dag;

ii) 

er is een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval op het 99e percentiel;

iii) 

op de in artikel 325 sexagies, lid 3, bedoelde risicofactoren van de posities van de tradingafdeling welke overeenkomstig artikel 325 octoquinquagies als modelleerbaar worden aangemerkt, worden scenario's van toekomstige schokken toegepast;

iv) 

de gegevensinputs die worden gebruikt voor het bepalen van de op de modelleerbare risicofactoren toegepaste scenario's van toekomstige schokken, zijn geijkt op historische gegevens als bedoeld in artikel 325 sexquinquagies, lid 4, punt c);

v) 

tenzij in dit artikel anders is bepaald, is het interne model van de instelling gebaseerd op dezelfde modelleringaannames als die welke voor de berekening van de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), bedoelde „expected shortfall”-risicomaatstaf worden gehanteerd;

b) 

het aantal overschrijdingen is gelijk aan het aantal overschrijdingen bij hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille, of, indien dat hoger is, het aantal overschrijdingen bij de werkelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille.



Tabel 3

Aantal overschrijdingen

Opslagfactor

Minder dan 5

0,00

5

0,20

6

0,26

7

0,33

8

0,38

9

0,42

Meer dan 9

0,50

▼M17

In buitengewone omstandigheden kunnen bevoegde autoriteiten een instelling toestaan om:

a) 

de berekening van de opslagfactor te beperken tot de waarde die resulteert uit de overschrijdingen in het kader van backtesting op hypothetische veranderingen, indien het aantal overschrijdingen in het kader van backtesting op werkelijke veranderingen niet het gevolg is van gebreken in het alternatieve interne model van de instelling, en/of

b) 

de overschrijdingen uit te sluiten die worden geconstateerd door backtesting van hypothetische of werkelijke veranderingen van de berekening van de opslagfactor, indien die overschrijdingen niet het gevolg zijn van gebreken in het alternatieve interne model van de instelling.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea kunnen bevoegde autoriteiten de waarde van mc optrekken tot boven de in die alinea bedoelde som, indien een alternatief intern model van een instelling gebreken vertoont waardoor eigenvermogensvereisten voor marktrisico niet correct kunnen worden gemeten.

▼M8

7.  
De bevoegde autoriteiten monitoren de geschiktheid van de in lid 5 bedoelde vermenigvuldigingsfactor en de inachtneming door een tradingafdeling van de in lid 3 bedoelde backtestingvereisten. Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis van overschrijdingen als gevolg van hun backtestingprogramma en verstrekken een uitleg voor die overschrijdingen, en stellen de bevoegde autoriteiten daar in ieder geval binnen maximaal vijf werkdagen na de overschrijding van in kennis.

▼M17

8.  
In afwijking van de leden 2 en 6 kunnen de bevoegde autoriteiten een instelling toestaan een overschrijding niet mee te tellen indien een eendagsverandering in de waarde van haar portefeuille die groter is dan de gerelateerde, aan de hand van het interne model van de instelling berekende VaR-waarde is toe te schrijven aan een niet-modelleerbare risicofactor.

▼M8

9.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de technische elementen die voor de toepassing van dit artikel in de werkelijke en hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille van een instelling moeten worden opgenomen.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 maart 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

10.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen volgens welke voorwaarden en criteria een instelling kan worden toegestaan een overschrijding niet mee te tellen indien de eendagsverandering in de waarde van haar portefeuille die groter is dan de gerelateerde, aan de hand van het interne model van de instelling berekende VaR-waarde is toe te schrijven aan een niet-modelleerbare risicofactor.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

Artikel 325 sexagies

Vereiste inzake de toeschrijving van winsten en verliezen

▼M17

1.  
Een tradingafdeling van een instelling voldoet aan de vereisten inzake P&L-toeschrijving indien de theoretische veranderingen in de waarde van een portefeuille van een tradingafdeling, op basis van het risicometingsmodel van de instelling, dicht of dicht genoeg in de buurt liggen van de op basis van het prijsmodel van de instelling bepaalde hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille van die tradingafdeling.
2.  
Onverminderd lid 1 van dit artikel berekent een instelling, indien de theoretische veranderingen in de waarde van een portefeuille van een tradingafdeling, op basis van het risicometingsmodel van de instelling, dicht genoeg in de buurt liggen van de op basis van het prijsmodel van de instelling bepaalde hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille van die tradingafdeling, voor alle aan die tradingafdeling toegewezen posities een aanvullend-eigenvermogensvereiste op de in artikel 325 quaterquinquagies, leden 1 en 2, bedoelde eigenvermogensvereisten.
3.  
Op basis van de resultaten van het in lid 1 van dit artikel bedoelde vereiste inzake de P&L-toeschrijving, stelt een instelling een nauwkeurige lijst op van de risicofactoren in haar risicometingsmodel die geschikt worden geacht om na te gaan of de instelling aan het in artikel 325 novoquinquagies beschreven backtestingvereiste voldoet, en documenteert zij deze lijst. De instelling houdt elke wijziging van de lijst van die risicofactoren bij.

▼M8

4.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

▼M17

a) 

de criteria om te bepalen of de theoretische veranderingen in de waarde van een portefeuille van een tradingafdeling dicht of dicht genoeg in de buurt liggen van de hypothetische veranderingen in de waarde van een portefeuille van de tradingafdeling voor de toepassing van lid 1, rekening houdende met internationale ontwikkelingen in de regelgeving;

b) 

het in lid 2 bedoelde aanvullend-eigenvermogensvereiste;

▼M8

c) 

de frequentie van de door een instelling uit te voeren P&L-toeschrijving;

d) 

de technische elementen die moeten worden opgenomen in de theoretische en hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille van een tradingafdeling, zulks voor de toepassing van dit artikel;

▼M17 —————

▼M17

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

▼M8

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 325 unsexagies

Vereisten inzake risicometing

1.  

Instellingen die overeenkomstig artikel 325 quaterquinquagies gebruik maken van een intern risicometingsmodel om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen, zorgen ervoor dat dat model aan alle volgende vereisten voldoet:

a) 

het interne risicometingsmodel houdt rekening met een voldoende aantal risicofactoren, die ten minste de in hoofdstuk 1 bis, afdeling 3, onderafdeling 1, vermelde risicofactoren omvatten, tenzij de instelling aan de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat het buiten beschouwing laten van deze risicofactoren geen wezenlijk effect heeft op de resultaten van het in artikel 325 sexagies bedoelde vereiste inzake de P&L-toeschrijving; een instelling kan aan de bevoegde autoriteiten uitleggen waarom zij een risicofactor wel in haar prijsmodel maar niet in haar interne risicometingsmodel heeft verwerkt;

b) 

het interne risicometingsmodel houdt rekening met zowel de niet-lineariteit van opties en andere producten als het correlatierisico en het basisrisico;

c) 

het interne risicometingsmodel omvat een set van risicofactoren die corresponderen met de rentes voor elk van de valuta's waarin de instelling renterisicogevoelige posities binnen of buiten de balanstelling inneemt; de instelling modelleert de rendementscurves door middel van een van de algemeen aanvaarde benaderingen; de rendementscurve wordt in verschillende looptijdsegmenten verdeeld om de door de volatiliteit van de rentevoeten veroorzaakte variaties weer te geven; voor wezenlijke blootstellingen aan renterisico in de voornaamste valuta's en markten wordt de rendementscurve met ten minste zes looptijdsegmenten gemodelleerd en het aantal risicofactoren dat wordt gehanteerd om de rendementscurve te modelleren, staat in verhouding tot de aard en complexiteit van de handelsstrategieën van de instelling; het model houdt ook rekening met de risicospread van niet perfect gecorreleerde bewegingen tussen verschillende rendementscurves of verschillende financiële instrumenten van dezelfde onderliggende uitgevende instelling;

▼M17

d) 

het interne risicometingsmodel omvat risicofactoren die corresponderen met goud en met de afzonderlijke vreemde valuta’s waarin de posities van de instelling luiden. Voor icb’s worden de feitelijke valutaposities van de icb in aanmerking genomen. Instellingen mogen zich baseren op de rapportage van een externe partij over de deviezenposities van de icb, mits de deugdelijkheid van die rapportage naar behoren is aangetoond;

▼M8

e) 

de geavanceerdheid van de modelleringstechniek staat in verhouding tot de materialiteit van de activiteiten van de instellingen op de aandelenmarkten; het interne risicometingsmodel gebruikt een afzonderlijke risicofactor voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling significante posities inneemt en ten minste één risicofactor die systemische bewegingen in aandelenkoersen en de afhankelijkheid van die risicofactor ten opzichte van de individuele risicofactoren voor elke aandelenmarkt weergeeft;

f) 

het interne risicometingsmodel gebruikt een afzonderlijke risicofactor voor ten minste elke grondstof waarin de instelling significante posities inneemt, tenzij de instelling een kleine geaggregeerde grondstoffenpositie heeft in vergelijking met al haar handelsactiviteiten; in dat geval kan het een afzonderlijke risicofactor gebruiken voor elk breed type grondstof; voor wezenlijke blootstellingen met betrekking tot grondstoffenmarkten houdt het model rekening met het risico van niet perfect gecorreleerde bewegingen tussen grondstoffen die wel vergelijkbaar, doch niet identiek zijn, de blootstelling aan uit looptijdmismatches voortvloeiende veranderingen in termijnkoersen en de convenience yield tussen derivaten en contante posities;

g) 

de vervangende gegevens die worden gebruikt, hebben in het verleden bewezen adequaat te zijn voor de feitelijke aangehouden positie, zijn voldoende conservatief en worden, ook tijdens de in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, punt c), bedoelde stressperiode, alleen gebruikt als de beschikbare gegevens ontoereikend zijn;

h) 

voor wezenlijke blootstellingen aan volatiliteitsrisico's verbonden aan instrumenten met optionaliteit geeft het interne risicometingsmodel de afhankelijkheid van impliciete volatiliteiten tussen uitoefenprijzen en looptijden van opties weer;

▼M17

i) 

voor posities in icb’s hanteren instellingen voor onderliggende posities in icb’s ten minste op weekbasis de doorkijkbenadering om hun eigenvermogensvereisten overeenkomstig dit hoofdstuk te berekenen; een wekelijkse uitvoering van de doorkijkbenadering laat de instellingen toe de risico’s te monitoren die voortvloeien uit significante veranderingen in de samenstelling van de icb; instellingen die niet over adequate gegevens of informatie beschikken om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van een icb-positie overeenkomstig de doorkijkbenadering te berekenen, mogen een beroep doen op een derde om die data-inputs of informatie te verkrijgen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de derde is een van de volgende entiteiten:

1) 

de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

2) 

de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat zij aan de in artikel 132, lid 3, punt a), bepaalde criteria voldoet;

3) 

een derde verkoper, op voorwaarde dat de gegevens, informatie of risicomaatstaven worden verstrekt of berekend door de in punt 1 of 2 van dit punt bedoelde derden of een andere, soortgelijke derde verkoper;

ii) 

de derde verschaft de instelling de gegevens, informatie of risicomaatstaven om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van de icb-positie overeenkomstig de in de eerste alinea bedoelde doorkijkbenadering te berekenen;

iii) 

een externe accountant van de instelling heeft de adequaatheid van de in punt ii) bedoelde gegevens, informatie of risicomaatstaven van de derde bevestigd en de bevoegde autoriteit heeft, op verzoek, onbeperkte toegang tot die gegevens, informatie of risicomaatstaven.

▼M17

2.  
Een instelling mag binnen brede risicofactorcategorieën en, voor de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde „unconstrained expected shortfall”-maatstaf (UESt), tussen brede risicofactorcategorieën empirische correlaties hanteren, doch uitsluitend indien de door de instelling voor het meten van de correlaties gevolgde benadering solide is, consistent is met ofwel de toepasselijke liquiditeitshorizonten of, ten genoegen van de bevoegde autoriteit, de basistijdhorizon van tien dagen van artikel 325 sexquinquagies, lid 1, en op deugdelijke wijze wordt toegepast.

▼M17 —————

▼M8

Artikel 325 duosexagies

Kwalitatieve vereisten

1.  

De voor de toepassing van dit hoofdstuk gebruikte interne risicometingsmodellen zijn conceptueel solide, worden op deugdelijke wijze berekend en toegepast, en voldoen aan elk van de volgende kwalitatieve vereisten:

a) 

interne risicometingsmodellen die voor de berekening van de kapitaalvereisten voor het risico worden gebruikt, zijn in hoge mate geïntegreerd in de dagelijkse risicobeheerprocedure van de instelling en dienen als basis voor het rapporteren van risicoblootstellingen aan de directie;

▼M17

b) 

een instelling beschikt over een afdeling risicobeheersing die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en rechtstreeks aan de directie rapporteert; die afdeling:

i) 

is belast met het ontwerp en de uitvoering van alle interne risicometingsmodellen die in de alternatieve internemodellenbenadering voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gebruikt;

ii) 

is belast met het algemene risicobeheersysteem;

iii) 

produceert en analyseert dagelijks rapporten over de output van de voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico gehanteerde interne modellen en over de inzake transactielimieten te nemen passende maatregelen;

▼M8

c) 

het leidinggevend orgaan en de directie zijn actief bij de risicobeheersingsprocedure betrokken; de door de afdeling risicobeheersing opgestelde dagelijkse rapporten worden getoetst door een directie-echelon dat voldoende gezag heeft om zowel verminderingen van de door individuele handelaren ingenomen posities als verminderingen in de totale risicoblootstelling van de instelling te eisen;

d) 

de instelling beschikt over voldoende personeel met een opleidingsniveau dat aansluit bij de geavanceerdheid van de interne risicometingsmodellen, en voldoende personeel dat onderlegd is op de gebieden handel, risicobeheersing, accountantscontrole en administratieve verwerking;

e) 

de instelling beschikt over een in documentatie vastgelegde reeks interne beleidslijnen, procedures en controles voor het monitoren en waarborgen van de overeenstemming van al haar interne risicometingsmodellen met de algemene activiteiten;

f) 

alle interne risicometingsmodellen, met inbegrip van prijsmodellen, zijn in het verleden redelijk accuraat gebleken bij het meten van risico's en verschillen niet significant van de modellen die de instelling voor haar interne risicobeheer gebruikt;

g) 

de instelling voert frequent stringente programma's van stresstests uit, met inbegrip van reverse stresstests, dat ook alle interne risicometingsmodellen omvat; de uitkomsten van deze stresstests worden ten minste maandelijks door de directie getoetst en stroken met de beleidslijnen en limieten die door het leidinggevend orgaan zijn goedgekeurd; de instelling neemt passende maatregelen indien de resultaten van deze stresstests duiden op buitensporige verliezen die onder bepaalde omstandigheden uit de handelsactiviteiten van de instelling voortvloeien;

h) 

de instelling verricht ten genoegen van de bevoegde autoriteiten een onafhankelijke toetsing van haar interne risicometingsmodellen, ofwel als onderdeel van haar periodieke interne auditprocedure, ofwel door een externe onderneming opdracht te geven die toetsing te verrichten.

▼M17

Een validatieafdeling, die losstaat van de in de eerste alinea, punt b), bedoelde afdeling risicobeheersing, voert de initiële en doorlopende validatie uit van de in de alternatieve internemodellenbenadering gebruikte interne risicometingsmodellen voor de toepassing van dit hoofdstuk.

▼M8

Voor de toepassing van punt h) van de eerste alinea wordt onder externe onderneming een onderneming verstaan die audit- of adviesdiensten ten behoeve van instellingen verricht en die beschikt over personeel dat voldoende onderlegd is op het gebied van marktrisico, verbonden aan handelsactiviteiten.

2.  

De in lid 1, punt h), bedoelde toetsing heeft betrekking op zowel de activiteiten van de handelsafdelingen als de activiteiten van de onafhankelijke afdeling risicobeheersing. Ten minste eenmaal per jaar verricht de instelling een toetsing van haar algehele risicobeheerprocedure. Bij deze toetsing worden de volgende elementen beoordeeld:

a) 

de adequaatheid van de documentatie over het risicobeheersysteem en de risicobeheerprocedure en van de organisatie van de afdeling risicobeheersing;

b) 

de integratie van risicomaatstaven in het dagelijkse risicobeheer en de deugdelijkheid van het beheersinformatiesysteem;

c) 

de procedures die de instelling toepast voor het goedkeuren van de risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in de handelsafdelingen en de afdeling administratieve verwerking worden gebruikt;

d) 

de reikwijdte van de risico's waarmee het model rekening houdt, de nauwkeurigheid en adequaatheid van het risicometingssysteem, en de validering van significante veranderingen in het interne risicometingsmodel;

e) 

de juistheid en volledigheid van positiegegevens, de juistheid en adequaatheid van aannames over volatiliteit en correlaties, de juistheid van waarderings- en risicogevoeligheidsberekeningen en de nauwkeurigheid en geschiktheid voor het genereren van vervangende gegevens ingeval de beschikbare gegevens niet volstaan om aan de in dit hoofdstuk vastgelegde vereisten te voldoen;

f) 

de verificatieprocedure die de instelling hanteert ter beoordeling van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor haar interne risicometingsmodellen worden gebruikt, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen;

g) 

de verificatieprocedure die de instelling hanteert ter beoordeling van de backtestingvereisten en de vereisten inzake de P&L-toeschrijving teneinde de nauwkeurigheid van de interne risicometingsmodellen te toetsen;

h) 

ingeval de toetsing overeenkomstig dit artikel, lid 1, punt h), door een externe onderneming wordt verricht, de verificatie of de in artikel 325 tersexagies beschreven interne validatieprocedure haar doelstellingen realiseert.

3.  
Instellingen actualiseren de technieken en praktijken die zij gebruiken voor alle interne risicometingsmodellen die voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gebruikt teneinde rekening te houden met de nieuwe technieken en beste praktijken die zich met betrekking tot deze interne risicometingsmodellen ontwikkelen.

Artikel 325 tersexagies

Interne validatie

1.  
Instellingen beschikken over procedures om te waarborgen dat alle interne risicometingsmodellen die voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gebruikt, op adequate wijze zijn gevalideerd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn geweest, zodat die modellen conceptueel solide zijn en op adequate wijze met alle wezenlijke risico's rekening houden.
2.  

Instellingen verrichten de in lid 1 bedoelde validatie in de volgende omstandigheden:

a) 

wanneer een intern risicometingsmodel voor het eerst wordt ontwikkeld en wanneer er significante veranderingen in het model worden aangebracht;

b) 

periodiek en wanneer de markt significante structurele veranderingen of de samenstelling van de portefeuille veranderingen heeft ondergaan die ertoe kunnen leiden dat het interne risicometingsmodel niet langer adequaat is.

3.  

De validatie van de interne risicometingsmodellen van een instelling blijft niet beperkt tot de backtestingvereisten en de vereisten inzake de P&L-toeschrijving, maar omvat ten minste ook de volgende aspecten:

a) 

tests om na te gaan of de in het kader van het interne model gehanteerde aannames passend zijn en het risico niet onder- of overschatten;

b) 

eigen tests voor de validatie van het interne model, met inbegrip van backtesting naast de wettelijk vereiste backtestingprogramma's, die betrekking hebben op de risico's en structuur van hun portefeuilles;

c) 

gebruik van hypothetische portefeuilles om er zeker van te zijn dat het interne risicometingsmodel in staat is rekening te houden met welbepaalde structurele kenmerken die zich kunnen voordoen, zoals wezenlijke basisrisico's en het concentratierisico of de risico's die aan het gebruik van vervangende gegevens verbonden zijn.

Artikel 325 quatersexagies

Berekening van de stressscenariorisicomaatstaf

1.  
De stressscenariorisicomaatstaf van een gegeven niet-modelleerbare risicofactor is het verlies dat wordt geleden op alle handelsportefeuilleposities of niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is van de portefeuille die deze niet-modelleerbare risicofactor omvat, indien op die risicofactor een extreem scenario van toekomstige schokken wordt toegepast.
2.  
Voor alle niet-modelleerbare risicofactoren ontwikkelen instellingen ten genoegen van hun bevoegde autoriteiten passende extreme scenario's van toekomstige schokken.
3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de wijze waarop instellingen de op niet-modelleerbare risicofactoren toepasselijke extreme scenario's van toekomstige schokken moeten ontwikkelen en de wijze waarop zij die extreme scenario's van toekomstige schokken op deze risicofactoren moeten toepassen;

b) 

een wettelijk extreem scenario van toekomstige schokken voor elke in tabel 2 van artikel 325 septquinquagies vermelde brede risicofactorsubcategorie, dat instellingen mogen gebruiken ingeval zij geen extreem scenario van toekomstige schokken kunnen ontwikkelen overeenkomstig punt a) van deze alinea, of dat de bevoegde autoriteiten instellingen kunnen verplichten toe te passen ingeval zij niet tevreden zijn met het door de instelling ontwikkelde extreme scenario van toekomstige schokken;

c) 

de omstandigheden waaronder instellingen voor meer dan een niet-modelleerbare risicofactor een stressscenariorisicomaatstaf mogen berekenen;

d) 

de manier waarop instellingen de stressscenariorisicomaatstaven van alle niet-modelleerbare risicofactoren die zijn opgenomen in hun handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is, moeten aggregeren.

Bij de ontwikkeling van die ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de EBA rekening met het vereiste dat het niveau van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van een niet-modelleerbare risicofactor als beschreven in dit artikel, even hoog moet zijn als het niveau van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico dat krachtens dit hoofdstuk zou zijn berekend, mocht deze risicofactor modelleerbaar zijn geweest.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 september 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Afdeling 3

Intern wanbetalingsrisicomodel

Artikel 325 quinsexagies

Werkingssfeer van het interne wanbetalingsrisicomodel

1.  
Voor alle posities van een instelling die zijn toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor de instelling de in artikel 325 terquinquagies, lid 1, bedoelde toestemming heeft gekregen, geldt een eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico ingeval die posities overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 1, ten minste naar één van de brede risicofactorcategorieën „aandelen” of „creditspread” zijn gemapt. Dat eigenvermogensvereiste, dat een aanvulling vormt op het in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, bedoelde eigenvermogensvereiste, wordt berekend met behulp van het interne wanbetalingsrisicomodel. Dat model voldoet aan de in deze afdeling neergelegde vereisten.
2.  
Voor elk van de in lid 1 bedoelde posities vermeldt een instelling één uitgevende instelling van verhandelbare schuld- of aandeleninstrumenten waarop ten minste één risicofactor betrekking heeft.

Artikel 325 sexsexagies

Toestemming voor het gebruiken van een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  
De bevoegde autoriteiten verlenen een instelling toestemming voor het gebruiken van een intern wanbetalingsrisicomodel om de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 2, bedoelde eigenvermogensvereisten te berekenen voor alle in artikel 325 quinsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities die aan een tradingafdeling zijn toegewezen waarvan het interne wanbetalingsrisicomodel voldoet aan de in artikelen 325 duosexagies, 325 tersexagies, 325 septsexagies, 325 octosexagies en 325 novosexagies beschreven voorwaarden.
2.  
Indien de tradingafdeling van een instelling waaraan ten minste één van de in artikel 325 quinsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities is toegewezen, niet aan de vereisten van lid 1 van dit artikel voldoet, worden de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van alle posities van die tradingafdeling berekend volgens de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering.

Artikel 325 septsexagies

Eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico volgens een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  

Voor de portefeuille van alle in artikel 325 quinsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities berekenen instellingen op de volgende wijze de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico met behulp van een intern wanbetalingsrisicomodel:

a) 

de eigenvermogensvereisten zijn gelijk aan een VaR-waarde die potentiële verliezen in de marktwaarde van de portefeuille meet die zijn veroorzaakt door het in gebreke blijven van de uitgevende instellingen waarop deze posities betrekking hebben, met een betrouwbaarheidsinterval van 99,9 % over een tijdshorizon van één jaar;

b) 

het in punt a) bedoelde potentiële verlies is een direct of indirect verlies op de marktwaarde van een positie dat is veroorzaakt door het in gebreke blijven van de uitgevende instellingen, en dat bij de verliezen komt waarmee reeds bij de actuele waardering van de positie rekening is gehouden; de wanbetaling van de uitgevende instellingen van aandelenposities wordt weergegeven door het vaststellen op nul van de waarden van de aandelenkoersen van de uitgevende instellingen;

c) 

instellingen bepalen wanbetalingscorrelaties tussen verschillende uitgevende instellingen op basis van een conceptueel solide methodiek en aan de hand van objectieve historische gegevens over marktconforme creditspreads of aandelenkoersen die betrekking hebben op een periode van ten minste 10 jaar die ook de overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 2, door de instelling bepaalde stressperiode omvat; de berekening van wanbetalingscorrelaties tussen verschillende uitgevende instellingen wordt geijkt op een tijdshorizon van één jaar;

d) 

het interne wanbetalingsrisicomodel wordt gebaseerd op de aanname dat de positie over de tijdshorizon van één jaar constant blijft.

2.  
Instellingen berekenen ten minste wekelijks het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico met behulp van een in lid 1 bedoeld intern wanbetalingsrisicomodel.
3.  
In afwijking van lid 1, punten a) en c), mag een instelling voor de berekening van het wanbetalingsrisico van bepaalde of alle aandelenposities, in voorkomend geval, de eenjarige tijdshorizon vervangen door een tijdshorizon van 60 dagen. In dat geval strookt de berekening van wanbetalingscorrelaties tussen aandelenkoersen en kansen op wanbetaling met een tijdshorizon van 60 dagen, en strookt de berekening van wanbetalingscorrelaties tussen aandelenkoersen en obligatiekoersen met een eenjarige tijdshorizon.

Artikel 325 octosexagies

Inaanmerkingneming van afdekkingen in een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  
Instellingen mogen afdekkingen in hun interne wanbetalingsrisicomodel verwerken en mogen posities verrekenen indien de lange en de korte posities betrekking hebben op hetzelfde financiële instrument.
2.  
Instellingen mogen in hun interne wanbetalingsrisicomodel uitsluitend rekening houden met de impact van afdekking of diversificatie in verband met lange en korte posities die op verschillende instrumenten of verschillende effecten van dezelfde debiteur betrekking hebben, dan wel in verband met lange en korte posities ten aanzien van verschillende uitgevende instellingen, door de bruto lange en korte posities in de verschillende instrumenten uitdrukkelijk te modelleren, waarbij ook de basisrisico's tussen verschillende uitgevende instellingen worden gemodelleerd.

▼M17

3.  
De instellingen geven in hun interne wanbetalingsrisicomodel wezenlijke basisrisico’s weer in afdekkingsstrategieën die voortvloeien uit verschillen in het soort product, de rangorde in de kapitaalstructuur, de interne of externe rating, de looptijd, de emissiedatum en andere verschillen.

De instellingen zorgen ervoor dat looptijdmismatches tussen een afdekkingsinstrument en het afgedekte instrument die zich tijdens de tijdshorizon van één jaar kunnen voordoen en die niet in hun interne wanbetalingsrisicomodel zijn opgenomen, niet leiden tot een wezenlijke onderschatting van het risico.

De instellingen nemen een afdekkingsinstrument alleen in aanmerking voor zover het ook kan worden aangehouden als een met de debiteur verband houdende krediet- of andere gebeurtenis nadert.

▼M8

Artikel 325 novosexagies

Bijzondere vereisten voor een intern wanbetalingsrisicomodel

1.  
Het in artikel 325 sexsexagies, lid 1, bedoelde interne wanbetalingsrisicomodel biedt de mogelijkheid zowel de wanbetaling van individuele uitgevende instellingen als de gelijktijdige wanbetaling van meerdere uitgevende instellingen te modelleren en houdt rekening met het effect van deze wanbetalingen op de marktwaarden van de posities die onder de werkingssfeer van dat model vallen. Daartoe wordt de wanbetaling van elke individuele uitgevende instelling gemodelleerd aan de hand van twee typen systematische risicofactoren.
2.  
Het interne wanbetalingsrisicomodel weerspiegelt de conjunctuurcyclus, met inbegrip van de afhankelijkheid tussen herstelpercentages en de in lid 1 bedoelde systematische risicofactoren.
3.  
Het interne wanbetalingsrisicomodel weerspiegelt het niet-lineaire effect van opties en andere posities met wezenlijk niet-lineair gedrag met betrekking tot prijsveranderingen. Instellingen houden ook naar behoren rekening met de omvang van het modelrisico bij de waardering en raming van de prijsrisico's die aan dergelijke producten verbonden zijn.
4.  
Het interne wanbetalingsrisicomodel is op objectieve en geactualiseerde gegevens gebaseerd.
5.  

De door de instelling verrichte ramingen van de kansen op wanbetaling voor de simulatie in het interne wanbetalingsrisicomodel van de wanbetaling van uitgevende instellingen voldoet aan de volgende vereisten:

▼M17

a) 

voor de kansen op wanbetaling geldt een minimum van 0,01  % voor blootstellingen waarop overeenkomstig de artikelen 114 tot en met 118 een risicogewicht van 0 % wordt toegepast, en van 0,01  % voor gedekte obligaties waarop overeenkomstig artikel 129 een risicogewicht van 10 % wordt toegepast; in overige gevallen geldt voor de kansen op wanbetaling een minimum van 0,03  %;

▼M8

b) 

de kansen op wanbetaling zijn op een tijdshorizon van één jaar gebaseerd, tenzij in deze afdeling anders is bepaald;

c) 

de kans op wanbetaling wordt - uitsluitend of in combinatie met actuele marktprijzen - gemeten aan de hand van gedurende een historische periode van ten minste vijf jaar waargenomen gegevens van daadwerkelijke wanbetalingen en extreme dalingen van marktprijzen die gelijkwaardig zijn aan wanbetalingen; de kansen op wanbetaling worden niet uitsluitend van actuele marktprijzen afgeleid;

▼M17

d) 

een instelling die toestemming heeft gekregen om overeenkomstig titel II, hoofdstuk 3, afdeling 1, kansen op wanbetaling te ramen voor de blootstellingscategorie die en het ratingsysteem dat met een bepaalde uitgevende instelling overeenstemt, gebruikt de daarin vastgelegde methodiek om de kansen op wanbetaling van die uitgevende instelling te berekenen, op voorwaarde dat de gegevens voor die raming beschikbaar zijn;

e) 

een instelling die geen toestemming heeft gekregen om de in punt d) bedoelde kansen op wanbetaling te ramen, ontwikkelt een interne methodiek of maakt gebruik van externe bronnen om deze kansen op wanbetaling consistent met de vereisten van dit artikel ten aanzien van ramingen van kansen op wanbetaling te ramen.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), zijn de gegevens om de kansen op wanbetaling van een bepaalde uitgevende instelling voor een positie in de handelsportefeuille te ramen, beschikbaar wanneer, op de datum van berekening, de instelling een positie in de niet-handelsportefeuille heeft voor dezelfde debiteur waarvoor zij overeenkomstig titel II, hoofdstuk 3, afdeling 1, kansen op wanbetaling raamt om haar eigenvermogensvereisten uit dat hoofdstuk te berekenen.

▼M8

6.  

De door de instelling verrichte ramingen van het verlies bij wanbetaling voor de simulatie in het interne wanbetalingsrisicomodel van de wanbetaling van uitgevende instellingen voldoet aan de volgende vereisten:

a) 

voor de ramingen van het verlies bij wanbetaling geldt een minimum van 0 %;

b) 

de ramingen van het verlies bij wanbetaling weerspiegelen de rang van elke positie;

▼M17

c) 

een instelling die toestemming heeft gekregen om overeenkomstig titel II, hoofdstuk 3, afdeling 1, de LGD te ramen voor de blootstellingscategorie die en het ratingsysteem dat met een bepaalde blootstelling overeenstemt, gebruikt de daarin vastgelegde methodiek om de kansen op wanbetaling van die uitgevende instelling te berekenen, op voorwaarde dat de gegevens voor die raming beschikbaar zijn;

d) 

een instelling die geen toestemming heeft gekregen om de in punt c) bedoelde LGD te ramen, ontwikkelt een interne methodiek of maakt gebruik van externe bronnen om de LGD consistent met de vereisten van dit artikel ten aanzien van ramingen van LGD te ramen.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), zijn de gegevens om de LGD van een bepaalde uitgevende instelling voor een positie in de handelsportefeuille te ramen, beschikbaar wanneer, op de datum van berekening, de instelling een positie in de niet-handelsportefeuille heeft voor dezelfde blootstelling waarvoor zij overeenkomstig titel II, hoofdstuk 3, afdeling 1, de LGD raamt om haar eigenvermogensvereisten uit dat hoofdstuk te berekenen.

▼M8

7.  

Als onderdeel van de onafhankelijke toetsing en validatie van de interne modellen die zij gebruiken voor de toepassing van dit hoofdstuk, inclusief de toepassing van het risicometingssysteem, verrichten instellingen alle volgende handelingen:

a) 

zij verifiëren of hun benadering voor het modelleren van correlaties en prijsveranderingen, met inbegrip van de keuze en gewichten van de systematische risicofactoren in het model, geschikt is voor hun portefeuille;

b) 

zij verrichten diverse stresstests, met inbegrip van gevoeligheidsanalyses en scenarioanalyses, om de kwalitatieve en kwantitatieve redelijkheid van het interne wanbetalingsrisicomodel te beoordelen, met name wat de behandeling van concentraties betreft; en

c) 

zij passen de geschikte kwantitatieve validatie toe, met inbegrip van relevante benchmarks voor interne modellering.

De in punt b) bedoelde tests blijven niet beperkt tot gebeurtenissen die zich in het verleden hebben voorgedaan.

8.  
Het interne wanbetalingsrisicomodel geeft op afdoende wijze concentraties van uitgevende instellingen weer, alsook concentraties die onder stressomstandigheden binnen en tussen productcategorieën kunnen ontstaan.
9.  
Het interne wanbetalingsrisicomodel is consistent met de interne risicobeheermethoden die door de instelling worden gevolgd voor het detecteren, meten en beheren van handelsrisico's.
10.  
Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor het bepalen van de aannames over wanbetalingscorrelaties tussen verschillende uitgevende instellingen overeenkomstig artikel 325 septsexagies, lid 1, punt c), en van de keuze van de voorkeursmethoden om de in dit artikel, lid 5, punt e), bedoelde kans op wanbetaling en het in lid 6, punt d), bedoelde verlies bij wanbetaling te ramen.
11.  
Instellingen documenteren hun interne modellen zodanig dat de correlatie- en andere modelleringsaannames ervan transparant zijn voor de bevoegde autoriteiten.
12.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de vereisten waaraan een interne methodiek of externe bronnen van een instelling moeten voldoen voor de raming van de kansen op wanbetaling en de verliezen bij wanbetaling overeenkomstig lid 5, punt e), en lid 6, punt d).

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 september 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

HOOFDSTUK 2

Eigenvermogensvereisten voor het positierisico

Afdeling 1

Algemene bepalingen en specifieke instrumenten

Artikel 326

Eigenvermogensvereisten voor het positierisico

Het eigenvermogensvereiste van een instelling voor het positierisico is de som van de eigenvermogensvereisten voor het algemeen en het specifiek risico van haar posities in schuldinstrumenten en aandeleninstrumenten. Securitisatieposities in de handelsportefeuille worden behandeld als schuldinstrumenten.

Artikel 327

Verrekening

1.  
De absolute waarde van het saldo van de lange (korte) posities van een instelling tegenover haar korte (lange) posities in dezelfde aandelen, schuldinstrumenten en converteerbare waardepapieren en identieke financiële futures, opties, warrants en gedekte warrants, is haar nettopositie in elk van de verschillende instrumenten. Bij de berekening van de nettopositie worden posities in afgeleide instrumenten behandeld op de in de artikelen 328 tot en met 330 bepaalde wijze. Door de instelling gehouden eigen schuldinstrumenten worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de kapitaalvereisten voor specifiek risico overeenkomstig artikel 336.
2.  
Tussen een converteerbaar waardepapier en een compenserende positie in het onderliggende instrument is geen verrekening toegestaan, tenzij de bevoegde autoriteiten een benadering volgen waarbij rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid van de conversie van een bepaald converteerbaar waardepapier, of een eigenvermogensvereiste voorschrijven ter dekking van eventuele bij conversie geleden verliezen. Dergelijke benaderingen of eigenvermogensvereisten worden ter kennis van de EBA gebracht. De EBA houdt toezicht op de diverse praktijken op dit gebied en vaardigt richtsnoeren uit overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
3.  
Alle nettoposities, ongeacht of zij positief of negatief zijn, worden voordat zij worden samengevoegd, op dagbasis tegen de geldende contante wisselkoers omgerekend in de rapportagevaluta van de instelling.

Artikel 328

Rentefutures en termijncontracten

1.  
Rentefutures, rentetermijncontracten (FRA's) en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van schuldinstrumenten worden behandeld als combinaties van lange en korte posities. Aldus wordt een lange rentefuturepositie behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of de notionele positie die aan het futurecontract in kwestie ten grondslag liggen. Evenzo wordt een verkocht FRA behandeld als een lange positie die vervalt op de afwikkelingsdatum, verlengd met de contractduur, en een korte positie die vervalt op de afwikkelingsdatum. Zowel de opgenomen lening als de vordering wordt opgenomen in de eerste categorie van tabel 1 in artikel 336 voor de berekening van het eigenvermogensvereiste voor specifiek risico in verband met rentefutures en FRA's. Een termijnverbintenis tot aankoop van een schuldinstrument wordt behandeld als een combinatie van een lening die vervalt op de leveringsdatum en een lange (contante) positie in het schuldinstrument zelf. De lening wordt opgenomen in de eerste categorie van tabel 1 in artikel 336 voor specifiek risico en het schuldinstrument in de daarvoor geschikte kolom in dezelfde tabel.
2.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "lange positie" verstaan een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te ontvangen rente heeft vastgelegd en onder "korte positie" een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te betalen rente heeft vastgelegd.

Artikel 329

Opties en warrants

1.  
Opties en warrants op rente, schuldinstrumenten, aandelen, aandelenindexen, financiële futures, swaps en vreemde valuta's worden voor de toepassing van dit hoofdstuk behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van het onderliggende instrument waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities kunnen worden verrekend met compenserende posities in dezelfde onderliggende effecten of daarvan afgeleide instrumenten. De gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn. Voor otc-opties, of wanneer de delta van de betrokken beurs niet beschikbaar is, kan de instelling zelf de delta berekenen op basis van een passend model, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend. Deze toestemming wordt verleend als het model een juiste raming geeft van de procentuele verandering in de waarde van de optie of de warrant met betrekking tot geringe veranderingen in de marktprijs van de onderliggende waarde.
2.  
De instellingen geven andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, adequaat weer in hun eigenvermogensvereisten.
3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen ter definiëring van een reeks methoden om de in lid 2 bedoelde andere risico's, afgezien van het deltarisico, in de eigenvermogensvereisten weer te geven op een wijze die in verhouding staat tot de omvang en de complexiteit van de activiteiten van een instelling inzake opties en warrants.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

4.  
Vóór de in lid 3 bedoelde inwerkingtreding van de technische normen kunnen de bevoegde autoriteiten de bestaande nationale behandelingen blijven toepassen, indien de bevoegde autoriteiten die behandelingen al vóór 31 december 2013 toepasten.

Artikel 330

Swaps

Swaps worden met betrekking tot het renterisico op dezelfde basis behandeld als balansinstrumenten. Aldus wordt een renteswap waarbij een instelling een variabele rente ontvangt en een vaste rente betaalt, behandeld als een lange positie in een instrument met variabele rente met een looptijd die gelijk is aan de periode tot de volgende rentevaststelling, en een korte positie in een instrument met vaste rente en met dezelfde looptijd als de swap zelf.

Artikel 331

Renterisico op afgeleide instrumenten

1.  
Instellingen die het renterisico op afgeleide instrumenten als bedoeld in de artikelen 328 tot en met 330 op basis van de contante waarde van de verwachte kasstroom waarderen en beheren, kunnen, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, gebruik maken van gevoeligheidsmodellen voor de berekening van de in die artikelen bedoelde posities, en kunnen daarvan gebruik maken voor obligaties die over de resterende looptijd, en niet aan het einde daarvan via terugbetaling van de hoofdsom in één termijn, worden afgelost. Deze toestemming wordt verleend indien deze modellen posities opleveren die dezelfde gevoeligheid voor renteschommelingen hebben als de onderliggende kasstromen. Bij de beoordeling van deze gevoeligheid wordt uitgegaan van onafhankelijke schommelingen in over de gehele rendementscurve bemonsterde renten, waarbij ten minste één gevoeligheidspunt in elk van de in tabel 2 van artikel 339 genoemde looptijdklassen wordt genomen. De posities worden meegenomen in de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het algemeen risico van schuldinstrumenten.
2.  

Instellingen die geen gebruik maken van modellen in het kader van lid 1, kunnen posities in afgeleide instrumenten als bedoeld in de artikelen 328 tot en met 330 behandelen als posities die elkaar volledig compenseren, mits zij ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

de posities hebben dezelfde waarde en luiden in dezelfde valuta;

b) 

de referentierenten (voor posities met variabele rente) of coupons (voor posities met vaste rente) zijn nauw gematcht;

c) 

de eerstvolgende data van rentevaststelling of, voor vastecouponposities, de resterende looptijden vallen binnen de volgende grenzen samen:

i) 

minder dan een maand: dezelfde dag;

ii) 

tussen een maand en een jaar: binnen zeven dagen;

iii) 

meer dan een jaar: binnen dertig dagen.

Artikel 332

Kredietderivaten

1.  

Voor de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het algemeen en het specifiek risico van de partij die het kredietrisico draagt ('de protectiegever'), wordt, tenzij anders bepaald, de notionele waarde van het kredietderivaatcontract gebruikt. Niettegenstaande het bepaalde in de eerste zin kan de instelling ervoor opteren de notionele waarde te vervangen door de notionele waarde vermeerderd met de verandering van de nettomarktwaarde in het kredietderivaat sinds handelsintroductie, hetgeen vanuit het oogpunt van de protectiegever een netto neerwaartse verandering met een negatief teken vertegenwoordigt. Voor de berekening van het vereiste voor specifiek risico is, anders dan bij totaleopbrengstenswaps, de looptijd van het kredietderivaatcontract van toepassing in plaats van de looptijd van de verplichting. Posities worden als volgt bepaald:

a) 

een totaleopbrengstenswap geeft aanleiding tot boeking van een lange positie onder het algemeen risico van de referentieverplichting en van een korte positie onder het algemeen risico van een overheidsobligatie met een looptijd die gelijk is aan de termijn tot de eerstkomende rentevaststelling en waaraan overeenkomstig titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % wordt toegewezen. Daarnaast geeft een dergelijke swap aanleiding tot boeking van een lange positie onder het specifiek risico van de referentieverplichting;

b) 

voor een kredietverzuimswap behoeft onder het algemeen risico geen positie te worden geboekt. Wat het specifiek risico betreft, boekt de instelling een synthetische lange positie in een verplichting van de referentie-entiteit, tenzij het derivaat een externe rating heeft en voldoet aan de voorwaarden van een gekwalificeerd schuldinstrument, in welk geval een lange positie in het derivaat wordt geboekt. Indien uit hoofde van het product premie- of rentebetalingen verschuldigd zijn, worden de desbetreffende kasstromen als notionele posities in overheidsobligaties weergegeven;

c) 

Een "single name credit linked note" geeft aanleiding tot boeking van een lange positie onder het algemeen risico van de note zelf, zoals voor een rentevoetproduct. Wat het specifiek risico betreft, wordt een synthetische lange positie in een verplichting van de referentie-entiteit geboekt. Een aanvullende lange positie wordt op de emittent van de note geboekt. Indien de "credit linked note" een externe rating heeft en voldoet aan de voorwaarden van een gekwalificeerd schuldinstrument, volstaat het een eenmalige lange positie voor specifiek risico van de note te boeken;

d) 

naast een lange positie voor het specifiek risico van de emittent van de note geeft een "multiple name credit linked note" die proportionele protectie verschaft, wat specifiek risico betreft aanleiding tot boeking van een positie in elke referentie-entiteit, waarbij de totale notionele waarde van het contract over de posities wordt gespreid in verhouding tot het aandeel van elke aan een referentie-entiteit verbonden positie in de totale notionele waarde. Indien voor een referentie-entiteit meer dan één verplichting in aanmerking komt, wordt de verplichting met het hoogste risicogewicht in aanmerking genomen voor het specifiek risico;

e) 

een "eerste-asset-to-default"-kredietderivaat geeft aanleiding tot boeking, voor het notionele bedrag, van een positie in een verplichting van elke referentie-entiteit. Indien het hoogste te betalen bedrag bij een kredietgebeurtenis kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van dit punt verkregen eigenvermogensvereiste, kan dat hoogste te betalen bedrag als eigenvermogensvereiste voor specifiek risico worden aangehouden.

Een kredietderivaat voor het n-de kredietverzuim ("n-th-to-default") geeft aanleiding tot boeking, voor het notionele bedrag, van een positie in een verplichting van elke referentie-entiteit onder aftrek van de n-1 referentie-entiteiten met het kleinste eigenvermogensvereiste voor specifiek risico. Indien het hoogste te betalen bedrag bij een kredietgebeurtenis kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van dit punt verkregen eigenvermogensvereiste, kan dat bedrag als eigenvermogensvereiste voor specifiek risico worden aangehouden.

Indien een "n-th-asset-to-default"-kredietderivaat een externe rating heeft, gebruikt de protectiegever voor de berekening van het eigenvermogensvereiste voor specifiek risico de rating van het derivaat en past hij de respectieve securitisatie-risicogewichten toe, als toepasselijk.

2.  
Voor de partij die het kredietrisico overdraagt ('de protectienemer') worden de posities vastgesteld als spiegelbeeld van die van de protectiegever, behalve voor credit linked notes (die bij de emittent geen aanleiding geven tot een korte positie). Voor de berekening van het eigenvermogensvereiste voor de protectienemer wordt de notionele waarde van het kredietderivaatcontract gebruikt. Niettegenstaande het bepaalde in de eerste zin kan de instelling ervoor opteren de notionele waarde te vervangen door de notionele waarde vermeerderd met de verandering van de nettomarktwaarde in het kredietderivaat sinds handelsintroductie, hetgeen vanuit het oogpunt van de protectiegever een netto neerwaartse verandering met een negatief teken vertegenwoordigt. Als op een gegeven moment een combinatie van een calloptie en een step-up optreedt, wordt het desbetreffende tijdstip beschouwd als de vervaltijd van het protectie-instrument.

▼M17

3.  
Kredietderivaten overeenkomstig artikel 325, lid 6 of lid 8, worden alleen meegenomen in de bepaling van het eigenvermogensvereiste voor specifiek risico overeenkomstig artikel 338, lid 2.

▼B

Artikel 333

Effecten die worden uitgeleend of worden verkocht op grond van een retrocessieovereenkomst

De partij die effecten of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van effecten overdraagt bij een retrocessieovereenkomst, en de partij die effecten in lening geeft bij een effectenleningstransactie neemt deze effecten mee in de berekening van haar eigenvermogensvereiste uit hoofde van dit hoofdstuk, mits deze effecten posities in de handelsportefeuille vormen.

Afdeling 2

Schuldinstrumenten

Artikel 334

Nettoposities in schuldinstrumenten

Nettoposities worden ingedeeld naar de valuta's waarin zij luiden en het eigenvermogensvereiste voor het algemeen en het specifiek risico wordt berekend in elke valuta afzonderlijk.

Onderafdeling 1

Specifiek risico

Artikel 335

Begrenzing van het eigenvermogensvereiste voor een nettopositie

De instelling kan het eigenvermogensvereiste voor specifiek risico van een nettopositie in een schuldinstrument begrenzen op het maximaal mogelijke met het wanbetalingsrisico samenhangende verlies. Voor een korte positie kan deze begrenzing worden berekend als een waardeverandering wegens het feit dat het instrument of, in voorkomend geval, de onderliggende namen onmiddellijk vrij van wanbetalingsrisico worden.

Artikel 336

Eigenvermogensvereiste voor niet-gesecuritiseerde schuldinstrumenten

1.  

De instelling brengt haar overeenkomstig artikel 327 berekende nettoposities in de handelsportefeuille in instrumenten die geen securitisatieposities zijn op grond van de emittent of debiteur, de externe of interne kredietbeoordeling en hun resterende looptijden onder in de passende categorieën van tabel 1, en vermenigvuldigt deze vervolgens met de in die tabel aangegeven risicogewichten. Zij bepaalt de som van haar uit de toepassing van dit artikel resulterende gewogen posities, ongeacht of het lange dan wel korte posities betreft, teneinde haar eigenvermogensvereiste met betrekking tot specifiek risico te berekenen.



Tabel 1

Categorieën

Eigenvermogensvereiste voor specifiek risico

Schuldtitels die in het kader van de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 0 % zouden krijgen.

0  %

Schuldtitels die in het kader van de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 20 % of 50 % zouden krijgen en andere in aanmerking komende posten als gedefinieerd in lid 4.

0,25 % (resterende looptijd tot eindvervaldatum van 6 maand of minder)

1,00 % (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 6 maand en tot ten hoogste 24 maand)

1,60 % (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 24 maanden)

Schuldtitels die in het kader van de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 100 % zouden krijgen.

8,00  %

Schuldtitels die in het kader van de standaardbenadering voor het kredietrisico een risicogewicht van 150 % zouden krijgen.

12,00  %

2.  
Voor instellingen die de interneratingbenadering toepassen op de blootstellingscategorie waartoe de emittent van het schuldinstrument behoort, komt de emittent van de blootstelling in aanmerking voor een risicogewicht in het kader van de standaardbenadering voor specifiek risico als bedoeld in lid 1 indien hij een interne rating heeft met een PD gelijk aan of lager dan die welke is ondergebracht in de passende kredietkwaliteitscategorie in het kader van de standaardbenadering.
3.  
De instellingen kunnen voor obligaties die overeenkomstig de in artikel 129, leden 4, 5 en 6 vervatte behandeling in aanmerking komen voor een risicogewicht van 10 %, de vereisten voor specifiek risico vaststellen op de helft van het toepasselijke eigenvermogensvereiste voor specifiek risico voor de tweede categorie in tabel 1.
4.  

Andere in aanmerking komende posten zijn:

a) 

lange en korte posities in activa waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is en die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

i) 

zij worden door de betrokken instelling als voldoende liquide beschouwd;

ii) 

de beleggingskwaliteit van de activa is volgens de eigen beoordeling van de instelling ten minste gelijkwaardig aan die van de in tabel 1, tweede rij, bedoelde activa;

iii) 

zij zijn genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt in een lidstaat of aan een beurs in een derde land, mits deze beurs erkend is door de bevoegde autoriteiten van de relevante lidstaat;

b) 

lange en korte posities in activa uitgegeven door instellingen die aan de in deze verordening beschreven eigenvermogensvereisten onderworpen zijn en die door de betrokken instelling als voldoende liquide worden beschouwd en waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de instelling ten minste gelijkwaardig is aan die van de in tabel 1, tweede rij, bedoelde activa;

c) 

effecten uitgegeven door instellingen waarvan de kredietkwaliteit geacht wordt gelijk te zijn aan of hoger te zijn dan de kredietkwaliteit van instellingen die ondergebracht zijn in kredietkwaliteitscategorie 2 in het kader van de standaardbenadering voor het kredietrisico van blootstellingen ten aanzien van instellingen, en die onderworpen zijn aan een toezicht- en regelgevingskader dat vergelijkbaar is met dat van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU.

Instellingen die gebruik maken van punt a) of db beschikken over een in documentatie vastgelegde methode om te beoordelen of de activa aan de in die punten gestelde vereisten voldoen, en brengen deze methode ter kennis van de bevoegde autoriteiten.

▼M5

Artikel 337

Eigenvermogensvereiste voor securitisatie-instrumenten

1.  
Voor instrumenten in de handelsportefeuille die securitisatieposities zijn, weegt de instelling haar overeenkomstig artikel 327, lid 1, berekende nettoposities met 8 % van het risicogewicht dat de instelling overeenkomstig afdeling 3 van hoofdstuk 5, titel II, op de positie in haar niet-handelsportefeuille zou toepassen.

▼M17

2.  
Bij het bepalen van risicogewichten voor de toepassing van lid 1, maken instellingen uitsluitend gebruik van de benadering van titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3.

▼M5

3.  
Voor securitisatieposities waarop overeenkomstig artikel 247, lid 6, een additioneel risicogewicht van toepassing is, wordt 8 % van het totale risicogewicht toegepast.

▼M17

4.  
De instelling bepaalt de som van haar uit de toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel resulterende gewogen posities, ongeacht of het lange dan wel korte posities betreft, om haar eigenvermogensvereiste met betrekking tot specifiek risico te berekenen, met uitzondering van securitisatieposities waarop artikel 338, lid 2, van toepassing is.

▼M5

5.  
Indien een initiërende instelling van een traditionele securitisatie niet voldoet aan de in artikel 244 vastgestelde voorwaarden voor overdracht van een aanzienlijk deel van het risico, neemt zij de aan de securitisatie onderliggende blootstellingen op in haar berekening van de eigenvermogensvereiste als waren die blootstellingen niet gesecuritiseerd.

Indien een initiërende instelling van een synthetische securitisatie niet voldoet aan de in artikel 245 vastgestelde voorwaarden voor overdracht van een aanzienlijk deel van het risico, neemt zij de aan de securitisatie onderliggende blootstellingen op in haar berekening van de eigenvermogensvereisten als waren die blootstellingen niet gesecuritiseerd, en laat zij het effect van de synthetische securitisatie voor kredietprotectiedoeleinden buiten beschouwing.

▼M17

Artikel 338

Eigenvermogensvereiste voor de correlatiehandelsportefeuille

1.  
Voor de toepassing van dit artikel bepaalt een instelling haar correlatiehandelsportefeuille overeenkomstig artikel 325, leden 6, 7 en 8.
2.  

Een instelling stelt het grootste van de volgende bedragen vast als het eigenvermogensvereiste voor specifiek risico voor de correlatiehandelsportefeuille:

a) 

het totale eigenvermogensvereiste voor specifiek risico dat slechts zou gelden voor de netto lange posities van de correlatiehandelsportefeuille;

b) 

het totale eigenvermogensvereiste voor specifiek risico dat slechts zou gelden voor de netto korte posities van de correlatiehandelsportefeuille.

▼B

Onderafdeling 2

Algemeen risico

Artikel 339

Berekening van het algemeen risico op grond van de looptijd

1.  
Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten met betrekking tot het algemeen risico worden alle posities gewogen naar looptijd op de in lid 2 beschreven wijze, teneinde het bedrag van het desbetreffende eigenvermogensvereiste te berekenen. Dit vereiste wordt verlaagd wanneer een gewogen positie naast een tegengestelde gewogen positie in dezelfde looptijdklasse wordt ingenomen. Het vereiste wordt ook verlaagd wanneer de tegengestelde gewogen posities zich in verschillende looptijdklassen bevinden, waarbij de omvang van deze verlaging afhangt van het zich al dan niet in dezelfde zone bevinden van de twee posities alsmede van de concrete zones waarin zij zich bevinden.
2.  
De instelling brengt haar nettoposities onder in de passende looptijdklassen in de tweede dan wel de derde kolom van tabel 2 in lid 4. Zij doet dit op grond van resterende looptijden in het geval van vastrentende instrumenten en op grond van de periode tot de volgende rentevaststelling in het geval van instrumenten waarvan de rente vóór de eindvervaldatum kan veranderen. Zij maakt tevens onderscheid tussen schuldinstrumenten met een coupon van 3 % of meer en schuldinstrumenten met een coupon van minder dan 3 %, en deelt deze dienovereenkomstig in de tweede dan wel de derde kolom van tabel 2 in. Zij vermenigvuldigt dan elk van deze nettoposities met de wegingsfactor die voor de desbetreffende looptijdklasse is vermeld in de vierde kolom van tabel 2.
3.  
Vervolgens bepaalt de instelling de som van de gewogen lange posities en de som van de gewogen korte posities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde som in een bepaalde looptijdklasse gematcht is met de laatstgenoemde som, vormt de gematchte gewogen positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende lange of korte positie de niet-gematchte gewogen positie voor deze zelfde looptijdklasse is. Vervolgens wordt het totaal van de gematchte gewogen posities in alle looptijdklassen berekend.
4.  

De instelling berekent het totaal van de niet-gematchte gewogen lange posities voor de looptijdklassen in elk van de zones in tabel 2, teneinde de niet-gematchte gewogen lange positie voor elke zone te bepalen. Op dezelfde wijze wordt de som van de niet-gematchte gewogen korte posities voor elke looptijdklasse in een bepaalde zone bepaald om te komen tot de niet-gematchte gewogen korte positie voor deze zone. Het deel van de niet-gematchte gewogen lange positie van een bepaalde zone dat gelijk is aan de niet-gematchte gewogen korte positie voor dezelfde zone, is de gematchte gewogen positie voor die zone. Het deel van de niet-gematchte gewogen lange of niet-gematchte gewogen korte positie voor een zone dat niet op deze wijze gematcht kan worden, vormt de niet-gematchte gewogen positie voor die zone.



Tabel 2

Zone

Looptijdklasse

Wegingsfactor (%)

Veronderstelde renteverandering (%)

Coupon van 3 % of meer

Coupon van minder dan 3 %

Een

0 ≤ 1 maand

0 ≤ 1 maand

0,00

—

> 1 ≤ 3 maand

> 1 ≤ 3 maand

0,20

1,00

> 3 ≤ 6 maand

> 3 ≤ 6 maand

0,40

1,00

> 6 ≤ 12 maand

> 6 ≤ 12 maand

0,70

1,00

Twee

> 1 ≤ 2 jaar

> 1,0 ≤ 1,9 jaar

1,25

0,90

> 2 ≤ 3 jaar

> 1,9 ≤ 2,8 jaar

1,75

0,80

> 3 ≤ 4 jaar

> 2,8 ≤ 3,6 jaar

2,25

0,75

Drie

> 4 ≤ 5 jaar

> 3,6 ≤ 4,3 jaar

2,75

0,75

> 5 ≤ 7 jaar

> 4,3 ≤ 5,7 jaar

3,25

0,70

> 7 ≤ 10 jaar

> 5,7 ≤ 7,3 jaar

3,75

0,65

> 10 ≤ 15 jaar

> 7,3 ≤ 9,3 jaar

4,50

0,60

> 15 ≤ 20 jaar

> 9,3 ≤ 10,6 jaar

5,25

0,60

> 20 jaar

> 10,6 ≤ 12,0 jaar

6,00

0,60

 

> 12,0 ≤ 20,0 jaar

8,00

0,60

 

> 20 jaar

12,50

0,60

5.  
Vervolgens wordt het bedrag ten belope waarvan de niet-gematchte gewogen lange of korte positie in zone 1 gelijk is aan het bedrag van de niet-gematchte gewogen korte of lange positie in zone 2, aangeduid als de gematchte gewogen positie tussen de zones 1 en 2. Dezelfde berekening vindt dan plaats voor het resterende deel van de niet-gematchte gewogen positie in zone 2 en de niet-gematchte gewogen positie in zone 3, teneinde de gematchte gewogen positie tussen de zones 2 en 3 te bepalen.
6.  
De instelling mag desgewenst de volgorde in lid 5 omkeren, dat wil zeggen eerst de gematchte gewogen positie tussen de zones 2 en 3 berekenen en vervolgens die tussen de zones 1 en 2.
7.  
Teneinde de gematchte gewogen positie tussen de zones 1 en 3 te bepalen, wordt vervolgens bepaald tot welk bedrag het resterende deel van de niet-afgedekte gewogen positie in zone 1 gelijk is aan het deel dat voor zone 3 resteert nadat deze zone is afgedekt met zone 2.
8.  
De posities die na de drie afzonderlijke matchingberekeningen van de leden 5, 6 en 7 resteren, worden opgeteld.
9.  

Het eigenvermogensvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van:

a) 

10 % van de som van de gematchte gewogen posities in alle looptijdklassen;

b) 

40 % van de gematchte gewogen positie in zone 1;

c) 

30 % van de gematchte gewogen positie in zone 2;

d) 

30 % van de gematchte gewogen positie in zone 3;

e) 

40 % van de gematchte gewogen positie tussen de zones 1 en 2 en tussen de zones 2 en 3;

f) 

150 % van de gematchte gewogen positie tussen de zones 1 en 3;

g) 

100 % van de resterende niet-gematchte gewogen posities.

Artikel 340

Berekening van het algemeen risico op grond van de duration

1.  
De instellingen kunnen voor de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het algemeen risico met betrekking tot schuldinstrumenten een benadering toepassen die de duration weergeeft in plaats van de benadering die in artikel 339 is beschreven, mits de instelling dit consequent doet.
2.  
In het kader van de in lid 1 bedoelde op de duration gebaseerde benadering berekent de instelling, uitgaande van de marktwaarde van elk vastrentend schuldinstrument, het rendement tot het einde van de looptijd, dat het impliciete discontopercentage voor dat instrument is. Bij instrumenten met variabele rente berekent de instelling, uitgaande van de marktwaarde van elk instrument, het rendement op basis van de hypothese dat het kapitaal verschuldigd wordt op het tijdstip waarop de rente de eerstvolgende keer voor verandering vatbaar is.
3.  

Vervolgens berekent de instelling voor elk schuldinstrument de gewijzigde duration op grond van de volgende formule:

waarbij:

D

=

de duration berekend aan de hand van de volgende formule:

waarbij:

R

=

het rendement tot einde van de looptijd;

Ct

=

de contante betaling op tijdstip t;

M

=

de totale looptijd.

De berekening van de gewijzigde duration voor schuldinstrumenten met een risico op vervroegde aflossing, wordt gecorrigeerd. De EBA geeft overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren voor de toepassing van dergelijke correcties.

4.  

De instelling brengt vervolgens elk schuldinstrument onder in de passende zone van tabel 3 en gaat daarbij uit van de gewijzigde duration voor elk instrument.



Tabel 3

Zone

Gewijzigde duration

(in jaar)

Veronderstelde renteverandering (in %)

Een

> 0 ≤ 1,0

1,0

Twee

> 1,0 ≤ 3,6

0,85

Drie

> 3,6

0,7

5.  
De instelling berekent vervolgens de naar duration gewogen positie van elk instrument door de marktwaarde ervan te vermenigvuldigen met de gewijzigde duration en met de veronderstelde renteverandering voor een instrument met die specifieke gewijzigde duration (zie kolom 3 van tabel 3).
6.  
De instelling berekent haar naar duration gewogen lange en haar naar duration gewogen korte posities in elke zone. Het bedrag van de eerstgenoemde posities dat in elke zone door laatstgenoemde posities wordt gecompenseerd, is de gecompenseerde naar duration gewogen positie voor deze zone.

De instelling berekent vervolgens de niet-gematchte naar duration gewogen posities voor elke zone. Zij volgt dan de werkwijze die in artikel 339, leden 5 tot en met 8, voor niet-gecompenseerde gewogen posities is beschreven.

7.  

Het eigenvermogensvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van:

a) 

2 % van de som van de gematchte naar duration gewogen positie in elke zone;

b) 

40 % van de gematchte naar duration gewogen posities tussen de zones 1 en 2 en tussen de zones 2 en 3;

c) 

150 % van de gematchte naar duration gewogen positie tussen de zones 1 en 3;

d) 

100 % van de resterende niet-gematchte naar duration gewogen posities.

Afdeling 3

Aandelen

Artikel 341

Nettoposities in aandeleninstrumenten

1.  
De instelling bepaalt de som van al haar netto lange posities en de som van al haar netto korte posities als afzonderlijke bedragen overeenkomstig artikel 327. De som van de absolute waarden van de twee bedragen is haar totale brutopositie.
2.  
De instelling berekent, voor elke markt afzonderlijk, het verschil tussen de som van haar netto lange posities en de som van haar netto korte posities. De som van de absolute waarden van deze verschillen is haar totale nettopositie.
3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot definiëring van de in lid 2 bedoelde term "markt".

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 342

Specifiek risico van aandeleninstrumenten

De instelling vermenigvuldigt haar totale brutopositie met 8 % teneinde haar eigenvermogensvereiste met betrekking tot specifiek risico te bepalen.

Artikel 343

Algemeen risico van aandeleninstrumenten

Het eigenvermogensvereiste met betrekking tot het algemeen risico is de totale nettopositie vermenigvuldigd met 8 %.

Artikel 344

Aandelenindices

1.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot opstelling van de lijst van de aandelenindices waarvoor de in de tweede zin van lid 4 vervatte behandelingen beschikbaar zijn.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

►C2  2.  
Voor de inwerkingtreding van de in lid 1 bedoelde technische normen kunnen instellingen de in lid 4, tweede zin, beschreven behandeling blijven toepassen indien ◄ de bevoegde autoriteiten die ook toepasten vóór 1 januari 2014.
3.  
Aandelenindexfutures, naar de delta gewogen equivalenten van opties in aandelenindexfutures en aandelenindices, hierna aangeduid met de verzamelnaam "aandelenindexfutures", kunnen worden opgesplitst in posities in elk van de samenstellende aandelen. Deze posities kunnen worden behandeld als onderliggende posities in de desbetreffende aandelen en kunnen worden verrekend met tegengestelde posities in de onderliggende aandelen zelf. De instellingen die van deze behandeling gebruik maken, stellen de bevoegde autoriteit daarvan in kennis.
4.  
Indien een aandelenindexfuture niet in de onderliggende posities wordt opgesplitst, wordt hij behandeld alsof het een afzonderlijk aandeel betrof. Het specifiek risico met betrekking tot dit afzonderlijke aandeel kan echter buiten beschouwing worden gelaten indien de aandelenindexfuture in kwestie op de beurs wordt verhandeld en op een relevante passend gediversifieerde index berust.

Afdeling 4

Overneming

Artikel 345

Verlaging van nettoposities

1.  

In het geval van overneming van schuldinstrumenten en aandelen kan een instelling de volgende procedure gebruiken voor de berekening van haar eigenvermogensvereisten. De instelling berekent eerst de nettoposities door de op grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities af te trekken. De instelling past vervolgens de in tabel 4 vermelde verlagingsfactoren toe op de nettoposities en berekent haar eigenvermogensvereisten aan de hand van de verlaagde overnemingsposities.



Tabel 4

werkdag 0:

100  %

werkdag 1:

90  %

werkdagen 2 en 3:

75  %

werkdag 4:

50  %

werkdag 5:

25  %

na werkdag 5:

0  %.

Werkdag 0 is de werkdag waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekend aantal waardepapieren tegen een overeengekomen prijs.

2.  
De instellingen die gebruik maken van lid 1, stellen de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.

Afdeling 5

Eigenvermogensvereisten voor het specifiek risico van door kredietderivaten afgedekte posities

Artikel 346

Tegemoetkoming voor afdekkingen met kredietderivaten

1.  
Er wordt een tegemoetkoming geboden voor afdekkingen met kredietderivaten, volgens de in de leden 2 tot en met 6 beschreven beginselen.
2.  
De instellingen behandelen de positie in het kredietderivaat als het ene 'gedeelte' en de afgedekte positie met hetzelfde nominale of, in voorkomend geval, notionele bedrag als het andere 'gedeelte'.
3.  

De tegemoetkoming is volledig wanneer de waarden van beide gedeelten altijd en in vrijwel dezelfde mate in tegenovergestelde richting bewegen. Dat zal het geval zijn als:

a) 

de beide gedeelten uit volstrekt identieke instrumenten bestaan;

b) 

een lange cashpositie wordt afgedekt door een totale-opbrengstenswap (of andersom) en er volstrekte overeenstemming is tussen de referentieverplichting en de onderliggende blootstelling (d.i. de cashpositie). De looptijd van de swap zelf kan verschillen van die van de onderliggende blootstelling.

In die gevallen geldt voor geen van beide zijden van de positie een eigenvermogensvereiste voor specifiek risico.

4.  
Een compensatie van 80 % is van toepassing wanneer de waarden van de beide gedeelten altijd in tegenovergestelde richting bewegen en indien er een exacte match is wat betreft de referentieverplichting, de looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat, en de valuta van de onderliggende blootstelling. Bovendien mogen essentiële kenmerken van het kredietderivaatcontract er niet toe leiden dat de prijsbewegingen van het kredietderivaat wezenlijk afwijken van de prijsbewegingen van de cashpositie. Voor zover de transactie gepaard gaat met een overdracht van risico, geldt voor het specifiek risico een compensatie van 80 % aan de zijde van de transactie met het hoogste eigenvermogensvereiste en worden de vereisten voor specifiek risico aan de andere zijde op nul bepaald.
5.  

Een gedeeltelijke tegemoetkoming wordt, bij ontstentenis van de situaties in de leden 3 en 4, geboden in de volgende situaties:

a) 

de positie valt onder lid 3, punt b), maar er is een activamismatch tussen de referentieverplichting en de onderliggende blootstelling. De posities voldoen echter aan de volgende vereisten:

i) 

de referentieverplichting heeft dezelfde rangorde als of een lagere rangorde dan de onderliggende verplichting;

ii) 

de onderliggende verplichting en de referentieverplichting hebben dezelfde debiteur gemeen en hebben juridisch afdwingbare kruiselingse kredietverzuimclausules of kruiselingse vervroegde opeisbaarheidsclausules;

b) 

de positie valt onder lid 3, punt a), of onder lid 4, maar er is sprake van een valutamismatch of een looptijdmismatch tussen de kredietprotectie en het onderliggende activum. Een dergelijke valutamismatch wordt meegenomen in de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het valutarisico;

c) 

de positie valt onder lid 4, maar er sprake is van een activamismatch tussen de cashpositie en het kredietderivaat. Het onderliggende activum wordt evenwel opgenomen in de (leverbare) verplichtingen in de documentatie betreffende het kredietderivaat.

Voor de toepassing van gedeeltelijke inaanmerkingneming worden de eigenvermogensvereisten voor het specifiek risico voor beide zijden van de transactie niet bij elkaar opgeteld, maar geldt slechts het hoogste van de twee eigenvermogensvereisten.

6.  
In alle gevallen die niet onder de leden 3 tot en met 5 vallen, wordt een eigenvermogensvereiste voor het specifiek risico voor beide zijden van de posities afzonderlijk berekend.

Artikel 347

Inaanmerkingneming van afdekkingen door middel van kredietderivaten voor het eerst optredende en voor het n-de kredietverzuim

In het geval van kredietderivaten voor het eerst optredende kredietverzuim en kredietderivaten voor het n-de kredietverzuim geldt de hierna beschreven behandeling voor de inaanmerkingneming overeenkomstig artikel 346:

a) 

indien een instelling voor een aantal onderliggende referentie-entiteiten van een kredietderivaat kredietprotectie verkrijgt onder de voorwaarde dat het eerst optredende kredietverzuim aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt, kan de instelling het specifiek risico compenseren voor de referentie-entiteit waarvoor volgens tabel 1 in artikel 336 in vergelijking met de overige onderliggende referentie-entiteiten het laagste vereiste voor specifiek risico geldt;

b) 

indien het n-de kredietverzuim in het kader van de kredietprotectie aanleiding geeft tot betaling, kan de protectienemer het specifiek risico slechts compenseren indien tevens protectie is verkregen voor kredietverzuim 1 tot en met n-1 of wanneer zich reeds n-1 wanbetalingen hebben voorgedaan. In dergelijke gevallen wordt de in punt a) vervatte methode toegepast als die welke voor kredietderivaten voor het eerst optredende kredietverzuim is beschreven, dienovereenkomstig gewijzigd voor producten voor het n-de kredietverzuim.

Afdeling 6

Eigenvermogensvereisten voor ICB's

Artikel 348

Eigenvermogensvereisten voor icb's

▼M17

1.  
Onverminderd andere bepalingen van deze afdeling geldt voor posities op icb’s een eigenvermogensvereiste voor het positierisico, dat zowel het algemeen als het specifiek risico omvat, van 32 %. Onverminderd artikel 353, in samenhang met de gewijzigde behandeling van goud als beschreven in artikel 352, lid 4, geldt voor posities op icb’s een eigenvermogensvereiste voor het positierisico, dat zowel het algemeen als het specifiek risico omvat, en voor het wisselkoersrisico van 40 %.

▼B

2.  
Tenzij in artikel 350 anders is bepaald, is geen verrekening toegestaan tussen de onderliggende beleggingen van een icb en andere door de instelling ingenomen posities.

Artikel 349

Algemene criteria voor icb's

Voor icb's kan de in artikel 350 beschreven benadering worden gevolgd indien alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de prospectus of een gelijkwaardig document van de icb bevat alle volgende elementen:

i) 

de categorieën activa waarin de icb mag beleggen;

ii) 

indien beleggingslimieten van toepassing zijn, de geldende limieten en berekeningsmethoden;

iii) 

indien hefboomfinanciering is toegestaan, het maximumniveau van hefboomfinanciering;

iv) 

indien transacties in financiële otc-derivaten, retrocessietransacties of het opnemen of verstrekken van effectenleningen zijn toegestaan, een beschrijving van het gevoerde beleid om het tegenpartijrisico van dergelijke verrichtingen te beperken;

b) 

over de activiteiten van de icb wordt halfjaarlijks en jaarlijks een verslag uitgebracht op grond waarvan de activa en passiva, de inkomsten en de verrichtingen in de verslagperiode kunnen worden geëvalueerd;

c) 

de rechten van deelneming in de icb kunnen dagelijks door de icb uit eigen activa worden teruggekocht tegen contanten indien zulks wordt gevraagd door houders van de rechten;

d) 

de beleggingen in de icb en de activa van de beheerder van de icb worden van elkaar gescheiden gehouden;

e) 

de icb wordt door de beleggende instelling aan een adequate risicobeoordeling onderworpen;

f) 

de icb's worden beheerd door personen die onder toezicht staan overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG of gelijkwaardige wetgeving.

Artikel 350

Specifieke methoden voor icb's

1.  
Voor zover de onderliggende beleggingen van de icb op dagbasis worden gevolgd door de instelling, mag zij die beleggingen in aanmerking nemen om de eigenvermogensvereisten voor het aan de betrokken posities verbonden positierisico, dat zowel het specifiek als het algemeen risico omvat, te berekenen. In het kader van een dergelijke benadering worden posities op icb's behandeld als posities in de onderliggende beleggingen van de icb. Verrekening tussen posities in de onderliggende beleggingen van de icb en andere door de instelling ingenomen posities is toegestaan mits de instelling een toereikend aantal rechten van deelneming bezit om aflossing/creatie in ruil voor de onderliggende beleggingen mogelijk te maken.
2.  

De instellingen kunnen de eigenvermogensvereisten voor het aan posities in icb's verbonden positierisico, dat zowel het specifiek als het algemeen risico omvat, berekenen op hypothetische posities overeenkomend met die welke nodig zijn om de samenstelling en de prestaties van de index van derden of een vaste basket van aandelen of schuldtitels waaraan onder punt a) hieronder wordt gerefereerd, te volgen, op voorwaarde dat:

a) 

het beleggingsbeleid van de icb erop is gericht de samenstelling en de prestaties van een index van derden of een vaste basket van aandelen of schuldtitels te volgen;

b) 

er gedurende minimaal zes maanden duidelijk een correlatiecoëfficiënt tussen het dagrendement van de icb en dat van de gevolgde index of de mand van aandelen of schuldtitels van 0,9 kan worden vastgesteld.

3.  

Indien de onderliggende beleggingen van de icb niet op dagbasis worden gevolgd door de instelling, kan zij de eigenvermogensvereisten voor het positierisico, dat zowel het specifiek als het algemeen risico omvat, berekenen met inachtneming van het volgende:

a) 

er wordt aangenomen dat de icb in de eerste plaats, binnen de uit hoofde van haar beleggingsbeleid toegestane limieten, maximaal belegt in de activaklassen met het hoogste eigenvermogensvereiste voor het specifiek risico en het algemeen risico afzonderlijk, en vervolgens in dalende volgorde totdat de totale maximumbeleggingslimiet is bereikt. De op de icb ingenomen positie wordt behandeld als een directe participatie in de hypothetische positie;

b) 

de instellingen houden rekening met de maximale indirecte blootstelling die zij zouden kunnen bereiken door met hefboomfinanciering via de icb posities in te nemen wanneer zij hun eigenvermogensvereiste voor specifiek risico en voor algemeen risico afzonderlijk berekenen, door de positie op de icb proportioneel te verhogen tot de uit het beleggingsbeleid voortvloeiende maximumblootstelling ten aanzien van de onderliggende beleggingen;

c) 

als het eigenvermogensvereiste voor het specifiek risico en het algemeen risico tezamen op grond van dit lid hoger is dan het in artikel 348, lid 1, vastgestelde percentage, dan wordt het eigenvermogensvereiste op dat niveau begrensd.

4.  

De instellingen kunnen zich, om de eigenvermogensvereisten voor het positierisico met betrekking tot posities op icb's die onder de leden 1 tot en met 4 vallen, conform de in dit hoofdstuk beschreven methoden te berekenen en te rapporteren, baseren op de volgende derden:

a) 

de effectenbewaarinstelling van de icb, mits de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij deze instelling in bewaring geeft;

b) 

voor andere icb's, de beheermaatschappij van de icb, mits deze maatschappij voldoet aan de in artikel 132, lid 3, punt a), beschreven criteria.

De correctheid van de berekening wordt door een extern accountant bevestigd.

HOOFDSTUK 3

Eigenvermogensvereisten voor het valutarisico

▼M17

Artikel 351

Drempel en weging voor wisselkoersrisico

Indien de som van de totale nettopositie in vreemde valuta’s en de nettopositie in goud van een instelling, berekend volgens de in artikel 352 beschreven procedure, meer dan 2 % van haar totale eigen vermogen bedraagt, berekent de instelling een eigenvermogensvereiste ter dekking van het wisselkoersrisico. Het eigenvermogensvereiste voor het wisselkoersrisico is de in de rapportagevaluta luidende som van de totale nettopositie in vreemde valuta’s en de nettopositie in goud van de instelling, vermenigvuldigd met 8 %.

▼B

Artikel 352

Berekening van de totale nettopositie in vreemde valuta's

1.  

De open nettopositie van de instelling in elke valuta (met inbegrip van de rapportagevaluta) en in goud wordt berekend als de som van de volgende elementen (positief of negatief):

a) 

de nettocashpositie (dat wil zeggen alle actiefposten min alle passiefposten, met inbegrip van de opgelopen en nog niet vervallen rente, in de betrokken valuta of, in het geval van goud, de nettocashpositie in goud);

b) 

de nettotermijnpositie, dat wil zeggen alle te ontvangen bedragen min alle te betalen bedragen in het kader van termijntransacties in valuta's en goud, met inbegrip van valuta- en goudfutures en de hoofdsom bij valutaswaps die niet zijn verwerkt in de contante positie;

c) 

onherroepelijke garanties en soortgelijke instrumenten die zeker zullen worden opgevraagd en waarschijnlijk niet kunnen worden teruggevorderd;

d) 

het nettodelta-equivalent of het op delta gebaseerde equivalent van de totale portefeuille van valuta- en goudopties;

e) 

de marktwaarde van andere opties.

De voor punt d) gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn. Voor otc-opties, of wanneer de delta van de betrokken beurs niet beschikbaar is, kan de instelling zelf de delta berekenen op basis van een passend model, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend. Deze toestemming wordt verleend als het model een juiste raming geeft van de procentuele verandering in de waarde van de optie of de warrant met betrekking tot geringe veranderingen in de marktprijs van de onderliggende waarde.

De instelling kan toekomstige netto-inkomsten/-uitgaven die nog niet tot stand zijn gekomen maar reeds volledig zijn afgedekt, in aanmerking nemen als zij dat stelselmatig doet.

De instelling kan nettoposities in samengestelde valuta's opsplitsen naar de samenstellende valuta's aan de hand van de geldende quota.

▼M17 —————

▼B

3.  
Een instelling kan bij de berekening van de open nettopositie in elke valuta en in goud gebruik maken van de actuele nettowaarde, mits zij deze benadering stelselmatig toepast.
4.  
De netto korte en lange posities in elke andere valuta dan de rapportagevaluta en de netto lange of korte positie in goud worden tegen de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend. Zij worden dan afzonderlijk opgeteld tot respectievelijk het totaal van de netto korte posities en het totaal van de netto lange posities. Het hoogste van deze twee totalen is de totale nettovalutapositie van de instelling.
5.  
De instellingen geven andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, adequaat weer in hun eigenvermogensvereisten.
6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van een reeks methoden om andere risico's, afgezien van het deltarisico, in de eigenvermogensvereisten weer te geven op een wijze die in verhouding staat tot de omvang en de complexiteit van de activiteiten van een instelling op het gebied van opties.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Vóór de inwerkingtreding van de in de eerste alinea bedoelde technische normen kunnen de bevoegde autoriteiten de bestaande nationale behandelingen blijven toepassen, indien de bevoegde autoriteiten die behandelingen al vóór 31 december 2013 toepasten.

Artikel 353

Valutarisico van icb's

1.  
Voor de toepassing van artikel 352 worden, met betrekking tot icb's, de feitelijke valutaposities van de icb in aanmerking genomen.
2.  

De instellingen kunnen zich baseren op de rapportage van de volgende derden over de op icb ingenomen valutaposities:

a) 

de effectenbewaarinstelling van de icb, mits de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij deze instelling in bewaring geeft;

b) 

voor andere icb's, de beheermaatschappij van de icb, mits deze maatschappij voldoet aan de in artikel 132, punt a), beschreven criteria.

De correctheid van de berekening wordt door een extern accountant bevestigd.

3.  
Indien de valutaposities op een icb niet worden gevolgd door de instelling, wordt aangenomen dat de icb binnen de grenzen van haar beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in valuta en houden de instellingen met betrekking tot posities in de handelsportefeuille rekening met de maximale indirecte blootstelling die zij zouden kunnen bereiken door met hefboomfinanciering via de icb posities in te nemen, wanneer zij hun kapitaalvereiste voor het valutarisico berekenen. Daartoe wordt de positie op de icb proportioneel verhoogd tot de uit het beleggingsbeleid voortvloeiende maximumblootstelling ten aanzien van de onderliggende beleggingen. De hypothetische valutapositie van de icb wordt als een afzonderlijke valuta beschouwd en behandeld conform de behandeling van beleggingen in goud, gewijzigd in die zin dat, indien gegevens over de richting waarin de belegging van de icb zich beweegt beschikbaar zijn, de totale lange positie kan worden opgeteld bij de totale lange openstaande valutapositie en de totale korte positie bij de totale korte openstaande valutapositie. Verrekening tussen dergelijke posities alvorens het eigenvermogensvereiste is berekend, is niet toegestaan.

Artikel 354

Nauw gecorreleerde valuta's

1.  
De instellingen kunnen ter dekking van posities in relevante nauw gecorreleerde valuta's aan lagere eigenvermogensvereisten voldoen. Twee valuta's worden alleen dan als nauw gecorreleerd aangemerkt indien het voor ten minste 99 % (bij een waarnemingsperiode van drie jaar) en 95 % (bij een waarnemingsperiode van vijf jaar) waarschijnlijk is dat een eventueel verlies op gelijke en tegengestelde posities in die valuta's gedurende de volgende tien werkdagen niet meer dan 4 % bedraagt van de waarde van de gematchte positie in kwestie (berekend in de rapportagevaluta) — uitgaande van de dagelijkse wisselkoersen in de voorafgaande drie of vijf jaar. Het eigenvermogensvereiste met betrekking tot de gematchte positie in twee nauw gecorreleerde valuta's bedraagt 4 %, vermenigvuldigd met de waarde van de gematchte positie.
2.  
Bij de berekening van de vereisten uit hoofde van dit hoofdstuk kunnen de instellingen posities in valuta's buiten beschouwing laten ten aanzien waarvan een juridisch bindende overeenkomst tussen staten bestaat ter beperking van fluctuaties ten opzichte van andere onder dezelfde overeenkomst vallende valuta's. De instellingen berekenen hun gematchte posities in die valuta's en passen daarop een eigenvermogensvereiste toe dat niet lager is dan de helft van de maximaal toegestane fluctuatie die voor de betrokken valuta's in de overeenkomst tussen staten is vastgesteld.
3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot opstelling van de lijst van de valuta's waarvoor de in lid 1 beschreven behandeling beschikbaar is.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

4.  
Het eigenvermogensvereiste met betrekking tot de gematchte posities in valuta's van lidstaten die deelnemen aan de tweede fase van de economische en monetaire unie, kan worden berekend als 1,6 % van de waarde van deze gematchte posities.
5.  
In de totale open nettopositie overeenkomstig artikel 352, lid 4, worden alleen de niet-gematchte posities in de in dit artikel bedoelde valuta's opgenomen.
6.  
Indien uit de dagelijkse wisselkoersen van de voorafgaande drie of vijf jaar voor gelijke en tegengestelde posities in twee valuta's gedurende de volgende tien werkdagen blijkt dat deze twee valuta's perfect positief gecorreleerd zijn en de instelling altijd een bied- en laatspread van 0 % op de respectieve transacties aankan, kan de instelling, na uitdrukkelijke toestemming van haar bevoegde autoriteit, tot eind 2017 een eigenvermogensvereiste van 0 % toepassen.

HOOFDSTUK 4

Eigenvermogensvereisten voor het grondstoffenrisico

Artikel 355

Keuze van de methode voor het grondstoffenrisico

Met inachtneming van de artikelen 356 tot en met 358 berekenen de instellingen het eigenvermogensvereiste voor het grondstoffenrisico volgens een van de in de artikelen 359, 360 of 361 beschreven methoden.

Artikel 356

Handel in landbouwgrondstoffen als nevenactiviteit

1.  

Instellingen met handel in landbouwgrondstoffen als nevenactiviteit kunnen de eigenvermogensvereisten voor hun fysieke grondstoffenvoorraden aan het eind van ieder jaar voor het daaropvolgende jaar bepalen, indien elk van de volgende voorwaarden vervuld is:

a) 

de instelling beschikt op elk ogenblik van het jaar over een eigen vermogen voor dit risico dat niet lager is dan het op voorzichtige basis geraamde gemiddelde eigenvermogensvereiste voor dat risico voor het daaropvolgende jaar;

b) 

zij maakt een voorzichtige raming van de verwachte volatiliteit voor het uit hoofde van punt a) berekende getal;

c) 

haar gemiddelde eigenvermogensvereiste voor dit risico bedraagt niet meer dan 5 % van haar eigen vermogen of 1 miljoen EUR en de verwachte eigenvermogensvereisten op piekmomenten bedragen, rekening houdend met de overeenkomstig punt b) geraamde volatiliteit, niet meer dan 6,5 % van haar eigen vermogen;

d) 

de instelling houdt permanent in het oog of de uit hoofde van punt a) en punt b) verrichte ramingen nog steeds overeenkomen met de realiteit.

2.  
De instellingen die gebruik maken van lid 1, stellen de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.

Artikel 357

Posities in grondstoffen

1.  
Elke positie in grondstoffen of in van grondstoffen afgeleide instrumenten wordt uitgedrukt in de standaardmeeteenheid. De contante koers van elke grondstof wordt uitgedrukt in de rapportagevaluta.
2.  
Posities in goud en in van goud afgeleide instrumenten worden geacht aan valutarisico bloot te staan en worden voor de berekening van het grondstoffenrisico naargelang van het geval behandeld overeenkomstig hoofdstuk 3 of 5.
3.  
Voor de toepassing van artikel 360, lid 1, is het saldo van de lange posities van een instelling tegenover haar korte posities, of omgekeerd, in dezelfde grondstof en identieke futures, opties en warrants op grondstoffen de nettopositie van de instelling in elke grondstof. Posities in afgeleide instrumenten worden, zoals bepaald in artikel 358, behandeld als posities in de onderliggende grondstof.
4.  

Voor de berekening van een positie in een grondstof worden de volgende posities behandeld als posities in dezelfde grondstof:

a) 

posities in verschillende subcategorieën grondstoffen, indien deze subcategorieën in elkaars plaats leverbaar zijn;

b) 

posities in vergelijkbare grondstoffen, indien deze verregaand voor elkaar substitueerbaar zijn en er gedurende minimaal één jaar tussen prijsbewegingen duidelijk een correlatie van ten minste 90 % kan worden vastgesteld.

Artikel 358

Welbepaalde instrumenten

1.  
Grondstoffenfutures en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van afzonderlijke grondstoffen worden in het waardemetingssysteem verwerkt als notionele bedragen op basis van de standaardmeeteenheid; er wordt op basis van de afloopdatum een looptijd aan toegekend.
2.  
Grondstoffenswaps waarbij de ene zijde van de transactie een vastgestelde prijs is en de andere zijde de dagkoers, worden behandeld als een reeks posities die gelijk zijn aan het notionele bedrag van het contract, waarbij in voorkomend geval een positie overeenkomt met elke betaling op de swap en dienovereenkomstig wordt ondergebracht in de looptijdklassen van artikel 359, lid 1. De posities zijn lange posities als de instelling een vastgestelde prijs betaalt en een variabele prijs ontvangt; de posities zijn korte posities als de instelling een vastgestelde prijs ontvangt en een variabele prijs betaalt. Grondstoffenswaps waarbij de twee zijden van de transactie op verschillende grondstoffen betrekking hebben, moeten voor de benadering op grond van de looptijd in de relevante looptijdklasse worden ondergebracht.
3.  
Opties en warrants op grondstoffen of op van grondstoffen afgeleide instrumenten worden voor de toepassing van dit hoofdstuk behandeld alsof het posities waren die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van de onderliggende waarde waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities kunnen worden verrekend met compenserende posities in de identieke onderliggende grondstof respectievelijk het identieke onderliggende van grondstoffen afgeleide instrument. De gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn. Voor otc-opties, of wanneer de delta van de betrokken beurs niet beschikbaar is, kan de instelling zelf de delta berekenen op basis van een passend model, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend. Deze toestemming wordt verleend als het model een juiste raming geeft van de procentuele verandering in de waarde van de optie of de warrant met betrekking tot geringe veranderingen in de marktprijs van de onderliggende waarde.

De instellingen geven andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, adequaat weer in hun eigenvermogensvereisten.

4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van een reeks methoden om andere risico's, afgezien van het deltarisico, in de eigenvermogensvereisten weer te geven op een wijze die in verhouding staat tot de omvang en de complexiteit van de activiteiten van een instelling op het gebied van opties.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Vóór de inwerkingtreding van de in de eerste alinea bedoelde technische normen kunnen de bevoegde autoriteiten de bestaande nationale behandelingen blijven toepassen, indien de bevoegde autoriteiten die behandelingen al vóór 31 december 2013 toepasten.

5.  

Een instelling dient de betrokken grondstoffen op te nemen in de berekening van haar eigenvermogensvereiste voor het grondstoffenrisico, als zij een van onderstaande partijen is:

a) 

de partij die grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van grondstoffen overdraagt bij een retrocessieovereenkomst;

b) 

de partij die grondstoffen in lening geeft bij een grondstoffenleningsovereenkomst.

Artikel 359

Benadering op grond van looptijdklassen

1.  

De instelling maakt voor elke grondstof gebruik van een afzonderlijke looptijdklasse volgens tabel 1. Alle posities in de grondstof in kwestie worden ondergebracht in de passende looptijdklassen. Fysiek aanwezige voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse van 0 tot 1 maand.



Tabel 1

Looptijdklasse

(1)

Spreadcoëfficient (in %)

(2)

0 ≤ 1 maand

1,50

> 1 ≤ 3 maand

1,50

> 3 ≤ 6 maand

1,50

> 6 ≤ 12 maand

1,50

> 1 ≤ 2 jaar

1,50

> 2 ≤ 3 jaar

1,50

> 3 jaar

1,50

2.  

Posities in dezelfde grondstof kunnen op nettobasis worden gecompenseerd en in de passende looptijdklassen worden ondergebracht in de volgende gevallen:

a) 

posities in contracten die op dezelfde datum aflopen;

b) 

posities in contracten die binnen tien dagen na elkaar aflopen indien de contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden.

3.  
Vervolgens berekent de instelling de som van de lange posities en de som van de korte posities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde som in een bepaalde looptijdklasse gematcht is met de laatstgenoemde som, vormt de gematchte positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende lange of korte positie de niet-gematchte positie voor deze zelfde looptijdklasse is.
4.  
Het deel van de niet-gematchte lange positie in een bepaalde looptijdklasse dat gematcht is met de niet-gematchte korte positie in een volgende looptijdklasse, of omgekeerd, is de tussen twee looptijdklassen gematchte positie. Het deel van de niet-gematchte lange positie of de niet-gematchte korte positie dat niet op deze wijze gematcht kan worden, vormt de niet-gematchte positie.
5.  

De eigenvermogensvereisten van de instelling worden voor iedere grondstof op basis van de relevante looptijdklasse berekend als de som van het volgende:

a) 

de som van de gematchte lange en korte posities, vermenigvuldigd met de toepasselijke spreadcoëfficiënt als vermeld in kolom 2 van tabel 1 voor elke looptijdklasse, en met de contante prijs van de grondstof;

b) 

voor elke looptijdklasse waarnaar een niet-gematchte positie uit een voorgaande looptijdklasse wordt overgedragen, de tussen twee looptijdklassen gematchte positie, vermenigvuldigd met 0,6 % (de carrycoëfficiënt) en met de contante prijs van de grondstof;

c) 

de resterende niet-gematchte posities, vermenigvuldigd met 15 % (de outrightcoëfficiënt) en met de contante prijs van de grondstof.

6.  
Het totale eigenvermogensvereiste van de instelling voor het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig lid 5 berekende eigenvermogensvereisten voor elke grondstof.

Artikel 360

Vereenvoudigde benadering

1.  

Het eigenvermogensvereiste van de instelling voor elke grondstof wordt berekend als de som van:

a) 

15 % van de netto lange of korte positie, vermenigvuldigd met de contante prijs van de grondstof;

b) 

3 % van de bruto lange plus korte positie, vermenigvuldigd met de contante prijs van de grondstof.

2.  
Het totale eigenvermogensvereiste van de instelling voor het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig lid 1 berekende eigenvermogensvereisten voor elke grondstof.

Artikel 361

Uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen

De instellingen kunnen de minimale spread-, carry- en outrightcoëfficiënten van tabel 2 gebruiken in plaats van de in artikel 359 vermelde coëfficiënten, op voorwaarde dat zij:

a) 

in aanzienlijke mate in grondstoffen handelen;

b) 

een voldoende gediversifieerde grondstoffenportefeuille hebben.

▼M17 —————

▼B



Tabel 2

 

Edele metalen

(met uitzondering van goud)

Onedele metalen

Zachte grondstoffen

(landbouw)

Overige, inclusief energieproducten

Spreadcoëfficiënt (%)

1,0

1,2

1,5

1,5

Carrycoëfficiënt (%)

0,3

0,5

0,6

0,6

Outrightcoëfficiënt (%)

8

10

12

15

▼M17

De instellingen die van dit artikel gebruikmaken, stellen de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.

▼M17 —————

▼B

TITEL V

EIGENVERMOGENSVEREISTEN VOOR HET AFWIKKELINGSRISICO

Artikel 378

Afwikkelings-/leveringsrisico

In het geval van transacties waarbij schuldinstrumenten, aandelen, buitenlandse valuta en grondstoffen, exclusief retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen, na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, berekent een instelling het prijsverschil waarvoor zij aan risico is blootgesteld.

Het prijsverschil wordt berekend als het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel, de buitenlandse valuta of de grondstof in kwestie, en de actuele marktwaarde daarvan, indien dit verschil voor de kredietinstelling een verlies zou kunnen opleveren.

De instelling vermenigvuldigt dit prijsverschil met de passende factor in de rechterkolom van tabel 1 om haar eigenvermogensvereiste voor het afwikkelingsrisico te berekenen.



Tabel 1

Aantal werkdagen na vastgestelde afwikkelingsdatum

(%)

5 — 15

8

16 — 30

50

31 — 45

75

46 of meer

100

Artikel 379

Niet-afgewikkelde transacties ("free deliveries")

1.  

Een instelling is verplicht eigen vermogen aan te houden als beschreven in tabel 2, indien:

a) 

zij voor effecten, buitenlandse valuta of grondstoffen heeft betaald voordat zij deze heeft ontvangen, dan wel effecten, buitenlandse valuta of grondstoffen heeft geleverd voordat zij de betaling hiervoor heeft ontvangen;

b) 

er, in het geval van grensoverschrijdende transacties, een of meer dagen zijn verstreken sinds de instelling deze betaling of levering heeft verricht.



Tabel 2

Behandeling van kapitaal voor niet-afgewikkelde transacties

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Soort transactie

Tot het eerste contractuele betalings- of leveringsgedeelte

Vanaf het eerste contractuele betalings- of leveringsgedeelte tot vier dagen na het tweede contractuele betalings- of leveringsgedeelte

Vanaf 5 werkdagen na het tweede contractuele betalings- of leveringsgedeelte tot de beëindiging van de transactie

Niet-afgewikkelde transactie

Geen kapitaalopslag

Behandelen als een blootstelling

Behandelen als een blootstelling met een risicogewicht van 1 250  %

2.  
Bij de toepassing van een risicogewicht op blootstellingen aan het risico van niet-afgewikkelde transacties die overeenkomstig kolom 3 van tabel 2 worden behandeld, kan een instelling die gebruik maakt van de in deel 3, titel II, hoofdstuk 3, beschreven interneratingbenadering aan tegenpartijen ten aanzien waarvan zij geen andere blootstelling in de niet-handelsportefeuille heeft, PD's toekennen op basis van de externe rating van de tegenpartij. Instellingen die eigen ramingen van het verlies bij wanbetaling (loss given default — LGD) hanteren, kunnen het in artikel 161, lid 1, beschreven LGD toepassen op blootstellingen aan het risico van niet-afgewikkelde transacties die overeenkomstig kolom 3 van tabel 2 worden behandeld, mits zij dat LGD op al die blootstellingen toepassen. Bij wijze van alternatief kan een instelling die gebruik maakt van de in deel 3, titel II, hoofdstuk 3, beschreven interneratingbenadering de risicogewichten van de in deel 3, titel II, hoofdstuk 2, beschreven standaardbenadering toepassen, mits zij die risicogewichten op al die blootstellingen toepast, dan wel op al die blootstellingen een risicogewicht van 100 % toepassen.

Indien de positieve blootstelling die uit de niet-afgewikkelde transacties voortvloeit, niet wezenlijk van omvang is, kunnen de instellingen op die blootstellingen een risicogewicht van 100 % toepassen, behalve indien overeenkomstig lid 1, tabel 2, kolom 4, een risicogewicht van 1 250  % vereist is.

3.  
In plaats van overeenkomstig lid 1, tabel 2, kolom 4, op blootstellingen aan het risico van niet-afgewikkelde transacties een risicogewicht van 1 250  % toe te passen, kunnen de instellingen de overgedragen waarde plus de actuele positieve blootstelling van die blootstellingen aftrekken van het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k).

Artikel 380

Ontheffing

Indien het afwikkelings- of het clearingsysteem dan wel de CTP in zijn/haar geheel uitvalt, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de berekening van eigenvermogensvereisten als beschreven in artikel 378 en artikel 379 totdat de situatie is rechtgezet. Het feit dat een tegenpartij een transactie niet afwikkelt, wordt in dit geval uit het oogpunt van kredietrisico niet als wanbetaling aangemerkt.

TITEL VI

EIGENVERMOGENSVEREISTEN VOOR HET RISICO VAN AANPASSING VAN DE KREDIETWAARDERING

Artikel 381

Betekenis van aanpassing van de kredietwaardering

Voor de toepassing van deze titel en hoofdstuk 6 van titel II wordt onder "aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation adjustment – CVA)" verstaan een aanpassing van de waardering tegen middenkoersen van een portefeuille van transacties met een tegenpartij. Die aanpassing weerspiegelt de actuele marktwaarde van het kredietrisico van de tegenpartij ten aanzien van de instelling, maar niet de actuele marktwaarde van het kredietrisico van de instelling ten aanzien van de tegenpartij.

▼M17

Voor de toepassing van deze titel wordt onder „CVA-risico” verstaan het risico op verliezen als gevolg van verandering in de CVA-waarde, berekend voor de portefeuille van transacties met een tegenpartij overeenkomstig de eerste alinea, als gevolg van bewegingen in de creditspreadrisicofactoren van een tegenpartij en in andere in de transactieportefeuille ingebouwde risicofactoren.

▼B

Artikel 382

Werkingssfeer

1.  
Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig deze titel voor alle otc-derivaten met betrekking tot al haar bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van kredietderivaten waarvan erkend wordt dat zij risicogewogen posten voor het kredietrisico verlagen.

▼M17

2.  
Een instelling neemt in de berekening van het krachtens lid 1 vereiste eigen vermogen effectenfinancieringstransacties mee die volgens het op de instelling toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving tegen reële waarde zijn gewaardeerd, indien de uit die transacties voortvloeiende blootstellingen van de instelling aan CVA-risico materieel zijn.

▼B

3.  
Transacties met een gekwalificeerde centrale tegenpartij en transacties van een cliënt met een clearinglid worden, indien het clearinglid als tussenpersoon tussen de cliënt en een gekwalificeerde centrale tegenpartij optreedt en de transacties aanleiding geven tot een transactieblootstelling van het clearinglid ten aanzien van de gekwalificeerde centrale tegenpartij, uitgesloten van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico.
4.  

De volgende transacties worden uitgesloten van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico:

a) 

transacties met niet-financiële tegenpartijen als gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Verordening (EU) nr. 648/2012 of met in een derde land gevestigde niet-financiële tegenpartijen, indien die transacties de in artikel 10, leden 3 en 4, van die verordening bepaalde clearingdrempel niet overschrijden;

▼M19

a bis) 

intragroeptransacties aangegaan met niet-financiële tegenpartijen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9), van Verordening (EU) nr. 648/2012 die deel uitmaken van dezelfde groep, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

i) 

de instelling en de niet-financiële tegenpartijen zijn op volledige basis in dezelfde consolidatie opgenomen en zijn onderworpen aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2;

ii) 

zij zijn onderworpen aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures, en

iii) 

de financiële tegenpartijen zijn gevestigd in de Unie of, indien zij in een derde land gevestigd zijn, heeft de Commissie een uitvoeringshandeling in overeenstemming met lid 4 quater, vastgesteld met betrekking tot dat derde land;

▼M19

b) 

intragroeptransacties die worden gesloten met financiële tegenpartijen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 8, van Verordening (EU) nr. 648/2012, financiële instellingen of nevendiensten verrichtende ondernemingen die gevestigd zijn in de Unie of die gevestigd zijn in een derde land dat prudentiële vereisten en toezichtsvereisten toepast op die financiële tegenpartijen, financiële instellingen of nevendiensten verrichtende ondernemingen, die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast, tenzij de lidstaten nationale wetgeving vaststellen die de structurele scheiding binnen een bankgroep voorschrijft, in welk geval de bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat die intragroeptransacties tussen de structureel gescheiden entiteiten in de eigenvermogensvereisten worden opgenomen;

▼B

c) 

transacties met tegenpartijen als bedoeld in artikel 2, punt 10, van Verordening (EU) nr. 648/2012 die onder de overgangsbepalingen van artikel 89, lid 1, van die verordening vallen, zolang die overgangsbepalingen gelden;

▼C2

d) 

transacties met tegenpartijen als bedoeld in artikel 1, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 648/2012 en transacties met tegenpartijen waarvoor bij artikel 114, lid 4, en artikel 115, lid 2, van deze verordening een risicogewicht wordt vastgesteld van 0 % voor blootstellingen met betrekking tot die tegenpartijen.

De ontheffing van de CVA-risicovereiste voor de in dit lid, punt c), bedoelde transacties die worden afgesloten tijdens de bij artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde overgangsperiode, geldt voor de hele duur van het contract voor die transactie.

▼C2

Indien een instelling, met betrekking tot punt a), niet langer vrijgesteld is doordat de vrijstellingsdrempel is overschreden of door een wijziging in de vrijstellingsdrempel, blijven bestaande contracten vrijgesteld tot aan de datum waarop zij aflopen.

▼M17

4 bis.  
In afwijking van lid 4 van dit artikel mag een instelling ervoor kiezen om aan de hand van de in artikel 382 bis, lid 1, bedoelde benaderingen de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico te berekenen voor de transacties die op grond van lid 4 van dit artikel worden uitgesloten, indien de instelling van overeenkomstig artikel 386 bepaalde toelaatbare afdekkingen gebruikmaakt om het CVA-risico voor die transacties te limiteren. De instellingen stellen beleidslijnen vast tot nadere bepaling van de toepassing en berekening van de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico voor dergelijke transacties.
4 ter.  
De instellingen rapporteren aan hun bevoegde autoriteit de uitkomsten van de berekeningen van de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico voor alle in lid 4 van dit artikel bedoelde transacties. Voor de toepassing van dat rapportagevereiste berekenen instellingen de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico aan de hand van de betrokken benaderingen uit artikel 382 bis, lid 1, die zij zouden hebben gebruikt om aan een eigenvermogensvereiste voor CVA-risico te voldoen indien die transacties niet op grond van lid 4 van dit artikel van het toepassingsgebied waren uitgesloten.

▼M19

4 quater.  
Voor de toepassing van lid 4, punten a bis) en b), kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en volgens de in artikel 464, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land toezicht- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.

▼C2

5.  
De EBA beoordeelt uiterlijk op 1 januari 2015 en vervolgens om de twee jaar in het licht van ontwikkelingen in de internationale regelgeving onder andere potentiële methoden voor kalibratie en drempels voor de toepassing van CVA-risicovereisten op in derde landen gevestigde niet-financiële tegenpartijen.

De EBA ontwikkelt binnen zes maanden na de datum van de beoordeling in samenwerking met de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de procedures om transacties met buiten de Unie in een derde land gevestigde niet-financiële tegenpartijen te ontheffen van het eigenvermogensvereiste voor het CVA- risicovereiste.

▼B

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen binnen zes maanden na de datum van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de tweede alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010;

▼M17

6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om de voorwaarden en criteria vast te stellen die de instellingen moeten hanteren om na te gaan of de blootstellingen aan CVA-risico als gevolg van tegen reële waarde gewaardeerde effectenfinancieringstransacties materieel zijn, alsmede de frequentie van die beoordeling.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 382 bis

Benaderingen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico

1.  

Een instelling berekent voor alle in artikel 382 bedoelde transacties de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico volgens de onderstaande benaderingen:

a) 

de standaardbenadering van artikel 383 indien de instelling van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om die benadering te gebruiken;

b) 

de basisbenadering van artikel 384;

c) 

de vereenvoudigde benadering van artikel 385, mits de instelling aan de voorwaarden van lid 1 van dat artikel voldoet.

2.  
Een instelling past de in lid 1, punt c), bedoelde benadering niet toe in combinatie met de in punt a) of b) van dat lid bedoelde benaderingen.
3.  

Een instelling mag de in lid 1, punten a) en b), bedoelde benaderingen combineren om permanent de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen voor:

a) 

verschillende tegenpartijen;

b) 

verschillende in aanmerking komende netting sets met dezelfde tegenpartij;

c) 

verschillende transacties van dezelfde in aanmerking komende netting set, mits aan een van de in lid 5 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.

4.  
Voor de toepassing van lid 3, punt c), splitsen instellingen de in aanmerking komende netting set op in een hypothetische netting set met daarin de onder de in lid 1, punt a), bedoelde benadering vallende transacties en een hypothetische netting set met daarin de onder de in lid 1, punt b), bedoelde benadering vallende transacties.
5.  

Voor de toepassing van lid 3, punt c), omvatten de daarin bedoelde voorwaarden het volgende:

a) 

de uitsplitsing is consistent met de behandeling van de juridische netting set bij de berekening van de CVA voor boekhoudkundige doeleinden;

b) 

de toestemming van bevoegde autoriteiten om de in lid 1, punt a), bedoelde benadering te gebruiken, blijft beperkt tot de overeenkomstige hypothetische netting set en bestrijkt niet alle transacties binnen de in aanmerking komende netting set.

De instellingen houden bij hoe zij een combinatie van de in lid 1, punten a) en b), bedoelde benaderingen gebruiken en om, zoals in dit lid uiteengezet, permanent de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen.

▼M17

Artikel 383

Standaardbenadering

1.  

De bevoegde autoriteit geeft een instelling toestemming om voor een portefeuille van transacties met een of meer tegenpartijen haar eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen aan de hand van de standaardbenadering van lid 3 van dit artikel, nadat zij is nagegaan of de instelling aan de volgende vereisten voldoet:

a) 

de instelling heeft een afzonderlijke afdeling opgericht die is belast met de algemene risicobeheersing van de instelling en de afdekking van het CVA-risico;

b) 

voor elke betrokken tegenpartij heeft de instelling een regelgevings-CVA-model ontwikkeld om de CVA van die tegenpartij overeenkomstig artikel 383 bis te berekenen;

c) 

voor elke betrokken tegenpartij is de instelling in staat, en dit ten minste op maandbasis, de gevoeligheden van haar CVA voor de desbetreffende overeenkomstig artikel 383 ter bepaalde risicofactoren te berekenen;

d) 

voor alle posities in toelaatbare afdekkingen die overeenkomstig artikel 386 in aanmerking worden genomen om de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen aan de hand van de standaardbenadering, is de instelling in staat, en dit ten minste op maandbasis, de gevoeligheden van die posities voor de desbetreffende overeenkomstig artikel 383 ter bepaalde risicofactoren te berekenen;

e) 

de instelling heeft een afdeling risicobeheersing opgericht, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en de in punt a) genoemde afdeling, en die rechtstreeks aan het leidinggevend orgaan rapporteert; die afdeling risicobeheersing is ervoor verantwoordelijk de standaardbenadering te ontwerpen en uit te voeren en stelt maandelijkse verslagen op over de resultaten van die benadering en analyseert die verslagen en, bovendien beoordeelt de afdeling risicobeheersing in hoeverre de handelslimieten van de instelling gepast zijn en neemt zij die beoordeling op in haar maandelijkse verslagen; de afdeling risicobeheersing beschikt over voldoende personeelsleden die op dat punt voldoende onderlegd zijn.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), van dit lid wordt onder „gevoeligheid van de CVA van een tegenpartij voor een risicofactor” verstaan de relatieve verandering in waarde van die CVA als gevolg van een verandering in de waarde van een van de betrokken risicofactoren van die CVA, berekend aan de hand van het regelgevings-CVA-model van de instelling overeenkomstig de artikelen 383 decies en 383 undecies.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), van dit lid wordt onder „gevoeligheid van een positie in een toelaatbare afdekking voor een risicofactor” verstaan de relatieve verandering in de waarde van die positie als gevolg van een verandering in de waarde van een van de betrokken risicofactoren van die positie, berekend aan de hand van het prijsmodel van de instelling overeenkomstig de artikelen 383 decies en 383 undecies.

2.  

Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico zijn de volgende definities van toepassing:

1) 

„risicoklasse”: één van de volgende categorieën:

a) 

renterisico;

b) 

creditspreadrisico van de tegenpartij;

c) 

referentiecreditspreadrisico;

d) 

aandelenrisico;

e) 

grondstoffenrisico;

f) 

wisselkoersrisico;

2) 

„CVA-portefeuille”: de portefeuille samengesteld uit de geaggregeerde CVA en de in lid 1, punt d), bedoelde toelaatbare afdekkingen;

3) 

„geaggregeerde CVA”: de som van de aan de hand van het regelgevings-CVA-model berekende CVA’s voor de in lid 1, eerste alinea, bedoelde tegenpartijen.

3.  

De instellingen bepalen aan de hand van de standaardbenadering de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico als de som van de volgende overeenkomstig artikel 383 ter berekende eigenvermogensvereisten:

a) 

de eigenvermogensvereisten voor deltarisico, die het risico van veranderingen in de CVA-portefeuille van een instelling weergeven die zijn toe te schrijven aan bewegingen in de desbetreffende niet-volatiliteitsgerelateerde risicofactoren;

b) 

de eigenvermogensvereisten voor vegarisico, die het risico van veranderingen in de CVA-portefeuille van de instelling weergeven die zijn toe te schrijven aan bewegingen in de desbetreffende volatiliteitsgerelateerde risicofactoren.

▼M17

Artikel 383 bis

Regelgevings-CVA-model

1.  

Een regelgevings-CVA-model dat voor het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig artikel 383 wordt gebruikt, is conceptueel solide, wordt integer toegepast en neemt alle volgende vereisten in acht:

a) 

het regelgevings-CVA-model is in staat om de CVA van een bepaalde tegenpartij te modelleren door, in voorkomend geval, netting- en margeovereenkomsten op nettingsetniveau overeenkomstig dit artikel in aanmerking te nemen;

b) 

de instelling raamt de kansen op wanbetaling van de tegenpartij op basis van de creditspreads en het op basis van een consensusvoorspelling verwachte verlies bij wanbetaling voor die tegenpartij;

c) 

het in punt a) bedoelde verwachte verlies bij wanbetaling is hetzelfde als het in punt b) bedoelde op basis van een consensusvoorspelling verwachte verlies bij wanbetaling, tenzij de instelling kan aantonen dat de hogere rangorde van de portefeuille van transacties met die tegenpartij verschilt van de rangorde van niet-achtergestelde, niet door zekerheden gedekte obligaties die door die tegenpartij zijn uitgegeven;

d) 

op elk toekomstig tijdstip wordt de gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling van de portefeuille van transacties met een tegenpartij aan de hand van een blootstellingsmodel berekend, door alle transacties in die portefeuille te herprijzen, op basis van de gesimuleerde gezamenlijke veranderingen van de voor die transacties relevante marktrisicofactoren, gebruikmakend van een passend aantal scenario’s en door de prijzen aan de hand van risicovrije rentepercentages te disconteren naar de berekeningsdatum;

e) 

het regelgevings-CVA-model is in staat om aanzienlijke afhankelijkheid te modelleren tussen de gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling van de portefeuille van transacties en de creditspreads van de tegenpartij;

f) 

indien de transacties uit de portefeuille worden opgenomen in een netting set die aan een margeovereenkomst en dagelijkse waardering tegen marktwaarde onderworpen is, worden de in het kader van die overeenkomst gestorte en ontvangen zekerheden, in de gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling als een risicolimiterende factor in aanmerking genomen indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de instelling bepaalt de margerisicoperiode die voor die overeenkomstig de vereisten van artikel 285, leden 2 en 5, voor die netting set relevant is, en brengt die margeperiode tot uiting in de berekening van de gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling;

ii) 

alle toepasselijke aspecten van de margeovereenkomst, met inbegrip van de frequentie van margeopvragingen, het type contractueel in aanmerking komende zekerheden, de drempelbedragen, de minimumoverdrachtbedragen, de Independent Amounts en de initiële marges voor zowel de instelling als de tegenpartij, komen passend tot uiting in de berekening van de gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling;

iii) 

de instelling heeft een afdeling zekerhedenbeheer opgericht die artikel 287 in acht neemt ten aanzien van alle zekerheden die bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico aan de hand van de standaardbenadering in aanmerking worden genomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), heeft CVA een positief teken en wordt deze berekend als een functie van het verwachte verlies bij wanbetaling van de tegenpartij, een passende set van de kansen op toekomstige wanbetaling van de tegenpartij en een passende set van gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstellingen van de portefeuille van transacties met die tegenpartij op tijdstippen in de toekomst tot aan het einde van de looptijd van de langstlopende transactie in die portefeuille.

Voor het aantonen zoals bedoeld in de eerste alinea, punt c), laten van de tegenpartij ontvangen zekerheden de rangorde van de blootstelling onverlet.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt f), iii), van dit lid hoeft de instelling, wanneer zij reeds een afdeling zekerhedenbeheer heeft opgericht voor het gebruik van de in artikel 283 bedoelde internemodellenmethode, geen additionele afdeling zekerhedenbeheer op te richten indien die instelling ten genoegen van haar bevoegde autoriteit aantoont dat die afdeling de vereisten van artikel 287 in acht neemt ten aanzien van de voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico’s aan de hand van de standaardbenadering in aanmerking genomen zekerheden.

2.  

Voor de toepassing van lid 1, punt b), maakt een instelling, wanneer de spreads voor een kredietverzuimswap van de tegenpartij op de markt waarneembaar zijn, van die spreads gebruik. Wanneer die spreads voor een kredietverzuimswap niet beschikbaar zijn, gebruikt een instelling een van de volgende benaderingen:

a) 

creditspreads van andere door de tegenpartij uitgegeven instrumenten die actuele marktomstandigheden weergeven;

b) 

proxy spreads die passend zijn gelet op de rating, de bedrijfstak en de regio van de tegenpartij.

3.  

Een instelling die een regelgevings-CVA-model gebruikt, voldoet aan alle volgende kwalitatieve vereisten:

a) 

het in lid 1 bedoelde blootstellingsmodel maakt deel uit van het interne CVA-risicobeheersysteem van de instelling dat vaststelling, meting, beheer, goedkeuring en interne rapportage van CVA en CVA-risico voor boekhoudkundige doeleinden omvat;

b) 

de instelling beschikt over procedures die de naleving borgen van een gedocumenteerd samenstel van interne beleidslijnen, controles, beoordeling van de prestaties van het model en procedures ten aanzien van het in lid 1 bedoelde blootstellingsmodel;

c) 

de instelling beschikt over een onafhankelijke validatieafdeling die belast is met de effectieve initiële en doorlopende validatie van het in lid 1 van dit artikel bedoelde blootstellingsmodel; deze afdeling is onafhankelijk van de bedrijfseenheden kredietverlening en de handelsafdelingen, met inbegrip van de in artikel 383, lid 1, punt a), bedoelde afdeling, en rapporteert rechtstreeks aan de directie; zij beschikt over voldoende personeelsleden die op dat punt voldoende onderlegd zijn;

d) 

de directie is actief bij de risicobeheersingsprocedure betrokken en beschouwt de beheersing van het CVA-risico als een essentieel onderdeel van de activiteiten, waarvoor de nodige hulpbronnen moeten worden ingezet;

e) 

de instelling documenteert het proces voor de initiële en doorlopende validatie van het in lid 1 bedoelde blootstellingsmodel met een zodanige mate van detail dat een derde kan begrijpen hoe de modellen functioneren, wat de beperkingen en de belangrijkste aannames ervan zijn, en de analyse kan reproduceren; die documentatie vermeldt de minimumfrequentie waarmee de doorlopende validatie moet plaatsvinden, alsmede andere omstandigheden, zoals een plotse verandering in marktgedragingen, waarin additionele validatie moet plaatsvinden: zij beschrijft hoe de validatie wordt uitgevoerd ten aanzien van gegevensstromen en portefeuilles, welke analyses worden gebruikt en hoe representatieve tegenpartijportefeuilles worden gebouwd;

f) 

de prijsmodellen die in het in lid 1 bedoelde blootstellingsmodel worden gebruikt voor een bepaald scenario van gesimuleerde marktrisicofactoren worden, in het kader van het proces voor initiële en doorlopende modelvalidatie, getoetst aan passende onafhankelijke benchmarks voor een breed scala marktsituaties; in prijsmodellen voor opties wordt rekening gehouden met het niet-lineaire karakter van de optiewaarde ten opzichte van marktrisicofactoren;

g) 

op regelmatige basis vindt een onafhankelijke toetsing van het in punt a) van dit lid bedoelde interne CVA-risicobeheersysteem van de instelling plaats in het kader van het interne auditproces van de instelling; die toetsing omvat de activiteiten van zowel de in artikel 383, lid 1, punt a), bedoelde afdeling als de in punt c) van dit lid bedoelde onafhankelijke validatieafdeling;

h) 

het regelgevings-CVA-model dat de instelling gebruikt om de in lid 1 bedoelde gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling te berekenen, brengt de transactievoorwaarden en specificaties en margeovereenkomsten tijdig, volledig en voorzichtig tot uiting; die voorwaarden en specificaties zijn opgenomen in een beveiligde databank die aan een periodieke en formele audit wordt onderworpen: ook de doorgifte van gegevens over transactievoorwaarden en specificaties en margeovereenkomsten aan het blootstellingsmodel wordt aan een interne audit onderworpen, en er zijn formele processen voorhanden voor de reconciliatie tussen het interne model en de brongegevenssystemen, zodat permanent kan worden geverifieerd dat transactievoorwaarden, specificaties en margeovereenkomsten correct, of ten minste voorzichtig, in het blootstellingssysteem tot uiting komen;

i) 

de inputs van actuele en historische marktgegevens die worden gebruikt in het model door de instelling voor de berekening van de in lid 1 bedoelde gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling, worden onafhankelijk van de bedrijfsonderdelen verkregen en worden tijdig en volledig ingevoerd in dat model en in stand gehouden in een beveiligde databank die aan een periodieke en formele audit wordt onderworpen; een instelling beschikt over een goed ontwikkeld proces voor gegevensintegriteit zodat zij kan omgaan met ongeschikte observaties van gegevens; indien het model van proxy marktgegevens gebruikmaakt, werkt een instelling interne beleidslijnen uit om geschikte proxy’s te identificeren en toont zij op doorlopende basis empirisch aan dat die proxy’s een voorzichtige voorstelling van het onderliggende risico geven;

j) 

het in lid 1 bedoelde blootstellingsmodel houdt rekening met transactiespecifieke en contractuele informatie die nodig is om blootstellingen op het niveau van de netting set te kunnen aggregeren; een instelling vergewist zich ervan dat transacties in het model in de juiste netting set worden ondergebracht.

Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico’s mag het in lid 1 van dit artikel bedoelde blootstellingsmodel verschillende specificaties en aannames hebben om aan alle vereisten van artikel 383 bis te voldoen, met dien verstande dat de inputs van marktgegevens en inaanmerkingneming van netting dezelfde blijven als die welke voor boekhoudkundige doeleinden worden gebruikt.

▼M17

4.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:

a) 

de wijze waarop de in lid 2, punt b), bedoelde proxy spreads door de instelling moeten worden vastgesteld om de kansen op wanbetaling te berekenen;

b) 

verdere technische elementen die de instellingen in aanmerking moeten nemen bij het berekenen van het verwachte verlies bij wanbetaling van de tegenpartij, de kansen op wanbetaling van de tegenpartij en de gesimuleerde gedisconteerde toekomstige blootstelling van de portefeuille van transacties met die tegenpartij en CVA, als bedoeld in lid 1;

c) 

de andere in lid 2, punt a), vermelde instrumenten die passend zijn om de kansen op wanbetaling van de tegenpartij te ramen en hoe instellingen die raming moeten maken.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2027 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:

a) 

de voorwaarden voor het beoordelen van de materialiteit van uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van de standaardbenadering als bedoeld in artikel 383, lid 3;

b) 

de beoordelingsmethode aan de hand waarvan de bevoegde autoriteiten moeten nagaan of een instelling aan de vereisten van de artikelen 383 en 383 bis voldoet.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2028 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Artikel 383 ter

Eigenvermogensvereisten voor delta- en vegarisico

1.  
De instellingen passen de in de artikelen 383 quater tot en met 383 nonies beschreven delta- en vegarisicofactoren en het in de leden 2 tot en met 8 van dit artikel beschreven proces toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor delta- en vegarisico.
2.  
Voor elke in artikel 383, lid 2, bedoelde risicoklasse worden de gevoeligheid van de geaggregeerde CVA’s en de gevoeligheid van alle onder de eigenvermogensvereisten voor delta- en vegarisico vallende posities in toelaatbare afdekkingen voor elk van de bij de betrokken risicoklasse behorende, toepasselijke delta- of vegarisicofactoren berekend volgens de overeenkomstige formules uit de artikelen 383 decies en 383 undecies. Indien de waarde van een instrument van meerdere risicofactoren afhankelijk is, wordt de gevoeligheid voor elke risicofactor afzonderlijk bepaald.

Voor het berekenen van de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA’s voor vegarisico worden gevoeligheden opgenomen zowel voor volatiliteiten die in het blootstellingsmodel worden gebruikt om risicofactoren te simuleren als voor volatiliteiten die worden gebruikt om optietransacties in de portefeuille met de tegenpartij te herprijzen.

In afwijking van lid 1 van dit artikel, kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming heeft verleend, bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor een positie in de handelsportefeuille krachtens dit hoofdstuk gebruikmaken van alternatieve definities van delta- en vegarisicogevoeligheden, mits de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

deze alternatieve definities worden door een onafhankelijke afdeling risicobeheersing binnen de instelling gebruikt voor doeleinden van intern risicobeheer of om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren;

b) 

de instelling toont aan dat de alternatieve definities beter geschikt zijn om de gevoeligheden voor de positie te vatten dan de formules uit de artikelen 383 decies en 383 undecies, en dat de daaruit resulterende delta- en vegarisicogevoeligheden niet materieel verschillen van de gevoeligheden die worden verkregen na toepassing van de formules in respectievelijk artikel 383 decies en artikel 383 undecies.

3.  
Indien een toelaatbare afdekking een indexinstrument is, berekenen instellingen de gevoeligheden van die toelaatbare afdekking voor alle betrokken risicofactoren door de verschuiving van een van de betrokken risicofactoren toe te passen op elk van de bestanddelen van de index.
4.  

Een instelling mag extra risicofactoren invoeren die overeenstemmen met gekwalificeerde indexinstrumenten voor de volgende risicoklassen:

a) 

creditspreadrisico van de tegenpartij;

b) 

referentiecreditspreadrisico, en

c) 

aandelenrisico.

Wat deltarisico’s betreft, wordt een indexinstrument als gekwalificeerd beschouwd indien het aan de voorwaarden van artikel 325 decies voldoet. Wat vegarisico’s betreft, worden alle indexinstrumenten als gekwalificeerd beschouwd.

Een instelling berekent de gevoeligheden van CVA en toelaatbare afdekkingen voor gekwalificeerde indexrisicofactoren naast de gevoeligheden voor de niet-indexrisicofactoren.

Een instelling berekent delta- en vegarisicogevoeligheden voor een gekwalificeerde indexrisicofactor als één gevoeligheid voor de onderliggende gekwalificeerde index. Wanneer 75 % van de bestanddelen van een gekwalificeerde index worden gemapt met dezelfde sector als die uit de artikelen 383 septdecies, 383 vicies en 383 tervicies, mapt de instelling de gekwalificeerde index met diezelfde sector. Anders mapt de instelling de gevoeligheid met de toepasselijke gekwalificeerde indexsubklasse.

5.  

De gewogen gevoeligheden van de geaggregeerde CVA en van de marktwaarde van alle toelaatbare afdekkingen voor elke risicofactor worden berekend door de respectieve nettogevoeligheden te vermenigvuldigen met het overeenkomstige risicogewicht, volgens de onderstaande formules:

waarbij:

k

= de index die de risicofactor k aangeeft;

= de gewogen gevoeligheid van de geaggregeerde CVA voor risicofactor k;

RWk

= het risicogewicht dat van toepassing is op risicofactor k;

= de nettogevoeligheid van de geaggregeerde CVA voor risicofactor k;

= de gewogen gevoeligheid van de marktwaarde van alle toelaatbare afdekkingen (hedges) in de CVA-portefeuille voor risicofactor k;

= de nettogevoeligheid van de marktwaarde van alle toelaatbare afdekkingen (hedges) in de CVA portfolio voor risicofactor k.

6.  

De instellingen berekenen de netto gewogen gevoeligheid WSk van de CVA-portefeuille voor risicofactor k volgens de onderstaande formule:

7.  

De netto gewogen gevoeligheden binnen dezelfde subklasse worden geaggregeerd volgens de onderstaande formule, gebruikmakend van de overeenkomstige correlaties ρkl voor gewogen gevoeligheden binnen dezelfde subklasse uit de artikelen 383 terdecies, 383 unvicies en 383 octodecies die aanleiding geven tot de subklassespecifieke gevoeligheid Kb :

waarbij:

Kb

= de subklassespecifieke gevoeligheid van subklasse b;

WSk

= de netto gewogen gevoeligheden;

ρkl

= de overeenkomstige parameters voor correlatie binnen de subklasse;

R

= de hedging disallowance-parameter gelijk aan 0,01 .

8.  

De subklassespecifieke gevoeligheid wordt voor elke subklasse binnen een risicoklasse berekend overeenkomstig de leden 5, 6 en 7 van dit artikel. Nadat voor alle subklassen de subklassespecifieke gevoeligheid is berekend, worden de gewogen gevoeligheden voor alle risicofactoren van alle subklassen volgens de onderstaande formule geaggregeerd, met gebruikmaking van de overeenkomstige correlaties γbc voor gewogen gevoeligheden in de verschillende subklassen uit de artikelen 383 terdecies, 383 sexdecies, 383 novodecies, 383 duovicies en 383 quatervicies en 383 septvicies, hetgeen in de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor delta- of vegarisico resulteert:

waarbij:

mCVA

= een vermenigvuldigingsfactor gelijk aan 1; de bevoegde autoriteit mag de waarde van mCVA verhogen indien het regelgevings-CVA-model van de instelling tekortkomingen vertoont waardoor de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico niet correct kunnen worden gemeten;

Kb

= de subklassespecifieke gevoeligheid van subklasse b;

γbc

= de correlatieparameter tussen de subklassen b en c;

= voor alle risicofactoren in subklasse b;

= voor alle risicofactoren in subklasse c.

Artikel 383 quater

Renterisicofactoren

1.  
Voor de rentedeltarisicofactoren, met inbegrip van het inflatierisico, is er één subklasse per valuta, waarbij elke subklasse telkens verschillende soorten risicofactoren omvat.

De op rentegevoelige instrumenten in de CVA-portefeuille toepasselijke rentedeltarisicofactoren zijn de desbetreffende risicovrije rentes per betrokken valuta en voor elk van de volgende looptijden: 1 jaar, 2 jaar, 5 jaar, 10 jaar en 30 jaar.

De op inflatiegevoelige instrumenten in de CVA-portefeuille toepasselijke rentedeltarisicofactoren zijn de desbetreffende inflatiepercentages per betrokken valuta en voor elk van de volgende looptijden: 1 jaar, 2 jaar, 5 jaar, 10 jaar en 30 jaar.

2.  
De valuta waarvoor een instelling de rentedeltarisicofactoren overeenkomstig lid 1 toepast, zijn euro, Zweedse kroon, Australische dollar, Canadese dollar, Britse pond sterling, Japanse yen, Amerikaanse dollar, de rapportagevaluta van de instelling en de valuta van een aan ERM II deelnemende lidstaat.
3.  
Voor niet in lid 2 vermelde valuta zijn de rentedeltarisicofactoren de absolute verandering van het inflatiepercentage en de parallelle verschuiving van de volledige risicovrije curve voor een bepaalde valuta.
4.  
Instellingen verkrijgen de risicovrije rentes per valuta van de in hun handelsportefeuille aangehouden geldmarktinstrumenten met het laagste kredietrisico, zoals overnight indexswaps.
5.  
Indien instellingen de in lid 4 bedoelde benadering niet kunnen toepassen, worden de risicovrije rentes gebaseerd op één of meer door de markt geïmpliceerde swapcurves die door de instellingen worden gebruikt om posities tegen marktwaarde te waarderen, zoals de swapcurves voor de interbankenrente.

Indien de gegevens over de in de eerste alinea beschreven door de markt geïmpliceerde swapcurves ontoereikend zijn, mogen de risicovrije rentes worden afgeleid van de meest geschikte overheidsobligatiecurve voor een gegeven valuta.

6.  
De rentevegarisicofactor die van toepassing is op instrumenten in de CVA-portefeuille die gevoelig zijn voor rentevolatiliteit, is alle volatiliteiten van de rentevoet van alle looptijden voor een bepaalde valuta. De inflatievegarisicofactor die van toepassing is op instrumenten in de CVA-portefeuille die gevoelig zijn voor inflatievolatiliteit, is alle volatiliteiten van het inflatiepercentage van alle tenoren voor een bepaalde valuta. Voor elke valuta wordt één nettorentegevoeligheid en één netto-inflatiegevoeligheid berekend.

Artikel 383 quinquies

Wisselkoersrisicofactoren

1.  
De wisselkoersdeltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor contante wisselkoersen gevoelig zijn, zijn alle contante wisselkoersen tussen de valuta waarin een instrument luidt en de rapportagevaluta van de instelling of de basisvaluta van de instelling wanneer de instelling, overeenkomstig artikel 325 octodecies, lid 7, een basisvaluta gebruikt. Per valutapaar is er één subklasse; deze subklasse bevat één risicofactor en één nettogevoeligheid.
2.  
De wisselkoersvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor wisselkoersvolatiliteit gevoelig zijn, zijn de impliciete volatiliteiten van wisselkoersen tussen de in lid 1 bedoelde valutaparen. Er is één subklasse voor alle valuta en looptijden, die alle wisselkoersvegarisicofactoren en één nettogevoeligheid bevat.
3.  
Voor wisselkoersdelta- en wisselkoersvegarisicofactoren hoeven instellingen geen onderscheid te maken tussen onshore- en offshorevarianten van een valuta.

Artikel 383 sexies

Risicofactoren voor tegenpartijcreditspreads

1.  
De deltarisicofactoren voor tegenpartijcreditspreads die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor tegenpartijcreditspread gevoelig zijn, zijn de creditspreads van alle individuele tegenpartijen en referentienamen en gekwalificeerde indexen voor de volgende looptijden: 0,5  jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.
2.  
De creditspreadrisicoklasse van de tegenpartij is niet onderworpen aan vegarisico-eigenvermogenvereisten.

Artikel 383 septies

Risicofactoren voor referentiecreditspreads

1.  
De deltarisicofactoren voor referentiecreditspreads die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor referentiecreditspreads gevoelig zijn, zijn de creditspreads van alle looptijden voor alle referentienamen binnen een subklasse. Voor iedere subklasse wordt één nettogevoeligheid berekend.
2.  
De vegarisicofactoren voor referentiecreditspreads die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor referentiecreditspreads gevoelig zijn, zijn de volatiliteiten van de creditspreads van alle looptijden voor alle referentienamen binnen een subklasse. Voor iedere subklasse wordt één nettogevoeligheid berekend.

Artikel 383 octies

Aandelenrisicofactoren

1.  
De subklassen voor alle aandelenrisicofactoren zijn de in artikel 383 unvicies genoemde subklassen.
2.  
De aandelendeltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor contante aandelenkoersen gevoelig zijn, zijn de contante koersen van alle aandelen die worden gemapt met dezelfde subklasse als die bedoeld in lid 1. Voor iedere subklasse wordt één nettogevoeligheid berekend.
3.  
De aandelenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor aandelenvolatiliteit gevoelig zijn, zijn de impliciete volatiliteiten van alle aandelen die worden gemapt met dezelfde subklasse als die bedoeld in lid 1. Voor iedere subklasse wordt één nettogevoeligheid berekend.

Artikel 383 nonies

Grondstoffenrisicofactoren

1.  
De subklassen voor alle grondstoffenrisicofactoren zijn de in artikel 383 quinvicies genoemde sectorale subklassen.
2.  
De grondstoffendeltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor contante grondstoffenprijzen gevoelig zijn, zijn de contante prijzen van alle grondstoffen die worden gemapt met dezelfde sectorale subklasse als die bedoeld in lid 1. Voor iedere sectorale subklasse wordt één nettogevoeligheid berekend.
3.  
De grondstoffenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten in de CVA-portefeuille die voor volatiliteiten van grondstoffenprijzen gevoelig zijn, zijn de impliciete volatiliteiten van alle grondstoffen die worden gemapt met dezelfde sectorale subklasse als die bedoeld in lid 1. Voor iedere sectorale subklasse wordt één nettogevoeligheid berekend.

Artikel 383 decies

Deltarisicogevoeligheden

1.  

De instellingen berekenen uit renterisicofactoren bestaande deltagevoeligheden als volgt:

a) 

de deltagevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor risicofactoren bestaande uit risicovrije rentes en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren worden als volgt berekend:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een risicofactor risicovrije rente;

rkt

= de waarde van de risicofactor risicovrije rente k met looptijd t;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan rkt in VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een risicovrije renterisicofactor;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan rkt in de prijsfunctie Vi ;

b) 

de deltagevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit inflatiepercentages en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren worden als volgt berekend:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een inflatierisicofactor;

inflkt

= de waarde van een inflatierisicofactor k met looptijd t;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan inflkt in VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een inflatierisicofactor;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan inflkt in de prijsfunctie Vi .

2.  

De instellingen berekenen de deltagevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor risicofactoren bestaande uit contante wisselkoersen en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren als volgt:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een risicofactor contante wisselkoersen;

FXk

= de waarde van de risicofactor contante wisselkoersen k;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan FXk in VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een risicofactor contante wisselkoersen;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan FXk in de prijsfunctie Vi .

3.  

De instellingen berekenen de deltagevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor risicofactoren bestaande uit tegenpartijcreditspreads en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren als volgt:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een risicofactor tegenpartijcreditspreads;

ccskt

= de waarde van de risicofactor tegenpartijcreditspreads k voor looptijd t;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan ccskt in VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een risicofactor tegenpartijcreditspreads;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan ccskt in de prijsfunctie Vi .

4.  

De instellingen berekenen de deltagevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor risicofactoren bestaande uit referentiecreditspreads en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren als volgt:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een risicofactor referentiecreditspreads;

rcskt

= de waarde van de risicofactor referentiecreditspreads k voor looptijd t;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan ccskt in VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een risicofactor referentiecreditspreads;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan ccskt in de prijsfunctie Vi .

5.  

De instellingen berekenen de deltagevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor risicofactoren bestaande uit contante aandelenkoersen en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren als volgt:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een risicofactor contante aandelenkoersen;

EQ

= de waarde van de contante aandelenkoers;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan "EQ in VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een risicofactor contante aandelenkoersen;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan "EQ in de prijsfunctie Vi .

6.  

De instellingen berekenen de deltagevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor risicofactoren bestaande uit contante grondstoffenprijzen en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren als volgt:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een risicofactor contante grondstoffenprijzen;

CTY

= de waarde van de contante grondstoffenprijs;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan "CTY in VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een risicofactor contante grondstoffenprijzen;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan "CTY in de prijsfunctie Vi .

Artikel 383 undecies

Vegarisicogevoeligheden

De instellingen berekenen de vegarisicogevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor risicofactoren bestaande uit impliciete volatiliteit en uit een toelaatbare afdekking van die risicofactoren als volgt:

waarbij:

= de gevoeligheden van de geaggregeerde CVA voor een risicofactor impliciete volatiliteit;

volk

= de waarde van de risicofactor impliciete volatiliteit;

VCVA

= de geaggregeerde CVA berekend volgens het regelgevings-CVA-model;

x,y

= andere risicofactoren dan volk in de prijsfunctie VCVA ;

= de gevoeligheden van de toelaatbare afdekking (hedge) i voor een risicofactor impliciete volatiliteit;

Vi

= de prijsfunctie van de toelaatbare afdekking (hedge) i;

w,z

= andere risicofactoren dan volk in de prijsfunctie Vi .

Artikel 383 duodecies

Risicogewichten voor renterisico

1.  

Voor de in artikel 383 quater, lid 2, genoemde valuta zijn de deltagevoeligheden voor risicovrije rente van elke subklasse in tabel 1 als volgt:



Tabel 1

Subklasse

Looptijd

Risicogewicht

1

1 jaar

1,11  %

2

2 jaar

0,93  %

3

5 jaar

0,74  %

4

10 jaar

0,74  %

5

30 jaar

0,74  %

2.  
Voor andere valuta dan de in artikel 383 quater, lid 2, genoemde valuta bedraagt het risicogewicht van deltagevoeligheden voor risicovrije rente 1,58  %.
3.  
Voor inflatierisico in een van de in artikel 383 quater, lid 2, genoemde valuta bedraagt het risicogewicht van de deltagevoeligheid voor inflatierisico 1,11  %.
4.  
Voor inflatierisico in een andere valuta dan de in artikel 383 quater, lid 2, genoemde valuta bedraagt het risicogewicht van de deltagevoeligheid voor inflatierisico 1,58  %.
5.  
De op gevoeligheden voor rentevegarisicofactoren en op inflatievegarisicofactoren toe te passen risicogewichten bedragen voor alle valuta 100 %.

Artikel 383 terdecies

Correlaties tussen subklassen voor het algemeen renterisico

1.  

Voor de in artikel 383 quater, lid 2, genoemde valuta zijn de correlatieparameters die de instellingen toepassen bij de aggregatie van de deltagevoeligheden voor risicovrije rente tussen de verschillende subklassen uit artikel 383 duodecies, tabel 1, als volgt:



Tabel 1

Subklasse

1

2

3

4

5

1

100 %

91 %

72 %

55 %

31 %

2

 

100 %

87 %

72 %

45 %

3

 

 

100 %

91 %

68 %

4

 

 

 

100 %

83 %

5

 

 

 

 

100 %

2.  
De instellingen passen een correlatieparameter van 40 % toe op de aggregatie van inflatiedeltarisicogevoeligheid en deltagevoeligheden voor risicovrije rente die in dezelfde valuta luiden.
3.  
De instellingen passen een correlatieparameter van 40 % toe op de aggregatie van gevoeligheid voor de vegarisicofactor inflatie en gevoeligheid voor de vegarisicofactor risicovrije rente die in dezelfde valuta luiden.

Artikel 383 quaterdecies

Correlaties tussen subklassen voor het renterisico

De parameter voor correlaties tussen subklassen wordt voor het aandelendeltarisico, het rentedeltarisico en het vegarisico vastgelegd op 0,5 voor alle valutaparen.

Artikel 383 quindecies

Risicogewichten voor het wisselkoersrisico

1.  
De risicogewichten voor alle deltagevoeligheden voor de risicofactor wisselkoers tussen een rapportagevaluta van een instelling en een andere valuta bedraagt 11 %.
2.  

Het risicogewicht van de risicofactor wisselkoers met betrekking tot valutaparen die zijn samengesteld uit de euro en de valuta van een lidstaat die aan ERM II deelneemt, is één van de onderstaande gewichten:

a) 

het risicogewicht als bedoeld in lid 1, gedeeld door 3;

b) 

de maximale fluctuatie binnen de fluctuatiemarge die formeel is overeengekomen tussen de lidstaat en de ECB, mits die fluctuatiemarge smaller is dan die, vastgesteld in het kader van ERM II.

3.  
Niettegenstaande lid 2 is het risicogewicht van de risicofactor wisselkoers met betrekking tot valuta als bedoeld in dat lid, die deelnemen aan ERM II met een formeel overeengekomen fluctuatiemarge die smaller is dan de standaardmarge van plus of min 15 %, gelijk aan de maximale procentuele fluctuatie binnen die smallere marge.
4.  
De risicogewichten voor alle vegagevoeligheden voor de risicofactor wisselkoers bedragen 100 %.

Artikel 383 sexdecies

Correlaties voor het wisselkoersrisico

1.  
Op de aggregatie van gevoeligheden voor de wisselkoersdeltarisicofactor voor alle subklassen is een uniforme correlatieparameter gelijk aan 60 % van toepassing.
2.  
Op de aggregatie van gevoeligheden voor de vegarisicofactor wisselkoers voor alle subklassen is een uniforme correlatieparameter gelijk aan 60 % van toepassing.

Artikel 383 septdecies

Risicogewichten voor het tegenpartijcreditspreadrisico

1.  

De risicogewichten voor de deltagevoeligheden voor tegenpartijcreditspreadrisicofactoren zijn identiek voor alle looptijden (0,5  jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse in tabel 1, en zijn als volgt:



Tabel 1

Nummer subklasse

Kredietkwaliteit

Sector

Risicogewicht

1

Alle

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten

0,5  %

2

Kredietkwaliteitscategorieën 1 t/m 3

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van derde landen en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

0,5  %

3

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

1,0  %

4

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

5,0  %

5

Basismaterialen, energie, industrieproducten, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

3,0  %

6

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

3,0  %

7

Technologie, telecommunicatie

2,0  %

8

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

1,5  %

9

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten

1,0  %

10

Kredietkwaliteitscategorie 1

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in derde landen

1,5  %

Kredietkwaliteitscategorieën 2 t/m 3

2,5  %

11

Kredietkwaliteitscategorieën 1 t/m 3

Andere sector

5,0  %

12

Gekwalificeerde indexen

1,5  %

13

Kredietkwaliteitscategorieën 4 t/m 6 en zonder rating

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van derde landen en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

2,0  %

14

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

4,0  %

15

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

12,0  %

16

Basismaterialen, energie, industrieproducten, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

7,0  %

17

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

8,5  %

18

Technologie, telecommunicatie

5,5  %

19

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

5,0  %

20

Andere sector

12,0  %

21

Gekwalificeerde indexen

5,0  %

Indien er voor een specifieke tegenpartij geen externe ratings zijn, kunnen de instellingen, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, de interne rating naar een overeenkomstige externe rating mappen en een overeenkomstig risicogewicht toekennen aan kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 of kredietkwaliteitscategorie 4, 5 of 6. Anders worden de risicogewichten voor blootstellingen zonder rating toegepast.

2.  
Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een doorgaans op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van emittenten per sector. De instellingen wijzen elke emittent slechts aan één van de in tabel 1 vermelde sectorale subklassen toe. Risicoblootstellingen van emittenten die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 11 of aan subklasse 20 in tabel 1 toegewezen, afhankelijk van de kredietkwaliteit van de emittent.
3.  
De instellingen wijzen aan de subklassen 12 en 21 in tabel 1 alleen blootstellingen toe die verwijzen naar gekwalificeerde indexen als bedoeld in artikel 383 ter, lid 4.
4.  
De instellingen passen een doorkijkbenadering toe om de gevoeligheden te bepalen van een blootstelling die naar een niet-gekwalificeerde index verwijst.

Artikel 383 octodecies

Correlaties tussen subklassen voor het tegenpartijcreditspreadrisico

1.  

Tussen de beide gevoeligheden WSk en WSl , resulterend uit risicoblootstellingen toegewezen aan sectorale subklassen 1 tot en met 11 en 13 tot en met 20 uit artikel 383 septdecies, lid 1, tabel 1, wordt de correlatieparameter ρkl als volgt vastgesteld:

waarbij:

= gelijk is aan 1 indien de twee toppen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders is deze gelijk aan 90 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen (name) van de gevoeligheden k en l identiek zijn, 90 % indien de twee namen verschillend zijn maar juridisch verbonden, anders is deze gelijk aan 50 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen (name) beide in de subklassen 1 tot en met 11 of beide in de subklassen 13 tot en met 20 zijn, en anders is deze gelijk aan 80 %.

2.  

Tussen de beide gevoeligheden WSk en WSl , resulterend uit risicoblootstellingen toegewezen aan de sectorale subklassen 12 en 21, wordt de correlatieparameter ρkl als volgt vastgesteld:

waarbij:

= gelijk is aan 1 indien de twee toppen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders is deze gelijk aan 90 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen (name) van de gevoeligheden k en l identiek zijn en de twee indexen tot dezelfde serie behoren, 90 % indien de twee indexen hetzelfde zijn maar tot verschillende series behoren, anders is deze gelijk aan 80 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen beide in de subklasse 12 of beide in de subklasse 21 zijn, en anders is deze gelijk aan 80 %.

Artikel 383 novodecies

Correlaties tussen subklassen voor het tegenpartijcreditspreadrisico

De correlaties tussen subklassen voor het tegenpartijcreditspreaddeltarisico zijn als volgt:



Tabel 1

Subklasse

1, 2, 3, 13 en 14

4 en 15

5 en 16

6 en 17

7 en 18

8 en 19

9 en 10

11 en 20

12 en 21

1, 2, 3, 13 en 14

100 %

10 %

20 %

25 %

20 %

15 %

10 %

0 %

45 %

4 en 15

 

100 %

5 %

15 %

20 %

5 %

20 %

0 %

45 %

5 en 16

 

 

100 %

20 %

25 %

5 %

5 %

0 %

45 %

6 en 17

 

 

 

100 %

25 %

5 %

15 %

0 %

45 %

7 en 18

 

 

 

 

100 %

5 %

20 %

0 %

45 %

8 en 19

 

 

 

 

 

100 %

5 %

0 %

45 %

9 en 10

 

 

 

 

 

 

100 %

0 %

45 %

11 en 20

 

 

 

 

 

 

 

100 %

0 %

12 en 21

 

 

 

 

 

 

 

 

100 %

Artikel 383 vicies

Risicogewichten voor het referentiecreditspreadrisico

1.  

De risicogewichten voor de deltagevoeligheden voor referentiecreditspreadrisicofactoren zijn identiek voor alle looptijden (0,5  jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) en alle referentiecreditspreadblootstellingen binnen elke subklasse in tabel 1, en zijn als volgt:



Tabel 1

Nummer subklasse

Kredietkwaliteit

Sector

Risicogewicht

1

Alle

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten

0,5  %

2

Kredietkwaliteitscategorie 1 t/m 3

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van derde landen en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

0,5  %

3

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

1,0  %

4

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

5,0  %

5

Basismaterialen, energie, industrieproducten, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

3,0  %

6

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

3,0  %

7

Technologie, telecommunicatie

2,0  %

8

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

1,5  %

9

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten

1,0  %

10

Kredietkwaliteitscategorie 1

Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in derde landen

1,5  %

Kredietkwaliteitscategorieën 2 t/m 3

2,5  %

11

Kredietkwaliteitscategorie 1 t/m 3

Gekwalificeerde indexen

1,5  %

12

Kredietkwaliteitscategorieën 4 t/m 6 en zonder rating

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van derde landen en in artikel 117, lid 2, en artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

2,0  %

13

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

4,0  %

14

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

12,0  %

15

Basismaterialen, energie, industrieproducten, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

7,0  %

16

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

8,5  %

17

Technologie, telecommunicatie

5,5  %

18

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

5,0  %

19

Gekwalificeerde indexen

5,0  %

20

Andere sector

12,0  %

Indien er voor een specifieke tegenpartij geen externe ratings zijn, kunnen de instellingen, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, de interne rating naar een overeenkomstige externe rating mappen en een overeenkomstig risicogewicht toekennen aan kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 of kredietkwaliteitscategorie 4, 5 of 6. Anders worden de risicogewichten voor blootstellingen zonder rating toegepast.

2.  
Risicogewichten voor referentiecreditspreadvolatiliteiten worden vastgelegd op 100 %.
3.  
Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een doorgaans op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van emittenten per sector. De instellingen wijzen elke emittent slechts aan één van de sectorale subklassen in tabel 1 toe. Risicoblootstellingen van een uitgevende instelling die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 20 in tabel 1 toegewezen.
4.  
De instellingen wijzen aan de subklassen 11 en 19 alleen blootstellingen toe die verwijzen naar gekwalificeerde indexen als bedoeld in artikel 383 ter, lid 4.
5.  
De instellingen passen een doorkijkbenadering toe om de gevoeligheden te bepalen van een blootstelling die naar een niet-gekwalificeerde index verwijst.

Artikel 383 unvicies

Correlaties tussen subklassen voor het referentiecreditspreadrisico

1.  

Tussen de beide gevoeligheden WSk en WSl , resulterend uit risicoblootstellingen toegewezen aan sectorale subklassen 1 tot en met 10, 12 tot en met 18 en 20 uit artikel 383 vicies, lid 1, tabel 1, wordt de correlatieparameter ρkl als volgt vastgesteld:

waarbij:

= gelijk is aan 1 indien de twee toppen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders is deze gelijk aan 90 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen (name) van de gevoeligheden k en l identiek zijn, 90 % indien de twee namen verschillend zijn maar juridisch verbonden, anders is deze gelijk aan 50 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen (name) beide in de subklassen 1 tot en met 10, beide in de subklassen 12 tot en met 18, of beide in subklasse 20 zijn, en anders is deze gelijk aan 80 %.

2.  

Tussen de beide gevoeligheden WSk en WSl , resulterend uit risicoblootstellingen toegewezen aan de sectorale subklassen 11 en 19, wordt de correlatieparameter ρkl als volgt vastgesteld:

waarbij:

= gelijk is aan 1 indien de twee toppen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders is deze gelijk aan 90 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen (name) van de gevoeligheden k en l identiek zijn en de twee indexen tot dezelfde serie behoren, 90 % indien de twee indexen hetzelfde zijn maar tot verschillende series behoren, anders is deze gelijk aan 80 %;

= gelijk is aan 1 indien de twee namen beide in de subklasse 11 of beide in de subklasse 19 zijn, en anders is deze gelijk aan 80 %.

Artikel 383 duovicies

Correlaties tussen subklassen voor het referentiecreditspreadrisico

1.  

De correlaties tussen subklassen voor het deltareferentiecreditspreadrisico en het vegareferentiecreditspreadrisico zijn als volgt:



Tabel 1

Subklasse

1, 2 en 12

3 en 14

4 en 15

5 en 16

6 en 17

7 en 18

8 en 19

9 en 10

20

11

19

1, 2 en 12

100 %

75 %

10 %

20 %

25 %

20 %

15 %

10 %

0 %

45 %

45 %

3 en 14

 

100 %

5 %

15 %

20 %

15 %

10 %

10 %

0 %

45 %

45 %

4 en 15

 

 

100 %

5 %

15 %

20 %

5 %

20 %

0 %

45 %

45 %

5 en 16

 

 

 

100 %

20 %

25 %

5 %

5 %

0 %

45 %

45 %

6 en 17

 

 

 

 

100 %

25 %

5 %

15 %

0 %

45 %

45 %

7 en 18

 

 

 

 

 

100 %

5 %

20 %

0 %

45 %

45 %

8 en 19

 

 

 

 

 

 

100 %

5 %

0 %

45 %

45 %

9 en 10

 

 

 

 

 

 

 

100 %

0 %

45 %

45 %

20

 

 

 

 

 

 

 

 

100 %

0 %

0 %

11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

100 %

75 %

19

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

100 %

2.  
In afwijking van lid 1 worden de in dat lid berekende waarden van de correlaties tussen subklassen gedeeld door twee voor correlaties tussen een subklasse van de subklassen 1 tot en met 10 en een subklasse van de subklassen 12 tot en met 18.

Artikel 383 tervicies

Risicogewichtsubklassen voor het aandelenrisico

1.  

De risicogewichten voor de deltagevoeligheden voor de risicofactor contante aandelenkoersen zijn identiek voor alle aandelenrisicoblootstellingen binnen elke subklasse in tabel 1, en zijn als volgt:



Tabel 1

Nummer subklasse

Marktkapitalisatie

Economie

Sector

Risicogewicht voor contante aandelenkoers

1

Groot

Opkomende economie

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

55 %

2

Telecommunicatie, industrieproducten

60 %

3

Basismaterialen, energie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

45 %

4

Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, onroerendgoedactiviteiten, technologie

55 %

5

Geavanceerde economie

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

30 %

6

Telecommunicatie, industrieproducten

35 %

7

Basismaterialen, energie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

40 %

8

Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, onroerendgoedactiviteiten, technologie

50 %

9

Klein

Opkomende economie

Alle onder de subklassen 1, 2, 3 en 4 beschreven sectoren

70 %

10

Geavanceerde economie

Alle onder de subklassen 5, 6, 7 en 8 beschreven sectoren

50 %

11

Andere sector

70 %

12

Groot

Geavanceerde economie

Gekwalificeerde indexen

15 %

13

Andere

Gekwalificeerde indexen

25 %

2.  
Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel wordt in de in artikel 325 septquinquagies, lid 7, bedoelde technische reguleringsnormen nader bepaald wat onder een kleine en een grote marktkapitalisatie moet worden verstaan.
3.  
Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel wordt in de in artikel 325 terquadragies, lid 3, bedoelde technische reguleringsnormen nader bepaald wat onder een opkomende en een geavanceerde economie moet worden verstaan.
4.  
Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken de instellingen gebruik van een doorgaans op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van emittenten per bedrijfstak. De instellingen wijzen elke emittent aan één van de in lid 1, tabel 1, vermelde sectorale subklassen toe en wijzen alle emittenten uit dezelfde bedrijfstak aan dezelfde sector toe. Risicoblootstellingen van emittenten die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 11 toegewezen. Multinationale of in meerdere sectoren actief zijnde emittenten van aandelen worden op basis van de belangrijkste regio en sector waarin de emittent van aandelen opereert, aan een bepaalde subklasse toegewezen.
5.  
De risicogewichten voor het aandelenvegarisico worden vastgesteld op 78 % voor de subklassen 1 tot en met 8 en subklasse 12, en op 100 % voor alle overige subklassen.

Artikel 383 quatervicies

Correlaties tussen subklassen voor het aandelenrisico

De parameter voor correlaties tussen subklassen wordt voor het aandelendeltarisico en het aandelenvegarisico vastgesteld op:

a) 

15 % indien de beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 10 in artikel 383 tervicies, lid 1, tabel 1, vallen;

b) 

75 % indien de beide subklassen de subklassen 12 en 13 in artikel 383 tervicies, lid 1, tabel 1, zijn;

c) 

45 % indien een van de subklassen subklasse 12 of 13 in artikel 383 tervicies, lid 1, tabel 1, is, en de andere subklasse in de subklassen 1 tot en met 10 in artikel 383 tervicies, lid 1, tabel 1, valt;

d) 

0 % indien een van de beide subklassen subklasse 11 in artikel 383 tervicies, lid 1, tabel 1, is.

Artikel 383 quinvicies

Risicogewichtsubklassen voor het grondstoffenrisico

1.  

De risicogewichten voor de deltagevoeligheden voor de risicofactor contante grondstoffenprijzen zijn identiek voor alle grondstoffenrisicoblootstellingen binnen elke subklasse in tabel 1, en zijn als volgt:



Tabel 1

Nummer subklasse

Naam subklasse

Risicogewicht voor contante grondstoffenprijs

1

Energie — vaste brandstoffen

30 %

2

Energie — vloeibare brandstoffen

35 %

3

Energie — elektriciteit

60 %

4

Energie — handel in koolstofemissierechten binnen het EU-ETS

40 %

5

Energie — handel in koolstofemissierechten buiten het EU-ETS

60 %

6

Goederenvervoer

80 %

7

Niet-edele metalen

40 %

8

Gasvormige brandstoffen

45 %

9

Edele metalen, inclusief goud

20 %

10

Granen en oliehoudende zaden

35 %

11

Vee en zuivel

25 %

12

Zachte en andere landbouwgrondstoffen

35 %

13

Andere grondstof

50 %

2.  
De risicogewichten voor het grondstoffenvegarisico worden op 100 % vastgesteld.

Artikel 383 septvicies

Correlaties tussen subklassen voor het grondstoffenrisico

1.  

De parameter voor correlaties tussen subklassen wordt voor het grondstoffendeltarisico vastgesteld op:

a) 

20 % indien de beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 12 in artikel 383 quinvicies, lid 1, tabel 1, vallen;

b) 

0 % indien een van de beide subklassen subklasse 13 in artikel 383 quinvicies, lid 1, tabel 1, is.

2.  

De parameter voor correlaties tussen subklassen wordt voor het grondstoffenvegarisico vastgesteld op:

a) 

20 % indien de beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 12 in artikel 383 quinvicies, lid 1, tabel 1, vallen;

b) 

0 % indien een van de beide subklassen subklasse 13 in artikel 383 quinvicies, lid 1, tabel 1, is.

▼M17

Artikel 384

Basisbenadering

1.  

Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig lid 2 of lid 3 van dit artikel, naargelang het geval, voor een portefeuille van transacties met één of meer tegenpartijen aan de hand van een van de volgende formules, naargelang het geval:

a) 

de formule uit lid 2 van dit artikel, indien de instelling in de berekening één of meer overeenkomstig artikel 386 in aanmerking genomen toelaatbare afdekkingen in de berekening opneemt;

b) 

de formule uit lid 3 van dit artikel, indien de instelling in de berekening geen van de overeenkomstig artikel 386 in aanmerking genomen toelaatbare afdekkingen in de berekening opneemt.

De benaderingen uit de eerste alinea, punten a) en b), worden niet in combinatie gebruikt.

2.  

Een instelling die aan de voorwaarde uit lid 1, punt a), voldoet, berekent de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico als volgt:

BACVAtotal = β · BACVAcsr-unhedged + DSCVA · (1 – β) · BACVAcsr-hedged

waarbij:

BACVAtotal

= de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico volgens de basisbenadering;

BACVAcsr-unhedged

= de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico volgens de basisbenadering, berekend overeenkomstig lid 3 voor een instelling die aan de voorwaarde uit lid 1, punt b), voldoet;

DSCVA

= 0,65 ;

β

= 0,25 ;

waarbij:

aa

= 1,4 ;

ρ

= 0,5 ;

c

= de index die alle tegenpartijen aangeeft waarvoor de instelling de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico berekent aan de hand van de in dit artikel vastgelegde benadering;

NS

= de index die alle netting sets met een bepaalde tegenpartij aangeeft waarvoor de instelling de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico berekent aan de hand van de in dit artikel vastgelegde benadering;

h

= de index die alle single-name-instrumenten aangeeft die overeenkomstig artikel 386 als toelaatbare afdekkingen in aanmerking zijn genomen voor een bepaalde tegenpartij waarvoor de instelling de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico berekent aan de hand van de in dit artikel vastgelegde benadering;

i

= de index die alle indexinstrumenten aangeeft die overeenkomstig artikel 386 als toelaatbare afdekkingen in aanmerking zijn genomen voor alle tegenpartijen waarvoor de instelling de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico berekent aan de hand van de in dit artikel vastgelegde benadering;

RWc

= het op tegenpartij „c” toepasselijke risicogewicht. Tegenpartij „c” wordt gemapt met een van de risicogewichten gebaseerd op een combinatie van sector en kredietkwaliteit en vastgesteld overeenkomstig tabel 1.

Indien er voor een specifieke tegenpartij geen externe ratings zijn, kunnen de instellingen, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, de interne rating naar een overeenkomstige externe rating mappen en een overeenkomstig risicogewicht toekennen aan kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 of kredietkwaliteitscategorie 4, 5 of 6; anders worden de risicogewichten voor blootstellingen zonder rating toegepast.

= de werkelijke looptijd voor netting set NS met tegenpartij c;

wordt berekend volgens artikel 162; voor die berekening wordt evenwel niet tot vijf jaar beperkt, maar tot de langste resterende looptijd van een contract in de netting set;

= de blootstellingswaarde voor tegenpartijkredietrisico van netting set NS met tegenpartij c, met inbegrip van het effect van zekerheidstelling volgens de in titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 3 tot en met 6, beschreven methoden, zoals van toepassing op de berekening van de eigenvermogensvereisten voor tegenpartijkredietrisico overeenkomstig artikel 92, lid 4, punten a) en g);

= de disconteringsvoet voor toezichtsdoeleinden voor netting set NS met tegenpartij c.

Voor een instelling die van de in titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6, beschreven methoden gebruikmaakt, wordt de disconteringsfactor voor toezichtsdoeleinden vastgesteld op 1; in alle overige gevallen wordt de disconteringsfactor voor toezichtsdoeleinden als volgt berekend:

rhc

= de correlatiefactor voor toezichtdoeleinden tussen het creditspreadrisico van tegenpartij c en het creditspreadrisico van een single-name-instrument in aanmerking genomen als toelaatbare afdekking h voor tegenpartij c, bepaald overeenkomstig tabel 2;

= de resterende looptijd van een als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen single-name-instrument;

= het notionele bedrag van een als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen single-name-instrument;

= de disconteringsfactor voor toezichtsdoeleinden van een als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen single-name-instrument, berekend als volgt:

= het risicogewicht voor toezichtsdoeleinden van een als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen single-name-instrument; die risicogewichten zijn gebaseerd op een combinatie van sector en kredietkwaliteit van de referentiecreditspread van het afdekkingsinstrument en worden vastgesteld overeenkomstig tabel 1;

= de resterende looptijd van één of meer posities in hetzelfde als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen indexinstrument; in het geval van meer dan één positie in hetzelfde indexinstrument is de notioneel gewogen looptijd van al die posities.

= de volledige notionele waarde van één of meer posities in hetzelfde als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen indexinstrument.

= de disconteringsfactor voor toezichtsdoeleinden van één of meer posities in hetzelfde als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen indexinstrument, berekend als volgt:

= het risicogewicht voor toezichtsdoeleinden van een als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen indexinstrument; is gebaseerd op een combinatie van sector en kredietkwaliteit van alle indexcomponenten, berekend als volgt:

a) 

indien alle bestanddelen van de index tot dezelfde sector behoren en dezelfde kredietkwaliteit hebben, zoals bepaald overeenkomstig tabel 1, wordt berekend als het betrokken risicogewicht uit tabel 1 voor die sector en kredietkwaliteit, vermenigvuldigd met 0,7 ;

b) 

indien alle bestanddelen van de index niet tot dezelfde sector behoren of niet dezelfde kredietkwaliteit hebben, wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de risicogewichten van alle bestanddelen van de index, zoals bepaald overeenkomstig tabel 1, vermenigvuldigd met 0,7 ;



Tabel 1

Sector tegenpartij

Kredietkwaliteit

Kredietkwaliteitscategorie

1 t/m 3

Kredietkwaliteitscategorie 4 t/m 6 of zonder rating

Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

0,5  %

2,0  %

Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

1,0  %

4,0  %

Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

5,0  %

12,0  %

Basismaterialen, energie, industrieproducten, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

3,0  %

7,0  %

Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

3,0  %

8,5  %

Technologie, telecommunicatie

2,0  %

5,5  %

Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

1,5  %

5,0  %

Andere sector

5,0  %

12,0  %



Tabel 2

Correlaties tussen creditspread tegenpartij en single-name-afdekking

Single-name afdekking h van tegenpartij i

Waarde van rhc

Tegenpartijen bedoeld in artikel 386, lid 3, punt a), i)

100 %

Tegenpartijen bedoeld in artikel 386, lid 3, punt a), ii)

80 %

Tegenpartijen bedoeld in artikel 386, lid 3, punt a), iii)

50 %

3.  

Een instelling die aan de voorwaarde uit lid 1, punt b), voldoet, berekent de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico als volgt:

waarbij alle termen die uit lid 2 zijn.

Artikel 385

Vereenvoudigde benadering

1.  
Een instelling die aan alle voorwaarden van artikel 273 bis, lid 2, voldoet, of van haar bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 273 bis, lid 4, toestemming heeft gekregen om de in artikel 282 bedoelde benadering te hanteren, mag de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico berekenen als de risicogewogen posten voor het tegenpartijrisico voor posities in, respectievelijk, de niet-handelsportefeuille en de handelsportefeuille, als bedoeld in artikel 92, lid 4, punten a) en g), gedeeld door 12,5 .
2.  

Voor de in lid 1 bedoelde berekening zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

a) 

die berekening geldt alleen voor transacties waarvoor de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico van artikel 382 van toepassing zijn;

b) 

kredietderivaten die als interne afdekkingen van blootstellingen met betrekking tot tegenpartijrisico’s in aanmerking worden genomen, worden niet in die berekening opgenomen.

3.  
Een instelling die niet langer voldoet aan één of meer van de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 2 of lid 4, naargelang het geval, voldoet aan de voorwaarden van artikel 273 ter.

Artikel 386

Toelaatbare afdekkingen

1.  

Posities in afdekkingsinstrumenten worden als „toelaatbare afdekkingen” in aanmerking genomen bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig de artikelen 383 en 384 indien die posities aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a) 

zij worden gebruikt om het CVA-risico te limiteren en worden als dusdanig beheerd;

b) 

zij kunnen worden ingenomen bij derden of bij de handelsportefeuille van de instelling als interne afdekking, in dat geval moeten zij voldoen aan artikel 106, lid 7;

c) 

alleen posities in afdekkingsinstrumenten als bedoeld in de leden 2 en 3 van dit artikel kunnen bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig, respectievelijk, artikel 383 en artikel 384 in aanmerking worden genomen als toelaatbare afdekkingen.

Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig artikel 383 worden posities in afdekkingsinstrumenten als toelaatbare afdekkingen in aanmerking genomen indien deze afdekkingsinstrumenten, naast de voorwaarden van de punten a) tot en met c) van dit lid, één positie vormen in een toelaatbare afdekking en niet in meer dan één positie in meer dan één toelaatbare afdekking worden opgesplitst.

2.  

Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig artikel 383 worden alleen posities in de volgende afdekkingsinstrumenten als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen:

a) 

instrumenten die de variabiliteit van de tegenpartijcreditspread afdekken, met uitzondering van de in artikel 325, lid 5, bedoelde instrumenten;

b) 

instrumenten die de variabiliteit van het blootstellingsbestanddeel van het CVA-risico afdekken, met uitzondering van de in artikel 325, lid 5, bedoelde instrumenten.

3.  

Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig artikel 384 worden alleen posities in de volgende afdekkingsinstrumenten als toelaatbare afdekking in aanmerking genomen:

a) 

single-name kredietverzuimswaps (CDS) en single-name contingent-credit default swaps (CCDS), die verwijzen naar:

i) 

de tegenpartij rechtstreeks;

ii) 

een met de tegenpartij juridisch verbonden entiteit, waarbij „juridisch verbonden” verwijst naar gevallen waar de referentienaam en de tegenpartij ofwel een moederonderneming en haar dochteronderneming, ofwel twee dochterondernemingen van een gezamenlijke moederonderneming zijn;

iii) 

een entiteit uit dezelfde sector en regio als de tegenpartij;

b) 

index-kredietverzuimswaps.

4.  
Bij derden ingenomen posities in afdekkingsinstrumenten die overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 als toelaatbare afdekkingen in aanmerking worden genomen en die worden opgenomen in de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico, vallen niet onder de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van titel IV.
5.  
Posities in afdekkingsinstrumenten die niet overeenkomstig dit artikel als toelaatbare afdekkingen in aanmerking worden genomen, vallen onder de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van titel IV.

▼B

DEEL VIER

GROTE RISICOBLOOTSTELLINGEN

Artikel 387

Onderwerp

De instellingen bewaken en beheersen hun grote risicoblootstellingen overeenkomstig dit deel.

▼M9 —————

▼B

Artikel 389

Definitie

Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder "blootstellingen", alle actiefposten en posten buiten de balanstelling bedoeld in deel 3, titel II, hoofdstuk 2, zonder toepassing van de risicogewichten of risicograden.

▼M8

Artikel 390

Berekening van de blootstellingswaarde

1.  
De totale blootstellingen met betrekking tot een groep van verbonden cliënten worden berekend door samentelling van de blootstellingen met betrekking tot de individuele cliënten in die groep.
2.  
De totale blootstellingen met betrekking tot individuele cliënten worden berekend door de blootstellingen in de handelsportefeuille en de blootstellingen in de niet-handelsportefeuille op te tellen.
3.  

Wat blootstellingen in de handelsportefeuille betreft, mogen instellingen:

a) 

hun lange en korte posities in dezelfde door een bepaalde cliënt uitgegeven financiële instrumenten verrekenen met de nettopositie in elk onderscheiden instrument, berekend volgens de in deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, omschreven methoden;

b) 

hun lange en korte posities in verschillende door een bepaalde cliënt uitgegeven financiële instrumenten verrekenen, maar alleen indien het onderliggende financiële instrument van de korte positie van een lagere rang is dan het onderliggende financiële instrument van de lange positie, of indien de onderliggende instrumenten van dezelfde rang zijn.

Voor de toepassing van de punten a) en b) mogen financiële instrumenten in vijf verschillende rangen worden ingedeeld om de relatieve rang van de posities te bepalen.

4.  
Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van de in bijlage II opgesomde derivatencontracten en van rechtstreeks met een cliënt gesloten kredietderivatencontracten volgens één van de in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 3, 4 en 5, beschreven methoden, naargelang het geval. Blootstellingen die voortvloeien uit de in de artikelen 378, 379 en 380 bedoelde transacties worden berekend op de in die artikelen bepaalde wijze.

Bij de berekening van de blootstellingswaarde van de in de eerste alinea bedoelde contracten, nemen instellingen, indien die contracten aan de handelsportefeuille worden toegerekend, ook de beginselen van artikel 299 in acht.

In afwijking van de eerste alinea mogen instellingen waaraan toestemming is verleend om de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 4, en deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6, bedoelde methoden te gebruiken, deze methoden aanwenden voor de berekening van de blootstellingswaarde van effectenfinancieringstransacties.

5.  
Aan de totale blootstelling met betrekking tot een cliënt voegen instellingen de blootstellingen toe die voortvloeien uit de in bijlage II opgesomde derivatencontracten en uit kredietderivatencontracten, indien het contract niet rechtstreeks met die cliënt is aangegaan, maar het onderliggende schuld- of aandeleninstrument door die cliënt is uitgegeven.
6.  

De blootstellingen omvatten niet:

a) 

in het geval van deviezentransacties, de blootstellingen die tijdens het normale verloop van de afwikkeling ontstaan in de periode van twee werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden;

b) 

in het geval van transacties betreffende de aankoop of verkoop van effecten, de blootstellingen die tijdens het normale verloop van de afwikkeling ontstaan in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten zijn geleverd indien deze levering eerder plaatsvindt;

c) 

in het geval van betalingsverrichtingen, waaronder de uitvoering van betalingsdiensten, de clearing en afwikkeling in enigerlei valuta en correspondentbankdiensten of de clearing, afwikkeling en bewaring van financiële instrumenten ten behoeve van cliënten, de uitgestelde ontvangsten uit hoofde van uit activiteiten van cliënten voortvloeiende financierings- en andere blootstellingen die uiterlijk tot en met de volgende werkdag blijven bestaan;

d) 

in het geval van betalingsverrichtingen, waaronder de uitvoering van betalingsdiensten, de clearing en afwikkeling in enigerlei valuta en correspondentbankdiensten, de intradayblootstellingen met betrekking tot instellingen die deze diensten aanbieden;

e) 

blootstellingen die overeenkomstig de artikelen 36 en 56 van tier 1-kernkapitaalbestanddelen of aanvullend tier 1-bestanddelen zijn afgetrokken of alle andere aftrekkingen van die bestanddelen waardoor de solvabiliteitsratio vermindert.

7.  
Om de totale blootstelling met betrekking tot een cliënt of groep van verbonden cliënten te bepalen wat betreft cliënten jegens wie de instelling blootstellingen heeft via transacties als bedoeld in artikel 112, punten m) en o), of via andere transacties die een blootstelling met betrekking tot onderliggende activa inhouden, beoordeelt een instelling haar onderliggende blootstellingen en houdt zij daarbij rekening met de economische kenmerken van de structuur van de transactie en met de risico's die aan de structuur van de transactie zelf verbonden zijn, teneinde te bepalen of die een nieuwe blootstelling vormt.
8.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de te hanteren voorwaarden en methoden om de totale blootstelling met betrekking tot een cliënt of groep van verbonden cliënten te bepalen wat de in lid 7 bedoelde soorten blootstellingen betreft;

b) 

de voorwaarden waaronder de structuur van de in lid 7 bedoelde transacties geen nieuwe blootstelling vormt.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

9.  
Voor de toepassing van lid 5 ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de wijze waarop de blootstellingen moeten worden bepaald die voortvloeien uit de in bijlage II opgesomde derivatencontracten en uit kredietderivatencontracten, indien het contract niet rechtstreeks met een cliënt zijn is aangegaan maar het onderliggende schuld- of aandeleninstrument door die cliënt is uitgegeven, met het oog op de opneming van die blootstellingen in de blootstellingen met betrekking tot de cliënt.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 maart 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 391

Definitie van een instelling voor grote risicoblootstellingen

Voor de berekening van de waarde van blootstellingen overeenkomstig dit deel wordt onder de term "instelling" ook verstaan iedere particuliere of openbare onderneming, inclusief haar bijkantoren, die, indien zij in de Unie gevestigd zou zijn, aan de definitie van "instelling" zou voldoen en waaraan een vergunning is verleend in een derde land waar toezicht- en reguleringsvereisten worden toegepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.

▼M8

Voor de toepassing van de eerste alinea kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en volgens de in artikel 464, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land toezichts- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.

▼M8

Artikel 392

Definitie van een grote blootstelling

Een blootstelling van een instelling met betrekking tot een cliënt of een groep van verbonden cliënten wordt als groot beschouwd indien de waarde van de blootstelling 10 % of meer van haar tier1-kapitaal bedraagt.

▼B

Artikel 393

Capaciteit tot onderkenning en beheer van grote risicoblootstellingen

Een instelling beschikt over deugdelijke administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate internecontrolemechanismen met het oog op onderkenning, beheer, bewaking, rapportage en vastlegging van alle grote risicoblootstellingen en daarin optredende veranderingen overeenkomstig deze verordening.

▼M8

Artikel 394

Rapportagevereisten

1.  

Instellingen rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten de volgende informatie voor elke grote blootstelling die zij aanhouden, en dus ook voor grote blootstellingen die van de toepassing van artikel 395, lid 1, zijn vrijgesteld:

a) 

de identiteit van de cliënt of groep van verbonden cliënten ten aanzien waarvan de instelling een grote blootstelling heeft;

b) 

de blootstellingswaarde vóór inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering, indien van toepassing;

c) 

indien gebruik wordt gemaakt van kredietprotectie, de soort volgestorte of niet-volgestorte protectie;

d) 

de blootstellingswaarde, berekend voor de toepassing van artikel 395, lid 1, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering, indien van toepassing.

Instellingen die zijn onderworpen aan deel drie, titel II, hoofdstuk 3, rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten hun 20 grootste blootstellingen op geconsolideerde basis, ongerekend de blootstellingen die van de toepassing van artikel 395, lid 1, zijn vrijgesteld.

Daarnaast rapporteren instellingen op geconsolideerde basis aan hun bevoegde autoriteiten blootstellingen met een waarde die groter is dan of gelijk aan 300 miljoen EUR, maar kleiner dan 10 % van het tier 1-kapitaal van de instelling.

2.  

►M17  Naast de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie rapporteren de instellingen de volgende informatie aan hun bevoegde autoriteiten in verband met hun tien grootste blootstellingen op geconsolideerde basis met betrekking tot instellingen en hun tien grootste blootstellingen op geconsolideerde basis met betrekking tot schaduwbankentiteiten, met inbegrip van grote blootstellingen die van de toepassing van artikel 395, lid 1, zijn vrijgesteld: ◄

a) 

de identiteit van de cliënt of groep van verbonden cliënten ten aanzien waarvan een instelling een grote blootstelling heeft;

b) 

de blootstellingswaarde vóór inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering, indien van toepassing;

c) 

indien gebruik wordt gemaakt van kredietprotectie, de soort volgestorte of niet-volgestorte protectie;

d) 

de blootstellingswaarde, berekend voor de toepassing van artikel 395, lid 1, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering, indien van toepassing.

▼M17

Naast de in de eerste alinea bedoelde informatie rapporteren de instellingen hun geaggregeerde blootstelling aan schaduwbankentiteiten aan hun bevoegde autoriteiten.

▼M8

3.  
Instellingen rapporteren de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie ten minste halfjaarlijks aan hun bevoegde autoriteiten.
4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de criteria voor de identificatie van de in lid 2 bedoelde schaduwbankentiteiten.

Bij het ontwikkelen van die ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de EBA rekening met internationale ontwikkelingen en op internationaal niveau overeengekomen normen inzake schaduwbankieren, en gaat zij na of:

a) 

de relatie met een individuele entiteit of een groep entiteiten risico's kan inhouden voor de solvabiliteit of liquiditeitspositie van de instelling;

b) 

entiteiten die aan vergelijkbare solvabiliteits- of liquiditeitsvereisten als die van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU onderworpen zijn, geheel of gedeeltelijk van de in lid 2 bedoelde rapportageverplichting met betrekking tot schaduwbankentiteiten zouden moeten worden vrijgesteld.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 395

Limieten voor grote blootstellingen

▼M9

1.  
Een instelling gaat geen blootstelling met betrekking tot een cliënt of een groep van verbonden cliënten aan waarvan de waarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, 25 % van haar tier 1-kapitaal overschrijdt. Indien die cliënt een instelling is of indien een groep van verbonden cliënten één of meer instellingen omvat, is die waarde niet hoger dan 25 % van het tier 1-kapitaal van de instelling of – als dit meer is – 150 miljoen EUR, met dien verstande dat de som van de blootstellingswaarden met betrekking tot alle verbonden cliënten die geen instellingen of beleggingsondernemingen zijn, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, niet hoger is dan 25 % van het tier 1‐kapitaal van de instelling.

▼M8

Indien het bedrag van 150 miljoen EUR meer is dan 25 % van het tier 1-kapitaal van de instelling, is de blootstellingswaarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403 van deze verordening, niet hoger dan een redelijke limiet in termen van het tier 1-kapitaal van de instelling. Die limiet wordt door de instelling bepaald overeenkomstig de in artikel 81 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde beleidslijnen en procedures met het oog op het ondervangen en beheersen van het concentratierisico. Deze limiet is niet hoger dan 100 % van het tier 1-kapitaal van de instelling.

De bevoegde autoriteiten kunnen een lagere limiet dan 150 miljoen EUR bepalen, en brengen in dat geval die limiet ter kennis van de EBA en de Commissie.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid gaat een MSI met een andere MSI of een niet-EU-MSI geen blootstelling aan waarvan de waarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, 15 % van haar tier 1-kapitaal overschrijdt. Een MSI voldoet aan dergelijke limiet binnen twaalf maanden na de datum waarop zij als een MSI werd aangemerkt. Wanneer de MSI een blootstelling heeft aan een andere instelling of groep wie wordt aangemerkt als een MSI of een niet-EU-MSI, voldoet zij aan dergelijke limiet binnen twaalf maanden na de datum waarop die andere instelling of groep als een MSI of een niet-EU-MSI werd aangemerkt.

▼B

2.  
De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, rekening houdend met het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403 en met de resultaten van ontwikkelingen inzake schaduwbankieren en grote risicoblootstellingen op Unie- en internationaal niveau, uiterlijk op 31 december 2014 richtsnoeren uit voor het vaststellen van passende geaggregeerde limieten voor dergelijke risicoblootstellingen of van stringentere afzonderlijke limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten.

Bij het ontwikkelen van die richtsnoeren overweegt de EBA of de invoering van bijkomende limieten een wezenlijke schadelijke impact zou hebben op het risicoprofiel van in de Unie gevestigde instellingen, op de kredietverstrekking aan de reële economie of op de stabiliteit en de deugdelijke werking van de financiële markten.

Uiterlijk op 31 december 2015 beoordeelt de Commissie de passendheid en de impact van het opleggen van limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten, daarbij rekening houdend met ontwikkelingen in de Unie en internationale ontwikkelingen inzake schaduwbankieren en grote risicoblootstellingen en met kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval samen met een wetgevingsvoorstel betreffende limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten.

▼M17

2 bis.  
Uiterlijk op 10 januari 2027 vaardigt de EBA, na raadpleging van de ESMA, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit ter actualisering van de in lid 2 van dit artikel bedoelde richtsnoeren.

Bij het actualiseren van deze richtsnoeren houdt de EBA onder meer terdege rekening met de bijdrage van schaduwbankentiteiten aan de kapitaalmarktenunie en met de mogelijke negatieve gevolgen die eventuele wijzigingen in die richtsnoeren, met inbegrip van aanvullende limieten, kunnen hebben voor het bedrijfsmodel en het risicoprofiel van de instellingen en voor de stabiliteit en de ordelijke werking van de financiële markten.

Daarnaast legt de EBA, na raadpleging van de ESMA, uiterlijk op 31 december 2027 een verslag voor aan de Commissie over de bijdrage van schaduwbankentiteiten aan de kapitaalmarktenunie en over de blootstellingen van instellingen aan dergelijke entiteiten, met inbegrip van de geschiktheid van geaggregeerde of strengere individuele limieten voor die blootstellingen, waarbij terdege rekening wordt gehouden met het regelgevingskader en de bedrijfsmodellen van die entiteiten.

Op basis van dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2028 een wetgevingsvoorstel betreffende blootstellingslimieten voor schaduwbankentiteiten in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼B

3.  
Onverminderd artikel 396 leeft een instelling te allen tijde de toepasselijke in lid 1 bedoelde limiet in acht.
4.  
Activa in de vorm van vorderingen en andere blootstellingen met betrekking tot erkende beleggingsondernemingen uit een derde land kunnen worden onderworpen aan dezelfde behandeling als vervat in lid 1.

▼M8

5.  

De in dit artikel genoemde limieten mogen worden overschreden voor de blootstellingen in de handelsportefeuille van de instelling, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de blootstelling in de niet-handelsportefeuille met betrekking tot de cliënt of groep van verbonden cliënten in kwestie is niet hoger dan de in lid 1 genoemde limiet, waarbij deze limiet wordt berekend in termen van het tier 1-kapitaal, zodat de overschrijding zich integraal binnen de handelsportefeuille voordoet;

b) 

de instelling voldoet aan een aanvullend-eigenvermogensvereiste voor het deel van de blootstelling dat overeenstemt met de overschrijding van de in lid 1 van dit artikel genoemde limiet, berekend overeenkomstig de artikelen 397 en 398;

c) 

indien niet meer dan tien dagen zijn verstreken sedert de in punt b) bedoelde overschrijding zich heeft voorgedaan, bedraagt de blootstelling in de handelsportefeuille met betrekking tot de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten niet meer dan 500 % van het tier 1-kapitaal van de instelling;

d) 

alle overschrijdingen die langer dan tien dagen duren, bedragen in totaal niet meer dan 600 % van het tier 1-kapitaal van de instelling.

Telkens als de limiet is overschreden, rapporteert de instelling onverwijld aan de bevoegde autoriteiten de hoogte van de overschrijding en de naam van de betrokken cliënt, en, in voorkomend geval, de naam van de betrokken groep van verbonden cliënten.

▼B

6.  
Voor de toepassing van dit lid wordt onder structurele maatregelen verstaan maatregelen die door een lidstaat worden genomen en door de betrokken bevoegde autoriteiten van die lidstaat worden uitgevoerd, vóór de inwerkingtreding van een rechtshandeling die uitdrukkelijk strekt tot harmonisatie van die maatregelen, uit hoofde waarvan kredietinstellingen waaraan in die lidstaat een vergunning is verleend, gehouden zijn hun blootstellingen met betrekking tot verschillende juridische entiteiten, al naargelang hun activiteiten, ongeacht waar die activiteiten plaatsvinden, te verlagen teneinde deposanten te beschermen en de financiële stabiliteit in stand te houden.

Onverminderd lid 1 van dit artikel en artikel 400, lid 1, punt f), kunnen, wanneer lidstaten nationale wetten vaststellen uit hoofde waarvan in een bankgroep structurele maatregelen moeten worden genomen, de bevoegde autoriteiten de instellingen van de bankgroep die deposito's aanhoudt die onder een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels ( 34 ) of onder een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land vallen, verplichten ►C1  tot het toepassen van een groterisicoblootstellingslimiet van minder dan 25 % maar ten laagste 15 % tussen 28 juni 2013 en 30 juni 2015, ◄ en van ten laagste 10 % vanaf 1 juli 2015 op gesubconsolideerde basis overeenkomstig artikel 11, lid 5 inzake intragroepblootstellingen indien die blootstellingen bestaan uit blootstellingen met betrekking tot een entiteit die, wat de structurele maatregelen betreft, niet tot dezelfde subgroep behoort.

Voor de toepassing van dit lid wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) 

alle entiteiten die, wat de structurele maatregelen betreft, tot een zelfde subgroep behoren, worden als één cliënt of groep van verbonden cliënten beschouwd;

b) 

de bevoegde autoriteiten passen op de in de eerste alinea bedoelde blootstellingen een uniforme limiet toe.

De toepassing van deze benadering doet geen afbreuk aan het effectieve toezicht op geconsolideerde basis en heeft geen onevenredige negatieve gevolgen voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch belemmert zij de werking van de interne markt.

7.  

Alvorens de in lid 6 bedoelde specifieke structurele maatregelen in verband met grote risicoblootstellingen vast te stellen, stellen de bevoegde autoriteiten ten minste twee maanden voordat het besluit tot vaststelling van de structurele maatregelen wordt bekendgemaakt, de Raad, de Commissie, de betrokken bevoegde autoriteiten en de EBA daarvan in kennis, onder overlegging van relevante kwantitatieve of kwalitatieve aanwijzingen betreffende al het volgende:

a) 

de werkingssfeer van de activiteiten die aan de structurele maatregelen worden onderworpen;

b) 

een toelichting van de redenen waarom de betrokken ontwerpmaatregelen passend, doeltreffend en evenredig voor het beschermen van deposanten worden geacht;

c) 

een beoordeling van het vermoedelijke positieve of negatieve effect van de maatregelen op de interne markt op grond van informatie waarover de lidstaat beschikt.

8.  
De bevoegdheid tot vaststelling van een uitvoeringshandeling houdende aanvaarding of verwerping van de voorgestelde nationale maatregelen bedoeld in lid 7 wordt toegekend aan de Commissie, die handelt overeenkomstig artikel 464, lid 2.

Binnen één maand na ontvangst van de in lid 7 bedoelde kennisgeving verstrekt de EBA haar advies betreffende de in dat lid vermelde punten aan de Raad, de Commissie en de betrokken lidstaat. Ook de betrokken bevoegde autoriteiten kunnen hun adviezen betreffende de in dat lid vermelde punten aan de Raad, de Commissie, en de betrokken lidstaat verstrekken.

Zoveel mogelijk rekening houdend met de in de tweede alinea bedoelde adviezen, verwerpt de Commissie, indien er solide en sterke aanwijzingen zijn dat de maatregelen een negatief effect op de interne markt hebben dat sterker doorweegt dan de baten van de financiële stabiliteit, binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de voorgestelde nationale maatregelen. Anders aanvaardt de Commissie de voorgestelde nationale maatregelen voor een eerste periode van twee jaar, en kunnen de maatregelen, waar passend, worden gewijzigd.

De Commissie verwerpt de voorgestelde nationale maatregelen uitsluitend indien zij van mening is dat die maatregelen onevenredige negatieve gevolgen zouden hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten, of van de Unie als geheel, waardoor zij een belemmering zouden vormen voor de werking van de interne markt of voor het vrije verkeer van kapitaal overeenkomstig het VWEU.

Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met het advies van de EBA en met de overeenkomstig lid 7 gepresenteerde aanwijzingen.

Vóór het verstrijken van de maatregelen kunnen de bevoegde autoriteiten nieuwe maatregelen voorstellen tot verlenging van de toepassingsperiode telkens met twee jaar. In dat geval stellen zij de Commissie, de Raad, de betrokken bevoegde autoriteiten en de EBA daarvan in kennis. Voor het goedkeuren van de nieuwe maatregelen wordt de in dit artikel vervatte procedure gevolgd. Dit artikel laat artikel 458 onverlet.

Artikel 396

Naleving van de vereisten inzake grote risicoblootstellingen

1.  
Indien blootstellingen, in een uitzonderlijk geval, de artikel 395, lid 1, bedoelde limiet toch overschrijden, rapporteert de instelling de waarde van de blootstelling onverwijld aan de bevoegde autoriteiten; indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen die bevoegde autoriteiten de instelling een beperkte termijn toestaan om de limiet alsnog na te leven.

▼M8

Indien het in artikel 395, lid 1, bedoelde bedrag van 150 miljoen EUR van toepassing is, kunnen de bevoegde autoriteiten per geval toestaan dat de limiet van 100 % van het tier 1-kapitaal van de instelling wordt overschreden.

▼M8

Indien een bevoegde autoriteit in de in de eerste en de tweede alinea van dit lid bedoelde uitzonderlijke gevallen een instelling toestaat de in artikel 395, lid 1, genoemde limiet gedurende een periode van meer dan 3 maanden te overschrijden, dient de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit een plan voor een spoedige terugkeer naar naleving van die limiet in en voert zij dat plan uit binnen de termijn die met de bevoegde autoriteit is overeengekomen. De bevoegde autoriteit monitort de uitvoering van het plan en verlangt in voorkomend geval een spoedigere terugkeer naar naleving van de limiet.

▼B

2.  
Indien de naleving door een instelling, op individuele of gesubconsolideerde basis, van de uit hoofde van dit deel opgelegde verplichtingen krachtens artikel 7, lid 1, niet van toepassing is of als de bepalingen van artikel 9 van toepassing zijn in het geval van moederondernemingen in een lidstaat, worden er maatregelen genomen om te zorgen voor een bevredigende toewijzing van de risico's binnen de groep.

▼M8

3.  

Voor de toepassing van lid 1 vaardigt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit tot nadere bepaling van de wijze waarop de bevoegde autoriteiten het volgende kunnen vaststellen:

a) 

de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitzonderlijke gevallen;

b) 

de termijn die passend wordt geacht voor het weer naleven van de limiet;

c) 

de te nemen maatregelen om de spoedige terugkeer naar naleving van de limiet door de instelling te verzekeren.

▼B

Artikel 397

Berekening van additionele eigenvermogensvereisten voor grote risicoblootstellingen in de handelsportefeuille

1.  
De in artikel 395, lid 5, punt b), bedoelde overschrijding wordt berekend door uit de totale handelsblootstelling met betrekking tot de cliënt of groep van verbonden cliënten in kwestie die componenten te selecteren waarvoor de hoogste vereisten ter dekking van specifiek risico in deel 3, titel IV, hoofdstuk 2, en/of de vereisten in artikel 299 en deel 3, titel V, gelden, en waarvan de som gelijk is aan het bedrag van de in artikel 395, lid 5, punt a), bedoelde overschrijding;
2.  
Indien de overschrijding niet langer heeft geduurd dan tien dagen, bedraagt het additionele kapitaalvereiste 200 % van de in lid 1 bedoelde vereisten, op deze componenten.
3.  

Vanaf tien dagen nadat de overschrijding zich heeft voorgedaan, worden de componenten van de overschrijding die volgens lid 1 zijn geselecteerd, toegewezen aan de passende regel van tabel 1, kolom 1, in stijgende volgorde van de vereisten voor specifiek risico in deel 3, titel IV, hoofdstuk 2 en/of de vereisten in artikel 299 en deel 3, titel V. Het additionele eigenvermogensvereiste is gelijk aan de som van de vereisten voor specifiek risico in deel 3, titel IV, hoofdstuk 2 en/of de vereisten in artikel 299 en deel 3, titel V, op deze componenten, vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor in tabel 1, kolom 2.



Tabel 1

Kolom 1: overschrijding boven de limieten

(als percentage van het in aanmerking komend kapitaal) ►M8  tier 1-kapitaal ◄

Kolom 2: factoren

tot 40 %

200  %

van 40 % tot 60 %

300  %

van 60 % tot 80 %

400  %

van 80 % tot 100 %

500  %

van 100 % tot 250 %

600  %

meer dan 250 %

900  %

Artikel 398

Procedures om te voorkomen dat instellingen de additionele eigenvermogensvereisten omzeilen

De instellingen omzeilen niet doelbewust de in artikel 397 beschreven additionele eigenvermogensvereisten waaraan zij onderworpen zouden zijn voor blootstellingen die de in artikel 395, lid 1, bedoelde limiet overschrijden zodra die blootstellingen langer dan tien dagen zouden zijn aangehouden, door de blootstellingen in kwestie tijdelijk aan een andere onderneming, al of niet behorend tot dezelfde groep, over te dragen en/of door kunstmatige transacties te verrichten met het doel de blootstelling in de loop van de periode van tien dagen te beëindigen en een nieuwe blootstelling te creëren.

De instellingen zorgen voor de instandhouding van systemen die waarborgen dat elke overdracht die het in de eerste alinea bedoelde effect heeft, onmiddellijk ter kennis van de bevoegde autoriteiten wordt gebracht.

Artikel 399

In aanmerking komende technieken voor kredietrisicolimitering

▼M8

1.  
Bij de berekening van een blootstelling past een instelling een kredietrisicolimiteringstechniek toe ingeval zij die techniek voor de berekening van de kapitaalvereisten voor kredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, heeft gebruikt en mits de kredietrisicolimiteringstechniek aan de voorwaarden van dit artikel voldoet.

Voor de toepassing van de artikelen 400 tot en met 403 wordt onder „garantie” onder meer verstaan de krachtens deel drie, titel II, hoofdstuk 4, in aanmerking komende kredietderivaten, behalve credit linked notes.

▼B

2.  
Onverminderd lid 3 worden, indien de inaanmerkingneming van volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie uit hoofde van de artikelen 400 tot en met 403 is toegestaan, de voorwaarden voor het in aanmerking komen en de andere in deel 3, titel II, hoofdstuk 4, beschreven vereisten nageleefd.

▼M8

3.  
Kredietrisicolimiteringstechnieken die alleen beschikbaar zijn voor instellingen die van één van de interneratingbenaderingen gebruikmaken, worden niet gebruikt voor het verminderen van blootstellingswaarden voor grote blootstellingen, met uitzondering van overeenkomstig artikel 402 door onroerend goed gedekte blootstellingen.

▼B

4.  
De instellingen analyseren in de mate van het mogelijke hun blootstellingen met betrekking tot uitgevers van zekerheden, verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie en onderliggende activa overeenkomstig artikel 390, lid 7, met het oog op mogelijke concentraties, nemen in voorkomend geval maatregelen en rapporteren significante bevindingen aan hun bevoegde autoriteit.

Artikel 400

Vrijstellingen

1.  

De volgende blootstellingen zijn vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1:

a) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden, centrale banken of publiekrechtelijke lichamen, die als ze niet door zekerheden gedekt waren, uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % toegewezen zouden krijgen;

b) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen op internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken die als ze niet door zekerheden gedekt waren, uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % toegewezen zouden krijgen;

c) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of publiekrechtelijke lichamen, indien niet door zekerheden gedekte vorderingen op de entiteit die de garantie verstrekt, uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % toegewezen zouden krijgen;

d) 

andere blootstellingen die toe te wijzen zijn aan of gegarandeerd worden door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of publiekrechtelijke lichamen, indien niet door zekerheden gedekte vorderingen op de entiteit waaraan de blootstelling is toe te wijzen of die de garantie voor de blootstelling verstrekt, uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % toegewezen zouden krijgen;

e) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of lokale overheden van de lidstaten indien die vorderingen uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % toegewezen zouden krijgen, alsmede andere blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door deze regionale of lokale overheden aan de vorderingen jegens welke uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % toegewezen zou worden;

f) 

blootstellingen met betrekking tot tegenpartijen bedoeld in artikel 113, lid 6 of lid 7, indien zij uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % toegewezen zouden krijgen. Blootstellingen die niet aan deze criteria voldoen, worden ongeacht of ze van artikel 395, lid 1, zijn vrijgesteld, behandeld als blootstellingen met betrekking tot derden;

g) 

actiefposten en andere blootstellingen die zijn gedekt met zekerheden in de vorm van deposito's in contanten bij de leningverstrekkende instelling, of bij een instelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is;

h) 

actiefposten en andere blootstellingen welke gedekt zijn met zekerheden in de vorm van depositocertificaten die zijn uitgegeven door de leningverstrekkende instelling of door een instelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is, en die bij een van deze zijn gedeponeerd;

▼M17

i) 

blootstellingen die voortvloeien uit niet-opgenomen kredietfaciliteiten die in bijlage I zijn ingedeeld als posten buiten de balanstelling van subklasse 5 of contractuele regelingen die voldoen aan de voorwaarden om niet als verplichtingen te worden behandeld en mits met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten op grond waarvan de faciliteit alleen mag worden opgenomen indien vaststaat dat de limiet die krachtens artikel 395, lid 1, van toepassing is, niet zal worden overschreden;

▼M8

j) 

transactieblootstellingen van clearingleden en bijdragen aan het wanbetalingsfonds van gekwalificeerde centrale tegenpartijen;

▼B

k) 

blootstellingen met betrekking tot onder Richtlijn 94/19/EG vallende depositogarantiestelsels, die voortvloeien uit de financiering van die stelsels, indien op de instellingen die aan het stelsel deelnemen een wettelijke of contractuele verplichting tot financiering van het stelsel rust;

▼M8

l) 

transactieblootstellingen van cliënten als bedoeld in artikel 305, lid 2 of lid 3;

m) 

door af te wikkelen entiteiten, of door hun dochterondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 45 septies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU, uitgegeven door een van de volgende entiteiten:

i) 

ten aanzien van af te wikkelen entiteiten, andere entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren;

ii) 

ten aanzien van dochterondernemingen van een af te wikkelen entiteit die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, de betrokken dochterondernemingen van de dochteronderneming die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren;

n) 

blootstellingen die voortvloeien uit een minimumwaardeverplichting die voldoet aan alle vereisten van artikel 132 quater, lid 3.

▼B

Contanten ontvangen in het kader van een door de instelling uitgegeven credit linked note, alsmede leningen en deposito's van een tegenpartij aan, respectievelijk bij de instelling die onder een uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 4, in aanmerking genomen overeenkomst tot verrekening van balansposten vallen, worden geacht onder punt g) te vallen.

2.  

De bevoegde autoriteiten kunnen de volgende blootstellingen geheel of gedeeltelijk vrijstellen:

▼M17

a) 

gedekte obligaties als bedoeld in artikel 129;

▼B

b) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of lokale overheden van de lidstaten indien die vorderingen uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 20 % toegewezen zouden krijgen, alsmede andere blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door deze regionale of lokale overheden aan de vorderingen jegens welke uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 20 % toegewezen zou worden;

▼M8

c) 

door een instelling aangegane blootstellingen, onder meer via deelnemingen of andere belangen, met betrekking tot haar moederonderneming, andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen en gekwalificeerde deelnemingen, voor zover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de instelling zelf onderworpen is, overeenkomstig deze verordening, Richtlijn 2002/87/EG of gelijkwaardige, in een derde land geldende standaarden; blootstellingen die niet aan deze criteria voldoen, worden, ongeacht of ze van artikel 395, lid 1, van deze verordening zijn vrijgesteld, behandeld als blootstellingen met betrekking tot derden;

▼B

d) 

actiefposten die vorderingen op, en andere blootstellingen, waaronder deelnemingen of andere belangen, met betrekking tot regionale of centrale kredietinstellingen vertegenwoordigen waarmee de kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van die bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;

e) 

actiefposten die vorderingen op en andere blootstellingen met betrekking tot kredietinstellingen vertegenwoordigen, aangegaan door kredietinstellingen waarvan er één op niet-concurrerende basis werkzaam is en in het kader van wetgevingsprogramma's of overeenkomstig haar statuten leningen verstrekt of waarborgt waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren, waarbij de overheid op de een of andere wijze toezicht houdt en er beperkingen gelden voor de besteding van de leningen, op voorwaarde dat de respectieve blootstellingen voortvloeien uit dergelijke leningen die via kredietinstellingen worden doorgegeven aan de begunstigden, of uit de waarborgen van deze leningen;

f) 

actiefposten die vorderingen op en andere blootstellingen met betrekking tot instellingen vertegenwoordigen, mits die blootstellingen geen eigen vermogen van de instellingen vormen, uiterlijk tot en met de volgende werkdag bestaan en niet in een belangrijke handelsvaluta luiden;

g) 

actiefposten die vorderingen op centrale banken vertegenwoordigen in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden voorgeschreven minimumreserves die in de nationale valuta luiden;

h) 

actiefposten bestaande uit vorderingen op centrale overheden in de vorm van wettelijk vereiste liquiditeit die in overheidspapier worden aangehouden, en die in de nationale valuta luiden en gefinancierd zijn, mits, volgens het oordeel van de bevoegde autoriteit, de door een aangewezen EKBI toegekende kredietbeoordeling van deze centrale overheden als investeringswaardig is aan te merken;

▼M17

i) 

50 % van de documentaire kredieten buiten de balanstelling van subklasse 4 en van de niet-opgenomen kredietfaciliteiten buiten de balanstelling van subklasse 3, als bedoeld in bijlage I, met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar en, met instemming van de bevoegde autoriteiten, 80 % van andere dan leninggaranties met een wettelijke of regelgevingsbasis die voor de leden worden verstrekt door onderlingegarantiesystemen met de status van kredietinstelling;

▼B

j) 

wettelijk vereiste garanties die worden gebruikt wanneer een hypothecaire lening, die wordt gefinancierd door de uitgifte van obligaties met een hypotheek als onderpand, wordt betaald aan de hypotheeknemer vóór de definitieve registratie in het kadaster, mits de garantie niet gebruikt wordt ter vermindering van het risico bij de berekening van de risicogewogen posten;

▼M8

k) 

blootstellingen in de vorm van een zekerheid of garantie voor woonkredieten die wordt verstrekt door een in artikel 201 bedoelde toelaatbare protectiegever die in aanmerking komt voor ten minste de laagste van de volgende kredietbeoordelingen:

i) 

kredietkwaliteitscategorie 2;

ii) 

de kredietkwaliteitscategorie die overeenstemt met de wisselkoersbeoordeling van de centrale overheid van de lidstaat waar de hoofdzetel van de protectiegever is gevestigd;

▼M8

l) 

blootstellingen in de vorm van een garantie voor door de overheid gesteunde exportkredieten die wordt verstrekt door een officiële exportkredietverzekeringsmaatschappij die in aanmerking komt voor ten minste de laagste van de volgende kredietbeoordelingen:

i) 

kredietkwaliteitscategorie 2;

ii) 

de kredietkwaliteitscategorie die overeenstemt met de wisselkoersbeoordeling van de centrale overheid van de lidstaat waar de hoofdzetel van de protectiegever is gevestigd.

▼B

3.  

De bevoegde autoriteiten kunnen alleen gebruikmaken van de in lid 2 vastgestelde vrijstelling indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

de specifieke aard van de blootstelling, de tegenpartij of de relatie tussen de instelling en de tegenpartij heffen het blootstellingsrisico op of verkleinen het; en

b) 

eventueel resterend concentratierisico kan worden ondervangen met andere even doeltreffende middelen, zoals de regelingen, processen en mechanismen van artikel 81 van Richtlijn 2013/36/EU.

▼M8

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA ervan in kennis of zij voornemens zijn conform onderhavig lid, punten a) en b), van de in lid 2 vastgelegde vrijstellingen gebruik te maken en verstrekken de EBA de redenen die het gebruik van deze vrijstellingen rechtvaardigen.

▼M8

4.  
De gelijktijdige toepassing op dezelfde blootstelling van meer dan één van de in de leden 1 en 2 beschreven vrijstellingen is niet toegestaan.

▼M8

Artikel 401

Berekening van het effect van het gebruik van kredietrisicolimiteringstechnieken

1.  
Bij de berekening van de waarde van blootstellingen voor de toepassing van artikel 395, lid 1, mag een instelling gebruikmaken van de krachtens deel drie, titel II, hoofdstuk 4, berekende volledig aangepaste blootstellingswaarde (E*), waarbij rekening wordt gehouden met de kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele looptijdmismatches als bedoeld in dat hoofdstuk.
2.  
Met uitzondering van de instellingen die gebruik maken van de eenvoudige benadering van financiële zekerheden, maken instellingen voor de toepassing van de eerste alinea gebruik van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden, ongeacht welke methode voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico is gehanteerd.

In afwijking van lid 1 mogen instellingen waaraan toestemming is verleend om de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 4, en deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6, bedoelde methoden te gebruiken, deze methoden aanwenden voor de berekening van de blootstellingswaarde van effectenfinancieringstransacties.

3.  
Bij de berekening van de waarde van blootstellingen voor de toepassing van artikel 395, lid 1, voeren instellingen op gezette tijden stresstests op hun kredietrisicoconcentraties uit die mede betrekking hebben op de realiseerbare waarde van de geaccepteerde zekerheden.

De in de eerste alinea bedoelde periodieke stresstests bestrijken de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in de marktsituatie die een negatief effect op de toereikendheid van het eigen vermogen van de instelling zouden kunnen hebben, alsook de risico's die uit de uitwinning van zekerheden in crisissituaties voortvloeien.

Met de uitgevoerde stresstests kunnen dergelijke risico's op adequate en passende wijze worden beoordeeld.

De strategieën van instellingen om het concentratierisico aan te pakken, omvatten ook:

a) 

beleidslijnen en procedures om de risico's te ondervangen die voortvloeien uit looptijdmismatches tussen enerzijds de blootstellingen en anderzijds de kredietprotectie voor deze blootstellingen;

b) 

beleidslijnen en procedures inzake het concentratierisico dat uit de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken voortvloeit, met name bij grote indirecte blootstellingen aan kredietrisico, bijvoorbeeld blootstellingen met betrekking tot één enkele uitgevende instelling van als zekerheid geaccepteerde effecten.

4.  
Ingeval een instelling een blootstelling met betrekking tot een cliënt vermindert met behulp van een overeenkomstig artikel 399, lid 1, toelaatbare kredietrisicolimiteringstechniek, behandelt zij, op de in artikel 403 beschreven manier, het deel van de blootstelling waarmee de blootstelling met betrekking tot de cliënt is verminderd, als een blootstelling met betrekking tot de protectiegever in plaats van met betrekking tot de cliënt.

▼B

Artikel 402

Blootstellingen die voortvloeien uit hypothecaire leningen

▼M8

1.  

►M17  Instellingen kunnen met het oog op de berekening van blootstellingswaarden voor de toepassing van artikel 395, tenzij zulks uit hoofde van het toepasselijke nationale recht is verboden, de waarde van een blootstelling of een deel van een blootstelling die door niet-zakelijk onroerend goed wordt gedekt overeenkomstig artikel 125, lid 1, verminderen met het in zekerheid gegeven bedrag van de onroerendgoedwaarde, met dien verstande dat dit bedrag niet hoger mag zijn dan 55 % van de onroerendgoedwaarde, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan: ◄

▼M17

a) 

de bevoegde autoriteiten hebben geen risicogewicht bepaald dat hoger is dan 20 % voor blootstellingen of delen van blootstellingen die door niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt, overeenkomstig artikel 124, lid 9;

▼M8

b) 

de blootstelling of het deel van de blootstelling is volledig gedekt door:

i) 

een of meer hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed; of

ii) 

een niet-zakelijk onroerend goed in een transactie inzake financieringshuur (leasing) krachtens welke de leasegever de volledige eigendom van het verhuurde niet-zakelijk onroerend goed behoudt en waarbij de leasenemer zijn koopoptie nog niet heeft uitgeoefend;

c) 

er wordt aan de vereisten beschreven in artikel 208 en artikel 229, lid 1, voldaan.

2.  

►M17  Instellingen kunnen met het oog op de berekening van blootstellingswaarden voor de toepassing van artikel 395, tenzij zulks uit hoofde van het toepasselijke nationale recht is verboden, de waarde van een blootstelling of een deel van een blootstelling die door zakelijk onroerend goed wordt gedekt overeenkomstig artikel 126, lid 1, verminderen met het in zekerheid gegeven bedrag van de onroerendgoedwaarde, met dien verstande dat dit bedrag niet hoger mag zijn dan 55 % van de onroerendgoedwaarde, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan: ◄

▼M17

a) 

de bevoegde autoriteiten hebben geen risicogewicht bepaald dat hoger is dan 60 % voor blootstellingen of delen van blootstellingen die door zakelijk onroerend goed zijn gedekt, overeenkomstig artikel 124, lid 9;

▼M8

b) 

de blootstelling is volledig gedekt door:

i) 

een of meer hypotheken op kantoorgebouwen of andere zakelijke panden; of

ii) 

een of meer kantoorgebouwen of andere zakelijke panden, en de blootstellingen in het kader van transacties inzake leasing van onroerend goed;

▼M17

c) 

er wordt aan de vereisten in artikel 124, lid 3, punt c), artikel 208 en artikel 229, lid 1, voldaan;

▼M8

d) 

het zakelijk onroerend goed is volledig afgebouwd.

▼B

3.  

Een instelling kan een blootstelling met betrekking tot een tegenpartij welke voortvloeit uit een omgekeerde retrocessieovereenkomst uit hoofde waarvan de instelling van de tegenpartij niet-accessoire onafhankelijke hypothecaire pandrechten op onroerend goed van derden heeft gekocht, behandelen als een aantal afzonderlijke blootstellingen op elk van die derden, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼M9

a) 

de tegenpartij is een instelling of een beleggingsonderneming;

▼B

b) 

de blootstelling is volledig gedekt door pandrechten op het onroerend goed van die derden die door de instelling zijn aangekocht en de instelling is in staat die pandrechten uit te oefenen;

c) 

de instelling heeft ervoor gezorgd dat wordt voldaan aan de vereisten in artikel 208 en artikel 229, lid 1;

d) 

in het geval van in gebreke blijven, insolventie of liquidatie van de tegenpartij wordt de instelling de begunstigde van de vorderingen die de tegenpartij jegens de derden heeft;

▼M9

e) 

de instelling rapporteert het totale bedrag van de blootstellingen met betrekking tot iedere andere instelling of beleggingsonderneming welke overeenkomstig dit lid worden behandeld, aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 394.

▼B

Voor de toepassing van deze bepaling gaat de instelling uit van de hypothese dat zij met betrekking tot iedere derde een blootstelling heeft ten belope van het bedrag van de vordering die de tegenpartij jegens de derde heeft, in plaats van ten belope van het overeenkomstige bedrag van de blootstelling met betrekking tot de tegenpartij. Het eventuele resterende bedrag van de blootstelling met betrekking tot de tegenpartij wordt nog steeds behandeld als een blootstelling met betrekking tot de tegenpartij.

▼M8

Artikel 403

Substitutiebenadering

1.  

Indien een blootstelling met betrekking tot een cliënt door een derde is gegarandeerd of met door een derde uitgegeven zekerheden is gedekt, moet een instelling:

a) 

het gegarandeerde deel van de blootstelling behandelen als een blootstelling met betrekking tot de garantiegever in plaats van met betrekking tot de cliënt, mits aan de niet-gegarandeerde blootstelling met betrekking tot de garantiegever een risicogewicht zou worden toegekend, gelijk aan of lager dan het risicogewicht van de niet-gegarandeerde blootstelling met betrekking tot de cliënt krachtens deel drie, titel II, hoofdstuk 2;

b) 

het deel van de blootstelling dat met de marktwaarde van in aanmerking genomen zekerheden is gedekt, behandelen als een blootstelling met betrekking tot de derde in plaats van met betrekking tot de cliënt, mits de blootstelling met zekerheden is gedekt en aan het gedekte deel van de blootstelling een risicogewicht zou worden toegekend, gelijk aan of lager dan een risicogewicht van de ongedekte blootstelling met betrekking tot de cliënt krachtens deel drie, titel II, hoofdstuk 2.

Een instelling past de in de eerste alinea, punt b), bedoelde benadering niet toe indien er een mismatch is tussen de looptijd van de blootstelling en de looptijd van de protectie.

Voor de toepassing van dit deel mag een instelling zowel de uitgebreide benadering van financiële zekerheden als de in punt b) van de eerste alinea van dit lid vervatte behandeling alleen hanteren als zij toestemming heeft gekregen om voor de toepassing van artikel 92 zowel de uitgebreide als de eenvoudige benadering van financiële zekerheden te hanteren.

2.  

Indien een instelling punt a) van lid 1 toepast, geldt het volgende:

a) 

indien de garantie in een andere valuta luidt dan de blootstelling, berekent de instelling de waarde van de blootstelling die geacht wordt gedekt te zijn, overeenkomstig de in deel drie vervatte bepalingen over de behandeling van valutamismatches bij niet-volgestorte kredietprotectie;

b) 

de instelling behandelt een mismatch tussen de looptijd van de blootstelling en de looptijd van de kredietprotectie overeenkomstig de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, vervatte bepalingen over de behandeling van looptijdmismatches;

c) 

de instelling kan gedeeltelijke dekking in aanmerking nemen overeenkomstig de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, beschreven behandeling.

3.  

Voor de toepassing van punt b) van lid 1 kan een instelling het bedrag in punt a) van dit lid vervangen door het bedrag in punt b) van dit lid, mits aan de voorwaarden van punten c), d) en e) van dit lid is voldaan:

a) 

het totale bedrag van de blootstelling van de instelling aan een uitgever van zekerheden als gevolg van tripartiete retrocessieovereenkomsten die door een tripartiete agent zijn gefaciliteerd;

b) 

het volledige bedrag van de door de instelling aan de in punt a) genoemde tripartiete agent opgegeven limieten die moeten gelden voor de door de uitgever van zekerheden uitgegeven effecten als bedoeld in dat punt;

c) 

de instelling heeft geverifieerd dat de tripartiete agent heeft voorzien in voldoende waarborgen ter voorkoming van schendingen van de in punt b) bedoelde limiet;

d) 

de bevoegde autoriteit heeft ten aanzien van de instelling geen materiële bezwaren geuit;

e) 

de som van het bedrag van de in punt b) van dit lid bedoelde limiet en alle andere blootstellingen van de instelling aan de uitgever van zekerheden bedraagt niet meer dan de in artikel 395, lid 1, beschreven limiet.

▼M8

4.  
De EBA brengt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit tot nadere bepaling van de voorwaarden voor de toepassing van de in dit artikel, lid 3, beschreven behandeling, waaronder de voorwaarden en de frequentie voor het bepalen, monitoren en herzien van de in dat lid, punt b), bedoelde limieten.

De EBA maakt die richtsnoeren uiterlijk op 31 december 2019 bekend.

▼M5 —————

▼B

DEEL ZES

LIQUIDITEIT

TITEL I

▼M8

DEFINITIES EN LIQUIDITEITSVEREISTEN

Artikel 411

Definities

Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

1)

„financiële cliënt” :

een cliënt, met inbegrip van financiële cliënten die tot groepen van niet-financiële vennootschappen behoren, die een of meer van de in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU vermelde activiteiten als hoofdbedrijf uitoefent of die een van de volgende entiteiten is:

a) 

een kredietinstelling;

b) 

een beleggingsonderneming;

c) 

een special purpose-entity voor securitisatiedoeleinden („SSPE”);

d) 

een instelling voor collectieve belegging („icb”);

e) 

een beleggingsfonds van het non-open-endtype;

f) 

een verzekeringsonderneming;

g) 

een herverzekeringsonderneming;

h) 

een financiële holding of een gemengde financiële holding;

i) 

een financiële instelling;

j) 

een pensioenregeling in de zin van artikel 2, punt 10), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

2)

„retaildeposito” : een verplichting jegens een natuurlijke persoon of jegens een kleine of middelgrote onderneming („kmo”), indien die kmo zou kunnen worden ingedeeld bij de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen in het kader van de standaardbenadering of de interneratingbenadering voor kredietrisico, dan wel een verplichting jegens een onderneming die in aanmerking komt voor de in artikel 153, lid 4, vervatte behandeling, en indien de geaggregeerde deposito's door deze kmo of onderneming op groepsbasis het bedrag van 1 miljoen EUR niet overschrijden;

3)

„particuliere beleggingsonderneming” : een onderneming of trust waarvan de eigenaar of economisch rechthebbende een natuurlijke persoon of een groep van nauw verwante natuurlijke personen is, die geen andere commerciële, industriële of professionele activiteiten verricht, die is opgericht met als enig doel het vermogen van de eigenaar of eigenaren te beheren, die nevenactiviteiten omvat zoals het afscheiden van de activa van de eigenaars van de activa van de vennootschap ter facilitering van de overdracht van activa binnen een familie of ter voorkoming van een splitsing van de activa na de dood van een familielid, mits die nevenactiviteiten in verband staan met het hoofddoel, te weten het beheren van het vermogen van de eigenaren;

▼C9

4)

„depositomakelaar” : een natuurlijke persoon of een onderneming die deposito's van derden, inclusief retaildeposito's en deposito's van ondernemingen maar exclusief deposito's van financiële cliënten, bij kredietinstellingen plaatst in ruil voor een vergoeding;

▼M8

5)

„niet-bezwaarde activa” : activa die niet onderworpen zijn aan wettelijke, contractuele, reglementaire of andere beperkingen die de instelling beletten deze activa te liquideren, te verkopen, over te dragen, toe te wijzen of anderszins te vervreemden via een cessieovereenkomst of via een retrocessieovereenkomst;

6)

„niet-verplichte overpanding” : een bedrag aan activa dat de instelling niet verplicht is aan een uitgifte van gedekte obligaties te koppelen krachtens wettelijke of regelgevingsvereisten, uit hoofde van contractuele verbintenissen of om redenen van marktdiscipline, met name met inbegrip van situaties waarin de activa worden verstrekt boven het wettelijke, statutaire of reglementaire minimumvereiste inzake overpanding dat krachtens het nationale recht van een lidstaat of een derde land op gedekte obligaties van toepassing is;

7)

„vereiste van activadekking” : de verhouding tussen activa en passiva, zoals die in het nationale recht van een lidstaat of derde land is vastgesteld met het oog op kredietverbetering in verband met gedekte obligaties;

8)

„margelening” : een lening op onderpand, verstrekt aan cliënten met het oog op het innemen van handelsposities met hefboomfinanciering;

9)

„derivatencontracten” : de in bijlage II vermelde derivatencontracten en kredietderivaten;

10)

„stress” : een plotselinge of ernstige verslechtering van de solvabiliteit of de liquiditeitspositie van een instelling als gevolg van veranderingen in marktomstandigheden of idiosyncratische factoren waardoor een aanzienlijk risico ontstaat dat de instelling niet in staat is binnen de volgende dertig dagen aan haar verplichtingen te voldoen wanneer deze komen te vervallen;

11)

„activa van niveau 1” : activa van uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit als bedoeld in artikel 416, lid 1, tweede alinea, van deze verordening;

12)

„activa van niveau 2” : activa van hoge liquiditeit en kredietkwaliteit als bedoeld in artikel 416, lid 1, tweede alinea, van deze verordening; zoals beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling worden activa van niveau 2 verder onderverdeeld in activa van niveau 2A en activa van niveau 2B;

13)

„liquiditeitsbuffer” : het bedrag aan activa van niveau 1 en van niveau 2 dat een instelling overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling aanhoudt;

14)

„nettoliquiditeitsuitstromen” : het bedrag dat wordt verkregen door de liquiditeitsinstromen van een instelling van haar liquiditeitsuitstromen af te trekken;

15)

„rapportagevaluta” : de valuta van de lidstaat waar het hoofdkantoor van de instelling zich bevindt;

16)

„factoring” :

een contractuele overeenkomst tussen een onderneming („cedent”) en een financiële entiteit („factor”) waarbij de cedent zijn vorderingen cedeert of verkoopt aan de factor in ruil waarvoor de factor de cedent met betrekking tot de gecedeerde vorderingen een of meer van de volgende diensten levert:

a) 

een voorschot van een percentage op het bedrag aan gecedeerde vorderingen, welke over het algemeen uit niet-gebonden vorderingen met een korte looptijd en zonder automatische doorrol bestaan;

b) 

beheer, inning en kredietprotectie van vorderingen, waarbij de factor over het algemeen het grootboek van de cedent beheert en de vorderingen uit de eigen naam van de factor int;

voor de toepassing van titel IV wordt factoring als handelsfinanciering beschouwd;

17)

„gecommitteerde kredietfaciliteit of liquiditeitsfaciliteit” : een kredietfaciliteit of liquiditeitsfaciliteit die onherroepelijk of voorwaardelijk herroepelijk is.

▼B

Artikel 412

Liquiditeitsdekkingsvereiste

1.  
De instellingen houden liquide activa aan waarvan de som van de waarden de liquiditeitsuitstromen minus de liquiditeitsinstromen onder stressomstandigheden dekt, teneinde te waarborgen dat de instellingen liquiditeitsbuffers aanhouden die voldoende groot zijn om een eventueel onevenwicht tussen de liquiditeitsinstromen en -uitstromen onder ernstige stressomstandigheden over een periode van dertig dagen het hoofd te kunnen bieden. In tijden van stress mogen instellingen hun liquide activa aanwenden om hun netto liquiditeitsuitstromen te dekken.

▼M8

2.  
Instellingen tellen liquiditeitsuitstromen, liquiditeitsinstromen en liquide activa niet dubbel mee.

Tenzij anders bepaald in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, wordt een post die in meer dan één uitstroomcategorie kan worden meegeteld, meegeteld in de uitstroomcategorie die voor die post de grootste contractuele uitstroom genereert.

▼B

3.  
De instellingen mogen de in lid 1 bedoelde liquide activa gebruiken om aan hun in artikel 414 uiteengezette verplichtingen onder stressomstandigheden te voldoen.
4.  
De bepalingen in titel II gelden uitsluitend voor de omschrijving van de in artikel 415 vastgestelde rapportageverplichtingen.

▼M9

4 bis.  
De in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handelingen zijn van toepassing op instellingen.

▼B

5.  
De lidstaten mogen op het gebied van liquiditeitsvereisten nationale voorschriften handhaven of invoeren voordat er bindende minimumnormen voor liquiditeitsdekkingsvereisten worden omschreven en volledig in de Unie worden ingevoerd overeenkomstig artikel 460. De lidstaten of de bevoegde autoriteiten mogen instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, of subgroepen van die instellingen, ertoe verplichten een hoger liquiditeitsdekkingsvereiste tot 100 % te handhaven totdat de bindende minimumnorm volledig wordt ingevoerd op een percentage van 100 % overeenkomstig artikel 460.

▼M8

Artikel 413

Stabielefinancieringsvereiste

1.  
Instellingen waarborgen dat door middel van een verscheiden reeks financieringsinstrumenten, die zowel onder normale als onder stressomstandigheden stabiel blijven, aan de langetermijnactiva en -posten buiten de balanstelling wordt voldaan.
2.  
De bepalingen van titel III gelden uitsluitend voor de nadere omschrijving van de in artikel 415 beschreven rapportageverplichtingen totdat de rapportageverplichtingen beschreven in dat artikel voor de in titel IV beschreven nettostabielefinancieringsratio nader zijn omschreven en in het Unierecht zijn ingevoerd.
3.  
De bepalingen van titel IV gelden voor de nadere omschrijving van het in lid 1 van dit artikel beschreven stabielefinancieringsvereiste en van de in artikel 415 beschreven rapportageverplichtingen voor instellingen.
4.  
De lidstaten mogen op het gebied van stabielefinancieringsvereisten nationale voorschriften handhaven of invoeren voordat er bindende minimumnormen voor de in lid 1 beschreven nettostabielefinancieringsvereisten van toepassing worden.

Artikel 414

Naleving van liquiditeitsvereisten

Een instelling die, ook in stresssituaties, de vereisten van artikel 412 of artikel 413, lid 1, niet naleeft of niet verwacht deze te zullen naleven, stelt de bevoegde autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis en legt de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging een plan voor om de vereisten van artikel 412 of artikel 413, lid 1, naargelang het geval, spoedig weer na te leven. Totdat de naleving is hersteld, rapporteert de instelling dagelijks aan het einde van elke werkdag de posten, bedoeld in titel III, in titel IV, in de in artikel 415, lid 3 of lid 3 bis, bedoelde uitvoeringshandeling, of in de gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 460, lid 1, naargelang het geval, tenzij de bevoegde autoriteit toestemming geeft voor een lagere rapportagefrequentie en een langere rapportagetermijn. Voor het geven van die toestemming baseren de bevoegde autoriteiten zich uitsluitend op de individuele situatie van de instelling, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de instelling. De bevoegde autoriteiten monitoren de uitvoering van dat herstelplan en verlangen in voorkomend geval een spoediger herstel van de naleving.

▼B

TITEL II

LIQUIDITEITSRAPPORTAGE

Artikel 415

Rapportageverplichting en rapportageformat

▼M8

1.  
Instellingen rapporteren de posten, bedoeld in de in lid 3 of 3 bis van dit artikel bedoelde technische uitvoeringsnormen, in titel IV en in de gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 460, lid 1, aan de bevoegde autoriteiten in de rapportagevaluta, ongeacht de valuta waarin die posten feitelijk luiden. Totdat de rapportageverplichting en het rapportageformat voor de in titel IV beschreven nettostabielefinancieringsratio nader zijn omschreven en in het Unierecht zijn ingevoerd, rapporteren instellingen aan de bevoegde autoriteiten de in titel III bedoelde posten in de rapportagevaluta, ongeacht de valuta waarin die posten feitelijk luiden.

Voor posten als bedoeld in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling wordt ten minste maandelijks gerapporteerd en voor posten als bedoeld in de titels III en IV ten minste per kwartaal.

2.  

Een instelling rapporteert de posten, bedoeld in de in lid 3 of 3 bis van dit artikel bedoelde technische uitvoeringsnormen en in titel III totdat de rapportageverplichting en het rapportageformat voor de in titel IV beschreven nettostabielefinancieringsratio nader zijn bepaald en in het Unierecht zijn ingevoerd, en die bedoeld in titel IV en in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, afzonderlijk aan de bevoegde autoriteiten, naargelang het geval, overeenkomstig het volgende:

a) 

ingeval posten in een andere valuta dan de rapportagevaluta luiden en de instelling geaggregeerde verplichtingen heeft die in die valuta luiden en die 5 % of meer bedragen van de totale verplichtingen van de instelling of van de enkele liquiditeitssubgroep, exclusief eigen vermogen en posten buiten de balanstelling, geschiedt de rapportage in de valuta waarin de posten luiden;

b) 

ingeval posten luiden in de valuta van een lidstaat van ontvangst waar de instelling een significant bijkantoor als bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU heeft en die lidstaat van ontvangst een andere valuta dan de rapportagevaluta hanteert, geschiedt de rapportage in de valuta van de lidstaat waar het significante bijkantoor is gevestigd;

c) 

ingeval posten luiden in de rapportagevaluta en het geaggregeerde bedrag van de verplichtingen in andere valuta's dan de rapportagevaluta 5 % of meer bedraagt van de totale verplichtingen van de instelling of van de enkele liquiditeitssubgroep, exclusief eigen vermogen en posten buiten de balanstelling, geschiedt de rapportage in de rapportagevaluta.

3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

uniforme formats en IT-oplossingen met bijbehorende aanwijzingen voor frequenties alsmede referentie- en inleverdata; de rapportageformats en -frequenties staan in verhouding tot de aard, de omvang en de complexiteit van de verschillende werkzaamheden van de instellingen en omvatten de overeenkomstig de leden 1 en 2 verlangde rapportage;

b) 

de noodzakelijke maatstaven voor het bewaken van de additionele liquiditeit, zodat de bevoegde autoriteiten zich een volledig beeld kunnen vormen van het liquiditeitsrisicoprofiel van een instelling, die in verhouding staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de werkzaamheden van een instelling.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen betreffende de onder a) bedoelde materie uiterlijk op 28 juli 2013, en betreffende de onder b) bedoelde materie uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

3 bis.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om nader te bepalen welke extra maatstaven voor het monitoren van de liquiditeit als bedoeld in lid 3 van toepassing zijn op kleine en niet-complexe instellingen.

De EBA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

4.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst bieden de bevoegde autoriteiten en de nationale centrale bank van de lidstaten van ontvangst en de EBA op verzoek zonder uitstel elektronisch toegang tot de individuele rapportage overeenkomstig dit artikel.
►C2  5.  

De bevoegde autoriteiten die toezicht op geconsolideerde basis uitoefenen overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU, verstrekken ◄ de onderstaande autoriteiten op verzoek zonder uitstel langs elektronische weg alle door de instelling gerapporteerde gegevens overeenkomstig de in lid 3 bedoelde uniforme rapportageformats:

a) 

de bevoegde autoriteiten en de nationale centrale bank van de lidstaten van ontvangst waar belangrijke bijkantoren overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU van de moederonderneming of onder de zeggenschap van dezelfde financiële moederholding staande instellingen gesitueerd zijn;

b) 

de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan dochterondernemingen van de moederinstelling of aan instellingen die onder de zeggenschap van dezelfde financiële moederholding staan, en de centrale bank van dezelfde lidstaat;

c) 

de EBA;

d) 

de ECB.

6.  
De bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan een instelling die een dochteronderneming is van een moederinstelling of een financiële moederholding, verstrekken de bevoegde autoriteiten die het toezicht op geconsolideerde basis uitoefenen overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU, de centrale bank van de lidstaat waar aan de instelling een vergunning is verleend en de EBA op verzoek zonder uitstel langs elektronische weg alle door de instelling gerapporteerde gegevens overeenkomstig de in lid 3 bedoelde uniforme rapportageformats.

Artikel 416

Rapportage betreffende liquide activa

1.  

Instellingen rapporteren de volgende posten als liquide activa, tenzij zij uit hoofde van lid 2 zijn uitgesloten en uitsluitend indien de liquide activa aan de voorwaarden van lid 3 voldoen:

a) 

contanten en blootstellingen met betrekking tot centrale banken, voor zover deze blootstellingen in tijden van stress op ieder moment kunnen worden opgevraagd. Met betrekking tot de deposito's die worden aangehouden bij centrale banken, trachten de bevoegde autoriteit en de centrale bank tot overeenstemming te komen over de mate waarin in tijden van stress minimumreserves kunnen worden opgevraagd;

b) 

andere overdraagbare activa met een uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit;

c) 

overdraagbare activa, zijnde vorderingen op of gegarandeerd door:

i) 

de centrale overheid van een lidstaat, van een regio met fiscale autonomie om belastingen te heffen en te innen, of van een derde land in de nationale valuta van de centrale of regionale overheid, indien de instelling een liquiditeitsrisico loopt in die lidstaat of dat derde land dat het dekt door het aanhouden van deze liquide activa;

ii) 

centrale banken en publiekrechtelijke lichamen van niet-centrale overheden in de nationale valuta van de centrale bank en het publiekrechtelijke lichaam;

iii) 

de Bank voor Internationale Betalingen, het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Commissie en multilaterale ontwikkelingsbanken;

iv) 

de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit en het Europees stabiliteitsmechanisme;

d) 

overdraagbare activa met een hoge liquiditeit en kredietkwaliteit;[…]

e) 

door centrale banken binnen de werkingssfeer van monetair beleid verleende stand-bykredietfaciliteiten, voor zover die niet worden gegarandeerd door liquide activa en met uitsluiting van noodliquiditeitssteun;

f) 

indien de kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen is verbonden aan een netwerk, de wettelijke of statutaire minimumdeposito's bij de centrale kredietinstelling en andere statutaire of bij overeenkomst beschikbare liquide middelen van de centrale kredietinstelling of instellingen die lid zijn van het in artikel 113, lid 7, bedoelde netwerk, of die in aanmerking komen voor de bij artikel 10 vastgestelde ontheffing, voor zover die middelen niet door liquide activa worden gegarandeerd.

In afwachting van een uniforme definitie van hoge en uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit overeenkomstig artikel 460 identificeren de instellingen zelf in een gegeven valuta de overdraagbare activa met een respectievelijk hoge of uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit. In afwachting van een uniforme definitie geven de bevoegde autoriteiten, rekening houdend met de in artikel 509, leden 3, 4 en 5, vermelde criteria, algemene richtsnoeren die instellingen kunnen hanteren bij het identificeren van activa met hoge en uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit. Bij ontstentenis van dergelijke richtsnoeren maken de instellingen te dien einde gebruik van transparante en objectieve criteria, met inbegrip van sommige of alle in artikel 509, leden 3, 4 en 5, vermelde criteria.

2.  

De volgende activa worden niet als liquide activa beschouwd:

a) 

activa uitgegeven door een kredietinstelling, tenzij zij aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

i) 

het betreft obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, beschreven behandeling, of door activa gedekte instrumenten waarvan is aangetoond dat zij van de hoogste kredietkwaliteit zijn, zoals vastgesteld door de EBA volgens de criteria van artikel 509, leden 3, 4 en 5;

▼M10

ii) 

het betreft gedekte obligaties als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2019/2162, andere dan die bedoeld onder i) van dit punt;

▼B

iii) 

de kredietinstelling is opgezet door een centrale of regionale overheid van een lidstaat en die overheid is verplicht de economische grondslag van de instelling te beschermen en die instelling gedurende haar volledige bestaan levensvatbaar te houden; of het activum is expliciet gewaarborgd door die overheid; of ten minste 90 % van de door de instelling verstrekte leningen worden direct of indirect gewaarborgd door die overheid en het activum wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de financiering van de stimuleringsleningen die worden verleend op een niet-concurrerende, non-profitbasis ter bevordering van de oogmerken van openbare orde van die overheid;

b) 

nieuwe activa die de instelling als zekerheden worden geleverd in het kader van omgekeerde retrocessieovereenkomsten en effectenfinancieringstransacties, en die door de instelling uitsluitend ter beperking van kredietrisico worden aangehouden en niet bij wet of overeenkomst beschikbaar zijn voor gebruik door de instelling;

c) 

activa uitgegeven door een van de volgende entiteiten:

i) 

een beleggingsonderneming;

ii) 

een verzekeringsonderneming;

iii) 

een financiële holding;

iv) 

een gemengde financiële holding;

v) 

enig andere entiteit die een of meer van de in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU vermelde activiteiten als hoofdbedrijf uitoefent.

▼M8

3.  

Overeenkomstig lid 1 rapporteren de instellingen activa als liquide indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

de activa zijn onbezwaard of zijn beschikbaar binnen pools van zekerheden om te worden gebruikt ter verkrijging van extra financiering uit gecommitteerde of, indien de pool door een centrale bank wordt beheerd, niet-gecommitteerde, maar nog niet van middelen voorziene kredietlijnen die de instelling ter beschikking staan;

b) 

de activa zijn niet uitgegeven door de instelling zelf, door haar moederinstelling of dochterinstellingen, of door een andere dochter van haar moederinstelling of financiële moederholding;

c) 

de prijs van de activa wordt algemeen aanvaard door de marktdeelnemers en kan gemakkelijk worden waargenomen in de markt, of de prijs kan worden bepaald aan de hand van een formule die gemakkelijk te berekenen is op basis van publiek beschikbare inputs en niet afhangt van sterke aannames, zoals gewoonlijk het geval is bij gestructureerde of exotische producten;

d) 

de activa zijn aan een erkende beurs genoteerd of kunnen worden verhandeld via een cessieovereenkomst of via een eenvoudige retrocessieovereenkomst op markten voor retrocessieovereenkomsten; die criteria worden voor elke markt afzonderlijk beoordeeld.

De voorwaarden, bedoeld in de eerste alinea, punten c) en d), zijn niet van toepassing op de in lid 1, punten a), e) en f), bedoelde activa.

▼B

4.  

Onverminderd het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 rapporteren de instellingen, in afwachting van de vaststelling van een bindend liquiditeitsvereiste overeenkomstig artikel 460, en in overeenstemming met lid 1, tweede alinea, van dit artikel het volgende:

a) 

andere activa, die niet voor de centrale bank toelaatbaar maar wel verhandelbaar zijn, zoals aandelen en goud, volgens transparante en objectieve criteria, waaronder sommige of alle criteria van artikel 509, leden 3, 4 en 5;

b) 

andere activa, die voor de centrale bank toelaatbaar en ook verhandelbaar zijn, zoals door activa gedekte instrumenten van de hoogste kredietkwaliteit, zoals vastgesteld door de EBA volgens de criteria van artikel 509, leden 3, 4 en 5;

c) 

andere activa, die voor de centrale bank toelaatbaar maar niet verhandelbaar zijn, zoals kredietvorderingen, zoals vastgesteld door de EBA volgens de criteria van artikel 509, leden 3, 4 en 5.

▼M8

5.  
Aandelen of rechten van deelneming in icb's kunnen worden behandeld als liquide activa tot een absoluut bedrag van 500 miljoen EUR, of het daaraan evenwaardige bedrag in nationale valuta, in de portefeuille van liquide activa van elke instelling, mits aan de in artikel 132, lid 3, beschreven vereisten is voldaan en de icb, afgezien van derivaten om het rente-, of krediet- of valutarisico te limiteren, uitsluitend belegt in liquide activa als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Het gebruik of mogelijke gebruik door een icb van derivaten om risico's van toegestane beleggingen af te dekken, belet niet dat die icb in aanmerking komt voor de in de eerste alinea van dit lid bedoelde behandeling. Indien de waarde van de aandelen of rechten van deelneming in de icb niet regelmatig tegen marktwaarde gewaardeerd wordt door de in artikel 418, lid 4, punten a) en b), bedoelde derden, en de bevoegde autoriteit er niet van overtuigd is dat een instelling degelijke methoden en procedures heeft ontwikkeld voor die waardering als bedoeld in artikel 418, lid 4, worden aandelen en rechten van deelneming in die icb niet als liquide activa behandeld.

6.  
Indien een liquide activum niet langer voldoet aan het in dit artikel vervatte vereiste voor liquide activa, kan een instelling het niettemin gedurende een extra periode van 30 dagen als een liquide activum blijven beschouwen. Indien een liquide activum in een icb niet langer in aanmerking komt voor de in lid 5 vermelde behandeling, kunnen de aandelen of rechten van deelneming in de icb niettemin gedurende een extra periode van 30 dagen als een liquide activum worden beschouwd, op voorwaarde dat die activa niet meer dan 10 % van de totale activa van de icb uitmaken.

▼M8 —————

▼B

Artikel 417

Operationele vereisten voor het aanhouden van liquide activa

De instellingen rapporteren uitsluitend als liquide activa de door hen aangehouden liquide activa die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

er is sprake van een passende diversificatie. Er is geen diversificatie vereist voor de in artikel 416, lid 1, onder a), b) en c) bedoelde activa;

b) 

zij zijn rechtens en feitelijk op ieder tijdstip gedurende de volgende 30 dagen liquideerbaar middels cessieovereenkomsten of middels een eenvoudige retrocessieovereenkomst op goedgekeurde retrocessiemarkten om te voldoen aan verplichtingen die komen te vervallen. Liquide activa als bedoeld in artikel 416, lid 1, onder c), die worden aangehouden in derde landen waar overdrachtsbeperkingen gelden of die in een niet-converteerbare valuta luiden, worden alleen als liquideerbaar aangemerkt voor zover zij overeenstemmen met uitstromen in het derde land of de valuta in kwestie, tenzij de instelling aan de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat ze het hieruit voortvloeiende valutarisico voldoende heeft afgedekt;

c) 

de liquide activa worden beheerst door een liquiditeitenbeheersfunctie;

►C2  d) 

een deel van de liquide activa met uitzondering van de in artikel 416, lid 1, onder a), c), e) en f), bedoelde activa, wordt regelmatig en ten minste eenmaal per jaar geliquideerd ◄ middels cessieovereenkomsten of middels eenvoudige retrocessieovereenkomsten op goedgekeurde retrocessiemarkten met het volgende doel:

i) 

het beproeven van de markttoegang van deze activa;

ii) 

het beproeven van de doeltreffendheid van de processen voor de liquidatie van activa;

iii) 

het beproeven van de bruikbaarheid van de activa;

iv) 

het minimaliseren van het risico van negatieve signalen gedurende een stressperiode;

e) 

aan de activa verbonden prijsrisico's mogen worden afgedekt, maar de liquide activa zijn onderworpen aan passende interne regelingen om ervoor te zorgen dat zij wanneer nodig vrijelijk beschikbaar zijn voor de schatkist, en met name dat zij niet worden gebruikt in andere lopende activiteiten, met inbegrip van:

i) 

afdekkings- of andere handelsstrategieën;

ii) 

verschaffing van kredietverbetering in gestructureerde transacties;

iii) 

dekking van operationele kosten;

f) 

de valuta waarin de liquide activa luiden, is consistent met de verdeling naar valuta van liquiditeitsuitstromen na aftrek van instromen.

Artikel 418

Waardering van liquide activa

1.  
De te rapporteren waarde van een liquide activum is de marktwaarde, met inachtneming van passende reductiefactoren die ten minste rekening houden met de duration, het krediet- en liquiditeitsrisico en typische retrocessiereductiefactoren in perioden van algemene marktstress. De reductiefactoren bedragen niet minder dan 15 % voor de activa als bedoeld in artikel 416, lid 1, punt d). Indien de instelling het aan een activum verbonden prijsrisico afdekt, houdt zij rekening met de kasstroom die resulteert uit de potentiële beëindiging van de afdekking.
2.  

Ten aanzien van aandelen of rechten van deelneming in icb's als bedoeld in artikel 416, lid 6, gelden reductiefactoren, waarbij voor de onderliggende activa de volgende doorkijkbenadering geldt:

a) 

0 % voor de activa als bedoeld in artikel 416, lid 1, punt a);

b) 

5 % voor de activa als bedoeld in artikel 416, lid 1, punten b) en c);

c) 

20 % voor de activa ald bedoeld in artikel 416, lid 1, punt d).

3.  

De in lid 2 bedoelde doorkijkbenadering wordt als volgt toegepast:

a) 

indien de instelling op de hoogte is van de onderliggende blootstellingen van een icb, kan zij zich op deze onderliggende blootstellingen baseren om ze toe te wijzen aan artikel 416, lid 1, punten a) tot en met d);

b) 

indien de instelling niet op de hoogte is van de onderliggende blootstellingen van een icb, wordt aangenomen dat de icb, binnen volgens haar mandaat toegestane limieten, in dalende volgorde maximaal belegt in de in artikel 416, lid 1, punten a) tot en met d), bedoelde soorten activa totdat de totale beleggingslimiet is bereikt.

4.  

De instellingen ontwikkelen degelijke methoden en processen om de marktwaarde en reductiefactoren voor aandelen of rechten van deelneming in icb's te berekenen en te rapporteren. Alleen indien zij ten genoegen van de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat de blootstelling niet zo wezenlijk is dat zij het ontwikkelen van hun eigen methoden rechtvaardigt, kunnen de instellingen een beroep doen op de volgende derden om de reductiefactoren voor aandelen of rechten van deelneming in icb's te berekenen en te rapporteren overeenkomstig de in lid 3, punten a) en b), beschreven methoden:

a) 

de effectenbewaarinstelling van de icb, mits de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij deze instelling in bewaring geeft;

b) 

voor andere icb's, de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de icb-beheermaatschappij voldoet aan de in lid 132, lid 3, punt a), beschreven criteria.

De deugdelijkheid van de berekeningen van de effectenbewaarinstelling of de beheermaatschappij van de icb wordt door een extern accountant bevestigd.

Artikel 419

Valuta's met beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheid van liquide activa

1.  
De EBA beoordeelt de beschikbaarheid voor instellingen van de in artikel 416, lid 1, punt b), bedoelde liquide activa in de valuta's die van belang zijn voor in de Unie gevestigde instellingen.

▼M8

2.  

Indien de gerechtvaardigde behoeften aan liquide activa in het licht van het vereiste in artikel 412 groter zijn dan de beschikbaarheid van die liquide activa in een valuta, gelden een of meer van de volgende afwijkingen:

a) 

in afwijking van artikel 417, punt f), mag de denominatie van de liquide activa inconsistent zijn met de distributie per valuta van liquiditeitsuitstromen na de aftrek van de instromen;

b) 

voor valuta's van een lidstaat of van derde landen mogen de vereiste liquide activa worden vervangen door kredietlijnen van de centrale bank van die lidstaat of van dat derde land, die bij overeenkomst onherroepelijk zijn toegezegd voor de volgende 30 dagen en waarvoor een redelijke prijs geldt, los van het actueel opgenomen bedrag, mits de bevoegde autoriteiten van die lidstaat of van dat derde land op dezelfde wijze handelen en mits die lidstaat of dat derde land vergelijkbare rapportagevereisten hanteert;

c) 

bij een tekort aan activa van niveau 1 mag de instelling additionele activa van niveau 2A aanhouden met toepassing van hogere reductiefactoren en kan enigerlei limiet die krachtens de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling voor die activa geldt, worden gewijzigd.

▼B

3.  
De overeenkomstig lid 2 toegepaste afwijkingen zijn omgekeerd evenredig met de beschikbaarheid van de betrokken activa. De gerechtvaardigde behoeften van instellingen worden beoordeeld met in aanmerkingneming van hun vermogen om middels deugdelijk liquiditeitenbeheer de behoefte aan die liquide activa te beperken, alsmede van die door andere marktdeelnemers aangehouden activa.
4.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met een lijst van de valuta's die aan de in dit artikel gestelde voorwaarden voldoen.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 maart 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M8

5.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 2 bedoelde afwijkingen, met inbegrip van de voorwaarden voor de toepassing ervan.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 420

Liquiditeitsuitstromen

1.  

In afwachting van de vaststelling van een liquiditeitsvereiste overeenkomstig artikel 460 omvatten de te rapporteren liquiditeitsuitstromen:

a) 

het actueel uitstaande bedrag aan retaildeposito's zoals bepaald in artikel 421;

b) 

de actuele uitstaande bedragen van andere verplichtingen die hun vervaldatum naderen, waarvan de uitbetaling kan worden gevraagd door de uitgevende instellingen, of door de verstrekker van de financiering, of die een impliciete verwachting van de kredietverstrekker inhouden dat de instelling de verplichting gedurende de komende 30 dagen terugbetaalt als bepaald in artikel 422;

c) 

de in artikel 423 bedoelde additionele uitstromen;

d) 

het maximale bedrag dat gedurende de volgende 30 dagen kan worden opgenomen uit onbenutte gecommitteerde krediet- en liquiditeitsfaciliteiten, zoals bepaald in artikel 424;

e) 

de additionele uitstromen die bij de beoordeling overeenkomstig lid 2 zijn geïdentificeerd.

2.  
De instellingen beoordelen regelmatig de waarschijnlijkheid en de potentiële omvang van liquiditeitsuitstromen gedurende de volgende 30 dagen voor zover het producten of diensten betreft die niet onder de artikelen 422, 423 en 424 vallen en die door hen worden aangeboden of ondersteund of door potentiële kopers worden geacht met hen te zijn verbonden, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, liquiditeitsuitstromen ten gevolge van contractuele regelingen zoals andere buitenbalans- en voorwaardelijke financieringsverplichtingen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, toegewezen financieringsfaciliteiten, niet-opgenomen leningen en voorschotten voor tegenpartijen in het wholesalesegment, hypotheken die zijn toegekend maar nog niet opgenomen, kredietkaarten, overdisposities, geplande uitstromen in verband met vernieuwd of uitgebreid nieuw retail- of wholesalekrediet, geplande afgeleide lasten en met handelsfinanciering verband houdende producten buiten de balanstelling, als bedoeld in artikel 429 en in bijlage I. Bij de beoordeling van deze uitstromen wordt uitgegaan van een gecombineerd individueel en marktbreed stressscenario.

Bij de beoordeling houden de instellingen in het bijzonder rekening met aanzienlijke imagoschade die kan ontstaan wanneer zij geen liquiditeitssteun verlenen aan dergelijke producten of diensten. De instellingen rapporteren niet minder dan jaarlijks aan de bevoegde autoriteiten over de producten en diensten waarvoor de in de eerste alinea bedoelde waarschijnlijkheid en potentiële omvang van de liquiditeitsuitstromen van wezenlijk belang zijn, en de bevoegde autoriteiten bepalen de toe te wijzen uitstromen. De bevoegde autoriteiten kunnen een uitstroompercentage van ten hoogste 5 % toepassen voor met handelsfinanciering verband houdende producten buiten de balanstelling als bedoeld in artikel 429 en in bijlage I.

De bevoegde autoriteiten rapporteren ten minste jaarlijks aan de EBA de soorten producten of diensten waarvoor zij uitstromen hebben bepaald op basis van de rapportage van de instellingen. In hun rapportage verklaren zij tevens de methode die is gebruikt om de uitstromen te bepalen.

Artikel 421

Uitstromen op retaildeposito's

1.  

De instellingen rapporteren afzonderlijk het bedrag van de retaildeposito's die gedekt zijn door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG of door een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land, en vermenigvuldigen het met ten minste 5 % indien het deposito ofwel:

a) 

deel uitmaakt van een vaste relatie waarbij opvraging zeer onwaarschijnlijk is;

b) 

wordt aangehouden op een betaalrekening, met inbegrip van rekeningen waarop regelmatig lonen worden gecrediteerd.

2.  
De instellingen vermenigvuldigen andere, niet in lid 1 bedoelde retaildeposito's met ten minste 10 %.
3.  
Rekening houdend met het gedrag van lokale inleggers, als gemeld door de nationale bevoegde autoriteiten, vaardigt de EBA uiterlijk op 1 januari 2014 richtsnoeren uit betreffende de criteria ter bepaling van de voorwaarden voor de toepassing van de leden 1 en 2 met betrekking tot de identificatie van retaildeposito's waarvoor de uitstromen anders zijn, en betreffende de definities van die producten in het kader van deze titel. In die richtsnoeren wordt rekening gehouden met de waarschijnlijkheid van liquiditeitsuitstromen gedurende de volgende 30 dagen ingevolge deze deposito's. Bij de beoordeling van deze uitstromen wordt uitgegaan van een gecombineerd individueel en marktbreed stressscenario.
4.  
Onverminderd de leden 1 en 2 vermenigvuldigen de instellingen de retaildeposito's die zij in derde landen in ontvangst hebben genomen, met een hoger percentage dan de in die leden vermelde percentages indien vergelijkbare rapportagevereisten van een derde land dat percentage vereisen.
5.  

De instellingen kunnen bepaalde welomschreven categorieën van retaildeposito's uitsluiten van de berekening van de uitstromen voor zover de instelling steevast nauwgezet het volgende toepast voor de volledige categorie van die deposito's, behoudens in individueel gerechtvaardigde gevallen van tegenspoed voor de inlegger:

a) 

de inlegger mag het deposito niet binnen 30 dagen opvragen; of

b) 

voor voortijdige opvragingen binnen 30 dagen moet de inlegger een boete betalen die het renteverlies tussen de datum van opvraging en de contractuele looptijd omvat, vermeerderd met een substantiële boete die niet hoger hoeft te zijn dan de rente die is verschuldigd voor de tijd verstreken tussen de datum van inleg en de datum van opvraging.

Artikel 422

Uitstromen op andere verplichtingen

1.  
De instellingen vermenigvuldigen de uit de eigen bedrijfskosten van de instelling voortvloeiende verplichtingen met 0 %.
2.  

De instellingen vermenigvuldigen verplichtingen die voortvloeien uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als omschreven in artikel 192, punt 3, met:

a) 

0 % tot de waarde van de liquide activa overeenkomstig artikel 418, indien zij zijn gedekt door activa die overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt;

b) 

100 % tot de waarde van de liquide activa overeenkomstig artikel 418, indien zij door activa zijn gedekt die overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt;

c) 

100 %, indien zij zijn gedekt door activa die overeenkomstig artikel 416 niet als liquide activa kunnen worden aangemerkt, met uitzondering van transacties als bedoeld in dit lid, punten d) en e);

d) 

25 %, indien zij zijn gedekt door activa die overeenkomstig artikel 416 niet als liquide activa kunnen worden aangemerkt, en de leningverstrekker de centrale overheid of een publiekrechtelijk lichaam is van de lidstaat waar de kredietinstelling een vergunning heeft gekregen of een bijkantoor heeft gevestigd, dan wel een multilaterale ontwikkelingsbank is. Deze behandeling geldt uitsluitend voor publiekrechtelijke lichamen met een risicogewicht van 20 % of minder, overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2.

e) 

0 %, indien de kredietverstrekker een centrale bank is.

3.  

De instellingen vermenigvuldigen verplichtingen die voortvloeien uit deposito's welke moeten worden aangehouden:

a) 

door de inlegger om gebruik te kunnen maken van de diensten van de instelling op het gebied van clearing, bewaring of contantenbeheer, of andere, vergelijkbare diensten;

b) 

in de context van een gemeenschappelijke taakuitvoering in het kader van een institutioneel protectiestelsel dat voldoet aan de vereisten van artikel 113, lid 7, of als een wettelijk of statutair minimumdeposito van een ander lichaam dat deelneemt aan hetzelfde institutionele protectiestelsel;

c) 

door de inlegger in de context van een andere vaste operationele relatie dan de in punt a) vermelde;

d) 

door de inlegger om gebruik te kunnen maken van de diensten betreffende de clearing van geldposities en van de diensten van centrale kredietinstellingen en waarbij de kredietinstellingbij een netwerk hoort, overeenkomstig wettelijke of statutaire bepalingen;

met 5 % in het geval van punt a) voor zover zij gedekt zijn door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land, en anders met 25 %.

Deposito's van kredietinstellingen bij centrale kredietinstellingen, die overeenkomstig artikel 416, lid 1, punt f), als liquide activa worden beschouwd, worden vermenigvuldigd met een uitstroompercentage van 100 %.

▼M8

4.  
Onder clearing, bewaring, contantenbeheer of andere vergelijkbare diensten als bedoeld in lid 3, punten a) en d), vallen uitsluitend dergelijke diensten, voor zover die diensten worden verleend in de context van een vaste relatie waarop de inlegger in belangrijke mate aangewezen is. Deze diensten bestaan niet louter in daarmee samenhangende bank- of prime brokeragediensten en instellingen beschikken over het bewijs dat de cliënt niet in staat is wettelijk verschuldigde bedragen over een tijdshorizon van 30 dagen op te vragen zonder dat zijn operationeel functioneren in het gedrang komt.

In afwachting van een uniforme definitie van de in lid 3, punt c), bedoelde vaste operationele relatie, bepalen instellingen zelf de criteria voor het identificeren van een vaste operationele relatie, waarvoor zij over het bewijs beschikken dat de cliënt niet in staat is wettelijk verschuldigde bedragen op te vragen over een tijdshorizon van 30 dagen zonder dat zijn operationeel functioneren in het gedrang komt, en melden zij die criteria aan de bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten kunnen, bij ontstentenis van een uniforme definitie, algemene richtsnoeren geven die de instellingen moeten volgen voor het bepalen van door de inlegger aangehouden deposito's in de context van een vaste operationele relatie.

▼B

5.  
De instellingen vermenigvuldigen verplichtingen die voortvloeien uit deposito's van cliënten die geen financiële cliënten zijn, voor zover zij niet onder de leden 3 en 4 vallen, met 40 %, en vermenigvuldigen het bedrag van die verplichtingen die gedekt zijn door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG of door een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land met 20 %.
6.  
De instellingen houden rekening met de over de tijdhorizon van 30 dagen te verwachten uitstromen en instromen uit de in bijlage II vermelde contracten op nettobasis voor alle tegenpartijen en vermenigvuldigen deze met 100 % in het geval van een netto uitstroom. Onder "op nettobasis" wordt ook verstaan ongerekend te ontvangen zekerheden die overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt.
7.  
De instellingen rapporteren andere verplichtingen die niet onder de leden 1 tot en met 5 vallen, afzonderlijk.

▼M8

8.  

De bevoegde autoriteiten kunnen per geval toestemming verlenen om op de in lid 7 bedoelde verplichtingen een lager uitstroompercentage toe te passen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de tegenpartij is:

▼M9

i) 

een moeder- of dochterinstelling van de instelling of een moeder- of dochterbeleggingsonderneming van de instelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of moederbeleggingsonderneming;

▼M8

ii) 

verbonden met de instelling door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU;

iii) 

een instelling die onder dezelfde, met de eisen in artikel 113, lid 7 conforme institutionele beschermingsregeling valt; of

iv) 

de centrale instelling in of aangesloten bij een netwerk dat voldoet aan het bepaalde in artikel 400, lid 2, punt d);

b) 

er zijn redenen om over de volgende 30 dagen een lagere uitstroom te verwachten, zelfs in het kader van een gecombineerd idiosyncratisch en marktbreed stressscenario;

c) 

in afwijking van artikel 425 past de tegenpartij een overeenkomstige symmetrische of een voorzichtiger uitstroom toe;

d) 

de instelling en de tegenpartij zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.

▼B

9.  
De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de in lid 8, punt d), beschreven voorwaarden indien artikel 20, lid 1, punt b), wordt toegepast. In dat geval moet worden voldaan aan additionele objectieve criteria als beschreven in de in artikel 460 bedoelde gedelegeerde handeling. Indien toestemming wordt gegeven voor het toepassen van een dergelijke lagere uitstroom, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van de uitkomst van het in artikel 20, lid 1, punt b), bedoelde proces. Het vervuld zijn van de voorwaarden voor dergelijke lagere uitstromen wordt regelmatig getoetst door de bevoegde autoriteiten.
10.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 9 bedoelde additionele objectieve criteria.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 423

Additionele uitstromen

1.  
Voor zekerheden die door de instelling worden gestort voor in bijlage II vermelde contracten, daaronder niet begrepen activa als bedoeld in artikel 416, lid 1, punten a), b) en c), en kredietderivaten geldt een additionele uitstroom van 20 %.

▼M8

2.  
Een instelling stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van alle aangegane contracten waarvan de contractuele voorwaarden binnen 30 dagen volgende op een wezenlijke verslechtering van haar kredietkwaliteit, tot liquiditeitsuitstromen of additionele behoeften aan zekerheden leiden. Indien de bevoegde autoriteiten die contracten wezenlijk achten met betrekking tot de potentiële liquiditeitsuitstromen van de instelling, verlangen zij dat de instelling een additionele uitstroom voor deze contracten toevoegt die overeenstemt met de vereiste extra zekerheden die het resultaat zijn van een wezenlijke verslechtering van haar kredietkwaliteit, zoals een verlaging van haar externe kredietbeoordeling met drie stappen. De instelling toetst regelmatig de omvang van deze wezenlijke verslechtering in het licht van wat relevant is voor de contracten die zij is aangegaan, en stelt de bevoegde autoriteiten van het resultaat van deze toetsing in kennis.
3.  
De instelling voegt een additionele uitstroom toe die overeenstemt met de behoeften aan zekerheden die zouden voortvloeien uit de gevolgen van een ongunstig marktscenario voor haar derivatentransacties, voor zover die wezenlijk zijn.

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder het begrip „wezenlijkheid” mag worden toegepast en tot nadere bepaling van methoden voor het meten van de additionele uitstroom.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 maart 2014 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de tweede alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

4.  
De instelling voegt een additionele uitstroom toe die overeenstemt met de marktwaarde van effecten of andere activa die short zijn verkocht en binnen de tijdhorizon van 30 dagen moeten worden geleverd, tenzij zij eigenaar is van de te leveren effecten of deze heeft geleend op voorwaarden waarbij zij pas na de tijdhorizon van 30 dagen moeten worden teruggegeven en de effecten geen deel uitmaken van de liquide activa van de instelling.
5.  

De instelling voegt een additionele uitstroom toe die overeenstemt met:

a) 

de door de instelling aangehouden te veel gestorte zekerheden die te allen tijde op grond van het contract kunnen worden opgevraagd door de tegenpartij;

b) 

zekerheden die aan een tegenpartij moeten worden gerestitueerd;

c) 

zekerheden die overeenkomen met activa die overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt, die kunnen worden ingeruild voor activa die overeenkomen met activa die zonder de toestemming van de kredietinstelling niet overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt.

6.  
Deposito's die worden ontvangen als zekerheden worden niet beschouwd als verplichtingen voor de toepassing van artikel 422, maar zijn, indien van toepassing, onderworpen aan het bepaalde in het onderhavige artikel.

Artikel 424

Uitstromen uit krediet- en liquiditeitsfaciliteiten

1.  
De instellingen rapporteren uitstromen uit gecommitteerde kredietfaciliteiten en gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten, die worden bepaald als een percentage van het maximale bedrag dat binnen de volgende 30 dagen kan worden opgenomen. Bij de beoordeling van het maximale bedrag dat kan worden opgenomen, kunnen alle liquiditeitsvereisten die krachtens artikel 420, lid 2, zouden worden opgelegd voor de posten buiten de balanstelling van handelsfinancieringen en de overeenkomstig artikel 418 bepaalde waarde van te stellen zekerheid buiten beschouwing worden gelaten indien de instelling de zekerheid kan hergebruiken en indien de zekerheid de vorm heeft van liquide activa overeenkomstig artikel 416. De te stellen zekerheid mag niet bestaan in activa die zijn uitgegeven door de tegenpartij van de faciliteit of een bij de tegenpartij aangesloten entiteit. Indien de instelling over de noodzakelijke informatie beschikt, wordt het maximale bedrag dat kan worden opgenomen voor krediet- en liquiditeitsfaciliteiten bepaald als het maximale bedrag dat kan worden opgenomen gelet op de eigen verplichtingen van de tegenpartij of op het vooraf bepaalde, contractueel vastgelegde kredietopnameschema dat in de loop van de volgende 30 dagen komt te vervallen.
2.  
Het maximale bedrag dat binnen de volgende 30 dagen kan worden opgenomen uit onbenutte gecommitteerde kredietfaciliteiten en onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 5 % indien deze kunnen worden ingedeeld bij de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen in het kader van de standaardbenadering of de IRB-benadering voor het kredietrisico.
3.  

Het maximale bedrag dat binnen de volgende 30 dagen kan worden opgenomen uit onbenutte gecommitteerde kredietfaciliteiten en onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 10 % indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

zij kunnen niet worden ingedeeld in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen in het kader van de standaardbenadering of de IRB-benadering voor het kredietrisico;

b) 

zij zijn verleend aan andere dan financiële cliënten;

c) 

zij zijn niet verleend ter vervanging van financiering van de cliënt in gevallen waarin deze op de financiële markten niet aan zijn financieringsbehoeften kan voldoen.

▼M8

4.  
Het gecommitteerde bedrag van een liquiditeitsfaciliteit die is verstrekt aan een SSPE met als doel die SSPE in staat te stellen andere activa dan effecten te kopen van cliënten die geen financiële cliënten zijn, wordt vermenigvuldigd met 10 % mits het gecommitteerde bedrag het bedrag van de actueel van cliënten aangekochte activa overschrijdt, en het maximaal op te nemen bedrag contractueel beperkt is tot het bedrag van de actueel aangekochte activa.

▼B

5.  

De instellingen rapporteren het maximale bedrag dat binnen de volgende 30 dagen kan worden opgenomen uit andere onbenutte gecommitteerde kredietfaciliteiten en onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten. Dat geldt met name voor:

a) 

andere dan de in lid 3, punt b), bedoelde liquiditeitsfaciliteiten die de instelling aan SSPE's heeft verleend;

b) 

regelingen uit hoofde waarvan de instelling ertoe gehouden is activa van een SSPE te kopen of te ruilen;

c) 

faciliteiten die zijn uitgebreid tot kredietinstellingen;

d) 

faciliteiten die zijn uitgebreid tot financiële instellingen en beleggingsondernemingen.

6.  
Bij wijze van afwijking van lid 5, kunnen instellingen die zijn opgezet en worden ondersteund door een centrale of regionale overheid van ten minste één lidstaat, de in de leden 2 en 3 vervatte behandelingen ook toepassen op krediet- en liquiditeitsfaciliteiten die aan de instellingen worden verleend met als enig oogmerk de rechtstreekse of onrechtstreekse financiering van stimuleringsleningen die kunnen worden ingedeeld in de in die leden bedoelde categorieën blootstellingen. ►C2  Bij wijze van afwijking van artikel 452, lid 2, onder g), kunnen instellingen, ◄ indien deze stimuleringsleningen via een andere instelling, die als tussenpersoon fungeert, worden verleend (pass through-leningen), een symmetrische in- en uitstroom toepassen. Deze stimuleringsleningen zijn uitsluitend beschikbaar voor personen die geen financiële cliënten zijn, op een niet-concurrerende non-profitbasis ter bevordering van publieke beleidsdoelstellingen van de Unie en/of de centrale of regionale overheid van de betrokken lidstaat. Opnemingen ten laste van dergelijke faciliteiten zijn slechts mogelijk na een redelijkerwijs te verwachten verzoek om een stimuleringslening en tot maximaal het gevraagde bedrag, gekoppeld aan rapportage achteraf over het gebruik van de uitbetaalde middelen.

Artikel 425

Instromen

▼M10

1.  

De instellingen rapporteren hun liquiditeitsinstromen. Liquiditeitsinstromen worden begrensd op 75 % van de liquiditeitsuitstromen. Instellingen kunnen liquiditeitsinstromen uit bij andere instellingen geplaatste deposito's die in aanmerking komen voor de in artikel 113, lid 6 of lid 7, van deze verordening beschreven behandeling, van die limiet uitsluiten.

Instellingen kunnen liquiditeitsinstromen uit gelden die door leningnemers en beleggers in obligaties zijn verschuldigd, uitsluiten van die limiet indien die instromen verband houden met hypotheken die worden gefinancierd door obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4, 5 of 6, van deze verordening bedoelde behandeling of door gedekte obligaties als bedoeld in artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2019/2162. Instellingen kunnen instromen uit stimuleringsleningen waarvoor zij als tussenpersoon hebben gefungeerd, uitsluiten. Onder voorbehoud van voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op individuele basis, kan de instelling geheel of gedeeltelijk instromen uitsluiten waarbij de verstrekker van liquiditeit een moeder- of dochterinstelling van de instelling is, een moeder- of dochterbeleggingsonderneming van de instelling is of een andere dochter van dezelfde moederinstelling of moedermoederbeleggingsonderneming, dan wel verbonden is met de instelling door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU.

▼B

2.  

De liquiditeitsinstromen worden gemeten over de volgende 30 dagen. Zij omvatten uitsluitend contractuele instromen uit blootstellingen die nog niet zijn vervallen en ten aanzien waarvan de instelling geen reden heeft om aan te nemen dat zij binnen de tijdhorizon van 30 dagen niet zouden worden nagekomen. De liquiditeitsinstromen worden volledig gerapporteerd, en de volgende instromen worden afzonderlijk gerapporteerd:

a) 

gelden die zijn verschuldigd door andere cliënten dan financiële cliënten met het oog op de betaling van de hoofdsom, worden verminderd met 50 % van hun waarde of, indien dit cijfer hoger is, met de contractuele verplichtingen jegens die cliënten om de financiering te verlengen. Dit is niet van toepassing op gelden die zijn verschuldigd uit hoofde van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als omschreven in artikel 192, punt 3, die zijn gedekt met zekerheden in de vorm van liquide activa overeenkomstig artikel 416, als bedoeld in punt d) van dit lid.

Bij wijze van afwijking van de eerste alinea van dit lid kunnen instellingen die een verplichting hebben ontvangen als bedoeld in artikel 424, lid 6, teneinde een stimuleringslening uit te keren aan een uiteindelijk begunstigde, een instroom in aanmerking nemen tot het bedrag van de uitstroom die zij toepassen op de overeenkomstige verplichting om die stimuleringsleningen te verlengen;

b) 

gelden die verschuldigd zijn uit hoofde van handelsfinancieringstransacties als bedoeld in artikel 162, lid 3, tweede alinea, punt b), met een resterende looptijd van ten hoogste 30 dagen, worden volledig als instromen in aanmerking genomen;

▼M8

c) 

leningen met een onbepaalde contractuele einddatum worden met een instroom van 20 % in aanmerking genomen, op voorwaarde dat het contract de instelling toelaat om betaling binnen 30 dagen op te vragen en daarom te verzoeken;

▼B

d) 

gelden die zijn verschuldigd uit hoofde van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als omschreven in artikel 192, punt 3, indien deze zijn gedekt met zekerheden in de vorm van liquide activa als bedoeld in artikel 416, lid 1, worden buiten beschouwing gelaten tot de waarde, ongerekend de reductiefactoren, van de liquide activa en worden volledig meegerekend voor de resterende verschuldigde gelden;

e) 

verschuldigde gelden die door de instelling die deze gelden verschuldigd is, worden behandeld overeenkomstig artikel 422, leden 3 en 4, worden vermenigvuldigd met een overeenkomstige symmetrische instroom;

f) 

gelden verschuldigd uit hoofde van posities in eigenvermogensinstrumenten die genoteerd staan op een belangrijke index, op voorwaarde dat er niet worden dubbelgeteld met liquide activa;

g) 

onbenutte krediet- of liquiditeitsfaciliteiten en andere ontvangen verplichtingen worden niet in aanmerking genomen.

3.  
Uitstromen en instromen die uit de in bijlage II vermelde contracten worden verwacht over de tijdhorizon van 30 dagen, worden weergegeven op nettobasis voor alle tegenpartijen en vermenigvuldigd met 100 % in het geval van een netto instroom. Onder "op nettobasis" wordt ook verstaan ongerekend te ontvangen zekerheden die overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt.
4.  

in afwijking van lid 2, punt g), kunnennde bevoegde autoriteiten per geval toestemming verlenen om, voor krediet- en liquiditeitsfaciliteiten een hogere instroom toe te passen, indien alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) 

er zijn redenen om een hogere instroom te verwachten, zelfs in het kader van een gecombineerde marktstress- en individuele stresssituatie van de verstrekker;

▼M17

b) 

de tegenpartij is een moeder- of dochterinstelling van de instelling of een andere dochter van dezelfde moederinstelling dan wel verbonden met de instelling door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van deze verordening of de centrale instelling in dan wel aangesloten bij een netwerk waarop de in artikel 10 bedoelde ontheffing van toepassing is;

▼B

c) 

een overeenkomstige symmetrische of voorzichtiger uitstroom wordt toegepast door de tegenpartij in afwijking van de artikelen 422, 423 en 424;

d) 

de instelling en de tegenpartij zijn gevestigd in dezelfde lidstaat.

5.  
De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de in lid 4, punt d) beschreven voorwaarde indien artikel 20, lid 1, punt b), wordt toegepast. In dat gevaldient te worden voldaan aan additionele objectieve criteria als beschreven in de in artikel 460 bedoelde gedelegeerde handeling. Indien toestemming wordt gegeven voor het toepassen van een dergelijke hogere instroom, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van de uitkomst van het in artikel 20, lid 1, punt b), bedoelde proces. Het vervuld zijn van de voorwaarden voor dergelijke hogere instromen wordt regelmatig getoetst door de bevoegde autoriteiten.
6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 5 bedoelde additionele objectieve criteria.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  
De instellingen rapporteren geen instromen uit overeenkomstig artikel 416 gerapporteerde liquide activa, behalve verschuldigde betalingen betreffende de activa die niet weerspiegeld worden in de marktwaarde van het actief.
8.  
De instellingen rapporteren geen instromen uit nieuwe aangegane verplichtingen.
9.  
De instellingen nemen liquiditeitsinstromen die zullen worden ontvangen in derde landen waar er overdrachtsbeperkingen gelden of die in een niet-converteerbare valuta luiden, alleen in aanmerking voor zover zij overeenstemmen met uitstromen in respectievelijk het derde land of de valuta in kwestie.

Artikel 426

Aanpassing van toekomstige liquiditeitsvereisten

Nadat de Commissie een gedelegeerde handeling ter nadere bepaling van het liquiditeitsvereiste overeenkomstig artikel 460 heeft vastgesteld, kan de EBA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de in artikel 421, lid 1, artikel 422, uitgezonderd de leden 8, 9 en 10 van dat artikel, en artikel 424 vermelde voorwaarden ontwikkelen om internationaal overeengekomen normen in aanmerking te nemen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

TITEL III

RAPPORTAGE INZAKE STABIELE FINANCIERING

Artikel 427

Posten die stabiele financiering bieden

1.  

De instellingen rapporteren overeenkomstig de rapportagevereisten van artikel 415, lid 1, en de in artikel 415, lid 3, bedoelde uniforme rapportageformats de volgende posten en de bestanddelen ervan aan de bevoegde autoriteiten, zodat een beoordeling van de beschikbaarheid van stabiele financiering kan worden verricht:

a) 

de volgende bestanddelen van het eigen vermogen na aftrek waar van toepassing;

i) 

tier 1-kapitaalinstrumenten;

ii) 

tier 2-kapitaalinstrumenten;

iii) 

andere voorkeursaandelen en kapitaalinstrumenten hoger dan de voor tier 2 toegestane waarde met een effectieve looptijd van één jaar of langer;

b) 

de volgende verplichtingen die niet zijn opgenomen in punt a):

i) 

retaildeposito's die in aanmerking komen voor de behandeling van artikel 421, lid 1;

ii) 

retaildeposito's die in aanmerking komen voor de behandeling van artikel 421, lid 2;

iii) 

deposito's die in aanmerking komen voor de behandeling van artikel 422, leden 3 en 4;

iv) 

van de onder iii) bedoelde deposito's, die welke vallen onder een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG ►C2  of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel van een derde land in de zin van artikel 421, lid 1; ◄

v) 

van de onder iii) bedoelde deposito's, die welke onder artikel 422, lid 3, punt b), vallen;

vi) 

van de onder iii) bedoelde deposito's, die welke onder artikel 422, lid 3, punt d), vallen;

vii) 

ingelegde bedragen die niet onder i), ii) of iii) vallen indien zij niet door financiële cliënten worden ingelegd;

viii) 

alle financiering verkregen van financiële cliënten;

ix) 

afzonderlijk voor de bedragen die respectievelijk onder vii) en viii) vallen, financiering uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als omschreven in artikel 192,punt 3:

— 
gedekt met zekerheden in de vorm van activa die overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt;
— 
gedekt met zekerheden in de vorm van andere activa;

▼M10

x) 

verplichtingen die voortvloeien uit uitgegeven effecten die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, van deze verordening vervatte behandeling of uit gedekte obligaties in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2019/2162;

▼B

xi) 

de volgende andere verplichtingen die voortvloeien uit uitgegeven effecten die niet onder a) vallen:

— 
verplichtingen die voortvloeien uit uitgegeven effecten met een effectieve looptijd van één jaar of langer;
— 
verplichtingen die voortvloeien uit uitgegeven effecten met een effectieve looptijd van minder dan één jaar;
xii) 

overige verplichtingen.

2.  

In voorkomend geval worden alle posten ingedeeld in de volgende vijf tijdsintervallen volgens hun vervaldatum dan wel, indien deze eerder valt, de vroegste datum waarop zij contractueel kunnen worden opgevraagd:

a) 

binnen dríe maanden;

b) 

tussen drie en zes maanden;

c) 

tussen zes en negen maanden;

d) 

tussen negen en twaalf maanden;

e) 

na twaalf maanden.

Artikel 428

Posten die stabiele financiering vereisen

1.  

Tenzij in mindering gebracht op het eigen vermogen, worden de volgende posten afzonderlijk aan de bevoegde autoriteiten gerapporteerd, zodat de behoeften aan stabiele financiering kan worden beoordeeld:

a) 

de activa die overeenkomstig artikel 416 als liquide activa kunnen worden aangemerkt, opgesplitst naar soort actief;

b) 

de volgende effecten en geldmarktinstrumenten die niet onder punt a) vallen:

i) 

activa die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 krachtens artikel 122;

ii) 

activa die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 krachtens artikel 122;

iii) 

andere activa;

c) 

gewone aandelen van niet-financiële entiteiten die zijn genoteerd op een belangrijke index aan een erkende beurs;

d) 

andere gewone aandelen;

e) 

goud;

f) 

andere edele metalen;

g) 

niet-hernieuwbare leningen en kortlopende vorderingen, en afzonderlijk die niet-hernieuwbare leningen en kortlopende vorderingen waarvan de kredietnemers de volgende personen zijn:

i) 

natuurlijke personen, met uitzondering van eenmanszaken en personenvennootschappen;

ii) 

kmo's die kunnen worden ingedeeld bij de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen in het kader van de standaardbenadering of de IRB-benadering voor het kredietrisico, of een onderneming die in aanmerking komt voor de in artikel 153, lid 4, vervatte behandeling, en waarbij het geaggregeerde deposito geplaatst door die cliënt of groep van verbonden cliënten kleiner is dan 1 miljoen EUR;

iii) 

landen, centrale banken en publiekrechtelijke lichamen;

iv) 

niet onder i) en ii) bedoelde cliënten, andere dan financiële cliënten;

v) 

niet onder i), ii) en iii) bedoelde cliënten die financiële cliënten zijn, waarvan afzonderlijk de cliënten die kredietinstellingen en andere financiële cliënten zijn;

h) 

niet-verlengbare leningen en kortlopende vorderingen bedoeld onder g), en daarvan afzonderlijk die:

i) 

die gedekt zijn met zekerheden in de vorm van zakelijk onroerend goed;

ii) 

die gedekt zijn met zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed;

▼M10

iii) 

die gefinancierd zijn met matchende uitgifte (pass-through) van obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, van deze verordening beschreven behandeling, of van gedekte obligaties in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2019/2162;

▼B

i) 

te ontvangen bedragen uit derivaten;

j) 

overige activa;

▼M17

k) 

onbenutte kredietfaciliteiten die overeenkomstig bijlage I als posten van „subklasse 4”, „subklasse 3” of „subklasse 2” worden aangemerkt.

▼B

2.  
In voorkomend geval worden alle posten ingedeeld in de vijf in artikel 427, lid 2, beschreven tijdsintervallen.

▼M8

TITEL IV

NETTOSTABIELEFINANCIERINGSRATIO

HOOFDSTUK 1

Nettostabielefinancieringsratio

Artikel 428 bis

Toepassing op geconsolideerde basis

Indien de nettostabielefinancieringsratio als beschreven in deze titel van toepassing is op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 11, lid 4, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) 

de activa en posten buiten de balanstelling van een dochteronderneming met hoofdkantoor in een derde land die krachtens het in het nationale recht van dat derde land beschreven nettostabielefinancieringsvereiste onderworpen zijn aan hogere factoren voor de vereiste stabiele financiering dan die welke in hoofdstuk 4 nader zijn bepaald, zijn onderworpen aan consolidatie volgens de hogere factoren als bepaald in het nationale recht van dat derde land;

b) 

de passiva en het eigen vermogen van een dochteronderneming met hoofdkantoor in een derde land die krachtens het in het nationale recht van dat derde land beschreven nettostabielefinancieringsvereiste onderworpen zijn aan lagere factoren voor de beschikbare stabiele financiering dan die welke in hoofdstuk 3 nader zijn bepaald, zijn onderworpen aan consolidatie volgens de lagere factoren als bepaald in het nationale recht van dat derde land;

c) 

activa in derde landen die voldoen aan de vereisten, vastgesteld in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde verordening en die worden aangehouden door een dochteronderneming met hoofdkantoor in een derde land, worden niet als liquide activa opgenomen ten behoeve van de consolidatie indien zij niet als liquide activa kunnen worden aangemerkt krachtens het nationale recht van het derde land waarin het liquiditeitsdekkingsvereiste wordt beschreven.

▼M9 —————

▼M8

Artikel 428 ter

Nettostabielefinancieringsratio

1.  

Het in artikel 413, lid 1, bepaalde nettostabielefinancieringsvereiste is gelijk aan de verhouding tussen de beschikbare stabiele financiering van de instelling als bedoeld in hoofdstuk 3 en de vereiste stabiele financiering van de instelling als bedoeld in hoofdstuk 4 en wordt uitgedrukt als een percentage. Instellingen berekenen hun nettostabielefinancieringsratio overeenkomstig de volgende formule:

2.  
Instellingen handhaven een nettostabielefinancieringsratio van ten minste 100 %, berekend in de rapportagevaluta voor al hun transacties, ongeacht de feitelijke valutadenominatie ervan.
3.  
Indien de nettostabielefinancieringsratio van een instelling op enig moment is gedaald onder 100 % of redelijkerwijs kan worden verwacht te dalen onder de 100 %, is het in artikel 414 bepaalde vereiste van toepassing. De instelling streeft ernaar haar nettostabielefinancieringsratio te herstellen tot het in lid 2 van dit artikel bedoelde niveau. De bevoegde autoriteiten gaan, voordat zij toezichtsmaatregelen nemen, na waarom de instelling niet voldoet aan lid 2 van dit artikel.
4.  
Instellingen berekenen en monitoren hun nettostabielefinancieringsratio in de rapportagevaluta voor al hun transacties, ongeacht de feitelijke valutadenominatie, en afzonderlijk voor hun transacties die luiden in elk van de valuta's die onderworpen zijn aan afzonderlijke rapportage overeenkomstig artikel 415, lid 2.
5.  
Instellingen zorgen ervoor dat de distributie van hun financieringsprofiel per valuta over het algemeen consistent is met de distributie van hun activa per valuta. In voorkomend geval kunnen bevoegde autoriteiten instellingen verplichten valutamismatches te beperken door de vaststelling van limieten voor het aandeel van vereiste stabiele financiering in een bepaalde valuta waaraan kan worden voldaan door beschikbare stabiele financiering die niet in die valuta luidt. Die beperking kan alleen worden toegepast voor een valuta die onderworpen is aan afzonderlijke rapportage overeenkomstig artikel 415, lid 2.

Bij het bepalen van het niveau van de eventuele beperking van valutamismatches die overeenkomstig dit artikel kan worden toegepast, houden de bevoegde autoriteiten ten minste rekening met:

a) 

de vraag of de instelling de mogelijkheid heeft tot overdracht van beschikbare stabiele financiering van de ene naar de andere valuta en tussen jurisdicties en juridische entiteiten binnen de groep en de mogelijkheid tot valutaswaps en tot het aantrekken van middelen op de deviezenmarkten tijdens de horizon van één jaar van de nettostabielefinancieringsratio;

b) 

de gevolgen van ongunstige koersontwikkelingen voor bestaande mismatches en voor de doeltreffendheid van bestaande instrumenten voor afdekking van het valutarisico.

Beperkingen van valutamismatches die overeenkomstig dit artikel worden opgelegd, vormen een specifiek liquiditeitsvereiste als bedoeld in artikel 105 van Richtlijn 2013/36/EU.

HOOFDSTUK 2

Algemene regels voor het berekenen van de nettostabielefinancieringsratio

Artikel 428 quater

Berekening van de nettostabielefinancieringsratio

1.  
Tenzij in deze titel anders is bepaald, houden instellingen rekening met activa, passiva en posten buiten de balanstelling op brutobasis.
2.  
Voor het berekenen van hun nettostabielefinancieringsratio passen instellingen de passende in de hoofdstukken 3 en 4 beschreven stabielefinancieringsfactoren toe op de boekwaarde van hun activa, passiva en posten buiten de balanstelling, tenzij in deze titel anders is bepaald.
3.  
Instellingen tellen vereiste stabiele financiering en beschikbare stabiele financiering niet dubbel mee.

Tenzij in deze titel anders bepaald, wordt, indien een post kan worden toegewezen aan meer dan één categorie van vereiste stabiele financiering, deze post toegewezen aan de categorie van vereiste stabiele financiering die voor die post de grootste contractuele vereiste stabiele financiering genereert.

Artikel 428 quinquies

Derivatencontracten

1.  
Instellingen passen dit artikel toe op de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering voor derivatencontracten als bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4.
2.  
Onverminderd artikel 428 quintricies, lid 2, houden instellingen rekening met de reële waarde van derivatenposities op nettobasis indien deze posities worden opgenomen in dezelfde netting set die voldoet aan de vereisten in artikel 429 quater, lid 1. Indien dat niet het geval is, houden instellingen rekening met de reële waarde van derivatenposities op brutobasis en behandelen zij die derivatenposities voor de toepassing van hoofdstuk 4 als behorend tot hun eigen netting set.
3.  
Voor de toepassing van deze titel wordt onder „de reële waarde van een netting set” verstaan de som van de reële waarden van alle transacties in de netting set.
4.  
Onverminderd artikel 428 quintricies, lid 2, worden alle derivatencontracten als bedoeld in punt 2, onder a) tot en met e), van bijlage II die betrekking hebben op een volledige uitwisseling van hoofdsommen op dezelfde datum, op nettobasis berekend voor alle valuta's, ook met het oog op de rapportage in een valuta waarvoor een afzonderlijke rapportageverplichting geldt overeenkomstig artikel 415, lid 2, ook al zijn deze transacties niet opgenomen in dezelfde netting set die voldoet aan de vereisten in artikel 429 quater, lid 1.
5.  
Als zekerheid ontvangen contanten ter beperking van de blootstelling van een derivatenpositie worden als zodanig behandeld en worden niet behandeld als deposito's waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
6.  

De bevoegde autoriteiten kunnen, met goedkeuring van de betrokken centrale bank, besluiten de gevolgen van derivatencontracten buiten beschouwing te laten voor de berekening van de nettostabielefinancieringsratio, onder meer door het bepalen van factoren voor de vereiste stabiele financiering en van voorzieningen en verliezen, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

deze contracten hebben een resterende looptijd van minder dan zes maanden;

b) 

de tegenpartij is de ECB of de centrale bank van een lidstaat;

c) 

de derivatencontracten dienen het monetair beleid van de ECB of de centrale bank van een lidstaat.

Indien een dochteronderneming met hoofdkantoor in een derde land gebruikmaakt van de in de eerste alinea bedoelde ontheffing krachtens het nationale recht van dat derde land waarin het nettostabielefinancieringsvereiste is beschreven, wordt die ontheffing als bepaald in de nationale wetgeving van het derde land, in aanmerking genomen met het oog op consolidatie.

Artikel 428 sexies

Verrekening van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties

Activa en passiva die voortvloeien uit effectenfinancieringstransacties met één enkele tegenpartij worden op nettobasis berekend, mits die activa en passiva voldoen aan de verrekeningsvoorwaarden in artikel 429 ter, lid 4.

Artikel 428 septies

Onderling afhankelijke activa en passiva

1.  

Onder voorbehoud van voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten kunnen instellingen een actief en een passief als onderling afhankelijk behandelen, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de instelling handelt uitsluitend als een pass-througheenheid voor het kanaliseren van de financiering uit hoofde van het passief naar het overeenkomstige onderling afhankelijke actief;

b) 

de afzonderlijke onderling afhankelijke activa en passiva zijn duidelijk herkenbaar en hebben dezelfde hoofdsom;

c) 

het actief en het onderling afhankelijke passief hebben substantieel gematchte looptijden, met ten hoogste 20 dagen tussen de looptijd van het actief en de looptijd van het passief;

d) 

het onderling afhankelijke passief is vereist op grond van een juridische, wettelijke of contractuele verplichting en wordt niet gebruikt voor de financiering van andere activa;

e) 

de hoofdsombetalingsstromen uit hoofde van het actief worden niet voor andere doeleinden gebruikt dan de terugbetaling van het onderling afhankelijke passief;

f) 

de tegenpartijen bij elk paar onderling afhankelijke activa en passiva zijn niet dezelfde.

2.  

Activa en passiva worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van lid 1 en als onderling afhankelijk beschouwd indien zij rechtstreeks verband houden met de volgende producten of diensten:

a) 

gecentraliseerde gereglementeerde spaargelden, mits instellingen wettelijk verplicht zijn gereglementeerde deposito's over te dragen aan een gecentraliseerd fonds dat wordt opgericht en gecontroleerd door de centrale overheid van een lidstaat en dat leningen verstrekt ter bevordering van doelstellingen van algemeen belang, en mits de overdracht van deposito's aan het gecentraliseerd fonds ten minste maandelijks plaatsvindt;

b) 

stimuleringsleningen en krediet- en liquiditeitsfaciliteiten die voldoen aan de criteria die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling voor instellingen die louter optreden als tussenpersoon en geen financieringsrisico lopen;

c) 

gedekte obligaties die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

i) 

het zijn obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG, of zij voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, van deze verordening beschreven behandeling;

ii) 

de onderliggende leningen zijn volledig gematcht gefinancierd met de uitgegeven gedekte obligaties of de gedekte obligaties hebben niet-discretionaire verlengbare looptijdtriggers van één jaar of meer tot het aflopen van de onderliggende leningen in geval van niet-herfinanciering op de vervaldatum van de gedekte obligatie;

d) 

activiteiten inzake clearing voor cliënten van derivaten, mits de instelling haar cliënten geen garanties verstrekt voor de prestatie van de CTP en, als gevolg daarvan, geen financieringsrisico loopt.

3.  
De EBA monitort de activa en passiva, alsmede de producten en diensten die krachtens de leden 1 en 2 als onderling afhankelijke activa en passiva worden behandeld, teneinde te bepalen of en in hoeverre aan de criteria van lid 1 is voldaan. De EBA brengt aan de Commissie verslag uit over de resultaten van die monitoring en verstrekt haar advies over de vraag of de voorwaarden van lid 1 of de lijst van producten en diensten van lid 2 gewijzigd moeten worden.

Artikel 428 octies

Deposito's bij institutionele protectiestelsels en coöperatieve netwerken

Indien een kredietinstelling deel uitmaakt van een institutioneel protectiestelsel van het type als bedoeld in artikel 113, lid 7, van een netwerk dat in aanmerking komt voor ontheffing als bedoeld in artikel 10 of van een coöperatief netwerk in een lidstaat, geldt voor de zichtdeposito's die de instelling aanhoudt bij de centrale instelling en die door de deponerende instelling worden beschouwd als liquide activa op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling het volgende:

a) 

de deponerende instelling past de factor voor de vereiste stabiele financiering krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 4 toe, afhankelijk van de behandeling van die zichtdeposito's als activa van niveau 1, 2A of 2B op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, en afhankelijk van de toepasselijke reductiefactor die wordt toegepast op die zichtdeposito's voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio;

b) 

de centrale instelling die het deposito ontvangt, past de overeenkomstige symmetrische factor voor de beschikbare stabiele financiering toe.

Artikel 428 nonies

Preferentiële behandeling binnen een groep of binnen een institutioneel protectiestelsel

1.  

In afwijking van de hoofdstukken 3 en 4, indien artikel 428 octies niet van toepassing is, kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen per geval toestaan een hogere factor voor de beschikbare stabiele financiering of een lagere factor voor de vereiste stabiele financiering voor activa, passiva en gecommitteerde krediet- of liquiditeitsfaciliteiten toe te passen mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de tegenpartij is een van de volgende:

i) 

de moederonderneming of een dochteronderneming van de instelling;

ii) 

een andere dochteronderneming van dezelfde moederonderneming;

iii) 

een onderneming die verbonden is met de instelling in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EEG;

iv) 

een lid van hetzelfde in artikel 113, lid 7, van deze verordening bedoelde institutionele protectiestelsel als de instelling;

v) 

het centrale orgaan of een aangesloten kredietinstelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van deze verordening;

b) 

er zijn redenen om te verwachten dat het door de instelling ontvangen passief of de door de instelling ontvangen gecommitteerde krediet- of liquiditeitsfaciliteit een stabielere financieringsbron vormt of dat het door de instelling verleende actief of de door de instelling verleende gecommitteerde krediet- of liquiditeitsfaciliteit binnen de horizon van één jaar van de nettostabielefinancieringsratio minder stabiele financiering vereist dan hetzelfde passief, actief of dezelfde gecommitteerde krediet- of liquiditeitsfaciliteit dat respectievelijk die is ontvangen of verleend door andere tegenpartijen;

c) 

de tegenpartij past een factor voor de vereiste stabiele financiering toe die gelijk is aan of hoger dan de hogere factor voor de beschikbare stabiele financiering of past een factor voor de beschikbare stabiele financiering toe die gelijk is aan of lager dan de lagere factor voor de vereiste stabiele financiering;

d) 

de instelling en de tegenpartij zijn gevestigd in dezelfde lidstaat.

2.  

Indien de instelling en de tegenpartij in verschillende lidstaten zijn gevestigd, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing van de voorwaarde in lid 1, punt d), verlenen, mits naast de criteria in lid 1 aan de volgende criteria is voldaan:

a) 

er bestaan juridisch bindende overeenkomsten en verbintenissen tussen de entiteiten van de groep met betrekking tot het passief, actief of de gecommitteerde krediet- of liquiditeitsfaciliteit;

b) 

de financieringsverstrekker vertoont een laag financieringsrisicoprofiel;

c) 

het financieringsrisicoprofiel van de ontvanger van de financiering is voldoende in aanmerking genomen in het kader van het liquiditeitsrisicobeheer van de financieringsverstrekker.

De bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar overeenkomstig artikel 20, lid 1, punt b), om te bepalen of aan de extra criteria in dit lid wordt voldaan.

HOOFDSTUK 3

Beschikbare stabiele financiering

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 428 decies

Berekening van het bedrag van de beschikbare stabiele financiering

Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt het bedrag van de beschikbare stabiele financiering berekend door vermenigvuldiging van de boekwaarde van verschillende categorieën of typen passiva en het eigen vermogen met de factoren voor de beschikbare stabiele financiering die krachtens afdeling 2 moeten worden toegepast. Het totale bedrag van de beschikbare stabiele financiering is de som van de gewogen bedragen van passiva en het eigen vermogen.

Door de instelling uitgegeven obligaties en andere schuldtitels die uitsluitend op de retailmarkt worden verkocht en op een retailrekening worden aangehouden, mogen worden behandeld als behorend tot de passende categorie van retaildeposito's. Er worden beperkingen ingesteld, zodat deze instrumenten niet kunnen worden aangekocht en aangehouden door partijen die geen retailcliënten zijn.

Artikel 428 undecies

Resterende looptijd van verplichtingen of van eigen vermogen

1.  
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, houden instellingen rekening met de resterende contractuele looptijd van hun verplichtingen en eigen vermogen voor het bepalen van de factoren voor de beschikbare stabiele financiering die krachtens afdeling 2 moeten worden toegepast.
2.  
Instellingen houden bij het bepalen van de resterende looptijd van een verplichting of van het eigen vermogen rekening met de bestaande opties. Hierbij gaan zij ervan uit dat de tegenpartij callopties op de eerst mogelijke datum zal aflossen. Voor opties die naar eigen goeddunken door de instelling kunnen worden uitgeoefend, houden de instelling en de bevoegde autoriteiten rekening met voor de reputatie relevante factoren die de mogelijkheid van de instelling om de optie niet uit te oefenen kunnen beperken, met name marktverwachtingen dat instellingen bepaalde verplichtingen voor de vervaldatum moeten aflossen.
3.  
Instellingen behandelen deposito's met een vaste opzegtermijn naargelang hun opzegtermijn en termijndeposito's naargelang hun resterende looptijd. In afwijking van lid 2 van dit artikel houden instellingen voor het bepalen van de resterende looptijd van termijnretaildeposito's geen rekening met mogelijkheden voor voortijdige opvragingen, waarbij de inlegger voor binnen één jaar verrichte voortijdige opvragingen een substantiële boete moet betalen; deze boete wordt bepaald in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling.
4.  
Voor het bepalen van de factoren voor de beschikbare stabiele financiering die krachtens afdeling 2 moeten worden toegepast, behandelen instellingen elk gedeelte van de verplichtingen met een resterende looptijd van één jaar of meer dat vervalt binnen minder dan zes maanden en elk gedeelte van die verplichtingen dat vervalt binnen tussen zes maanden en minder dan één jaar alsof deze een resterende looptijd van minder dan zes maanden respectievelijk tussen zes maanden en minder dan één jaar hebben.

Afdeling 2

Factoren voor de beschikbare stabiele financiering

Artikel 428 duodecies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 %

1.  

Tenzij anders vermeld in de artikelen 428 terdecies tot en met 428 sexdecies, zijn alle verplichtingen zonder vastgestelde looptijd, met inbegrip van korte posities en openlooptijdposities, onderworpen aan een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 %, met uitzondering van de volgende:

a) 

uitgestelde belastingverplichtingen, die worden behandeld in overeenstemming met de eerste mogelijke datum waarop dergelijke verplichtingen kunnen worden gerealiseerd;

b) 

minderheidsbelangen, die worden behandeld in overeenstemming met de looptijd van het instrument.

2.  

Uitgestelde belastingverplichtingen en minderheidsbelangen als bedoeld in lid 1 zijn onderworpen aan een van de volgende factoren:

a) 

0 %, indien de effectieve resterende looptijd van de uitgestelde belastingverplichting of het minderheidsbelang minder dan zes maanden bedraagt;

b) 

50 %, indien de effectieve resterende looptijd van de uitgestelde belastingverplichting of het minderheidsbelang ten minste zes maanden, maar minder dan één jaar bedraagt;

c) 

100 %, indien de effectieve resterende looptijd van de uitgestelde belastingverplichting of het minderheidsbelang één jaar of meer bedraagt.

▼C9

3.  

De volgende passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten zijn onderworpen aan een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 %:

▼M8

a) 

transactiedatumschulden die voortvloeien uit aankopen van financiële instrumenten, van deviezen en van grondstoffen die naar verwachting zullen worden afgewikkeld binnen de standaardafwikkelingscyclus of -termijn die gebruikelijk is voor de betrokken beurs of de betrokken soort transacties of die nog niet zijn afgewikkeld, maar naar verwachting nog wel zullen worden afgewikkeld;

b) 

passiva die worden ingedeeld als zijnde onderling afhankelijk van activa overeenkomstig artikel 428 septies;

c) 

verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zes maanden verstrekt door:

i) 

de ECB of de centrale bank van een lidstaat;

ii) 

de centrale bank van een derde land;

iii) 

financiële cliënten;

▼C9

d) 

alle andere passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten die niet worden genoemd in de artikelen 428 terdecies tot en met 428 sexdecies.

▼M8

4.  
Instellingen passen een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 % toe op de absolute waarde van het verschil, indien negatief, tussen de som van de reële waarden voor alle netting sets met een positieve reële waarde en de som van de reële waarden voor alle netting sets met een negatieve reële waarde, berekend overeenkomstig artikel 428 quinquies.

De volgende regels zijn van toepassing op de in de eerste alinea bedoelde berekening:

a) 

variatiemarge die instellingen van hun tegenpartijen hebben ontvangen, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een positieve reële waarde, indien de als variatiemarge ontvangen zekerheden op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling kunnen worden aangemerkt als activa van niveau 1, exclusief gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als vermeld in die gedelegeerde handeling, en indien instellingen die zekerheden wettelijk mogen en operationeel kunnen hergebruiken;

b) 

alle variatiemarge die door instellingen bij hun tegenpartijen is gestort, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een negatieve reële waarde.

Artikel 428 terdecies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 50 %

▼C9

De volgende passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten zijn onderworpen aan een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 50 %:

▼M8

a) 

ontvangen deposito's die voldoen aan de criteria voor operationele deposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

b) 

verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan één jaar verstrekt door:

i) 

de centrale overheid van een lidstaat of van een derde land;

ii) 

regionale overheden of lokale overheden van een lidstaat of van een derde land;

iii) 

publiekrechtelijke lichamen in een lidstaat of in een derde land;

iv) 

in artikel 117, lid 2, bedoelde multilaterale ontwikkelingsbanken en in artikel 118 bedoelde internationale organisaties;

v) 

niet-financiële zakelijke cliënten;

vi) 

kredietcoöperaties waaraan door een bevoegde autoriteit vergunning is verleend, particuliere beleggingsondernemingen en cliënten die depositomakelaar zijn voor zover die verplichtingen niet onder punt a) van deze alinea vallen;

c) 

verplichtingen met een resterende contractlooptijd van ten minste zes maanden doch minder dan één jaar die zijn verstrekt door:

i) 

de ECB of de centrale bank van een lidstaat;

ii) 

de centrale bank van een derde land;

iii) 

financiële cliënten;

▼C9

d) 

alle andere passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten met een resterende looptijd van ten minste zes maanden, maar minder dan één jaar die niet bedoeld zijn in de artikelen 428 quaterdecies, 428 quindecies tot en met 428 sexdecies.

▼M8

Artikel 428 quaterdecies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 90 %

Voor zichtretaildeposito's, retaildeposito's met een vaste opzegtermijn van minder dan één jaar en termijnretaildeposito's met een resterende looptijd van minder dan één jaar die voldoen aan de criteria voor andere retaildeposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, geldt een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 90 %.

Artikel 428 quindecies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 95 %

Voor zichtretaildeposito's, retaildeposito's met een vaste opzegtermijn van minder dan één jaar en termijnretaildeposito's met een resterende looptijd van minder dan één jaar die voldoen aan de criteria voor stabiele retaildeposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, geldt een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 95 %.

Artikel 428 sexdecies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 100 %

Voor de volgende passiva- en kapitaalbestanddelen en -instrumenten geldt een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 100 %:

a) 

de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling vóór de aanpassingen die zijn vereist op grond van de artikelen 32 tot en met 35, de aftrekkingen op grond van artikel 36 en de toepassing van de in de artikelen 48, 49 en 79 bepaalde vrijstellingen en alternatieven;

b) 

de aanvullend tier 1-bestanddelen van de instelling vóór de aftrek van de bestanddelen, bedoeld in artikel 56 en vóór de toepassing van artikel 79 daarop, exclusief alle instrumenten met expliciete of ingebouwde opties die bij de uitoefening ervan de daadwerkelijke resterende looptijd tot minder dan één jaar zouden verminderen;

c) 

de tier 2-bestanddelen van de instelling vóór de in artikel 66 bedoelde aftrekkingen en vóór de toepassing van artikel 79, met een resterende looptijd van één jaar of meer, exclusief alle instrumenten met expliciete of ingebouwde opties die bij de uitoefening ervan de daadwerkelijke resterende looptijd tot minder dan één jaar zouden verminderen;

d) 

alle andere kapitaalinstrumenten van de instelling met een resterende looptijd van één jaar of meer, exclusief alle instrumenten met expliciete of ingebouwde opties die bij de uitoefening ervan de daadwerkelijke resterende looptijd tot minder dan één jaar zouden verminderen;

e) 

alle andere gedekte en ongedekte leningen en verplichtingen met een resterende looptijd van één jaar of meer, met inbegrip van termijndeposito's, tenzij anders bepaald in de artikelen 428 duodecies tot en met 428 quindecies.

HOOFDSTUK 4

Vereiste stabiele financiering

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 428 septdecies

Berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering

1.  
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt het bedrag van de vereiste stabiele financiering berekend door vermenigvuldiging van de boekwaarde van de verschillende categorieën of typen activa en posten buiten de balanstelling met de factoren voor de vereiste stabiele financiering die overeenkomstig afdeling 2 moeten worden toegepast. Het totale bedrag van de vereiste stabiele financiering is de som van de gewogen bedragen van de activa en posten buiten de balanstelling.
2.  
Activa die instellingen, onder meer bij effectenfinancieringstransacties, hebben ingeleend, worden uitgesloten van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering indien die activa in de balans van de instelling zijn opgenomen en de instelling er niet de uiteindelijke begunstigde van is.

Activa die instellingen, onder meer bij effectenfinancieringstransacties, hebben ingeleend, zijn onderworpen aan de krachtens afdeling 2 toe te passen factoren voor de vereiste stabiele financiering indien die activa niet in de balans van de instelling zijn opgenomen, maar de instelling er wel de uiteindelijke begunstigde van is.

3.  
Activa die instellingen onder meer bij effectenfinancieringstransacties hebben uitgeleend en waarvan zij de uiteindelijke begunstigde blijven, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk als bezwaarde activa beschouwd en worden onderworpen aan de krachtens afdeling 2 toe te passen factoren voor de vereiste stabiele financiering, zelfs indien de activa niet op de balans van de instelling blijven. Anders worden die activa uitgesloten van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering.
4.  
Aan gedurende een resterende looptijd van ten minste zes maanden bezwaarde activa wordt de factor voor de vereiste stabiele financiering toegewezen die krachtens afdeling 2 zou gelden voor die activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden, of de factor voor de vereiste stabiele financiering die anders toepasselijk is op die bezwaarde activa, indien die hoger is. Hetzelfde geldt indien de resterende looptijd van de bezwaarde activa korter is dan de resterende looptijd van de transactie die aan de oorsprong van de bezwaring ligt.

Activa met een bezwaringstermijn van minder dan zes maanden zijn onderworpen aan de factoren voor de vereiste stabiele financiering die krachtens afdeling 2 zouden gelden voor dezelfde activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden.

5.  
Indien een instelling een actief dat onder meer bij effectenfinancieringstransacties is ingeleend en dat buiten de balanstelling wordt gehouden, opnieuw gebruikt of opnieuw in pand geeft, wordt de transactie in verband waarmee dat actief is ingeleend, behandeld als bezwaard mits de transactie niet kan vervallen zonder dat de instelling het ingeleende actief heeft teruggegeven.
6.  

De volgende activa worden als onbezwaard beschouwd:

a) 

activa die zijn opgenomen in een pool en die beschikbaar zijn voor onmiddellijk gebruik als zekerheid om extra financiering te verkrijgen krachtens gecommitteerde of, indien de pool wordt beheerd door een centrale bank, niet-gecommitteerde maar nog niet gefinancierde kredietlijnen die de instelling ter beschikking staan; die activa omvatten activa die door een kredietinstelling bij een centrale instelling in een coöperatief netwerk of institutioneel protectiestelsel zijn geplaatst; instellingen gaan ervan uit dat activa in de pool in toenemende volgorde van liquiditeit bezwaard zijn op basis van de liquiditeitsclassificatie op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, te beginnen met activa die niet in aanmerking komen voor opneming in de liquiditeitsbuffer;

b) 

activa die de instelling heeft ontvangen als zekerheid voor kredietrisicolimitering bij transacties in het kader van gedekte kredietverlening, gedekte financiering of uitwisseling van zekerheden en die de instelling kan vervreemden;

c) 

activa die als niet-verplichte overpanding aan een uitgifte van gedekte obligaties verbonden zijn.

7.  

In geval van tijdelijke bijzondere operaties van de ECB of de centrale bank van een lidstaat of de centrale bank van een derde land ter vervulling van haar mandaat in een periode van marktbrede financiële stress of uitzonderlijke macro-economische omstandigheden, kan voor de volgende activa een verminderde factor voor de vereiste stabiele financiering gelden:

a) 

in afwijking van artikel 428 untricies, punt f), en artikel 428 quintricies, lid 1, punt a), de activa die zijn bezwaard met het oog op de in deze alinea bedoelde operaties;

b) 

in afwijking van artikel 428 untricies, punt d), onder i), en punt d), onder ii), artikel 428 tertricies, punt b), en artikel 428 quatertricies, punt c), de gelden die voortvloeien uit de in de eerste alinea bedoelde operaties.

De bevoegde autoriteiten bepalen, in samenspraak met de centrale bank die de tegenpartij bij de transactie is, de factor voor de vereiste stabiele financiering die moet gelden voor de in de eerste alinea, punten a) en b), bedoelde activa. Voor bezwaarde activa als bedoeld in punt a) van de eerste alinea mag de toe te passen factor voor de vereiste stabiele financiering niet lager zijn dan de factor voor de vereiste stabiele financiering die krachtens afdeling 2 voor die activa zou gelden mochten zij onbezwaard worden aangehouden.

Bij de toepassing van een lagere factor voor de vereiste stabiele financiering op grond van de tweede alinea volgen de bevoegde autoriteiten nauwgezet de gevolgen van die lagere factor voor de stabielefinancieringsposities van instellingen en nemen zij indien nodig passende toezichtsmaatregelen.

8.  
Teneinde dubbeltelling te vermijden, sluiten instellingen activa die verband houden met zekerheden die zijn opgenomen als overeenkomstig artikel 428 duodecies, lid 4, punt b), en artikel 428 quintricies, lid 2, punt b), gestorte variatiemarge, als gestorte initiële marge of als bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP overeenkomstig artikel 428 quatertricies, punten a) en b), uit van andere onderdelen van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering overeenkomstig dit hoofdstuk.
9.  
Instellingen betrekken bij de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering financiële instrumenten, deviezen en grondstoffen waarvoor een aankooporder is uitgevoerd. Zij sluiten van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering financiële instrumenten, deviezen en grondstoffen uit waarvoor een verkooporder is uitgevoerd, op voorwaarde dat die transacties niet als derivaat of gedekte financieringstransactie tot uitdrukking komen in de balans van instellingen en dat die transacties bij afwikkeling in de balans van instellingen tot uitdrukking zullen komen.
10.  
De bevoegde autoriteiten kunnen bepalen welke factoren voor de vereiste stabiele financiering moeten worden toegepast op blootstellingen buiten de balanstelling die in dit hoofdstuk niet aan bod komen, opdat instellingen een passend bedrag aan beschikbare stabiele financiering aanhouden voor het deel van die blootstellingen waarvoor naar verwachting financiering nodig is binnen de horizon van één jaar van de nettostabielefinancieringsratio. Voor het bepalen van deze factoren houden de bevoegde autoriteiten in het bijzonder rekening met materiële reputatieschade voor de instelling die het gevolg zou kunnen zijn van het niet verschaffen van die financiering.

De bevoegde autoriteiten rapporteren ten minste eenmaal per jaar aan de EBA de soorten blootstellingen buiten de balanstelling waarvoor zij de factoren voor de vereiste stabiele financiering hebben bepaald. In dat rapport nemen zij een toelichting op over de methodiek die voor het bepalen van die factoren is toegepast.

Artikel 428 octodecies

Resterende looptijd van een actief

1.  
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, houden instellingen rekening met de resterende contractuele looptijd van hun activa en transacties buiten de balanstelling bij het bepalen van de factoren voor de vereiste stabiele financiering die krachtens afdeling 2 op hun activa en posten buiten de balanstelling moeten worden toegepast.
2.  
Instellingen behandelen activa die overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012 gescheiden zijn, in overeenstemming met de onderliggende blootstelling van die activa. Instellingen passen op deze activa evenwel hogere factoren voor de vereiste stabiele financiering toe naargelang de bezwaringstermijn die moet worden bepaald door de bevoegde autoriteiten, die beoordelen of de instelling die activa vrijelijk kan vervreemden of ruilen, en die rekening houden met de termijn van de verplichtingen tegenover de aan de oorsprong van dit scheidingsvereiste liggende cliënten van instellingen.
3.  
Bij het berekenen van de resterende looptijd van een actief nemen instellingen opties in aanmerking op basis van de veronderstelling dat de uitgevende instelling of tegenpartij elke optie om de looptijd van het actief te verlengen, zal uitoefenen. Voor opties die naar eigen goeddunken door de instelling kunnen worden uitgeoefend, houden de instelling en de bevoegde autoriteiten rekening met voor de reputatie relevante factoren die de mogelijkheid van de instelling om de optie niet uit te oefenen kunnen beperken, met name verwachtingen van markten en cliënten dat de instelling de looptijd van bepaalde activa moet verlengen op hun vervaldatum.
4.  
Voor het bepalen van de factoren voor de vereiste stabiele financiering die krachtens afdeling 2 moeten worden toegepast op aflossingsleningen met een resterende contractuele looptijd van één jaar of meer, wordt elk gedeelte met een resterende looptijd van minder dan zes maanden en elk gedeelte met een resterende looptijd tussen zes maanden en minder dan één jaar behandeld alsof deze een resterende looptijd van minder dan zes maanden respectievelijk tussen zes maanden en minder dan één jaar hebben.

Afdeling 2

Factoren voor de vereiste stabiele financiering

Artikel 428 novodecies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 0 %

1.  

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 0 %:

a) 

onbezwaarde activa die in aanmerking komen als liquide activa van niveau 1 van hoge kwaliteit op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, exclusief gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als nader omschreven in die gedelegeerde handeling, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten die zijn vastgelegd in die gedelegeerde handeling;

b) 

onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die in aanmerking komen voor een reductiefactor van 0 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer;

c) 

alle reserves die door de instelling worden aangehouden bij de ECB of bij de centrale bank van een lidstaat of de centrale bank van een derde land, met inbegrip van vereiste reserves en overtollige reserves;

d) 

alle vorderingen op de ECB, de centrale bank van een lidstaat of de centrale bank van een derde land met een resterende looptijd van minder dan zes maanden;

e) 

transactiedatumvorderingen die voortvloeien uit verkopen van financiële instrumenten, deviezen of grondstoffen die naar verwachting zullen worden afgewikkeld binnen de standaardafwikkelingcyclus of -termijn die gebruikelijk is voor de betrokken beurs of het betrokken type transactie of die nog niet zijn afgewikkeld, maar naar verwachting nog wel zullen worden afgewikkeld;

f) 

activa die worden ingedeeld als onderling afhankelijk van passiva overeenkomstig artikel 428 septies;

g) 

als gevolg van effectenfinancieringstransacties met financiële cliënten verschuldigde gelden met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, indien die verschuldigde gelden zijn zekergesteld met activa die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling als activa van niveau 1 kunnen worden aangemerkt, exclusief gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als nader omschreven in die gedelegeerde handeling, en indien de instelling die activa gedurende de looptijd van de transactie wettelijk zou mogen en operationeel zou kunnen hergebruiken.

Indien artikel 428 sexies van toepassing is, houden instellingen op nettobasis rekening met de in punt g) van de eerste alinea van dit lid bedoelde verschuldigde gelden.

2.  
In afwijking van lid 1, punt c), kunnen de bevoegde autoriteiten, met instemming van de betrokken centrale bank, besluiten tot toepassing van een hogere factor voor vereiste stabiele financiering op de vereiste reserves, met name rekening houdend met de mate waarin reservevereisten bestaan over een horizon van één jaar en derhalve gerelateerde stabiele financiering vereisen.

Voor dochterondernemingen met hoofdkantoor in een derde land wordt, indien de vereiste centralebankreserves onderworpen zijn aan een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering krachtens het in het nationale recht van dat derde land beschreven nettostabielefinancieringsvereiste, die hogere factor voor de vereiste stabiele financiering in aanmerking genomen voor consolidatiedoeleinden.

Artikel 428 vicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 %

1.  

De volgende activa en posten buiten de balanstelling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 %:

a) 

onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen voor een reductiefactor van 5 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer;

b) 

andere als gevolg van effectenfinancieringstransacties met financiële cliënten verschuldigde gelden, wanneer die transacties een resterende looptijd hebben van minder dan zes maanden, dan de in artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), bedoelde gelden;

c) 

het niet-opgenomen deel van gecommitteerde krediet- en liquiditeitsfaciliteiten op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

d) 

met handelsfinanciering buiten de balanstelling verband houdende producten als bedoeld in bijlage I met een resterende looptijd van minder dan zes maanden.

Indien artikel 428 sexies van toepassing is, houden instellingen op nettobasis rekening met de in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde verschuldigde gelden.

2.  
Voor alle netting sets van derivatencontracten passen instellingen een factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 % toe op de absolute reële waarde van die netting sets van derivatencontracten, exclusief alle gestorte zekerheden, indien deze netting sets een negatieve reële waarde hebben. Voor de toepassing van dit lid bepalen instellingen de reële waarde als de waarde exclusief alle gestorte zekerheden of met veranderingen in de marktwaardering van dergelijke contracten verband houdende afwikkelingsbetalingen of -ontvangsten.

Artikel 428 unvicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 7 %

Onbezwaarde activa die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen als gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit van niveau 1, zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 7 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 duovicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 7,5 %

Met handelsfinanciering buiten de balanstelling verband houdende producten als bedoeld in bijlage I met een resterende looptijd van ten minste zes maanden, maar minder dan één jaar, zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 7,5 %.

Artikel 428 tervicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 10 %

De volgende activa en posten buiten de balanstelling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 10 %:

a) 

andere als gevolg van transacties met financiële cliënten verschuldigde gelden met een resterende looptijd van minder dan zes maanden dan de in artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), en artikel 428 vicies, lid 1, punt b), bedoelde gelden;

b) 

met handelsfinanciering binnen de balanstelling verband houdende producten met een resterende looptijd van minder dan zes maanden;

c) 

met handelsfinanciering buiten de balanstelling verband houdende producten als bedoeld in bijlage I, met een resterende looptijd van één jaar of meer.

Artikel 428 quatervicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 12 %

Onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen voor een reductiefactor van 12 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio, zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 12 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 quinvicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 15 %

Onbezwaarde activa die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen als activa van niveau 2A, zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 15 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 sexvicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 20 %

Onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen voor een reductiefactor van 20 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio, zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 20 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 septvicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 25 %

Onbezwaarde securitisaties van niveau 2B op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 25 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 octovicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 30 %

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 30 %:

a) 

onbezwaarde gedekte obligaties van hoge kwaliteit op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer;

b) 

onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen voor een reductiefactor van 30 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 novovicies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 35 %

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 35 %:

a) 

onbezwaarde securitisaties van niveau 2B op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer;

b) 

onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen voor een reductiefactor van 35 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 tricies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 40 %

Onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen voor een reductiefactor van 40 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio, zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 40 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 untricies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 50 %

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 50 %:

a) 

onbezwaarde activa die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen als activa van niveau 2B, exclusief securitisaties van niveau 2B en gedekte obligaties van hoge kwaliteit op grond van die gedelegeerde handeling, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer als beschreven in die gedelegeerde handeling;

b) 

door de instelling bij een andere financiële instelling aangehouden deposito's die voldoen aan de criteria voor operationele deposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

c) 

verschuldigde gelden als gevolg van transacties met een resterende looptijd van minder dan één jaar met:

i) 

de centrale overheid van een lidstaat of van een derde land;

ii) 

regionale overheden of lokale overheden in een lidstaat of in een derde land;

iii) 

publiekrechtelijke lichamen van een lidstaat of van een derde land;

iv) 

in artikel 117, lid 2, bedoelde multilaterale ontwikkelingsbanken en in artikel 118 bedoelde internationale organisaties;

v) 

niet-financiële ondernemingen, retailcliënten en kmo's;

vi) 

kredietcoöperaties waaraan door een bevoegde autoriteit vergunning is verleend, particuliere beleggingsondernemingen en cliënten die depositomakelaar zijn voor zover die activa niet onder punt b) van dit lid vallen;

d) 

verschuldigde gelden als gevolg van transacties met een resterende looptijd van ten minste zes maanden, maar minder dan één jaar met:

i) 

de Europese Centrale Bank of de centrale bank van een lidstaat;

ii) 

de centrale bank van een derde land;

iii) 

financiële cliënten;

e) 

met handelsfinanciering binnen de balanstelling verband houdende producten met een resterende looptijd van ten minste zes maanden, maar minder dan één jaar;

f) 

gedurende een resterende looptijd van ten minste zes maanden, maar minder dan één jaar bezwaarde activa, behalve indien aan deze activa overeenkomstig de artikelen 428 duotricies tot en met 428 quintricies een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering zou worden toegekend mochten zij onbezwaard worden aangehouden, in welk geval de hogere factor voor de vereiste stabiele financiering die zou gelden voor die activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden, van toepassing is;

g) 

alle andere activa met een resterende looptijd van minder dan één jaar, tenzij anders bepaald in de artikelen 428 novodecies tot en met 428 tricies.

Artikel 428 duotricies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 55 %

Onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's die overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen voor een reductiefactor van 55 % voor de berekening van de liquiditeitsdekkingsratio, zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 55 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 tertricies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 65 %

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 65 %:

a) 

onbezwaarde leningen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of onbezwaarde woonkredieten die volledig gedekt zijn door een in aanmerking komende protectiegever als bedoeld in artikel 129, lid 1, punt e), met een resterende looptijd van één jaar of meer, mits aan deze leningen een risicogewicht van 35 % of minder wordt toegekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2;

b) 

onbezwaarde leningen met een resterende looptijd van één jaar of meer, exclusief leningen aan financiële cliënten en leningen als bedoeld in de artikelen 428 novodecies tot en met 428 untricies, mits aan die leningen een risicogewicht van 35 % of minder wordt toegekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2.

Artikel 428 quatertricies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 85 %

De volgende activa en posten buiten de balanstelling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 85 %:

a) 

alle activa en posten buiten de balanstelling, inclusief contanten, die als initiële marge voor derivatencontracten zijn gestort, tenzij aan die activa overeenkomstig artikel 428 quintricies een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering zou worden toegekend mochten zij onbezwaard worden aangehouden, in welk geval de hogere factor voor de vereiste stabiele financiering die zou gelden voor die activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden, van toepassing is;

b) 

alle activa en posten buiten de balanstelling, inclusief contanten, gestort als bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP, tenzij aan die activa overeenkomstig artikel 428 quintricies een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering zou worden toegekend mochten zij onbezwaard worden aangehouden, in welk geval de hogere factor voor de vereiste stabiele financiering die op het onbezwaarde actief moet worden toegepast, van toepassing is;

c) 

onbezwaarde leningen met een resterende looptijd van één jaar of meer, exclusief leningen aan financiële cliënten en leningen als bedoeld in de artikelen 428 novodecies tot en met 428 tertricies die niet meer dan 90 dagen achterstallig zijn en waaraan een risicogewicht van meer dan 35 % wordt toegekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2;

d) 

met handelsfinanciering binnen de balanstelling verband houdende producten met een resterende looptijd van één jaar of meer;

e) 

onbezwaarde effecten met een resterende looptijd van één jaar of meer die niet in wanbetaling zijn overeenkomstig artikel 178 en die niet in aanmerking komen als liquide activa op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

f) 

onbezwaarde beursverhandelde aandelen die niet in aanmerking komen als activa van niveau 2B op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

g) 

fysiek verhandelde grondstoffen, met inbegrip van goud, maar met uitsluiting van grondstoffenderivaten;

▼C9

h) 

activa die zijn bezwaard voor een resterende looptijd van één jaar of meer in een dekkingspool gefinancierd door gedekte obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG of gedekte obligaties die voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de behandeling als beschreven in artikel 129, lid 4 of lid 5, van onderhavige verordening.

▼M8

Artikel 428 quintricies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 100 %

1.  

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 100 %:

a) 

tenzij anders bepaald in dit hoofdstuk, alle gedurende een resterende looptijd van één jaar of meer bezwaarde activa;

b) 

alle andere activa dan die bedoeld in de artikelen 428 novodecies tot en met 428 quatertricies, met inbegrip van leningen aan financiële cliënten met een resterende contractuele looptijd van één jaar of meer, niet-renderende blootstellingen, bestanddelen die in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen, vaste activa, niet-beursverhandelde aandelen, aangehouden belangen, verzekeringsactiva, effecten in wanbetaling.

2.  
Instellingen passen een factor voor de vereiste stabiele financiering van 100 % toe op het verschil, indien positief, tussen de som van de reële waarden voor alle netting sets met een positieve reële waarde en de som van de reële waarden voor alle netting sets met een negatieve reële waarde, berekend overeenkomstig artikel 428 quinquies.

De volgende regels zijn van toepassing op de in de eerste alinea bedoelde berekening:

a) 

variatiemarge die instellingen van hun tegenpartijen hebben ontvangen, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een positieve reële waarde, indien de als variatiemarge ontvangen zekerheden op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling kunnen worden aangemerkt als activa van niveau 1, exclusief gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als vermeld in die gedelegeerde handeling, en indien instellingen die zekerheden wettelijk mogen en operationeel kunnen hergebruiken;

b) 

alle variatiemarge die door instellingen aan hun tegenpartijen is gestort, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een negatieve reële waarde.

HOOFDSTUK 5

Afwijking voor kleine en niet-complexe instellingen

Artikel 428 sextricies

Afwijking voor kleine en niet-complexe instellingen

In afwijking van de hoofdstukken 3 en 4 kunnen kleine en niet-complexe instellingen, met voorafgaande toestemming van hun bevoegde autoriteit, ervoor kiezen de ratio te berekenen tussen de beschikbare stabiele financiering van een instelling als beschreven in hoofdstuk 6 en de vereiste stabiele financiering van de instelling als beschreven in hoofdstuk 7, uitgedrukt als percentage.

Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat de vereenvoudigde methodiek niet geschikt is om de financieringsrisico's van een kleine en niet-complexe instelling te vatten, kan zij die instelling verplichten te voldoen aan het nettostabielefinancieringsvereiste op basis van de beschikbare stabiele financiering van een instelling als beschreven in hoofdstuk 3 en de vereiste stabiele financiering als beschreven in hoofdstuk 4.

HOOFDSTUK 6

Beschikbare stabiele financiering voor de vereenvoudigde berekening van de nettostabielefinancieringsratio

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 428 septtricies

Vereenvoudigde berekening van het bedrag van de beschikbare stabiele financiering

1.  
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt het bedrag van de beschikbare stabiele financiering berekend door vermenigvuldiging van de boekwaarde van verschillende categorieën of typen passiva en het eigen vermogen met de factoren voor de beschikbare stabiele financiering die krachtens afdeling 2 moeten worden toegepast. Het totale bedrag van de beschikbare stabiele financiering is de som van de gewogen bedragen van passiva en het eigen vermogen.
2.  
Door de instelling uitgegeven obligaties en andere schuldtitels die uitsluitend op de retailmarkt worden verkocht en op een retailrekening worden aangehouden, mogen worden behandeld als behorend tot de passende categorie van retaildeposito's. Er worden beperkingen ingesteld zodat deze instrumenten niet kunnen worden aangekocht en aangehouden door partijen die geen retailcliënten zijn.

Artikel 428 octotricies

Resterende looptijd van een verplichting of eigen vermogen

1.  
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, houden instellingen rekening met de resterende contractuele looptijd van hun verplichtingen en eigen vermogen voor het bepalen van de factoren voor de beschikbare stabiele financiering die krachtens afdeling 2 moeten worden toegepast.
2.  
Instellingen houden bij het bepalen van de resterende looptijd van een verplichting of van het eigen vermogen rekening met de bestaande opties. Hierbij gaan zij ervan uit dat de tegenpartij callopties op de eerst mogelijke datum zal aflossen. Voor opties die naar eigen goeddunken door de instelling kunnen worden uitgeoefend, houden de instelling en de bevoegde autoriteiten rekening met voor de reputatie relevante factoren die de mogelijkheid van de instelling om de optie niet uit te oefenen kunnen beperken, met name marktverwachtingen dat instellingen bepaalde verplichtingen voor de vervaldatum moeten aflossen.
3.  
Instellingen behandelen deposito's met een vaste opzegtermijn naargelang hun opzegtermijn en termijndeposito's naargelang hun resterende looptijd. In afwijking van lid 2 van dit artikel houden instellingen voor het bepalen van de resterende looptijd van termijnretaildeposito's geen rekening met mogelijkheden voor voortijdige opvragingen, waarbij de inlegger voor binnen één jaar verrichte voortijdige opvragingen een substantiële boete moet betalen; dergelijke boete wordt bepaald in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling.
4.  
Voor het bepalen van de factoren voor de beschikbare stabiele financiering die krachtens afdeling 2 moeten worden toegepast op verplichtingen met een resterende contractuele looptijd van één jaar of meer, wordt elk gedeelte met een resterende looptijd van minder dan zes maanden en elk gedeelte met een resterende looptijd tussen zes maanden en minder dan één jaar behandeld alsof deze een resterende looptijd van minder dan zes maanden respectievelijk tussen zes maanden en minder dan één jaar hebben.

Afdeling 2

Factoren voor de beschikbare stabiele financiering

Artikel 428 novotricies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 %

1.  

Tenzij anders vermeld in deze afdeling, zijn alle verplichtingen zonder vastgestelde looptijd, met inbegrip van korte posities en openlooptijdposities, onderworpen aan een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 %, met uitzondering van de volgende:

a) 

uitgestelde belastingverplichtingen, die worden behandeld in overeenstemming met de eerste mogelijke datum waarop dergelijke verplichtingen kunnen worden gerealiseerd;

b) 

minderheidsbelangen, die worden behandeld in overeenstemming met de looptijd van het betrokken instrument.

2.  

Uitgestelde belastingverplichtingen en minderheidsbelangen als bedoeld in lid 1 zijn onderworpen aan een van de volgende factoren:

a) 

0 %, indien de effectieve resterende looptijd van de uitgestelde belastingverplichting of het minderheidsbelang minder dan één jaar bedraagt;

b) 

100 %, indien de effectieve resterende looptijd van de uitgestelde belastingverplichting of het minderheidsbelang één jaar of meer bedraagt.

▼C9

3.  

De volgende passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten zijn onderworpen aan een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 %:

▼M8

a) 

transactiedatumschulden die voortvloeien uit aankopen van financiële instrumenten, van deviezen en van grondstoffen die naar verwachting zullen worden afgewikkeld binnen de standaardafwikkelingscyclus of -termijn die gebruikelijk is voor de betrokken beurs of de betrokken soort transacties of die nog niet zijn afgewikkeld, maar naar verwachting nog wel zullen worden afgewikkeld;

b) 

passiva die worden ingedeeld als zijnde onderling afhankelijk van activa overeenkomstig artikel 428 septies;

c) 

verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan één jaar verstrekt door:

i) 

de ECB of de centrale bank van een lidstaat;

ii) 

de centrale bank van een derde land;

iii) 

financiële cliënten;

d) 

alle andere passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten die niet vermeld zijn in dit artikel en de artikelen 428 quadragies tot en met 428 terquadragies.

4.  
Instellingen passen een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 0 % toe op de absolute waarde van het verschil, indien negatief, tussen de som van de reële waarden voor alle netting sets met een positieve reële waarde en de som van de reële waarden voor alle netting sets met een negatieve reële waarde, berekend overeenkomstig artikel 428 quinquies.

De volgende regels zijn van toepassing op de in de eerste alinea bedoelde berekening:

a) 

variatiemarge die instellingen van hun tegenpartijen hebben ontvangen, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een positieve reële waarde indien de als variatiemarge ontvangen zekerheden op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling kunnen worden aangemerkt als activa van niveau 1, exclusief gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als vermeld in die gedelegeerde handeling, en indien instellingen die zekerheden wettelijk mogen en operationeel kunnen hergebruiken;

b) 

alle variatiemarge die door instellingen aan hun tegenpartijen is gestort, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een negatieve reële waarde.

Artikel 428 quadragies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 50 %

▼C9

De volgende passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten zijn onderworpen aan een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 50 %:

▼M8

a) 

ontvangen deposito's die voldoen aan de criteria voor operationele deposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

b) 

▼C9

passiva- en kapitaalbestanddelen of -instrumenten met een resterende looptijd van minder dan één jaar verstrekt door:

▼M8

i) 

de centrale overheid van een lidstaat of van een derde land;

ii) 

regionale overheden of lokale overheden in een lidstaat of in een derde land;

iii) 

publiekrechtelijke lichamen van een lidstaat of van een derde land;

iv) 

in artikel 117, lid 2, bedoelde multilaterale ontwikkelingsbanken en in artikel 118 bedoelde internationale organisaties;

v) 

niet-financiële zakelijke cliënten;

vi) 

kredietcoöperaties waaraan door een bevoegde autoriteit een vergunning is verleend, particuliere beleggingsondernemingen en cliënten die depositomakelaar zijn, met uitzondering van ontvangen deposito's die voldoen aan de criteria voor operationele deposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling.

Artikel 428 unquadragies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 90 %

Voor zichtretaildeposito's, retaildeposito's met een vaste opzegtermijn van minder dan één jaar en termijnretaildeposito's met een resterende looptijd van minder dan één jaar die voldoen aan de criteria voor andere retaildeposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling geldt een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 90 %.

Artikel 428 duoquadragies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 95 %

Voor zichtretaildeposito's, retaildeposito's met een vaste opzegtermijn van minder dan één jaar en termijnretaildeposito's met een resterende looptijd van minder dan één jaar die voldoen aan de criteria voor stabiele retaildeposito's die zijn beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling geldt een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 95 %.

Artikel 428 terquadragies

Factor voor de beschikbare stabiele financiering van 100 %

Voor de volgende passiva- en kapitaalbestanddelen en -instrumenten geldt een factor voor de beschikbare stabiele financiering van 100 %:

a) 

de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling vóór de aanpassingen die zijn vereist op grond van de artikelen 32 tot en met 35, de aftrekkingen op grond van artikel 36 en de toepassing van de in de artikelen 48, 49 en 79 bepaalde vrijstellingen en alternatieven;

b) 

de aanvullend tier 1-bestanddelen van de instelling vóór de aftrek van de bestanddelen, bedoeld in artikel 56 en vóór de toepassing van artikel 79 daarop, exclusief alle instrumenten met expliciete of ingebouwde opties die bij de uitoefening ervan de daadwerkelijke resterende looptijd tot minder dan één jaar zouden verminderen;

c) 

de tier 2-bestanddelen van de instelling vóór de in artikel 66 bedoelde aftrekkingen en vóór de toepassing van artikel 79, met een resterende looptijd van één jaar of meer, exclusief alle instrumenten met expliciete of ingebouwde opties die bij de uitoefening ervan de daadwerkelijke resterende looptijd tot minder dan één jaar zouden verminderen;

d) 

alle andere kapitaalinstrumenten van de instelling met een resterende looptijd van één jaar of meer, exclusief alle instrumenten met expliciete of ingebouwde opties die bij de uitoefening ervan de daadwerkelijke resterende looptijd tot minder dan één jaar zouden verminderen;

e) 

alle andere gedekte en ongedekte leningen en verplichtingen met een resterende looptijd van één jaar of meer, met inbegrip van termijndeposito's, tenzij anders bepaald in de artikelen 428 novotricies tot en met 428 duoquadragies.

HOOFDSTUK 7

Vereiste stabiele financiering voor de vereenvoudigde berekening van de nettostabielefinancieringsratio

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 428 quaterquadragies

Vereenvoudigde berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering

1.  
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt voor kleine en niet-complexe instellingen het bedrag van de vereiste stabiele financiering berekend door vermenigvuldiging van de boekwaarde van de verschillende categorieën of soorten activa en posten buiten de balanstelling met de factoren voor de vereiste stabiele financiering die overeenkomstig afdeling 2 moeten worden toegepast. Het totale bedrag van de vereiste stabiele financiering is de som van de gewogen bedragen van de activa en posten buiten de balanstelling.
2.  
Activa die instellingen onder meer bij effectenfinancieringstransacties hebben ingeleend, die in hun balans zijn opgenomen en waarvan zij niet de uiteindelijke begunstigde zijn, worden uitgesloten van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering.

Activa die instellingen onder meer bij effectenfinancieringstransacties hebben ingeleend, die niet in hun balans zijn opgenomen, maar waarvan zij de uiteindelijke begunstigde zijn, zijn onderworpen aan krachtens afdeling 2 toe te passen factoren voor de vereiste stabiele financiering.

3.  
Activa die instellingen onder meer bij effectenfinancieringstransacties hebben uitgeleend en waarvan zij de uiteindelijke begunstigde blijven, worden, zelfs indien zij niet op hun balans blijven, voor de toepassing van dit hoofdstuk als bezwaarde activa beschouwd en worden onderworpen aan krachtens afdeling 2 toe te passen factoren voor de vereiste stabiele financiering. Anders worden die activa uitgesloten van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering.
4.  
Aan gedurende een resterende looptijd van ten minste zes maanden bezwaarde activa wordt de factor voor de vereiste stabiele financiering toegewezen die krachtens afdeling 2 zou gelden voor die activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden, of de factor voor de vereiste stabiele financiering die anders toepasselijk is op die bezwaarde activa, indien die hoger is. Hetzelfde geldt indien de resterende looptijd van de bezwaarde activa korter is dan de resterende looptijd van de transactie die aan de oorsprong van de bezwaring ligt.

Activa met een bezwaringstermijn van minder dan zes maanden zijn onderworpen aan de factoren voor de vereiste stabiele financiering die krachtens afdeling 2 zouden gelden voor dezelfde activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden.

5.  
Indien een instelling een actief dat onder meer bij effectenfinancieringstransacties is ingeleend en dat buiten de balanstelling wordt gehouden, opnieuw gebruikt of opnieuw in pand geeft, wordt de transactie via welke dat actief is ingeleend, behandeld als bezwaard in de zin dat de transactie niet kan vervallen zonder dat de instelling het ingeleende actief heeft teruggegeven.
6.  

De volgende activa worden als onbezwaard beschouwd:

a) 

activa die zijn opgenomen in een pool en die beschikbaar zijn voor onmiddellijk gebruik als zekerheid om extra financiering te verkrijgen krachtens gecommitteerde of, indien de pool wordt beheerd door een centrale bank, niet-gecommitteerde maar nog niet gefinancierde kredietlijnen die de instelling ter beschikking staan, waaronder die welke door een kredietinstelling bij de centrale instelling in een coöperatief netwerk of institutioneel protectiestelsel zijn geplaatst;

b) 

activa die de instelling heeft ontvangen als zekerheid voor kredietrisicolimitering bij transacties in het kader van gedekte kredietverlening, gedekte financiering of uitwisseling van zekerheden en die de instelling kan vervreemden;

c) 

activa die als niet-verplichte overpanding aan een uitgifte van gedekte obligaties verbonden zijn.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), van dit lid gaan instellingen ervan uit dat activa in de pool in toenemende volgorde van liquiditeit bezwaard zijn op basis van de liquiditeitsclassificatie, beschreven in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, te beginnen met activa die niet in aanmerking komen voor opneming in de liquiditeitsbuffer.

7.  

In geval van tijdelijke bijzondere operaties van de ECB of de centrale bank van een lidstaat of de centrale bank van een derde land ter vervulling van haar mandaat in een periode van marktbrede financiële stress of uitzonderlijke macro-economische omstandigheden, kan voor de volgende activa een verminderde factor voor de vereiste stabiele financiering gelden:

a) 

in afwijking van artikel 428 quinquagies en artikel 428 terquinquagies, lid 1, punt a), de activa die zijn bezwaard met het oog op de in deze alinea bedoelde operaties;

b) 

in afwijking van artikel 428 quinquagies en artikel 428 duoquinquagies, punt b), de gelden die voortvloeien uit de in deze alinea bedoelde operaties.

De bevoegde autoriteiten bepalen, in samenspraak met de centrale bank die de tegenpartij bij de transactie is, de factor voor de vereiste stabiele financiering die moet gelden voor de in de eerste alinea, punten a) en b), bedoelde activa. Voor bezwaarde activa als bedoeld in punt a) van de eerste alinea mag de toe te passen factor voor de vereiste stabiele financiering niet lager zijn dan de factor voor de vereiste stabiele financiering die krachtens afdeling 2 voor die activa zou gelden mochten zij onbezwaard worden aangehouden.

Bij de toepassing van een lagere factor voor de vereiste stabiele financiering op grond van de tweede alinea volgen de bevoegde autoriteiten nauwgezet de gevolgen van die lagere factor voor de stabielefinancieringsposities van instellingen en nemen zij indien nodig passende toezichtsmaatregelen.

8.  
Teneinde dubbeltelling te vermijden, sluiten instellingen activa die verband houden met zekerheden die zijn opgenomen als overeenkomstig artikel 428 duodecies, lid 4, punt b), en 428 quintricies, lid 2, punt b), gestorte variatiemarge of als gestorte initiële marge of als bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP overeenkomstig artikel 428 quatertricies, punten a) en b), uit van andere onderdelen van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering overeenkomstig dit hoofdstuk.
9.  
Instellingen betrekken bij de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering financiële instrumenten, deviezen en grondstoffen waarvoor een aankooporder is uitgevoerd. Zij sluiten van de berekening van het bedrag van de vereiste stabiele financiering financiële instrumenten, deviezen en grondstoffen uit waarvoor een verkooporder is uitgevoerd, op voorwaarde dat deze transacties niet als derivaat of gedekte financieringstransactie tot uitdrukking komen in de balans van instellingen en dat die transacties bij afwikkeling in de balans van instellingen tot uitdrukking moeten komen.
10.  
De bevoegde autoriteiten kunnen bepalen welke factoren voor de vereiste stabiele financiering moeten worden toegepast op blootstellingen buiten de balanstelling die in dit hoofdstuk niet aan bod komen, opdat instellingen een passend bedrag aan beschikbare stabiele financiering aanhouden voor het deel van die blootstellingen waarvoor naar verwachting financiering nodig is binnen de horizon van één jaar van de nettostabielefinancieringsratio. Voor het bepalen van deze factoren houden de bevoegde autoriteiten in het bijzonder rekening met materiële reputatieschade voor de instelling die het gevolg zou kunnen zijn van het niet verschaffen van die financiering.

De bevoegde autoriteiten rapporteren ten minste eenmaal per jaar aan de EBA de soorten blootstellingen buiten de balanstelling waarvoor zij de factoren voor de vereiste stabiele financiering hebben bepaald. In dat rapport nemen zij een toelichting op over de methode die voor het bepalen van die factoren is toegepast.

Artikel 428 quinquadragies

Resterende looptijd van een actief

1.  
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, houden instellingen rekening met de resterende contractuele looptijd van hun activa en transacties buiten de balanstelling bij het bepalen van de factoren voor de vereiste stabiele financiering die krachtens afdeling 2 op hun activa en posten buiten de balanstelling moeten worden toegepast.
2.  
Instellingen behandelen activa die overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012 gescheiden zijn, in overeenstemming met de onderliggende blootstelling van die activa. Instellingen passen op deze activa evenwel hogere factoren voor de vereiste stabiele financiering toe, naargelang de bezwaringstermijn die moet worden bepaald door de bevoegde autoriteiten, die beoordelen of de instelling die activa vrijelijk kan vervreemden of ruilen, en rekening houden met de termijn van de verplichtingen tegenover de aan de oorsprong van dit scheidingsvereiste liggende cliënten van instellingen.
3.  
Bij het berekenen van de resterende looptijd van een actief nemen instellingen opties in aanmerking op basis van de veronderstelling dat de uitgevende instelling of tegenpartij elke optie om de looptijd van het actief te verlengen, zal uitoefenen. Voor opties die naar eigen goeddunken door de instelling kunnen worden uitgeoefend, houden de instelling en de bevoegde autoriteiten rekening met voor de reputatie relevante factoren die de mogelijkheid van de instelling om de optie niet uit te oefenen kunnen beperken, met name verwachtingen van markten en cliënten dat de instelling de looptijd van bepaalde activa moet verlengen op hun vervaldatum.
4.  
Ter bepaling van de factoren voor de vereiste stabiele financiering die moeten worden toegepast overeenkomstig afdeling 2 wordt voor aflossingsleningen met een resterende contractuele looptijd van één jaar of meer het gedeelte dat over minder dan zes maanden en tussen zes maanden en minder dan één jaar afloopt, behandeld alsof het een resterende looptijd had van minder dan zes maanden respectievelijk tussen zes maanden en minder dan één jaar.

Afdeling 2

Factoren voor de vereiste stabiele financiering

Artikel 428 sexquadragies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 0 %

1.  

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 0 %:

a) 

onbezwaarde activa die in aanmerking komen als liquide activa van niveau 1 van hoge kwaliteit op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, exclusief gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als nader omschreven in die gedelegeerde handeling, ongeacht of zij voldoen aan de in die gedelegeerde handeling beschreven operationele vereisten;

b) 

alle reserves die door de instelling worden aangehouden bij de ECB of bij de centrale bank van een lidstaat of de centrale bank van een derde land, met inbegrip van vereiste reserves en overtollige reserves;

c) 

alle vorderingen op de ECB, de centrale bank van een lidstaat of de centrale bank van een derde land met een resterende looptijd van minder dan zes maanden;

d) 

activa die worden ingedeeld als zijnde onderling afhankelijk van passiva overeenkomstig artikel 428 septies.

2.  
In afwijking van lid 1, punt b), kunnen de bevoegde autoriteiten, in samenspraak met de betrokken centrale bank, besluiten tot toepassing van een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering op de vereiste reserves, met name met inachtneming van de mate waarin reservevereisten bestaan over een horizon van één jaar en derhalve gerelateerde stabiele financiering vereisen.

Voor dochterondernemingen met hun hoofdkantoor in een derde land wordt, indien de vereiste centralebankreserves onderworpen zijn aan een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering krachtens het nettostabielefinancieringsvereiste dat beschreven is in het nationale recht van dat derde land, deze hogere factor voor de vereiste stabiele financiering in aanmerking genomen voor consolidatiedoeleinden.

Artikel 428 septquadragies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 %

1.  
Het niet opgenomen deel van gecommitteerde krediet- en liquiditeitsfaciliteiten als vermeld in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling is onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 %.
2.  
Voor alle netting sets van derivatencontracten passen instellingen een factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 % toe op de absolute reële waarde van die netting sets van derivatencontracten, exclusief alle gestorte zekerheden, indien deze netting sets een negatieve reële waarde hebben. Voor de toepassing van dit lid bepalen instellingen de reële waarde als de waarde exclusief alle gestorte zekerheden of met veranderingen in de marktwaardering van die contracten verband houdende afwikkelingsbetalingen of -ontvangsten.

Artikel 428 octoquadragies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 10 %

De volgende activa en posten buiten de balanstelling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 10 %:

a) 

onbezwaarde activa die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen als gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit van niveau 1, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer;

b) 

met handelsfinanciering buiten de balanstelling verband houdende producten als bedoeld in bijlage I.

Artikel 428 novoquadragies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 20 %

Onbezwaarde activa die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen als activa van niveau 2A en onbezwaarde aandelen of rechten van deelneming in icb's op grond van die gedelegeerde handeling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 20 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer.

Artikel 428 quinquagies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 50 %

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 50 %:

a) 

minder dan één jaar bezwaarde gedekte en ongedekte leningen met een resterende looptijd van minder dan één jaar;

b) 

alle andere activa met een resterende looptijd van minder dan één jaar, tenzij anders bepaald in de artikelen 428 sexquadragies tot en met 428 novoquadragies;

c) 

gedurende een resterende looptijd van ten minste zes maanden, maar minder dan één jaar bezwaarde activa, behalve indien aan deze activa overeenkomstig de artikelen 428 unquinquagies, artikel 428 duoquinquagies en artikel 428 terquinquagies een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering zou worden toegekend mochten zij onbezwaard worden aangehouden, in welk geval de hogere factor voor de vereiste stabiele financiering die zou gelden voor die activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden, van toepassing is.

Artikel 428 unquinquagies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 55 %

Activa die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in aanmerking komen als activa van niveau 2B en aandelen of rechten van deelneming in icb's op grond van die gedelegeerde handeling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 55 %, ongeacht of zij voldoen aan de operationele vereisten en de in die gedelegeerde handeling beschreven vereisten inzake de samenstelling van de liquiditeitsbuffer, mits zij minder dan één jaar bezwaard zijn.

Artikel 428 duoquinquagies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 85 %

De volgende activa en posten buiten de balanstelling zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 85 %:

a) 

alle activa en posten buiten de balanstelling, inclusief contanten, die als initiële marge voor derivatencontracten of als bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP zijn gestort, tenzij aan die activa overeenkomstig artikel 428 terquinquagies een hogere factor voor de vereiste stabiele financiering zou worden toegekend mochten zij onbezwaard worden aangehouden, in welk geval de hogere factor voor de vereiste stabiele financiering die zou gelden voor die activa mochten zij onbezwaard worden aangehouden, van toepassing is;

b) 

onbezwaarde leningen met een resterende looptijd van één jaar of meer, exclusief leningen aan financiële cliënten die niet meer dan 90 dagen achterstallig zijn;

c) 

met handelsfinanciering binnen de balanstelling verband houdende producten met een resterende looptijd van één jaar of meer;

d) 

onbezwaarde effecten met een resterende looptijd van één jaar of meer die niet in wanbetaling zijn overeenkomstig artikel 178 en die niet in aanmerking komen als liquide activa op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

e) 

onbezwaarde beursverhandelde aandelen die niet in aanmerking komen als activa van niveau 2B op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling;

f) 

fysiek verhandelde grondstoffen, met inbegrip van goud, maar met uitsluiting van grondstoffenderivaten.

Artikel 428 terquinquagies

Factor voor de vereiste stabiele financiering van 100 %

1.  

De volgende activa zijn onderworpen aan een factor voor de vereiste stabiele financiering van 100 %:

a) 

alle gedurende een resterende looptijd van één jaar of meer bezwaarde activa;

b) 

alle andere activa dan die bedoeld in de artikelen 428 sexquadragies tot en met 428 duoquinquagies, met inbegrip van leningen aan financiële cliënten met een resterende contractuele looptijd van één jaar of meer, niet-renderende blootstellingen, bestanddelen die in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen, vaste activa, niet-beursverhandelde aandelen, aangehouden belangen, verzekeringsactiva en effecten in wanbetaling.

2.  
Instellingen passen een factor voor de vereiste stabiele financiering van 100 % toe op het verschil, indien positief, tussen de som van de reële waarden voor alle netting sets met een positieve reële waarde en de som van de reële waarden voor alle netting sets met een negatieve reële waarde, berekend overeenkomstig artikel 428 quinquies.

De volgende regels zijn van toepassing op de in de eerste alinea bedoelde berekening:

a) 

variatiemarge die instellingen van hun tegenpartijen hebben ontvangen, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een positieve reële waarde indien de als variatiemarge ontvangen zekerheden op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling kunnen worden aangemerkt als activa van niveau 1, exclusief gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als vermeld in die gedelegeerde handeling, en indien instellingen die zekerheden wettelijk mogen en operationeel kunnen hergebruiken;

b) 

alle variatiemarge die door instellingen aan hun tegenpartijen is gestort, wordt afgetrokken van de reële waarde van een netting set met een negatieve reële waarde.

▼M8

DEEL ZEVEN

HEFBOOMFINANCIERING

Artikel 429

Berekening van de hefboomratio

1.  
Instellingen berekenen hun hefboomratio volgens de in de leden 2, 3 en 4 beschreven methode.
2.  
De hefboomratio wordt berekend als het quotiënt van de kapitaalmaatstaf van de instelling en de maatstaf van totale blootstelling van de instelling, uitgedrukt als een percentage.

Instellingen berekenen de hefboomratio op de referentiedatum voor de rapportage.

3.  
Voor de toepassing van lid 2 is de kapitaalmaatstaf gelijk aan het tier 1-kapitaal.
4.  

Voor de toepassing van lid 2 is de maatstaf van totale blootstelling de som van de blootstellingswaarden van:

a) 

de activa, exclusief de in bijlage II opgesomde derivatencontracten, kredietderivaten en de in artikel 429 sexies bedoelde posities, berekend overeenkomstig artikel 429 ter, lid 1;

b) 

de in bijlage II opgesomde derivatencontracten en kredietderivaten, inclusief de contracten en kredietderivaten buiten de balanstelling, berekend overeenkomstig de artikelen 429 quater en 429 quinquies;

c) 

de opslagfactoren voor tegenpartijkredietrisico van effectenfinancieringstransacties, inclusief die buiten de balanstelling, berekend overeenkomstig artikel 429 sexies;

d) 

posten buiten de balanstelling, exclusief de in bijlage II opgesomde derivatencontracten, kredietderivaten, effectenfinancieringstransacties en de in de artikelen 429 quinquies en 429 octies bedoelde posities, berekend overeenkomstig artikel 429 septies;

e) 

nog af te wikkelen aankopen of verkopen volgens standaardmarktconventies, berekend overeenkomstig artikel 429 octies.

Instellingen behandelen transacties met afwikkeling op lange termijn overeenkomstig de eerste alinea, punten a) tot en met d), naargelang het geval.

Instellingen kunnen de in de eerste alinea, punten a) en d), bedoelde blootstellingswaarden verminderen met het overeenkomstige bedrag van de algemene kredietrisicoaanpassingen aan posten respectievelijk binnen en buiten de balanstelling, onder voorbehoud van een vloer van 0 indien de kredietrisicoaanpassingen tot een lager tier 1-kapitaal hebben geleid.

5.  

In afwijking van lid 4, punt d), zijn de volgende bepalingen van toepassing:

▼C9

a) 

een post buiten de balanstelling overeenkomstig lid 4, punt d), die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving wordt behandeld als een derivaat, wordt onderworpen aan de in lid 4, punt b), beschreven behandeling;

▼M8

b) 

indien een cliënt van een als clearinglid optredende instelling rechtstreeks een derivatentransactie aangaat met een CTP en de instelling de prestatie van de uit die transactie voortvloeiende transactieblootstellingen van haar cliënt aan de CTP garandeert, berekent de instelling haar uit de garantie voortvloeiende blootstelling overeenkomstig lid 4, punt b), alsof die instelling de transactie direct met de cliënt was aangegaan, inclusief wat betreft de ontvangst of levering van variatiemarge in contanten.

De behandeling van de eerste alinea, punt b), geldt ook voor een instelling die optreedt als een cliënt op een hoger niveau die de prestatie van de transactieblootstellingen van haar cliënt garandeert.

▼M17

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), en van de tweede alinea van dit lid kunnen instellingen een verbonden entiteit alleen als een cliënt beschouwen indien de entiteit buiten het wettelijke toepassingsgebied van de consolidatie valt op het niveau waarop het vereiste van artikel 92, lid 4, punt e), wordt toegepast.

6.  
Voor de toepassing van lid 4, punt e), van dit artikel en van artikel 429 octies wordt onder „aankoop of verkoop volgens standaardmarktconventies” verstaan, een aankoop of een verkoop van een financieel actief in het kader van contracten op grond waarvan het financieel actief moet worden geleverd binnen de termijn die algemeen bij wet of overeenkomst in de betrokken markt is vastgesteld.

▼M8

7.  

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald in dit deel, berekenen instellingen de maatstaf van totale blootstelling overeenkomstig de volgende beginselen:

a) 

fysieke of financiële zekerheden, garanties of aangekochte kredietrisicolimitering worden niet gebruikt om de maatstaf van totale blootstelling te verminderen;

b) 

activa worden niet met passiva verrekend.

8.  

In afwijking van lid 7, punt b), mogen instellingen de blootstellingswaarde van voorfinanciering of een tussentijds krediet verminderen met het positieve saldo op de spaarrekening van de debiteur aan wie het krediet is verleend, en slechts het resulterende bedrag in de maatstaf van totale blootstelling opnemen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

het krediet wordt slechts verleend indien de spaarrekening wordt geopend bij de instelling die het krediet verleent, en zowel het krediet als de spaarrekening valt onder dezelfde sectorale wetgeving;

b) 

de debiteur mag het saldo op de spaarrekening gedurende de gehele duur van het krediet niet gedeeltelijk of geheel opnemen;

c) 

in gevallen die zijn geregeld door de in punt a) bedoelde sectorale wetgeving, zoals bij niet-betaling of insolventie van de debiteur, kan de instelling het saldo op de spaarrekening onvoorwaardelijk en onherroepelijk gebruiken voor het vereffenen van eventuele vorderingen die ontstaan in het kader van de kredietovereenkomst.

Onder „voorfinanciering of een tussentijds krediet” wordt een krediet verstaan dat aan de kredietnemer is verleend voor een beperkte periode om de financieringstekorten van de kredietnemer te overbruggen totdat het uiteindelijke krediet wordt verleend volgens de criteria die zijn neergelegd in de voor die transacties geldende sectorale wetgeving.

Artikel 429 bis

Van de maatstaf van totale blootstelling uitgesloten blootstellingen

1.  

In afwijking van artikel 429, lid 4, kan een instelling elk van de volgende blootstellingen van haar maatstaf van totale blootstelling uitsluiten:

a) 

de bedragen die overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt d), van tier 1-kernkapitaalbestanddelen zijn afgetrokken;

b) 

de activa die bij de berekening van de in artikel 429, lid 3, bedoelde kapitaalmaatstaf zijn afgetrokken;

c) 

blootstellingen waaraan een risicogewicht van 0 % wordt toegekend overeenkomstig artikel 113, lid 6 of lid 7;

▼M17

c bis) 

indien de instelling onderdeel van het in artikel 113, lid 7, bedoelde netwerk uitmaakt, de blootstellingen waaraan overeenkomstig artikel 114 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend en die voortvloeien uit activa die equivalent zijn aan deposito’s in dezelfde valuta van andere leden van dat netwerk uit hoofde van een wettelijk of statutair minimumdeposito overeenkomstig artikel 422, lid 3, punt b); in een dergelijk geval zijn blootstellingen van andere leden van dat netwerk die een wettelijk of statutair minimumdeposito zijn, niet onderworpen aan punt c) van dit lid;

▼M8

►C9  
d) 

indien de instelling een publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling is, de blootstellingen als gevolg van activa die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden, regionale overheden, lokale autoriteiten of publiekrechtelijke lichamen in verband met investeringen van de overheidssector en stimuleringsleningen;

 ◄

▼M17

d bis) 

de blootstellingen van de instelling met betrekking tot haar aandeelhouders, mits die blootstellingen voor ten minste 125 % worden gedekt door activa als bedoeld in artikel 129, lid 1, punten d) en e), en die activa worden verwerkt in het hefboomratiovereiste van de aandeelhouders, indien de instelling geen publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling is, maar aan de volgende voorwaarden voldoet:

i) 

haar aandeelhouders zijn kredietinstellingen en oefenen geen zeggenschap uit over de instelling;

ii) 

de instelling voldoet aan lid 2, punten a), b), c) en e), van dit artikel;

iii) 

de blootstellingen zijn in dezelfde lidstaat gesitueerd;

iv) 

de instelling is onderworpen aan een vorm van doorlopend toezicht door de centrale overheid van een lidstaat;

v) 

haar bedrijfsmodel is beperkt tot de „pass-through” van het bedrag dat overeenkomt met de opbrengsten die zijn opgehaald door de uitgifte van gedekte obligaties aan haar aandeelhouders, in de vorm van schuldinstrumenten;

▼M8

e) 

indien de instelling geen publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling is, de gedeelten van blootstellingen die voortvloeien uit pass-throughstimuleringsleningen aan andere kredietinstellingen;

f) 

de gegarandeerde gedeelten van blootstellingen als gevolg van exportkredieten die aan beide volgende voorwaarden voldoen:

i) 

de garantie wordt verstrekt door een toelaatbare verschaffer van niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig de artikelen 201 en 202, met inbegrip van exportkredietverzekeringsmaatschappijen of centrale overheden;

ii) 

een risicogewicht van 0 % is van toepassing op het gegarandeerde deel van de blootstelling overeenkomstig artikel 114, lid 2 of lid 4, of artikel 116, lid 4;

g) 

indien de instelling een clearinglid is van een GCTP, de transactieblootstellingen van die instelling, mits zij bij die GCTP worden gecleard en voldoen aan de in artikel 306, lid 1, punt c), gestelde voorwaarden;

h) 

indien de instelling een cliënt op een hoger niveau is binnen een cliëntenstructuur met meerdere niveaus, de transactieblootstellingen aan het clearinglid of aan een entiteit die fungeert als een cliënt op een hoger niveau bij die instelling, mits aan de in artikel 305, lid 2, gestelde voorwaarden is voldaan en mits de instelling niet verplicht is haar cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen die worden geleden bij wanbetaling van het clearinglid of de GCTP;

i) 

fiduciaire activa die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

i) 

zij worden in de balans van de instelling opgenomen volgens de nationale algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 86/635/EEG;

ii) 

zij voldoen aan de criteria voor verwijdering uit de balans van de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS) 9, zoals van toepassing krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002;

iii) 

zij voldoen aan de criteria voor niet-consolidatie van IFRS 10, zoals van toepassing krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002, indien toepasselijk;

j) 

blootstellingen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

i) 

het zijn blootstellingen aan een publiekrechtelijk lichaam;

ii) 

zij worden behandeld overeenkomstig artikel 116, lid 4;

iii) 

zij vloeien voort uit deposito's die de instelling wettelijk verplicht is aan het onder i) bedoelde publiekrechtelijke lichaam over te dragen voor de financiering van investeringen van algemeen belang;

k) 

de niet uitgeleende overtollige zekerheden die bij tripartiete agenten zijn gedeponeerd;

l) 

indien een instelling krachtens het toepasselijk kader voor financiële verslaggeving de in contanten aan haar tegenpartij betaalde variatiemarge als een te ontvangen actief opneemt, het te ontvangen actief mits aan de in artikel 429 quater, lid 3, punten a) tot en met e), gestelde voorwaarden wordt voldaan;

m) 

de gesecuritiseerde blootstellingen als gevolg van traditionele securitisaties die voldoen aan de in artikel 244, lid 2, gestelde voorwaarden voor de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico;

n) 

▼M11

mits aan de in de leden 5 en 6 beschreven voorwaarden is voldaan, de volgende blootstellingen met betrekking tot de centrale bank van de instelling:

▼M8

i) 

munten en bankbiljetten die een wettig betaalmiddel zijn in de jurisdictie van de centrale bank;

ii) 

activa die vorderingen op de centrale bank vormen, waaronder bij de centrale bank aangehouden reserves;

o) 

indien aan de instelling een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 16 en artikel 54, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 909/2014, de blootstellingen van de instelling als gevolg van bancaire nevendiensten als vermeld in deel C, punt a), van de bijlage bij die verordening die rechtstreeks verband houden met de in de delen A en B van die bijlage vermelde kern- of nevendiensten;

p) 

indien de instelling overeenkomstig artikel 54, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 909/2014 is aangewezen, de blootstellingen van de instelling als gevolg van bancaire nevendiensten als vermeld in deel C, punt a), van de bijlage bij die verordening die rechtstreeks verband houden met de in de delen A en B van die bijlage vermelde kern- of nevendiensten van een centrale effectenbewaarinstelling waaraan overeenkomstig artikel 16 van die verordening een vergunning is verleend;

▼M15

q) 

de blootstellingen die onder de behandeling van artikel 72 sexies, lid 5, eerste alinea, vallen.

▼M8

Voor de toepassing van punt m) van de eerste alinea nemen instellingen aangehouden blootstellingen op in de maatstaf van totale blootstelling.

▼C9

2.  

Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punten d) en e), wordt onder publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling verstaan, een kredietinstelling die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

▼M8

a) 

zij is opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale overheid van een lidstaat;

b) 

haar activiteiten zijn beperkt tot het op niet-concurrerende basis bevorderen van bepaalde doelstellingen van financieel, sociaal of economisch overheidsbeleid overeenkomstig de wet- en regelgeving die voor die instelling geldt, met inbegrip van de statuten;

c) 

doel ervan is niet het maximaliseren van winst of marktaandeel;

d) 

onder voorbehoud van de regels inzake staatssteun van de Unie zijn de centrale overheid, de regionale overheid en de lokale overheid verplicht de levensvatbaarheid van de kredietinstelling te beschermen, of garanderen zij direct of indirect ten minste 90 % van de eigenvermogensvereisten, financieringsbehoeften of toegekende stimuleringsleningen van de kredietinstelling;

e) 

zij aanvaardt geen gedekte deposito's als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/49/EU of in het nationale recht tot omzetting van die richtlijn die kunnen worden aangemerkt als deposito's met een vaste termijn of spaardeposito's van consumenten als omschreven in artikel 3, punt a), van Richtlijn 2008/48/EG ( 35 ).

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), kunnen overheidsbeleidsdoelstellingen de verlening van financiering voor stimulerings- of ontwikkelingsdoeleinden aan bepaalde economische sectoren of regio's van de betrokken lidstaat omvatten;

▼C9

Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punten d) en e), enonverminderd de Unieregels inzake staatssteun en de verplichtingen voor de lidstaten op grond daarvan, mogen de bevoegde autoriteiten een op organisatorisch, structureel en financieel gebied onafhankelijke en autonome afdeling van die instelling op verzoek van een instelling behandelen als een publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling, mits die afdeling voldoet aan alle in de eerste alinea beschreven voorwaarden en die behandeling de effectiviteit van het toezicht op die instelling niet beïnvloedt. De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie en de EBA onverwijld in kennis van besluiten om een afdeling van een instelling voor de toepassing van deze alinea te behandelen als een publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling. De bevoegde autoriteit evalueert die besluiten jaarlijks.

▼C9

3.  
Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punten d) en e), en lid 2, eerste alinea, punt d), wordt onder „stimuleringslening”verstaan een lening die ter bevordering van de beleidsdoelstellingen van de centrale overheid, regionale overheid of lokale overheid van een lidstaat direct of via een intermediaire kredietinstelling op een niet-concurrerende, non-profitbasis is verstrekt door een publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstelling of een door de centrale overheid, regionale overheid of lokale overheid van een lidstaat opgezette entiteit.
4.  
Instellingen sluiten de in lid 1, eerste alinea, punten g) en h), van dit artikel beschreven transactieblootstellingen niet uit indien niet aan de in artikel 429, lid 5, derde alinea, beschreven voorwaarde is voldaan.
5.  

Instellingen mogen de lid 1, eerste alinea, punt n), vermelde blootstellingen uitsluiten indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

▼M8

a) 

de bevoegde autoriteit van de instelling heeft na overleg met de betrokken centrale bank vastgesteld en publiek verklaard dat er zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die de uitsluiting rechtvaardigen om de uitvoering van monetair beleid te faciliteren;

b) 

de uitsluiting wordt toegestaan voor een beperkte periode van maximaal één jaar;

▼M11

c) 

de bevoegde autoriteit van de instelling, na overleg met de betrokken centrale bank, de datum heeft bepaald waarop de uitzonderlijke omstandigheden worden geacht te zijn ingegaan en die datum heeft bekendgemaakt; die datum wordt bepaald aan het einde van een kwartaal.

▼C9

6.  

De krachtens lid 1, eerste alinea, punt n), uit te sluiten blootstellingen voldoen aan de volgende voorwaarden:

▼M8

a) 

zij luiden in dezelfde valuta als de door de instelling aanvaarde deposito's;

b) 

de gemiddelde looptijd ervan overschrijdt niet significant de gemiddelde looptijd van de door de instelling aanvaarde deposito's.

▼C9

7.  

In afwijking van artikel 92, lid 1, punt d), leeft een instelling die de in lid 1, eerste alinea, punt n), van dit artikel bedoelde blootstellingen uitsluit, gedurende de periode van uitsluiting te allen tijde het volgende vereiste inzake een aangepaste hefboomratio na:

waarbij:

aLR

=

de aangepaste hefboomratio;

EM LR

=

de maatstaf van totale blootstelling van de instelling als omschreven in artikel 429, lid 4, met inbegrip van de overeenkomstig punt n) van de eerste alinea van lid 1 van dit artikel uitgesloten blootstellingen, en

CB

=

het bedrag van de overeenkomstig punt n) van de eerste alinea van lid 1 van dit artikel uitgesloten blootstellingen.

▼M8

Artikel 429 ter

Berekening van de blootstellingswaarde van activa

1.  

Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van activa, met uitzondering van de in bijlage II opgenomen derivatencontracten, van kredietderivaten en van de in artikel 429 sexies bedoelde posities overeenkomstig de volgende beginselen:

a) 

de blootstellingswaarde van activa is een blootstellingswaarde als bedoeld in artikel 111, lid 1, eerste zin;

b) 

effectenfinancieringstransacties worden niet verrekend.

2.  

Het aanbieden door een instelling van een cashpoolingregeling is niet in strijd met de in artikel 429, lid 7, punt b), beschreven voorwaarde mits de regeling voldoet aan beide volgende voorwaarden:

a) 

de instelling die de cashpoolingregeling aanbiedt, boekt de credit- en debetsaldi van verschillende individuele rekeningen van entiteiten van een groep die in de regeling zijn opgenomen, over naar één afzonderlijke rekening en stelt daarbij de saldi van de oorspronkelijke rekeningen op nul;

b) 

de instelling voert de acties als bedoeld in punt a) van deze alinea dagelijks uit.

Voor de toepassing van dit lid en lid 3 wordt onder „cashpoolingregeling” een regeling verstaan waarbij de credit- of debetsaldi van verschillende individuele rekeningen worden gecombineerd voor het contanten- of liquiditeitsbeheer.

3.  

In afwijking van lid 2 van dit artikel is een cashpoolingregeling die niet voldoet aan de voorwaarde in punt b) van dat lid, maar voldoet aan de voorwaarde in punt a) van dat lid, niet in strijd met de voorwaarde in artikel 429, lid 7, punt b), op voorwaarde dat de regeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a) 

de instelling heeft op elk moment een in rechte afdwingbaar recht tot verrekening van de saldi van de oorspronkelijke rekeningen via de overboeking naar één enkele rekening;

b) 

er zijn geen looptijdmismatches tussen de saldi van de oorspronkelijke rekeningen;

c) 

de instelling belast zich met het aanrekenen of betalen van rente op basis van het gecombineerde saldo van de oorspronkelijke rekeningen;

d) 

de bevoegde autoriteit van de instelling oordeelt dat de frequentie waarmee de saldi van alle oorspronkelijke rekeningen worden overgeboekt, volstaat om alleen het gecombineerde saldo van de cashpoolingregeling in de maatstaf van totale blootstelling voor de berekening van de hefboomratio op te nemen.

4.  

In afwijking van lid 1, punt b), kunnen instellingen de blootstellingswaarde van vorderingen en schulden in contanten krachtens een effectenfinancieringstransactie met dezelfde tegenpartij alleen op nettobasis berekenen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de transacties hebben dezelfde expliciete definitieve afwikkelingsdatum;

b) 

het recht om de aan de tegenpartij verschuldigde bedragen te verrekenen met de door de tegenpartij verschuldigde bedragen is in rechte afdwingbaar bij de gewone bedrijfsuitoefening en in geval van wanbetaling, insolventie en faillissement;

c) 

de tegenpartijen zijn voornemens om op nettobasis af te wikkelen, gelijktijdig af te wikkelen, of voor de transacties wordt een afwikkelingsmechanisme gebruikt dat in het functionele equivalent van afwikkeling op nettobasis resulteert.

5.  

Voor de toepassing van lid 4, punt c), kunnen instellingen slechts oordelen dat een afwikkelingsmechanisme in het functionele equivalent van afwikkeling op nettobasis resulteert indien op de afwikkelingsdatum het nettoresultaat van de kasstromen van de transacties bij gebruik van dat mechanisme gelijk is aan het nettobedrag bij afwikkeling op nettobasis en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de transacties worden afgewikkeld via hetzelfde afwikkelingssysteem of via afwikkelingssystemen die gebruik maken van een gemeenschappelijke afwikkelingsinfrastructuur;

b) 

de afwikkelingsregelingen worden ondersteund door contanten of intraday-kredietfaciliteiten die de bedoeling hebben ervoor te zorgen dat de afwikkeling van de transacties uiterlijk op het einde van de werkdag plaatsvindt;

c) 

problemen die voortvloeien uit de effectenzijde van de effectenfinancieringstransacties bemoeilijken de voltooiing van de nettoafwikkeling van de vorderingen en schulden in contanten niet.

De voorwaarde in punt c) van de eerste alinea is slechts vervuld indien het mislukken van een effectenfinancieringstransactie in het afwikkelingsmechanisme alleen de afwikkeling van de overeenstemmende geldzijde kan vertragen of een verplichting kan creëren voor het afwikkelingsmechanisme, ondersteund door een verbonden kredietfaciliteit.

Indien de effectenzijde van een effectenfinancieringstransactie in het afwikkelingsmechanisme mislukt aan het einde van de periode waarbinnen moet worden afgewikkeld in het afwikkelingsmechanisme, splitsen instellingen deze transactie en de overeenstemmende geldzijde van de netting set af en behandelen zij deze op brutobasis.

Artikel 429 quater

Berekening van de blootstellingswaarde van derivaten

1.  
Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van in bijlage II vermelde derivatencontracten en van kredietderivaten, met inbegrip van die buiten de balanstelling, volgens de in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, beschreven methode.

Bij het berekenen van de blootstellingswaarde mogen instellingen overeenkomstig artikel 295 rekening houden met de gevolgen van schuldvernieuwingscontracten en andere verrekeningsovereenkomsten. Instellingen houden geen rekening met productoverschrijdende verrekening, maar kunnen verrekening toepassen binnen de in artikel 272, punt 25, onder c), bedoelde productcategorie en bij kredietderivaten indien deze onderworpen zijn aan een in artikel 295, punt c), bedoelde overeenkomst inzake productoverschrijdende contractuele verrekening.

Instellingen nemen in de maatstaf van totale blootstelling verkochte opties op, zelfs indien de blootstellingswaarde ervan overeenkomstig de in artikel 274, lid 5, vastgestelde behandeling op nul kan worden gesteld.

2.  
Indien het bedrag van de activa krachtens het toepasselijk kader voor financiële verslaggeving wordt verminderd door de verstrekking van zekerheden met betrekking tot derivatencontracten, maken instellingen die vermindering ongedaan.
3.  

Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kunnen instellingen die overeenkomstig artikel 275 de vervangingswaarde van derivatencontracten berekenen, van hun tegenpartijen in contanten ontvangen zekerheden alleen als in artikel 275 bedoelde variatiemarge opnemen indien de variatiemarge op grond van het toepasselijk kader voor financiële verslaggeving niet reeds als een vermindering van de blootstellingswaarde is opgenomen en indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

▼M17

a) 

bij transacties die niet via een GCTP worden gecleard, worden de contanten die de ontvangende tegenpartij ontvangt, niet gescheiden van de activa van de instelling;

▼M8

b) 

de variatiemarge wordt ten minste dagelijks berekend en uitgewisseld op basis van de waardering tegen marktwaarde van de derivatenposities;

c) 

de ontvangen variatiemarge luidt in een valuta die nader wordt bepaald in het derivatencontract, de toepasselijke kaderverrekeningsovereenkomst, de kredietondersteuningsbijlage bij de gekwalificeerde kaderverrekeningsovereenkomst of als omschreven bij een verrekeningsovereenkomst met een GCTP;

d) 

de ontvangen variatiemarge is het volledige bedrag dat nodig is om de tegen de marktwaarde gewaardeerde blootstelling van het derivatencontract op te heffen, afhankelijk van de drempel en de minimumbedragen van de overdracht die voor de tegenpartij gelden;

e) 

het derivatencontract en de variatiemarge tussen de instelling en de tegenpartij bij dat contract vallen onder één enkele verrekeningsovereenkomst die de instelling overeenkomstig artikel 295 als risicoverminderend mag behandelen.

Een instelling die een tegenpartij zekerheden in de vorm van contanten verstrekt die voldoen aan de in de eerste alinea, punten a) tot en met e), beschreven voorwaarden, beschouwt die zekerheden als de variatiemarge die aan de tegenpartij is gestort en betrekt deze bij de berekening van de vervangingswaarde.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wordt een instelling geacht te hebben voldaan aan de voorwaarde daarin indien de variatiemarge wordt uitgewisseld op de ochtend van de handelsdag die volgt op de handelsdag waarop het derivatencontract is opgesteld, mits de uitwisseling gebaseerd is op de waarde van het contract aan het einde van de handelsdag waarop het contract is opgesteld.

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea kunnen instellingen, indien er een margegeschil ontstaat, het bedrag opnemen van de niet-betwiste zekerheden die zijn uitgewisseld.

▼M17

4.  
Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel mogen instellingen ontvangen zekerheden niet betrekken bij de berekening van het NICA als omschreven in artikel 272, punt 12 bis.

▼M17

4 bis.  

In afwijking van de leden 3 en 4, mag een instelling overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, ontvangen zekerheden in aanmerking nemen indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de zekerheid is van een cliënt ontvangen voor een door de instelling namens die cliënt gecleard derivatencontract;

b) 

het in punt a) bedoelde contract wordt via een GCTP gecleard;

c) 

indien de zekerheid in de vorm van initiële marge is ontvangen, wordt die zekerheid gescheiden gehouden van de activa van de instelling.

▼M8

5.  
Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel stellen instellingen de waarde van de multiplicator die wordt gebruikt voor de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling overeenkomstig artikel 278, lid 1, op één, behalve in geval van derivatencontracten met cliënten indien die contracten door een GCTP worden gecleard.

▼M17

6.  

In afwijking van lid 1 van dit artikel, kunnen instellingen de in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 4 en 5, beschreven methodiek gebruiken om de blootstellingswaarde te bepalen van het volgende:

a) 

derivatencontracten als vermeld in bijlage II en kredietderivaten, indien zij die methodiek ook gebruiken om de blootstellingswaarde van die contracten te bepalen om aan de eigenvermogensvereisten van artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), te voldoen;

b) 

kredietderivaten waarop zij de in artikel 273, lid 3 of lid 5, bedoelde behandeling toepassen, indien aan de voorwaarden voor het gebruik van die methodiek is voldaan.

▼M8

Indien instellingen een van de methoden als bedoeld in de eerste alinea toepassen, verminderen zij de maatstaf van totale blootstelling niet met het bedrag van de marge die zij hebben ontvangen.

Artikel 429 quinquies

Additionele bepalingen over de berekening van de blootstellingswaarde van geboekte kredietderivaten

1.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „geboekt kredietderivaat” verstaan elk financieel instrument waarmee een instelling feitelijk kredietprotectie verleent, daaronder begrepen kredietverzuimswaps, total return swaps en opties waarbij de instelling verplicht is kredietprotectie te verlenen onder voorwaarden die nader bepaald zijn in het optiecontract.
2.  
Naast de in artikel 429 quater vastgestelde berekening betrekken instellingen bij de berekening van de blootstellingswaarde van geboekte kredietderivaten de effectieve notionele bedragen waarnaar de geboekte kredietderivaten verwijzen, na aftrek van eventuele negatieve veranderingen in de reële waarde die met betrekking tot die geboekte kredietderivaten in het tier 1-kapitaal zijn verwerkt.

Instellingen berekenen het effectieve notionele bedrag van geboekte kredietderivaten door aanpassing van het notionele bedrag van die derivaten teneinde de werkelijke blootstelling van de contracten die van hefboomfinanciering worden voorzien of anderszins worden verbeterd door de structuur van de transactie, tot uitdrukking te brengen.

3.  

Instellingen kunnen de overeenkomstig lid 2 berekende blootstellingswaarde volledig of gedeeltelijk met het effectieve notionele bedrag van gekochte kredietderivaten verminderen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de resterende looptijd van het gekochte kredietderivaat is gelijk aan of langer dan de resterende looptijd van het geboekte kredietderivaat;

b) 

het gekochte kredietderivaat is anderszins onderworpen aan dezelfde voorwaarden als of meer conservatieve materiële voorwaarden dan de voorwaarden van het overeenkomstige geboekte kredietderivaat;

c) 

het gekochte kredietderivaat wordt niet gekocht van een tegenpartij die de instelling zou blootstellen aan specifiek wrongwayrisico als gedefinieerd in artikel 291, lid 1, punt b);

d) 

indien het effectieve notionele bedrag van het geboekte kredietderivaat wordt verminderd met elke in het tier 1-kapitaal van de instelling verwerkte negatieve verandering in reële waarde, wordt het effectieve notionele bedrag van het gekochte kredietderivaat verminderd met elke positieve verandering in reële waarde die in het tier 1-kapitaal is verwerkt;

e) 

het gekochte kredietderivaat wordt niet opgenomen in een transactie die is gecleard door de instelling namens een cliënt of die is gecleard door de instelling in haar rol als een cliënt op een hoger niveau binnen een cliëntenstructuur met meerdere niveaus en waarvoor het effectieve notionele bedrag waaraan door het overeenkomstige geboekte kredietderivaat wordt gerefereerd, uitgesloten is van de maatstaf van totale blootstelling overeenkomstig artikel 429 bis, lid 1, eerste alinea, punt g) of h), naargelang het geval.

Voor de toepassing van de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling overeenkomstig artikel 429 quater, lid 1, kunnen instellingen van de netting set het deel van een geboekt kredietderivaat uitsluiten dat niet wordt gecompenseerd overeenkomstig de eerste alinea van dit lid en waarvoor het effectieve notionele bedrag wordt opgenomen in de maatstaf van totale blootstelling.

4.  
Voor de toepassing van lid 3, punt b), wordt onder „materiële voorwaarde” verstaan elk kenmerk van het kredietderivaat dat relevant is voor de waardering ervan, met inbegrip van het niveau van achterstelling, de optionaliteit, de kredietgebeurtenissen, de onderliggende referentie-entiteit of pool van referentie-entiteiten, en de onderliggende referentieverplichting of pool van referentieverplichtingen, met uitzondering van het notionele bedrag en de resterende looptijd van het kredietderivaat. Twee referentienamen zijn alleen hetzelfde indien zij aan dezelfde juridische entiteit refereren.
5.  
In afwijking van lid 3, punt b), kunnen instellingen gebruik maken van gekochte kredietderivaten met betrekking tot een pool van referentienamen om geboekte kredietderivaten met betrekking tot individuele referentienamen binnen die pool te compenseren indien de pool van referentie-entiteiten en het niveau van achterstelling bij beide transacties dezelfde zijn.
6.  
Instellingen verminderen het effectieve notionele bedrag van geboekte kredietderivaten niet indien zij door middel van een total return swap kredietprotectie kopen en de ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boeken, maar niet overgaan tot de boeking van een eventuele daartegenover staande waardevermindering van het geboekte kredietderivaat bij het tier 1-kapitaal.
7.  
Bij gekochte kredietderivaten met betrekking tot een pool van referentieverplichtingen kunnen instellingen het effectieve notionele bedrag van geboekte kredietderivaten met betrekking tot individuele referentieverplichtingen alleen met het effectieve notionele bedrag van de gekochte kredietderivaten overeenkomstig lid 3 verminderen indien de gekochte protectie economisch gelijkwaardig is aan het afzonderlijk kopen van protectie met betrekking tot elk van de individuele verplichtingen in de pool.

Artikel 429 sexies

Opslagfactor voor tegenpartijkredietrisico voor effectenfinancieringstransacties

1.  
Naast de berekening van de blootstellingswaarde van effectenfinancieringstransacties, met inbegrip van die buiten de balanstelling overeenkomstig artikel 429 ter, lid 1, nemen instellingen in de maatstaf van totale blootstelling een opslagfactor op voor tegenpartijkredietrisico die overeenkomstig lid 2 of lid 3 van dit artikel wordt berekend, naargelang het geval.
2.  

Bij transacties met een tegenpartij welke niet vallen onder een kaderverrekeningsovereenkomst die aan de in artikel 206 beschreven voorwaarden voldoet, berekenen instellingen de opslagfactor per transactie volgens de volgende formule:

waarbij:

=

de opslagfactor;

i

=

de index die de transactie aangeeft;

Ei

=

de reële waarde van de effecten of contanten die krachtens transactie i aan de tegenpartij in lening zijn gegeven; en

Ci

=

de reële waarde van de effecten of contanten die krachtens transactie i van de tegenpartij zijn ontvangen.

Instellingen kunnen
op nul stellen indien Ei gelijk is aan de aan een tegenpartij in lening gegeven contanten en de betrokken vordering in contanten niet in aanmerking komt voor de verrekeningsbehandeling van artikel 429 ter, lid 4.

3.  

Bij transacties met een tegenpartij welke vallen onder een kaderverrekeningsovereenkomst die aan de voorwaarden van artikel 206 voldoet, berekenen instellingen de opslagfactor voor transacties per overeenkomst volgens de volgende formule:

waarbij:

=

de opslagfactor;

i

=

de index die de verrekeningsovereenkomst aangeeft;

Ei

=

de reële waarde van de effecten of contanten die aan de tegenpartij in lening zijn gegeven voor de transacties die onder kaderverrekeningsovereenkomst i vallen; en

Ci

=

de reële waarde van de effecten of contanten die zijn ontvangen van de tegenpartij die onder kaderverrekeningsovereenkomst i valt.

4.  
Voor de toepassing van de leden 2 en 3 omvat de term tegenpartij ook tripartiete agenten die zekerheden in deposito nemen en de zekerheden beheren in geval van tripartiete transacties.
5.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen instellingen de methode van artikel 222 gebruiken, onder voorbehoud van een vloer van 20 % voor het toepasselijke risicogewicht, om de opslagfactor voor effectenfinancieringstransacties, met inbegrip van die buiten de balanstelling, te bepalen. Instellingen mogen die methode alleen gebruiken indien zij deze ook gebruiken voor de berekening van de blootstellingswaarde van die transacties om aan de eigenvermogensvereisten van artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), te voldoen.
6.  
Indien voor een retrocessietransactie de verkoop wordt verantwoord krachtens het toepasselijk kader voor financiële verslaggeving, worden alle aan de verkoop gerelateerde posten door de instelling teruggeboekt.
7.  

Indien een instelling als agent optreedt tussen twee partijen bij een effectenfinancieringstransactie, inclusief een transactie buiten de balanstelling, gelden de volgende bepalingen voor de berekening van de maatstaf van totale blootstelling van de instelling:

a) 

indien de instelling aan één van de partijen bij de effectenfinancieringstransactie een vergoeding of garantie verschaft die beperkt is tot het eventuele verschil tussen de waarde van de effecten of contanten die de partij heeft uitgeleend en de waarde van de zekerheden die de kredietnemer heeft verstrekt, neemt de instelling in de maatstaf van totale blootstelling alleen de opslagfactor op die overeenkomstig lid 2 of lid 3 is berekend, al naargelang het geval;

b) 

indien de instelling geen van de betrokken partijen een vergoeding of garantie verschaft, wordt de transactie niet in de maatstaf van totale blootstelling opgenomen;

c) 

indien de economische blootstelling van de instelling aan de onderliggende effecten of contanten bij de transactie groter is dan de aan de hand van de opslagfactor verkregen blootstelling, neemt de instelling in de maatstaf van totale blootstelling ook het volledige bedrag van de effecten of de contanten op waaraan zij is blootgesteld;

d) 

indien de instelling die als agent optreedt, een vergoeding of garantie verschaft aan beide partijen die bij een effectenfinancieringstransactie betrokken zijn, berekent de instelling haar maatstaf van totale blootstelling overeenkomstig de punten a), b) en c) afzonderlijk voor elke partij die bij de transactie betrokken is.

Artikel 429 septies

Berekening van de blootstellingswaarde van posten buiten de balanstelling

▼M17

1.  
Instellingen berekenen overeenkomstig artikel 111, lid 2, de blootstellingswaarde van posten buiten de balanstelling, exclusief de derivatencontracten die zijn opgenomen in bijlage II, kredietderivaten, effectenfinancieringstransacties en de posities bedoeld in artikel 429 quinquies.

Indien een verplichting betrekking heeft op de uitbreiding van een andere post buiten de balanstelling, is artikel 111, lid 3, van toepassing.

▼M8

2.  
In afwijking van lid 1 kunnen instellingen het kredietblootstellingequivalent van een post buiten de balanstelling verminderen met het overeenkomstige bedrag van specifieke kredietrisicoaanpassingen. De berekening is onderworpen aan een vloer van nul.

▼M17

3.  
In afwijking van artikel 495 quinquies passen de instellingen een omrekeningsfactor van 10 % toe op posten buiten de balanstelling in de vorm van onvoorwaardelijk opzegbare verplichtingen.

▼M8

Artikel 429 octies

Berekening van de blootstellingswaarde van nog af te wikkelen aankopen of verkopen volgens standaardmarktconventies

▼M17

1.  
Instellingen behandelen contanten met betrekking tot aankopen volgens standaardmarktconventies en financiële activa met betrekking tot verkopen volgens standaardmarktconventies die tot aan de afwikkelingsdatum op de balans blijven staan, als activa overeenkomstig artikel 429, lid 4, punt a).

▼M8

2.  
Instellingen die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving administratieve verwerking op basis van de transactiedatum toepassen op nog af te wikkelen aankopen en verkopen volgens standaardmarktconventies, verrichten een tegenboeking van elke compensatie tussen vorderingen in contanten als gevolg van nog af te wikkelen verkopen volgens standaardmarktconventies en schulden in contanten als gevolg van nog af te wikkelen aankopen volgens standaardmarktconventies, die krachtens dat kader is toegestaan. Nadat instellingen de boekhoudkundige compensatie hebben tegengeboekt, kunnen zij tussen die vorderingen en schulden in contanten compenseren indien zowel de aankopen als de verkopen volgens standaardmarktconventies op basis van levering-tegen-betaling worden afgewikkeld.
3.  
Instellingen die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving administratieve verwerking op basis van de transactiedatum toepassen op nog af te wikkelen aankopen en verkopen volgens standaardmarktconventies, nemen in de maatstaf van totale blootstelling de volledige nominale waarde op van de verplichtingen tot betaling in verband met aankopen volgens standaardmarktconventies.

Instellingen mogen de volledige nominale waarde van de verplichtingen tot betaling betreffende aankopen volgens standaardmarktconventies slechts compenseren met de volledige nominale waarde van de kasvorderingen in verband met nog af te wikkelen verkopen volgens standaardmarktconventies indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

zowel de aankopen als de verkopen worden volgens standaardmarktconventies op basis van levering-tegen-betaling afgewikkeld;

b) 

de aangekochte en verkochte financiële activa die verband houden met vorderingen en schulden in contanten, worden tegen reële waarde gewaardeerd via winsten en verliezen en opgenomen in de handelsportefeuille van de instelling.

▼M8

DEEL ZEVEN BIS

RAPPORTAGEVEREISTEN

Artikel 430

Rapportage inzake prudentiële vereisten en financiële informatie

1.  

Instellingen rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten over:

a) 

de eigenvermogensvereisten, met inbegrip van de hefboomratiovereiste, als bedoeld in artikel 92 en deel zeven;

b) 

voor instellingen die aan deze vereisten zijn onderworpen, de vereisten van de artikelen 92 bis en 92 ter.

c) 

grote blootstellingen als bedoeld in artikel 394;

d) 

de liquiditeitsvereisten als bedoeld in artikel 415;

e) 

de in artikel 430 bis, lid 1, beschreven geaggregeerde gegevens voor elke nationale onroerendgoedmarkt;

f) 

de in Richtlijn 2013/36/EU beschreven vereisten en richtsnoeren die in aanmerking komen voor gestandaardiseerde rapportage, met uitzondering van eventuele aanvullende rapportagevereisten krachtens artikel 104, lid 1, punt j), van die richtlijn;

g) 

de mate van activabezwaring, met een uitsplitsing naar soort activabezwaring, zoals retrocessieovereenkomsten, effectenleningen, gesecuritiseerde blootstellingen of leningen;

▼M17

h) 

hun blootstellingen met betrekking tot ESG-risico’s, waaronder:

i) 

hun bestaande en nieuwe blootstellingen met betrekking tot entiteiten uit de sector fossiele brandstoffen;

ii) 

hun blootstellingen aan fysieke risico’s en transitierisico’s;

i) 

hun blootstellingen aan cryptoactiva.

▼M8

Overeenkomstig artikel 6, lid 5, vrijgestelde instellingen vallen niet op individuele basis onder het in de eerste alinea, punt a), van dit lid bedoelde rapportagevereiste inzake de hefboomratio.

▼M13

1 bis.  
Voor de toepassing van lid 1, onder a), van dit artikel bevat het verslag, wanneer instellingen verslag uitbrengen over eigenvermogensvereisten inzake securitisaties, informatie over NPE-securitisaties die in aanmerking komen voor de behandeling als bedoeld in artikel 269 bis, informatie over eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisaties die zij genereren, en de uitsplitsing van de onderliggende activa van die eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde op de balans opgenomen securitisaties, opgesplitst naar activaklasse.

▼M8

2.  
Naast de in lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde rapportage over de hefboomratio, rapporteren grote instellingen aan hun bevoegde autoriteiten specifieke componenten van de hefboomratio op basis van gemiddelden voor de rapportageperiode, evenals de gegevens die zijn gebruikt voor het berekenen van die gemiddelden, zodat de bevoegde autoriteiten de volatiliteit van de hefboomratio kunnen monitoren, met name rond rapportagereferentiedatums.

▼M17

2 bis.  
Bij het rapporteren van hun eigenvermogensvereisten voor het marktrisico als bedoeld in lid 1, punt a), van dit artikel rapporteren de instellingen de berekeningen als bedoeld in artikel 325 quater, lid 2, punten a), b) en c), voor de portefeuille van alle handelsportefeuilleposities of niet-handelsportefeuilleposities waaraan wisselkoers- en grondstoffenrisico’s verbonden zijn, afzonderlijk.
2 ter.  
Bij het rapporteren van hun eigenvermogensvereisten voor het marktrisico als bedoeld in lid 1, punt a), van dit artikel rapporteren instellingen de berekeningen als bedoeld in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), i) en ii), en punt b), i) en ii), en die voor de portefeuille van alle handelsportefeuilleposities of niet-handelsportefeuilleposities waaraan wisselkoers- en grondstoffenrisico’s zijn verbonden en die zijn toegewezen aan tradingafdelingen waarvoor zij toestemming van de bevoegde autoriteiten hebben gekregen om de alternatieve internemodellenbenadering te gebruiken overeenkomstig artikel 325 terquinquagies, lid 2, afzonderlijk.

▼M8

3.  

Naast de in lid 1 van dit artikel bedoelde rapportage over prudentiële vereisten rapporteren instellingen financiële informatie aan hun bevoegde autoriteiten indien ze één van de volgende instellingen zijn:

a) 

een instelling waarop artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van toepassing is;

b) 

een kredietinstelling die haar geconsolideerde jaarrekening opstelt overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen op grond van artikel 5, punt b), van Verordening (EG) nr. 1606/2002.

4.  
De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen die hun eigen vermogen op geconsolideerde basis volgens internationale standaarden voor jaarrekeningen bepalen op grond van artikel 24, lid 2, verplichten om financiële informatie overeenkomstig dit artikel te rapporteren.
5.  
De in de leden 3 en 4 bedoelde rapportage over financiële informatie omvat alleen informatie die noodzakelijk is om een volledig beeld te krijgen van het risicoprofiel van de instelling en van de systeemrisico's die de instelling voor de financiële sector of de reële economie vormt, als beschreven in Verordening (EU) nr. 1093/2010.
6.  
De in dit artikel vastgelegde rapportagevereisten worden evenredig op instellingen toegepast, rekening houdend met het in lid 8 bedoelde verslag, in verhouding tot hun omvang en complexiteit en de aard van hun activiteiten en het daaraan verbonden risico.
7.  
►M17  De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de uniforme rapportageformats, de rapportagefrequentie en -data, alsmede de definities, en ontwikkelt IT-oplossingen, met inbegrip van rapportagetemplates en instructies voor de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde rapportage. ◄

Nieuwe in dergelijke technische uitvoeringsnormen vervatte rapportagevereisten worden niet eerder toepasselijk dan zes maanden na de datum van hun inwerkingtreding.

Voor de toepassing van lid 2 vermelden de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen welke componenten van de hefboomratio gerapporteerd moeten worden aan de hand van de waarden aan het einde van de dag en het einde van de maand. Daartoe houdt de EBA rekening met beide volgende aspecten:

a) 

hoe vatbaar een component is voor significante tijdelijke verminderingen van transactievolumes die kunnen resulteren in een te lage weergave van het risico op buitensporige hefboomwerking op de rapportagereferentiedatum;

b) 

ontwikkelingen en bevindingen op internationaal niveau.

De EBA dient de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen bedoeld in dit lid uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in, behalve met betrekking tot het volgende:

a) 

de hefboomratio, waarover de normen uiterlijk op 28 juni 2020 worden ingediend;

b) 

de in de artikelen 92 bis en 92 ter vastgestelde verplichtingen, waarover de normen uiterlijk op 28 juni 2020 worden ingediend;

▼M17

c) 

blootstellingen met betrekking tot ESG-risico’s, waarover de normen uiterlijk 10 juli 2025 worden ingediend.

▼M8

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

8.  

De EBA beoordeelt overeenkomstig dit lid de kosten en baten van de rapportagevereisten die in de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie ( 36 ) zijn vastgesteld en doet de Commissie uiterlijk op 28 juni 2020 verslag van haar bevindingen. Die beoordeling wordt met name verricht met betrekking tot kleine en niet-complexe instellingen. Daartoe bevat het verslag het volgende:

a) 

een indeling van instellingen naar omvang en complexiteit en de aard van hun activiteiten en het daaraan verbonden risico;

b) 

een meting van de rapportagekosten die iedere categorie instellingen tijdens de betrokken periode heeft gemaakt om te voldoen aan de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 vastgestelde rapportagevereisten, rekening houdend met de volgende beginselen:

i) 

de rapportagekosten worden gemeten als de verhouding tussen de rapportagekosten en de totale kosten van de instelling in de betrokken periode;

ii) 

de rapportagekosten omvatten alle uitgaven die verband houden met de implementatie en het permanent beheer van de rapportagesystemen, daaronder begrepen uitgaven voor personeel, IT-systemen, juridische diensten, boekhoudkundige diensten, audit- en consultancydiensten;

iii) 

de betrokken periode is elke jaarperiode waarin instellingen rapportagekosten hebben moeten maken om zich voor te bereiden op de toepassing van de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 vastgestelde rapportagevereisten, en om de rapportagesystemen op doorlopende basis te blijven beheren;

c) 

een beoordeling of de door iedere categorie instellingen gemaakte rapportagekosten in verhouding stonden tot de voordelen van de rapportagevereisten met het oog op prudentieel toezicht;

d) 

een beoordeling van de gevolgen van een beperking van de rapportagevereisten voor de kosten en de doeltreffendheid van het toezicht; en

e) 

aanbevelingen over de manier waarop de rapportagevereisten kunnen worden beperkt, ten minste voor kleine en niet-complexe instellingen, en de EBA moet daartoe streven naar een te verwachten gemiddelde kostenbeperking van ten minste 10 % en idealiter 20 %. De EBA beoordeelt met name of:

i) 

de in lid 1, punt g), bedoelde rapportagevereisten zouden kunnen worden opgeheven voor kleine en niet-complexe instellingen indien de bezwaring van activa onder een bepaalde drempel ligt;

ii) 

de overeenkomstig lid 1, punten a), c), en g), vereiste rapportagefrequentie zou kunnen worden beperkt voor kleine en niet-complexe instellingen.

De EBA doet dat verslag vergezeld gaan van ontwerpen van technische uitvoeringsnormen als bedoeld in lid 7.

9.  

De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA over de vraag of andere dan in de leden 3 en 4 bedoelde instellingen, op geconsolideerde basis financiële informatie dienen te rapporteren overeenkomstig lid 3, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de betrokken instellingen rapporteren nog niet op geconsolideerde basis;

b) 

de betrokken instellingen zijn onderworpen aan een kader voor financiële rapportage overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG;

c) 

financiële rapportage wordt noodzakelijk geacht om een volledig beeld te krijgen van het risicoprofiel van de activiteiten van die instellingen en van de systeemrisico's die ze voor de financiële sector of de reële economie vormen zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de formats en templates die moeten worden gebruikt door instellingen als bedoeld in de eerste alinea voor de daarin beschreven doelstellingen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de tweede alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

10.  
Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat niet door de in lid 7 bedoelde technische uitvoeringsnormen bestreken informatie noodzakelijk is voor de in lid 5 bedoelde doeleinden, brengt zij de EBA en het ESRB op de hoogte van de bijkomende informatie die volgens haar in de in dat lid bedoelde technische uitvoeringsnormen moet worden opgenomen.
11.  
De bevoegde autoriteiten kunnen het vereiste tot indiening van de gegevenspunten die zijn beschreven in de rapportagetemplates die nader zijn bepaald in de in dit artikel bedoelde technische uitvoeringsnormen, opheffen indien deze gegevenspunten elkaar overlappen. In dit verband worden onder overlappende gegevenspunten de gegevenspunten begrepen die reeds ter beschikking van de bevoegde autoriteiten staan via andere middelen dan via het verzamelen van die rapportagetemplates, onder meer indien die gegevenspunten kunnen worden verkregen uit gegevens die reeds ter beschikking van de bevoegde autoriteiten staan in andere formats of andere niveaus van granulariteit; de bevoegde autoriteit kan de in dit lid bedoelde opheffingen slechts verlenen indien de gegevens die door middel van dergelijke alternatieve methoden worden verkregen, verzameld of geaggregeerd, identiek zijn aan de gegevenspunten die anders overeenkomstig de betrokken technische uitvoeringsnorm zouden moeten worden gerapporteerd.

De bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsautoriteiten en de aangewezen autoriteiten wisselen waar mogelijk gegevens uit om de rapportagevereisten te beperken. De in titel VII, hoofdstuk I, afdeling II, van Richtlijn 2013/36/EU vervatte bepalingen inzake de uitwisseling van informatie en beroepsgeheim zijn van toepassing.

Artikel 430 bis

Specifieke rapportagevereisten

▼M17

1.  

Instellingen rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten jaarlijks de volgende geaggregeerde gegevens voor iedere nationale onroerendgoedmarkt met betrekking waartoe zij blootstellingen hebben:

a) 

verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling niet-zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft opgenomen, in alle gevallen tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 55 % van de onroerendgoedwaarde van het niet-zakelijk onroerend goed, tenzij anders is besloten krachtens artikel 124, lid 9, indien van toepassing;

b) 

de totale verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling niet-zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft opgenomen, in alle gevallen tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 100 % van de onroerendgoedwaarde van het niet-zakelijk onroerend goed;

c) 

de blootstellingswaarde van alle uitstaande blootstellingen waarvoor een instelling niet-zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft opgenomen, in alle gevallen tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 100 % van de onroerendgoedwaarde van het niet-zakelijk onroerend goed;

d) 

verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft opgenomen, in alle gevallen tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 55 % van de onroerendgoedwaarde van het zakelijk onroerend goed, tenzij anders is besloten krachtens artikel 124, lid 9, indien van toepassing;

e) 

de totale verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft opgenomen, in alle gevallen tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 100 % van de onroerendgoedwaarde van het zakelijk onroerend goed;

f) 

de blootstellingswaarde van alle uitstaande blootstellingen waarvoor een instelling zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft opgenomen, in alle gevallen tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 100 % van de onroerendgoedwaarde van het zakelijk onroerend goed.

▼M8

2.  
De in lid 1 bedoelde gegevens worden gerapporteerd aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de betrokken instelling. Indien een instelling een bijkantoor in een andere lidstaat heeft, worden de gegevens met betrekking tot dat bijkantoor tevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst gerapporteerd. De gegevens worden afzonderlijk gerapporteerd voor elke onroerendgoedmarkt binnen de Unie waaraan de betrokken instelling is blootgesteld.

▼M17

3.  
De bevoegde autoriteiten publiceren jaarlijks op geaggregeerde basis de in lid 1, punten a) tot en met f), gespecificeerde gegevens, samen met historische gegevens, indien beschikbaar, voor elke nationale onroerendgoedmarkt waarvoor dergelijke gegevens zijn verzameld. Een bevoegde autoriteit verstrekt op verzoek van een andere bevoegde autoriteit in een lidstaat of van de EBA aan die bevoegde autoriteit of de EBA nadere informatie over de staat van de markten voor niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed in die lidstaat.

▼M17 —————

▼M8

Artikel 430 quater

Haalbaarheidsverslag over het geïntegreerde rapportagesysteem

1.  
De EBA stelt een haalbaarheidsverslag op over de ontwikkeling van een consistent en geïntegreerd systeem voor het verzamelen van statistische, afwikkelings- en prudentiële gegevens, en doet de Commissie uiterlijk op 28 juni 2020 verslag van haar bevindingen.
2.  

De EBA betrekt de bevoegde autoriteiten, alsmede de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor depositogarantiestelsels, afwikkeling en met name het ESCB, bij de opstelling van het haalbaarheidsverslag. Het verslag houdt rekening met de eerdere werkzaamheden van het ESCB in verband met geïntegreerde gegevensverzameling en wordt gebaseerd op een alomvattende analyse van de kosten en baten, met ten minste:

a) 

een overzicht van de kwantiteit en de reikwijdte van de gegevens die momenteel door de bevoegde autoriteiten in hun rechtsgebied worden verzameld, alsook van de oorsprong en de granulariteit ervan;

b) 

de totstandbrenging van een standaardwoordenboek van de te verzamelen gegevens om te zorgen voor meer convergentie in de rapportagevereisten wat betreft gewone rapportageverplichtingen, en om onnodige bevragingen te voorkomen;

c) 

de totstandbrenging van een gemengd comité, met ten minste de EBA en het ESCB, met het oog op het ontwikkelen en implementeren van het geïntegreerde rapportagesysteem;

d) 

de haalbaarheid en het mogelijke ontwerp van een centraal gegevensverzamelingspunt voor het geïntegreerde rapportagesysteem, met onder meer vereisten met het oog op het strikt waarborgen van de vertrouwelijkheid van de verzamelde gegevens, sterke authenticatie en beheer van de rechten inzake toegang tot het systeem en cyberbeveiliging; dat centraal gegevensverzamelingspunt:

i) 

bevat een centraal gegevensregister met alle statistische gegevens, afwikkelingsgegevens en prudentiële gegevens met de nodige granulariteit en frequentie voor de desbetreffende instelling en wordt op gezette tijden geactualiseerd;

ii) 

dient als contactpunt voor de bevoegde autoriteiten waar zij alle verzoeken om gegevens in ontvangst nemen, verwerken en bundelen, waar de verzoeken kunnen worden vergeleken met reeds verzamelde rapportagegegevens en dat de bevoegde autoriteiten snelle toegang tot de gevraagde informatie biedt;

iii) 

biedt de bevoegde autoriteiten aanvullende steun voor het toezenden van de gegevensbevragingen aan de instellingen en zorgt voor de invoering van de gevraagde gegevens in het centrale gegevensregister;

iv) 

heeft een coördinerende rol bij de uitwisseling van informatie en gegevens tussen de bevoegde autoriteiten; en

v) 

houdt rekening met de procedures en procedés van de andere bevoegde autoriteiten en brengt deze over in een gestandaardiseerd systeem.

3.  
Uiterlijk een jaar na de indiening van het in dit artikel bedoelde verslag dient de Commissie, indien passend en rekening houdend met het haalbaarheidsverslag van de EBA, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad voor de invoering van een gestandaardiseerd en geïntegreerd rapportagesysteem voor rapportagevereisten.

▼M8

DEEL ACHT

OPENBAARMAKING DOOR INSTELLINGEN

TITEL I

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 431

Openbaarmakingsvereisten en -beleidslijnen

1.  
Instellingen maken de informatie openbaar als bedoeld in de titels II en III overeenkomstig de bepalingen van deze titel, onder voorbehoud van de uitzonderingen, bedoeld in artikel 432.
2.  
Instellingen waaraan de bevoegde autoriteiten voor de in dit deel, titel III, bedoelde instrumenten en methoden toestemming krachtens deel drie hebben verleend, maken de daarin genoemde informatie openbaar.
3.  
Het leidinggevend orgaan of de directie neemt formele beleidslijnen aan om te voldoen aan de openbaarmakingsvereisten van dit deel en zorgt voor de invoering en handhaving van interne procedures, systemen en controles om te verifiëren of de openbaarmakingen van de instelling dienstig en in overeenstemming met de vereisten van dit deel zijn. Ten minste één lid van het leidinggevend orgaan of van de directie verklaart schriftelijk dat de instelling de krachtens dit deel vereiste openbaarmakingen heeft gedaan in overeenstemming met de formele beleidslijnen en de interne procedures, systemen en controles. De schriftelijke verklaring en de belangrijkste elementen van de formele beleidslijnen van de instelling teneinde te voldoen aan de openbaarmakingsvereisten worden opgenomen in de openbaarmakingen van instellingen.

Voor informatie die overeenkomstig dit deel openbaar moet worden gemaakt, geldt hetzelfde niveau van interne verificatie als voor het managementverslag dat in het financieel verslag van de instelling is opgenomen.

Instellingen voeren ook beleidslijnen in om te verifiëren of hun openbaarmakingen de marktdeelnemers volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaffen. Indien instellingen van oordeel zijn dat de krachtens dit deel vereiste openbaarmakingen de marktdeelnemers geen volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaffen, maken zij extra informatie openbaar naast de informatie die krachtens dit deel openbaar moet worden gemaakt. Niettemin zijn instellingen slechts verplicht informatie openbaar te maken die wezenlijk, geen zakengeheim en niet-vertrouwelijk is als bedoeld in artikel 432.

4.  
Alle kwantitatieve openbaarmakingen gaan vergezeld van een kwalitatieve beschrijving en alle andere aanvullende informatie die noodzakelijk kan zijn om de kwantitatieve openbaarmakingen voor de gebruikers van deze informatie begrijpelijk te maken, waarbij met name wordt gewezen op significante wijzigingen in de informatie van openbaarmakingen ten opzichte van de vorige openbaarmakingen.
5.  
Instellingen moeten op verzoek hun ratingbeslissingen tegenover kmo's en andere bedrijven die een krediet aanvragen, schriftelijk toelichten. De desbetreffende administratieve kosten moeten in verhouding staan tot de omvang van het krediet.

Artikel 432

Niet-wezenlijke informatie, zakengeheim of vertrouwelijke informatie

1.  
Met uitzondering van de in artikel 435, lid 2, punt c), en de artikelen 437 en 450 neergelegde openbaarmakingen mogen instellingen de in de titels II en III vermelde openbaarmakingen achterwege laten indien de via deze openbaarmakingen verstrekte informatie niet wezenlijk wordt geacht.

Informatie wordt voor openbaarmakingsdoeleinden wezenlijk geacht indien de weglating of onjuiste vermelding ervan zou kunnen leiden tot wijziging of beïnvloeding van het oordeel of de beslissing van een gebruiker die zich voor het nemen van economische beslissingen op die informatie baseert.

De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit over de wijze waarop instellingen het wezenlijkheidscriterium moeten toepassen in verband met de openbaarmakingsvereisten van de titels II en III.

2.  
Instellingen mogen ook de openbaarmaking van informatie over een of meer van de in de titels II en III vermelde posten achterwege laten als deze informatie overeenkomstig dit lid als een zakengeheim of vertrouwelijke informatie wordt beschouwd, met uitzondering van de overeenkomstig de artikelen 437 en 450 openbaar te maken informatie.

Informatie wordt als een zakengeheim van een instelling beschouwd indien het openbaar maken ervan haar concurrentiepositie zou ondermijnen. Onder het zakengeheim valt onder meer informatie betreffende producten of systemen die de waarde van de investeringen van de instelling in die producten of systemen zou verminderen, indien zij met concurrenten zou worden gedeeld.

Informatie wordt als vertrouwelijk beschouwd indien instellingen door cliënten of andere relaties met tegenpartijen verplicht worden om die informatie vertrouwelijk te houden.

De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit over de wijze waarop instellingen de criteria van een zakengeheim en vertrouwelijkheid moeten toepassen in verband met de openbaarmakingsvereisten van de titels II en III.

3.  
In de in lid 2 bedoelde uitzonderlijke gevallen vermeldt de betrokken instelling in haar openbaarmakingen dat, en om welke reden, specifieke informatiebestanddelen niet openbaar worden gemaakt, en publiceert zij meer algemene informatie over het onderwerp van het openbaarmakingsvereiste, tenzij dat onderwerp zelf een zakengeheim of vertrouwelijk is.

▼M17

Artikel 433

Frequentie en reikwijdte van openbaarmakingen

Instellingen publiceren de krachtens de titels II en III vereiste informatie op de wijze als beschreven in dit artikel en de artikelen 433 bis, 433 ter, 433 quater en 434.

De EBA publiceert jaarlijkse openbaarmakingen op haar website op dezelfde dag waarop de instellingen hun financiële overzichten publiceren, of zo spoedig mogelijk nadien.

De EBA publiceert halfjaarlijkse en kwartaalopenbaarmakingen op haar website op de dag waarop de instellingen, in voorkomend geval, hun financiële verslagen voor de desbetreffende periode publiceren, of zo spoedig mogelijk nadien.

Elke vertraging tussen de datum van publicatie van de krachtens dit deel vereiste openbaarmakingen en de betrokken financiële overzichten is redelijk en mag in geen geval de termijn overschrijden die door de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 106 van Richtlijn 2013/36/EU is vastgesteld.

▼M8

Artikel 433 bis

Openbaarmakingen door grote instellingen

1.  

Grote instellingen maken de hieronder beschreven informatie met de volgende frequentie openbaar:

a) 

jaarlijks alle krachtens dit deel vereiste informatie;

b) 

halfjaarlijks de informatie, bedoeld in:

i) 

artikel 437, punt a);

ii) 

artikel 438, punt e);

iii) 

artikel 439, punten e) tot en met l);

iv) 

artikel 440;

v) 

artikel 442, punten c), e), f) en g);

vi) 

artikel 444, punt e);

vii) 

artikel 445;

viii) 

artikel 448, lid 1, punten a) en b);

ix) 

artikel 449, punten j) tot en met l);

x) 

artikel 451, lid 1, punten a) en b);

xi) 

artikel 451 bis, lid 3;

xii) 

artikel 452, punt g);

xiii) 

artikel 453, punten f) tot en met j);

▼M17

xiv) 

artikel 455, lid 2, punten a), b) en c);

▼M17

xv) 

artikel 449 bis;

xvi) 

artikel 449 ter;

▼M8

c) 

elk kwartaal de informatie, bedoeld in:

▼M17

i) 

artikel 438, punten d), d bis) en h);

▼M8

ii) 

de in artikel 447 bedoelde kernmaatstaven;

iii) 

artikel 451 bis, lid 2.

2.  

In afwijking van lid 1 maken andere grote instellingen dan MSI's die niet-beursgenoteerde instellingen zijn, de hieronder beschreven informatie met de volgende frequentie openbaar:

a) 

jaarlijks alle krachtens dit deel vereiste informatie;

b) 

halfjaarlijks de in artikel 447 bedoelde kernmaatstaven.

3.  
Grote instellingen die onderworpen zijn aan artikel 92 bis of 92 ter maken de krachtens artikel 437 bis vereiste informatie halfjaarlijks openbaar, behalve de in artikel 447, punt h), bedoelde kernmaatstaven, die elk kwartaal openbaar moeten worden gemaakt.

▼M17

Artikel 433 ter

Openbaarmakingen door kleine en niet-complexe instellingen

1.  

Kleine en niet-complexe instellingen maken de in de volgende bepalingen beschreven informatie jaarlijks openbaar:

a) 

artikel 435, lid 1, punten a), e) en f);

b) 

artikel 438, punten c) en d) en d bis);

c) 

artikel 442, punten c) en d);

d) 

de in artikel 447 bedoelde kernmaatstaven;

e) 

artikel 449 bis;

f) 

artikel 449 ter;

g) 

artikel 450, lid 1, punten a) tot en met d), h), i) en j).

2.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel maken kleine en niet-complexe instellingen die niet-beursgenoteerde instellingen zijn, de in artikel 447 bedoelde kernmaatstaven en de in artikel 449 bis bedoelde ESG-risico’s jaarlijks openbaar.

▼M8

Artikel 433 quater

Openbaarmakingen door andere instellingen

1.  

Instellingen die niet onder artikel 433 bis of 433 ter vallen, maken de hieronder beschreven informatie openbaar met de volgende frequentie:

a) 

jaarlijks alle krachtens dit deel vereiste informatie;

b) 

halfjaarlijks de in artikel 447 bedoelde kernmaatstaven.

2.  

In afwijking van lid 1 van dit artikel maken andere instellingen die niet-beursgenoteerde instellingen zijn, de volgende informatie jaarlijks bekend:

a) 

artikel 435, lid 1, punten a), e) en f);

b) 

artikel 435, lid 2, punten a), b) en c);

c) 

artikel 437, punt a);

▼M17

d) 

artikel 438, punten c), d) en d bis):

▼M17

d bis) 

artikel 442, punten c) en d);

▼M8

e) 

de in artikel 447 bedoelde kernmaatstaven;

▼M17

e bis) 

de in artikel 449 bis bedoelde informatie;

e ter) 

de in artikel 449 ter bedoelde informatie;

▼M8

f) 

artikel 450, lid 1, punten a) tot en met d) en h) tot en met k).

▼M17

Artikel 434

Openbaarmakingsmiddelen

1.  
Andere instellingen dan kleine en niet-complexe instellingen dienen alle krachtens de titels II en III vereiste informatie in elektronisch formaat in bij de EBA, en wel uiterlijk op dezelfde datum als die waarop zij hun financiële overzichten of financiële verslagen, naargelang het geval, voor de desbetreffende periode publiceren, of zo spoedig mogelijk nadien. De EBA maakt die informatie samen met de indieningsdatum bekend op haar website.

De EBA ziet erop toe dat openbaarmakingen op haar website dezelfde informatie bevatten als die welke instellingen bij de EBA hebben ingediend. Instellingen hebben het recht om de informatie opnieuw bij de EBA in te dienen, overeenkomstig de in artikel 434 bis bedoelde technische normen. De EBA maakt op haar website de datum bekend waarop de herindiening heeft plaatsgevonden.

De EBA ontwikkelt een instrument voor de mapping van de templates en tabellen voor openbaarmakingen met die voor toezichtsrapportage, en houdt het up-to-date. Het mappinginstrument is openbaar en beschikbaar op de EBA-website.

Instellingen mogen een op zichzelf staand document blijven publiceren dat gebruikers van die informatie voorziet van een gemakkelijk toegankelijke bron van prudentiële informatie, of dat een afzonderlijk onderdeel is dat deel uitmaakt van of gehecht is aan financiële overzichten of financiële verslagen van instellingen, en dat de vereiste openbaarmakingen bevat en voor die gebruikers gemakkelijk herkenbaar is. Instellingen mogen op hun website een link plaatsen naar de EBA-website, waar de prudentiële informatie centraal wordt gepubliceerd.

2.  
Andere instellingen dan kleine en niet-complexe instellingen dienen de krachtens de artikelen 433 bis en 433 quater vereiste openbaarmakingen in elektronisch formaat in bij de EBA, en wel uiterlijk op de datum waarop zij hun financiële overzichten of financiële verslagen voor de desbetreffende periode publiceren, of zo spoedig mogelijk nadien. Indien de financiële verslagen over een bepaalde periode vóór de indiening van de informatie overeenkomstig artikel 430 over die periode worden gepubliceerd, kunnen de openbaarmakingen op dezelfde datum als de toezichtsrapportage worden ingediend, of zo spoedig mogelijk nadien. Indien openbaarmaking vereist is voor een periode waarin een instelling geen financieel verslag opstelt, dient de instelling de informatie over openbaarmakingen zo spoedig mogelijk na het einde van die periode bij de EBA in.
3.  
In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel kunnen instellingen de krachtens artikel 450 vereiste informatie afzonderlijk van de andere krachtens de titels II en III vereiste informatie bij de EBA indienen uiterlijk twee maanden na de datum waarop de instellingen hun financiële overzichten voor het overeenkomstige jaar publiceren.
4.  
De EBA publiceert op haar website de openbaarmakingen van kleine en niet-complexe instellingen op basis van de informatie die door deze instellingen overeenkomstig artikel 430 aan de bevoegde autoriteiten is gerapporteerd.
5.  
De eigendom van de gegevens en de verantwoordelijkheid voor de nauwkeurigheid ervan blijven bij de instellingen die ze produceren. De EBA voorziet in een centraal toegangspunt voor openbaarmakingen door instellingen en stelt op haar website een archief beschikbaar van de informatie die overeenkomstig dit deel openbaar moet worden gemaakt. Dat archief is toegankelijk voor een periode die niet korter is dan de in het nationale recht vastgelegde bewaringstermijn voor informatie in de financiële verslagen van instellingen.
6.  
De EBA houdt het aantal digitale bezoeken aan haar centraal toegangspunt voor openbaarmakingen van instellingen bij en neemt deze cijfers op in haar jaarverslagen.

▼M8

Artikel 434 bis

Uniforme openbaarmakingsformats

▼M17

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de uniforme openbaarmakingsformats en de informatie over het beleid inzake het opnieuw indienen van openbaarmakingen, en ontwikkelt IT-oplossingen, met inbegrip van instructies, voor de krachtens de titels II en III vereiste openbaarmakingen.

▼M8

Deze uniforme openbaarmakingsformats bevatten voldoende uitgebreide en vergelijkbare informatie voor de gebruikers van die informatie voor het beoordelen van het risicoprofiel van instellingen en de mate waarin deze voldoen aan de eisen van deel een tot en met zeven. Om de vergelijkbaarheid van informatie te vergemakkelijken, wordt in de technische uitvoeringsnormen gestreefd naar consistentie van de openbaarmakingsformats met de internationale normen over openbaarmakingen.

De uniforme openbaarmakingsformats nemen in voorkomend geval de vorm aan van tabellen.

▼M17

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

▼M8

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M16

Artikel 434 ter

Toegankelijkheid van informatie op het Europees centraal toegangspunt

1.  
Met ingang van 10 januari 2030 dienen de instellingen, wanneer die in deel acht van deze verordening bedoelde informatie openbaar maken, die informatie op hetzelfde tijdstip in bij de in lid 3 van dit artikel bedoelde betrokken verzamelende instantie met het oog op het toegankelijk maken ervan op het uit hoofde van Verordening (EU) 2023/2859 van het Europees Parlement en de Raad ( 37 ) opgerichte Europees centraal toegangspunt (European Single Access Point — ESAP).

Die informatie voldoet aan de volgende vereisten:

a) 

de informatie is ingediend in een voor data-extractie geschikt formaat zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3), van Verordening (EU) 2023/2859 of, wanneer zulks door het Unierecht wordt vereist, in een machinaal leesbaar formaat zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4), van die verordening;

b) 

de informatie gaat vergezeld van de volgende metadata:

i) 

alle namen van de instelling waarop de informatie betrekking heeft;

ii) 

de identificatiecode voor juridische entiteiten van de instelling, zoals gespecifieerd op grond van artikel 7, lid 4, punt b), van Verordening (EU) 2023/2859;

iii) 

de grootte van de instelling naar categorie, zoals gespecifieerd op grond van artikel 7, lid 4, punt b), van die verordening;

iv) 

het type informatie volgens de indeling op grond van artikel 7, lid 4, punt c), van die verordening;

v) 

een vermelding of de informatie persoonsgegevens bevat.

2.  
Voor de toepassing van lid 1, punt b), ii), verkrijgen instellingen een identificatiecode voor juridische entiteiten.
3.  
Voor het op het ESAP toegankelijk maken van de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie is de EBA de verzamelende instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2), van Verordening (EU) 2023/2859.
4.  

Om ervoor te zorgen dat de overeenkomstig lid 1 ingediende informatie efficiënt wordt verzameld en beheerd, ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere vaststelling van:

a) 

andere metadata waarvan de informatie vergezeld moet gaan;

b) 

de structurering van data in de informatie;

c) 

de informatie waarvoor een machinaal leesbaar formaat vereist is en de vraag welk machinaal leesbaar formaat in dergelijke gevallen moet worden gebruikt.

Voor de toepassing van punt c) gaat de EBA de voor- en nadelen van verschillende machinaal leesbare formaten na en voert zij de nodige praktijktests uit.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.  
Indien nodig stelt de EBA richtsnoeren op om te garanderen dat de overeenkomstig lid 4, eerste alinea, punt a), ingediende metadata correct zijn.

▼M17

Artikel 434 quater

Haalbaarheidsverslag over het gebruik van informatie die is gerapporteerd door andere instellingen dan kleine en niet-complexe instellingen, op basis waarvan een uitgebreide reeks openbaarmakingen op de EBA-website wordt gepubliceerd

De EBA stelt een verslag op over de haalbaarheid van het gebruik van informatie die overeenkomstig artikel 430 door andere instellingen dan kleine en niet-complexe instellingen aan de bevoegde autoriteiten is gerapporteerd, teneinde die informatie te publiceren op haar website en aldus de openbaarmakingslast voor die instellingen te verminderen.

Dat verslag neemt de eerdere werkzaamheden van de EBA met betrekking tot geïntegreerde gegevensverzamelingen in aanmerking. Het verslag wordt gebaseerd op een algehele kosten-batenanalyse, met inbegrip van de kosten die door de bevoegde autoriteiten, de instellingen en de EBA zijn gemaakt. Tevens worden eventuele technische, operationele en juridische moeilijkheden in aanmerking genomen.

De EBA legt dat verslag uiterlijk op 10 juli 2027 voor aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Op basis van dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2031 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼M8

TITEL II

TECHNISCHE CRITERIA INZAKE TRANSPARANTIE EN OPENBAARMAKING

Artikel 435

Openbaarmaking van doelstellingen en beleidslijnen inzake risicobeheer

1.  

Instellingen maken hun doelstellingen en beleidslijnen inzake risicobeheer voor elke afzonderlijke risicocategorie, met inbegrip van de in deze titel bedoelde risico's, openbaar. Deze openbaarmakingen omvatten:

a) 

de strategieën en procedures om deze risicocategorieën te beheren;

b) 

de structuur en organisatie van de betrokken risicobeheerfunctie, met inbegrip van informatie over de basis van haar autoriteit, haar bevoegdheden en verantwoordingsplicht overeenkomstig de oprichtingsakten en statuten van de instelling;

c) 

de reikwijdte en de aard van de risicorapporterings- en risicomeetsystemen;

d) 

de beleidslijnen inzake het afdekken en limiteren van risico's, en de strategieën en procedures om de voortdurende effectiviteit van afdekkingen en limiteringen te monitoren;

e) 

een door het leidinggevende orgaan goedgekeurde verklaring over de toereikendheid van de risicobeheerregelingen van de instelling, waarin de garantie wordt gegeven dat de door haar opgezette risicobeheersystemen passend zijn voor haar profiel en strategie;

f) 

een bondige, door het leidinggevende orgaan goedgekeurde risicoverklaring, waarin het algemene risicoprofiel van de instelling in het licht van haar bedrijfsstrategie kort wordt uiteengezet. Die verklaring omvat:

i) 

belangrijke ratio's en kengetallen die externe belanghebbenden een volledig overzicht geven van het risicobeheer van de instelling, met inbegrip van de wisselwerking tussen het risicoprofiel van de instelling en de door het leidinggevende orgaan vastgestelde risicotolerantie;

ii) 

informatie over transacties binnen de groep en transacties met verbonden partijen die wezenlijke gevolgen kunnen hebben voor het risicoprofiel van de geconsolideerde groep.

2.  

Instellingen maken de volgende informatie openbaar met betrekking tot governanceregelingen:

a) 

het aantal bestuursmandaten van leden van het leidinggevende orgaan;

b) 

het wervingsbeleid voor de selectie van leden van het leidinggevende orgaan en hun kennis, vaardigheden en deskundigheid;

c) 

het beleid inzake diversiteit wat de selectie van leden van het leidinggevende orgaan betreft, de in dat beleid vastgestelde doelstellingen en relevante streefdoelen, en de mate waarin deze doelstellingen en streefdoelen zijn verwezenlijkt;

d) 

of de instelling een afzonderlijke risicocommissie heeft ingesteld en het aantal malen dat deze commissie is bijeengekomen;

e) 

de beschrijving van de informatiestroom over risico's naar het leidinggevende orgaan.

Artikel 436

Openbaarmaking van het toepassingsgebied

Instellingen maken de volgende informatie openbaar met betrekking tot het toepassingsgebied van deze verordening:

a) 

de naam van de instelling waarop deze verordening van toepassing is;

b) 

een afstemmingsoverzicht tussen de geconsolideerde financiële overzichten die zijn opgesteld overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving en de geconsolideerde financiële overzichten die zijn opgesteld overeenkomstig de vereisten inzake wettelijke consolidatie op grond van deel een, titel II, afdelingen 2 en 3; in dat afstemmingsoverzicht wordt een overzicht gegeven van de verschillen tussen het boekhoudkundige en het wettelijke toepassingsgebied van de consolidatie en van de juridische entiteiten die in het wettelijke toepassingsgebied van de consolidatie zijn opgenomen indien dat verschilt van het boekhoudkundige toepassingsgebied van de consolidatie; in het overzicht van de juridische entiteiten die in het wettelijke toepassingsgebied van de consolidatie zijn opgenomen wordt de methode voor de wettelijke consolidatie beschreven indien deze verschilt van de methode voor de boekhoudkundige consolidatie, wordt beschreven of die entiteiten geheel of proportioneel zijn geconsolideerd en wordt beschreven of het bezit in die juridische entiteiten in mindering werd gebracht op het eigen vermogen;

c) 

een uitsplitsing van de activa en passiva van de geconsolideerde financiële overzichten die overeenkomstig de vereisten inzake wettelijke consolidatie op grond van deel een, titel II, afdelingen 2 en 3 zijn opgesteld, naar soort risico als bedoeld in dit deel;

d) 

een afstemmingsoverzicht waarin de belangrijkste bronnen van verschillen worden aangegeven tussen de boekwaarden in de financiële overzichten in het kader van het wettelijk toepassingsgebied van de consolidatie als omschreven in deel een, titel II, afdelingen 2 en 3, en het blootstellingsbedrag dat voor wettelijke doeleinden wordt gebruikt. Dat afstemmingsoverzicht wordt aangevuld met kwalitatieve informatie over die belangrijkste bronnen van verschillen;

e) 

voor blootstellingen met betrekking tot de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille die zijn aangepast overeenkomstig de artikelen 34 en 105, een uitsplitsing van de bedragen van de bestanddelen van de aanpassing van de prudente waardering van een instelling, naar soort risico, en het totaal van de bestanddelen afzonderlijk voor de handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities;

f) 

eventuele bestaande of verwachte wezenlijke praktische of juridische belemmeringen die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva tussen de moederonderneming en haar dochterondernemingen in de weg staan;

g) 

het totale bedrag waarmee het feitelijke eigen vermogen onder de ondergrens ligt ten opzichte van alle dochterondernemingen die niet in de consolidatie zijn opgenomen, en de naam of namen van deze dochterondernemingen;

h) 

in voorkomend geval, de omstandigheden waarin gebruik wordt gemaakt van de afwijking als bedoeld in artikel 7 of de individuele consolidatiemethode die is vastgesteld in artikel 9.

Artikel 437

Openbaarmaking van het eigen vermogen

Instellingen maken de volgende informatie over hun eigen vermogen openbaar:

a) 

een volledig afstemmingsoverzicht van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen, aanvullend-tier 1-bestanddelen, tier 2-bestanddelen en de filters en aftrekkingen die worden toegepast op het eigen vermogen van de instelling op grond van de artikelen 32 tot en met 36, 56, 66 en 79 en de balans in de gecontroleerde financiële overzichten van de instelling;

b) 

een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die zijn uitgegeven door de instelling;

c) 

de volledige voorwaarden van alle tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten;

d) 

een afzonderlijke openbaarmaking van de aard en de bedragen van:

i) 

iedere prudentiële filter die is toegepast op grond van de artikelen 32 tot en met 35;

ii) 

ieder bestanddeel dat is afgetrokken op grond van de artikelen 36, 56 en 66;

iii) 

bestanddelen die niet in mindering zijn gebracht op grond van de artikelen 47, 48, 56, 66 en 79;

e) 

een beschrijving van alle beperkingen die zijn toegepast op de berekening van het eigen vermogen overeenkomstig deze verordening en de instrumenten, prudentiële filters en aftrekkingen waarop die beperkingen van toepassing zijn;

f) 

een uitgebreide toelichting bij de basis waarop kapitaalratio's worden berekend indien die kapitaalratio's worden berekend met behulp van eigenvermogensbestanddelen die op een andere basis dan de in deze verordening vastgestelde basis worden bepaald.

Artikel 437 bis

Openbaarmaking van het eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Instellingen die onderworpen zijn aan artikel 92 bis of 92 ter gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

a) 

de samenstelling van hun eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, hun looptijd en hun hoofdkenmerken;

b) 

de rang van de in aanmerking komende passiva in de schuldeisershiërarchie;

c) 

het totale bedrag van elke uitgifte van in aanmerking komende passiva-instrumenten als bedoeld in artikel 72 ter en het bedrag van deze uitgiften dat is opgenomen in de posten van de in aanmerking komende passiva binnen de in artikel 72 ter, leden 3 en 4, gespecificeerde grenzen;

d) 

het totale bedrag van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen.

Artikel 438

Openbaarmaking van eigenvermogensvereisten en risicogewogen posten

De instellingen gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun naleving van artikel 92 van deze verordening en van de vereisten van artikel 73 en artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU:

a) 

een samenvatting van de benadering die de instelling hanteert om te beoordelen of haar intern kapitaal toereikend is om huidige en toekomstige activiteiten te ondersteunen;

▼M17

b) 

het bedrag van de aanvullend-eigenvermogensvereisten op basis van de procedure voor toetsing door de toezichthouder als bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU om andere risico’s dan het risico van buitensporige hefboomwerking en de samenstelling daarvan tegen te gaan;

▼M8

c) 

op verzoek van de betrokken bevoegde autoriteit, het resultaat van de interne beoordelingsprocedure inzake de kapitaaltoereikendheid van de instelling;

▼M17

d) 

de totale risicoposten als berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, en de overeenkomstige totale eigenvermogensvereisten als bepaald overeenkomstig artikel 92, lid 2, uit te splitsen naar de verschillende risicocategorieën of risicoblootstellingsklassen, naargelang het geval, uit deel drie van deze verordening, en, in voorkomend geval, een toelichting over de gevolgen voor de berekening van het eigen vermogen en de risicogewogen posten van de toepassing van kapitaalvloeren en het niet van het eigen vermogen aftrekken van bestanddelen;

▼M17

d bis) 

indien voor het berekenen van het totaal van de risicoposten zonder ondergrens als berekend overeenkomstig artikel 92, lid 4, en het standaardtotaal van de risicoposten berekend overeenkomstig artikel 92, lid 5, uit te splitsen naar de verschillende risicocategorieën of risicoblootstellingsklassen, naargelang het geval, uit deel drie van deze verordening, en, in voorkomend geval, een toelichting over de gevolgen voor de berekening van het eigen vermogen en de risicogewogen posten van de toepassing van kapitaalvloeren en het niet van het eigen vermogen aftrekken van bestanddelen;

▼M17

e) 

de blootstellingen binnen en buiten de balanstelling, de risicogewogen posten en de gerelateerde verwachte verliezen voor iedere categorie van gespecialiseerde kredietverlening, bedoeld in artikel 153, lid 5, tabel 1, en de blootstellingen binnen en buiten de balanstelling en de risicogewogen posten voor de categorieën van blootstellingen met betrekking tot aandelen die zijn vermeld in artikel 133, leden 3 tot en met 6, en in artikel 495 bis, lid 3;

▼M8

f) 

de blootstellingswaarde en de risicogewogen post van eigenvermogensinstrumenten die bij een verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding worden aangehouden en die instellingen overeenkomstig artikel 49 niet van hun eigen vermogen aftrekken bij de berekening van hun kapitaalvereisten op individuele, gesubconsolideerde en geconsolideerde basis;

g) 

het aanvullend eigenvermogensvereiste en de kapitaalratio van het financieel conglomeraat, berekend overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2002/87/EG en bijlage I bij die richtlijn indien methode 1 of methode 2 in die bijlage wordt toegepast;

h) 

de variaties in de risicogewogen posten van de lopende openbaarmakingsperiode in vergelijking met de onmiddellijk voorafgaande openbaarmakingsperiode die voortvloeien uit het gebruik van interne modellen, met inbegrip van een overzicht van de belangrijkste factoren die deze variaties verklaren.

Artikel 439

Openbaarmaking van blootstellingen aan het tegenpartijkredietrisico

De instellingen gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun blootstelling aan tegenpartijkredietrisico als bedoeld in deel drie, titel II, hoofdstuk 6:

a) 

een beschrijving van de gehanteerde methode om intern kapitaal en kredietlimieten voor blootstellingen aan het tegenpartijkredietrisico toe te wijzen, met inbegrip van de methoden om die limieten aan blootstellingen met betrekking tot centrale tegenpartijen toe te wijzen;

b) 

een beschrijving van de beleidslijnen met betrekking tot garanties en andere kredietrisicolimiterende factoren, zoals de beleidslijnen voor het aantrekken van zekerheden en het vormen van kredietreserves;

c) 

een beschrijving van de beleidslijnen ten aanzien van algemeen wrongwayrisico en specifiek wrongwayrisico als omschreven in artikel 291;

d) 

het bedrag aan zekerheden dat de instelling zou moeten verstrekken in geval van verlaging van haar kredietrating;

e) 

het bedrag van ontvangen en gestorte gescheiden en niet-gescheiden zekerheden per soort zekerheden, verder uitgesplitst naar zekerheden ten behoeve van derivaten- en effectenfinancieringstransacties;

f) 

voor derivatentransacties, de blootstellingswaarden vóór en na het effect van de kredietrisicolimitering als bepaald volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 3 tot en met 6, ongeacht de toepasselijke methode, en de gerelateerde risicoposten uitgesplitst naar de toepasselijke methode;

g) 

voor effectenfinancieringstransacties, de blootstellingswaarden vóór en na het effect van de kredietrisicolimitering als bepaald volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, ongeacht de gebruikte methode, en de gerelateerde risicoposten uitgesplitst naar de toepasselijke methode;

h) 

de blootstellingswaarden na het effect van kredietrisicolimitering en de gerelateerde risicoblootstellingen met betrekking tot het kapitaalvereiste voor de aanpassing van de kredietwaardering, afzonderlijk voor elke methode zoals beschreven in deel drie, titel VI;

i) 

de waarde van de blootstellingen aan centrale tegenpartijen en de gerelateerde risicoblootstellingen die onder deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, vallen, afzonderlijk voor gekwalificeerde en niet-gekwalificeerde centrale tegenpartijen, en uitgesplitst naar soort blootstelling;

j) 

de notionele bedragen en de reële waarde van kredietderivatentransacties; kredietderivatentransacties worden uitgesplitst naar producttype; binnen elk producttype worden kredietderivatentransacties verder uitgesplitst naar gekochte kredietprotectie en verkochte kredietprotectie;

k) 

de raming van alfa indien de instelling van de bevoegde autoriteiten de toestemming voor het gebruik van haar eigen raming van alfa heeft ontvangen overeenkomstig artikel 284, lid 9;

l) 

afzonderlijk, de openbaarmakingen, bedoeld in artikel 444, punt e), en artikel 452, punt g);

m) 

voor instellingen die gebruikmaken van de methoden in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 4 en 5, de omvang van hun derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling, berekend overeenkomstig artikel 273 bis, leden 1 en 2, naargelang het geval.

Indien de centrale bank van een lidstaat liquiditeitssteun in de vorm van zekerhedenswaptransacties verstrekt, kan de bevoegde autoriteit instellingen van de vereisten van de punten d) en e) van de eerste alinea vrijstellen, indien die bevoegde autoriteit van oordeel is dat de openbaarmaking van de in die punten bedoelde informatie zou kunnen onthullen dat noodliquiditeitssteun is verstrekt. De bevoegde autoriteit voorziet daartoe in passende drempels en objectieve criteria.

Artikel 440

Openbaarmaking van anticyclische kapitaalbuffers

Instellingen gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun naleving van het vereiste inzake een anticyclische kapitaalbuffer als bedoeld in titel VII, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2013/36/EU:

a) 

de geografische verdeling van de posten en de risicogewogen posten van hun kredietblootstellingen die als basis gebruikt worden voor de berekening van hun anticyclische kapitaalbuffer;

b) 

het bedrag van hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer.

Artikel 441

Openbaarmaking van indicatoren voor mondiale systeemrelevantie

MSI's gaan jaarlijks over tot openbaarmaking van de waarden van de indicatoren die worden gehanteerd voor het vaststellen van hun score volgens de in artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde identificatiemethode.

Artikel 442

Openbaarmaking van blootstellingen aan kredietrisico en verwateringsrisico

Instellingen gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun blootstellingen aan kredietrisico en verwateringsrisico:

a) 

het toepassingsgebied en de definities van de begrippen „achterstallig” en „dubieus” voor verslagleggingsdoeleinden, en de eventuele verschillen tussen de definities van „achterstallig” en „in wanbetaling” voor verslagleggingsdoeleinden en wettelijke doeleinden;

b) 

een beschrijving van de toegepaste benaderingen en methoden om aanpassingen voor het specifieke en algemene kredietrisico vast te stellen;

c) 

informatie over de hoeveelheid en de kwaliteit van renderende, niet-renderende en respijtblootstellingen voor leningen, schuldtitels en blootstellingen buiten de balanstelling, inclusief de bijbehorende gecumuleerde waardevermindering, voorzieningen en negatieve veranderingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico en ontvangen bedragen aan zekerheden en financiële garanties;

d) 

een verouderingsanalyse van boekhoudkundige achterstallige blootstellingen;

e) 

de bruto boekwaarde van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan en die ten aanzien waarvan zich geen wanbetaling heeft voorgedaan, de gecumuleerde algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen, de gecumuleerde afschrijvingen tegen die blootstellingen en de netto boekwaarde en de verdeling ervan per geografisch gebied en sector en voor leningen, schuldtitels en blootstellingen buiten de balanstelling;

f) 

wijzigingen in het brutobedrag van blootstellingen binnen en buiten de balanstelling in wanbetaling, met inbegrip van ten minste informatie over het begin- en eindsaldo van die blootstellingen, het brutobedrag van elk van die blootstellingen die niet langer in wanbetaling zijn of worden afgeboekt;

g) 

de uitsplitsing van leningen en schuldtitels naar resterende looptijd.

Artikel 443

Openbaarmaking van bezwaarde en onbezwaarde activa

Instellingen maken informatie over hun bezwaarde en hun onbezwaarde activa openbaar. Hiertoe gebruiken zij de boekwaarde per blootstellingscategorie, uitgesplitst op basis van de kwaliteit van de activa en het totale bedrag van de boekwaarde die bezwaard is en die onbezwaard is. Bij de openbaarmaking van informatie over bezwaarde en onbezwaarde activa mag niet worden onthuld of door de centrale banken noodliquiditeitssteun wordt verstrekt.

Artikel 444

Openbaarmaking van het gebruik van de standaardbenadering

Instellingen die hun risicogewogen posten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, berekenen, maken de volgende informatie openbaar voor elk van de categorieën blootstellingen in artikel 112:

a) 

de naam van de aangewezen EKBI's en kredietbeoordelaars en de redenen die aan eventuele veranderingen in die aanwijzingen gedurende de openbaarmakingsperiode ten grondslag liggen;

b) 

de categorieën blootstellingen waarvoor elke EKBI of kredietbeoordelaar wordt gebruikt;

c) 

een beschrijving van de procedure waarbij de kredietbeoordelingen van uitgevende instellingen en uitgiften worden overgedragen op niet in de handelsportefeuille opgenomen posten;

d) 

de toekenning aan de externe rating door elke aangewezen EKBI of kredietbeoordelaar van de risicogewichten die overeenstemmen met de kredietkwaliteitscategorieën in deel 3, titel II, hoofdstuk 2, rekening houdend met het feit dat deze informatie niet openbaar hoeft te worden gemaakt indien de instelling aan de door de EBA gepubliceerde standaardindeling voldoet;

e) 

de blootstellingswaarden en de blootstellingswaarden na kredietrisicolimitering die bij elke in deel 3, titel II, hoofdstuk 2, beschreven kredietkwaliteitscategorie zijn ondergebracht, uitgesplitst naar blootstellingscategorie, alsook de blootstellingswaarden die op het eigen vermogen in mindering zijn gebracht.

▼M17

Artikel 445

Openbaarmaking van blootstellingen aan marktrisico volgens de standaardbenadering

1.  
Instellingen die van bevoegde autoriteiten geen toestemming hebben gekregen om de alternatieve internemodellenbenadering van artikel 325 terquinquagies te hanteren, en die de vereenvoudigde standaardbenadering van artikel 325 bis of de alternatieve standaardbenadering overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis, hanteren, maken een overzicht van hun posities in de handelsportefeuille openbaar.
2.  

Instellingen die eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis, berekenen, maken hun totale eigenvermogensvereisten, eigenvermogensvereisten voor de op gevoeligheden gebaseerde methoden, eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico en eigenvermogensvereisten voor restrisico’s openbaar. De openbaarmakingen van eigenvermogensvereisten voor de maatstaven van de op gevoeligheden gebaseerde methode en voor wanbetalingsrisico worden uitgesplitst in de volgende instrumenten:

a) 

financiële instrumenten niet zijnde in de handelsportefeuille gehouden securitisatie-instrumenten, met een uitsplitsing naar risicoklasse, en een afzonderlijke identificatie van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico;

b) 

niet in de ACHP gehouden securitisatie-instrumenten, met een afzonderlijke identificatie van de eigenvermogensvereisten voor het creditspreadrisico en de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico;

c) 

in de ACHP gehouden securitisatie-instrumenten, met een afzonderlijke identificatie van de eigenvermogensvereisten voor het creditspreadrisico en de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico.

▼M17

Artikel 445 bis

Openbaarmaking van het CVA-risico

1.  

Instellingen waarvoor de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico gelden, maken de volgende informatie openbaar:

a) 

een overzicht van hun processen om hun CVA-risico in kaart te brengen, te meten, af te dekken en te monitoren;

b) 

of zij aan alle voorwaarden van artikel 273 bis, lid 2, voldoen; indien aan die voorwaarden wordt voldaan, of zij ervoor hebben gekozen om de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen aan de hand van de vereenvoudigde benadering van artikel 385; indien zij ervoor hebben gekozen om de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen aan de hand van de vereenvoudigde benadering, de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig die benadering;

c) 

het totale aantal tegenpartijen waarvoor de standaardbenadering wordt gehanteerd, met een uitsplitsing naar type tegenpartij.

2.  

Instellingen die de in artikel 383 vastgelegde standaardbenadering hanteren voor het berekenen van eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico, maken behalve de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie de volgende informatie openbaar:

a) 

de structuur, de organisatie en de governance van hun interne risicobeheerfunctie voor het CVA-risico;

b) 

hun totale eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico volgens de standaardbenadering, met een uitsplitsing naar risicoklasse;

c) 

een overzicht van de bij die berekening gebruikte toelaatbare afdekkingen, met een uitsplitsing naar het type van de in artikel 386, lid 2, vastgelegde instrumenten.

3.  

Instellingen die de in artikel 384 vastgelegde basisbenadering hanteren voor het berekenen van eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico, maken behalve de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie de volgende informatie openbaar:

a) 

hun totale eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico volgens de basisbenadering, en de bestanddelen BACVAtotal en BACVAcsr-hedged ;

b) 

een overzicht van de bij die berekening gebruikte toelaatbare afdekkingen, met een uitsplitsing volgens het in artikel 386, lid 3, vastgelegde type instrumenten.

▼M17

Artikel 446

Openbaarmaking van operationeel risico

1.  

Instellingen maken de volgende informatie openbaar:

a) 

de belangrijkste kenmerken en elementen van hun raamwerk voor het beheer van het operationeel risico;

b) 

hun eigenvermogensvereiste voor het operationeel risico gelijk aan de overeenkomstig artikel 313 berekende Business Indicator Component (BIC);

c) 

de Business Indicator, berekend overeenkomstig artikel 314, lid 1, en de bedragen van elke van de componenten en subcomponenten van de Business Indicator voor elk van de drie voor de berekening van de Business Indicator relevante jaren;

d) 

voor elke uitsluiting van de Business Indicator overeenkomstig artikel 315, lid 2, het bedrag waarmee de Business Indicator afneemt, alsmede de verantwoordingen voor dergelijke uitsluitingen.

2.  

Instellingen die hun jaarlijkse uit het operationeel risico voortvloeiende verliezen overeenkomstig artikel 316, lid 1, berekenen, maken behalve de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie de volgende informatie openbaar:

a) 

hun jaarlijkse uit het operationeel risico voortvloeiende verliezen voor de afgelopen tien boekjaren, berekend overeenkomstig artikel 316, lid 1;

b) 

het aantal uitzonderlijke operationeel-risicogebeurtenissen en de totale daardoor geleden netto uit het operationeel risico voortvloeiende verliezen die overeenkomstig artikel 320, lid 1, van de berekening van de jaarlijkse uit het operationeel risico voortvloeiende verliezen zijn uitgesloten, voor ieder van de afgelopen tien boekjaren, alsmede de verantwoording voor die uitsluitingen.

▼M8

Artikel 447

Openbaarmaking van kernmaatstaven

Instellingen maken de volgende kernmaatstaven openbaar in tabelvorm:

▼M17

a) 

de samenstelling van hun eigen vermogen en hun risicogebaseerde kapitaalratio’s, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 2;

▼M17

a bis) 

in voorkomend geval de risicogebaseerde kapitaalratio’s, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 2, gebruikmakend van het totaal van de risicoposten zonder ondergrens in plaats van het totaal van de risicoposten;

▼M17

b) 

het overeenkomstig artikel 92, lid 3, berekende totaal van de risicoposten en, in voorkomend geval, het overeenkomstig artikel 92, lid 4, berekende totaal van de risicoposten zónder ondergrens;

▼M8

c) 

indien van toepassing, het bedrag en de samenstelling van het aanvullend eigen vermogen dat zij moeten aanhouden overeenkomstig artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU;

▼M17

d) 

het gecombineerd buffervereiste dat de instellingen overeenkomstig titel VII, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2013/36/EU moeten aanhouden;

▼M8

e) 

hun hefboomratio en de maatstaf van totale blootstelling, berekend overeenkomstig artikel 429;

f) 

de volgende informatie met betrekking tot hun liquiditeitsdekkingsratio, berekend overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling:

i) 

het gemiddelde of de gemiddelden, naargelang het geval, van hun liquiditeitsdekkingsratio op basis van waarnemingen aan het einde van de maand gedurende de voorgaande twaalf maanden voor elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode;

ii) 

het gemiddelde of de gemiddelden, naargelang het geval, van de totale liquide activa, na toepassing van de passende reductiefactoren, die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in de liquiditeitsbuffer zijn opgenomen, op basis van waarnemingen aan het einde van de maand gedurende de voorgaande twaalf maanden voor elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode;

iii) 

de gemiddelden van hun instromen en uitstromen van liquiditeit en de nettoliquiditeitsuitstromen, berekend op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, op basis van waarnemingen aan het einde van de maand gedurende de voorgaande twaalf maanden voor elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode;

g) 

de volgende informatie met betrekking tot hun nettostabielefinancieringsvereiste, berekend overeenkomstig deel zes, titel IV:

i) 

de nettostabielefinancieringsratio aan het einde van elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode;

ii) 

de stabiele financiering die aan het einde van elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode beschikbaar is;

iii) 

de stabiele financiering die aan het einde van elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode vereist is;

h) 

hun ratio's van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva en de componenten daarvan, teller en noemer, berekend overeenkomstig de artikelen 92 bis en 92 ter en, indien van toepassing, uitgesplitst op het niveau van elke af te wikkelen groep.

Artikel 448

Openbaarmaking van blootstellingen aan renterisico in verband met niet in de handelsportefeuille opgenomen posities

1.  

Met ingang van 28 juni 2021 gaan instellingen over tot openbaarmaking van de volgende kwantitatieve en kwalitatieve informatie over de risico's uit hoofde van potentiële wijzigingen in rentetarieven die van invloed zijn op zowel de economische waarde van het eigen vermogen als de nettorentebaten van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille als bedoeld in artikel 84 en artikel 98, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU:

a) 

de wijzigingen in de economische waarde van het eigen vermogen, berekend onder de zes schokscenario's in het toezicht als bedoeld in artikel 98, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU voor de lopende en voorgaande openbaarmakingperioden;

b) 

de wijzigingen in de nettorentebaten, berekend onder de twee schokscenario's in het toezicht als bedoeld in artikel 98, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU voor de lopende en voorgaande openbaarmakingperioden;

c) 

een beschrijving van de voornaamste aannames voor modellering en parameters, behalve die, bedoeld in artikel 98, lid 5 bis, punten b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU, die worden gebruikt voor het berekenen van de wijzigingen in de economische waarde van het eigen vermogen en in de nettorentebaten die vereist zijn krachtens de punten a) en b) van dit lid;

d) 

een toelichting bij de significantie van de krachtens de punten a) en b) van dit lid openbaar gemaakte risicomaatstaven en van alle significante variaties van die risicomaatstaven sinds de vorige referentiedatum voor de openbaarmaking;

e) 

de beschrijving van de wijze waarop instellingen het renterisico van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille bepalen, meten, limiteren en controleren ten behoeve van de toetsing door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 84 van Richtlijn 2013/36/EU, inclusief:

i) 

een beschrijving van de specifieke risicomaatstaven die instellingen gebruiken voor het evalueren van veranderingen in de economische waarde van het eigen vermogen en in hun nettorentebaten;

ii) 

een beschrijving van de voornaamste aannames voor modellering en parameters die worden gebruikt bij de interne meetsystemen van instellingen en die zouden verschillen van de gemeenschappelijke aannames voor modellering en parameters als bedoeld in artikel 98, lid 5 bis, van Richtlijn 2013/36/EU voor het berekenen van de wijzigingen in de economische waarde van het eigen vermogen en in de nettorentebaten, inclusief de redenen voor deze verschillen;

iii) 

een beschrijving van de renteschokscenario's die instellingen gebruiken om het renterisico te schatten;

iv) 

de opname van het effect van afdekkingen tegen die renterisico's, met inbegrip van interne afdekkingen die voldoen aan de vereisten in artikel 106, lid 3;

v) 

een overzicht van de frequentie waarmee de evaluatie van het renterisico plaatsvindt;

f) 

de beschrijving van de algemene strategieën voor risicobeheer en beperking van die risico's;

g) 

de gemiddelde en langste looptijd voor renteherziening die aan deposito's zonder vaste looptijd wordt toegekend.

2.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel zijn de vereisten in punt c) en punt e), onder i) tot en met iv), van lid 1 van dit artikel niet van toepassing op instellingen die gebruik maken van de gestandaardiseerde methode of de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode, bedoeld in artikel 84, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU.

Artikel 449

Openbaarmaking van blootstellingen met betrekking tot securitisatieposities

Instellingen die de risicogewogen posten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, of eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 337 of 338 berekenen, maken de volgende informatie afzonderlijk openbaar voor hun activiteiten binnen en buiten de handelsportefeuille:

a) 

een beschrijving van hun securitisatie- en hersecuritisatieactiviteiten, met inbegrip van hun risicobeheers- en beleggingsdoelstellingen in verband met deze activiteiten, hun rol in de securitisatie- en hersecuritisatietransacties, of zij gebruik maken van de eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie (STS), als omschreven in artikel 242, punt 10, en de mate waarin zij gebruikmaken van securitisatietransacties om het kredietrisico van de gesecuritiseerde blootstellingen aan derden over te dragen, in voorkomend geval met een afzonderlijke beschrijving van hun beleid inzake de overdracht van risico bij synthetische securitisatie;

b) 

het soort risico waaraan zij zijn blootgesteld bij hun securitisatie- en hersecuritisatieactiviteiten naar rangorde van de betrokken securitisatieposities, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen STS- en niet-STS-posities, en:

i) 

het bij zelf geïnitieerde transacties behouden risico;

ii) 

het risico dat wordt gelopen in verband met transacties die door derden zijn geïnitieerd;

c) 

de benaderingen die zij in het kader van hun securitisatieactiviteiten toepassen met het oog op de berekening van risicogewogen posten, met inbegrip van de soorten securitisatieposities waarop elke benadering van toepassing is en met een onderscheid tussen STS- en niet-STS-posities;

d) 

een lijst van SSPE's die onder een van de volgende categorieën vallen, met een beschrijving van hun soorten blootstellingen aan die SSPE's, met inbegrip van derivatencontracten:

i) 

SSPE's die blootstellingen verwerven die door instellingen zijn geïnitieerd;

ii) 

SSPE's die door instellingen worden gesponsord;

iii) 

SSPE's en andere juridische entiteiten waarvoor instellingen securitisatiegerelateerde diensten verlenen, zoals diensten inzake advisering, asset servicing of beheerdiensten;

iv) 

SSPE's die in het in de regelgeving opgenomen toepassingsgebied van consolidatie van instellingen zijn opgenomen;

e) 

een lijst van alle juridische entiteiten ten aanzien waarvan instellingen openbaar hebben gemaakt dat zij ondersteuning hebben verleend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5;

f) 

een lijst van juridische entiteiten die verbonden zijn aan instellingen en die beleggen in securitisaties die door instellingen worden geïnitieerd of in securitisatieposities die zijn uitgegeven door SSPE's die door instellingen worden gesponsord;

g) 

een samenvatting van hun grondslagen voor financiële verslaggeving inzake securitisatieactiviteiten, met inbegrip van, in voorkomend geval, een onderscheid tussen securitisatie- en hersecuritisatieposities;

h) 

de namen van de EKBI's die voor securitisaties worden gebruikt en de soorten blootstellingen waarvoor elk van deze instellingen wordt gebruikt;

i) 

in voorkomend geval, een beschrijving van de internebeoordelingsbenadering overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, waarbij onder meer melding wordt gemaakt van de structuur van de internebeoordelingsprocedure en de relatie tussen interne beoordeling en externe ratings van de betrokken EKBI, openbaar gemaakt overeenkomstig punt h), de controlemechanismen die van toepassing zijn op de internebeoordelingsprocedure, inclusief de bespreking van de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid daarvan, en de toetsing van de internebeoordelingsprocedure, de soorten blootstellingen waarop de internebeoordelingsprocedure wordt toegepast en de gehanteerde stressfactoren voor het bepalen van de kredietverbeteringsniveaus;

j) 

voor de handels- en de niet-handelsportefeuille afzonderlijk, de boekwaarde van securitisatieblootstellingen, met inbegrip van informatie over de vraag of de instellingen een aanzienlijk deel van het kredietrisico hebben overgedragen overeenkomstig de artikelen 244 en 245, en waarvoor de instellingen optreden als initiator, sponsor of belegger, afzonderlijk voor traditionele en synthetische securitisaties en voor STS- en niet-STS-transacties, en uitgesplitst naar soort securitisatieblootstelling;

k) 

voor de niet-handelsportefeuilleactiviteiten, de volgende informatie:

i) 

het totaalbedrag van securitisatieposities waarbij instellingen als initiator of sponsor optreden en de daaraan verbonden risicogewogen activa en kapitaalvereisten op grond van in de regelgeving opgenomen benaderingen, met inbegrip van blootstellingen die in mindering worden gebracht op het eigen vermogen en blootstellingen met een risicoweging van 1 250  %, uitgesplitst naar traditionele en synthetische securitisaties en naar securitisatie- en hersecuritisatieblootstellingen, voor STS- en niet-STS-posities afzonderlijk, en verder onderverdeeld in een zinvol aantal risicogewicht- of kapitaalvereiste-bandbreedtes en in de voor het berekenen van de kapitaalvereisten gebruikte benadering;

ii) 

het totaalbedrag van securitisatieposities waarbij instellingen als belegger optreden en de daaraan verbonden risicogewogen activa en kapitaalvereisten op grond van in de regelgeving opgenomen benaderingen, met inbegrip van blootstellingen die in mindering worden gebracht op het eigen vermogen en blootstellingen met een risicoweging van 1 250  %, uitgesplitst naar traditionele en synthetische securitisaties, securitisatie- en hersecuritisatieposities, en STS- en niet-STS-posities, en verder onderverdeeld in een zinvol aantal risicogewicht- of kapitaalvereiste-bandbreedtes en in de voor het berekenen van de kapitaalvereisten gevolgde benadering;

l) 

voor door de instelling gesecuritiseerde blootstellingen, het bedrag van de blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling en het bedrag van de specifieke kredietrisicoaanpassingen die gedurende de betrokken periode door de instelling zijn verricht, beide uitgesplitst naar soort blootstelling.

▼M17

Artikel 449 bis

Openbaarmaking van ecologische, sociale en governancerisico’s (ESG-risico’s)

1.  
De instellingen maken informatie over ESG-risico’s openbaar, en maken een onderscheid tussen ecologische, sociale en governancerisico’s, en bij ecologische risico’s, tussen fysieke risico’s en transitierisico’s.
2.  

Voor de toepassing van lid 1 maken de instellingen informatie openbaar over ESG-risico’s, met inbegrip van:

a) 

het totale bedrag van blootstellingen met betrekking tot entiteiten uit de sector fossiele brandstoffen;

b) 

hoe zij de vastgestelde ESG-risico’s integreren in hun bedrijfsstrategie en -processen, evenals governance en risicobeheer.

3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen voor uniforme openbaarmakingsformats, zoals vastgelegd in artikel 434 bis, voor ESG-risico’s waarbij ervoor wordt gezorgd dat deze in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en dit ook naleven, en waarbij duplicatie van openbaarmakingsvereisten die reeds in ander toepasselijk Unierecht zijn vastgesteld, wordt vermeden. Die formats vergen geen openbaarmaking van andere informatie dan die welke overeenkomstig artikel 430, lid 1, punt h), aan de bevoegde autoriteiten moet worden gerapporteerd. Met name nemen de formats de omvang en complexiteit van de instelling en de relatieve blootstelling van aan artikel 433 ter onderworpen kleine en niet-complexe instellingen aan ESG-risico’s in aanmerking.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M17

Artikel 449 ter

Openbaarmaking van geaggregeerde blootstelling aan schaduwbankentiteiten

Instellingen maken de in artikel 394, lid 2, tweede alinea, bedoelde informatie over hun geaggregeerde blootstelling aan schaduwbankentiteiten openbaar.

▼M8

Artikel 450

Openbaarmaking van het beloningsbeleid

1.  

Instellingen gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun beloningsbeleid en hun beloningscultuur ten aanzien van de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instellingen wezenlijk beïnvloeden:

a) 

informatie over het besluitvormingsproces voor de vaststelling van het beloningsbeleid, alsmede over het aantal vergaderingen van het voornaamste beloningstoezichtsorgaan gedurende het boekjaar, inclusief, indien van toepassing, informatie over de samenstelling en het mandaat van een beloningscomité, de externe adviseur op wie een beroep is gedaan bij de vaststelling van het beloningsbeleid en de rol van de betrokken belanghebbenden;

b) 

informatie over het verband tussen de beloning van het personeel en hun prestaties;

c) 

de belangrijkste kenmerken van het beloningssysteem, met inbegrip van informatie over de voor prestatiebeoordeling en risicocorrectie gehanteerde criteria, het uitstelbeleid en de criteria voor definitieve verwerving;

d) 

de overeenkomstig artikel 94, lid 1, punt g), van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde verhoudingen tussen vaste en variabele beloning;

e) 

informatie over de prestatiecriteria op basis waarvan aandelen, opties of variabele beloningscomponenten worden toegekend;

f) 

de belangrijkste parameters en de motivering voor elk variabel beloningssysteem en voor eventuele andere niet-contante voordelen;

g) 

geaggregeerde kwantitatieve informatie over de beloning, uitgesplitst naar bedrijfsonderdeel;

h) 

geaggregeerde kwantitatieve informatie over de beloning, uitgesplitst naar directie en medewerkers wier werkzaamheden het risicoprofiel van instellingen wezenlijk beïnvloeden, met opgave van de volgende gegevens:

i) 

beloningsbedragen die voor het boekjaar zijn toegekend, uitgesplitst naar vaste beloning, inclusief een beschrijving van de vaste componenten, en variabele beloning, en het aantal begunstigden;

ii) 

de bedragen en vormen van toegekende variabele beloning, uitgesplitst naar contanten, aandelen, aan aandelen verbonden instrumenten en overige, afzonderlijk voor het vooruitbetaalde en het uitgestelde gedeelte;

iii) 

de bedragen van de uitgestelde beloning, toegekend voor eerdere prestatieperiodes, uitgesplitst naar het in het boekjaar verworven bedrag en het in daaropvolgende jaren verworven bedrag;

iv) 

het bedrag van de in het boekjaar verworven uitgestelde beloning dat wordt uitbetaald in het boekjaar, verminderd vanwege aanpassingen aan de prestatie;

v) 

de gegarandeerde variabele beloning, toegekend gedurende het boekjaar, en het aantal begunstigden hiervan;

vi) 

de betalingen bij ontslag, toegekend in voorgaande perioden die zijn uitbetaald in de loop van het boekjaar;

vii) 

de bedragen van de betalingen bij ontslag, toegekend gedurende het boekjaar, uitgesplitst naar vooruitbetaalde en uitgestelde, het aantal begunstigden van die betalingen en de hoogste betaling die aan één enkele persoon is toegekend;

i) 

het aantal personen wier beloning per boekjaar 1 miljoen EUR of meer bedraagt, waarbij een beloning tussen 1 miljoen EUR en 5 miljoen EUR wordt uitgesplitst naar beloningsschalen van 500 000 EUR, en een beloning van 5 miljoen EUR en meer naar beloningsschalen van 1 miljoen EUR;

j) 

op verzoek van de betrokken lidstaat of de bevoegde autoriteit, de totale beloning van elk lid van het leidinggevend orgaan of de directie;

k) 

informatie over het feit of de instelling een afwijking geniet als bepaald in artikel 94, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU.

Voor de toepassing van punt k) van de eerste alinea van dit lid geven instellingen die een dergelijke afwijking genieten, aan of zij die afwijking genieten op grond van punt a) of punt b) van artikel 94, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU. Zij vermelden ook voor welke van de beloningsbeginselen zij de afwijking(en) vragen, het aantal personeelsleden dat de afwijking(en) geniet en hun totale beloning, uitgesplitst naar vaste en variabele beloning.

2.  
Voor grote instellingen wordt de kwantitatieve informatie over de beloning van het gezamenlijk leidinggevend orgaan van instellingen als bedoeld in dit artikel eveneens beschikbaar gesteld voor het publiek, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen uitvoerende en niet-uitvoerende leden.

Instellingen voldoen aan de vereisten van dit artikel op een wijze die past bij hun omvang, interne organisatie en de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten, en onverminderd Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad ( 38 ).

Artikel 451

Openbaarmaking van de hefboomratio

1.  

Instellingen die onderworpen zijn aan deel zeven maken de volgende informatie openbaar over hun hefboomratio, berekend overeenkomstig artikel 429, en over de wijze waarop zij het risico van buitensporige hefboomfinanciering beheren:

a) 

de hefboomratio en de wijze van toepassing door de instellingen van artikel 499, lid 2;

b) 

een opsplitsing van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf van totale blootstelling alsmede een afstemming van de maatstaf van totale blootstelling op de relevante in gepubliceerde financiële overzichten openbaar gemaakte informatie;

c) 

in voorkomend geval, het bedrag van de blootstellingen, omschreven overeenkomstig artikel 429, lid 8, en artikel 429 bis, lid 1, en de aangepaste hefboomratio berekend overeenkomstig artikel 429 bis, lid 7;

d) 

een beschrijving van de procedures ten behoeve van het beheer van het risico van buitensporige hefboomwerking;

e) 

een beschrijving van de factoren die een invloed hadden op de hefboomratio in de periode waarop de openbaar gemaakte hefboomratio betrekking heeft;

▼M17

f) 

het bedrag van de aanvullend-eigenvermogensvereisten op basis van de procedure voor toetsing door de toezichthouder als bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU, om het risico van buitensporige hefboomwerking en de samenstelling daarvan tegen te gaan.

▼M8

2.  
Publiekrechtelijke ontwikkelingskredietinstellingen in de zin van artikel 429 bis, lid 2, maken de hefboomratio openbaar zonder de aanpassing aan de maatstaf van totale blootstelling, vastgesteld overeenkomstig artikel 429 bis, lid 1, eerste alinea, punt d).
3.  
Naast de punten a) en b) van lid 1 van dit artikel maken grote instellingen de hefboomratio en de opsplitsing van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf van totale blootstelling op basis van overeenkomstig de in artikel 430, lid 7, bedoelde uitvoeringshandeling berekende gemiddelden openbaar.

Artikel 451 bis

Openbaarmaking van liquiditeitsvereisten

1.  
Instellingen die onderworpen zijn aan deel zes gaan overeenkomstig dit artikel over tot openbaarmaking van informatie over hun liquiditeitsdekkingsratio, nettostabielefinancieringsratio en liquiditeitsrisicobeheer.
2.  

Instellingen gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun liquiditeitsdekkingsratio, berekend overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling:

a) 

het gemiddelde of de gemiddelden, naargelang het geval, van hun liquiditeitsdekkingsratio op basis van waarnemingen aan het einde van de maand gedurende de voorgaande twaalf maanden voor elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode;

b) 

het gemiddelde of de gemiddelden, naargelang het geval, van de totale liquide activa, na toepassing van de passende reductiefactoren, die op grond van de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling in de liquiditeitsbuffer zijn opgenomen, op basis van waarnemingen aan het einde van de maand gedurende de voorgaande twaalf maanden voor elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode, en een beschrijving van de samenstelling van die liquiditeitsbuffer;

c) 

de gemiddelden van hun instromen en uitstromen van liquiditeit en de nettoliquiditeitsuitstromen, berekend overeenkomstig de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, op basis van waarnemingen aan het einde van de maand gedurende de voorgaande twaalf maanden voor elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode, en een beschrijving van de samenstelling daarvan.

3.  

Instellingen gaan over tot openbaarmaking van de volgende informatie over hun nettostabielefinancieringsratio, berekend overeenkomstig deel zes, titel IV:

a) 

kwartaaleindecijfers van hun nettostabielefinancieringsratio, berekend overeenkomstig deel zes, titel IV, hoofdstuk 2, voor elk kwartaal van de betrokken openbaarmakingsperiode;

b) 

een overzicht van het bedrag van de beschikbare stabiele financiering, berekend overeenkomstig deel zes, titel IV, hoofdstuk 3;

c) 

een overzicht van het bedrag van de vereiste stabiele financiering, berekend overeenkomstig deel zes, titel IV, hoofdstuk 4.

4.  
Instellingen gaan over tot openbaarmaking van de regelingen, systemen, procedures en strategieën die zijn ingevoerd voor het bepalen, meten, beheren en monitoren van hun liquiditeitsrisico overeenkomstig artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU.

▼M17

Artikel 451 ter

Openbaarmaking van blootstellingen aan cryptoactiva en daarmee samenhangende activiteiten

1.  

Instellingen maken de volgende informatie openbaar over cryptoactiva en cryptoactivadiensten, alsook over andere activiteiten in verband met cryptoactiva:

a) 

de directe en indirecte blootstellingsbedragen met betrekking tot cryptoactiva, met inbegrip van de bruto lange en korte componenten van nettoblootstellingen;

b) 

het totaal van de risicoposten voor operationeel risico;

c) 

de boekhoudkundige indeling voor blootstellingen aan cryptoactiva;

d) 

een beschrijving van de bedrijfsactiviteiten in verband met cryptoactiva en de impact ervan op het risicoprofiel van de instelling;

e) 

een specifieke beschrijving van hun risicobeheerbeleid met betrekking tot blootstellingen aan cryptoactiva en cryptoactivadiensten.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), van dit lid verstrekken de instellingen meer gedetailleerde informatie over materiële bedrijfsactiviteiten, inclusief over de uitgifte van significante activagerelateerde tokens en van significante e-moneytokens en over het aanbieden van cryptoactivadiensten krachtens de artikelen 60 en 61 van Verordening (EU) 2023/1114.

2.  
De instellingen passen de in artikel 432 neergelegde uitzondering voor de openbaarmakingsvereisten van lid 1 van dit artikel niet toe.

▼M8

TITEL III

TE VERVULLEN VEREISTEN VOOR HET GEBRUIK VAN BEPAALDE INSTRUMENTEN OF METHODEN

Artikel 452

Openbaarmaking van het gebruik van de IRB-benadering voor het kredietrisico

Instellingen die de risicogewogen posten volgens de IRB-benadering voor kredietrisico berekenen, maken de volgende informatie openbaar:

a) 

de toestemming van de bevoegde autoriteit voor het gebruik van de benadering of van overgangsbepalingen;

b) 

voor elke categorie blootstellingen als bedoeld in artikel 147, het percentage van de totale blootstellingswaarde van elke categorie blootstellingen die onderworpen zijn aan de standaardbenadering als vastgesteld in deel drie, titel II, hoofdstuk 2, of aan de IRB-benadering als vastgesteld in deel drie, titel II, hoofdstuk 3, alsmede het gedeelte van elke blootstellingscategorie dat onderworpen is aan een invoeringsplan; indien instellingen toestemming hebben gekregen voor het gebruik van eigen LGD's en ►C8  omrekeningsfactor ◄ voor de berekening van risicogewogen posten, maken zij afzonderlijk het percentage openbaar van de totale blootstellingswaarde van elke blootstellingscategorie die onderworpen is aan die toestemming;

c) 

de controlemechanismen voor ratingsystemen in de verschillende stadia van modelontwikkeling, -controles en -wijzigingen, die informatie bevatten over:

i) 

de verhouding tussen de risicobeheerfunctie en de internecontrolefunctie;

ii) 

de toetsing van het ratingsysteem;

iii) 

de procedure die waarborgt dat de functie die belast is met de toetsing van de modellen onafhankelijk is van de functies die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van de modellen;

iv) 

de procedure die waarborgt dat de functies die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling en de toetsing van de modellen verantwoordingsplichtig zijn;

d) 

de rol van de functies die betrokken zijn bij de ontwikkeling, goedkeuring en daaropvolgende wijzigingen van de kredietrisicomodellen;

e) 

de werkingssfeer en hoofdinhoud van de rapportage met betrekking tot kredietrisicomodellen;

f) 

een beschrijving van de interneratingprocedure per categorie blootstellingen, met inbegrip van het voor elke portefeuille gebruikte aantal kernmodellen en een korte uiteenzetting van de belangrijkste verschillen tussen de modellen binnen dezelfde portefeuille, waarin het volgende wordt behandeld:

i) 

de definities, methoden en gegevens voor de raming en validatie van PD, met informatie over de wijze waarop PD's worden geraamd voor portefeuilles met een lage kans op wanbetaling, over eventuele in de regelgeving bepaalde vloeren en over de oorzaken van de verschillen die ten minste in de laatste drie periodes zijn waargenomen tussen PD en de werkelijke wanbetalingsgraad;

ii) 

in voorkomend geval, de definities, methoden en gegevens voor de raming en validatie van LGD, zoals methoden voor het berekenen van LGD tijdens een economische neergang, de wijze waarop LGD's worden geraamd voor portefeuilles met een lage kans op wanbetaling en het tijdsbestek tussen de gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat en de afsluiting van de blootstelling;

iii) 

in voorkomend geval, de definities, methoden en gegevens voor de raming en validatie van ►C8  omrekeningsfactor ◄ , met inbegrip van de aannames die bij de afleiding van deze variabelen worden gehanteerd;

g) 

in voorkomend geval, de volgende informatie met betrekking tot elke categorie blootstellingen, bedoeld in artikel 147:

i) 

de brutoblootstelling ervan binnen de balanstelling;

ii) 

de blootstellingwaarden ervan buiten de balanstelling vóór toepassing van de betrokken ►C8  omrekeningsfactoren ◄ ;

iii) 

de blootstelling ervan na toepassing van de betrokken ►C8  omrekeningsfactoren ◄ en kredietrisicolimitering;

iv) 

alle modellen, parameters of inputs die relevant zijn voor het inzicht in de risicoweging en de daaruit voortvloeiende risicoposten, die in een voldoende aantal debiteurenklassen (inclusief wanbetaling) openbaar worden gemaakt om een zinvolle differentiatie van het kredietrisico mogelijk te maken;

v) 

afzonderlijk voor de categorieën blootstellingen waarvoor instellingen toestemming hebben gekregen om voor de berekening van risicogewogen posten eigen LGD's en ►C8  omrekeningsfactor ◄ te gebruiken, en voor blootstellingen ten aanzien waarvan de instellingen geen gebruik maken van dergelijke ramingen, de onder i) tot en met iv) bedoelde waarden die aan die toestemming onderworpen zijn;

h) 

de PD-ramingen van de instellingen tegenover de werkelijke wanbetalingsgraad voor elke categorie blootstellingen over een langere periode, met afzonderlijke openbaarmaking van de PD-bandbreedte, de waarde van de externe rating, de gewogen gemiddelde PD en de rekenkundig gemiddelde PD, het aantal debiteuren aan het einde van het voorgaande jaar en aan het einde van het beschouwde boekjaar, het aantal in gebreke gebleven debiteuren inclusief de nieuwe in gebreke gebleven debiteuren, en de jaarlijkse gemiddelde historische wanbetalingsgraad.

Voor de toepassing van punt b) van dit artikel gebruiken instellingen de blootstellingswaarde als omschreven in artikel 166.

Artikel 453

Openbaarmaking van het gebruik van technieken voor kredietrisicolimitering

Instellingen die kredietrisicolimiteringstechnieken gebruiken, maken de volgende informatie openbaar:

a) 

de belangrijkste kenmerken van de beleidslijnen en procedures voor verrekening binnen en buiten de balanstelling en een indicatie van de mate waarin instellingen gebruik maken van balansverrekening;

b) 

de belangrijkste kenmerken van de beleidslijnen en procedures voor de evaluatie en het beheer van in aanmerking komende zekerheden;

c) 

een beschrijving van de voornaamste soorten door de instelling aanvaarde zekerheden ter limitering van kredietrisico;

d) 

voor garanties en kredietderivaten ten behoeve van kredietprotectie, de voornaamste soorten garantiegevers en tegenpartijen bij kredietderivaten en hun kredietwaardigheid, gebruikt ter vermindering van de kapitaalvereisten, met uitzondering van die welke als onderdeel van synthetische-securitisatiestructuren worden ingezet;

e) 

informatie over concentraties van markt- of kredietrisico in het kader van de toegepaste kredietrisicolimitering;

f) 

voor instellingen die risicogewogen posten berekenen volgens de standaardbenadering of de IRB-benadering, de totale blootstellingswaarde die niet gedekt is door toelaatbare kredietprotectie en de totale blootstellingswaarde die gedekt is door toelaatbare kredietprotectie na toepassing van volatiliteitsaanpassingen; de in dit punt bedoelde openbaarmaking vindt afzonderlijk plaats voor leningen en schuldtitels, en omvat een uitsplitsing van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling;

g) 

de overeenkomstige ►C8  omrekeningsfactoren ◄ en de kredietrisicolimitering in verband met de blootstelling en de incidentie van technieken voor kredietrisicolimitering met en zonder substitutie-effect;

h) 

voor instellingen die risicogewogen posten berekenen volgens de standaardbenadering, de blootstellingswaarden binnen en buiten de balanstelling per blootstellingscategorie vóór en na de toepassing van ►C8  omrekeningsfactor ◄ en de eventuele kredietrisicolimitering in verband daarmee;

i) 

voor instellingen die risicogewogen posten berekenen volgens de standaardbenadering, de risicogewogen post en de verhouding tussen die risicogewogen post en de blootstellingswaarde na toepassing van de overeenkomstige ►C8  omrekeningsfactor ◄ en de kredietrisicolimitering in verband met de blootstelling; de openbaarmaking van dit punt vindt afzonderlijk plaats voor elke blootstellingscategorie;

j) 

voor instellingen die risicogewogen posten berekenen volgens de IRB-benadering, de risicogewogen post vóór en na opneming van het kredietrisicolimiteringseffect van kredietderivaten; indien instellingen toestemming hebben gekregen voor het gebruik van eigen LGD's en ►C8  omrekeningsfactor ◄ voor de berekening van risicogewogen posten, doen zij de openbaarmaking van dit punt afzonderlijk voor de blootstellingscategorieën die onderworpen zijn aan die toestemming.

Artikel 454

Openbaarmaking van het gebruik van de geavanceerde meetbenaderingen voor het operationeel risico

Instellingen die gebruikmaken van de in artikelen 321 tot en met 324 bedoelde geavanceerde meetbenaderingen voor de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico, geven een beschrijving van hun gebruik van verzekering en van andere mechanismen van risico-overdracht om dat risico te limiteren.

▼M17

Artikel 455

Gebruik van interne modellen voor het marktrisico

1.  

Een instelling die van de in artikel 325 terquinquagies bedoelde interne modellen gebruikmaakt om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen, maakt het volgende openbaar:

a) 

haar doelstellingen bij het verrichten van handelsactiviteiten en de processen die worden geïmplementeerd om het marktrisico te identificeren, te meten, te monitoren en te beheersen;

b) 

de in artikel 104, lid 1, bedoelde beleidslijnen om te bepalen welke posities in de handelsportefeuille moeten worden opgenomen;

c) 

een algemene beschrijving van de structuur van de tradingafdelingen die onder de interne modellen vallen, met voor iedere afdeling een beschrijving in grote lijnen van de gehanteerde bedrijfsstrategie van de afdeling, de instrumenten die daarin zijn toegestaan, en de belangrijkste typen risico die aan de afdeling verbonden zijn;

d) 

een overzicht van de posities in de handelsportefeuille die niet onder de interne modellen vallen, met een beschrijving in grote lijnen van de afdelingsstructuur en de types instrumenten die overeenkomstig artikel 104 ter in de afdelingen of in de categorieën afdelingen zijn opgenomen;

e) 

de structuur en organisatie van de marktrisicobeheerfunctie en governance;

f) 

het toepassingsgebied, de hoofdkenmerken en de centrale modelleringskeuzes van de verschillende interne modellen die worden gebruikt voor het berekenen van de risicoposten voor de op geconsolideerd niveau gebruikte belangrijkste modellen, alsmede een beschrijving van de mate waarin die interne modellen de op het geconsolideerde niveau gebruikte modellen vertegenwoordigen met, indien van toepassing, een beschrijving in grote lijnen van:

i) 

de in de modelleringsbenadering voor het berekenen van de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), bedoelde „expected shortfall”, met inbegrip van de frequentie waarmee gegevens worden bijgewerkt;

ii) 

de methodiek voor het berekenen van de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt b), bedoelde stressscenariorisicomaatstaf, niet zijnde de in artikel 325 quatersexagies, lid 3, bedoelde specificaties;

iii) 

de modelleringsbenadering voor het berekenen van het in artikel 325 quaterquinquagies, lid 2, bedoelde eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico, met inbegrip van de frequentie waarmee gegevens worden bijgewerkt.

2.  

De instellingen maken op geaggregeerde basis voor alle tradingafdelingen die onder de in artikel 325 terquinquagies bedoelde interne modellen vallen, de volgende bestanddelen bekend, voor zover van toepassing:

a) 

de meest recente waarde, alsmede de hoogste, de laagste en de gemiddelde waarde voor de voorgaande 60 werkdagen van:

i) 

de „unconstrained expected shortfall”-maatstaf bedoeld in artikel 325 quinquinquagies, lid 1;

ii) 

de „unconstrained expected shortfall”-maatstaf bedoeld in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, voor iedere in de regelgeving opgenomen brede categorie van risicofactoren;

b) 

de meest recente waarde, alsmede de gemiddelde waarde voor de voorgaande 60 werkdagen van:

i) 

de maatstaf voor het „expected shortfall”-risico bedoeld in artikel 325 quinquinquagies, lid 1;

ii) 

de maatstaf voor het stressscenariorisico bedoeld in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt b);

iii) 

het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico bedoeld in artikel 325 quaterquinquagies, lid 2;

iv) 

de som van de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 3, bedoelde eigenvermogensvereisten, met inbegrip van alle componenten van de formule en de toepasselijke vermenigvuldigingsfactor;

c) 

het aantal overschrijdingen bij backtestingprogramma’s gedurende de meest recente 250 werkdagen bij het 99e percentiel als bedoeld in artikel 325 novoquinquagies, lid 6.

3.  
De instellingen maken op geaggregeerde basis voor alle tradingafdelingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico openbaar die overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis van deze titel zouden worden berekend indien de instellingen geen toestemming zouden hebben gekregen om voor deze tradingafdelingen hun interne modellen te gebruiken.

▼B

DEEL NEGEN

GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 456

Gedelegeerde handelingen

1.  

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 462 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende materies:

a) 

verduidelijking van de definities in de artikelen 4, 5, 142, 153, 192, 242, 272, 300, 381 en 411, om een eenvormige toepassing van deze verordening te waarborgen;

b) 

verduidelijking van de definities in de artikelen 4, 5, 142, 153, 192, 242, 272, 300, 381 en 411, om bij de toepassing van deze verordening rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

c) 

wijziging van de lijst van categorieën blootstellingen in de artikelen 112 en 147, om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

▼M17

d) 

het in artikel 123, lid 1, punt b), artikel 147, lid 5, punt a), artikel 153, lid 4, en artikel 162, lid 4, bedoelde bedrag om rekening te houden met de gevolgen van inflatie;

▼B

e) 

de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in de bijlagen I en II, om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

▼M9 —————

▼B

h) 

wijziging van de eigenvermogensvereisten in de artikelen 301 tot en met 311 van deze verordening en in de artikelen 50 bis tot en met 50 quinquies van Verordening (EU) nr. 648/2012 om rekening te houden met ontwikkelingen of wijzigingen ten aanzien van de internationale normen voor blootstellingen met betrekking tot een centrale tegenpartij;

i) 

verduidelijking van de termen waaraan wordt gerefereerd in de vrijstellingen overeenkomstig artikel 400;

j) 

de wijziging van de kapitaalmaatstaf en de maatstaf voor de totale risicoblootstelling van de in artikel 429, lid 2, bedoelde hefboomratio, om tekortkomingen die op basis van de in artikel 430, lid 1, bedoelde rapportage aan het licht zijn gekomen, recht te zetten voordat de instellingen hun hefboomratio overeenkomstig artikel 451, lid 1, punt a), moeten bekendmaken;

▼M8

k) 

wijzigingen van de openbaarmakingsvereisten in deel acht, titels II en III, om rekening te houden met ontwikkelingen of wijzigingen ten aanzien van de internationale normen inzake openbaarmaking.

▼B

2.  

De EBA bewaakt de eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering en brengt uiterlijk op 1 januari 2015 verslag uit aan de Commissie. In dat verslag wordt met name het volgende beoordeeld:

a) 

de behandeling van het CVA-risico als een afzonderlijke opslag versus een geïntegreerde component van het marktrisicokader;

b) 

de werkingssfeer van de CVA-risico-opslag, met inbegrip van de vrijstelling in artikel 482;

c) 

in aanmerking komende afdekkingen;

d) 

berekening van de kapitaalvereisten voor het CVA-risico.

Op basis van dat verslag wordt, indien zulks noodzakelijk wordt bevonden, de Commissie ook gemachtigd een gedelegeerde handeling vast te stellen overeenkomstig artikel 462, teneinde de artikelen 381, 382, leden 1 tot en met 3, en de artikelen 383 tot en met 386, met betrekking tot deze bestanddelen te wijzigen.

Artikel 457

Technische aanpassingen en correcties

De Commissie wordt gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 462, teneinde technische aanpassingen en correcties aan te brengen in de niet-wezenlijke elementen van de volgende bepalingen, teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in nieuwe financiële producten of activiteiten, teneinde aanpassingen aan te brengen na de vaststelling van deze verordening naar aanleiding van ontwikkelingen in andere wetgevingshandelingen van de Unie betreffende financiële diensten en financiële verslaglegging, met inbegrip van standaarden voor jaarrekeningen op basis van Verordening (EU) nr. 1606/2002:

a) 

de eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico vastgesteld in de artikelen 111 tot en met 134 en de artikelen 143 tot en met 191;

b) 

de effecten van kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 193 tot en met 241;

▼M5

c) 

de eigenvermogensvereisten voor securitisatie overeenkomstig de artikelen 242 tot en met 270 bis;

▼B

d) 

de eigenvermogensvereisten voor het tegenpartijkredietrisico overeenkomstig de artikelen 272 tot en met 311;

e) 

de eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico vastgesteld in de artikelen 315 tot en met 324;

f) 

de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico vastgesteld in de artikelen 325 tot en met 377;

g) 

de eigenvermogensvereisten voor het afwikkelingsrisico vastgesteld in de artikelen 378 en 379;

h) 

de eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering vastgesteld in de artikelen 383, 384 en 386;

▼M8

i) 

deel 2 en artikel 430 uitsluitend als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van standaarden of vereisten voor jaarrekeningen die rekening houden met wetgevingshandelingen van de Unie.

▼B

Artikel 458

Macroprudentieel of systeemrisico onderkend op het niveau van een lidstaat

1.  
De lidstaten wijzen de autoriteit aan die met de toepassing van dit artikel wordt belast. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

▼M8

2.  
Indien de overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen autoriteit veranderingen constateert in de intensiteit van macroprudentieel of systeemrisico in het financiële stelsel met mogelijk ernstige negatieve gevolgen voor het financiële stelsel en de reële economie in een welbepaalde lidstaat, die naar het oordeel van die autoriteit niet even doeltreffend met andere macroprudentiële instrumenten uit hoofde van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU kunnen worden ondervangen dan met strengere nationale maatregelen, stelt zij de Commissie en het ESRB daar dienovereenkomstig van in kennis. Het ESRB zendt de kennisgeving onverwijld toe aan het Europees Parlement, de Raad en de EBA.

De kennisgeving gaat vergezeld van de onderstaande documenten en bevat, naargelang het geval, relevante kwantitatieve of kwalitatieve aanwijzingen betreffende:

a) 

de veranderingen in de intensiteit van macroprudentieel of systeemrisico;

b) 

de redenen waarom die veranderingen de financiële stabiliteit op nationaal niveau of de reële economie in gevaar kunnen brengen;

c) 

een uitleg over de vraag waarom de autoriteit van oordeel is dat de macroprudentiële instrumenten uit hoofde van de artikelen 124 en 164 van deze verordening en van de artikelen 133 en 136 van Richtlijn 2013/36/EU minder geschikt en doeltreffend voor het ondervangen van die risico's zouden zijn dan de in punt d) van dit lid bedoelde ontwerpen van nationale maatregelen;

d) 

de ontwerpen van nationale maatregelen die ten doel hebben om voor instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend of voor subgroepen van die instellingen, de veranderingen in de intensiteit van het risico te limiteren, en die betrekking hebben op:

i) 

het in artikel 92 bepaalde niveau van het eigen vermogen;

ii) 

de vereisten voor grote blootstellingen, vastgelegd in artikel 392 en in de artikelen 395 tot en met 403;

iii) 

de in deel zes vastgestelde liquiditeitsvereisten;

iv) 

risicogewichten ter bestrijding van zeepbellen in activa in de sector niet-zakelijk onroerend goed en zakelijk onroerend goed;

v) 

de in deel acht vastgestelde openbaarmakingsvereisten;

▼C8

vi) 

het in artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU bepaalde niveau van de kapitaalconserveringsbuffer, of

▼M8

vii) 

blootstellingen binnen de financiële sector;

e) 

een uiteenzetting van de redenen waarom de ontwerpmaatregelen door de overeenkomstig lid 1 aangewezen autoriteit geschikt, doeltreffend en evenredig voor het ondervangen van de dreiging worden geacht; en

f) 

een beoordeling van het vermoedelijke positieve of negatieve effect van de ontwerpmaatregelen op de interne markt op grond van informatie waarover de betrokken lidstaat beschikt.

▼B

3.  
De overeenkomstig lid 1 bepaalde autoriteiten die worden gemachtigd tot het toepassen van nationale maatregelen overeenkomstig dit artikel, verstrekken alle relevante informatie aan de relevante bevoegde of aangewezen autoriteiten van andere lidstaten.

▼M8

4.  
De bevoegdheid tot vaststelling van een uitvoeringshandeling houdende verwerping van de ontwerpen van nationale maatregelen als bedoeld in lid 2, punt d), wordt toegekend aan de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, op voorstel van de Commissie.

Binnen één maand na ontvangst van de in lid 2 bedoelde kennisgeving verstrekken het ESRB en de EBA hun respectieve adviezen betreffende de in de punten a) tot en met f) van dat lid vermelde aangelegenheden aan de Raad, de Commissie en de betrokken lidstaat.

Zoveel mogelijk rekening houdend met de in de tweede alinea bedoelde adviezen, kan de Commissie, indien er solide, sterke en gedetailleerde aanwijzingen zijn dat de maatregel een negatief effect zal hebben op de interne markt dat sterker zal doorwegen dan de baten van de financiële stabiliteit die tot een vermindering van de geconstateerde macroprudentiële of systeemrisico's leiden, binnen één maand bij de Raad een voorstel indienen voor een uitvoeringshandeling houdende verwerping van de ontwerpen van nationale maatregelen.

Dient de Commissie geen voorstel in binnen die periode van één maand, dan kan de betrokken lidstaat de ontwerpen van nationale maatregelen onmiddellijk vaststellen voor een periode van maximaal twee jaar of, indien dat eerder is, totdat het macroprudentieel of systeemrisico zich niet langer voordoet.

De Raad neemt binnen één maand na ontvangst van het voorstel van de Commissie een besluit ter zake en vermeldt waarom hij de ontwerpen van nationale maatregelen al dan niet verwerpt.

De Raad verwerpt de ontwerpen van nationale maatregelen uitsluitend indien hij van oordeel is dat een of meer van de volgende voorwaarden niet zijn vervuld:

a) 

de veranderingen in de intensiteit van het macroprudentieel of systeemrisico zijn van dien aard dat zij op nationaal niveau een risico voor de financiële stabiliteit vormen;

b) 

de macroprudentiële instrumenten uit hoofde van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU zijn minder geschikt of doeltreffend voor het ondervangen van het vastgestelde macroprudentieel of systeemrisico dan de ontwerpen van nationale maatregelen;

c) 

de ontwerpen van nationale maatregelen hebben geen onevenredige ongunstige gevolgen voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Unie als geheel, waardoor zij een belemmering voor de werking van de interne markt zouden vormen; en

d) 

de aangelegenheid gaat slechts één lidstaat aan.

Bij zijn beoordeling houdt de Raad rekening met het advies van het ESRB en de EBA en baseert hij zich op de aanwijzingen die door de overeenkomstig lid 1 aangewezen autoriteit overeenkomstig lid 2 zijn overgelegd.

Stelt de Raad niet binnen één maand na ontvangst van het voorstel van de Commissie een uitvoeringshandeling vast houdende verwerping van de ontwerpen van nationale maatregelen, dan kan de betrokken lidstaat de maatregelen vaststellen en toepassen voor een periode van maximaal twee jaar of, indien dat eerder is, totdat het macroprudentieel of systeemrisico zich niet langer voordoet.

5.  
Andere lidstaten kunnen de overeenkomstig dit artikel vastgestelde maatregelen erkennen en deze toepassen op instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend en die bijkantoren of blootstellingen hebben in de lidstaat die tot het toepassen van de maatregelen gemachtigd is.

▼M17

6.  
Indien lidstaten de overeenkomstig dit artikel vastgestelde maatregelen erkennen, stellen zij het ESRB hiervan in kennis. Het ESRB zendt deze kennisgeving onverwijld door aan de Raad, de Commissie, de EBA en de lidstaat die gemachtigd is de maatregelen toe te passen.

▼B

7.  
Bij het besluit tot erkenning van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde maatregelen neemt de lidstaat de in lid 4 bepaalde criteria in aanmerking.
8.  
De lidstaat die tot het toepassen van de maatregelen gemachtigd is, kan het ESRB verzoeken een aanbeveling als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, te doen aan een of meer van de lidstaten die de maatregelen niet erkennen.

▼M17

9.  
Vóór het verstrijken van de overeenkomstig de leden 2 en 4 verleende machtiging evalueert de betrokken lidstaat in overleg met het ESRB, de EBA en de Commissie de situatie en kan hij volgens de in de leden 2 en 4 bedoelde procedure een nieuw besluit vaststellen waarbij de toepassingstermijn van de nationale maatregelen met telkens maximaal twee jaar extra wordt verlengd.

▼M8

10.  
Niettegenstaande de in de leden 3 tot en met 9 van dit artikel beschreven procedure is het de lidstaten toegestaan de risicogewichten waarin bij deze verordening wordt voorzien voor de in punt d), onder iv) en vii), van lid 2 van dit artikel bedoelde blootstellingen, met ten hoogste 25 % te verhogen en de in artikel 395 bepaalde limiet voor grote blootstellingen met ten hoogste 15 % te verlagen voor een periode van maximaal twee jaar of, indien dat eerder is, totdat het macroprudentieel of systeemrisico zich niet langer voordoet, mits aan de voorwaarden en de kennisgevingsvereisten beschreven in lid 2 van dit artikel wordt voldaan.

▼B

Artikel 459

Prudentiële vereisten

De Commissie wordt gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 462, teneinde gedurende een periode van één jaar strengere prudentiële vereisten voor blootstellingen op te leggen, indien dit vereist is om veranderingen in de intensiteit van micro- en macroprudentiële risico's te ondervangen welke voortvloeien uit marktontwikkelingen in of buiten de Unie met gevolgen voor alle lidstaten, en indien de instrumenten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU niet volstaan om die risico's te ondervangen, in het bijzonder op aanbeveling of op advies van het ESRB en de EBA, betreffende:

a) 

het niveau van het eigen vermogen vastgelegd in artikel 92;

b) 

de vereisten voor grote risicoblootstellingen vastgelegd in artikel 392 en in de artikelen 395 tot en met 403;

c) 

de openbaarmakingsvereisten vastgelegd in de artikelen 431 tot en met 455.

De Commissie, bijgestaan door het ESRB, dient ten minste jaarlijks bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over marktontwikkelingen die tot gebruik van dit artikel zouden kunnen nopen.

Artikel 460

Liquiditeit

▼M8

1.  
De Commissie is bevoegd deze verordening aan te vullen door gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 462 tot nadere bepaling van het algemene vereiste van artikel 412, lid 1. Gedelegeerde handeling die overeenkomstig dit lid wordt vastgesteld, is gebaseerd op de overeenkomstig deel zes, titel II en bijlage III te rapporteren posten, vermeldt in detail onder welke omstandigheden de bevoegde autoriteiten instellingen specifieke in- en uitstroomniveaus moeten opleggen om de specifieke risico's waaraan zij blootgesteld zijn, af te dekken, en neemt de bij lid 2 van dit artikel vastgestelde drempels in acht.

Meer bepaald is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen door gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van de gedetailleerde liquiditeitsvereisten met het oog op de toepassing van artikel 8, lid 3, en de artikelen 411 tot en met 416, 419, 422, 425, 428 bis, 428 septies, 428 octies, 428 undecies, 428 duodecies tot en met 428 quindecies, 428 septdecies, 428 novodecies, 428 vicies, 428 quatervicies, 428 duotricies, 428 quatertricies, 428 quintricies, 428 octotricies en 451 bis.

▼B

2.  

Het in artikel 412 bedoelde liquiditeitsdekkingsvereiste wordt volgens het onderstaande schema geleidelijk ingevoerd:

a) 

60 % van het liquiditeitsdekkingsvereiste in 2015;

b) 

70 % vanaf 1 januari 2016;

c) 

80 % vanaf 1 januari 2017;

d) 

100 % vanaf 1 januari 2018.

Daartoe houdt de Commissie rekening met de in artikel 509, leden 1, 2 en 3, bedoelde verslagen alsook met de door internationale fora ontwikkelde internationale normen en met voor de Unie specifieke aspecten.

De Commissie stelt de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 30 juni 2014 vast. Zij treedt uiterlijk op 31 december 2014 in werking, maar is niet van toepassing vóór 1 januari 2015.

▼M8

3.  
De Commissie is bevoegd deze verordening te wijzigen door overeenkomstig artikel 462 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van producten of diensten van artikel 428 septies, lid 2, indien zij van oordeel is dat activa en passiva die rechtstreeks verband houden met andere producten of diensten, voldoen aan de voorwaarden van artikel 428 septies, lid 1.

De Commissie stelt de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 28 juni 2024 vast.

▼B

Artikel 461

Herziening van de geleidelijke invoering van het liquiditeitsdekkingsvereiste

1.  
De EBA brengt na raadpleging van het ESRB, uiterlijk op 30 juni 2016 verslag uit aan de Commissie over de vraag of het geleidelijk invoeren van het bij artikel 460, lid 2, nader bepaalde liquiditeitsdekkingsvereiste wijziging behoeft. Bij het analyseren van die vraag wordt terdege rekening gehouden met marktontwikkelingen, met ontwikkelingen in de internationale regelgeving en met voor de Unie specifieke aspecten.

De EBA beoordeelt in haar verslag met name een uitgestelde invoering van de bindende minimumnorm van 100 % tot 1 januari 2019. In het verslag wordt rekening gehouden met de in artikel 509, lid 1, bedoelde jaarlijkse verslagen, met relevante marktgegevens en met de aanbevelingen van alle bevoegde autoriteiten.

2.  
Indien noodzakelijk om in te spelen op markt- en andere ontwikkelingen, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 462 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging van de bij artikel 460 vastgestelde geleidelijke invoering, tot uitstel tot 2019 van de invoering van een bindende minimumnorm van 100 % voor het liquiditeitsdekkingsvereiste van artikel 412, lid 1, en tot toepassing in 2018 van een bindende minimumnorm van 90 % voor het liquiditeitsdekkingsvereiste.

Bij het beoordelen van de noodzaak van uitstel houdt de Commissie rekening met het verslag en de beoordeling bedoeld in lid 1.

Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling is niet toepasselijk vóór 1 januari 2018 en treedt uiterlijk op 30 juni 2017 in werking.

▼M17

Artikel 461 bis

Eigenvermogensvereisten voor het marktrisico

1.  
De Commissie monitort de verschillen tussen de uitvoering van de internationale normen inzake eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de Unie en de uitvoering daarvan in derde landen, onder meer wat betreft het effect van de regels in termen van eigenvermogensvereisten en wat betreft de datum van toepassing ervan.
2.  

Wanneer aanzienlijke verschillen in die uitvoering worden vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 462 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening te wijzigen door:

a) 

tot de datum van toepassing van de in lid 3 van dit artikel bedoelde wetgevingshandeling, of gedurende maximaal drie jaar bij ontstentenis van een dergelijke handeling, en waar nodig om een gelijk speelveld te behouden en om die vastgestelde verschillen te compenseren, gerichte operationele ondersteuningsmaatregelen of gerichte multiplicatoren gelijk aan of groter dan 0 en kleiner dan 1 toe te passen bij de berekening van de eigenvermogensvereisten van de instellingen voor marktrisico, voor specifieke risicocategorieën en specifieke risicofactoren, met gebruikmaking van een van de in artikel 325, lid 1, bedoelde benaderingen, en vastgelegd in:

i) 

de artikelen 325 quater tot en met 325 duoquinquagies, waarin de alternatieve standaardbenadering nader wordt uitgewerkt;

ii) 

de artikelen 325 terquinquagies tot en met artikel 325 novosexagies, waarin de alternatieve internemodellenbenadering nader wordt uitgewerkt;

iii) 

de artikelen 326 tot en met 361, waarin de vereenvoudigde standaardbenadering nader wordt uitgewerkt;

b) 

de datum vanaf welke instellingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van deel drie, titel IV, of de in artikel 325, lid 1, bedoelde benaderingen om eigenvermogensvereisten voor het marktrisico te berekenen, moeten toepassen, met ten hoogste twee jaar uit te stellen.

Indien de Commissie de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling vaststelt, dient zij, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad om de uitvoering in de Unie van internationale normen inzake eigenvermogensvereisten voor marktrisico aan te passen om op een meer permanente manier een gelijk speelveld met derde landen te behouden wat betreft eigenvermogensvereisten en het effect van die vereisten.

3.  
Uiterlijk op 10 juli 2026 legt de EBA aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een verslag voor over de uitvoering van internationale normen betreffende eigenvermogensvereisten voor marktrisico in derde landen.

Op basis van dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in om wereldwijd een gelijk speelveld te waarborgen.

▼M8

Artikel 462

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

▼C9

1.  
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  
De in artikel 244, lid 6, artikel 245, lid 6, en de artikelen 456, 457, 459, 460 en 461 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 28 juni 2013.
3.  
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 244, lid 6, artikel 245, lid 6, en de artikelen 456, 457, 459, 460 en 461 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  
Een op grond van artikel 244, lid 6, artikel 245, lid 6, en de artikelen 456, 457, 459, 460 en 461 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

▼B

Artikel 463

Bezwaren tegen technische reguleringsnormen

Indien de Commissie overeenkomstig deze verordening een technische reguleringsnorm vaststelt die overeenkomt met het door de EBA ingediende ontwerp van technische reguleringsnorm, kunnen het Europees Parlement en de Raad binnen een periode van één maand na de datum van kennisgeving bezwaar aantekenen tegen die technische reguleringsnorm. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt die periode verlengd met één maand. In afwijking van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan de periode waarin het Europees Parlement of de Raad bezwaar tegen die technische reguleringsnorm kunnen aantekenen, in voorkomend geval met nog eens één maand worden verlengd.

Artikel 464

Europees Comité voor het bankwezen

1.  
De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG van de Commissie ( 39 ) ingestelde Europees Comité voor het bankwezen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

DEEL TIEN

OVERGANGSBEPALINGEN, VERSLAGEN, TOETSINGEN EN WIJZIGINGEN

TITEL I

OVERGANGSBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Eigenvermogensvereisten, tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten en verliezen, en aftrekkingen

Afdeling 1

Eigenvermogensvereisten

▼M17

Artikel 465

Overgangsregelingen voor de output floor

1.  

In afwijking van artikel 92, lid 3, eerste alinea, en onverminderd de afwijking in artikel 92, lid 3, tweede alinea, kunnen instellingen de volgende factor „x” toepassen bij het berekenen van het TREA:

a) 

50 % gedurende de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025;

b) 

55 % gedurende de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026;

c) 

60 % gedurende de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027;

d) 

65 % gedurende de periode van 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;

e) 

0 % gedurende de periode van 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.

2.  

In afwijking van artikel 92, lid 3, eerste alinea, en onverminderd de afwijking in artikel 92, lid 3, tweede alinea, kunnen instellingen tot en met 31 december 2029 de volgende formule toepassen bij het berekenen van het TREA:

Voor deze berekening houden instellingen rekening met de in lid 1 bedoelde toepasselijke factor „x”.

3.  
In afwijking van artikel 92, lid 5, punt a), ii), en onverminderd de afwijking in artikel 92, lid 3, tweede alinea, kunnen instellingen tot en met 31 december 2032 een risicogewicht van 65 % toekennen aan blootstellingen met betrekking tot ondernemingen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI voorhanden is, op voorwaarde dat die instellingen de PD van die debiteuren, berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, niet hoger ramen dan 0,5  %.

De EBA en de ESMA monitoren, in samenwerking met de Eiopa, het gebruik van de in de eerste alinea vastgelegde overgangsbehandeling en beoordelen met name:

a) 

de beschikbaarheid van kredietbeoordelingen door aangewezen EKBI’s voor ondernemingen en de mate waarin dit van invloed is op de kredietverlening van instellingen aan ondernemingen;

b) 

de ontwikkeling van ratingbureaus, belemmeringen voor de toegang tot de markt voor nieuwe ratingbureaus, de mate waarin ondernemingen kiezen voor een rating door een of meer van deze bureaus, en belemmeringen voor de beschikbaarheid van kredietbeoordelingen voor ondernemingen door EKBI’s;

c) 

mogelijke maatregelen om de belemmeringen aan te pakken, rekening houdend met verschillen tussen economische sectoren en geografische gebieden en de ontwikkeling van particuliere of door de overheid aangestuurde oplossingen, zoals kredietscores, door instellingen voorgeschreven particuliere ratings en ratings van centrale banken;

d) 

de geschiktheid van de risicogewogen posten van blootstellingen met betrekking tot ondernemingen zonder rating en de gevolgen daarvan voor de financiële stabiliteit;

e) 

de benaderingen van derde landen met betrekking tot de toepassing van de output floor op blootstellingen met betrekking tot ondernemingen en overwegingen inzake een gelijk speelveld op lange termijn die zich als gevolg daarvan zouden kunnen voordoen;

f) 

naleving van daarmee verband houdende internationaal overeengekomen normen die door het BCBS zijn ontwikkeld.

De EBA en de ESMA dienen, in samenwerking met de Eiopa, uiterlijk op 10 juli 2029 bij de Commissie een verslag in met hun bevindingen.

Op basis van dat verslag en terdege rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS ontwikkelt, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2031 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

4.  
In afwijking van artikel 92, lid 5, punt a), iv), en onverminderd de afwijking in artikel 92, lid 3, tweede alinea, kunnen instellingen tot en met 31 december 2029, bij de berekening van de blootstellingswaarde van de in bijlage II vermelde contracten overeenkomstig de benaderingen uit deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, alfa vervangen door 1 indien voor het totaal van de risicoposten zonder ondergrens dezelfde blootstellingswaarden worden berekend overeenkomstig de benadering uit deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6.
5.  

In afwijking van artikel 92, lid 5, punt a), ii), en onverminderd de afwijking van artikel 92, lid 3, tweede alinea, en mits aan alle voorwaarden van lid 8 van dit artikel is voldaan, kunnen de lidstaten instellingen toestaan om:

a) 

tot en met 31 december 2032 een risicogewicht van 10 % toe te kennen aan het deel van de blootstellingen dat gedekt is door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed tot 55 % van de overeenkomstig artikel 125, lid 1, eerste alinea, bepaalde onroerendgoedwaarde, en

b) 

tot en met 31 december 2029 een risicogewicht van 45 % toe te kennen aan resterende delen van de blootstellingen die worden gedekt door hypotheken op niet-zakelijk vastgoed, tot 80 % van de overeenkomstig artikel 125, lid 1, eerste alinea, bepaalde onroerendgoedwaarde, op voorwaarde dat de in artikel 501 bedoelde aanpassing van eigenvermogensvereisten voor kredietrisico niet wordt toegepast.

6.  
Voor de toepassing van lid 5, punt a), wordt, indien een instelling een lager gerangschikt pandrecht houdt en er hoger gerangschikte pandrechten bestaan die zij niet houdt, het bedrag van 55 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 10 %, verminderd met het bedrag van de hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden.

Indien niet door de instelling gehouden pandrechten dezelfde rang hebben als het door de instelling gehouden pandrecht, wordt het bedrag van 55 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 10 %, verminderd met het bedrag van hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden, verminderd met het product van:

a) 

55 % van de onroerendgoedwaarde, waarvan het bedrag van eventuele hoger gerangschikte pandrechten, zowel pandrechten die door de instelling worden gehouden als pandrechten die door andere instellingen worden gehouden, wordt afgetrokken, en

b) 

het bedrag van de pandrechten die niet door de instelling worden gehouden en die dezelfde rang hebben als het door de instelling gehouden pandrecht, gedeeld door de som van alle pandrechten met dezelfde rang.

7.  
Voor de toepassing van lid 5, punt b), wordt, indien een instelling een lager gerangschikt pandrecht houdt en er hoger gerangschikte pandrechten bestaan die zij niet houdt, het bedrag van 80 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 45 %, verminderd met het bedrag van de hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden.

Indien niet door de instelling gehouden pandrechten dezelfde rang hebben als het door de instelling gehouden pandrecht, wordt het bedrag van 80 % van de onroerendgoedwaarde voor het bepalen van het deel van de blootstelling van de instelling dat in aanmerking komt voor het risicogewicht van 45 %, verminderd met het bedrag van hoger gerangschikte pandrechten die niet door de instelling worden gehouden, verminderd met het product van:

a) 

80 % van de onroerendgoedwaarde, waarvan het bedrag van eventuele hoger gerangschikte pandrechten, zowel pandrechten die door de instelling worden gehouden als pandrechten die door andere instellingen worden gehouden, wordt afgetrokken, en

b) 

het bedrag van de pandrechten die niet door de instelling worden gehouden en die dezelfde rang hebben als het door de instelling gehouden pandrecht gedeeld door de som van alle pandrechten met dezelfde rang.

8.  

Voor de toepassing van lid 5 van dit artikel, wordt aan alle volgende voorwaarden voldaan:

a) 

de blootstellingen komen in aanmerking voor de behandeling op grond van artikel 125, lid 1;

b) 

de in aanmerking komende blootstellingen worden naar risico gewogen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3;

c) 

het niet-zakelijk onroerend goed dat de kwalificerende blootstellingen dekt, is gesitueerd in de lidstaat die de discretie heeft uitgeoefend;

d) 

de verliezen van de instelling in een willekeurig jaar van de voorbije acht jaren, zoals gerapporteerd door de instelling uit hoofde van artikel 430 bis, lid 1, punten a) en c), of uit hoofde van artikel 101, lid 1, punten a) en c), in de op 27 juni 2021 van toepassing zijnde versie van die punten, op het deel van de blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed tot het laagste van het in pand gegeven bedrag en 55 % van de onroerendgoedwaarde, bedragen, tenzij anders bepaald uit hoofde van artikel 124, lid 9, gemiddeld niet meer dan 0,25  % van de som van de blootstellingswaarden van alle uitstaande blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed;

e) 

voor de kwalificerende blootstellingen kan de instelling de volgende afdwingbare rechten uitoefenen bij wanbetaling of niet-betaling door de debiteur:

i) 

een recht op het niet-zakelijk onroerend goed dat de blootstelling dekt of het recht om een hypotheek op het niet-zakelijk onroerend goed aan te gaan overeenkomstig artikel 108, lid 5, punt g);

ii) 

een recht op andere activa en inkomsten van de debiteur, hetzij contractueel, hetzij krachtens het toepasselijk nationaal recht;

f) 

de bevoegde autoriteit heeft zich ervan vergewist dat aan de voorwaarden uit de punten a), tot en met e) is voldaan.

9.  

Indien de in lid 5 bedoelde discretie is uitgeoefend en mits aan alle voorwaarden van lid 8 is voldaan, kunnen de instellingen tot en met 31 december 2032 de volgende risicogewichten toekennen aan alle eventueel resterende delen van de blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed als bedoeld in lid 5, punt b):

a) 

52,5  % gedurende de periode van 1 januari 2030 tot en met 31 december 2030;

b) 

60 % gedurende de periode van 1 januari 2031 tot en met 31 december 2031;

c) 

67,5  % gedurende de periode van 1 januari 2032 tot en met 31 december 2032.

10.  
Indien lidstaten de in lid 5 bedoelde discretie uitoefenen, stellen zij de EBA daarvan in kennis en onderbouwen zij hun besluit. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van de details van alle in lid 8, punt f), bedoelde verificaties.
11.  
De EBA monitort het gebruik van de in lid 5 vastgelegde overgangsbehandeling en dient uiterlijk op 31 december 2028 bij de Commissie een verslag in met haar bevindingen over de geschiktheid van de bijbehorende risicogewichten.

Op basis van dat verslag en terdege rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS ontwikkelt, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2031 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

12.  
Elke verlenging van een van de overgangsregelingen als bedoeld in de leden 3, 5 en 9 van dit artikel, en in de artikelen 495 ter, lid 1, 495 quater, lid 1, en 495 quinquies, lid 1, wordt beperkt tot vier jaar en wordt onderbouwd met een evaluatie die gelijkwaardig is aan de in die artikelen bedoelde evaluatie.
13.  

In afwijking van artikel 92, lid 5, punt a), iii), of punt b), ii), en onverminderd de afwijking van artikel 92, lid 3, tweede alinea, passen de instellingen, voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 92, lid 4, met behulp van de SEC-IRBA of de internebeoordelingsbenadering zijn gewogen, indien het deel van het standaardtotaal van de risicogewogen posten voor kredietrisico, verwateringsrisico, tegenpartijkredietrisico of voor marktrisico dat voortvloeit uit de handelsportefeuilleactiviteiten wordt berekend met behulp van de SEC-SA overeenkomstig artikel 261 of 262, tot en met 31 december 2032 de volgende factor „p” toe:

a) 

P = 0,25 voor een positie in een securitisatie waarop artikel 262 van toepassing is;

b) 

P = 0,5 voor een positie in een securitisatie waarop artikel 261 van toepassing is.

▼B

Artikel 466

Eerste keer dat de internationale standaarden voor financiële verslaglegging wordt toegepast

In afwijking van artikel 24, lid 2 kunnen de bevoegde autoriteiten aan instellingen die voor het eerst gehouden zijn de actiefposten en de posten buiten de balanstelling te waarderen en het eigen vermogen overeenkomstig internationale standaarden voor jaarrekeningen die van toepassing zijn krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 te bepalen, een tijdspanne van 24 maanden gunnen om de noodzakelijke interne processen en technische vereisten te implementeren.

Afdeling 2

Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten en verliezen

▼M11 —————

▼M11

Artikel 468

▼M17

Tijdelijke behandeling van niet-gerealiseerde winsten en verliezen, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat

1.  

In afwijking van artikel 35 kunnen de instellingen tot en met 31 december 2025 (de „periode van tijdelijke behandeling”) het volgens de volgende formule bepaalde bedrag A uitsluiten van de berekening van hun tier 1-kernkapitaalbestanddelen:

A = a · f

waarbij:

a

= het bedrag van de sedert 31 december 2019 gecumuleerde niet-gerealiseerde winsten en verliezen dat is opgenomen als „Veranderingen in reële waarde van schuldinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” in de balans en gerelateerd aan de in artikel 115, lid 2, van deze verordening bedoelde blootstellingen met betrekking tot centrale overheden, regionale of lokale overheden, alsook aan de in artikel 116, lid 4, van deze verordening bedoelde blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen, met uitzondering van financiële activa met verminderde kredietkwaliteit, zoals omschreven in aanhangsel A bij de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie („bijlage Inzake IFRS 9”), en

f

= de factor die overeenkomstig lid 2 van toepassing is op elk rapportagejaar van de periode van tijdelijke behandeling.

2.  
De instellingen passen ter berekening van het in lid 1 bedoelde bedrag A tot en met 31 december 2025 factor f met een waarde gelijk aan 1 toe.

▼M11

3.  
Wanneer een instelling besluit om de in lid 1 bedoelde tijdelijke behandeling toe te passen stelt zij de bevoegde autoriteit minstens 45 dagen vóór de verzendingsdatum voor de rapportage van de op die behandeling gebaseerde informatie in kennis van haar besluit. Onder voorbehoud van voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit kan de instelling één keer, tijdens de periode van tijdelijke behandeling, haar oorspronkelijke besluit terugdraaien. Indien zij die behandeling toepassen maken de instellingen dit openbaar.
4.  

Indien een instelling overeenkomstig lid 1 van dit artikel een bedrag van niet-gerealiseerde verliezen uitsluit van haar tier 1-kernkapitaalbestanddelen, herberekent zij alle in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU vastgelegde vereisten die worden berekend met gebruikmaking van een van de volgende elementen:

a) 

het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen dat wordt afgetrokken van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt c), of waarop een risicoweging wordt toegepast overeenkomstig artikel 48, lid 4;

b) 

het bedrag aan specifieke kredietrisicoaanpassingen.

Bij de herberekening van het desbetreffende vereiste laat de instelling de effecten van de voorzieningen voor te verwachten kredietverliezen gerelateerd aan de in artikel 115, lid 2, van deze verordening bedoelde blootstellingen met betrekking tot centrale, regionale of lokale overheden, alsook aan de in artikel 116, lid 4, van deze verordening bedoelde blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen, met uitzondering van financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals gedefinieerd in bijlage A bij de bijlage betreffende IFRS 9, buiten beschouwing bij het bepalen van die elementen.

5.  
Gedurende de in lid 2 van dit artikel bedoelde perioden maken de instellingen die hebben besloten de in lid 1 van dit artikel bedoelde tijdelijke behandeling toe te passen, naast de informatie die krachtens deel acht openbaar moet worden gemaakt, de bedragen openbaar van het eigen vermogen, het tier 1-kernkapitaal en het tier 1-kapitaal, de totale kapitaalratio, de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de hefboomratio die zij zouden hebben indien zij die behandeling niet zouden toepassen.

▼B

Afdeling 3

Aftrekkingen

Onderafdeling 1

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

Artikel 469

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.  

In afwijking van artikel 36, lid 1, geldt gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 het volgende:

a) 

de instellingen brengen op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen in mindering het in artikel 478 gespecificeerde toepasselijke percentage van de bedragen die overeenkomstig artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), moeten worden afgetrokken, met uitzondering van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

b) 

de instellingen passen de relevante bepalingen van artikel 472 toe op de resterende bedragen van de posten die overeenkomstig artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), moeten worden afgetrokken, met uitzondering van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

c) 

de instellingen brengen op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen in mindering het in artikel 478 gespecificeerde toepasselijke percentage van het totale bedrag dat overeenkomstig artikel 36, lid 1, punten c) en i), moet worden afgetrokken na toepassing van artikel 470;

d) 

de instellingen passen de vereisten van artikel 472, lid 5 of lid 11, naargelang van het geval, toe op het totale resterende bedrag van de posten die overeenkomstig artikel 36, lid 1, punten c) en i), moeten worden afgetrokken na toepassing van artikel 470.

2.  

De instellingen bepalen het gedeelte van het in lid 1, punt d), bedoelde totale resterende bedrag dat is onderworpen aan artikel 472, lid 5, door het in dit lid, punt a), gespecificeerde bedrag te delen door het in dit lid, punt b), gespecificeerde bedrag:

a) 

het bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, bedoeld in artikel 470, lid 2, punt a);

b) 

de som van de in artikel 470, lid 2, punt a) en punt b), bedoelde bedragen.

3.  

De instellingen bepalen het gedeelte van het in lid 1, punt d), bedoelde totale resterende bedrag dat is onderworpen aan artikel 472, lid 11, door het in dit lid, punt a), gespecificeerde bedrag te delen door het in dit lid, punt b), gespecificeerde bedrag:

a) 

het bedrag van het direct of indirect bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten, bedoeld in artikel 470, lid 2, punt b);

b) 

de som van de in artikel 470, lid 2, punt a) en punt b), bedoelde bedragen.

▼M7

Artikel 469 bis

Afwijking van aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen voor niet-renderende blootstellingen

In afwijking van artikel 36, lid 1, punt m), trekken instellingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen niet het toepasselijke bedrag aan onvoldoende dekking voor niet-renderende blootstellingen af wanneer de blootstelling vóór 26 april 2019 werd geïnitieerd.

Indien de voorwaarden van een blootstelling die vóór 26 april 2019 werd geïnitieerd, door de instelling zodanig worden gewijzigd dat daarmee de blootstelling van de instelling aan de debiteur toeneemt, wordt de blootstelling geacht te zijn geïnitieerd op de datum vanaf welke de wijziging van toepassing is, en is zij niet langer onderworpen aan de in de eerste alinea vastgestelde afwijking.

▼B

Artikel 470

Vrijstelling van aftrek van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.  
Voor de toepassing van dit artikel omvatten de relevante tier 1-kernkapitaalbestanddelen de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling berekend na toepassing van de artikelen 32 tot en met 35 en van de aftrekkingen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), punt k), onder ii) tot en met v), en punt l), met uitzondering van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen.
2.  

In afwijking van artikel 48, lid 1, passen de instellingen vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 geen aftrek toe voor de in dit lid, onder a) en b), vermelde bestanddelen die samengevoegd gelijk zijn aan of minder bedragen dan 15 % van de relevante tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling:

a) 

uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, en die samengevoegd gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de relevante tier 1-kernkapitaalbestanddelen;

b) 

indien een instelling een aanzienlijke deelneming heeft in een entiteit uit de financiële sector, het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van de tier 1-kernkapitaalinstrumenten van die entiteit die samengevoegd gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de relevante tier 1-kernkapitaalbestanddelen.

3.  
In afwijking van artikel 48, lid 4, krijgen de bestanddelen die overeenkomstig lid 2 van dit artikel van aftrek zijn vrijgesteld, een risicogewicht van 250 %. De in lid 2, punt b), van dit artikel bedoelde bestanddelen zijn onderworpen aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

Artikel 471

Vrijstelling van aftrek van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

▼M8

1.  

In afwijking van artikel 49, lid 1, kunnen instellingen ervoor kiezen om gedurende de periode van 31 december 2018 tot en met 31 december 2024 geen aftrek toe te passen van deelnemingen in verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de voorwaarden van artikel 49, lid 1, punten a) en e);

b) 

de bevoegde autoriteiten zijn ervan overtuigd dat de mate van risicobeheersing en de procedures voor financiële analyse die de instelling specifiek heeft vastgesteld om toezicht te houden op de belegging in de onderneming of holding volstaan;

c) 

de deelnemingen van de instelling in de verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding overschrijden niet 15 % van de per 31 december 2012 en gedurende de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2024 door de verzekeringsentiteit uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

d) 

het niet-afgetrokken bedrag van de deelneming overstijgt niet het per 31 december 2012 aangehouden bedrag aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten in de verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding.

▼B

2.  
De deelnemingen die overeenkomstig lid 1 niet worden afgetrokken, worden aangemerkt als blootstellingen en krijgen een risicogewicht van 370 %.

Artikel 472

Niet van tier 1-kernkapitaal afgetrokken bestanddelen

1.  
In afwijking van artikel 33, lid 1, punt c), en artikel 36, lid 1, punten a) tot en met i), passen de instellingen gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 dit artikel toe op de resterende bedragen van de bestanddelen bedoeld in artikel 468, lid 3, en artikel 469, lid 1, punten b) en d), naar gelang van het geval.
2.  
Het resterende bedrag van de waarderingsaanpassingen aan derivatenverplichtingen die voortvloeien uit het eigen kredietrisico van een instelling wordt niet afgetrokken.
3.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van het in artikel 36, lid 1, punt a) bedoelde verlies van het lopende boekjaar:

a) 

verliezen die substantieel zijn, worden afgetrokken van de tier 1-bestanddelen;

b) 

verliezen die niet substantieel zijn, worden niet afgetrokken.

4.  
De instellingen trekken het resterende bedrag van de in artikel 36, lid 1, punt b), bedoelde immateriële activa af van de tier 1-bestanddelen.
5.  
Het resterende bedrag van de in artikel 36, lid 1, punt c), bedoelde uitgestelde belastingvorderingen wordt niet afgetrokken en krijgt een risicogewicht van 0 %.
6.  
Het resterende bedrag van de in artikel 36, lid 1, punt d), bedoelde posten wordt voor de helft afgetrokken van de tier 1-bestanddelen en voor de helft van de tier 2-bestanddelen.
7.  
Het resterende bedrag van de in artikel 36, lid 1, punt e), bedoelde activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds wordt niet afgetrokken van enig bestanddeel van het eigen vermogen en wordt opgenomen in de tier 1-kernkapitaalbestanddelen voor zover dat bedrag overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punten a) tot en met c bis), van Richtlijn 2006/48/EG als oorspronkelijk eigen vermogen zou worden opgevoerd.
8.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van het in artikel 36, lid 1, punt f), bedoelde bezit van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten:

a) 

het bedrag aan direct bezit wordt afgetrokken van de tier 1-bestanddelen;

b) 

het bedrag aan indirect en synthetisch bezit, met inbegrip van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die een instelling mogelijk op grond van een bestaande of voorwaardelijke contractuele verplichting moet kopen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

9.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van het in artikel 36, lid 1, punt g), bedoelde bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van een entiteit uit de financiële sector waarmee de instelling wederzijdse deelnemingen heeft:

a) 

indien een instelling geen aanzienlijke deelneming in die entiteit uit de financiële sector heeft, wordt het bedrag van haar bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten behandeld als vallend onder artikel 36, lid 1, punt h);

b) 

indien een instelling een aanzienlijke deelneming in die entiteit uit de financiële sector heeft, wordt het bedrag van haar bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten behandeld als vallend onder artikel 36, lid 1, punt i).

10.  

De instellingen passen het volgende toe op de resterende bedragen van de in artikel 36, lid 1, punt h), bedoelde bestanddelen:

a) 

de af te trekken bedragen die betrekking hebben op direct bezit, worden voor de helft afgetrokken van de tier 1-bestanddelen en voor de helft van de tier 2-bestanddelen;

b) 

de bedragen die betrekking hebben op indirect en synthetisch bezit, worden niet afgetrokken en zijn onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

11.  

De instellingen passen het volgende toe op de resterende bedragen van de in artikel 36, lid 1, punt i), bedoelde bestanddelen:

a) 

de af te trekken bedragen die betrekking hebben op direct bezit, worden voor de helft afgetrokken van de tier 1-bestanddelen en voor de helft van de tier 2-bestanddelen;

b) 

de bedragen die betrekking hebben op indirect en synthetisch bezit worden niet afgetrokken en zijn onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

Artikel 473

Invoering van in IAS 19 aangebrachte wijzigingen

1.  
In afwijking van artikel 481 kunnen de bevoegde autoriteiten gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018 instellingen die hun jaarrekening opstellen overeenkomstig de overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 goedgekeurde internationale standaarden voor jaarrekeningen, toestaan hun tier 1-kernkapitaal te vermeerderen met het overeenkomstig lid 2 of lid 3 van dit artikel, naar gelang van het geval, toepasselijke bedrag, vermenigvuldigd met de overeenkomstig lid 4 toegepaste factor.
2.  

Het toepasselijke bedrag wordt berekend door op de overeenkomstig punt a) verkregen som de overeenkomstig punt b) verkregen som in mindering te brengen:

a) 

de instellingen bepalen de waarden van de activa van hun op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenfondsen, respectievelijk pensioenregeling gewijzigd door Verordening (EU) nr. 1205/2011 ( 40 ). De instellingen brengen vervolgens op de waarden van deze activa in mindering de volgens dezelfde boekhoudregels bepaalde waarden van de uit diezelfde pensioenfondsen, respectievelijk pensioenregelingen voortvloeiende verplichtingen;

b) 

de instellingen bepalen de waarden van de activa van hun op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenfondsen, respectievelijk pensioenregelingen, overeenkomstig de regels vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1126/2008. De instellingen brengen vervolgens op de waarden van deze activa in mindering de volgens dezelfde boekhoudregels bepaalde waarden van de uit diezelfde pensioenfondsen, respectievelijk pensioenregelingen voortvloeiende verplichtingen.

3.  
Het overeenkomstig lid 2 vastgestelde bedrag wordt beperkt tot het bedrag dat vóór 1 januari 2014 niet van de eigen middelen hoeft te worden afgetrokken krachtens nationale omzettingsmaatregelen in het kader van Richtlijn 2006/48/EG, voor zover die nationale omzettingsmaatregelen in de betrokken lidstaat voor de in artikel 481 van deze verordening vervatte behandeling in aanmerking komen.
4.  

De volgende factoren zijn van toepassing:

a) 

1 gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

b) 

0,8 gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;

c) 

0,6 gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

d) 

0,4 gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

e) 

0,2 gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

5.  
De instellingen maken de overeenkomstig lid 2 bepaalde waarden van de activa en passiva openbaar in hun gepubliceerde financiële overzichten.

▼M4

Artikel 473 bis

Invoering van IFRS 9

▼M11

1.  

In afwijking van artikel 50 en tot het einde van de in de leden 6 en 6 bis van dit artikel bedoelde overgangsperioden is het de volgende instellingen toegestaan het overeenkomstig dit lid berekende bedrag in hun tier 1-kernkapitaal op te nemen:

▼M4

a) 

instellingen die hun jaarrekening opstellen volgens de internationale standaarden voor jaarrekeningen die zijn vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

b) 

instellingen die, uit hoofde van artikel 24, lid 2, van deze verordening, actiefposten en posten buiten de balansstelling waarderen en het eigen vermogen bepalen in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen die zijn vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

c) 

instellingen die actiefposten en posten buiten de balansstelling waarderen volgens standaarden voor jaarrekeningen uit hoofde van Richtlijn 86/635/EEG met gebruikmaking van een model voor de te verwachten kredietverliezen dat identiek is aan het model dat wordt gebruikt in internationale standaarden voor jaarrekeningen die zijn vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002.

▼M11

Het in de eerste alinea bedoelde bedrag wordt berekend als de som van:

a) 

voor blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van toepassing is, het bedrag (ABSA) dat wordt berekend volgens de volgende formule:

waarbij:

A2,SA

=

het bedrag dat overeenkomstig lid 2 is berekend;

A4,SA

=

het bedrag dat overeenkomstig lid 4 is berekend op basis van de bedragen die overeenkomstig lid 3 zijn berekend;

;

=

de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9, op 1 januari 2020;

=

de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9, op 1 januari 2018 of, indien deze later valt, op de datum van de eerste toepassing van IFRS 9;

f1

=

de in lid 6 bepaalde toepasselijke factor;

f2

=

de in lid 6 bis bepaalde toepasselijke factor;

t1

=

toename van tier 1-kernkapitaal doordat het bedrag A2,SA van de belastingen kan worden afgetrokken;

t2

=

toename van tier 1-kernkapitaal doordat het bedrag A4,SA van de belastingen kan worden afgetrokken;

t3

=

de toename van tier 1-kernkapitaal doordat het bedrag van de belastingen kan worden afgetrokken;

b) 

voor blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van toepassing is, het bedrag (ABIRB) dat wordt berekend volgens de volgende formule:

waarbij:

A2,IRB

=

het bedrag dat overeenkomstig lid 2 is berekend en overeenkomstig lid 5, punt a), is aangepast;

A4,IRB

=

het bedrag dat overeenkomstig lid 4 is berekend op basis van de bedragen die overeenkomstig lid 3 zijn berekend en die overeenkomstig lid 5, punten b) en c), zijn aangepast;

;

=

de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9, verminderd met de som van de daaraan gerelateerde bedragen aan te verwachten verliezen voor dezelfde blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 158, leden 5, 6 en 10, van deze verordening op 1 januari 2020. Indien de berekening een negatief getal als resultaat heeft, stelt de instelling de waarde van op nul;

=

de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9, op 1 januari 2018 of, indien deze later valt, op de datum van de eerste toepassing van IFRS 9, verminderd met de som van de daaraan gerelateerde bedragen aan te verwachten verliezen voor dezelfde blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 158, leden 5, 6 en 10, van deze verordening. Indien de berekening een negatief getal als resultaat heeft, stelt de instelling de waarde van gelijk aan nul;

f1

=

de in lid 6 bepaalde toepasselijke factor;

f2

=

de in lid 6 bis bepaalde toepasselijke factor;

t1

=

toename van tier 1-kernkapitaal doordat het bedrag A2,IRB van de belastingen kan worden afgetrokken;

t2

=

toename van tier 1-kernkapitaal doordat het bedrag A2,IRB van de belastingen kan worden afgetrokken;

t3

=

toename van tier 1-kernkapitaal doordat het bedrag van de belastingen kan worden afgetrokken.

▼M4

2.  

Instellingen berekenen de bedragen A2,SA en A2,IRB bedoeld in lid 1, tweede alinea, onder a), respectievelijk onder b), als het grootste van de bedragen in de onder a) en b) van dit lid afzonderlijk voor hun blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van toepassing is, en voor hun blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van toepassing is:

a) 

nul;

b) 

het bedrag dat overeenkomstig punt i) is berekend, verminderd met het bedrag dat overeenkomstig punt ii) is berekend:

i) 

de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van IFRS 9 als vervat in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie („Bijlage inzake de IFRS 9”), en het bedrag van de voorziening voor tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, per 1 januari 2018 of op de datum van de eerste toepassing van IFRS 9;

ii) 

het totale bedrag aan bijzonderewaardeverminderingsverliezen op financiële activa die als leningen en vorderingen zijn aangemerkt, tot einde looptijd aangehouden beleggingen en voor verkoop beschikbare financiële activa, zoals gedefinieerd in punt 9 van IAS 39, met uitzondering van eigenvermogensinstrumenten en rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging, bepaald overeenkomstig de punten 63, 64, 65, 67, 68 en 70 van IAS 39 als vervat in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008, per 31 december 2017 of op de dag voorafgaand aan de datum van de eerste toepassing van IFRS 9.

3.  

Instellingen berekenen het bedrag waarmee het in punt a) bedoelde bedrag het in punt b) van dit lid bedoelde bedrag overschrijdt afzonderlijk voor hun blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van toepassing is, en voor hun blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van toepassing is:

▼M11

a) 

de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9, op de rapportagedatum en, indien artikel 468 van deze verordening van toepassing is, met uitzondering van de verwachte kredietverliezen voor blootstellingen, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat in overeenstemming met punt 4.1.2 A van de bijlage inzake IFRS 9;

b) 

de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9 en, indien artikel 468 van deze verordening van toepassing is, met uitzondering van de verwachte kredietverliezen voor blootstellingen, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat in overeenstemming met punt 4.1.2 A van de bijlage inzake IFRS 9, op 1 januari 2020 of, indien deze later valt, op de datum van de eerste toepassing van IFRS 9.

▼M4

4.  
Voor blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van toepassing is, wanneer het overeenkomstig lid 3, onder a), vermelde bedrag hoger is dan het in lid 3, onder b), vermelde bedrag, stellen de instellingen A4,SA gelijk aan het verschil tussen die bedragen, en anders aan nul.

Voor blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van toepassing is, wanneer het overeenkomstig lid 3, onder a) vermelde bedrag, na toepassing van lid 5, onder b), hoger is dan het in lid 3, onder b), vermelde bedrag voor die blootstellingen, na toepassing van lid 5, onder c), stellen de instellingen A4,IRB gelijk aan het verschil tussen die bedragen, en anders aan nul.

5.  

Voor blootstellingen waarop risicoweging overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van toepassing is, passen de instellingen de leden 2 tot en met 4 als volgt toe:

a) 

voor de berekening van A2,IRB verminderen instellingen elk van de overeenkomstig lid 2, onder b), i) en ii), van dit artikel berekende bedragen met de som van de overeenkomstig artikel 158, leden 5, 6 en 10, berekende bedragen aan te verwachten verliezen per 31 december 2017 of op de dag voorafgaand aan de datum van de eerste toepassing van IFRS 9. Indien de berekening voor het in lid 2, onder b), i), van dit artikel bedoelde bedrag een negatief getal tot resultaat heeft, stelt de instelling de waarde van dat bedrag gelijk aan nul. Indien de berekening voor het in lid 2, onder b), ii), van dit artikel bedoelde bedrag een negatief getal tot resultaat heeft, stelt de instelling de waarde van dat bedrag gelijk aan nul;

▼M11

b) 

instellingen vervangen het overeenkomstig lid 3, punt a), van dit artikel berekende bedrag door de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9, en, indien artikel 468 van deze verordening van toepassing is, met uitzondering van de verwachte kredietverliezen voor blootstellingen, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat in overeenstemming met punt 4.1.2 A van de bijlage inzake IFRS 9, verminderd met de som van de daaraan gerelateerde bedragen aan te verwachten verliezen voor dezelfde blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 158, leden 5, 6 en 10, van deze verordening op de rapportagedatum. Indien de berekening een negatief getal als resultaat heeft, stelt de instelling de waarde van het in lid 3, punt a), van dit artikel, bedoelde bedrag gelijk aan nul;

c) 

instellingen vervangen het overeenkomstig lid 3, punt b), van dit artikel berekende bedrag door de som van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.5 van de bijlage inzake IFRS 9, en het bedrag van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, bepaald overeenkomstig punt 5.5.3 van de bijlage inzake IFRS 9, met uitzondering van de voorziening voor de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen voor financiële activa met verminderde kredietkwaliteit zoals omschreven in bijlage A bij de bijlage inzake IFRS 9, en, indien artikel 468 van deze verordening van toepassing is, met uitzondering van de verwachte kredietverliezen voor blootstellingen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat in overeenstemming met punt 4.1.2 A van de bijlage inzake IFRS 9 op 1 januari 2020 of, indien deze later valt, op de datum van de eerste toepassing van IFRS 9, verminderd met de som van de daaraan gerelateerde bedragen aan te verwachten verliezen voor dezelfde blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 158, leden 5, 6 en 10, van deze verordening op 1 januari 2020 of, indien deze later valt, op de datum van de eerste toepassing van IFRS 9. Indien de berekening een negatief getal als resultaat heeft, stelt de instelling de waarde van het in lid 3, punt b), van dit artikel, bedoelde bedrag gelijk aan nul.

6.  

De instellingen passen ter berekening van de bedragen ABSA en ABIRB bedoeld in lid 1, tweede alinea, punt a), respectievelijk punt b), de volgende factoren f1 toe:

a) 

0,7 gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020;

b) 

0,5 gedurende de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021;

c) 

0,25 gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022;

d) 

0 gedurende de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2024.

De instellingen waarvan het boekjaar ingaat na 1 januari 2020 doch vóór 1 januari 2021, passen de datums in de eerste alinea, punten a) tot en met d), zodanig aan dat zij overeenstemmen met hun boekjaar, delen de aangepaste datums mee aan hun bevoegde autoriteit en maken deze openbaar.

De instellingen die de standaarden voor jaarrekeningen bedoeld in lid 1 op of na 1 januari 2021 beginnen toe te passen, passen de desbetreffende factoren toe overeenkomstig de punten b) tot en met d) van de eerste alinea, te beginnen met de factor die overeenstemt met het jaar van de eerste toepassing van die standaarden voor jaarrekeningen.

▼M11

6 bis.  

De instellingen passen ter berekening van de bedragen ABSA en ABIRB bedoeld in lid 1, tweede alinea, punt a), respectievelijk punt b), de volgende factoren f2 toe:

a) 

1 gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020;

b) 

1 gedurende de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021;

c) 

0,75 gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022;

d) 

0,5 gedurende de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023;

e) 

0,25 gedurende de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.

De instellingen waarvan het boekjaar ingaat na 1 januari 2020 doch vóór 1 januari 2021, passen de datums in de eerste alinea, punten a) tot en met e), zodanig aan dat zij overeenstemmen met hun boekjaar, delen de aangepaste datums mee aan hun bevoegde autoriteit en maken deze openbaar.

De instellingen die de standaarden voor jaarrekeningen bedoeld in lid 1 op of na 1 januari 2021 beginnen toe te passen, passen de desbetreffende factoren toe overeenkomstig de punten b) tot en met e) van de eerste alinea, te beginnen met de factor die overeenstemt met het jaar van de eerste toepassing van die standaarden voor jaarrekeningen.

▼M4

7.  

Indien een instelling een bedrag overeenkomstig lid 1 van dit artikel in haar tier 1-kernkapitaal opneemt, herberekent zij alle vereisten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU waarin gebruik wordt gemaakt van een van de onderstaande bestanddelen, zonder rekening te houden met de gevolgen voor deze bestanddelen van de voorzieningen voor de te verwachten kredietverliezen die zij in haar tier 1-kernkapitaal heeft opgenomen:

a) 

het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen dat wordt afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder c), of wordt risicogewogen overeenkomstig artikel 48, lid 4;

b) 

de blootstellingswaarde zoals bepaald overeenkomstig artikel 111, lid 1, waarbij de specifieke kredietrisicoaanpassingen waarmee de blootstellingswaarde wordt verminderd worden vermenigvuldigd met de volgende schaalfactor (sf):

waarbij:

ABSA = het bedrag dat is berekend overeenkomstig lid 1, tweede alinea, onder a);

RASA = het totale bedrag aan specifieke kredietrisicoaanpassingen;

c) 

het bedrag aan tier 2-bestanddelen, berekend overeenkomstig artikel 62, onder d).

▼M11

7 bis)  
In afwijking van lid 7, punt b), van dit artikel mogen instellingen bij het herberekenen van de in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU vastgelegde vereisten een risicogewicht van 100 % toekennen aan het in lid 1, tweede alinea, punt a), van dit artikel bedoelde bedrag ABSA. Voor de berekening van de in artikel 429, lid 4, van deze verordening bedoelde maatstaf van totale blootstelling tellen de instellingen de bedragen ABSA en ABIRB bedoeld in lid 1, tweede alinea, punten a) en b), van dit artikel bij de maatstaf van totale blootstelling.

Instellingen kunnen slechts één keer kiezen of zij de in lid 7, punt b), bedoelde berekening of de in de eerste alinea van dit lid beschreven berekening gebruiken. instellingen maken hun besluit openbaar.

▼M11

8.  
Gedurende de in de leden 6 en 6 bis van dit artikel bedoelde perioden maken de instellingen die hebben besloten de in dit artikel beschreven overgangsregelingen toe te passen, de informatie openbaar zoals vereist in deel acht, en rapporteren zij daarnaast aan de bevoegde autoriteiten de bedragen van het eigen vermogen, het tier 1-kernkapitaal, het tier 1-kapitaal, de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio, de totale kapitaalratio en de hefboomratio die zij zouden hebben indien zij dit artikel niet zouden toepassen, en maken zij deze openbaar.
9.  
Een instelling besluit of zij de in dit artikel beschreven regelingen tijdens de overgangsperiode toepast en stelt de bevoegde autoriteit uiterlijk 1 februari 2018 in kennis van haar besluit. Indien een instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen, kan zij tijdens de overgangsperiode haar besluit terugdraaien. De instellingen maken in overeenstemming met deze alinea genomen besluiten openbaar.

Een instelling die heeft besloten de in dit artikel beschreven overgangsregelingen toe te passen, kan besluiten lid 4 niet toe te passen; in dat geval stelt zij de bevoegde autoriteit uiterlijk 1 februari 2018 in kennis van haar besluit. In dat geval stelt de instelling A4,SA, A4,IRB, , , t2 en t3, bedoeld in lid 1, gelijk aan nul. Indien een instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen, kan zij tijdens de overgangsperiode haar besluit terugdraaien. De instellingen maken in overeenstemming met deze alinea genomen besluiten openbaar.

▼M11

Een instelling die heeft besloten de in dit artikel beschreven overgangsregelingen toe te passen, kan besluiten lid 2 niet toe te passen, in welk geval zij de bevoegde autoriteit onverwijld van haar besluit in kennis stelt. In dat geval stelt de instelling A2,SA, A2,IRB en t1 bedoeld in lid 1 gelijk aan nul. Een instelling kan haar besluit tijdens de overgangsperiode terugdraaien op voorwaarde dat zij de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen.

De bevoegde autoriteiten stellen EBA ten minste jaarlijks in kennis van de toepassing van dit artikel door de instellingen waarop zij toezicht uitoefenen.

▼M4

10.  
Uiterlijk op 30 juni 2018 vaardigt de EBA, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, richtsnoeren uit over de openbaarmakingsvereisten van dit artikel.

▼B

Onderafdeling 2

Aftrekkingen van aanvullend-tier 1-bestanddelen

Artikel 474

Aftrekkingen van de aanvullend-tier 1-bestanddelen

In afwijking van artikel 56 geldt gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 het volgende:

a) 

de instellingen brengen het in artikel 478 gespecificeerde toepasselijke percentage van de overeenkomstig artikel 56 af te trekken bedragen in mindering op de aanvullend-tier 1-bestanddelen;

b) 

de instellingen passen de vereisten van artikel 475 toe op de resterende bedragen van de overeenkomstig artikel 56 af te trekken bestanddelen.

Artikel 475

Niet op de aanvullend-tier 1-bestanddelen in mindering gebrachte bestanddelen

1.  
In afwijking van artikel 56 gelden gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 de vereisten van dit artikel voor de resterende bedragen bedoeld in artikel 474, punt b).
2.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van de in artikel 56, punt a), bedoelde bestanddelen:

a) 

direct bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten wordt van tier 1-bestanddelen afgetrokken tegen boekwaarde;

b) 

indirect en synthetisch bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten, met inbegrip van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die een instelling mogelijk op grond van een bestaande of voorwaardelijke contractuele verplichting moet kopen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

3.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van de in artikel 56, punt b), bedoelde bestanddelen:

a) 

indien een instelling geen aanzienlijke deelneming heeft in een entiteit uit de financiële sector waarmee zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt het bedrag van haar direct, indirect en synthetisch bezit van die aanvullend-tier 1-instrumenten van die entiteit behandeld als vallend onder artikel 56, punt c);

b) 

indien een instelling een aanzienlijke deelneming heeft in een entiteit uit de financiële sector waarmee zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt het bedrag van haar direct, indirect en synthetisch bezit van die aanvullend-tier 1-instrumenten van die entiteit, behandeld als vallend onder artikel 56, punt d).

4.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van de in artikel 56, punt c) en punt d), bedoelde bestanddelen:

(a) 

het bedrag van het direct bezit dat overeenkomstig artikel 56, punten c) en d), moet worden afgetrokken, wordt voor de helft afgetrokken van de tier 1-bestanddelen en voor de helft van de tier 2-bestanddelen;

(b) 

het bedrag van het indirect en synthetisch bezit dat overeenkomstig artikel 56, punten c) en d), moet worden afgetrokken, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

Onderafdeling 3

Aftrekkingen van tier 2-bestanddelen

Artikel 476

Aftrekkingen van de tier 2-bestanddelen

In afwijking van artikel 66 geldt gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 het volgende:

a) 

de instellingen brengen het in artikel 478 gespecificeerde toepasselijke percentage van de overeenkomstig artikel 66 af te trekken bedragen in mindering op de tier 2-bestanddelen;

b) 

de instellingen passen de vereisten van artikel 477 toe op de resterende bedragen van de overeenkomstig artikel 66 af te trekken posten.

Artikel 477

Aftrekkingen van de tier 2-bestanddelen

1.  
In afwijking van artikel 66 gelden gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 de vereisten van dit artikel voor de resterende bedragen bedoeld in artikel 476, punt b).
2.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van de in artikel 66, punt a), bedoelde bestanddelen:

a) 

direct bezit van eigen tier 2-instrumenten wordt van tier 2-bestanddelen afgetrokken tegen boekwaarde;

b) 

indirect en synthetisch bezit van eigen tier 2-instrumenten, met inbegrip van eigen tier 2-instrumenten die een instelling mogelijk op grond van een bestaande of voorwaardelijke contractuele verplichting moet kopen, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

3.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van de in artikel 66, punt b), bedoelde bestanddelen:

a) 

indien een instelling geen aanzienlijke deelneming heeft in een entiteit uit de financiële sector waarmee zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt het bedrag van haar direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van die entiteit behandeld als vallend onder artikel 66, punt c);

b) 

indien een instelling een aanzienlijke deelneming heeft in een entiteit uit de financiële sector waarmee zij wederzijdse deelnemingen heeft, wordt het bedrag van haar direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van die entiteit uit de financiële sector behandeld als vallend onder artikel 66, punt d).

4.  

De instellingen passen het volgende toe op het resterende bedrag van de in artikel 66, punt c) en punt d), bedoelde bestanddelen:

a) 

het bedrag van het direct bezit dat overeenkomstig artikel 66, punten c) en d), moet worden afgetrokken, wordt voor de helft afgetrokken van de tier 1-bestanddelen en voor de helft van de tier 2-bestanddelen;

b) 

het bedrag van het indirect en synthetisch bezit dat overeenkomstig artikel 66, punten c) en d), moet worden afgetrokken, wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en aan de vereisten van deel 3, titel IV, als toepasselijk.

▼M15

Onderafdeling 3 bis

Aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

Artikel 477 bis

Aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

1.  

In afwijking van artikel 72 sexies, lid 4, en tot en met 31 december 2024 kan de afwikkelingsautoriteit van een moederinstelling, na terdege rekening te hebben gehouden met het advies van de afwikkelingsautoriteiten of de betrokken autoriteiten van derde landen van betrokken dochterondernemingen, toestaan dat het aangepaste bedrag mi wordt berekend aan de hand van de volgende definitie van ri en wi:

ri

=

het totale risicogebaseerde kapitaalvereiste dat van toepassing is op dochteronderneming i in het derde land waar zij haar hoofdkantoor heeft, voor zover aan dat vereiste wordt voldaan met instrumenten die op grond van deze verordening als eigen vermogen zouden worden beschouwd;

wi

=

het totale niet-risicogebaseerde tier 1-kapitaalvereiste dat van toepassing is op dochteronderneming i in het derde land waar zij haar hoofdkantoor heeft, voor zover aan dat vereiste wordt voldaan met instrumenten die op grond van deze verordening als tier 1-kapitaal zouden worden beschouwd.

2.  

De afwikkelingsautoriteit kan de in lid 1 bedoelde toestemming verlenen indien de dochteronderneming is gevestigd in een derde land waar nog geen lokale afwikkelingsregeling geldt en indien aan ten minste één van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

er bestaan geen feitelijke of juridische belemmeringen van wezenlijk belang voor een onmiddellijke overdracht van activa van de dochteronderneming aan de moederinstelling, en dergelijke belemmeringen worden ook niet verwacht;

b) 

de bevoegde autoriteit van het derde land van de dochteronderneming heeft de afwikkelingsautoriteit van de moederinstelling middels een advies laten weten dat activa die gelijk zijn met het overeenkomstig artikel 72 sexies, lid 4, tweede alinea, door de dochteronderneming af te trekken bedrag, kunnen worden overgedragen van de dochteronderneming aan de moederinstelling.

▼B

Onderafdeling 4

Toepasselijke aftrekpercentages

Artikel 478

Toepasselijke percentages voor aftrekkingen van de tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen

1.  

Voor de toepassing van artikel 468, lid 4, artikel 469, lid 1, punten a) en c), artikel 474, punt a), en artikel 476, punt a), valt het toepasselijke percentage binnen het volgende bereik:

a) 

20 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

b) 

40 % tot 100 % gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;

c) 

60 % tot 100 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

d) 

80 % tot 100 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

▼C1

2.  

In afwijking van lid 1 valt, voor de in artikel 36, lid 1, onder c), bedoelde bestanddelen die vóór 1 januari 2014 bestonden, het voor de toepassing van artikel 469, lid 1, onder c), toepasselijke percentage binnen het volgende bereik:

a) 

0 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot 31 december 2014;

b) 

10 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2015;

c) 

20 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2016 tot 31 december 2016;

d) 

30 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2017 tot 31 december 2017;

e) 

40 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2018 tot 31 december 2018;

f) 

50 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2019 tot 31 december 2019;

g) 

60 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2020 tot 31 december 2020;

h) 

70 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2021 tot 31 december 2021;

i) 

80 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2022 tot 31 december 2022;

j) 

90 % tot 100 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2023 tot 31 december 2023.

▼B

3.  

De bevoegde autoriteiten bepalen een toepasselijk percentage, dat zij vervolgens ook bekendmaken, in het in de leden 1 en2 gespecificeerde bereik voor de volgende aftrekkingen:

a) 

de individuele aftrekkingen voorgeschreven in artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), met uitzondering van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

b) 

het overeenkomstig artikel 48 af te trekken totale bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen en de in artikel 36, lid 1, punt i), bedoelde bestanddelen;

c) 

iedere aftrekking voorgeschreven in artikel 56, punten b), c) en d);

d) 

iedere aftrekking voorgeschreven in artikel 66, punten b), c) en d).

Afdeling 4

Minderheidsbelang en door dochterondernemingen uitgegeven aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten

Artikel 479

Opneming in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal van niet als minderheidsbelang aangemerkte instrumenten en posten

1.  

In afwijking van deel 2, titel II, wordt gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel bepaald of de bestanddelen die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 65 van Richtlijn 2006/48/EG zouden worden aangemerkt als geconsolideerde reserves die om een van de volgende redenen niet worden aangemerkt als geconsolideerd tier 1-kernkapitaal, in het geconsolideerde eigen vermogen worden opgenomen:

a) 

het instrument wordt niet aangemerkt als een tier 1-kernkapitaalinstrument en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agiorekeningen worden bijgevolg niet aangemerkt als geconsolideerde tier 1-kernkapitaalbestanddelen;

b) 

de instrumenten worden niet aangemerkt als gevolg van artikel 81, lid 2;

c) 

de instrumenten worden niet aangemerkt omdat de dochteronderneming geen instelling of entiteit is die uit hoofde van de toepasselijke nationale wetgeving is onderworpen aan de voorschriften van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU;

d) 

de instrumenten worden niet aangemerkt omdat de dochteronderneming niet volledig is opgenomen in de consolidatie overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2.

2.  
Het toepasselijke percentage van de in lid 1 bedoelde bestanddelen die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 65 van Richtlijn 2006/48/EG als geconsolideerde reserves zouden zijn aangemerkt, wordt aangemerkt als geconsolideerd tier 1-kernkapitaal.
3.  

Voor de toepassing van lid 2 vallen de toepasselijke percentages binnen het volgende bereik:

a) 

0 % tot 80 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

b) 

0 % tot 60 % gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;

c) 

0 % tot 40 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

d) 

0 % tot 20 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

4.  
De bevoegde autoriteiten bepalen het toepasselijke percentage in ieder in lid 3 gespecificeerd bereik, en maken dit bekend.

Artikel 480

Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van minderheidsbelangen en in aanmerking komend aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaal

1.  
In afwijking van artikel 84, lid 1, punt b), artikel 85, lid 1, punt b), en artikel 87, lid 1, punt b), worden de in die artikelen bedoelde percentages gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 vermenigvuldigd met een toepasselijke factor.
2.  

Voor de toepassing van lid 1 valt de toepasselijke factor binnen het volgende bereik:

a) 

0,2 tot 1 gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

b) 

0,4 tot 1 gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;

c) 

0,6 tot 1 gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016; en

d) 

0,8 tot 1 gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

3.  
De bevoegde autoriteiten bepalen de waarde van de toepasselijke factor in ieder in lid 2 gespecificeerd bereik, en maken die bekend.

Afdeling 5

Additionele filters en aftrekkingen

Artikel 481

Additionele filters en aftrekkingen

1.  
In afwijking van de artikelen 32 tot en met 36, 56 en 66 verrichten de instellingen gedurende de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 aanpassingen om het toepasselijke percentage van filters of aftrekkingen die moeten worden toegepast overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor de artikelen 57, 61, 63, 63 bis, 64 en 66 van Richtlijn 2006/48/EG en de artikelen 13 en 16 van Richtlijn 2006/49/EG, en die niet moeten worden toegepast overeenkomstig deel 2 van deze verordening, op te nemen in of af te trekken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen, tier 1-bestanddelen, tier 2-bestanddelen of bestanddelen van het eigen vermogen.
►C2  2.  
In afwijking van artikel 36, lid 1, punt i), en artikel 49, lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 verlangen of toestaan dat de instellingen de in artikel 49, lid 1, bedoelde methoden toepassen indien de vereisten van artikel 49, lid 1, punt b), niet vervuld zijn, in plaats van de in artikel 36, lid 1, voorgeschreven aftrekking te verrichten. ◄ In die gevallen wordt het gedeelte van het bezit van eigenvermogensinstrumenten van een entiteit uit de financiële sector waarin de moederinstelling een aanzienlijke deelneming heeft en dat niet moet worden afgetrokken overeenkomstig artikel 49, lid 1, bepaald door het in lid 4 van dit artikel bedoelde toepasselijke percentage. Het bedrag dat niet wordt afgetrokken, is onderworpen aan de vereisten van artikel 49, lid 4, als toepasselijk.
3.  

Voor de toepassing van lid 1 valt het toepasselijke percentage binnen het volgende bereik:

a) 

0 % tot 80 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

b) 

0 % tot 60 % gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;

c) 

0 % tot 40 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

d) 

0 % tot 20 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

4.  
Voor de toepassing van lid 2 valt het toepasselijke percentage tussen 0 % en 50 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.
5.  
De bevoegde autoriteiten bepalen voor iedere in de leden 1 en 2 bedoelde filter of aftrekking de toepasselijke percentages in ieder in de leden 3 en 4 gespecificeerd bereik bepaald, en maken deze bekend.
6.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden volgens welke de bevoegde autoriteiten bepalen of aanpassingen die zijn verricht in het eigen vermogen of bestanddelen daarvan overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor Richtlijn 2006/48/EG of Richtlijn 2006/49/EG en die niet zijn opgenomen in deel 2 van deze verordening, voor de toepassing van dit artikel ook moeten worden verricht in tier 1-kernkapitaalbestanddelen, aanvullend-tier 1-bestanddelen, tier 1-bestanddelen, tier 2-bestanddelen en eigen vermogen.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 482

Werkingssfeer voor derivatentransacties met pensioenfondsen

Voor de in artikel 89 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bedoelde derivatentransacties die worden aangegaan met een pensioenregeling als omschreven in artikel 2 van die verordening, berekenen de instellingen niet de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig artikel 382, lid 4, punt c), van deze verordening.

HOOFDSTUK 2

Grandfatheringbepalingen voor kapitaalinstrumenten

Afdeling 1

Instrumenten die staatssteun behelzen

Artikel 483

Grandfatheringbepalingen voor staatssteuninstrumenten

1.  

In afwijking van de artikelen 26 tot en met 29, 51, 52, 62 en 63 is dit artikel gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 van toepassing op kapitaalinstrumenten en vermogensbestanddelen indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instrumenten zijn uitgegeven vóór 1 januari 2014;

b) 

de instrumenten zijn uitgegeven in de context van herkapitalisatiemaatregelen uit hoofde van de regels voor staatssteun. Voor zover de instrumenten gedeeltelijk bij particuliere beleggers worden geplaatst, moeten zij vóór 30 juni 2012 en in samenhang met de bij de lidstaat geplaatste gedeelten uitgegeven zijn;

▼C2

c) 

de instrumenten zijn door de Commissie op grond van artikel 107 VWEU verenigbaar verklaard met de interne markt.

In gevallen waarin de instrumenten zowel bij de lidstaat als bij particuliere beleggers worden geplaatst, zijn, bij een gedeeltelijke aflossing van de bij de lidstaat geplaatste instrumenten, op een evenredig deel van de bij particuliere beleggers geplaatste instrumenten de grandfatheringbepalingen van artikel 484 van toepassing. Wanneer alle bij de lidstaat geplaatste instrumenten zijn afgelost, zijn op de resterende bij particuliere beleggers geplaatste instrumenten de grandfatheringbepalingen van artikel 484 van toepassing.

▼B

2.  

Instrumenten die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking kwamen, worden als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt, niettegenstaande een van beide volgende situaties:

a) 

er wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 28 van deze verordening;

b) 

de instrumenten zijn uitgegeven door een onderneming als bedoeld in artikel 27 van deze verordening en er wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29 van deze verordening.

3.  
De in lid 1, punt c), van dit artikel bedoelde instrumenten die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen niet voor artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking komen, worden aangemerkt als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, niettegenstaande er niet wordt voldaan aan de vereisten van lid 2, punt a) of punt b), mits er aan de vereisten van lid 8 van dit artikel wordt voldaan.

Instrumenten die overeenkomstig de eerste alinea als tier 1-kernkapitaal worden aangemerkt, mogen niet krachtens lid 5 of lid 7 als aanvullend-tier 1-instrumenten of als tier 2-instrumenten worden aangemerkt.

4.  
Instrumenten die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt c bis), en artikel 66, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking kwamen, worden aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrumenten, niettegenstaande er niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1 van deze verordening
5.  
De in lid 1, punt c), van dit artikel bedoelde instrumenten die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt c bis), van Richtlijn 2006/48/EG niet in aanmerking komen, worden aangemerkt als aanvullend tier 1-instrumenten, niettegenstaande er niet wordt voldaan aan de voorwaarden van lid 52, lid 1, van deze verordening mits er aan de vereisten van lid 8 van dit artikel wordt voldaan.

Instrumenten die overeenkomstig de eerste alinea als aanvullend tier 1-instrumenten worden aangemerkt, kunnen niet krachtens lid 3 of lid 7 als tier 1-kernkapitaalinstrumenten of als tier 2-instrumenten worden aangemerkt.

6.  
Bestanddelen die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt f), punt g), of punt h), en voor artikel 66, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking kwamen, worden aangemerkt als tier 2-instrumenten, niettegenstaande deze bestanddelen niet in artikel 62 van deze verordening worden genoemd of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 63 van deze verordening.
7.  
De in lid 1, punt c), van dit artikel bedoelde instrumenten die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen noch voor artikel 57, punt f), punt g), of punt h), noch voor artikel 66, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking komen, worden aangemerkt als tier 2-instrumenten, niettegenstaande deze bestanddelen niet in artikel 62 van deze verordening worden genoemd of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 63 van deze verordening, mits er aan de voorwaarden in lid 8 van dit artikel wordt voldaan.

Instrumenten die overeenkomstig de eerste alinea als tier 2-instrumenten worden aangemerkt, kunnen niet krachtens lid 3 of lid 5 als tier 1-kernkapitaalinstrumenten of als aanvullend-tier 1-instrumenten worden aangemerkt.

8.  
De in lid 3, lid 5 en lid 7 bedoelde instrumenten kunnen alleen als in die leden bedoelde eigenvermogensinstrumenten worden aangemerkt indien er aan de voorwaarde van lid 1, punt a), wordt voldaan en indien die instrumenten worden uitgegeven door instellingen die hun statutaire zetel hebben in een lidstaat die aan een economisch aanpassingsprogramma onderworpen is en de uitgifte van die instrumenten in het kader van dat programma is overeengekomen of in aanmerking komt.

Afdeling 2

Instrumenten die geen staatssteun behelzen

Onderafdeling 1

Criteria voor en limieten van de grandfatheringbepalingen

Artikel 484

Grandfatheringcriteria voorbestanddelen die uit hoofde van nationale omzettingsmaatregelen voor Richtlijn 2006/48/EG als eigen vermogen werden aangemerkt

▼C2

1.  
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op instrumenten en bestanddelen die op of vóór 31 december 2011 zijn uitgegeven en die op 31 december 2011 als eigen vermogen in aanmerking werden genomen en die geen instrumenten als bedoeld in artikel 483, lid 1, zijn.

▼B

2.  
In afwijking van de artikelen 26 tot en met 29, 51, 52, 62 en 63 is dit artikel gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 van toepassing.
3.  
Behoudens artikel 485 van deze verordening en de in artikel 486, lid 2, van deze verordening bepaalde limiet, wordt kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG, en de daaraan gerelateerde agiorekeningen, dat overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG als oorspronkelijk eigen vermogen werd aangemerkt, aangemerkt als tier 1-kernkapitaalbestanddelen, niettegenstaande dat kapitaal niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 28 of, naar gelang het geval, vanartikel 29 van deze verordening.
4.  
Behoudens de in artikel 486, lid 3, van deze verordening bepaalde limiet worden instrumenten, en de daaraan gerelateerde agiorekeningen, die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt c bis), en artikel 154, lid 8 en lid 9, van Richtlijn 2006/48/EG als oorspronkelijk eigen vermogen werden aangemerkt, aangemerkt als aanvullend-tier-1-bestanddelen, niettegenstaande er niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 52 van deze verordening.
5.  
Behoudens de in artikel 486, lid 4, van deze verordening bepaalde limieten worden bestanddelen, en de daaraan gerelateerde agiorekeningen, die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt e), f), g) of h), van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking kwamen, aangemerkt als tier 2-bestanddelen, niettegenstaande deze bestanddelen niet in artikel 62 van deze verordening worden opgenomen of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 63 van deze verordening.

Artikel 485

Toelaatbaarheid voor opneming in tier 1-kernkapitaal van agiorekeningen gerelateerd aan bestanddelen die uit hoofde van nationale omzettingsmaatregelen voor Richtlijn 2006/48/EG als eigen vermogen werden aangemerkt

1.  
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op instrumenten die zijn uitgegeven vóór 31 december 2010 en die geen instrumenten als bedoeld in artikel 483, lid 1, zijn.
2.  
Met kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG verbonden agiorekeningen die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG als oorspronkelijk eigen vermogen werden aangemerkt, worden aangemerkt als tier 1-kernkapitaalbestanddelen, indien zij aan de voorwaarden van artikel 28, punten i) en j), van deze verordening voldoen.

Artikel 486

Limieten van de grandfatheringbepalingen voor bestanddelen die onder tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen vallen

1.  
Gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 wordt de mate waarin de in artikel 484 bedoelde instrumenten en bestanddelen als eigen vermogen worden aangemerkt, beperkt overeenkomstig dit artikel.
2.  

Het bedrag van de in artikel 484, lid 3, bedoelde bestanddelen die als tier 1-kernkapitaalbestanddelen worden aangemerkt, wordt beperkt tot het toepasselijke percentage van de som van de in dit lid, punten a) en b), gespecificeerde bedragen:

a) 

het nominale bedrag van het in artikel 484, lid 3, bedoelde kapitaal dat op 31 december 2012 in omloop was;

b) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt a) bedoelde bestanddelen.

3.  

Het bedrag van de in artikel 484, lid 4, bedoelde bestanddelen die als aanvullend-tier 1-bestanddelen worden aangemerkt, wordt beperkt tot het toepasselijke percentage vermenigvuldigd met het resultaat van de aftreksom van het totaal van de in dit lid, punten a) en b), gespecificeerde bedragen minus het totaal van de in dit lid, punten c) tot en met f), gespecificeerde bedragen:

a) 

het nominale bedrag van de in artikel 484, lid 4, bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 nog in omloop waren;

b) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt a) bedoelde instrumenten;

c) 

het bedrag van de in artikel 484, lid 4, bedoelde instrumenten waarmee op 31 december 2012 de in de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 66, lid 1, punt a), en lid 1 bis, van Richtlijn 2006/48/EG vastgestelde limieten werden overschreden;

d) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt c) bedoelde instrumenten;

e) 

het nominale bedrag van de in artikel 484, lid 4, bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 in omloop waren maar die niet overeenkomstig artikel 489, lid 4, als aanvullend-tier 1-instrumenten worden aangemerkt;

f) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt e) bedoelde instrumenten.

4.  

Het bedrag van de in artikel 484, lid 5, bedoelde bestanddelen die als tier 2-bestanddelen worden aangemerkt, wordt beperkt tot het toepasselijke percentage van het resultaat van de aftreksom van het totaal van de in dit lid, punten a) tot en met d), gespecificeerde bedragen minus het totaal van de in dit lid, punten e) tot en met h), gespecificeerde bedragen:

a) 

het nominale bedrag van de in artikel 484, lid 5, bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 nog in omloop waren;

b) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt a) bedoelde instrumenten;

c) 

het nominale bedrag van de achtergestelde leningen die op 31 december 2012 nog in omloop waren, verminderd met het overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 64, lid 3, punt c), van Richtlijn 2006/48/EG vereiste bedrag;

d) 

het nominale bedrag van de in artikel 484, lid 5, bedoelde bestanddelen, met uitzondering van de instrumenten en achtergestelde leningen als bedoeld in punt a) en punt c) van dit lid, die op 31 december 2012 in omloop waren;

e) 

het nominale bedrag van de in artikel 484, lid 5, bedoelde instrumenten en bestanddelen die op 31 december 2012 in omloop waren, waarmee de in de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 66, lid 1, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG vastgestelde limieten werden overschreden;

f) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt e) bedoelde instrumenten;

g) 

het nominale bedrag van de in artikel 484, lid 5, bedoelde instrumenten die op 31 december 2012 in omloop waren en die overeenkomstig artikel 490, lid 4, niet als tier 2-instrumenten worden aangemerkt;

h) 

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt g) bedoelde instrumenten.

5.  

Voor de toepassing van dit artikel vallen de in de leden 2 tot en met 4 bedoelde toepasselijke percentages binnen het volgende bereik:

a) 

60 % tot 80 % gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

b) 

40 % tot 70 % gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;

c) 

20 % tot 20 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

d) 

0 % tot 50 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

e) 

0 % tot 40 % gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018;

f) 

0 % tot 30 % gedurende de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019;

g) 

0 % tot 20 % gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020;

h) 

0 % tot 10 % gedurende de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021.

6.  
De bevoegde autoriteiten bepalen de toepasselijke percentages voor ieder in lid 5 gespecificeerd bereik, en maken deze bekend.

Artikel 487

Bestanddelen uitgesloten van grandfatheringbepalingen voor tier 1-kernkapitaal- of aanvullend-tier 1-bestanddelen in andere eigenvermogensbestanddelen

1.  
In afwijking van de artikelen 51, 52, 62 en 63 kunnen de instellingen gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 het kapitaal en de daaraan gerelateerde agiorekeningen bedoeld in artikel 484, lid 3, die zijn uitgesloten van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen omdat zij het in artikel 486, lid 2, bedoelde toepasselijke percentage overschrijden, behandelen als bestanddelen bedoeld in artikel 484, lid 4, voor zover door de opneming van dat kapitaal en de daaraan gerelateerde agiorekeningen de in artikel 486, lid 3, bedoelde limiet voor het toepasselijke percentage niet wordt overschreden.
2.  

In afwijking van de artikelen 51, 52, 62 en 63 kunnen de instellingen gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 het volgende behandelen als bestanddelen bedoeld in artikel 484, lid 5, voor zover door de opneming ervan de in artikel 486, lid 4, bedoelde limiet voor het toepasselijke percentage niet wordt overschreden:

a) 

het in artikel 484, lid 3, bedoelde kapitaal en de daaraan gerelateerde agiorekeningen die zijn uitgesloten van tier 1-kernkapitaalbestanddelen omdat daardoor het in artikel 486, lid 2, bedoelde toepasselijke percentage wordt overschreden;

b) 

de in artikel 484, lid 4, bedoelde instrumenten en de daaraan gerelateerde agiorekeningen waardoor het in artikel 486, lid 3, bedoelde toepasselijke percentage wordt overschreden.

3.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden om eigenvermogensinstrumenten bedoeld in de leden 1 en 2 te behandelen als instrumenten die gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 onder artikel 486, lid 4 of lid 5, vallen.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 488

Afschrijving van bestanddelen die krachtens de grandfatheringbepalingen als tier 2-bestanddelen worden aangemerkt

De in artikel 484, lid 5, bedoelde bestanddelen die worden aangemerkt als tier 2-bestanddelen zoals bedoeld in artikel 484, lid 5, of artikel 486, lid 4, zijn onderworpen aan de vereisten van artikel 64.

Onderafdeling 2

Opneming van instrumenten met een call en aflossingsprikkel in aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen

Artikel 489

Hybride instrumenten met een call en aflossingsprikkel

1.  
In afwijking van de artikelen 51 en 52 zijn, gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021, instrumenten bedoeld in artikel 484, lid 4, waarvan de voorwaarden een call met aflossingsprikkel voor de instelling bevatten, ►C2  onderworpen aan dit artikel. ◄
2.  

De instrumenten worden aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrumenten indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon alleen uiterlijk op 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet uitgeoefend;

c) 

er is vanaf 1 januari 2013 voldaan aan de voorwaarden van artikel 52.

3.  

De instrumenten worden aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrumenten, waarbij hun inaanmerkingneming overeenkomstig artikel 484, lid 4, wordt verminderd tot hun werkelijke vervaldag, waarna zij als aanvullend-tier 1-bestanddelen zonder limiet worden aangemerkt, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon alleen op of na 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de instrumenten uitgeoefend;

c) 

er wordt vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten voldaan aan de voorwaarden van artikel 52.

4.  

De instrumenten worden niet aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrumenten en zijn niet onderworpen aan artikel 484, lid 4, vanaf 1 januari 2014 indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon tussen 31 december 2011 en 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de instrumenten uitgeoefend;

c) 

er wordt niet vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten voldaan aan de voorwaarden van artikel 52.

5.  

De instrumenten worden aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrumenten, waarbij hun inaanmerkingneming overeenkomstig artikel 484, lid 4, wordt verminderd tot hun werkelijke vervaldag, en worden vervolgens niet aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrumenten indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon op of na 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de instrumenten uitgeoefend;

c) 

er wordt niet vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten voldaan aan de voorwaarden van artikel 52.

6.  

De instrumenten worden aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrumenten overeenkomstig artikel 484, lid 4, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon alleen vóór of op 31 december 2011 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de instrumenten uitgeoefend;

c) 

er is niet vanaf de werkelijke vervaldag van de instrumenten voldaan aan de voorwaarden van artikel 52.

Artikel 490

Tier 2-bestanddelen met aflossingsprikkel

1.  
In afwijking van de artikelen 62 en 63 zijn, gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021, bestanddelen bedoeld in artikel 484, lid 5, die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor artikel 57, punt f) of punt h), van Richtlijn 2006/48/EG in aanmerking kwamen en waarvan de voorwaarden een call met aflossingsprikkel voor de instelling bevatten, ►C2  onderworpen aan dit artikel. ◄
2.  

De bestanddelen worden aangemerkt als tier 2-instrumenten mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon alleen uiterlijk op 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet uitgeoefend;

c) 

er wordt vanaf 1 januari 2013 voldaan aan de voorwaarden van artikel 63.

3.  

De bestanddelen worden aangemerkt als tier 2-instrumenten overeenkomstig artikel 484, lid 5, tot hun werkelijke vervaldag en worden vervolgens aangemerkt als tier 2-bestanddelen zonder limiet indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon alleen op of na 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de bestanddelen uitgeoefend;

c) 

er wordt vanaf de werkelijke vervaldag van de bestanddelen voldaan aan de voorwaarden van artikel 63.

▼C2

4.  

De bestanddelen worden niet aangemerkt als tier 2-bestanddelen vanaf 1 januari 2014 indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

▼B

a) 

de instelling kon alleen tussen 31 december 2011 en 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de bestanddelen uitgeoefend;

c) 

er wordt niet vanaf de werkelijke vervaldag van de bestanddelen voldaan aan de voorwaarden van artikel 63.

5.  

De bestanddelen worden aangemerkt als tier 2-bestanddelen waarbij hun inaanmerkingneming overeenkomstig artikel 484, lid 5, wordt verminderd tot hun werkelijke vervaldag en worden vervolgens niet als tier 2-bestanddelen aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon op of na 1 januari 2013 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de bestanddelen uitgeoefend;

c) 

er wordt vanaf de werkelijke vervaldag van de bestanddelen voldaan aan de voorwaarden van artikel 63.

6.  

De bestanddelen worden aangemerkt als tier 2-bestanddelen overeenkomstig artikel 484, lid 5, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling kon alleen vóór of op 31 december 2011 een call met aflossingsprikkel uitoefenen;

b) 

de instelling heeft de call niet op de werkelijke vervaldag van de bestanddelen uitgeoefend;

c) 

er wordt niet vanaf de werkelijke vervaldag van de bestanddelen voldaan aan de voorwaarden van artikel 63.

Artikel 491

Werkelijke vervaldag

Voor de toepassing van de artikelen 489 en 490 wordt de werkelijke vervaldag als volgt bepaald:

a) 

voor de in de leden 3 en 5 van die artikelen bedoelde bestanddelen is het de dag waarop de eerste call met aflossingsprikkel wordt verricht op of na 1 januari 2013;

b) 

voor de in lid 4 van die artikelen bedoelde bestanddelen is het de dag waarop de eerste call met aflossingsprikkel is verricht tussen 31 december 2011 en 1 januari 2013;

c) 

voor de in lid 6 van die artikelen bedoelde bestanddelen is het de dag waarop de eerste call met aflossingsprikkel is verricht vóór 31 december 2011.

HOOFDSTUK 3

Overgangsbepalingen voor de openbaarmaking van het eigen vermogen

Artikel 492

Openbaarmaking van het eigen vermogen

1.  
De instellingen passen dit artikel toe gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021.
2.  
Gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 maken de instellingen openbaar in welke mate de omvang van tier 1-kernkapitaal en tier 1-kapitaal de vereisten van artikel 465 overschrijdt.
3.  

Gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 maken de instellingen de volgende extra informatie over hun eigen vermogen openbaar:

a) 

de aard en het effect van de afzonderlijke filters en aftrekkingen die overeenkomstig de artikelen 467 tot en met 470, 474, 476 en 479 worden toegepast op tier 1-kernkapitaal, aanvullend tier 1-kapitaal, tier 2-kapitaal en eigen vermogen;

b) 

de omvang van minderheidsbelangen en aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten, en daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agiorekeningen, uitgegeven door dochterondernemingen, die overeenkomstig hoofdstuk 1, afdeling 4, worden opgenomen in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1-kapitaal, tier 2-kapitaal en eigen vermogen;

c) 

het effect van de afzonderlijke filters en aftrekkingen die overeenkomstig artikel 481 worden toegepast op tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1-kapitaal, tier 2-kapitaal en eigen vermogen;

d) 

de aard en de omvang van bestanddelen die bij toepassing van de in hoofdstuk 2, afdeling 2, gespecificeerde afwijkingen als tier 1-kernkapitaalbestanddelen, tier 1-bestanddelen en tier 2-bestanddelen worden aangemerkt.

4.  
Gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 maken de instellingen het bedrag openbaar van de instrumenten die overeenkomstig artikel 484 als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten worden aangemerkt.
5.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de uniforme rapportagetemplates voor de openbaarmaking overeenkomstig dit artikel. De templates omvatten de bestanddelen vermeld in artikel 437, lid 1, punten a), b), d) en e), als gewijzigd bij hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van deze titel.

▼C1

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

▼B

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

HOOFDSTUK 4

Grote risicoblootstellingen, eigenvermogensvereisten, hefboomfinanciering en Bazel I-vloer

Artikel 493

Overgangsbepalingen voor grote risicoblootstellingen

▼M9

1.  
De bepalingen betreffende grote blootstellingen in de artikelen 387 tot en met 403 van deze verordening zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen waarvan het hoofdbedrijf uitsluitend bestaat in het aanbieden van beleggingsdiensten of -activiteiten in verband met de financiële instrumenten die worden beschreven in bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9, 10 en 11, bij Richtlijn 2014/65/EU, en waarop Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 41 ) op 31 december 2006 niet van toepassing was.

▼M9 —————

▼B

3.  

In afwijking van artikel 400, leden 2 en ►C1  3, kunnen de lidstaten gedurende een overgangsperiode tot de inwerkingtreding van eventuele rechtshandelingen naar aanleiding van de toetsing overeenkomstig artikel 507, maar niet na 31 december 2028, de volgende blootstellingen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van artikel 395, lid 1, vrijstellen: ◄

▼M17

a) 

gedekte obligaties als bedoeld in artikel 129;

▼B

b) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of lokale overheden van de lidstaten indien die vorderingen uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 20 % toegewezen zouden krijgen, alsmede andere blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door deze regionale of lokale overheden aan de vorderingen jegens welke uit hoofde van deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 20 % toegewezen zou worden;

▼M8

c) 

blootstellingen, waaronder deelnemingen of andere belangen, die een instelling heeft met betrekking tot haar moederonderneming, andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen en gekwalificeerde deelnemingen, voor zover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de instelling zelf onderworpen is, overeenkomstig deze verordening, Richtlijn 2002/87/EG of gelijkwaardige in een derde land geldende standaarden; blootstellingen die niet aan deze criteria voldoen, worden, ongeacht of zij van artikel 395, lid 1, van deze verordening zijn vrijgesteld, behandeld als blootstellingen met betrekking tot derden;

▼B

d) 

actiefposten die vorderingen op, en andere blootstellingen, waaronder deelnemingen of andere belangen, met betrekking tot regionale of centrale kredietinstellingen vertegenwoordigen waarmee de kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen tot een netwerk behoort en die op grond van die bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;

e) 

actiefposten die vorderingen op en andere blootstellingen met betrekking tot kredietinstellingen vertegenwoordigen, aangegaan door kredietinstellingen waarvan er één op niet-concurrerende basis werkzaam is en in het kader van wetgevingsprogramma’s of overeenkomstig haar statuten leningen verstrekt of waarborgt waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren, waarbij de overheid op de een of andere wijze toezicht houdt en er beperkingen gelden voor de besteding van de leningen, op voorwaarde dat de respectieve blootstellingen voortvloeien uit dergelijke leningen die via kredietinstellingen worden doorgegeven aan de begunstigden, of uit de waarborgen van deze leningen;

f) 

actiefposten die vorderingen op en andere blootstellingen met betrekking tot instellingen vertegenwoordigen, mits die blootstellingen geen eigen vermogen van de instellingen vormen, uiterlijk tot en met de volgende werkdag bestaan en niet in een belangrijke handelsvaluta luiden;

g) 

actiefposten die vorderingen op centrale banken vertegenwoordigen in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden voorgeschreven minimumreserves die in de nationale valuta luiden;

h) 

actiefposten bestaande uit vorderingen op centrale overheden in de vorm van wettelijk vereiste liquiditeit die in overheidspapier worden aangehouden, en die in de nationale valuta luiden en gefinancierd zijn, mits, volgens het oordeel van de bevoegde autoriteit, de door een aangewezen EKBI toegekende kredietbeoordeling van deze centrale overheden als investeringswaardig is aan te merken;

▼M17

i) 

50 % van de documentaire kredieten buiten de balanstelling van subklasse 4 en van de niet-opgenomen kredietfaciliteiten buiten de balanstelling van subklasse 3, als bedoeld in bijlage I, met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar en met instemming van de bevoegde autoriteiten, 80 % van andere dan leninggaranties met een wettelijke of regelgevingsbasis die voor de leden worden verstrekt door onderlinge garantiesystemen met de status van kredietinstelling;

▼B

j) 

wettelijk vereiste garanties die worden gebruikt wanneer een hypothecaire lening, die wordt gefinancierd door de uitgifte van obligaties met een hypotheek als onderpand, wordt betaald aan de hypotheeknemer vóór de definitieve registratie in het kadaster, mits de garantie niet gebruikt wordt ter vermindering van het risico bij de berekening van de risicogewogen posten;

k) 

actiefposten die vorderingen op en andere blootstellingen met betrekking tot erkende beurzen vertegenwoordigen.

▼M4

4.  

In afwijking van artikel 395, lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan elk van de in lid 5 van dit artikel bepaalde blootstellingen aan te gaan die aan de in lid 6 van dit artikel vermelde voorwaarden voldoen, en wel binnen de volgende limieten:

a) 

100 % van het tier 1-kapitaal van de instelling tot en met 31 december 2018;

b) 

75 % van het tier 1-kapitaal van de instelling tot en met 31 december 2019;

c) 

50 % van het tier 1-kapitaal van de instelling tot en met 31 december 2020.

De in de eerste alinea, onder a), b) en c), vermelde limieten gelden voor blootstellingswaarden na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403.

5.  

De in lid 4 beschreven overgangsregelingen gelden voor de volgende blootstellingen:

a) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden, centrale banken of publiekrechtelijke lichamen van lidstaten;

b) 

actiefposten die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken of publiekrechtelijke lichamen van lidstaten;

c) 

andere blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken of publiekrechtelijke lichamen van lidstaten;

d) 

actiefposten die vorderingen op regionale of lokale overheden van lidstaten vertegenwoordigen, welke overeenkomstig artikel 115, lid 2, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot een centrale overheid;

e) 

andere blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door regionale of lokale overheden van lidstaten, die overeenkomstig artikel 115, lid 2, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot een centrale overheid.

Voor de toepassing van de punten a), b) en c) van de eerste alinea gelden de in lid 4 van dit artikel beschreven overgangsregelingen uitsluitend voor actiefposten en andere blootstellingen met betrekking tot, of gegarandeerd door, publiekrechtelijke lichamen die overeenkomstig artikel 116, lid 4, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot een centrale, regionale of lokale overheid. Indien actiefposten en andere blootstellingen met betrekking tot, of gegarandeerd door, publiekrechtelijke lichamen overeenkomstig artikel 116, lid 4, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot een regionale of een lokale overheid, gelden de in lid 4 van dit artikel beschreven overgangsregelingen uitsluitend indien blootstellingen met betrekking tot die regionale of lokale overheid worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot een centrale overheid, overeenkomstig artikel 115, lid 2.

6.  

De in lid 4 van dit artikel beschreven overgangsregelingen gelden uitsluitend indien een blootstelling als bedoeld in lid 5 van dit artikel, voldoet aan beide onderstaande voorwaarden:

a) 

aan de blootstelling zou een risicogewicht van 0 % worden toegekend overeenkomstig de op 31 december 2017 geldende versie van artikel 495, lid 2;

b) 

de blootstelling is aangegaan op of na 12 december 2017.

7.  
Een blootstelling als bedoeld in lid 5 van dit artikel die werd aangegaan vóór 12 december 2017 en waaraan overeenkomstig artikel 495, lid 2, op 31 december 2017 een risicogewicht van 0 % werd toegekend, wordt vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1.

▼M8

Artikel 494

Overgangsbepalingen betreffende het vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

▼C9

1.  

In afwijking van artikel 92 bis voldoen als af te wikkelen entiteiten aangewezen instellingen die MSI-entiteiten zijn, vanaf 27 juni 2019 tot en met 31 december 2021 te allen tijde aan de volgende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

▼M8

a) 

een risicogebaseerde ratio van 16 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4;

b) 

een niet-risicogebaseerde ratio van 6 %, die het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf van totale blootstelling.

2.  
In afwijking van artikel 72 ter, lid 3, bedraagt de mate waarin in aanmerking komende passiva-instrumenten als bedoeld in artikel 72 ter, lid 3, kunnen worden opgenomen in in aanmerking komende passivabestanddelen vanaf 27 juni 2019 tot en met 31 december 2021 2,5 % van het overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4, berekende totaal van de risicoposten.
3.  
In afwijking van artikel 72 ter, lid 3, worden, totdat de afwikkelingsautoriteit voor het eerst de vervulling van de voorwaarde in punt c) van dat lid heeft beoordeeld, passiva als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt tot een totaalbedrag dat tot 31 december 2021 niet meer bedraagt dan 2,5 % en nadien niet meer dan 3,5 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4, mits deze passiva voldoen aan de voorwaarden in artikel 72 ter, lid 3, punten a) en b).

▼M8

Artikel 494 bis

Toepassing van grandfathering op uitgiftes via special purpose entities

1.  

In afwijking van artikel 52 worden kapitaalinstrumenten die niet rechtstreeks door een instelling worden uitgegeven, tot en met 31 december 2021 alleen als aanvullend-tier 1-instrumenten aangemerkt indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

▼C9

a) 

de voorwaarden van artikel 63, met uitzondering van de voorwaarde dat de instrumenten rechtstreeks door de instelling worden uitgegeven;

▼M8

b) 

de instrumenten worden uitgegeven door een entiteit binnen de consolidatie op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;

c) 

de opbrengsten zijn onmiddellijk en zonder beperking beschikbaar voor die instelling in een vorm die voldoet aan de voorwaarden van dit lid.

2.  

In afwijking van artikel 63 worden kapitaalinstrumenten die niet rechtstreeks door een instelling worden uitgegeven, tot en met 31 december 2021 alleen als tier 2-instrumenten aangemerkt indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de voorwaarden van artikel 63, lid 1, met uitzondering van de voorwaarde dat de instrumenten rechtstreeks door de instelling worden uitgegeven;

b) 

de instrumenten worden uitgegeven door een entiteit binnen de consolidatie op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;

c) 

de opbrengsten zijn onmiddellijk en zonder beperking beschikbaar voor die instelling in een vorm die voldoet aan de voorwaarden van dit lid.

Artikel 494 ter

Toepassing van grandfathering op eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten

1.  
In afwijking van de artikelen 51 en 52 worden instrumenten die vóór 27 juni 2019 zijn uitgegeven, tot uiterlijk 28 juni 2025 als aanvullend-tier 1-instrumenten aangemerkt mits zij voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 51 en 52, met uitzondering van de voorwaarden in artikel 52, lid 1, punten p), q) en r).
2.  
In afwijking van de artikelen 62 en 63 worden instrumenten die vóór 27 juni 2019 zijn uitgegeven, tot uiterlijk 28 juni 2025 als tier 2-instrumenten aangemerkt mits zij voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 62 en 63, met uitzondering van de voorwaarden in artikel 63, punten n), o) en p).

▼C9

3.  
In afwijking van artikel 72 bis, lid 1, punt a), worden passiva die vóór 27 juni 2019 zijn uitgegeven, als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt mits zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 72 ter, met uitzondering van de voorwaarden in artikel 72 ter, lid 2, punten f) tot en met m).

▼M13

Artikel 494 quater

Grandfathering van senior securitisatieposities

In afwijking van artikel 270 mag een initiërende instelling de risicogewogen blootstellingsbedragen van een senior securitisatiepositie overeenkomstig de artikelen 260, 262 of 264 berekenen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de securitisatie is uitgegeven vóór 9 april 2021;

b) 

de securitisatie voldeed op 8 april 2021 aan de in artikel 270 vastgestelde voorwaarden die op die datum van toepassing waren.

▼M17

Artikel 494 quinquies

Teruggrijpen op minder verfijnde benaderingen

In afwijking van artikel 149 mag een instelling vanaf 9 juli 2024 tot en met 10 juli 2027 teruggrijpen op minder verfijnde benaderingen voor één of meer van de in artikel 147, lid 2, bedoelde blootstellingscategorieën, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de instelling bestond reeds op 8 juli 2024 en had toen de toestemming van haar bevoegde autoriteit om die blootstellingscategorieën volgens de IRB-benadering te behandelen;

b) 

de instelling verzoekt in die periode van drie jaar slechts eenmaal om op een minder verfijnde benadering te mogen teruggrijpen;

c) 

het verzoek om op een minder verfijnde benadering te mogen teruggrijpen, gebeurt niet om aan regelgevingsarbitrage te doen;

d) 

de instelling heeft, ten minste zes maanden vóór zij daadwerkelijk op een minder verfijnde benadering teruggrijpt, de bevoegde autoriteit formeel in kennis gesteld van het feit dat zij voor die blootstellingscategorie op die benadering wil teruggrijpen;

e) 

de bevoegde autoriteit heeft binnen drie maanden na ontvangst van de in punt d) bedoelde kennisgeving geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de instelling om op die benadering te mogen teruggrijpen.

▼M17

Artikel 495

Behandeling van blootstellingen in aandelen volgens de IRB-benadering

1.  

In afwijking van artikel 107, lid 1, berekenen instellingen die de toestemming hebben gekregen om voor het berekenen van de risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen de IRB-benadering toe te passen, tot en met 31 december 2029 en onverminderd artikel 495 bis, lid 3, de risicogewogen posten voor elke blootstelling in aandelen waarvoor zij toestemming hebben gekregen om de IRB-benadering toe te passen, als het hoogste van deze beide bedragen:

a) 

de risicogewogen posten berekend overeenkomstig artikel 495 bis, leden 1 en 2;

b) 

de risicogewogen posten berekend krachtens de onderhavige verordening in de versie die van toepassing is op 8 juli 2024.

2.  
In plaats van de behandeling van lid 1 toe te passen, mogen instellingen die de toestemming hebben gekregen om voor het berekenen van de risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen de IRB-benadering toe te passen, op enig tijdstip in de periode tot en met 31 december 2029 de behandeling van artikel 133 op al hun blootstellingen in aandelen toepassen.

Indien instellingen de eerste alinea van dit lid toepassen, is artikel 495 bis, leden 1 en 2, niet van toepassing.

Voor de toepassing van dit lid zijn de voorwaarden van artikel 149 om op minder verfijnde benaderingen te mogen teruggrijpen, niet van toepassing.

3.  
Instellingen die de behandeling van lid 1 van dit artikel toepassen, berekenen de verwachte verliesposten overeenkomstig artikel 158, lid 7, 8 of 9, naargelang het geval, in de versie van die leden die van toepassing is op 8 juli 2024 en passen artikel 36, lid 1, punt d), en artikel 62, punt d), naargelang het geval, toe in de versie van die punten die van toepassing is op 8 juli 2024 indien de overeenkomstig lid 1, punt b), van dit artikel berekende risicogewogen posten voor blootstellingen meer bedragen dan de overeenkomstig lid 1, punt a), van dit artikel berekende risicogewogen posten voor blootstellingen.
4.  
Indien instellingen toestemming vragen om voor het berekenen van de risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen de IRB-benadering te mogen toepassen, verlenen bevoegde autoriteiten die toestemming niet na 31 december 2024.

▼M17

Artikel 495 bis

Overgangsregelingen voor blootstellingen in aandelen

1.  

In afwijking van de behandeling van artikel 133, lid 3, krijgen blootstellingen in aandelen het hoogste van de op 8 juli 2024 toepasselijke risicogewichten, met een maximum van 250 %, en de volgende risicogewichten toegekend:

a) 

100 % gedurende de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025;

b) 

130 % gedurende de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026;

c) 

160 % gedurende de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027;

d) 

190 % gedurende de periode van 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;

e) 

220 % gedurende de periode van 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.

2.  

In afwijking van de behandeling van artikel 133, lid 4, krijgen blootstellingen in aandelen het hoogste van de op 8 juli 2024 toepasselijke risicogewichten, met een maximum van 250 %, en de volgende risicogewichten toegekend:

a) 

100 % gedurende de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025;

b) 

160 % gedurende de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026;

c) 

220 % gedurende de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027;

d) 

280 % gedurende de periode van 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;

e) 

340 % gedurende de periode van 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.

3.  
In afwijking van artikel 133 mogen de instellingen hetzelfde risicogewicht blijven toekennen als het risicogewicht dat op 8 juli 2024 van toepassing was op blootstellingen in aandelen, waaronder het deel van de blootstellingen dat niet van het eigen vermogen wordt afgetrokken overeenkomstig artikel 471 in de versie die van toepassing was op 27 oktober 2021, voor entiteiten waarvan zij op 27 oktober 2021 gedurende zes opeenvolgende jaren aandeelhouder waren en waarover zij, of samen met het netwerk waartoe de instellingen behoren, een invloed of controle van betekenis uitoefenen in de zin van Richtlijn 2013/34/EU of de normen voor jaarrekeningen die op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002 voor een instelling gelden, of als gevolg van een vergelijkbare verhouding tussen natuurlijke personen of rechtspersonen of netwerken van instellingen en een onderneming, of indien een instelling het recht heeft ten minste een lid van het bestuursorgaan van de entiteit te benoemen.

Artikel 495 ter

Overgangsregelingen voor blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening

1.  

In afwijking van artikel 161, lid 4, zijn de LGD-input floors voor blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening die volgens de IRB-benadering worden behandeld waarbij eigen LGD-ramingen worden gebruikt, de toepasselijke LGD-input floors van artikel 161, lid 4, vermenigvuldigd met de volgende factoren:

a) 

50 % gedurende de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2027;

b) 

80 % gedurende de periode van 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;

c) 

100 % gedurende de periode van 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.

2.  
De EBA stelt voor elke specifieke categorie blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening als bedoeld in artikel 147, lid 8, een verslag op over de passende kalibratie van risicoparameters, met inbegrip van de haircutparameter, voor blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening volgens de IRB-benadering, en met name over eigen LGD-ramingen en LGD-input floors. De EBA neemt in haar verslag met name gegevens op over gemiddelde aantallen wanbetalingen en gerealiseerde verliezen zoals die in de Unie voor uiteenlopende steekproeven van instellingen met uiteenlopende activiteiten en risicoprofielen worden waargenomen. De EBA beveelt specifieke kalibraties aan van risicoparameters, met inbegrip van de haircutparameter, die het specifieke en verschillende risicoprofiel van elke specifieke categorie blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening weerspiegelen.

De EBA dient dat verslag uiterlijk op 10 juli 2026 in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Op basis van dat verslag en terdege rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS heeft ontwikkeld, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2027 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

3.  

In afwijking van artikel 122 bis, lid 3, punt a), kan aan de in dat punt bedoelde blootstellingen met betrekking tot gespecialiseerde kredietverlening waarvoor geen direct toepasselijke kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, tot en met 31 december 2032 een risicogewicht van 80 % worden toegekend, indien de in artikel 501 bis bedoelde aanpassing aan eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico niet wordt toegepast en de blootstelling geacht wordt van hoge kwaliteit te zijn, rekening houdende met alle volgende criteria:

a) 

de debiteur kan zelfs onder omstandigheden van ernstige stress aan zijn financiële verplichtingen voldoen doordat alle volgende kenmerken voorhanden zijn:

i) 

afdoende exposure-to-value van de blootstelling;

ii) 

voorzichtig terugbetalingsprofiel van de blootstelling;

iii) 

evenredige resterende levensduur van de activa bij volledige uitbetaling van de blootstelling, subsidiair het beroep op een protectiegever met een hoge kredietwaardigheid;

iv) 

laag herfinancieringsrisico van de blootstelling door de debiteur, of dat risico wordt afdoende gelimiteerd door een evenredige resterende activawaarde of het beroep op een protectiegever met een hoge kredietwaardigheid;

v) 

voor de debiteur gelden contractuele restricties voor zijn activiteit en financieringsstructuur;

vi) 

de debiteur gebruikt derivaten alleen om risico’s te limiteren;

vii) 

materiële operationele risico’s worden correct beheerd;

b) 

de contractuele regelingen voor de activa bieden kredietverleners een hoge mate van bescherming, met onder meer de volgende kenmerken:

i) 

de kredietverleners hebben een juridisch afdwingbaar recht van eerste rang op de gefinancierde activa en, in voorkomend geval, op de inkomsten die deze genereren;

ii) 

er gelden contractuele beperkingen voor de mogelijkheden van de debiteur om wijzigingen aan te brengen in het actief dat de waarde ervan negatief zou beïnvloeden;

iii) 

indien het actief in aanbouw is, hebben de kredietverleners een juridisch afdwingbaar recht van eerste rang op de activa en op de onderliggende bouwovereenkomsten;

c) 

de activa die worden gefinancierd, voldoen aan alle volgende normen voor een veilig en doeltreffend functioneren:

i) 

de technologie en het ontwerp van de activa zijn getest;

ii) 

alle noodzakelijke vergunningen en toestemmingen voor het opereren van de activa zijn verkregen;

iii) 

indien het actief in aanbouw is, heeft de debiteur afdoende waarborgen wat betreft overeengekomen specificaties, budget en voltooiingsdatum van het actief, met inbegrip van stevige voltooiingsgaranties of de betrokkenheid van een ervaren bouwbedrijf en adequate contractbepalingen voor schadevergoedingen.

4.  

De EBA stelt een verslag op met een analyse van:

a) 

de ontwikkeling van de trends en omstandigheden op de markten voor objectfinanciering in de Unie;

b) 

de daadwerkelijke risicogevoeligheid van de blootstellingen met betrekking tot objectfinanciering gedurende een volledige economische cyclus;

c) 

het effect op eigenvermogensvereisten van de in artikel 122 bis, lid 3, punt a), omschreven behandeling voor blootstellingen met betrekking tot objectfinanciering, zonder rekening te houden met artikel 465, lid 1;

d) 

de geschiktheid van de definitie van de subcategorie „objectfinanciering van hoge kwaliteit” en van de toekenning van een andere prudentiële behandeling aan die subcategorie blootstellingen.

De EBA dient dat verslag uiterlijk op 31 december 2030 in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Op basis van dat verslag en terdege rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS heeft ontwikkeld, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2031 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 495 quater

Overgangsregelingen voor leasingblootstellingen als techniek inzake kredietrisicolimitering

1.  

In afwijking van artikel 230 is de toepasselijke waarde van Hc die overeenstemt met „andere fysieke zekerheden” voor de in artikel 199, lid 7, bedoelde blootstellingen waarbij het geleasede actief overeenstemt met het type „andere fysieke zekerheden” van volgestorte kredietprotectie, de waarde van Hc voor „andere fysieke zekerheden” uit artikel 230, lid 2, tabel 1, vermenigvuldigd met de volgende factoren:

a) 

50 % gedurende de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2027;

b) 

80 % gedurende de periode van 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;

c) 

100 % gedurende de periode van 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.

2.  
De EBA stelt een verslag op over de passende kalibraties van risicoparameters voor leasingblootstellingen volgens de IRB-benadering, en van risicogewichten volgens de standaardbenadering, en met name over LGDs en Hc uit artikel 230. De EBA neemt in haar verslag met name gegevens op over gemiddelde aantallen wanbetalingen en gerealiseerde verliezen zoals die in de Unie voor uiteenlopende soorten geleasede onroerende goederen en uiteenlopende soorten instellingen die leaseactiviteiten verrichten, worden waargenomen.

De EBA dient dat verslag uiterlijk op 10 juli 2027 in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Op basis van dat verslag en rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS heeft ontwikkeld, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2028 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 495 quinquies

Overgangsregelingen voor onvoorwaardelijk opzegbare kredietlijnen

1.  

In afwijking van artikel 111, lid 2, berekenen de instellingen de blootstellingswaarde van een post buiten de balanstelling in de vorm van een onvoorwaardelijk opzegbare kredietlijn door het percentage uit dat artikel te vermenigvuldigen met de volgende factoren:

a) 

0 % gedurende de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029;

b) 

25 % gedurende de periode van 1 januari 2030 tot en met 31 december 2030;

c) 

50 % gedurende de periode van 1 januari 2031 tot en met 31 december 2031;

d) 

75 % gedurende de periode van 1 januari 2032 tot en met 31 december 2032.

2.  
De EBA stelt een verslag op met een beoordeling van de vraag of de in lid 1, punt a), bedoelde afwijking na 31 december 2032 moet worden verlengd en, indien nodig, met een nadere bepaling van de voorwaarden waaronder die afwijking behouden dient te blijven.

De EBA dient dat verslag uiterlijk op 31 december 2028 in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Op basis van dat verslag en terdege rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS heeft ontwikkeld en het effect van die standaarden op de financiële stabiliteit, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2031 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 495 sexies

Overgangsregelingen voor de EKBI-kredietbeoordelingen van instellingen

In afwijking van artikel 138, punt g), kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan tot en met 31 december 2029 gebruik te blijven maken van een EKBI-kredietbeoordeling voor een instelling waarin aannames van impliciete overheidssteun worden meegenomen.

Artikel 495 septies

Overgangsregelingen voor herwaarderingsvereisten voor onroerend goed

In afwijking van artikel 229, lid 1, punten a) tot en met d), mogen de instellingen voor blootstellingen die worden gedekt door niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed die zijn toegekend vóór 1 januari 2025, niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed blijven waarderen tegen of onder de marktwaarde, of in de lidstaten die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de berekening van de hypotheekwaarde hebben vastgelegd, tegen of onder de hypotheekwaarde van dat onroerend goed, tot het moment dat er overeenkomstig artikel 208, lid 3, een herziening van de onroerendgoedwaarde is vereist of, indien dit eerder is, tot en met 31 december 2027.

Artikel 495 octies

Overgangsregelingen voor bepaalde regelingen voor overheidsgaranties

In afwijking van artikel 183, lid 1, en artikel 213; lid 1, wordt een garantie die kan worden opgezegd in geval van fraude door de debiteur of waarvan de kredietprotectie in dat geval kan worden verminderd, geacht te voldoen aan de vereisten van artikel 183, lid 1, punt d), en artikel 213, lid 1, punt c), indien de garantie uiterlijk verstrekt is op 31 december 2024 door een entiteit als bedoeld in artikel 214, lid 2, punt a).

Artikel 495 nonies

Overgangsregelingen voor het gebruik van de alternatieve internemodellenbenadering voor marktrisico

In afwijking van artikel 325 terquinquagies, lid 2, punt d), mogen de instellingen tot en met 1 januari 2026 de alternatieve internemodellenbenadering gebruiken om hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen voor tradingafdelingen die niet voldoen aan de in artikel 325 sexagies vastgelegde vereisten.

▼M10 —————

▼M8

Artikel 497

Eigenvermogensvereisten voor blootstellingen met betrekking tot CTP's

1.  

Indien een in een derde land gevestigde CTP overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 erkenning aanvraagt, kunnen instellingen die CTP als een GCTP beschouwen vanaf de datum van indiening van de erkenningsaanvraag bij de ESMA en tot een van de volgende datums:

a) 

indien de Commissie reeds een uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 heeft vastgesteld met betrekking tot het derde land waarin de CTP is gevestigd en die uitvoeringshandeling in werking is getreden, twee jaar na de datum van indiening van de aanvraag;

b) 

indien de Commissie nog geen uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 heeft vastgesteld met betrekking tot het derde land waarin de CTP is gevestigd of indien die uitvoeringshandeling nog niet in werking is getreden, de eerstkomende van de volgende data:

i) 

twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling;

ii) 

voor CTP's die de aanvraag na 27 juni 2019 hebben ingediend, twee jaar na de datum van indiening van de aanvraag;

iii) 

voor CTP's die de aanvraag vóór 27 juni 2019 hebben ingediend, 28 juni 2021.

2.  

Indien een in dat lid bedoelde CTP niet over een wanbetalingsfonds beschikt en geen bindende regeling met haar clearingleden is aangegaan op grond waarvan zij de initiële marge die zij van haar clearingleden heeft ontvangen, geheel of gedeeltelijk kan gebruiken alsof die voorgefinancierde bijdragen vertegenwoordigde, vervangt de instelling tot aan het verstrijken van de in lid 1 van dit artikel vermelde termijn de formule voor het berekenen van het eigenvermogensvereiste in artikel 308, lid 2, door de volgende:

waarbij:

=

het eigenvermogensvereiste;

Kccp

=

het hypothetisch kapitaal van de GCTP dat door de GCTP wordt gemeld aan de instelling overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012;

DFccp

=

de voorgefinancierde financiële middelen van de CTP die door de GCTP worden gemeld aan de instelling overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012;

i

=

de index die het clearinglid aangeeft;

IMi

=

de door clearinglid i bij de CTP gestorte initiële marge; en

IM

=

het overeenkomstig artikel 89, lid 5 bis, van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de CTP aan de instelling meegedeelde totale bedrag van de initiële marge.

3.  
Indien het in uitzonderlijke omstandigheden ter voorkoming van verstoring van de internationale financiële markten noodzakelijk en evenredig is, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en volgens de in artikel 464, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure een besluit vaststellen tot eenmalige verlenging met twaalf maanden van de overgangsbepalingen in lid 1 van dit artikel.

▼M9

Artikel 498

Vrijstelling voor grondstoffenhandelaren

Tot 26 juni 2021 zijn de in deze verordening vervatte eigenvermogensvereisten niet van toepassing op beleggingsondernemingen waarvan het hoofdbedrijf uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten in verband met de financiële instrumenten die worden omschreven in bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9, 10 en 11, bij Richtlijn 2014/65/EU en waarop Richtlijn 2004/39/EG op 31 december 2006 niet van toepassing was.

▼B

Artikel 499

Hefboomfinanciering

1.  

In afwijking van de artikelen 429 en 430 berekenen en rapporteren de instellingen gedurende de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 de hefboomratio door beide onderstaande elementen te gebruiken als kapitaalmaatstaf:

a) 

tier 1-kapitaal;

b) 

tier 1-kapitaal, behoudens de afwijkingen bepaald in de hoofdstukken 1 en 2 van deze titel.

2.  
In afwijking van artikel 451, lid 1, kunnen de instellingen kiezen of zij de informatie over de hefboomratio openbaar maken op basis van hetzij één, hetzij beide definities van de kapitaalmaatstaf gespecificeerd in lid 1, punten a) en b), van dit artikel. Indien instellingen hun keuze van de basis voor de openbaarmaking van de informatie over de hefboomratio wijzigen, wordt in de eerste daaropvolgende openbaarmaking een afstemmingsoverzicht opgenomen met de informatie over alle hefboomratio's die tot de wijziging openbaar is gemaakt.

▼M8 —————

▼M8

Artikel 500

Aanpassing voor verkopen van grote omvang

1.  

In afwijking van artikel 181, lid 1, punt a), kan een instelling haar LGD-ramingen aanpassen door volledige of gedeeltelijke verrekening van het effect van verkopen van grote omvang van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling op gerealiseerde LGD's tot aan het verschil tussen de gemiddelde geraamde LGD's voor vergelijkbare blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling die niet definitief zijn geliquideerd en de gemiddelde gerealiseerde LGD's, mede op basis van de verliezen die wegens verkopen van grote omvang zijn gerealiseerd, en wel zodra alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

de instelling heeft aan de bevoegde autoriteit een plan ter kennis gebracht met de omvang, de samenstelling en de datums van de verkopen van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling;

▼M17

b) 

de verkopen van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling hebben na 23 november 2016 doch uiterlijk op 31 december 2024 plaatsgevonden;

▼C9

c) 

het cumulatieve blootstellingsbedrag van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling die sedert de datum van de eerste verkoop volgens het in punt a) bedoelde plan zijn verkocht, ligt boven 20 % van het blootstellingsbedrag van alle blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, waarbij beide in dit punt vermelde blootstellingen sedert de in de punten a) en b) bedoelde eerste verkoopdatum als een blootstelling binnen of buiten de balanstelling zijn waargenomen.

▼M17

De in de eerste alinea bedoelde aanpassing mag enkel plaatsvinden tot en met 31 december 2024 en de effecten ervan mogen net zolang duren als de overeenkomstige blootstellingen deel uitmaken van de eigen LGD-ramingen van de instelling.

▼M8

2.  
De instellingen stellen de bevoegde autoriteit onverwijld ervan in kennis dat de voorwaarde van lid 1, punt c), is vervuld.

▼M17

3.  
De Commissie beoordeelt uiterlijk op 31 december 2026, en vervolgens om de twee jaar, of het niveau van de blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling op de balansen van de instellingen aanzienlijk is toegenomen, of zij een aanzienlijke verslechtering van de kwaliteit van de activa van de instellingen verwacht en of de secundaire markten voor blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, niet voldoende ontwikkeld zijn om efficiënte verkopen door instellingen van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling te waarborgen, mede rekening houdend met de ontwikkelingen in de regelgeving inzake securitisatie.

De Commissie evalueert of de in lid 1 bedoelde afwijking passend is en dient, in voorkomend geval, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in om de in dit artikel bedoelde aanpassing zo nodig uit te breiden, opnieuw in te voeren of te wijzigen.

▼M11

Artikel 500 bis

Tijdelijke behandeling van in de valuta van een andere lidstaat uitgegeven overheidsschuld

▼M17

1.  

In afwijking van artikel 114, lid 2, geldt tot en met 31 december 2026 voor blootstellingen met betrekking tot de centrale overheden en centrale banken van de lidstaten die luiden en gefinancierd zijn in de nationale valuta van een andere lidstaat het volgende:

a) 

tot en met 31 december 2024 wordt op de blootstellingswaarden een risicogewicht toegepast van 0 % van het overeenkomstig artikel 114, lid 2, aan die blootstellingen toegekende risicogewicht;

b) 

in 2025 wordt op de blootstellingswaarden een risicogewicht toegepast van 20 % van het overeenkomstig artikel 114, lid 2, aan die blootstellingen toegekende risicogewicht;

c) 

in 2026 wordt op de blootstellingswaarden een risicogewicht toegepast van 50 % van het overeenkomstig artikel 114, lid 2, aan die blootstellingen toegekende risicogewicht.

▼M11

2.  

In afwijking van artikel 395, lid 1, en artikel 493, lid 4, kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan de in lid 1 van dit artikel bedoelde blootstellingen aan te gaan, en wel binnen de volgende limieten:

▼M17

a) 

100 % van het tier 1-kapitaal van de instelling tot en met 31 december 2025;

b) 

75 % van het tier 1-kapitaal van de instelling tussen 1 januari en 31 december 2026;

c) 

50 % van het tier 1-kapitaal van de instelling tussen 1 januari en 31 december 2027.

▼M11

De in de eerste alinea, punten a), b) en c), van dit lid bedoelde limieten gelden voor blootstellingswaarden na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403.

3.  
In afwijking van artikel 150, lid 1, punt d), punt ii), kunnen instellingen nadat zij de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten hebben gekregen en onder de in artikel 150 neergelegde voorwaarden de standaardbenadering ook toepassen op blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken wanneer aan die blootstellingen uit hoofde van lid 1 van dit artikel een risicogewicht van 0 % wordt toegekend.

Artikel 500 ter

Tijdelijke uitsluiting van bepaalde blootstellingen met betrekking tot centrale banken van de maatstaf van totale blootstelling in het licht van de COVID-19-pandemie

1.  

In afwijking van artikel 429, lid 4, kan een instelling tot en met 27 juni 2021, mits aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel vastgestelde voorwaarden wordt voldaan, de volgende blootstellingen met betrekking tot de centrale bank van de instelling van haar maatstaf van totale blootstelling uitsluiten:

a) 

munten en bankbiljetten die een wettig betaalmiddel zijn in de jurisdictie van de centrale bank;

b) 

activa die vorderingen op de centrale bank vormen, waaronder bij de centrale bank aangehouden reserves;

Het door de instelling uitgesloten bedrag mag niet hoger zijn dan het gemiddelde bedrag van de blootstellingen per dag als bedoeld in de punten a) en b) van de eerste alinea gedurende de meest recente volledige reserveaanhoudingsperiode van de centrale bank van de instelling.

2.  

Een instelling kan de in lid 1 vermelde blootstellingen uitsluiten indien de bevoegde autoriteit van de instelling na overleg met de betrokken centrale bank heeft vastgesteld en publiekelijk heeft verklaard dat er zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die de uitsluiting rechtvaardigen om de uitvoering van monetair beleid te faciliteren.

De krachtens lid 1 uit te sluiten blootstellingen voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) 

zij luiden in dezelfde valuta als de door de instelling aanvaarde deposito’s;

b) 

de gemiddelde looptijd ervan overschrijdt niet significant de gemiddelde looptijd van de door de instelling aanvaarde deposito’s.

Een instelling die blootstellingen met betrekking tot haar centrale bank overeenkomstig lid 1 uitsluit van haar maatstaf van totale blootstelling, maakt ook de hefboomratio bekend die zij zou hebben indien zij die blootstellingen niet zou hebben uitgesloten.

▼M17

Artikel 500 quater

Uitsluiting van de overschrijdingen van de berekening van het backtesting-optelgetal in het licht van de COVID-19-pandemie

In afwijking van artikel 325 novoquinquagies kunnen de bevoegde autoriteiten, in buitengewone omstandigheden en in individuele gevallen, instellingen toestaan om de overschrijdingen die zijn vastgesteld bij de backtesting door de instelling van hypothetische of feitelijke wijzigingen, uit te sluiten van de berekening van het optelgetal bedoeld in artikel 325 novoquinquagies, mits deze overschrijdingen niet het gevolg zijn van tekortkomingen in het interne model en mits zij tussen 1 januari 2020 en 31 december 2021 hebben plaatsgevonden.

▼M11

Artikel 500 quinquies

Tijdelijke berekening van de blootstellingswaarde van nog af te wikkelen aankopen en verkopen volgens standaardmarktconventies in het licht van de COVID-19-pandemie

1.  
In afwijking van artikel 429, lid 4, kunnen instellingen tot en met 27 juni 2021 de blootstellingswaarde van nog af te wikkelen aankopen en verkopen volgens standaardmarktconventies berekenen overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel.
2.  
Instellingen behandelen contanten met betrekking tot verkopen volgens standaardmarktconventies en effecten met betrekking tot aankopen volgens standaardmarktconventies die op de balans blijven tot de afwikkelingsdatum, als activa overeenkomstig artikel 429, lid 4, punt a).
3.  
Instellingen die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving administratieve verwerking op basis van de transactiedatum toepassen op nog af te wikkelen aankopen en verkopen volgens standaardmarktconventies, verrichten een tegenboeking van elke compensatie tussen vorderingen in contanten als gevolg van nog af te wikkelen verkopen volgens standaardmarktconventies en schulden in contanten als gevolg van nog af te wikkelen aankopen volgens standaardmarktconventies, die krachtens dat kader voor financiële verslaggeving is toegestaan. Nadat instellingen de boekhoudkundige compensatie hebben tegengeboekt, kunnen zij tussen die vorderingen en schulden in contanten compenseren indien zowel de aankopen als de verkopen volgens standaardmarktconventies op basis van levering-tegen-betaling worden afgewikkeld.
4.  

Instellingen die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving administratieve verwerking op basis van de transactiedatum toepassen op nog af te wikkelen aankopen en verkopen volgens standaardmarktconventies, nemen in de maatstaf van totale blootstelling de volledige nominale waarde op van de verplichtingen tot betaling in verband met aankopen volgens standaardmarktconventies.

Instellingen mogen de volledige nominale waarde van verplichtingen tot betaling in verband met aankopen volgens standaardmarktconventies slechts compenseren met de volledige nominale waarde van de vorderingen in contanten in verband met nog af te wikkelen verkopen volgens standaardmarktconventies indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

zowel de aankopen als de verkopen volgens standaardmarktconventies worden op basis van levering-tegen-betaling afgewikkeld;

b) 

de aangekochte en verkochte financiële activa die verband houden met vorderingen en schulden in contanten, worden tegen reële waarde gewaardeerd via winsten of verliezen en opgenomen in de handelsportefeuille van de instelling.

5.  
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „aankoop of verkoop volgens standaardmarktconventies” verstaan, een aankoop of een verkoop van een effect in het kader van een contract op grond waarvan het effect moet worden geleverd binnen de termijn die algemeen bij wet of overeenkomst in de betrokken markt is vastgesteld.

▼M8

Artikel 501

Aanpassing van risicogewogen niet in wanbetaling zijnde kmo-blootstellingen

1.  

De instellingen passen de naargelang het geval overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3 berekende risicogewogen blootstellingsbedragen voor niet in wanbetaling zijnde blootstellingen aan een kmo („risk-weighted exposure amounts” - RWEA) aan volgens de volgende formule:

waarbij:

RWEA*

=

de met een kmo-ondersteuningsfactor aangepaste RWEA; en

▼C9

E* i

=

s een van de volgende bedragen:

a) 

het totale bedrag dat de kmo of de groep van verbonden cliënten van de kmo aan de instelling, haar dochterondernemingen, haar moederondernemingen en andere dochterondernemingen van die moederondernemingen verschuldigd is, inclusief eventuele blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, maar exclusief door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen of voorwaardelijke vorderingen;

b) 

indien het in punt a) bedoelde totale bedrag gelijk is aan 0, het bedrag aan door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen of voorwaardelijke vorderingen tegen de kmo of de groep van verbonden cliënten van de kmo, die uitgesloten zijn van de berekening van het in dat punt bedoelde totale bedrag.

▼M8

2.  

Voor de toepassing van dit artikel:

▼M17

a) 

wordt de blootstelling aan een kmo ondergebracht in de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, in de categorie blootstellingen met betrekking tot ondernemingen of in de categorie blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed, doch exclusief ADC-blootstellingen;

b) 

wordt onder kmo verstaan een kmo in de zin van artikel 5, punt 9;

▼M8

c) 

ondernemen de instellingen de stappen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om E* correct te bepalen en de krachtens punt b) verlangde informatie te verkrijgen.

▼M8

Artikel 501 bis

Aanpassing van de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico voor blootstellingen aan entiteiten die fysieke structuren of faciliteiten, systemen en netwerken exploiteren of financieren die essentiële openbare diensten verrichten of ondersteunen

1.  

De overeenkomstig deel drie, titel II, berekende eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico worden vermenigvuldigd met een factor 0,75 mits de blootstelling voldoet aan alle volgende criteria:

▼M17

a) 

de blootstelling is ondergebracht in de categorie blootstellingen als bedoeld in artikel 112, punt g), of in een van de categorieën blootstellingen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), i), ii) of iii), met uitsluiting van blootstellingen in wanbetaling;

▼M8

b) 

het gaat om een blootstelling aan een entiteit die speciaal is opgericht voor de financiering of exploitatie van fysieke structuren of faciliteiten, systemen en netwerken die essentiële openbare diensten verrichten of ondersteunen;

c) 

de afbetaling van de verplichting is voor niet minder dan twee derde van het bedrag ervan gerelateerd aan de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de individuele capaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming, of aan toelagen, subsidies of financiering van een of meer van de in lid 2, punt b, i) en ii), vermelde entiteiten;

d) 

de debiteur kan zelfs onder omstandigheden van ernstige stress die relevant zijn voor het risico van het project, aan zijn financiële verplichtingen voldoen;

e) 

de kasstromen die de debiteur genereert, zijn voorspelbaar en dekken alle toekomstige leningterugbetalingen gedurende de looptijd van de lening;

▼M17

f) 

het herfinancieringsrisico van de debiteur is laag of voldoende gelimiteerd, rekening houdend met toelagen, subsidies of financiering van een of meer van de in lid 2, punt b), i) en ii), vermelde entiteiten;

▼M8

g) 

de contractuele regelingen bieden kredietverleners een hoge mate van bescherming, onder meer het volgende:

i) 

indien de inkomsten van de debiteur niet worden gefinancierd met betalingen van een groot aantal gebruikers, omvatten de contractuele regelingen bepalingen die kredietverleners daadwerkelijk beschermen tegen verliezen die voortvloeien uit de beëindiging van het project door de partij die ermee instemt de door de debiteur aangeboden goederen of diensten te kopen;

ii) 

de debiteur heeft voldoende volledig gefinancierde reservemiddelen in contanten of andere financiële regelingen met garanten van hoge kwaliteit ter dekking van de noodfinanciering en werkkapitaalvereisten gedurende de levensduur van de activa als bedoeld in punt b) van dit lid;

iii) 

de kredietverleners hebben een voldoende mate van zeggenschap over de activa en de inkomsten die worden gegenereerd door de debiteur;

iv) 

de kredietverleners genieten voor zover toegestaan bij het toepasselijke recht zekerheden in activa en contracten die kritiek zijn voor de infrastructuuractiviteiten of hebben alternatieve mechanismen ingevoerd om hun positie zeker te stellen;

v) 

aan de kredietverleners worden aandelen in pand gegeven zodat zij bij wanbetaling de leiding van de entiteit in handen kunnen nemen;

vi) 

het gebruik van de netto-exploitatiekasstromen na de verplichte betalingen uit het project voor andere doeleinden dan het aflossen van de schuld wordt beperkt;

vii) 

het vermogen van de debiteur om activiteiten uit te oefenen die nadelig kunnen zijn voor de kredietverleners, wordt contractueel beperkt, en met name de uitgifte van nieuwe schuld kan niet plaatsvinden zonder dat de bestaande schuldeisers daarmee instemmen;

h) 

de verplichting heeft een hogere rang dan alle andere schuldvorderingen behalve wettelijke schuldvorderingen en schuldvorderingen van tegenpartijen bij derivatentransacties;

i) 

indien de debiteur in de bouwfase verkeert, wordt door de kapitaalinbrenger aan de volgende criteria voldaan, of indien er meer dan één kapitaalinbrenger is, door de groep van kapitaalinbrengers als een geheel:

i) 

de kapitaalinbrengers hebben in het verleden met succes toezicht gehouden op infrastructuurprojecten, en hebben de financiële draagkracht en de deskundigheid ter zake;

ii) 

de kapitaalinbrengers hebben een laag wanbetalingsrisico, of er is een gering risico op materiële verliezen voor de debiteur ten gevolge van wanbetaling door de kapitaalinbrengers;

iii) 

er zijn toereikende mechanismen ingevoerd om het belang van de kapitaalinbrengers af te stemmen op de belangen van de kredietverleners;

j) 

de debiteur heeft toereikende waarborgen om te zorgen voor voltooiing van het project volgens het overeengekomen bestek of budget of tegen de overeengekomen datum van voltooiing, inclusief stevige voltooiingsgaranties of de betrokkenheid van een ervaren bouwbedrijf en adequate contractbepalingen voor schadevergoedingen;

k) 

indien de exploitatierisico's van wezenlijk belang zijn, worden ze correct beheerd;

l) 

de debiteur gebruikt beproefde technologieën en ontwerpen;

m) 

alle nodige vergunningen en machtigingen zijn verkregen;

n) 

de debiteur gebruikt derivaten alleen om risico's te limiteren;

▼M17

o) 

voor blootstellingen geïnitieerd na 1 januari 2025 heeft de debiteur beoordeeld of de gefinancierde activa positief bijdragen aan een of meer van de in artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852 vastgelegde milieudoelstellingen en geen ernstige afbreuk doen aan de andere in dat artikel vastgelegde doelstellingen, dan wel of de gefinancierde activa aan geen van de in dat artikel vastgelegde milieudoelstellingen ernstige afbreuk doen.

▼M8

2.  

Voor de toepassing van lid 1, punt e), worden de gegenereerde kasstromen slechts als voorspelbaar beschouwd indien een substantieel deel van de inkomsten voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

een van de volgende criteria is vervuld:

i) 

de inkomsten zijn op beschikbaarheid gebaseerd;

ii) 

de inkomsten zijn onderworpen aan regelgeving op het gebied van kapitaalrendement;

iii) 

de inkomsten zijn onderworpen aan een take-or-paycontract;

iv) 

het niveau van output of het gebruik en de prijs voldoen elk aan ten minste één van de volgende criteria:

— 
ze zijn gereguleerd;
— 
ze zijn contractueel vastgelegd;
— 
ze zijn voldoende voorspelbaar ten gevolge van een laag vraagrisico;
b) 

indien de inkomsten van de debiteur niet worden gefinancierd uit betalingen van een groot aantal gebruikers, is de partij die ermee instemt de door de debiteur aangeboden goederen of diensten te kopen een van de volgende:

i) 

een centrale bank, een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale overheid, mits hun overeenkomstig de artikelen 114 en 115 een risicogewicht van 0 % wordt toegekend, of hun een EKBI-rating wordt toegekend met een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3;

ii) 

een publiekrechtelijk lichaam, mits er overeenkomstig artikel 116 een risicogewicht van 20 % of minder aan wordt toegekend, of er een EKBI-rating aan wordt toegekend met een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3;

iii) 

een multilaterale ontwikkelingsbank als bedoeld in artikel 117, lid 2;

iv) 

een internationale organisatie als bedoeld in artikel 118;

v) 

een bedrijfsentiteit aan wie een EKBI-rating met een kredietkwaliteitscategorie van ten minste 3 is gegeven;

vi) 

een entiteit die vervangbaar is zonder significante wijziging in het niveau en het tijdschema van de inkomsten.

3.  
Instellingen rapporteren het totale bedrag van de overeenkomstig lid 1 van dit artikel berekende blootstellingen met betrekking tot infrastructuurprojectentiteiten om de zes maanden aan de bevoegde autoriteiten.
4.  
Uiterlijk op 28 juni 2022 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, over het effect van de in deze verordening vastgestelde eigenvermogensvereisten op de kredietverlening aan infrastructuurprojectentiteiten.
5.  

Voor de toepassing van lid 4 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over het volgende:

a) 

een analyse van de ontwikkeling van de trends en voorwaarden op de markten voor infrastructuurkredietverlening en projectfinanciering in de loop van de in lid 4 bedoelde periode;

b) 

een analyse van de daadwerkelijke risico's van entiteiten als bedoeld in lid 1, punt b), over een volledige economische cyclus;

c) 

het stroken van de in deze verordening vastgestelde eigenvermogensvereisten met de uitkomsten van de analyses krachtens de punten a) en b) van dit lid.

Artikel 501 ter

Afwijking van rapportagevereisten

In afwijking van artikel 430 kan een bevoegde autoriteit tijdens de periode tussen de datum van toepassing van de relevante bepalingen van deze verordening en de datum van de eerste inlevering van verslagen die in de in dat artikel bedoelde technische uitvoeringsnormen is bepaald, het vereiste opheffen dat instellingen informatie moeten rapporteren in het format, beschreven in de templates in de in artikel 430, lid 7, bedoelde uitvoeringshandeling, indien die templates niet zijn geactualiseerd om de bepalingen in deze verordening tot uitdrukking te brengen.

▼B

TITEL II

VERSLAGEN EN TOETSINGEN

▼M17

Artikel 501 quater

Prudentiële behandeling van blootstellingen met betrekking tot ecologische of sociale factoren

1.  

De EBA beoordeelt, na overleg met het ESRB, op basis van de beschikbare gegevens, of de specifieke prudentiële behandeling van blootstellingen met betrekking tot activa of passiva die aan het effect van ecologische of sociale factoren onderhevig zijn, moet worden aangepast. De EBA onderzoekt met name:

a) 

de beschikbaarheid en toegankelijkheid van betrouwbare en consistente ESG-gegevens voor elke categorie blootstellingen als bepaald overeenkomstig deel drie, titel II;

b) 

in overleg met de Eiopa, de haalbaarheid van het invoeren van een gestandaardiseerde methode om de blootstellingen in kaart te brengen en te kwalificeren, voor elke categorie blootstellingen als bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, op basis van een gemeenschappelijke reeks beginselen voor ESG-risicoclassificatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie over transitie- en fysieke risico-indicatoren die beschikbaar is gesteld in de in de Unie vastgestelde kaders voor duurzaamheidsrapportage en, voor zover internationaal beschikbaar, de richtsnoeren en conclusies uit de stresstests voor toezichtdoeleinden of scenarioanalyses van klimaatgerelateerde financiële risico’s die door de EBA of de bevoegde autoriteiten zijn uitgevoerd en, als die de ESG-risico’s naar behoren weerspiegelen, de ESG-score van de kredietrisicorating door een aangewezen EKBI;

c) 

de daadwerkelijke risicogevoeligheid van blootstellingen met betrekking tot activa en activiteiten die aan effecten van ecologische of sociale factoren onderhevig zijn, in vergelijking met de risicogevoeligheid van andere blootstellingen en de mogelijke aanvullende en meer uitvoerige herzieningen van het kader die in overweging moeten worden genomen, rekening houdend met de door het BCBS op internationaal niveau overeengekomen ontwikkelingen;

d) 

de potentiële gevolgen op korte, middellange en lange termijn van een aangepaste specifieke prudentiële behandeling van blootstellingen met betrekking tot activa en activiteiten die aan effecten van ecologische of sociale factoren onderhevig zijn, voor de financiële stabiliteit en de bancaire kredietverlening in de Unie;

e) 

de gerichte verbeteringen die in het huidige prudentiële kader in overweging kunnen worden genomen.

2.  

De EBA dient uiterlijk op de volgende data opeenvolgende verslagen over haar bevindingen in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie:

a) 

9 juli 2024 voor de uit hoofde van lid 1, punt e), vereiste beoordelingen;

b) 

31 december 2024 voor de uit hoofde van lid 1, punten a) en b), vereiste beoordelingen;

c) 

31 december 2025 voor de uit hoofde van lid 1, punten c) en d), vereiste beoordelingen.

Op basis van die EBA-verslagen dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2026 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼M17

Artikel 501 quinquies

Overgangsbepalingen inzake de prudentiële behandeling van cryptoactiva

1.  

De Commissie dient, in voorkomend geval, uiterlijk op 30 juni 2025 bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in ter invoering van een specifieke prudentiële behandeling voor blootstellingen aan cryptoactiva, rekening houdend met de internationale normen en Verordening (EU) 2023/1114. Dat wetgevingsvoorstel omvat het volgende:

a) 

criteria voor de indeling van cryptoactiva in verschillende categorieën cryptoactiva op basis van hun risicokenmerken en de naleving van specifieke voorwaarden;

b) 

specifieke eigenvermogensvereisten voor alle risico’s die de verschillende cryptoactiva met zich meebrengen;

c) 

een geaggregeerde limiet voor blootstellingen aan specifieke soorten cryptoactiva;

d) 

specifieke hefboomratiovereisten voor blootstellingen aan cryptoactiva;

e) 

specifieke toezichtsbevoegdheden voor de indeling van blootstellingen aan cryptoactiva, en voor de monitoring en berekening van de eigenvermogensvereisten;

f) 

specifieke liquiditeitsvereisten voor blootstellingen aan cryptoactiva;

g) 

openbaarmakings- en rapportagevereisten.

2.  

Tot de toepassingsdatum van de in lid 1 bedoelde wetgevingshandeling berekenen de instellingen hun eigenvermogensvereisten voor blootstellingen aan cryptoactiva als volgt:

a) 

blootstellingen aan getokeniseerde traditionele activa worden behandeld als blootstellingen aan de traditionele activa die ze vertegenwoordigen;

b) 

aan blootstellingen aan activagerelateerde tokens waarvan de emittenten voldoen aan Verordening (EU) 2023/1114 en die refereren aan een of meer traditionele activa, wordt een risicogewicht van 250 % toegekend;

c) 

aan andere blootstellingen aan cryptoactiva dan die bedoeld in de punten a) en b) wordt een risicogewicht van 1 250  % toegekend.

In afwijking van de eerste alinea, punt a), vallen blootstellingen aan getokeniseerde traditionele activa waarvan de waarde afhangt van andere cryptoactiva, onder punt c) van de eerste alinea.

3.  
De waarde van de totale blootstelling van een instelling aan andere cryptoactiva dan die bedoeld in lid 1, leden a) en b), is niet hoger dan 1 % van het tier 1-kapitaal van de instelling.
4.  
Een instelling die de in lid 3 vastgelegde limiet overschrijdt, stelt de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis van de schending en toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit een spoedige terugkeer naar naleving aan.
5.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de technische elementen die de instellingen nodig hebben om hun eigenvermogensvereisten te berekenen volgens de benaderingen van lid 2, punten b) en c), met inbegrip van de wijze waarop de waarde van de blootstellingen moet worden berekend en korte- en langetermijnblootstellingen moeten worden geaggregeerd voor de toepassing van de leden 2 en 3.

Bij het opstellen van die ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de EBA rekening met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS heeft ontwikkeld en met bestaande toestemmingen in de Unie in het kader van Verordening (EU) 2023/1114.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2025 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  
De instellingen passen voor de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor blootstellingen aan cryptoactiva de in artikel 36, lid 1, punt b), bedoelde aftrek niet toe.

▼B

Artikel 502

Cycliciteit van kapitaalvereisten

De Commissie onderzoekt op gezette tijden, in samenwerking met de EBA, het ESRB en de lidstaten, en rekening houdend met het advies van de ECB, of deze verordening beschouwd als geheel in combinatie met Richtlijn 2013/36/EU een significante impact heeft op de conjuncturele cyclus, en gaat in het licht van dat onderzoek na of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn. Uiterlijk op 31 december 2013 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit of en hoe de door de instellingen toegepaste methoden in het kader van de IRB-benadering nader op elkaar moeten worden afgestemd teneinde te komen tot kapitaalvereisten die beter vergelijkbaar zijn, terwijl ook de procycliciteit wordt afgezwakt.

Op basis van die analyse en rekening houdend met het advies van de ECB stelt de Commissie om de twee jaar een verslag op dat, zo nodig vergezeld van passende voorstellen, wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. Aan bijdragen van de zijde van kredietnemers en -gevers moet bij de opstelling van het verslag voldoende aandacht worden besteed.

Uiterlijk op 31 december 2014 toetst de Commissie de toepassing van artikel 33, lid 1, punt c), en dient zij daarover bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Met betrekking tot de mogelijke niet-opneming van artikel 33, lid 1, punt c), en de mogelijke toepassing ervan op het niveau van de Unie wordt er in het kader van de toetsing met name toegezien op het voorhanden zijn van voldoende waarborgen om in alle lidstaten de financiële stabiliteit te garanderen.

Artikel 503

Eigenvermogensvereisten voor blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties

1.  
Uiterlijk op 31 december 2014 en na raadpleging van de EBA dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstelen, over de toereikendheid van de in artikel 129 bepaalde risicogewichten en de in artikel 336, lid 3, bepaalde eigenvermogensvereisten voor specifiek risico voor alle instrumenten die voor deze behandelingen in aanmerking komen, alsook over de geschiktheid van de criteria in artikel 129.
2.  

Het verslag en de voorstellen bedoeld in lid 1 hebben betrekking op:

a) 

de mate waarin de vigerende toetsingvermogensvereisten voor gedekte obligaties afdoende differentiëren tussen varianties in de kredietkwaliteit van de gedekte obligaties en het als zekerheid gestelde onderpand, ook wat de mate van variatie tussen de lidstaten onderling betreft;

b) 

de transparantie van de markt van gedekte obligaties en de mate waarin die transparantie beleggers in staat stelt alomvattende interne analyses te maken van het kredietrisico van gedekte obligaties en het als zekerheid voor de gedekte obligaties gestelde onderpand, alsmede de scheiding van activa in geval van insolventie van de uitgevende instelling, met inbegrip van het risicoverminderende effect van het onderliggende stringente nationale rechtskader, overeenkomstig artikel 129 van deze verordening kapitaalvereisten en artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG, betreffende de algehele kredietkwaliteit van een gedekte obligatie en de implicaties daarvan voor de door de beleggers benodigde mate van transparantie; en

c) 

de mate waarin de uitgifte van gedekte obligaties door een kredietinstelling een impact heeft op het kredietrisico waaraan andere schuldeisers van de uitgevende instelling blootstaan.

3.  
Uiterlijk op 31 december 2014 en na raadpleging van de EBA dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de vraag of door luchtvaartuigen gedekte leningen (luchtvaartuigen als onderpand) en woonkredieten met garantie maar zonder geregistreerde hypotheek, onder bepaalde omstandigheden als in aanmerking komende activa overeenkomstig artikel 129 dienen te worden beschouwd.
4.  
Uiterlijk op 31 december 2016 toetst de Commissie of de in artikel 496 beschreven afwijking aan haar doel beantwoordt en, in voorkomend geval, of het raadzaam is een soortgelijke behandeling ook toe te passen voor andere vormen van gedekte obligaties. In het licht van die toetsing kan de Commissie in voorkomend geval gedelegeerde handelingen vaststellen overeenkomstig artikel 462 om de afwijking een permanent karakter te geven of wetgevingsvoorstellen indienen om de afwijking uit te breiden tot andere vormen van gedekte obligaties.

Artikel 504

In crisissituaties bij overheden geplaatste kapitaalinstrumenten

Uiterlijk op 31 december 2016 en na raadpleging van de EBA dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, zo nodig vergezeld van passende voorstellen, waarin word bezien of de in artikel 31 beschreven behandeling moet worden gewijzigd of ingetrokken.

▼M8

Artikel 504 bis

Aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten

Uiterlijk op 28 juni 2022 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over de bedragen en verdeling van aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten onder als MSI of ASI aangemerkte instellingen, en over potentiële afwikkelingsbelemmeringen en het besmettingsrisico in verband met die aangehouden passiva-instrumenten.

Op basis van het verslag van de EBA brengt de Commissie uiterlijk op 28 juni 2023 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de passende behandeling van dergelijke aangehouden passiva-instrumenten, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

▼M17

Artikel 505

Evaluatie van landbouwfinanciering

1.  

Uiterlijk op 31 december 2030 stelt de EBA een verslag op over de effecten van de vereisten van deze verordening op landbouwfinanciering, waaronder:

a) 

de geschiktheid van een specifiek risicogewicht voor eigenvermogensvereisten voor kredietrisico dat wordt berekend overeenkomstig deel drie, titel II, voor blootstellingen met betrekking tot een landbouwonderneming;

b) 

indien van toepassing, uit prudentieel oogpunt gerechtvaardigde criteria voor de toepassing van dat specifieke risicogewicht, met inbegrip van landbouwpraktijken, en het opnemen van blootstellingen in de categorieën blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, particulieren en kleine partijen of gedekt door hypotheken op onroerend goed;

c) 

de overeenstemming met de „van boer tot bord”-strategie als omschreven in de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld „Een „van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” en het respectieve milieueffect in de zin van Verordening (EU) 2020/852, met name met de indicatoren die zijn verzameld binnen het gegevensnetwerk inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen van de Unie, waarbij de scores van bijdragen worden weergegeven met betrekking tot:

i) 

de nettobroeikasgasemissies per hectare;

ii) 

het gebruik van pesticiden en meststoffen per hectare;

iii) 

de mineralenefficiëntieratio’s van de bodem, met inbegrip van koolstof, ammoniak, fosfaat en stikstof per hectare;

iv) 

de efficiëntie van het watergebruik;

v) 

de bevestiging van een positief effect op de indicatoren bedoeld in de punten i) tot en met iv) van dit punt met een EU-keurmerk voor biologische landbouw als bedoeld in Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad ( 42 ).

2.  
De Commissie dient, rekening houdend met het in lid 1 bedoelde EBA-verslag, het verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. Indien passend gaat dat verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening om de negatieve gevolgen ervan voor landbouwfinanciering te verzachten.
3.  
Uiterlijk op 31 december 2027 stelt de EBA tevens een tussentijds verslag op over de gevolgen van de vereisten van deze verordening voor landbouwfinanciering.

Artikel 506

Kredietrisico — kredietverzekering

Uiterlijk op 30 juni 2024 brengt de EBA in nauwe samenwerking met de Eiopa aan de Commissie verslag uit over de toelaatbaarheid en het gebruik van kredietverzekeringspolissen als kredietrisicolimiteringstechniek, onder meer betreffende:

a) 

de geschiktheid van de in deel drie, titel II, hoofdstukken 3 en 4, bedoelde daarmee samenhangende risicoparameters;

b) 

een analyse van de daadwerkelijke en waargenomen risicogevoeligheid van kredietrisicoblootstellingen indien een kredietverzekering als kredietrisicolimiteringstechniek is erkend;

c) 

het stroken van de in deze verordening vastgelegde eigenvermogensvereisten met de uitkomsten van de in de punten a) en b) bedoelde analyses.

Op basis van dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2024 bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in tot wijziging van de behandeling die van toepassing is op kredietverzekering als bedoeld in deel drie, titel II.

▼M13

Artikel 506 bis

Icb’s met een onderliggende portefeuille van staatsobligaties uit de eurozone

In nauwe samenwerking met het ESRB en de EBA publiceert de Commissie uiterlijk op 31 december 2021 een verslag waarin zij beoordeelt of wijzigingen in het regelgevingskader nodig zijn ter bevordering van de markt voor, en de aankoop door banken van, blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb’s) met een onderliggende portefeuille die uitsluitend bestaat uit staatsobligaties van lidstaten die de euro als munt hebben, waarbij het relatieve gewicht van de overheidsobligaties van elke lidstaat in de totale portefeuille van de icb gelijk is aan het relatieve gewicht van de kapitaalbijdrage van elke lidstaat aan de ECB;

Artikel 506 ter

NPE-securitisaties

1.  
De EBA monitort de toepassing van artikel 269 bis en evalueert de kapitaalvereisten voor NPE-securitisaties, rekening houdend met de situatie op de markt voor NPE’s in het algemeen en de situatie op de NPE-securitisatiemarkt in het bijzonder, en dient uiterlijk op 10 oktober 2022 een verslag over haar bevindingen in bij de Commissie.
2.  
De Commissie dient op basis van het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag, uiterlijk op 10 april 2023 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van artikel 269 bis. Het verslag van de Commissie gaat indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

▼M17

Artikel 506 quater

Kredietrisico — interactie tussen aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal en kredietrisicoparameters

Uiterlijk op 31 december 2026 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over de coherentie tussen de huidige meting van kredietrisico en de individuele kredietrisicoparameters, alsmede over de behandeling van aanpassingen ten behoeve van de berekening van het in artikel 159 bedoelde IRB-tekort of IRB-overschot, en over de consistentie met de vaststelling van de blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 166 en met de LGD-raming.

Dat verslag onderzoekt het maximaal mogelijk economische verlies als gevolg van een gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat samen met de bereikte dekking ervan in termen van aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal, rekening houdend met alle boekhoudkundige aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal, met inbegrip van te verwachten kredietverliezen of aanpassingen van de reële waarde, en disagio’s op ontvangen blootstellingen, en de gevolgen ervan voor wettelijke disagio’s.

Artikel 506 quinquies

Prudentiële behandeling van securitisatie

1.  
Uiterlijk op 31 december 2026 brengt de EBA in nauwe samenwerking met de ESMA aan de Commissie verslag uit over de prudentiële behandeling van securitisatietransacties, met een onderscheid tussen de verschillende soorten securitisaties, met inbegrip van synthetische securitisaties, tussen initiators en beleggers, en tussen STS- en niet-STS-transacties.
2.  
De EBA monitort het gebruik van de in artikel 465, lid 13, bedoelde overgangsregeling en beoordeelt in hoeverre de toepassing van de output floor op securitisatieblootstellingen van invloed zou zijn op de kapitaalvermindering die door initiërende instellingen wordt verkregen bij transacties waarvoor een aanzienlijke risico-overdracht is erkend, de risicogevoeligheid buitensporig zou verminderen, en de economische haalbaarheid van nieuwe securitisatietransacties zou beïnvloeden. In dergelijke gevallen van verminderde risicogevoeligheden kan de EBA overwegen een neerwaartse herkalibratie voor te stellen van de niet-neutraliteitsfactoren voor transacties waarvoor een aanzienlijke risico-overdracht is erkend. De EBA beoordeelt ook de geschiktheid van de niet-neutraliteitsfactoren in het kader van zowel de SEC-SA als de SEC-IRBA, rekening houdend met de historische kredietprestaties van securitisatietransacties in de Unie en de verminderde model- en principaal-agentrisico’s van het securitisatiekader.
3.  
Op basis van het in lid 1 bedoelde verslag en rekening houdend met de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS heeft ontwikkeld, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2027 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 506 sexies

Erkenning van de boven- of ondergrens van niet-volgestorte kredietprotectie

1.  

Uiterlijk op 10 juli 2026 dient de EBA bij de Commissie een verslag in over:

a) 

de voorwaarden waaraan garanties met boven- of ondergrenzen die voor een portfolio van blootstellingen zijn bepaald („portfoliogaranties”) moeten voldoen om te worden aangemerkt als securitisatie;

b) 

de regelgevingsbehandeling die krachtens deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van toepassing is op portfoliogaranties indien deze niet worden aangemerkt als securitisatie;

c) 

de toepassing van de vereisten van deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van deze verordening en van hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 voor portfoliogaranties indien die garanties worden aangemerkt als securitisatie;

d) 

de toepassing van artikel 234 voor enkelvoudige garanties die tot onderverdeling in tranches leiden.

2.  

In het in lid 1 bedoelde verslag beoordeelt de EBA met name het volgende:

a) 

wat betreft lid 1, punt a), de voorwaarden waaronder portfoliogaranties aanleiding geven tot een in tranches onderverdeelde risico-overdracht;

b) 

wat betreft lid 1, punt b):

i) 

de toepasselijke selectiecriteria voor portfoliogaranties uit hoofde van deel drie, titel II, hoofdstuk 4;

ii) 

de toepassing van de vereisten van deel 3, titel II, hoofdstuk 4;

c) 

wat betreft lid 1, punt d), de toepassing van de vereisten van hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 en van deel 3, titel II, hoofdstuk 5, van deze verordening.

Op basis van dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2027 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 506 septies

Prudentiële behandeling van effectenfinancieringstransacties

Uiterlijk op 10 juli 2026 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over het effect van het nieuwe kader voor effectenfinancieringstransacties in termen van eigenvermogensvereisten die worden toegeschreven aan de overeenkomstige effectenfinancieringstransacties die naar hun aard zeer kortlopende activiteiten zijn, met bijzondere aandacht voor de mogelijke gevolgen ervan voor de markten voor overheidsschuld, wat betreft de capaciteit en de kosten van marketmaking.

De EBA beoordeelt of een herkalibratie van de bijbehorende risicogewichten in de standaardbenadering passend is, gezien de bijbehorende risico’s met betrekking tot korte looptijden, met name voor resterende looptijden van minder dan één jaar.

Op basis van dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2027 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼M8

Artikel 507

Grote blootstellingen

1.  

De EBA monitort het gebruik van de vrijstellingen van artikel 390, lid 6, punt b), artikel 400, lid 1, punten f) tot en met m), en artikel 400, lid 2, punten a), c) tot en met g), i), j) en k), en dient uiterlijk op 28 juni 2021 een verslag in bij de Commissie waarin het kwantitatieve effect wordt beoordeeld dat de opheffing van die vrijstellingen of het begrenzen van het gebruik ervan zouden hebben. In dat verslag wordt met name voor elke vrijstelling van die artikelen het volgende beoordeeld:

a) 

het aantal grote blootstellingen die in elke lidstaat zijn vrijgesteld;

b) 

het aantal instellingen die in elke lidstaat gebruikmaken van de vrijstelling;

c) 

het totale bedrag van de blootstellingen die in elke lidstaat zijn vrijgesteld.

2.  
Uiterlijk op 31 december 2023 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van de afwijkingen, bedoeld in artikel 390, lid 4, en artikel 401, lid 2, betreffende de methoden voor het berekenen van de blootstellingswaarde van effectenfinancieringstransacties, en met name over de noodzaak om rekening te houden met wijzigingen in de internationale normen waarbij de methoden voor die berekening worden bepaald.

▼B

Artikel 508

Toepassingsniveau

1.  
Uiterlijk op 31 december 2014 toetst de Commissie de toepassing van deel 1, titel II, en artikel 113, leden 6 en 7, en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag dienaangaande in, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

▼M9 —————

▼B

Artikel 509

Liquiditeitsvereisten

1.  
De EBA bewaakt en evalueert de rapportages overeenkomstig artikel 415, lid 1, voor de verschillende valuta's en bedrijfsmodellen. De EBA brengt, na raadpleging van het ESRB, niet-financiële eindgebruikers, de banksector, de bevoegde autoriteiten en de centrale banken van het ESCB, jaarlijks en voor het eerst uiterlijk op 31 december 2013 verslag uit aan de Commissie over de vraag of een nadere invulling van het algemene liquiditeitsdekkingsvereiste van deel 6 op basis van de overeenkomstig deel 6, titel II, en bijlage III te rapporteren posten, hetzij afzonderlijk hetzij cumulatief beschouwd, een wezenlijke schadelijke impact zou kunnen hebben op de werkzaamheden en het risicoprofiel van in de Unie gevestigde instellingen of op de stabiliteit en de deugdelijke werking van de financiële markten of op de economie en de stabiliteit van de bancaire kredietverlening, met bijzondere aandacht voor kredietverlening aan kmo's en handelsfinanciering, met inbegrip van kredietverlening in het kader van officiële exportkredietverzekeringsregelingen.

In het in de eerste alinea bedoelde verslag moet terdege rekening worden gehouden met de markten en de internationale ontwikkelingen inzake regulering, alsook met de interacties tussen het liquiditeitsdekkingsvereiste en andere prudentiële vereisten krachtens de onderhavige verordening, zoals de risicogebaseerde kapitaalratio's en de hefboomwerkingsratio's.

Het Europees Parlement en de Raad worden in de gelegenheid gesteld hun standpunten betreffende het in de eerste alinea bedoelde verslag kenbaar te maken.

2.  

De EBA beoordeelt in het in lid 1 bedoelde verslag met name het volgende:

a) 

het voorzien in mechanismen ter beperking van de waarde van liquiditeitsinstromen, in het bijzonder met het oog op het bepalen van een passend instroomplafond en de voorwaarden voor de toepassing ervan, rekening houdend met verschillende bedrijfsmodellen, waaronder pass through-financiering, factoring, leasing, gedekte obligaties, hypotheken, uitgifte van gedekte obligaties, en in welke mate dat plafond moet worden gewijzigd of ingetrokken ten behoeve van de specifieke aspecten van gespecialiseerde financiering;

b) 

de kalibratie van de in deel 6, titel II, bedoelde in- en uitstromen, in het bijzonder uit hoofde van artikel 422, lid 7 en artikel 425, lid 2;

c) 

het voorzien in mechanismen ter beperking van het dekken van liquiditeitsvereisten met bepaalde categorieën liquide activa, in het bijzonder beoordeling van het passende minimumpercentage voor de in artikel 416, lid 1, punten a, b) en c), bedoelde liquide activa ten opzichte van het totaal van de liquide activa waarbij een drempel van 60 % wordt getest en rekening wordt gehouden met de internationale ontwikkelingen inzake regulering. Activa die verschuldigd zijn en vervallen of opvraagbaar zijn binnen 30 kalenderdagen, worden niet in de berekening van de limiet meegenomen tenzij er zekerheid voor is gesteld die ook uit hoofde van artikel 416, lid 1, punten a), b) en c), in aanmerking wordt genomen;

d) 

het voorzien in specifieke lagere uitstroom- en/of hogere instroompercentages voor intragroepstromen;n het verslag wordt gedetailleerd aangegeven onder welke omstandigheden dergelijke specifieke in- of uitstroompercentages vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zouden zijn en wordt in grote lijnen een methodiek beschreven om, aan de hand van objectieve criteria en parameters, specifieke in- en uitstroomniveaus te bepalen die tussen de instelling en de tegenpartij van toepassing zijn wanneer deze niet in dezelfde lidstaat zijn gevestigd.

e) 

de kalibratie van de percentages die van toepassing zijn op het opnemen van bedragen uit onbenutte gecommitteerde kredietfaciliteiten en onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten bedoeld in artikel 424, leden 3 en 5. In het bijzonder test de EBA een vermenigvuldiging van het op te nemen bedrag met 100 %.

f) 

de definitie van retaildeposito in artikel 411, punt 2), in het bijzonder of het aangewezen is een drempel voor deposito's van natuurlijke personen te introduceren;

g) 

de behoefte aan een nieuwe categorie van retaildeposito's met een lagere uitstroom in het licht van de specifieke kenmerken van dergelijke deposito's die een lager uitstroompercentage zouden rechtvaardigen, waarbij rekening wordt gehouden met de internationale ontwikkelingen inzake regulering;

h) 

afwijkingen van de vereisten betreffende de samenstelling van de liquide activa die instellingen verplicht zijn aan te houden indien de gerechtvaardigde collectieve behoeften van de instellingen aan liquide activa in een bepaalde valuta groter zijn dan de beschikbaarheid van die liquide activa, en de voorwaarden die aan dergelijke afwijkingen verbonden dienen te zijn;

i) 

de definitie van sharia-conforme financiële producten als alternatief voor activa die voor de toepassing van artikel 416 als liquide activa zijn aan te merken, ten behoeve van sharia-conforme banken;

j) 

de definitie van stressomstandigheden, met inbegrip van beginselen voor het gebruik van de voorraad liquide activa en de noodzakelijke respons van de toezichthouder in het kader waarvan instellingen gebruik zouden kunnen maken van hun liquide activa om liquiditeitsuitstromen te compenseren, en met welke respons niet-naleving moet worden ondervangen.

k) 

de definitie van een vaste operationele relatie ten aanzien van niet-financiële cliënten als bedoeld in artikel 422, lid 3, punt c);

l) 

de kalibratie van het uitstroompercentage dat van toepassing is op samenhangende bank- of prime brokeragediensten als bedoeld in artikel 422, lid 4, eerste alinea;

m) 

mechanismen voor de toepassing van grandfathering op door de overheid gegarandeerde obligaties, zoals door het nationaal agentschap voor het beheer van activa (National Asset Management Agency - NAMA) in Ierland of door het nationaal agentschap voor het beheer van activa in Spanje uitgegeven obligaties die in het kader van conform de Unieregels voor staatssteun goedgekeurde staatssteunmaatregelen zijn verstrekt aan kredietinstellingen en die zijn opgezet om probleemactiva van de balansen van kredietinstellingen af te voeren, als activa met een uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit, ten minste tot en met december 2023.

3.  
Uiterlijk op 31 december 2013 brengt de EBA, na raadpleging van de ESMA en de ECB, aan de Commissie verslag uit over passende uniforme definities van hoge en uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit van overdraagbare activa voor de toepassing van artikel 416 en over passende reductiefactoren voor activa die voor de toepassing van artikel 416 als liquide activa zijn aan te merken, met uitzondering van de in artikel 416, lid 1, punten a), b) en c) bedoelde activa.

Het Europees Parlement en de Raad worden in de gelegenheid gesteld hun standpunten betreffende dat verslag kenbaar te maken.

In het in de eerste alinea bedoelde verslag wordt ook aandacht besteed aan:

a) 

andere categorieën activa, in het bijzonder obligatieleningen van hoge liquiditeit en kredietkwaliteit met niet-zakelijk onroerend goed als onderpand;

b) 

andere categorieën van voor de centrale bank toelaatbare effecten of leningen, zoals bij voorbeeld obligaties van regionale en lokale overheden en commercial paper; en

c) 

andere activa, die niet voor de centrale bank toelaatbaar maar wel verhandelbaar zijn, zoals aan een erkende beurs genoteerde aandelen, goud, op een belangrijke index genoteerde aandeleninstrumenten, gegarandeerde obligaties, gedekte obligaties, bedrijfsobligaties en op die activa gebaseerde fondsen.

4.  
In het in lid 3 bedoelde verslag wordt ook nagegaan of, en zo ja in hoeverre stand-bykredietfaciliteiten als bedoeld in artikel 416, lid 1, punt e), als liquide activa moeten worden meegeteld, in het licht van internationale ontwikkelingen en rekening houdend met Europese specifieke aspecten, zoals onder meer de wijze waarop het monetair beleid in de Unie wordt gevoerd.

De EBA beproeft met name de geschiktheid van de volgende criteria en de passende niveaus voor dergelijke definities:

a) 

minimaal handelsvolume van de activa;

b) 

minimaal uitstaand volume van de activa;

c) 

transparante prijsinformatie en posttransactionele informatie;

d) 

kredietkwaliteitscategorieën als bedoeld in deel 3, titel II, hoofdstuk 2;

e) 

bewijs van prijsstabiliteit;

f) 

gemiddeld verhandeld volume en gemiddelde transactieomvang;

g) 

maximale bied- en laatspread;

h) 

resterende tijd tot vervaldag;

i) 

minimumomloopratio.

5.  

Uiterlijk op 31 januari 2014 brengt de EBA bovendien verslag uit over het volgende:

a) 

uniforme definities van hoge en uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit;

b) 

de mogelijke onbedoelde gevolgen van de definitie van liquide activa voor het verrichten van monetairebeleidsoperaties, en de mate waarin:

i) 

een lijst van liquide activa die losstaat van de lijst van voor de centrale bank toelaatbare activa, instellingen ertoe kan aanzetten in aanmerking komende activa die niet onder de definitie van liquide activa vallen in te brengen in herfinancieringstransacties;

ii) 

regulering van de liquiditeit instellingen kan ontmoedigen leningen te verstrekken of aan te gaan op de geldmarkt voor transacties zonder onderpand, en of dit er toe zou kunnen leiden dat het hanteren van de EONIA als richtpunt bij de uitvoering van het monetair beleid wordt herbezien;

iii) 

de introductie van het liquiditeitsdekkingsvereiste het voor de centrale banken moeilijker maakt de prijsstabiliteit te waarborgen door gebruikmaking van het bestaande kader en de bestaande instrumenten van het monetair beleid.

c) 

de operationele vereisten voor het aanhouden van liquide activa, als bedoeld in artikel 417, punten b) tot en met f), conform de internationale ontwikkelingen inzake regulering.

Artikel 510

Netto stabielefinancieringsvereisten

1.  
Uiterlijk op 31 december 2015 brengt de EBA, op basis van de overeenkomstig deel 6, titel III, te rapporteren posten, aan de Commissie verslag uit over de vraag of en hoe op passende wijze kan worden gegarandeerd dat instellingen gebruik maken van stabiele financieringsbronnen, met inbegrip van een beoordeling van de impact op de activiteiten en het risicoprofiel van in de Unie gevestigde instellingen of op de financiële markten of de economie en de bancaire kredietverlening, met bijzondere aandacht voor kredietverlening aan kmo's en handelsfinanciering, met inbegrip van kredietverlening in het kader van officiële exportkredietverzekeringsregelingen en pass-through-financieringsmodellen, inclusief financiering van hypothecaire leningen op basis van looptijdenmatching. De EBA analyseert in het bijzonder de impact van stabiele bronnen van financiering op de herfinancieringsstructuren van de diverse bankbedrijfsmodellen in de Unie.
2.  

Uiterlijk op 31 december 2015 brengt de EBA, op basis van de overeenkomstig deel 6, titel III, te rapporteren posten en conform de in artikel 415, lid 3, punt a), bedoelde uniforme rapportageformats, en na raadpleging van het ESRB, aan de Commissie voorts verslag uit over de methodiek ter bepaling van het bedrag aan stabiele financiering dat beschikbaar is en vereist wordt voor instellingen, alsook over passende uniforme definities voor de berekening van een dergelijk netto stabielefinancieringsvereiste, waarbij in het bijzonder het volgende onderzocht wordt:

a) 

de categorieën en de wegingen die van toepassing zijn op de bronnen van stabiele financiering in artikel 427, lid 1;

b) 

de categorieën en de wegingen die van toepassing zijn ter bepaling van het stabielefinancieringsvereiste in artikel 428, lid 1;

c) 

de methodiek voorziet in prikkels, respectievelijk negatieve prikkels, om aan te zetten tot een stabielere en meer op de lange termijn gerichte financiering van activa, bedrijfsactiviteiten, investeringen en financiering van instellingen;

d) 

de behoefte aan ontwikkeling van verschillende methodieken voor verschillende soorten instellingen.

3.  
Uiterlijk op 31 december 2016 dient de Commissie, indien passend, en rekening houdend met de in lid 1 en lid 2 bedoelde verslagen en de diversiteit van de banksector in de Unie ten volle in aanmerking nemend, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in betreffende een aanpak om te bewerkstelligen dat instellingen van stabiele bronnen van financiering gebruik maken.

▼M8

4.  

De EBA monitort het bedrag van de vereiste stabiele financiering ter dekking van het financieringsrisico in verband met de in bijlage II opgenomen derivatencontracten en de kredietderivaten over de horizon van één jaar van de nettostabielefinancieringsratio, met name het toekomstige financieringsrisico voor die derivatencontracten als beschreven in artikel 428 vicies, lid 2, en in artikel 428 septquadragies, lid 2, en brengt uiterlijk op 28 juni 2024 aan de Commissie verslag uit over de mogelijkheid een hogere factor voor vereiste stabiele financiering of een meer risicogevoelige maatstaf vast te stellen. Dat verslag omvat ten minste een beoordeling van:

a) 

de mogelijkheid om een onderscheid te maken tussen wel en niet door margestortingen gedekte derivatencontracten;

b) 

de mogelijkheid om het vereiste van artikel 428 vicies, lid 2, en van artikel 428 septquadragies, lid 2, op te heffen, te verhogen of te vervangen;

c) 

de mogelijkheid om meer in het algemeen de behandeling te wijzigen van derivatencontracten bij de berekening van de nettostabielefinancieringsratio, als beschreven in artikel 428 quinquies, artikel 428 duodecies, lid 4, artikel 428 vicies, lid 2, artikel 428 quatertricies, punten a) en b), artikel 428 quintricies, lid 2, artikel 428 novotricies, lid 4, artikel 428 septquadragies, lid 2, artikel 428 duoquinquagies, punten a) en b), en artikel 428 terquinquagies, lid 2, om het financieringsrisico in verband met die contracten over de horizon van één jaar van de nettostabielefinancieringsratio beter te vatten;

d) 

het effect van de voorgestelde wijzigingen op het bedrag van stabiele financiering dat voor derivatencontracten van instellingen vereist is.

5.  
Indien internationale normen van invloed zijn op de behandeling van de in bijlage II opgenomen derivatencontracten en de kredietderivaten met het oog op de berekening van de nettostabielefinancieringsratio, dient de Commissie, indien passend en rekening houdend met het in lid 4 bedoelde verslag, met die wijzigingen van internationale normen en met de verscheidenheid van de banksector in de Unie, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad over de vraag hoe de bepalingen betreffende de behandeling van de in bijlage II opgenomen derivatencontracten en de kredietderivaten met het oog op de berekening van de nettostabielefinancieringsratio als beschreven in deel zes, titel IV, kunnen worden gewijzigd om beter rekening te houden met het aan die transacties verbonden financieringsrisico.
6.  

►M20  De EBA monitort het bedrag van de stabiele financiering dat vereist is ter dekking van het financieringsrisico in verband met effectenfinancieringstransacties, inclusief in verband met de bij die transacties ontvangen of gegeven activa, en in verband met ongedekte transacties met financiële cliënten, wanneer dergelijke transacties een resterende looptijd van minder dan zes maanden hebben. De EBA brengt uiterlijk op 31 januari 2029, en nadien om de vijf jaar, aan de Commissie verslag uit over de geschiktheid van dat stabielefinancieringsvereiste. Rekening houdende met internationale ontwikkelingen en de regelgevingsbehandeling van vergelijkbare transacties in andere jurisdicties, omvatten die verslagen ten minste een beoordeling van: ◄

a) 

de mogelijkheid tot toepassing van hogere of lagere stabielefinancieringsfactoren op effectenfinancieringstransacties met financiële cliënten en op ongedekte transacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden met financiële cliënten om beter rekening te houden met hun financieringsrisico over de horizon van één jaar van de nettostabielefinancieringsratio en met de mogelijke besmettingseffecten tussen financiële cliënten;

b) 

de mogelijkheid tot toepassing van de behandeling van artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), op effectenfinancieringstransacties die met andere soorten activa zijn zekergesteld;

c) 

de mogelijkheid tot toepassing van factoren voor stabiele financiering op posten buiten de balanstelling die worden gebruikt bij effectenfinancieringstransacties als alternatief voor de in artikel 428 septdecies, lid 5, beschreven behandeling;

▼M20

d) 

de toereikendheid van de asymmetrische behandeling van passiva met een resterende looptijd van minder dan zes maanden die zijn verstrekt door financiële cliënten die overeenkomstig artikel 428 duodecies, lid 3, punt c), onderworpen zijn aan een factor voor beschikbare stabiele financiering van 0 %, en activa uit hoofde van transacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden met financiële cliënten die overeenkomstig artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), artikel 428 vicies, lid 1, punt b), en artikel 428 tervicies, punt a), onderworpen zijn aan een factor voor vereiste stabiele financiering van 0 %, 5 % of 10 %;

e) 

het effect van de invoering van hogere of lagere factoren voor vereiste stabiele financiering voor effectenfinancieringstransacties, met name met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, met financiële cliënten, op:

i) 

de prijsstructuur van die transacties, en

ii) 

de marktliquiditeit van activa die als zekerheid zijn ontvangen bij die transacties, met name van overheids- en bedrijfsobligaties;

▼M8

f) 

het effect van de voorgestelde wijzigingen op het bedrag van de stabiele financiering dat vereist is voor die transacties van instellingen, met name voor effectenfinancieringstransacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden met financiële cliënten indien overheidsobligaties als zekerheid zijn ontvangen bij die transacties.

▼M20 —————

▼M8

9.  

De EBA monitort het bedrag van de stabiele financiering die vereist is ter dekking van het financieringsrisico in verband met door instellingen aangehouden effecten ter afdekking van derivatencontracten. Uiterlijk op 28 juni 2023 brengt de EBA verslag uit over de geschiktheid van deze behandeling. Dat verslag omvat ten minste een beoordeling van:

a) 

het mogelijke effect van de behandeling op het vermogen van beleggers om blootstelling aan activa te winnen en het effect van deze behandeling op de kredietverlening in de kapitaalmarktenunie;

b) 

de mogelijkheid om aangepaste stabielefinancieringsvereisten toe te passen op effecten die worden aangehouden ter afdekking van derivaten die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd door de initiële marge;

c) 

de mogelijkheid om aangepaste stabielefinancieringsvereisten toe te passen op effecten die worden aangehouden ter afdekking van derivaten die niet worden gefinancierd door de initiële marge.

10.  
Uiterlijk op 28 juni 2023 of één jaar na een overeenkomst over internationale normen die is ontwikkeld door het BCBS, indien deze eerder tot stand komt, dient de Commissie, indien passend en rekening houdend met het in lid 9 bedoelde verslag, met eventueel door het BCBS ontwikkelde internationale normen, met de verscheidenheid van de bankensector in de Unie en met de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad over de vraag hoe de bepalingen betreffende de behandeling van door instellingen aangehouden effecten ter afdekking van derivatencontracten kunnen worden gewijzigd met het oog op de berekening van de nettostabielefinancieringsratio als beschreven in deel zes, titel IV, indien de Commissie dat passend acht gezien het effect van de bestaande behandeling op de nettostabielefinancieringsratio van instellingen en om beter rekening te houden met het aan die transacties verbonden financieringsrisico.
11.  
De EBA beoordeelt of een verlaging van de factor voor de vereiste stabiele financiering voor activa die worden gebruikt voor het verrichten van clearing- en afwikkelingsdiensten met betrekking tot edelmetalen, zoals goud, zilver, platina of palladium, of voor activa die worden gebruikt voor het verrichten van financieringstransacties met betrekking tot edelmetalen, zoals goud, zilver, platina of palladium, met een looptijd van 180 dagen of minder, gerechtvaardigd zou zijn. De EBA dient haar verslag uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in.

▼M8

Artikel 511

Hefboomfinanciering

1.  

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2020 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de vraag of:

a) 

het passend is te voorzien in een hefboomratiotoeslag voor ASI's; en

b) 

de definitie en berekening van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf van totale blootstelling, inclusief de behandeling van centralebankreserves, passend is.

2.  
Ten behoeve van het in lid 1 bedoelde verslag houdt de Commissie rekening met internationale ontwikkelingen en internationaal overeengekomen standaarden. Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

▼B

Artikel 512

Blootstellingen aan overgedragen kredietrisico

De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2014 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing en de effectiviteit van de bepalingen van deel 5 in het licht van de internationale marktontwikkelingen.

▼M8

Artikel 513

Macroprudentiële regels

1.  

De Commissie toetst uiterlijk op 30 juni 2022, en nadien om de vijf jaar, na raadpleging van het ESRB en de EBA, of de macroprudentiële regels in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU afdoende zijn om systeemrisico's in sectoren, regio's en lidstaten te ondervangen, onder meer door te beoordelen:

a) 

of het actuele macroprudentiële instrumentarium in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU doeltreffend, doelmatig en transparant is;

b) 

of de dekking en de mogelijke mate van overlapping tussen verschillende macroprudentiële instrumenten voor het ondervangen van gelijksoortige risico's in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU toereikend zijn en of er, in voorkomend geval, nieuwe macroprudentiële regels moeten worden voorgesteld;

c) 

hoe de wisselwerking tussen internationaal overeengekomen standaarden voor systeemrelevante instellingen en de bepalingen van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU functioneert, en of er, in voorkomend geval, nieuwe, op die internationaal overeengekomen standaarden afgestemde regels moeten worden voorgesteld;

d) 

of er andere soorten instrumenten, zoals lenergebaseerde instrumenten, aan de macroprudentiële instrumenten waarin deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU voorzien, moeten worden toegevoegd om de kapitaalgebaseerde instrumenten aan te vullen en een geharmoniseerd gebruik van de instrumenten in de interne markt mogelijk te maken, ermee rekening houdend of geharmoniseerde definities van deze instrumenten en rapportage over de desbetreffende gegevens op Unieniveau een voorwaarde zijn voor de invoering van deze instrumenten;

e) 

of het in artikel 92, lid 1 bis bedoelde hefboomratiobuffervereiste ook moet gelden voor systeemrelevante instellingen die geen MSI zijn, of de ijking daarvan anders dan die voor MSI's moet zijn, en of de ijking daarvan moet afhangen van de mate van systeemrelevantie van de instelling;

f) 

of de huidige vrijwillige wederkerigheid van macroprudentiële maatregelen in verplichte wederkerigheid moet worden omgezet, en of het huidige ESRB-kader voor vrijwillige wederkerigheid daar een geschikte basis voor is;

g) 

hoe de relevante Uniale en nationale macroprudentiële autoriteiten kunnen worden toegerust met instrumenten om nieuwe opkomende systeemrisico's aan te pakken die voortvloeien uit blootstellingen van kredietinstellingen aan de niet-bankensector, voornamelijk derivaten- en effectenfinancieringstransactiemarkten, de sector vermogensbeheer en het verzekeringswezen.

2.  
Op basis van de raadpleging van het ESRB en de EBA dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2022, en nadien om de vijf jaar, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de in lid 1 bedoelde beoordeling, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 514

Methode voor het berekenen van de blootstellingswaarde van derivatentransacties

1.  
De EBA brengt uiterlijk op 28 juni 2023 aan de Commissie verslag uit over het effect en de relatieve ijking van de in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 3, 4 en 5, beschreven benaderingen voor het berekenen van de blootstellingswaarden van derivatentransacties.

▼C12

2.  
Op basis van het in lid 1 vermelde EBA-verslag en terdege rekening houdend met de uitvoering in derde landen van de internationaal overeengekomen normen die het BCBS heeft ontwikkeld, dient de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de in deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 3, 4 en 5, beschreven benaderingen in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼B

Artikel 515

Bewaking en beoordeling

►C1  1.  
Uiterlijk 28 juni 2014 stelt de EBA samen met de ESMA een verslag op over de werking van deze verordening met betrekking tot de gerelateerde verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 648/2012, ◄ in het bijzonder wat betreft instellingen die een centrale tegenpartij beheren, ter voorkoming van doublures in de vereisten voor derivatentransacties en daarmee van een verhoogd reguleringsrisico en hogere kosten voor de bewaking door de bevoegde autoriteiten.
2.  
De EBA bewaakt en beoordeelt de werking van de bepalingen inzake de eigenvermogensvereisten voor blootstellingen met betrekking tot een centrale tegenpartij van deel III, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9. Uiterlijk op 1 januari 2015 brengt de EBA verslag uit aan de Commissie over de impact en de doeltreffendheid van die bepalingen.
3.  
Uiterlijk op 31 december 2016 toetst de Commissie de verenigbaarheid van deze verordening met de gerelateerde verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 648/2012, de eigenvermogensvereisten van deel III, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, en dient zij hierover bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 516

Langlopende financiering

De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2015 verslag uit over het effect van deze verordening op het aanmoedigen van langetermijninvesteringen in groeibevorderende infrastructuur.

Artikel 517

Definitie van in aanmerking komend kapitaal

Uiterlijk op 31 december 2014 toetst de Commissie de deugdelijkheid van de definitie van in aanmerking komend kapitaal die wordt toegepast in het kader van deel 2, titel III, en deel 4, en dient zij hierover een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 518

Toetsing inzake kapitaalinstrumenten die kunnen worden afgeschreven of omgezet wanneer het punt van niet-levensvatbaarheid wordt bereikt

Uiterlijk op 31 december 2015 toetst de Commissie of deze verordening een vereiste dient te bevatten volgens welk aanvullend tier 1- of tier 2-kapitaalinstrumentenworden afgeschreven wanneer wordt vastgesteld dat de instelling niet langer levensvatbaar is. De Commissie brengt hierover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

▼M8

Artikel 518 bis

Evaluatie van kruiselingse wanbetalingsbepalingen

Uiterlijk op 28 juni 2022 toetst en beoordeelt de Commissie of het dienstig is te verlangen dat in aanmerking komende passiva in een bail-in worden betrokken zonder dat zulks aanleiding geeft tot kruiselingse wanbetalingsclausules in andere contracten, zulks teneinde de doeltreffendheid van het bail-in-instrument zoveel mogelijk te versterken en te beoordelen of er een bepaling tot uitsluiting van kruiselingse wanbetalingsclausules, betreffende in aanmerking komende passiva, in de voorwaarden of contracten voor andere passiva moet worden opgenomen. Die toetsing en beoordeling gaan zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

▼M11

Artikel 518 ter

Verslag over het aantal overschrijdingen en de toezichtsbevoegdheden om de uitkeringen te beperken

Uiterlijk op 31 december 2021 meldt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad of uitzonderlijke omstandigheden die aanleiding geven tot ernstige economische verstoring van het ordelijk functioneren en de integriteit van de financiële markten rechtvaardigen dat:

a) 

de bevoegde autoriteiten gedurende die perioden overschrijdingen van interne modellen mogen uitsluiten van het marktrisico van instellingen indien de overschrijdingen niet voortvloeien uit tekortkomingen in deze modellen;

b) 

aan de bevoegde autoriteiten gedurende die perioden aanvullende bindende bevoegdheden worden verleend om beperkingen op uitkeringen door instellingen op te leggen.

De Commissie overweegt, indien nodig, aanvullende maatregelen.

▼M17

Artikel 518 quater

Evaluatie van het kader voor prudentiële vereisten

Uiterlijk op 31 december 2028 beoordeelt de Commissie, in nauwe samenwerking met de EBA en de ECB, de algemene situatie van het bankwezen in de eengemaakte markt, en brengt zij aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de geschiktheid van het regelgevings- en het toezichtkader voor de bankensector.

In dat verslag wordt de balans opgemaakt van de hervormingen van de bankensector die na de grote financiële crisis zijn doorgevoerd, en wordt beoordeeld of daarmee een passend niveau van bescherming van deposanten wordt gewaarborgd en de financiële stabiliteit op het niveau van de lidstaten, de bankenunie en de Unie wordt veiliggesteld.

In dat verslag wordt ook gekeken naar alle dimensies van de bankenunie, en meer in het algemeen naar de uitrol van de output floor in het kader van kapitaal- en liquiditeitsvereisten. In dat verband moet de Commissie terdege rekening houden met de desbetreffende verklaringen en conclusies over de bankenunie van zowel het Europees Parlement als de Europese Raad.

▼B

Artikel 519

In mindering brengen van de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen

Uiterlijk op 30 juni 2014 stelt de EBA een verslag op waarin zij onderzoekt of de herziene IAS 19 in combinatie met de aftrek van de netto activa van pensioenfondsen als bedoeld in artikel 36, lid 1, punt e), en veranderingen in de netto pensioenverplichtingen, tot ongewenste volatiliteit van het eigen vermogen van de instellingen leidt.

Uiterlijk op 31 december 2014 dient de Commissie, rekening houdend met het verslag van de EBA, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde punt, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, tot invoering van een behandeling waarbij van de netto activa of de netto verplichtingen van op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenfondsen voor de berekening van het eigen vermogen worden aangepast.

▼M5

Artikel 519 bis

Verslaglegging en evaluatie

Uiterlijk op 1 januari 2022 brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van de bepalingen in hoofdstuk 5 van titel II, deel drie, in het licht van de ontwikkelingen op de securitisatiemarkten, met inbegrip van een macroprudentieel en economisch standpunt. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel en beoordeelt in het bijzonder de volgende punten:

a) 

het effect van de in artikel 254 vastgestelde hiërarchie van methoden op de uitgifte- en beleggingsactiviteit van instellingen op de securitisatiemarkten in de Unie, en het effect daarop van de berekening van de risicogewogen posten voor securitisatieposities als bedoeld in de artikelen 258 tot en met 266;

b) 

de effecten op de financiële stabiliteit van de Unie en de lidstaten, met bijzondere aandacht voor potentiële speculatie op de markt voor onroerend goed en een toename van interconnecties tussen financiële instellingen;

c) 

de vraag welke maatregelen nodig zijn om de negatieve effecten van securitisaties op de financiële stabiliteit te beperken en aan te pakken, zulks met behoud van de positieve effecten ervan op financiering, inclusief de mogelijkheid om een maximumgrens in te stellen voor de blootstelling aan securitisaties, en

d) 

de effecten op het vermogen van financiële instellingen om een kanaal van duurzame en stabiele financiering voor de reële economie te vormen, met speciale aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen, en

▼M13

e) 

hoe milieuduurzaamheidscriteria in het securitisatiekader zouden kunnen worden geïntegreerd, inclusief voor blootstellingen aan NPE-securitisaties.

▼M5

In het verslag wordt tevens ingegaan op ontwikkelingen in de regelgeving in internationale fora, in het bijzonder die in verband met internationale normen betreffende securitisaties.

▼M8

Artikel 519 ter

Eigenvermogensvereisten voor marktrisico

1.  
De EBA brengt uiterlijk op 30 september 2019 verslag uit over het effect van de internationale normen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico op instellingen in de Unie.
2.  
De Commissie dient, rekening houdend met de resultaten van het in lid 1 bedoelde verslag, en de internationale normen en de in deel drie, titel IV, hoofdstukken 1 bis en 1 ter beschreven benaderingen, uiterlijk op 30 juni 2020 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, over de manier waarop de internationale normen inzake passende eigenvermogensvereisten voor marktrisico moeten worden geïmplementeerd.

TITEL II BIS

TOEPASSING VAN DE REGELS

Artikel 519 quater

Nalevingsinstrument

1.  
De EBA ontwikkelt een elektronisch instrument ter facilitering van de naleving door instellingen van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU, alsmede van de technische reguleringsnormen, de technische uitvoeringsnormen, de richtsnoeren en de templates die ter uitvoering van deze verordening en van die richtlijn zijn vastgesteld.
2.  

Het in lid 1 bedoelde instrument stelt iedere instelling ten minste in de mogelijkheid:

a) 

snel te bepalen aan welke toepasselijke bepalingen moet worden voldaan met betrekking tot de omvang en het bedrijfsmodel van de instelling;

b) 

de wijzigingen te volgen die in wetgevingshandelingen en in de bijbehorende uitvoeringsbepalingen, richtsnoeren en templates zijn aangebracht.

▼M17

Artikel 519 quinquies

Raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts voor effectenfinancieringstransacties

1.  
De EBA brengt, in nauwe samenwerking met de ESMA, uiterlijk op 10 januari 2027 aan de Commissie verslag uit over de vraag of het passend is het raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts voor effectenfinancieringstransacties om te zetten in Unierecht als antwoord op de mogelijke opbouw van hefbomen buiten de banksector.
2.  

In het in lid 1 bedoelde verslag komt al het volgende aan bod:

a) 

de omvang van hefbomen buiten het bankenstelsel in de Unie en de mate waarin het raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts die hefbomen zou kunnen verminderen indien die hefbomen buitensporig zouden worden;

b) 

de materialiteit van de effectenfinancieringstransacties die door instellingen in de Unie worden gehouden en waarop het raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts van toepassing is, met inbegrip van de uitsplitsing van die effectenfinancieringstransacties die de ondergrenzen voor minimumhaircuts niet in acht nemen;

c) 

het geschatte effect van het raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts voor instellingen in de Unie in de twee door de Raad voor financiële stabiliteit aanbevolen benaderingen, namelijk marktregulering of een strikter eigenvermogensvereiste op grond van deze verordening — in een scenario waarin instellingen in de Unie de haircuts van hun effectenfinancieringstransacties niet zouden aanpassen om aan de ondergrenzen voor minimumhaircuts te voldoen, en het geschatte effect van het raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts in een alternatief scenario waarin instellingen in de Unie die haircuts wel zouden aanpassen om aan de ondergrenzen voor minimumhaircuts te voldoen;

d) 

de belangrijkste bepalende factoren voor deze geschatte effecten, alsmede de eventuele onbedoelde gevolgen van de invoering van een ondergrens voor minimumhaircuts op het functioneren van de markten voor effectenfinancieringstransacties in de Unie;

e) 

de omzettingsbenadering die het doeltreffendst zou zijn om de prudentiële doelstellingen van het raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts te behalen, gelet op de overwegingen van de punten a) tot en met d) en rekening houdende met het gelijke speelveld in de financiële sector in de Unie.

3.  
Op basis van het in lid 1 bedoelde verslag en terdege rekening houdend met de aanbeveling van de Raad voor financiële stabiliteit om het raamwerk ondergrenzen minimumhaircuts uit te voeren voor effectenfinancieringstransacties, alsmede de daarmee samenhangende internationaal overeengekomen standaarden die het BCBS heeft ontwikkeld, dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 10 januari 2028 een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 519 sexies

Operationeel risico

Uiterlijk op 10 januari 2028 dient de EBA bij de Commissie een verslag in over:

a) 

het gebruik van verzekering bij de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het operationeel risico;

b) 

de vraag of de inaanmerkingneming van op verzekeringen verhaalde bedragen zou kunnen leiden tot regelgevingsarbitrage door de jaarlijkse uit het operationeel risico voortvloeiende verliezen te verminderen zonder een evenredige vermindering van de daadwerkelijke blootstelling met betrekking tot operationeel verlies;

c) 

de vraag of de inaanmerkingneming van op verzekeringen verhaalde bedragen een verschillend effect op de passende dekking van recurrente verliezen en op potentiële verliezen in de staart van de verdeling heeft;

d) 

de beschikbaarheid en kwaliteit van de door instellingen gebruikte gegevens bij het berekenen van hun eigenvermogensvereiste voor het operationele risico.

Op basis van dat verslag dient de Commissie, in voorkomend geval, uiterlijk op 10 januari 2029, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 519 septies

Evenredigheid

De EBA stelt een beoordelingsverslag op over het prudentiële kader voor kleine en niet-complexe instellingen, waarin zij met name:

a) 

die vereisten ook met betrekking tot bankgroepen en specifieke bedrijfsmodellen beoordeelt;

b) 

rekening houdt met de relevantie van kleine en niet-complexe instellingen op het niveau van de instellingen en per regio voor het handhaven van de financiële stabiliteit.

Bij het overwegen van mogelijke wijzigingen in het prudentiële kader baseert de EBA zich op het overkoepelende beginsel dat alle vereenvoudigde vereisten conservatiever moeten zijn.

De EBA dient dat verslag uiterlijk op 31 december 2027 in bij de Commissie.

▼B

TITEL III

WIJZIGINGEN

Artikel 520

Wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt gewijzigd als volgt:

1) 

in Titel IV wordt het volgende hoofdstuk toegevoegd:

"HOOFDSTUK 4

Berekeningen en rapportage voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 50 bis

Berekening van KCCP

▼C2

1.  
Voor de toepassing van artikel 308 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ( 43 ) berekent een CTP K CCP als bepaald in lid 2 van dit artikel voor alle overeenkomsten en transacties die de CTP cleart voor al haar onder het wanbetalingsfonds in kwestie vallende clearingleden.

▼B

2.  

Een CTP berekent het hypothetische kapitaal (KCCP) als volgt:

waarbij:

EBRMi

=

de blootstellingswaarde vóór risicolimitering die gelijk is aan de blootstellingswaarde van de CTP op clearinglid i die voortvloeit uit alle overeenkomsten en transacties met dat clearinglid, berekend zonder rekening te houden met de door dat clearinglid gestorte zekerheid;

IMi

=

de door clearinglid i bij de CTP gestorte initiële marge;

DFi

=

de voorgefinancierde bijdrage van clearinglid i;

RW

=

een risicogewicht van 20 %;

capital ratio

=

8 %.

▼C2

Alle waarden in de formule in de eerste alinea hebben betrekking op de waardering aan het einde van de dag vóór de marge die gestort wordt bij de laatste margestorting van die dag wordt uitgewisseld.

▼B

3.  
Een CTP voert de bij lid 2 voorgeschreven berekening ten minste elk kwartaal uit, of vaker indien dit wordt voorgeschreven door de bevoegde autoriteiten van de instellingen onder haar clearingleden.
4.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de volgende elementen voor de toepassing van lid 3:

a) 

de frequentie en de datums van de in lid 2 gespecificeerde berekeningen;

b) 

de situaties waarin de bevoegde autoriteit van een instelling die als clearinglid optreedt, een hogere berekenings- en rapportagefrequentie kan verlangen dan de in punt a) bedoelde frequentie.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 50 ter

Algemene regels voor de berekening van KCCP

Voor de berekening overeenkomstig artikel 50 bis, lid 2, is het volgende van toepassing:

a) 

een CTP berekent de waarde van de blootstellingen met betrekking tot haar clearingleden als volgt:

i) 

voor de blootstellingen die voortvloeien uit overeenkomsten en transacties vermeld in artikel 301, lid 1, punten a) en d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, berekent zij de waarde in overeenstemming met de in artikel 274 daarvan neergelegde op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode;

ii) 

voor de blootstellingen die voortvloeien uit overeenkomsten en transacties vermeld in artikel 301, lid 1, punten b), c) en e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 overeenkomstig de in de artikel 223 van die verordening gespecificeerde uitgebreide benadering van financiële zekerheden, met de in de artikelen 223 en 224 van die verordening gespecificeerde volatiliteitsaanpassingen door de toezichthouder. De uitzondering van artikel 285, lid 3, onder a), van die verordening is niet van toepassing;

iii) 

voor de blootstellingen die voortvloeien uit transacties die niet vermeld zijn in artikel 301, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en die uitsluitend afwikkelingsrisico met zich meebrengt overeenkomstig deel 3, titel V, van die verordening.

b) 

voor onder Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende instellingen zijn de samenstellen van verrekenbare transacties dezelfde als die welke omschreven zijn in deel 3, titel II van die verordening;

c) 

bij de berekening van de in punt a) bedoelde waarden brengt de CTP op haar blootstellingen de door haar clearingleden gestorte zekerheden in mindering, op passende wijze verminderd door middel van de volatiliteitsaanpassingen door de toezichthouder overeenkomstig de in artikel 224 van Verordening (EU) nr. 575/2013 gespecificeerde uitgebreide benadering van financiële zekerheden;

▼C2

▼B

e) 

indien een CTP blootstellingen heeft op een of meer CTP's, behandelt zij dergelijke blootstellingen alsof het blootstellingen aan clearingleden waren en betrekt zij de eventuele marge of voorgefinancierde bijdragen die van die CTP's zijn ontvangen bij de berekening van KCCP;

f) 

indien een CTP met haar clearingleden een bindende contractuele regeling is aangegaan op grond waarvan zij de initiële marge die zij van haar clearingleden heeft ontvangen, geheel of gedeeltelijk kan gebruiken alsof die voorgefinancierde bijdragen vertegenwoordigde, beschouwt het clearinglid voor de berekening in lid 1 die initiële marge als voorgefinancierde bijdrage en niet als initiële marge;

▼C2

▼B

h) 

wanneer een CTP de op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode als bepaald in artikel 274 van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepast, vervangt zij de formule in artikel 298, lid 1, punt c), onder ii), van die verordeningdoor de volgende formule:

waarbij de teller van NGR wordt berekend overeenkomstig artikel 274, lid 1, van die verordening en juist voordat de feitelijke uitwisseling van variatiemarges aan het einde van de afwikkelingsperiode plaatsvindt, en de brutovervangingswaarde de noemer vormt;

i) 

indien een CTP niet in staat is de waarde van NGR als vermeld in artikel 298, lid 1, punt c), onder ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013 te berekenen, gaat zij als volgt te werk:

i) 

zij stelt de instellingen onder haar clearingleden in kennis van het feit dat zij niet in staat is de waarde van NGR te berekenen, alsook van de redenen waarom zij niet in staat is de berekening te verrichten;

ii) 

zij mag gedurende een periode van drie maanden een NGR-waarde van 0,3 gebruiken voor het verrichten van de berekening van PCE red als gespecificeerd in punt h) van dit artikel;

j) 

indien de CTP aan het einde van de in punt i), onder ii), gespecificeerde periode nog steeds niet in staat is de waarde van de NGR te berekenen, gaat zij als volgt te werk:

i) 

zij houdt op KCCP te berekenen;

ii) 

zij stelt de instellingen onder haar clearingleden ervan in kennis dat zij opgehouden is met het berekenen van KCCP;

k) 
voor de berekening van de potentiële toekomstige positie voor opties en swaptions in het kader van de in artikel 274 van Verordening (EU) nr. 575/2013 gespecificeerde op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode, vermenigvuldigt een CTP het notionele bedrag van het contract met de absolute waarde van de delta van de optie (

als vervat in artikel 280, lid 1, punt a), van die verordening;
l) 

indien een CTP meer dan één wanbetalingsfonds heeft, verricht zij de in artikel 50 bis, lid 2, bepaalde berekening voor elk wanbetalingsfonds afzonderlijk.

Artikel 50 quater

Rapportage van informatie

1.  

Voor de toepassing van artikel 308 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteert een CTP aan de instellingen onder haar clearingleden en aan hun bevoegde autoriteiten de volgende informatie:

a) 

het hypothetische kapitaal (KCCP);

b) 

de som van de voorgefinancierde bijdragen (DFCM);

c) 

het bedrag van haar voorgefinancierde financiële middelen dat zij – bij wet of op grond van een contractuele regeling met haar clearingleden – gehouden is te gebruiken om haar verliezen te dekken na wanbetaling door een of meer van haar clearingleden alvorens gebruik te maken van de bijdragen aan het wanbetalingsfonds van de overige clearingleden (DFCCP);

d) 

het totale aantal van haar clearingleden (N);

▼C2

e) 

de concentratiefactor (β), als vervat in artikel 50 quinquies.

▼C2

 

▼B

Indien een CTP meer dan één wanbetalingsfonds heeft, rapporteert zij de in de eerste alinea bedoelde informatie voor elk wanbetalingsfonds afzonderlijk.

2.  
Een CTP stelt de instellingen onder haar clearingleden ten minste elk kwartaal van die informatie in kennis, of vaker indien dit wordt voorgeschreven door de bevoegde autoriteiten van die clearingleden.
3.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

het uniforme template voor de rapportage van de in lid 1 gespecificeerde informatie;

b) 

de frequentie en de datums van de in lid 2 gespecificeerde rapportage;

c) 

de situaties waarin de bevoegde autoriteit van een instelling die als clearinglid optreedt, een hogere rapportagefrequentie kan verlangen dan de in punt b) bedoelde.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 50 quinquies

Berekening van specifieke door de CTP te rapporteren posten

Voor de toepassing van artikel 50 quater geldt het volgende:

a) 

indien de regels van een CTP erin voorzien dat zij, naast de voorgefinancierde bijdragen van haar clearingleden, een deel of het geheel van haar financiële middelen gebruikt op zodanige wijze dat die middelen gelijkwaardig zijn aan de voorgefinancierde bijdragen van een clearinglid uit het oogpunt van het opvangen van de verliezen van de CTP als gevolg van wanbetaling door of insolventie van een of meer van haar clearingleden, telt de CTP het bedrag van die financiële middelen op bij DFCM;

b) 
indien de regels van een CTP erin voorzien dat zij een deel of het geheel van haar financiële middelen gebruikt voor het dekken van haar verliezen als gevolg van wanbetaling door een of meer van haar clearingleden nadat zij haar wanbetalingsfonds heeft uitgeput, maar voordat zij de contractueel vastgelegde bijdragen van haar clearingleden opvraagt, telt de CTP het dienovereenkomstige bedrag van die additionele financiële middelen

op bij het totale bedrag van de voorgefinancierde bijdragen (DF) als volgt:

.
c) 

Een CTP berekent de concentratiefactor (β) volgens de volgende formule:

waarbij:

PCEred,i

=

het verlaagde bedrag van de potentiële blootstelling aan het toekomstig kredietrisico voor alle overeenkomsten en transacties van een CTP met clearinglid i;

PCEred,1

=

het verlaagde bedrag van de potentiële blootstelling aan het toekomstig kredietrisico voor alle overeenkomsten en transacties van een CTP met het clearinglid dat de hoogste PCEred-waarde heeft;

PCEred,2

=

het verlaagde bedrag van de potentiële blootstelling aan het toekomstig kredietrisico voor alle overeenkomsten en transacties van een CTP met het clearinglid dat de op één na de hoogste PCEred-waarde heeft.

2) 

In artikel 11, punt 15, wordt punt b) geschrapt;

3) 

In artikel 89 wordt het volgende lid ingevoegd:

▼C2

"5 bis.  
Tot en met 15 maanden na de inwerkingtreding van de laatste van de in de artikelen 16, 25, 26, 29, 34, 41, 42, 44, 45, 47 en 49 bedoelde technische reguleringsnormen aan het einde van de eerste alinea van lid 3, of, als deze eerder valt, totdat krachtens artikel 14 een besluit wordt genomen over de vergunningverlening aan de CTP, past die CTP de in de derde alinea van dit lid gespecificeerde behandeling toe.

Tot en met 15 maanden na de inwerkingtreding van de laatste van de in de artikelen 16, 26, 29, 34, 41, 42, 44, 45, 47 en 49 bedoelde technische reguleringsnormen, of, als deze eerder valt, tot de datum waarop krachtens artikel 25 een besluit wordt genomen over de erkenning van de CTP, past die CTP de in de derde alinea van dit lid gespecificeerde behandeling toe.

Tot bij het verstrijken van de in de eerste twee alinea's van dit lid bedoelde termijnen, en onder voorbehoud van de vierde alinea van dit lid, en indien een CTP niet over een wanbetalingsfonds beschikt en geen bindende regeling met haar clearingleden is aangegaan op grond waarvan zij de initiële marge die zij van haar clearingleden heeft ontvangen, geheel of gedeeltelijk kan gebruiken alsof die voorgefinancierde bijdragen vertegenwoordigde, omvat de informatie die zij overeenkomstig artikel 50 quater, lid 1, rapporteert het totale bedrag van de initiële marge die zij van haar clearingleden heeft ontvangen.

De termijnen als bedoeld in de eerste en de tweede alinea van dit lid kunnen met zes maanden verlengd worden in overeenstemming met een door de Commissie krachtens artikel 497, lid 3, van Verordening 2013/575/EU vastgestelde uitvoeringshandeling."

▼M21

Artikel 520 bis

Toepassing van eigenvermogensvereisten voor marktrisico

Tot en met 1 januari 2027 blijven de instellingen deel drie, titel IV, en de vereisten inzake marktrisico van de artikelen 430, 430 ter, 445 en 455 van deze verordening zoals die op 8 juli 2024 luidden, toepassen.

▼B

DEEL ELF

SLOTBEPALINGEN

Artikel 521

Inwerkingtreding en datum van toepassing

1.  
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2.  

Deze verordening is van toepassing vanaf 1 januari 2014, met uitzondering van:

a) 

artikel 8, lid 3, artikel 21 en artikel 451, lid 1, die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2015;

b) 

artikel 413, lid 1, dat van toepassing is vanaf 1 januari 2016;

▼C1

c) 

de bepalingen van deze verordening uit hoofde waarvan de ETA's bij de Commissie ontwerpen van technische normen moeten indienen, alsmede de bepalingen van deze verordening waarbij de Commissie wordt gemachtigd gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen vast te stellen, die van toepassing zijn vanaf 28 juni 2013.

▼B

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

▼M17




BIJLAGE I

Indeling van posten buiten de balanstelling



Subklasse

Rubrieken

1

a)  Kredietderivaten en algemene schuldgaranties, met inbegrip van stand-by-accreditieven die dienen als financiële garanties voor leningen en effecten, en accepten, met inbegrip van endossementen met het karakter van accepten, alsmede [alle] overige directe kredietsubstituten;

b)  Overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en verkoop van activa met regres, waarbij het kredietrisico bij de instelling blijft;

c)  Effecten geleend door de instelling of door de instelling als zekerheid gedeponeerde effecten, met inbegrip van gevallen waarin die voortvloeien uit repo-achtige transacties;

d)  Termijnaankoop activa, forward deposits en niet-volgestorte aandelen en effecten, die kredietlijnen zijn die zeker worden benut;

e)  Posten buiten de balanstelling die een kredietvervanging vormen, voor zover niet uitdrukkelijk in een andere categorie opgenomen;

f)  Overige posten buiten de balanstelling met vergelijkbaar risico, zoals aan de EBA meegedeeld.

2

a)  Note Issuance Facilities (NIF’s) en Revolving Underwriting Facilities (RUF’s), ongeacht de looptijd van de onderliggende faciliteit;

b)  Uitvoeringsgaranties, inschrijvingsgaranties, garanties en stand-by-accreditieven met betrekking tot bepaalde transacties en vergelijkbare transactiegerelateerde voorwaardelijke posten, met uitzondering van posten buiten de balanstelling in verband met handelsfinanciering als bedoeld in subklasse 4;

c)  Overige posten buiten de balanstelling met vergelijkbaar risico, zoals aan de EBA meegedeeld.

3

a)  Het niet opgenomen bedrag van kredietlijnen, ongeacht de looptijd van de onderliggende faciliteit, tenzij deze onder een andere categorie vallen;

b)  Overige posten buiten de balanstelling met vergelijkbaar risico, zoals aan de EBA meegedeeld.

4

a)  Posten buiten de balanstelling in verband met handelsfinanciering:

i)  garanties — met inbegrip van inschrijvings- en uitvoeringsgaranties, en bijbehorende voorschot- en inhoudingsgaranties — en garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben;

ii)  onherroepelijke „stand by”-accreditieven die niet het karakter van kredietvervangingen hebben;

iii)  Kortlopende, zelfliquiderende accreditieven waaraan goederenhandel ten grondslag ligt, met name documentaire kredieten met de onderliggende zendingen als zekerheid, in het geval van een kredietopenende instelling of een confirmerende instelling;

b)  Overige posten buiten de balanstelling met vergelijkbaar risico, zoals aan de EBA meegedeeld.

5

a)  Het niet opgenomen bedrag van onvoorwaardelijk opzegbare kredietlijnen;

b)  Het niet opgenomen bedrag van aan particulieren en kleine partijen toegekende kredietlijnen die de instelling krachtens de daaraan verbonden voorwaarden kan opzeggen in de volle mate waarin dat door de wetgeving inzake consumentenbescherming en aanverwante rechtshandelingen is toegestaan;

c)  Niet-opgenomen kredietfaciliteiten voor inschrijvings- en uitvoeringsgaranties die te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor expliciet is bepaald dat zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd op grond van de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur;

d)  Overige posten buiten de balanstelling met vergelijkbaar risico, zoals aan de EBA meegedeeld.

▼B




BIJLAGE II

Soorten derivaten

1. Rentecontracten:

a) 

renteswaps die betrekking hebben op één valuta;

b) 

basisswaps;

c) 

rentetermijncontracten;

d) 

rentefutures;

▼M8

e) 

renteopties;

▼B

f) 

andere contracten van gelijke aard.

2. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:

a) 

cross-currency renteswaps;

b) 

valutatermijncontracten;

c) 

valutafutures;

▼M8

d) 

valutaopties;

▼B

e) 

andere contracten van gelijke aard;

f) 

contracten van gelijke aard als de contracten in onder a) tot en met e) die betrekking hebben op goud.

▼M8

3. Contracten die van gelijke aard zijn als die in punt 1, onder a) tot en met e), en punt 2, onder a) tot en met d), van deze bijlage en die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices. Hiertoe behoren minimaal alle instrumenten die zijn gespecificeerd in deel C, punten 4 tot en met 7, 9, 10 en 11, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EG, en die niet in punt 1 of 2 van deze bijlage zijn opgenomen.

▼B




BIJLAGE III

Posten onderworpen aan aanvullende rapportage van liquide activa

1. Contanten.

2. Reserves van centrale banken, voor zover er in tijden van stress een beroep op kan worden gedaan.

3. Effecten, zijnde vorderingen op of gegarandeerd door landen, centrale banken, niet tot de centrale overheid behorende publiekrechtelijke lichamen, regio's met fiscale autonomie om belastingen te heffen en te innen en lokale overheden, de Bank voor Internationale Betalingen, het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Unie, de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit, het Europees stabiliteitsmechanisme of multilaterale ontwikkelingsbanken, waarbij aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a) 

er wordt overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 0 % aan toegekend;

▼M9

b) 

zij vormen geen verplichting van een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit.

▼B

4. Andere dan de onder punt 3 bedoelde effecten, zijnde vorderingen op of gegarandeerd door landen of centrale banken, uitgegeven door de overheid in de nationale valuta van dat land of door de centrale bank in de nationale valuta en het land waar het liquiditeitsrisico wordt aangegaan, of uitgegeven in vreemde valuta, voor zover het aanhouden van een dergelijke schuld overeenstemt met de liquiditeitsbehoeften naar aanleiding van de activiteiten van de bank in die valuta.

5. Effecten, zijnde vorderingen op of gegarandeerd door landen, centrale banken, niet tot de centrale overheid behorende publiekrechtelijke lichamen, regio's met fiscale autonomie om belastingen te heffen en te innen en lokale overheden, of multilaterale ontwikkelingsbanken, waarbij aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a) 

er wordt overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, een risicogewicht van 20 % aan toegekend;

▼M9

b) 

zij vormen geen verplichting van een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit.

▼B

6. Andere dan de onder punten 3, 4 en 5 bedoelde effecten die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 20 % of beter overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, of die volgens een interne beoordeling een gelijkwaardige kredietkwaliteit hebben, en die een van de onderstaande voorwaarden vervullen:

▼M9

a) 

zij vormen geen vordering op een SSPE, een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit;

▼B

b) 

het betreft obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, beschreven behandeling;

▼M10

c) 

het betreft gedekte obligaties in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2019/2162, die geen obligaties zijn als bedoeld onder b) van dit punt.

▼M9

7. Andere dan de in de punten 3 tot en met 6 bedoelde effecten die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 50 % of meer overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, of die volgens een interne beoordeling een gelijkwaardige kredietkwaliteit hebben, en die geen vordering vormen op een SSPE, een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit.

▼B

8. Andere dan de onder punten 3 tot en met 7 bedoelde effecten die gedekt zijn door activa die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 35 % of beter overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, of die volgens een interne beoordeling een gelijkwaardige kredietkwaliteit hebben, en die geheel en volledig door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt overeenkomstig artikel 125.

9. Door centrale banken binnen de werkingssfeer van monetair beleid verleende standbykredietfaciliteiten, voor zover die niet worden gegarandeerd door liquide activa en met uitsluiting van noodliquiditeitssteun;

10. Wettelijke of statutaire minimumdeposito's bij de centrale kredietinstelling en andere statutaire of bij overeenkomst beschikbare liquide middelen van de centrale kredietinstelling of instellingen die lid zijn van het in artikel 113, lid 7, bedoelde netwerk, of die in aanmerking komen voor de bij artikel 10 vastgestelde ontheffing, voor zover die middelen niet door liquide activa worden gegarandeerd, indien de kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen bij een netwerk hoort.

▼M9

11. Beursverhandelde, centraal geclearde aandelen in het kernkapitaal die onderdeel zijn van een belangrijke aandelenindex, luiden in de binnenlandse valuta van de lidstaat en niet zijn uitgegeven door een instelling of beleggingsonderneming of door een met haar gelieerde onderneming.

▼B

12. Aan een erkende beurs genoteerd goud, dat op toegewezen basis wordt aangehouden.

Alle posten met uitzondering van de in de punten 1, 2 en 9 vermelde moeten aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a) 

zij worden verhandeld op door een lage mate van concentratie gekenmerkte markten voor retrocessieovereenkomsten of contanten;

b) 

zij hebben bewezen een betrouwbare bron van liquiditeit te zijn door middel van retrocessieovereenkomsten of verkoop, ook onder gespannen marktomstandigheden;

c) 

zij zijn onbezwaard.




BIJLAGE IV



Concordantietabel

Deze verordening

Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/49/EG

Artikel 1

 

 

Artikel 2

 

 

Artikel 3

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 1

Artikel 4, lid 1

 

Artikel 4, lid 1, punt 2

 

Artikel 3, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 1, punt 3

 

Artikel 3, lid 1, onder c)

Artikel 4, lid 1, punt 4

 

Artikel 3, lid 1, onder p)

Artikel 4, lid 1, punten 5-7

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 8

Artikel 4, lid 18

 

Artikel 4, lid 1, punten 9-12

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 13

Artikel 4, lid 41

 

Artikel 4, lid 1, punt 14

Artikel 4, lid 42

 

Artikel 4, lid 1, punt 15

Artikel 4, lid 12

 

Artikel 4, lid 1, punt 16

Artikel 4, lid 13

 

Artikel 4, lid 1, punt 17

Artikel 4, lid 3

 

Artikel 4, lid 1, punt 18

Artikel 4, lid 21

 

Artikel 4, lid 1, punt 19

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 20

Artikel 4, lid 19

 

Artikel 4, lid 1, punt 21

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 22

Artikel 4, lid 20

 

Artikel 4, lid 1, punt 23

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 24

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 25

 

Artikel 3, lid 1, onder c)

Artikel 4, lid 1, punt 26

Artikel 4, lid 5

 

Artikel 4, lid 1, punt 27

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 28

Artikel 4, lid 14

 

Artikel 4, lid 1, punt 29

Artikel 4, lid 16

 

Artikel 4, lid 1, punt 30

Artikel 4, lid 15

 

Artikel 4, lid 1, punt 31

Artikel 4, lid 17

 

Artikel 4, lid 1, punten 32-34

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 35

Artikel 4, lid 10

 

Artikel 4, lid 1, punt 36

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 37

Artikel 4, lid 9

 

Artikel 4, lid 1, punt 38

Artikel 4, lid 46

 

Artikel 4, lid 1, punt 39

Artikel 4, lid 45

 

Artikel 4, lid 1, punt 40

Artikel 4, lid 4

 

Artikel 4, lid 1, punt 41

Artikel 4, lid 48

 

Artikel 4, lid 1, punt 42

Artikel 4, lid 2

 

Artikel 4, lid 1, punt 43

Artikel 4, lid 7

 

Artikel 4, lid 1, punt 44

Artikel 4, lid 8

 

Artikel 4, lid 1, punt 45

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 46

Artikel 4, lid 23

 

Artikel 4, lid 1, punten 47-49

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 50

 

Artikel 3, lid 1, onder e)

Artikel 4, lid 1, punt 51

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 52

Artikel 4, lid 22

 

Artikel 4, lid 1, punt 53

Artikel 4, lid 24

 

Artikel 4, lid 1, punt 54

Artikel 4, lid 25

 

Artikel 4, lid 1, punt 55

Artikel 4, lid 27

 

Artikel 4, lid 1, punt 56

Artikel 4, lid 28

 

Artikel 4, lid 1, punt 57

Artikel 4, lid 30

 

Artikel 4, lid 1, punt 58

Artikel 4, lid 31

 

Artikel 4, lid 1, punt 59

Artikel 4, lid 32

 

Artikel 4, lid 1, punt 60

Artikel 4, lid 35

 

Artikel 4, lid 1, punt 61

Artikel 4, lid 36

 

Artikel 4, lid 1, punt 62

Artikel 4, lid 40

 

Artikel 4, lid 1, punt 63

Artikel 4, lid 40 bis

 

Artikel 4, lid 1, punt 64

Artikel 4, lid 40 ter

 

Artikel 4, lid 1, punt 65

Artikel 4, lid 43

 

Artikel 4, lid 1, punt 66

Artikel 4, lid 44

 

Artikel 4, lid 1, punt 67

Artikel 4, lid 39

 

Artikel 4, lid 1, punten 68-71

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 72

Artikel 4, lid 47

 

Artikel 4, lid 1, punt 73

Artikel 4, lid 49

 

Artikel 4, lid 1, punten 74-81

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 82

 

Artikel 3, lid 1, onder m)

Artikel 4, lid 1, punt 83

Artikel 4, lid 33

 

Artikel 4, lid 1, punten 84-91

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 92

 

Artikel 3, lid 1, onder i)

Artikel 4, lid 1, punten 93-107

 

 

Artikel 4, lid 1, punt 118

 

Artikel 3, lid 1, onder r)

Artikel 4, lid 1, punten 119-128

 

 

Artikel 4, lid 2

 

 

Artikel 4, lid 3

 

 

Artikel 5

 

 

Artikel 6, lid 1

Artikel 68, lid 1

 

Artikel 6, lid 2

Artikel 68, lid 2

 

Artikel 6, lid 3

Artikel 68, lid 3

 

Artikel 6, lid 4

 

 

Artikel 6, lid 5

 

 

Artikel 7, lid 1

Artikel 69, lid 1

 

Artikel 7, lid 2

Artikel 69, lid 2

 

Artikel 7, lid 3

Artikel 69, lid 3

 

Artikel 8, lid 1

 

 

Artikel 8, lid 2

 

 

Artikel 8, lid 3

 

 

Artikel 9, lid 1

Artikel 70, lid 1

 

Artikel 9, lid 2

Artikel 70, lid 2

 

Artikel 9, lid 3

Artikel 70, lid 3

 

Artikel 10, lid 1

Artikel 3, lid 1

 

Artikel 10, lid 2

 

 

Artikel 11, lid 1

Artikel 71, lid 1

 

Artikel 11, lid 2

Artikel 71, lid 2

 

Artikel 11, lid 3

 

 

Artikel 11, lid 4

Artikel 3, lid 2

 

Artikel 11, lid 5

 

 

Artikel 12

 

 

Artikel 13, lid 1

Artikel 72, lid 1

 

Artikel 13, lid 2

Artikel 72, lid 2

 

Artikel 13, lid 3

Artikel 72, lid 3

 

Artikel 13, lid 4

 

 

Artikel 14, lid 1

Artikel 73, lid 3

 

Artikel 14, lid 2

 

 

Artikel 14, lid 3

 

 

Artikel 15

 

Artikel 22

Artikel 16

 

 

Artikel 17, lid 1

 

Artikel 23

Artikel 17, lid 2

 

 

Artikel 17, lid 3

 

 

Artikel 18, lid 1

Artikel 133, lid 1, eerste alinea

 

Artikel 18, lid 2

Artikel 133, lid 1, tweede alinea

 

Artikel 18, lid 3

Artikel 133, lid 1, derde alinea

 

Artikel 18, lid 4

Artikel 133, lid 2

 

Artikel 18, lid 5

Artikel 133, lid 3

 

Artikel 18, lid 6

Artikel 134, lid 1

 

Artikel 18, lid 7

 

 

Artikel 18, lid 8

Artikel 134, lid 2

 

Artikel 19, lid 1

Artikel 73, lid 1, onder b)

 

Artikel 19, lid 2

Artikel 73, lid 1

 

Artikel 19, lid 3

Artikel 73, lid 1, tweede alinea

 

Artikel 20, lid 1

Artikel 105, lid 3 Artikel 129, lid 2 en Bijlage X, Deel 3, punten 30 en 31

 

Artikel 20, lid 2

Artikel 129, lid 2, derde alinea

 

Artikel 20, lid 3

Artikel 129, lid 2, vierde alinea

 

Artikel 20, lid 4

Artikel 129, lid 2, vijfde alinea

 

Artikel 20, lid 5

 

 

Artikel 20, lid 6

Artikel 84, lid 2

 

Artikel 20, lid 7

Artikel 129, lid 2, zesde alinea

 

Artikel 20, lid 8

Artikel 129, lid 2, zevende en achtste alinea

 

Artikel 21, lid 1

 

 

Artikel 21, lid 2

 

 

Artikel 21, lid 3

 

 

Artikel 21, lid 4

 

 

Artikel 22

Artikel 73, lid 2

 

Artikel 23

 

Artikel 3, lid 1, tweede alinea

Artikel 24

Artikel 74, lid 1

 

Artikel 25

 

 

Artikel 26, lid 1

Artikel 57, onder a)

 

Artikel 26, lid 1, onder a)

Artikel 57, onder a)

 

Artikel 26, lid 1, onder b)

Artikel 57, onder b)

 

Artikel 26, lid 1, onder c)

Artikel 57, onder b)

 

Artikel 26, lid 1, onder d)

 

 

Artikel 26, lid 1, onder e)

Artikel 57, onder c)

 

Artikel 26, lid 1, onder f)

Artikel 57, onder d)

 

Artikel 26, lid 1, eerste alinea

Artikel 61, tweede alinea

 

Artikel 26, lid 2, onder a)

Artikel 57, tweede, derde en vierde alinea

 

Artikel 26, lid 2, onder b)

Artikel 57, tweede, derde en vierde alinea

 

Artikel 26, lid 3

 

 

Artikel 26, lid 4

 

 

Artikel 27

 

 

Artikel 28, lid 1, onder a)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder b)

Artikel 57, onder a)

 

Artikel 28, lid 1, onder c)

Artikel 57, onder a)

 

Artikel 28, lid 1, onder d)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder e)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder f)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder g)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder h)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder i)

Artikel 57, onder a)

 

Artikel 28, lid 1, onder j)

Artikel 57, onder a)

 

Artikel 28, lid 1, onder k)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder l)

 

 

Artikel 28, lid 1, onder m)

 

 

Artikel 28, lid 2

 

 

Artikel 28, lid 3

 

 

Artikel 28, lid 4

 

 

Artikel 28, lid 5

 

 

Artikel 29

 

 

Artikel 30

 

 

Artikel 31

 

 

Artikel 32, lid 1, onder a)

 

 

Artikel 32, lid 1, onder b)

Artikel 57, vierde alinea

 

Artikel 32, lid 2

 

 

Artikel 33, lid 1, onder a)

Artikel 64, lid 4

 

Artikel 33, lid 1, onder b)

Artikel 64, lid 4

 

Artikel 33, lid 1, onder c)

 

 

Artikel 33, lid 2

 

 

Artikel 33, lid 3, onder a)

 

 

Artikel 33, lid 3, onder b)

 

 

Artikel 33, lid 3, onder c)

 

 

Artikel 33, lid 3, onder d)

 

 

Artikel 33, lid 4

 

 

Artikel 34

Artikel 64, lid 5

 

Artikel 35

 

 

Artikel 36, lid 1, onder a)

Artikel 57, onder k)

 

Artikel 36, lid 1, onder b)

Artikel 57, onder j)

 

Artikel 36, lid 1, onder c)

 

 

Artikel 36, lid 1, onder d)

Artikel 57, onder q)

 

Artikel 36, lid 1, onder e)

 

 

Artikel 36, lid 1, onder f)

Artikel 57, onder i)

 

Artikel 36, lid 1, onder g)

 

 

Artikel 36, lid 1, onder h)

Artikel 57, onder n)

 

Artikel 36, lid 1, onder i)

Artikel 57, onder m)

 

Artikel 36, lid 1, onder j)

Artikel 66, lid 2

 

Artikel 36, lid 1, onder k), i)

 

 

Artikel 36, lid 1, onder k), ii)

Artikel 57, onder r)

 

Artikel 36, lid 1, onder k), iii)

 

 

Artikel 36, lid 1, onder k), iv)

 

 

Artikel 36, lid 1, onder k), v)

 

 

Artikel 36, lid 1, onder l)

Artikel 61, tweede alinea

 

Artikel 36, lid 2

 

 

Artikel 36, lid 3

 

 

Artikel 37

 

 

Artikel 38

 

 

Artikel 39

 

 

Artikel 40

 

 

Artikel 41

 

 

Artikel 42

 

 

Artikel 43

 

 

Artikel 44

 

 

Artikel 45

 

 

Artikel 46

 

 

Artikel 47

 

 

Artikel 48

 

 

Artikel 49, lid 1

Artikel 59

 

Artikel 49, lid 2

Artikel 60

 

Artikel 49, lid 3

 

 

Artikel 49, lid 4

 

 

Artikel 49, lid 5

 

 

Artikel 49, lid 6

 

 

Artikel 50

Artikel 66, Artikel 57, onder c bis), Artikel 63 bis

 

Artikel 51

Artikel 66, Artikel 57, onder c bis), Artikel 63 bis

 

Artikel 52

Artikel 63 bis

 

Artikel 53

 

 

Artikel 54

 

 

Artikel 55

 

 

Artikel 56

 

 

Artikel 57

 

 

Artikel 58

 

 

Artikel 59

 

 

Artikel 60

 

 

Artikel 61

Artikel 66, Artikel 57, onder c bis), Artikel 63 bis

 

Artikel 62(a)

Artikel 64, lid 3

 

Artikel 62(b)

 

 

Artikel 62(c)

 

 

Artikel 62(d)

Artikel 63, lid 3

 

Artikel 63

Artikel 63, lid 1, Artikel 63, lid 2, Artikel 64, lid 3

 

Artikel 64

Artikel 64, lid 3, onder c)

 

Artikel 65

 

 

Artikel 66

Artikel 57, Artikel 66, lid 2

 

Artikel 67

Artikel 57, Artikel 66, lid 2

 

Artikel 68

 

 

Artikel 69

Artikel 57, Artikel 66, lid 2

 

Artikel 70

Artikel 57, Artikel 66, lid 2

 

Artikel 71

Artikel 66, Artikel 57, onder c bis), Artikel 63 bis

 

Artikel 72

Artikel 57, Artikel 66

 

Artikel 73

 

 

Artikel 74

 

 

Artikel 75

 

 

Artikel 76

 

 

Artikel 77

Artikel 63 bis, lid 2

 

Artikel 78, lid 1

Artikel 63 bis, lid 2

 

Artikel 78, lid 2

 

 

Artikel 78, lid 3

 

 

Artikel 78, lid 4

Artikel 63 bis, lid 2, vierde alinea

 

Artikel 78, lid 5

 

 

Artikel 79

Artikel 58

 

Artikel 80

 

 

Artikel 81

Artikel 65

 

Artikel 82

Artikel 65

 

Artikel 83

 

 

Artikel 84

Artikel 65

 

Artikel 85

Artikel 65

 

Artikel 86

Artikel 65

 

Artikel 87

Artikel 65

 

Artikel 88

Artikel 65

 

Artikel 89

Artikel 120

 

Artikel 90

Artikel 122

 

Artikel 91

Artikel 121

 

Artikel 92

Artikel 66, Artikel 75

 

Artikel 93, leden 1-4

Artikel 10, leden 1-4

 

Artikel 93, lid 5

 

 

Artikel 94

 

Artikel 18, leden 2-4

Artikel 95

 

 

Artikel 96

 

 

Artikel 97

 

 

Artikel 98

 

Artikel 24

Artikel 99, lid 1

Artikel 74, lid 2

 

Artikel 99, lid 2

 

 

Artikel 100

 

 

Artikel 101, lid 1

 

 

Artikel 101, lid 2

 

 

Artikel 101, lid 3

 

 

Artikel 102, lid 1

 

Artikel 11, lid 1

Artikel 102, lid 2

 

Artikel 11, lid 3

Artikel 102, lid 3

 

Artikel 11, lid 4

Artikel 102, lid 4

 

Bijlage VII, Deel C, punt 1

Artikel 103

 

Bijlage VII, Deel A, punt 1

Artikel 104, lid 1

 

Bijlage VII, Deel D, punt 1

Artikel 104, lid 2

 

Bijlage VII, Deel D, punt 2

Artikel 105, lid 1

 

Artikel 33, lid 1

Artikel 105, leden 2-10

 

Bijlage VII, Deel B, punten 1-9

Artikel 105, leden 11-13

 

Bijlage VII, Deel B, punten 11-13

Artikel 106

 

Bijlage VII, Deel C, punten 1-3

Artikel 107

Artikel 76, Artikel 78, lid 4, en Bijlage III, Deel 2, punt 6

 

Artikel 108, lid 1

Artikel 91

 

Artikel 108, lid 2

 

 

Artikel 109

Artikel 94

 

Artikel 110

 

 

Artikel 111

Artikel 78, leden 1-3

 

Artikel 112

Artikel 79, lid 1

 

Artikel 113, lid 1

Artikel 80, lid 1

 

Artikel 113, lid 2

Artikel 80, lid 2

 

Artikel 113, lid 3

Artikel 80, lid 4

 

Artikel 113, lid 4

Artikel 80, lid 5

 

Artikel 113, lid 5

Artikel 80, lid 6

 

Artikel 113, lid 6

Artikel 80, lid 7

 

Artikel 113, lid 7

Artikel 80, lid 8

 

Artikel 114

Bijlage VI, Deel I, punten 1-5

 

Artikel 115, leden 1-4

Bijlage VI, Deel I, punten 8-11

 

Artikel 115, lid 5

 

 

Artikel 116, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 14

 

Artikel 116, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 14

 

Artikel 116, lid 3

 

 

Artikel 116, lid 4

Bijlage VI, Deel I, punt 15

 

Artikel 116, lid 5

Bijlage VI, Deel I, punt 17

 

Artikel 116, lid 6

Bijlage VI, Deel I, punt 17

 

Artikel 117, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 18 en 19

 

Artikel 117, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 20

 

Artikel 117, lid 3

Bijlage VI, Deel I, punt 21

 

Artikel 118

Bijlage VI, Deel I, punt 22

 

Artikel 119, lid 1

 

 

Artikel 119, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punten 37 en 38

 

Artikel 119, lid 3

Bijlage VI, Deel I, punt 40

 

Artikel 119, lid 4

 

 

Artikel 119, lid 5

 

 

Artikel 120, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 29

 

Artikel 120, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 31

 

Artikel 120, lid 3

Bijlage VI, Deel I, punten 33-36

 

Artikel 121, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 26

 

Artikel 121, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 25

 

Artikel 121, lid 3

Bijlage VI, Deel I, punt 27

 

Artikel 122

Bijlage VI, Deel I, punten 41 en 42

 

Artikel 123

Artikel 79, leden 2 en 3, en Bijlage VI, Deel I, punt 43

 

Artikel 124, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 44

 

Artikel 124, lid 2

 

 

Artikel 124, lid 3

 

 

Artikel 125, leden 1-3

Bijlage VI, Deel I, punten 45-49

 

Artikel 125, lid 4

 

 

Artikel 126, leden 1 en 2

Bijlage VI, Deel I, punten 51-55

 

Artikel 126, leden 3 en 4

Bijlage VI, Deel I, punten 58 en 59

 

Artikel 127, leden 1 en 2

Bijlage VI, Deel I, punten 61 en 62

 

Artikel 127, leden 3 en 4

Bijlage VI, Deel I, punten 64 en 65

 

Artikel 128, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punten 66 en 76

 

Artikel 128, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 66

 

Artikel 128, lid 3

 

 

Artikel 129, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 68, eerste en tweede alinea

 

Artikel 129, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 69

 

Artikel 129, lid 3

Bijlage VI, Deel I, punt 71

 

Artikel 129, lid 4

Bijlage VI, Deel I, punt 70

 

Artikel 129, lid 5

 

 

Artikel 130

Bijlage VI, Deel I, punt 72

 

Artikel 131

Bijlage VI, Deel I, punt 73

 

Artikel 132, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 74

 

Artikel 132, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 75

 

Artikel 132, lid 3

Bijlage VI, Deel I, punten 77 en 78

 

Artikel 132, lid 4

Bijlage VI, Deel I, punt 79

 

Artikel 132, lid 5

Bijlage VI, Deel I, punten 80 en 81

 

Artikel 133, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 86

 

Artikel 133, lid 2

 

 

Artikel 133, lid 3

 

 

Artikel 134, leden 1-3

Bijlage VI, Deel I, punten 82-84

 

Artikel 134, leden 4-7

Bijlage VI, Deel I, punten 87-90

 

Artikel 135

Artikel 81, leden 1, 2 en 4

 

Artikel 136, lid 1

Artikel 82, lid 1

 

Artikel 136, lid 2

Bijlage VI, Deel 2, punten 12-16

 

Artikel 136, lid 3

Artikel 150, lid 3

 

Artikel 137, lid 1

Bijlage VI, Deel I, punt 6

 

Artikel 137, lid 2

Bijlage VI, Deel I, punt 7

 

Artikel 137, lid 3

 

 

Artikel 138

Bijlage VI, Deel III, punten 1-7

 

Artikel 139

Bijlage VI, Deel III, punten 8-17

 

Artikel 140, lid 1

 

 

Artikel 140, lid 2

 

 

Artikel 141

 

 

Artikel 142, lid 1

 

 

Artikel 142, lid 2

 

 

Artikel 143, lid 1

Artikel 84, lid 1, en Bijlage VII, Deel 4, punt 1

 

Artikel 143, lid 1

Artikel 84, lid 2

 

Artikel 143, lid 1

Artikel 84, lid 3

 

Artikel 143, lid 1

Artikel 84, lid 4

 

Artikel 143, lid 1

 

 

Artikel 144

 

 

Artikel 145

 

 

Artikel 146

 

 

Artikel 147, lid 1

Artikel 86, lid 9

 

Artikel 147, leden 2-9

Artikel 86, leden 1-8

 

Artikel 148, lid 1

Artikel 85, lid 1

 

Artikel 148, lid 2

Artikel 85, lid 2

 

Artikel 148, lid 3

 

 

Artikel 148, lid 4

Artikel 85, lid 3

 

Artikel 148, lid 5

 

 

Artikel 148, lid 1

 

 

Artikel 149

Artikel 85, leden 4 en 5

 

Artikel 150, lid 1

Artikel 89, lid 1

 

Artikel 150, lid 2

Artikel 89, lid 2

 

Artikel 150, lid 3

 

 

Artikel 150, lid 4

 

 

Artikel 151

Artikel 87, leden 1-10

 

Artikel 152, leden 1 en 2

Artikel 87, lid 11

 

Artikel 152, leden 3 en 4

Artikel 87, lid 12

 

Artikel 152, lid 5

 

 

Artikel 153, lid 1

Bijlage VII, Deel I, punt 3

 

Artikel 153, lid 2

 

 

Artikel 153, leden 3-8

Bijlage VII, Deel I, punten 4-9

 

Artikel 153, lid 9

 

 

Artikel 154

Bijlage VII, Deel I, punten 10-16

 

Artikel 155, lid 1

Bijlage VII, Deel I, punten 17 en 18

 

Artikel 155, lid 2

Bijlage VII, Deel I, punten 19 tot en met 21

 

Artikel 155, lid 3

Bijlage VII, Deel I, punten 22 tot en met 24

 

Artikel 155, lid 4

Bijlage VII, Deel I, punten 25 tot en met 26

 

Artikel 156

 

 

Artikel 156

Bijlage VII, Deel I, punt 27

 

Artikel 157, lid 1

Bijlage VII, Deel I, punt 28

 

Artikel 157, leden 2-5

 

 

Artikel 158, lid 1

Artikel 88, lid 2

 

Artikel 158, lid 2

Artikel 88, lid 3

 

Artikel 158, lid 3

Artikel 88, lid 4

 

Artikel 158, lid 4

Artikel 88, lid 6

 

Artikel 158, lid 5

Bijlage VII, Deel I, punt 30

 

Artikel 158, lid 6

Bijlage VII, Deel I, punt 31

 

Artikel 158, lid 7

Bijlage VII, Deel I, punt 32

 

Artikel 158, lid 8

Bijlage VII, Deel I, punt 33

 

Artikel 158, lid 9

Bijlage VII, Deel I, punt 34

 

Artikel 158, lid 10

Bijlage VII, Deel I, punt 35

 

Artikel 158, lid 11

 

 

Artikel 159

Bijlage VII, Deel I, punt 36

 

Artikel 160, lid 1

Bijlage VII, Deel II, punt 2

 

Artikel 160, lid 2

Bijlage VII, Deel II, punt 3

 

Artikel 160, lid 3

Bijlage VII, Deel II, punt 4

 

Artikel 160, lid 4

Bijlage VII, Deel II, punt 5

 

Artikel 160, lid 5

Bijlage VII, Deel II, punt 6

 

Artikel 160, lid 6

Bijlage VII, Deel II, punt 7

 

Artikel 160, lid 7

Bijlage VII, Deel II, punt 7

 

Artikel 161, lid 1

Bijlage VII, Deel II, punt 8

 

Artikel 161, lid 2

Bijlage VII, Deel II, punt 9

 

Artikel 161, lid 3

Bijlage VII, Deel II, punt 10

 

Artikel 161, lid 4

Bijlage VII, Deel II, punt 11

 

Artikel 162, lid 1

Bijlage VII, Deel II, punt 12

 

Artikel 162, lid 2

Bijlage VII, Deel II, punt 13

 

Artikel 162, lid 3

Bijlage VII, Deel II, punt 14

 

Artikel 162, lid 4

Bijlage VII, Deel II, punt 15

 

Artikel 162, lid 5

Bijlage VII, Deel II, punt 16

 

Artikel 163, lid 1

Bijlage VII, Deel II, punt 17

 

Artikel 163, lid 2

Bijlage VII, Deel II, punt 18

 

Artikel 163, lid 3

Bijlage VII, Deel II, punt 19

 

Artikel 163, lid 4

Bijlage VII, Deel II, punt 20

 

Artikel 164, lid 1

Bijlage VII, Deel II, punt 21

 

Artikel 164, lid 2

Bijlage VII, Deel II, punt 22

 

Artikel 164, lid 3

Bijlage VII, Deel II, punt 23

 

Artikel 164, lid 4

 

 

Artikel 165, lid 1

Bijlage VII, Deel II, punt 24

 

Artikel 165, lid 2

Bijlage VII, Deel II, punten 25 en 26

 

Artikel 165, lid 3

Bijlage VII, Deel II, punt 27

 

Artikel 166, lid 1

Bijlage VII, Deel III, punt 1

 

Artikel 166, lid 2

Bijlage VII, Deel III, punt 2

 

Artikel 166, lid 3

Bijlage VII, Deel III, punt 3

 

Artikel 166, lid 4

Bijlage VII, Deel III, punt 4

 

Artikel 166, lid 5

Bijlage VII, Deel III, punt 5

 

Artikel 166, lid 6

Bijlage VII, Deel III, punt 6

 

Artikel 166, lid 7

Bijlage VII, Deel III, punt 7

 

Artikel 166, lid 8

Bijlage VII, Deel III, punt 9

 

Artikel 166, lid 9

Bijlage VII, Deel III, punt 10

 

Artikel 166, lid 10

Bijlage VII, Deel III, punt 11

 

Artikel 167, lid 1

Bijlage VII, Deel III, punt 12

 

Artikel 167, lid 2

 

 

Artikel 168

Bijlage VII, Deel III, punt 13

 

Artikel 169, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 2

 

Artikel 169, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 3

 

Artikel 169, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 4

 

Artikel 170, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 5-11

 

Artikel 170, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 12

 

Artikel 170, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punten 13-15

 

Artikel 170, lid 4

Bijlage VII, Deel IV, punt 16

 

Artikel 171, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 17

 

Artikel 171, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 18

 

Artikel 172, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 19-23

 

Artikel 172, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 24

 

Artikel 172, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 25

 

Artikel 173, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 26-28

 

Artikel 173, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 29

 

Artikel 173, lid 3

 

 

Artikel 174

Bijlage VII, Deel IV, punt 30

 

Artikel 175, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 31

 

Artikel 175, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 32

 

Artikel 175, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 33

 

Artikel 175, lid 4

Bijlage VII, Deel IV, punt 34

 

Artikel 175, lid 5

Bijlage VII, Deel IV, punt 35

 

Artikel 176, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 36

 

Artikel 176, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 37, eerste alinea

 

Artikel 176, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 37, tweede alinea

 

Artikel 176, lid 4

Bijlage VII, Deel IV, punt 38

 

Artikel 176, lid 5

Bijlage VII, Deel IV, punt 39

 

Artikel 177, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 40

 

Artikel 177, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 41

 

Artikel 177, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 42

 

Artikel 178, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 44

 

Artikel 178, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 44

 

Artikel 178, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 45

 

Artikel 178, lid 4

Bijlage VII, Deel IV, punt 46

 

Artikel 178, lid 5

Bijlage VII, Deel IV, punt 47

 

Artikel 178, lid 6

 

 

Artikel 178, lid 7

 

 

Artikel 179, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 43 en 49-56

 

Artikel 179, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 57

 

Artikel 180, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 59-66

 

Artikel 180, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punten 67-72

 

Artikel 180, lid 3

 

 

Artikel 181, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 73-81

 

Artikel 181, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 82

 

Artikel 181, lid 3

 

 

Artikel 182, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 87-92

 

Artikel 182, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 93

 

Artikel 182, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punten 94 en 95

 

Artikel 182, lid 4

 

 

Artikel 183, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punten 98-100

 

Artikel 183, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punten 101 en 102

 

Artikel 183, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punten 103 en 104

 

Artikel 183, lid 4

Bijlage VII, Deel IV, punt 96

 

Artikel 183, lid 5

Bijlage VII, Deel IV, punt 97

 

Artikel 183, lid 6

 

 

Artikel 184, lid 1

 

 

Artikel 184, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 105

 

Artikel 184, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 106

 

Artikel 184, lid 4

Bijlage VII, Deel IV, punt 107

 

Artikel 184, lid 5

Bijlage VII, Deel IV, punt 108

 

Artikel 184, lid 6

Bijlage VII, Deel IV, punt 109

 

Artikel 185

Bijlage VII, Deel IV, punten 110-114

 

Artikel 186

Bijlage VII, Deel IV, punt 115

 

Artikel 187

Bijlage VII, Deel IV, punt 116

 

Artikel 188

Bijlage VII, Deel IV, punten 117-123

 

Artikel 189, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 124

 

Artikel 189, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punten 125 en 126

 

Artikel 189, lid 3

Bijlage VII, Deel IV, punt 127

 

Artikel 190, lid 1

Bijlage VII, Deel IV, punt 128

 

Artikel 190, lid 2

Bijlage VII, Deel IV, punt 129

 

Artikel 190, leden 3 en 4

Bijlage VII, Deel IV, punt 130

 

Artikel 191

Bijlage VII, Deel IV, punt 131

 

Artikel 192

Artikel 90 en Bijlage VIII, Deel 1, punt 2

 

Artikel 193, lid 1

Artikel 93, lid 2

 

Artikel 193, lid 2

Artikel 93, lid 3

 

Artikel 193, lid 3

Artikel 93, lid 1, en Bijlage VIII, Deel 3, punt 1

 

Artikel 193, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punt 2

 

Artikel 193, lid 5

Bijlage VIII, Deel 5, punt 1

 

Artikel 193, lid 6

Bijlage VIII, Deel 5, punt 2

 

Artikel 194, lid 1

Artikel 92, lid 1

 

Artikel 194, lid 2

Artikel 92, lid 2

 

Artikel 194, lid 3

Artikel 92, lid 3

 

Artikel 194, lid 4

Artikel 92, lid 4

 

Artikel 194, lid 5

Artikel 92, lid 5

 

Artikel 194, lid 6

Artikel 92, lid 5

 

Artikel 194, lid 7

Artikel 92, lid 6

 

Artikel 194, lid 8

Bijlage VIII, Deel 2, punt 1

 

Artikel 194, lid 9

Bijlage VIII, Deel 2, punt 2

 

Artikel 194, lid 10

 

 

Artikel 195

Bijlage VIII, Deel 1, punten 3 en 4

 

Artikel 196

Bijlage VIII, Deel 1, punt 5

 

Artikel 197, lid 1

Bijlage VIII, Deel 1, punt 7

 

Artikel 197, lid 2

Bijlage VIII, Deel 1, punt 7

 

Artikel 197, lid 3

Bijlage VIII, Deel 1, punt 7

 

Artikel 197, lid 4

Bijlage VIII, Deel 1, punt 8

 

Artikel 197, lid 5

Bijlage VIII, Deel 1, punt 9

 

Artikel 197, lid 6

Bijlage VIII, Deel 1, punt 9

 

Artikel 197, lid 7

Bijlage VIII, Deel 1, punt 10

 

Artikel 197, lid 8

 

 

Artikel 198, lid 1

Bijlage VIII, Deel 1, punt 11

 

Artikel 198, lid 2

Bijlage VIII, Deel 1, punt 11

 

Artikel 199, lid 1

Bijlage VIII, Deel 1, punt 12

 

Artikel 199, lid 2

Bijlage VIII, Deel 1, punt 13

 

Artikel 199, lid 3

Bijlage VIII, Deel 1, punt 16

 

Artikel 199, lid 4

Bijlage VIII, Deel 1, punten 17 en 18

 

Artikel 199, lid 5

Bijlage VIII, Deel 1, punt 20

 

Artikel 199, lid 6

Bijlage VIII, Deel 1, punt 21

 

Artikel 199, lid 7

Bijlage VIII, Deel 1, punt 22

 

Artikel 199, lid 8

 

 

Artikel 200

Bijlage VIII, Deel 1, punten 23 tot en met 25

 

Artikel 201, lid 1

Bijlage VIII, Deel 1, punten 26 en 28

 

Artikel 201, lid 2

Bijlage VIII, Deel 1, punt 27

 

Artikel 202

Bijlage VIII, Deel 1, punt 29

 

Artikel 203

 

 

Artikel 204, lid 1

Bijlage VIII, Deel 1, punten 30 en 31

 

Artikel 204, lid 2

Bijlage VIII, Deel 1, punt 32

 

Artikel 205

Bijlage VIII, Deel 2, punt 3

 

Artikel 206

Bijlage VIII, Deel 2, punten 4 en 5

 

Artikel 207, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 6

 

Artikel 207, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 6, onder a)

 

Artikel 207, lid 3

Bijlage VIII, Deel 2, punt 6, onder b)

 

Artikel 207, lid 4

Bijlage VIII, Deel 2, punt 6, onder c)

 

Artikel 207, lid 5

Bijlage VIII, Deel 2, punt 7

 

Artikel 208, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 8

 

Artikel 208, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 8, onder a)

 

Artikel 208, lid 3

Bijlage VIII, Deel 2, punt 8, onder b)

 

Artikel 208, lid 4

Bijlage VIII, Deel 2, punt 8, onder c)

 

Artikel 208, lid 5

Bijlage VIII, Deel 2, punt 8, onder d)

 

Artikel 209, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 9

 

Artikel 209, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 9, onder a)

 

Artikel 209, lid 3

Bijlage VIII, Deel 2, punt 9, onder b)

 

Artikel 210

Bijlage VIII, Deel 2, punt 10

 

Artikel 211

Bijlage VIII, Deel 2, punt 11

 

Artikel 212, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 12

 

Artikel 212, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 13

 

Artikel 213, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 14

 

Artikel 213, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 15

 

Artikel 213, lid 3

 

 

Artikel 214, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 16, onder a) tot en met c)

 

Artikel 214, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 16

 

Artikel 214, lid 3

Bijlage VIII, Deel 2, punt 17

 

Artikel 215, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 18

 

Artikel 215, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 19

 

Artikel 216, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 20

 

Artikel 216, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 21

 

Artikel 217, lid 1

Bijlage VIII, Deel 2, punt 22

 

Artikel 217, lid 2

Bijlage VIII, Deel 2, punt 22, onder c)

 

Artikel 217, lid 3

Bijlage VIII, Deel 2, punt 22, onder c)

 

Artikel 218

Bijlage VIII, Deel 3, punt 3

 

Artikel 219

Bijlage VIII, Deel 3, punt 4

 

Artikel 220, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 5

 

Artikel 220, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punten 6, 8 tot en met 10

 

Artikel 220, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 11

 

Artikel 220, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punten 22 en 23

 

Artikel 220, lid 5

Bijlage VIII, Deel 3, punt 9

 

Artikel 221, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 12

 

Artikel 221, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 12

 

Artikel 221, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punten 13 tot en met 15

 

Artikel 221, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punt 16

 

Artikel 221, lid 5

Bijlage VIII, Deel 3, punten 18 en 19

 

Artikel 221, lid 6

Bijlage VIII, Deel 3, punten 20 en 21

 

Artikel 221, lid 7

Bijlage VIII, Deel 3, punt 17

 

Artikel 221, lid 8

Bijlage VIII, Deel 3, punten 22 en 23

 

Artikel 221, lid 9

 

 

Artikel 222, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 24

 

Artikel 222, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 25

 

Artikel 222, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 26

 

Artikel 222, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punt 27

 

Artikel 222, lid 5

Bijlage VIII, Deel 3, punt 28

 

Artikel 222, lid 6

Bijlage VIII, Deel 3, punt 29

 

Artikel 222, lid 7

Bijlage VIII, Deel 3, punten 28 en 29

 

Artikel 223, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punten 30 tot en met 32

 

Artikel 223, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 33

 

Artikel 223, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 33

 

Artikel 223, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punt 33

 

Artikel 223, lid 5

Bijlage VIII, Deel 3, punt 33

 

Artikel 223, lid 6

Bijlage VIII, Deel 3, punten 34 en 35

 

Artikel 223, lid 7

Bijlage VIII, Deel 3, punt 35

 

Artikel 224, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 36

 

Artikel 224, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 37

 

Artikel 224, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 38

 

Artikel 224, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punt 39

 

Artikel 224, lid 5

Bijlage VIII, Deel 3, punt 40

 

Artikel 224, lid 6

Bijlage VIII, Deel 3, punt 41

 

Artikel 225, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punten 42 tot en met 46

 

Artikel 225, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punten 47 tot en met 52

 

Artikel 225, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punten 53 tot en met 56

 

Artikel 226

Bijlage VIII, Deel 3, punt 57

 

Artikel 227, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 58

 

Artikel 227, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 58, onder a) tot en met h)

 

Artikel 227, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 58, onder h)

 

Artikel 228, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 60

 

Artikel 228, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 61

 

Artikel 229, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punten 62 tot en met 65

 

Artikel 229, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 66

 

Artikel 229, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punten 63 en 67

 

Artikel 230, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punten 68 tot en met 71

 

Artikel 230, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 72

 

Artikel 230, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punten 73 en 74

 

Artikel 231, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 76

 

Artikel 231, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 77

 

Artikel 231, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 78

 

Artikel 231, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 79

 

Artikel 231, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 80

 

Artikel 231, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 80 bis

 

Artikel 231, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punten 81 en 82

 

Artikel 232, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 83

 

Artikel 232, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 83

 

Artikel 232, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 84

 

Artikel 232, lid 4

Bijlage VIII, Deel 3, punt 85

 

Artikel 234

Bijlage VIII, Deel 3, punt 86

 

Artikel 235, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 87

 

Artikel 235, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 88

 

Artikel 235, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 89

 

Artikel 236, lid 1

Bijlage VIII, Deel 3, punt 90

 

Artikel 236, lid 2

Bijlage VIII, Deel 3, punt 91

 

Artikel 236, lid 3

Bijlage VIII, Deel 3, punt 92

 

Artikel 237, lid 1

Bijlage VIII, Deel 4, punt 1

 

Artikel 237, lid 2

Bijlage VIII, Deel 4, punt 2

 

Artikel 238, lid 1

Bijlage VIII, Deel 4, punt 3

 

Artikel 238, lid 2

Bijlage VIII, Deel 4, punt 4

 

Artikel 238, lid 3

Bijlage VIII, Deel 4, punt 5

 

Artikel 239, lid 1

Bijlage VIII, Deel 4, punt 6

 

Artikel 239, lid 2

Bijlage VIII, Deel 4, punt 7

 

Artikel 239, lid 3

Bijlage VIII, Deel 4, punt 8

 

Artikel 240

Bijlage VIII, Deel 6, punt 1

 

Artikel 241

Bijlage VIII, Deel 6, punt 2

 

Artikel 242, leden 1 tot en met 9

Bijlage IX, Deel I, punt 1

 

Artikel 242, lid 10

Artikel 4, punt 37

 

Artikel 242, lid 11

Artikel 4, punt 38

 

Artikel 242, lid 12

 

 

Artikel 242, lid 13

 

 

Artikel 242, lid 14

 

 

Artikel 242, lid 15

 

 

Artikel 243, lid 1

Bijlage IX, Deel II, punt 1

 

Artikel 243, lid 2

Bijlage IX, Deel II, punt 1 bis

 

Artikel 243, lid 3

Bijlage IX, Deel II, punt 1 ter

 

Artikel 243, lid 4

Bijlage IX, Deel II, punt 1 quater

 

Artikel 243, lid 5

Bijlage IX, Deel II, punt 1 quinquies

 

Artikel 243, lid 6

 

 

Artikel 244, lid 1

Bijlage IX, Deel II, punt 2

 

Artikel 244, lid 2

Bijlage IX, Deel II, punt 2 bis

 

Artikel 244, lid 3

Bijlage IX, Deel II, punt 2 ter

 

Artikel 244, lid 4

Bijlage IX, Deel II, punt 2 quater

 

Artikel 244, lid 5

Bijlage IX, Deel II, punt 2 quinquies

 

Artikel 244, lid 6

 

 

Artikel 245, lid 1

Artikel 95, lid 1

 

Artikel 245, lid 2

Artikel 95, lid 2

 

Artikel 245, lid 3

Artikel 96, lid 2

 

Artikel 245, lid 4

Artikel 96, lid 4

 

Artikel 245, lid 5

 

 

Artikel 245, lid 6

 

 

Artikel 246, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punten 2 en 3

 

Artikel 246, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 5

 

Artikel 246, lid 3

Bijlage IX, Deel IV, punt 5

 

Artikel 247, lid 1

Artikel 96(3), Bijlage IX, Deel IV, punt 60

 

Artikel 247, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 61

 

Artikel 247, lid 3

 

 

Artikel 247, lid 4

 

 

Artikel 248, lid 1

Artikel 101, lid 1

 

Artikel 248, lid 2

 

 

Artikel 248, lid 3

Artikel 101, lid 2

 

Artikel 249

Bijlage IX, Deel II, punten 3 en 4

 

Artikel 250

Bijlage IX, Deel II, punten 5-7

 

Artikel 251

Bijlage IX, Deel IV, punten 6-7

 

Artikel 252

Bijlage IX, Deel IV, punt 8

 

Artikel 253, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punt 9

 

Artikel 253, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 10

 

Artikel 254

Bijlage IX, Deel IV, punten 11-12

 

Artikel 255, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punt 13

 

Artikel 255, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 15

 

Artikel 256, lid 1

Artikel 100, lid 1

 

Artikel 256, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punten 17-20

 

Artikel 256, lid 3

Bijlage IX, Deel IV, punt 21

 

Artikel 256, lid 4

Bijlage IX, Deel IV, punten 22-23

 

Artikel 256, lid 5

Bijlage IX, Deel IV, punten 24-25

 

Artikel 256, lid 6

Bijlage IX, Deel IV, punten 26-29

 

Artikel 256, lid 7

Bijlage IX, Deel IV, punt 30

 

Artikel 256, lid 8

Bijlage IX, Deel IV, punt 32

 

Artikel 256, lid 9

Bijlage IX, Deel IV, punt 33

 

Artikel 257

Bijlage IX, Deel IV, punt 34

 

Artikel 258

Bijlage IX, Deel IV, punten 35-36

 

Artikel 259, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punten 38-41

 

Artikel 259, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 42

 

Artikel 259, lid 3

Bijlage IX, Deel IV, punt 43

 

Artikel 259, lid 4

Bijlage IX, Deel IV, punt 44

 

Artikel 259, lid 5

 

 

Artikel 260

Bijlage IX, Deel IV, punt 45

 

Artikel 261, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punten 46-47, 49

 

Artikel 261, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 51

 

Artikel 262, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punten 52 en 53

 

Artikel 262, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 53

 

Artikel 262, lid 3

 

 

Artikel 262, lid 4

Bijlage IX, Deel IV, punt 54

 

Artikel 263, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punt 57

 

Artikel 263, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 58

 

Artikel 263, lid 3

Bijlage IX, Deel IV, punt 59

 

Artikel 264, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punt 62

 

Artikel 264, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punten 63-65

 

Artikel 264, lid 3

Bijlage IX, Deel IV, punten 66 en 67

 

Artikel 264, lid 4

 

 

Artikel 265, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punt 68

 

Artikel 265, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 70

 

Artikel 265, lid 3

Bijlage IX, Deel IV, punt 71

 

Artikel 266, lid 1

Bijlage IX, Deel IV, punt 72

 

Artikel 266, lid 2

Bijlage IX, Deel IV, punt 73

 

Artikel 266, lid 3

Bijlage IX, Deel IV, punten 74-75

 

Artikel 266, lid 4

Bijlage IX, Deel IV, punt 76

 

Artikel 267, lid 1

Artikel 97, lid 1

 

Artikel 267, lid 3

Artikel 97, lid 3

 

Artikel 268

Bijlage IX, Deel III, punt 1

 

Artikel 269

Bijlage IX, Deel III, punten 2-7

 

Artikel 270

Artikel 98, lid 1, en Bijlage IX, Deel III, punten 8 en 9

 

Artikel 271, lid 1

Bijlage III, Deel II, punt 1

Bijlage VII, Deel III, punt 5

 

Artikel 271, lid 2

Bijlage VII, Deel III, punt 7

 

Artikel 272, lid 1

Bijlage III, Deel I, punt 1

 

Artikel 272, lid 2

Bijlage III, Deel I, punt 3

 

Artikel 272, lid 3

Bijlage III, Deel I, punt 4

 

Artikel 272, lid 4

Bijlage III, Deel I, punt 5

 

Artikel 272, lid 5

Bijlage III, Deel I, punt 6

 

Artikel 272, lid 6

Bijlage III, Deel I, punt 7

 

Artikel 272, lid 7

Bijlage III, Deel I, punt 8

 

Artikel 272, lid 8

Bijlage III, Deel I, punt 9

 

Artikel 272, lid 9

Bijlage III, Deel I, punt 10

 

Artikel 272, lid 10

Bijlage III, Deel I, punt 11

 

Artikel 272, lid 11

Bijlage III, Deel I, punt 12

 

Artikel 272, lid 12

Bijlage III, Deel I, punt 13

 

Artikel 272, lid 13

Bijlage III, Deel I, punt 14

 

Artikel 272, lid 14

Bijlage III, Deel I, punt 15

 

Artikel 272, lid 15

Bijlage III, Deel I, punt 16

 

Artikel 272, lid 16

Bijlage III, Deel I, punt 17

 

Artikel 272, lid 17

Bijlage III, Deel I, punt 18

 

Artikel 272, lid 18

Bijlage III, Deel I, punt 19

 

Artikel 272, lid 19

Bijlage III, Deel I, punt 20

 

Artikel 272, lid 20

Bijlage III, Deel I, punt 21

 

Artikel 272, lid 21

Bijlage III, Deel I, punt 22

 

Artikel 272, lid 22

Bijlage III, Deel I, punt 23

 

Artikel 272, lid 23

Bijlage III, Deel I, punt 26

 

Artikel 272, lid 24

Bijlage III, Deel VII, onder a)

 

Artikel 272, lid 25

Bijlage III, Deel VII, onder a)

 

Artikel 272, lid 26

Bijlage III; Deel V, punt 2

 

Artikel 273, lid 1

Bijlage III, Deel II, punt 1

 

Artikel 273, lid 2

Bijlage III, Deel II, punt 2

 

Artikel 273, lid 3

Bijlage III, Deel II, punt 3, eerste en tweede alinea

 

Artikel 273, lid 4

Bijlage III, Deel II, punt 3, derde alinea

 

Artikel 273, lid 5

Bijlage III, Deel II, punt 4

 

Artikel 273, lid 6

Bijlage III, Deel II, punt 5

 

Artikel 273, lid 7

Bijlage III, Deel II, punt 7

 

Artikel 273, lid 8

Bijlage III, Deel II, punt 8

 

Artikel 274, lid 1

Bijlage III, Deel III

 

Artikel 274, lid 2

Bijlage III, Deel III

 

Artikel 274, lid 3

Bijlage III, Deel III

 

Artikel 274, lid 4

Bijlage III, Deel III

 

Artikel 275, lid 1

Bijlage III, Deel IV

 

Artikel 275, lid 2

Bijlage III, Deel IV

 

Artikel 276, lid 1

Bijlage III, Deel V, punt 1

 

Artikel 276, lid 2

Bijlage III, Deel V, punt 1

 

Artikel 276, lid 3

Bijlage III, Deel V, punten 1-2

 

Artikel 277, lid 1

Bijlage III, Deel V, punten 3-4

 

Artikel 277, lid 2

Bijlage III, Deel V, punt 5

 

Artikel 277, lid 3

Bijlage III, Deel V, punt 6

 

Artikel 277, lid 4

Bijlage III, Deel V, punt 7

 

Artikel 278, lid 1

 

 

Artikel 278, lid 2

Bijlage III, Deel V, punt 8

 

Artikel 278, lid 3

Bijlage III, Deel V, punt 9

 

Artikel 279

Bijlage III, Deel V, punt 10

 

Artikel 280, lid 1

Bijlage III, Deel V, punt 11

 

Artikel 280, lid 2

Bijlage III, Deel V, punt 12

 

Artikel 281, lid 1

 

 

Artikel 281, lid 2

Bijlage III, Deel V, punt 13

 

Artikel 281, lid 3

Bijlage III, Deel V, punt 14

 

Artikel 282, lid 1

 

 

Artikel 282, lid 2

Bijlage III, Deel V, punt 15

 

Artikel 282, lid 3

Bijlage III, Deel V, punt 16

 

Artikel 282, lid 4

Bijlage III, Deel V, punt 17

 

Artikel 282, lid 5

Bijlage III, Deel V, punt 18

 

Artikel 282, lid 6

Bijlage III, Deel V, punt 19

 

Artikel 282, lid 7

Bijlage III, Deel V, punt 20

 

Artikel 282, lid 8

Bijlage III, Deel V, punt 21

 

Artikel 283, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 1

 

Artikel 283, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 2

 

Artikel 283, lid 3

Bijlage III, Deel VI, punt 2

 

Artikel 283, lid 4

Bijlage III, Deel VI, punt 3

 

Artikel 283, lid 5

Bijlage III, Deel VI, punt 4

 

Artikel 283, lid 6

Bijlage III, Deel VI, punt 4

 

Artikel 284, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 5

 

Artikel 284, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 6

 

Artikel 284, lid 3

 

 

Artikel 284, lid 4

Bijlage III, Deel VI, punt 7

 

Artikel 284, lid 5

Bijlage III, Deel VI, punt 8

 

Artikel 284, lid 6

Bijlage III, Deel VI, punt 9

 

Artikel 284, lid 7

Bijlage III, Deel VI, punt 10

 

Artikel 284, lid 8

Bijlage III, Deel VI, punt 11

 

Artikel 284, lid 9

Bijlage III, Deel VI, punt 12

 

Artikel 284, lid 10

Bijlage III, Deel VI, punt 13

 

Artikel 284, lid 11

Bijlage III, Deel VI, punt 9

 

Artikel 284, lid 12

 

 

Artikel 284, lid 13

Bijlage III, Deel VI, punt 14

 

Artikel 285, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 15

 

Artikel 285, leden 2-8

 

 

Artikel 286, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punten 18 en 25

 

Artikel 286, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 19

 

Artikel 286, lid 3

 

 

Artikel 286, lid 4

Bijlage III, Deel VI, punt 20

 

Artikel 286, lid 5

Bijlage III, Deel VI, punt 21

 

Artikel 286, lid 6

Bijlage III, Deel VI, punt 22

 

Artikel 286, lid 7

Bijlage III, Deel VI, punt 23

 

Artikel 286, lid 8

Bijlage III, Deel VI, punt 24

 

Artikel 287, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 17

 

Artikel 287, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 17

 

Artikel 287, lid 3

 

 

Artikel 287, lid 4

 

 

Artikel 288

Bijlage III, Deel VI, punt 26

 

Artikel 289, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 27

 

Artikel 289, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 28

 

Artikel 289, lid 3

Bijlage III, Deel VI, punt 29

 

Artikel 289, lid 4

Bijlage III, Deel VI, punt 29

 

Artikel 289, lid 5

Bijlage III, Deel VI, punt 30

 

Artikel 289, lid 6

Bijlage III, Deel VI, punt 31

 

Artikel 290, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 32

 

Artikel 290, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 32

 

Artikel 290, leden 3-10

 

 

Artikel 291, lid 1

Bijlage I, Deel I, punten 27-28

 

Artikel 291, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 34

 

Artikel 291, lid 3

 

 

Artikel 291, lid 4

Bijlage III, Deel VI, punt 35

 

Artikel 291, lid 5

 

 

Artikel 291, lid 6

 

 

Artikel 292, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 36

 

Artikel 292, lid 2

Bijlage III, Deel VI, punt 37

 

Artikel 292, lid 3

 

 

Artikel 292, lid 4

 

 

Artikel 292, lid 5

 

 

Artikel 292, lid 6

Bijlage III, Deel VI, punt 38

 

Artikel 292, lid 7

Bijlage III, Deel VI, punt 39

 

Artikel 292, lid 8

Bijlage III, Deel VI, punt 40

 

Artikel 292, lid 9

Bijlage III, Deel VI, punt 41

 

Artikel 292, lid 10

 

 

Artikel 293, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 42

 

Artikel 293, leden 2-6

 

 

Artikel 294, lid 1

Bijlage III, Deel VI, punt 42

 

Artikel 294, lid 2

 

 

Artikel 294, lid 3

Bijlage III, Deel VI, punt 42

 

Artikel 295

Bijlage III, Deel VII, onder a)

 

Artikel 296, lid 1

Bijlage III, Deel VII, onder b)

 

Artikel 296, lid 2

Bijlage III, Deel VII, onder b)

 

Artikel 296, lid 3

Bijlage III, Deel VII, onder b)

 

Artikel 297, lid 1

Bijlage III, Deel VII, onder b)

 

Artikel 297, lid 2

Bijlage III, Deel VII, onder b)

 

Artikel 297, lid 3

Bijlage III, Deel VII, onder b)

 

Artikel 297, lid 4

Bijlage III, Deel VII, onder b)

 

Artikel 298, lid 1

Bijlage III, Deel VII, onder c)

 

Artikel 298, lid 2

Bijlage III, Deel VII, onder c)

 

Artikel 298, lid 3

Bijlage III, Deel VII, onder c)

 

Artikel 298, lid 4

Bijlage III, Deel VII, onder c)

 

Artikel 299, lid 1

 

Bijlage II, punt 7

Artikel 299, lid 2

 

Bijlage II, punten 7-11

Artikel 300

 

 

Artikel 301

Bijlage III, Deel 2, punt 6

 

Artikel 302

 

 

Artikel 303

 

 

Artikel 304

 

 

Artikel 305

 

 

Artikel 306

 

 

Artikel 307

 

 

Artikel 308

 

 

Artikel 309

 

 

Artikel 310

 

 

Artikel 311

 

 

Artikel 312, lid 1

Artikel 104, leden 3 en 6, en Bijlage X, Deel 2, punten 2, 5 en 8

 

Artikel 312, lid 2

Artikel 105, leden 1 en 2, en Bijlage X, Deel 3, punt 1

 

Artikel 312, lid 3

 

 

Artikel 312, lid 4

Artikel 105, lid 1

 

Artikel 313, lid 1

Artikel 102, lid 2

 

Artikel 313, lid 2

Artikel 102, lid 3

 

Artikel 313, lid 3

 

 

Artikel 314, lid 1

Artikel 102, lid 4

 

Artikel 314, lid 2

Bijlage X, Deel 4, punt 1

 

Artikel 314, lid 3

Bijlage X, Deel 4, punt 2

 

Artikel 314, lid 4

Bijlage X, Deel 4, punten 3 en 4

 

Artikel 314, lid 5

 

 

Artikel 315, lid 1

Artikel 103 en Bijlage X, Deel 1, punten 1 tot en met 3

 

Artikel 315, lid 2

 

 

Artikel 315, lid 3

 

 

Artikel 315, lid 4

Bijlage X, Deel 1, punt 4

 

Artikel 316, lid 1

Bijlage X, Deel 1, punten 5 tot en met 8

 

Artikel 316, lid 2

Bijlage X, Deel 1, punt 9

 

Artikel 316, lid 3

 

 

Artikel 317, lid 1

Artikel 104, lid 1

 

Artikel 317, lid 2

Artikel 104, leden 2 en 4, en Bijlage X, Deel 2, punt 1

 

Artikel 317, lid 3

Bijlage X, Deel 2, punt 1

 

Artikel 317, lid 4

Bijlage X, Deel 2, punt 2

 

Artikel 318, lid 1

Bijlage X, Deel 2, punt 4

 

Artikel 318, lid 2

Bijlage X, Deel 2, punt 4

 

Artikel 318, lid 3

 

 

Artikel 319, lid 1

Bijlage X, Deel 2, punten 6 en 7

 

Artikel 319, lid 2

Bijlage X, Deel 2, punten 10 en 11

 

Artikel 320

Bijlage X, Deel 2, punten 9 en 12

 

Artikel 321

Bijlage X, Deel 3, punten 2 tot en met 7

 

Artikel 322, lid 1

 

 

Artikel 322, lid 2

Bijlage X, Deel 3, punten 8 tot en met 12

 

Artikel 322, lid 3

Bijlage X, Deel 3, punten 13 tot en met 18

 

Artikel 322, lid 4

Bijlage X, Deel 3, punt 19

 

Artikel 322, lid 5

Bijlage X, Deel 3, punt 20

 

Artikel 322, lid 6

Bijlage X, Deel 3, punten 21 tot en met 24

 

Artikel 323, lid 1

Bijlage X, Deel 3, punt 25

 

Artikel 323, lid 2

Bijlage X, Deel 3, punt 26

 

Artikel 323, lid 3

Bijlage X, Deel 3, punt 27

 

Artikel 323, lid 4

Bijlage X, Deel 3, punt 28

 

Artikel 323, lid 5

Bijlage X, Deel 3, punt 29

 

Artikel 324

Bijlage X, Deel 5

 

Artikel 325, lid 1

 

Artikel 26

Artikel 325, lid 2

 

Artikel 26

Artikel 325, lid 3

 

 

Artikel 326

 

 

Artikel 327, lid 1

 

Bijlage I, punt 1

Artikel 327, lid 2

 

Bijlage I, punt 2

Artikel 327, lid 3

 

Bijlage I, punt 3

Artikel 328, lid 1

 

Bijlage I, punt 4

Artikel 328, lid 2

 

 

Artikel 329, lid 1

 

Bijlage I, punt 5

Artikel 329, lid 2

 

 

Artikel 330

 

Bijlage I, punt 7

Artikel 331, lid 1

 

Bijlage I, punt 9

Artikel 331, lid 2

 

Bijlage I, punt 10

Artikel 332, lid 1

 

Bijlage I, punt 8

Artikel 332, lid 2

 

Bijlage I, punt 8

Artikel 333

 

Bijlage I, punt 11

Artikel 334

 

Bijlage I, punt 13

Artikel 335

 

Bijlage I, punt 14

Artikel 336, lid 1

 

Bijlage I, punt 14

Artikel 336, lid 2

 

Bijlage I, punt 14

Artikel 336, lid 3

 

Bijlage I, punt 14

Artikel 336, lid 4

 

Artikel 19, lid 1

Artikel 337, lid 1

 

Bijlage I, punt 16, onder a)

Artikel 337, lid 2

 

Bijlage I, punt 16, onder a)

Artikel 337, lid 3

 

Bijlage I, punt 16, onder a)

Artikel 337, lid 4

 

Bijlage I, punt 16, onder a)

Artikel 338, lid 1

 

Bijlage I, punt 14, onder a)

Artikel 338, lid 2

 

Bijlage I, punt 14, onder b)

Artikel 338, lid 3

 

Bijlage I, punt 14, onder c)

Artikel 338, lid 4

 

Bijlage I, punt 14, onder a)

Artikel 339, lid 1

 

Bijlage I, punt 17

Artikel 339, lid 2

 

Bijlage I, punt 18

Artikel 339, lid 3

 

Bijlage I, punt 19

Artikel 339, lid 4

 

Bijlage I, punt 20

Artikel 339, lid 5

 

Bijlage I, punt 21

Artikel 339, lid 6

 

Bijlage I, punt 22

Artikel 339, lid 7

 

Bijlage I, punt 23

Artikel 339, lid 8

 

Bijlage I, punt 24

Artikel 339, lid 9

 

Bijlage I, punt 25

Artikel 340, lid 1

 

Bijlage I, punt 26

Artikel 340, lid 2

 

Bijlage I, punt 27

Artikel 340, lid 3

 

Bijlage I, punt 28

Artikel 340, lid 4

 

Bijlage I, punt 29

Artikel 340, lid 5

 

Bijlage I, punt 30

Artikel 340, lid 6

 

Bijlage I, punt 31

Artikel 340, lid 7

 

Bijlage I, punt 32

Artikel 341, lid 1

 

Bijlage I, punt 33

Artikel 341, lid 2

 

Bijlage I, punt 33

Artikel 341, lid 3

 

 

Artikel 342

 

Bijlage I, punt 34

Artikel 343

 

Bijlage I, punt 36

Artikel 344, lid 1

 

 

Artikel 344, lid 2

 

Bijlage I, punt 37

Artikel 344, lid 3

 

Bijlage I, punt 38

Artikel 345, lid 1

 

Bijlage I, punt 41

Artikel 345, lid 2

 

Bijlage I, punt 41

Artikel 346, lid 1

 

Bijlage I, punt 42

Artikel 346, lid 2

 

 

Artikel 346, lid 3

 

Bijlage I, punt 43

Artikel 346, lid 4

 

Bijlage I, punt 44

Artikel 346, lid 5

 

Bijlage I, punt 45

Artikel 346, lid 6

 

Bijlage I, punt 46

Artikel 347

 

Bijlage I, punt 8

Artikel 348, lid 1

 

Bijlage I, punten 48-49

Artikel 348, lid 2

 

Bijlage I, punt 50

Artikel 349

 

Bijlage I, punt 51

Artikel 350, lid 1

 

Bijlage I, punt 53

Artikel 350, lid 2

 

Bijlage I, punt 54

Artikel 350, lid 3

 

Bijlage I, punt 55

Artikel 350, lid 4

 

Bijlage I, punt 56

Artikel 351

 

Bijlage III, punt 1

Artikel 352, lid 1

 

Bijlage III, punt 2.1

Artikel 352, lid 2

 

Bijlage III, punt 2.1

Artikel 352, lid 3

 

Bijlage III, punt 2.1

Artikel 352, lid 4

 

Bijlage III, punt 2.2

Artikel 352, lid 5

 

 

Artikel 353, lid 1

 

Bijlage III, punt 2.1

Artikel 353, lid 2

 

Bijlage III, punt 2.1

Artikel 353, lid 3

 

Bijlage III, punt 2.1

Artikel 354, lid 1

 

Bijlage III, punt 3.1

Artikel 354, lid 2

 

Bijlage III, punt 3.2

Artikel 354, lid 3

 

Bijlage III, punt 3(2)

Artikel 354, lid 4

 

 

Artikel 355

 

 

Artikel 356

 

 

Artikel 357, lid 1

 

Bijlage IV, punt 1

Artikel 357, lid 2

 

Bijlage IV, punt 2

Artikel 357, lid 3

 

Bijlage IV, punt 3

Artikel 357, lid 4

 

Bijlage IV, punt 4

Artikel 357, lid 5

 

Bijlage IV, punt 6

Artikel 358, lid 1

 

Bijlage IV, punt 8

Artikel 358, lid 2

 

Bijlage IV, punt 9

Artikel 358, lid 3

 

Bijlage IV, punt 10

Artikel 358, lid 4

 

Bijlage IV, punt 12

Artikel 359, lid 1

 

Bijlage IV, punt 13

Artikel 359, lid 2

 

Bijlage IV, punt 14

Artikel 359, lid 3

 

Bijlage IV, punt 15

Artikel 359, lid 4

 

Bijlage IV, punt 16

Artikel 359, lid 5

 

Bijlage IV, punt 17

Artikel 359, lid 6

 

Bijlage IV, punt 18

Artikel 360, lid 1

 

Bijlage IV, punt 19

Artikel 360, lid 2

 

Bijlage IV, punt 20

Artikel 361

 

Bijlage IV, punt 21

Artikel 362

 

 

Artikel 363, lid 1

 

Bijlage V, punt 1

Artikel 363, lid 2

 

 

Artikel 363, lid 3

 

 

Artikel 364, lid 1

 

Bijlage V, punt 10, onder b)

Artikel 364, lid 2

 

 

Artikel 364, lid 3

 

 

Artikel 365, lid 1

 

Bijlage V, punt 10

Artikel 365, lid 2

 

Bijlage V, punt 10, onder a)

Artikel 366, lid 1

 

Bijlage V, punt 7

Artikel 366, lid 2

 

Bijlage V, punt 8

Artikel 366, lid 3

 

Bijlage V, punt 9

Artikel 366, lid 4

 

Bijlage V, punt 10

Artikel 366, lid 5

 

Bijlage V, punt 8

Artikel 367, lid 1

 

Bijlage V, punt 11

Artikel 367, lid 2

 

Bijlage V, punt 12

Artikel 367, lid 3

 

Bijlage V, punt 12

Artikel 368, lid 1

 

Bijlage V, punt 2

Artikel 368, lid 2

 

Bijlage V, punt 2

Artikel 368, lid 3

 

Bijlage V, punt 5

Artikel 368, lid 4

 

 

Artikel 369, lid 1

 

Bijlage V, punt 3

Artikel 369, lid 2

 

 

Artikel 370, lid 1

 

Bijlage V, punt 5

Artikel 371, lid 1

 

Bijlage V, punt 5

Artikel 371, lid 2

 

 

Artikel 372

 

Bijlage V, punt 5, onder a)

Artikel 373

 

Bijlage V, punt 5, onder b)

Artikel 374, lid 1

 

Bijlage V, punt 5, onder c)

Artikel 374, lid 2

 

Bijlage V, punt 5, onder d)

Artikel 374, lid 3

 

Bijlage V, punt 5, onder d)

Artikel 374, lid 4

 

Bijlage V, punt 5, onder d)

Artikel 374, lid 5

 

Bijlage V, punt 5, onder d)

Artikel 374, lid 6

 

Bijlage V, punt 5, onder d)

Artikel 374, lid 7

 

 

Artikel 375, lid 1

 

Bijlage V, punt 5, onder a)

Artikel 375, lid 2

 

Bijlage V, punt 5, onder e)

Artikel 376, lid 1

 

Bijlage V, punt 5, onder f)

Artikel 376, lid 2

 

Bijlage V, punt 5, onder g)

Artikel 376, lid 3

 

Bijlage V, punt 5, onder h)

Artikel 376, lid 4

 

Bijlage V, punt 5, onder h)

Artikel 376, lid 5

 

Bijlage V, punt 5, onder i)

Artikel 376, lid 6

 

Bijlage V, punt 5

Artikel 377

 

Bijlage V, punt 5, onder l)

Artikel 378

 

Bijlage II, punt 1

Artikel 379, lid 1

 

Bijlage II, punt 2

Artikel 379, lid 2

 

Bijlage II, punt 3

Artikel 379, lid 3

 

Bijlage II, punt 2

Artikel 380

 

Bijlage II, punt 4

Artikel 381

 

 

Artikel 382

 

 

Artikel 383

 

 

Artikel 384

 

 

Artikel 385

 

 

Artikel 386

 

 

Artikel 387

 

Artikel 28, lid 1

Artikel 388

 

 

Artikel 389

Artikel 106, lid 1, eerste alinea

 

Artikel 390, lid 1

Artikel 106, lid 1, tweede alinea

 

Artikel 390, lid 2

 

 

Artikel 390, lid 3

 

Artikel 29, lid 1

Artikel 390, lid 4

 

Artikel 30, lid 1

Artikel 390, lid 5

 

Artikel 29, lid 2

Artikel 390, lid 6

Artikel 106, lid 2, tweede alinea

 

Artikel 390, lid 7

Artikel 106, lid 3

 

Artikel 390, lid 8

Artikel 106, lid 2, tweede en derde alinea

 

Artikel 391

Artikel 107

 

Artikel 392

Artikel 108

 

Artikel 393

Artikel 109

 

Artikel 394, lid 1

Artikel 110, lid 1

 

Artikel 394, lid 2

Artikel 110, lid 1

 

Artikel 394, leden 3 en 4

Artikel 110, lid 2

 

Artikel 394, lid 4

Artikel 110, lid 2

 

Artikel 395, lid 1

Artikel 111, lid 1

 

Artikel 395, lid 2

 

 

Artikel 395, lid 3

Artikel 111, lid 4, eerste alinea

 

Artikel 395, lid 4

 

Artikel 30, lid 4

Artikel 395, lid 5

 

Artikel 31

Artikel 395, lid 6

 

 

Artikel 395, lid 7

 

 

Artikel 395, lid 8

 

 

Artikel 396, lid 1

Artikel 111, lid 4, eerste en tweede alinea

 

Artikel 396, lid 2

 

 

Artikel 397, lid 1

 

Bijlage VI, punt 1

Artikel 397, lid 2

 

Bijlage VI, punt 2

Artikel 397, lid 3

 

Bijlage VI, punt 3

Artikel 398

 

Artikel 32, lid 1

Artikel 399, lid 1

Artikel 112, lid 1

 

Artikel 399, lid 2

Artikel 112, lid 2

 

Artikel 399, lid 3

Artikel 112, lid 3

 

Artikel 399, lid 4

Artikel 110, lid 3

 

Artikel 400, lid 1

Artikel 113, lid 3

 

Artikel 400, lid 2

Artikel 113, lid 4

 

Artikel 400, lid 3

 

 

Artikel 401, lid 1

Artikel 114, lid 1

 

Artikel 401, lid 2

Artikel 114, lid 2

 

Artikel 401, lid 3

Artikel 114, lid 3

 

Artikel 402, lid 1

Artikel 115, lid 1

 

Artikel 402, lid 2

Artikel 115, lid 2

 

Artikel 402, lid 3

 

 

Artikel 403, lid 1

Artikel 117, lid 1

 

Artikel 403, lid 2

Artikel 117, lid 2

 

Artikel 404

Artikel 122 bis, lid 8

 

Artikel 405, lid 1

Artikel 122 bis, lid 1

 

Artikel 405, lid 2

Artikel 122 bis, lid 2

 

Artikel 405, lid 3

Artikel 122 bis, lid 3, eerste alinea

 

Artikel 405, lid 4

Artikel 122 bis, lid 3, tweede alinea

 

Artikel 406, lid 1

Artikel 122 bis, lid 4, en Artikel 122 bis, lid 5, tweede alinea

 

Artikel 406, lid 2

Artikel 122 bis, lid 5, eerste alinea, en Artikel 122 bis, lid 6, eerste alinea

 

Artikel 407

Artikel 122 bis, lid 5, derde alinea

 

Artikel 408

Artikel 122 bis, lid 6, eerste en tweede alinea

 

Artikel 409

Artikel 122 bis, lid 7

 

Artikel 410

Artikel 122 bis, lid 10

 

Artikel 411

 

 

Artikel 412

 

 

Artikel 413

 

 

Artikel 414

 

 

Artikel 415

 

 

Artikel 416

 

 

Artikel 417

 

 

Artikel 418

 

 

Artikel 419

 

 

Artikel 420

 

 

Artikel 421

 

 

Artikel 422

 

 

Artikel 423

 

 

Artikel 424

 

 

Artikel 425

 

 

Artikel 426

 

 

Artikel 427

 

 

Artikel 428

 

 

Artikel 429

 

 

Artikel 430

 

 

Artikel 431, lid 1

Artikel 145, lid 1

 

Artikel 431, lid 2

Artikel 145, lid 2

 

Artikel 431, lid 3

Artikel 145, lid 3

 

Artikel 431, lid 4

Artikel 145, lid 4

 

Artikel 432, lid 1

Bijlage XII, Deel I, punt 1, en Artikel 146, lid 1

 

Artikel 432, lid 2

Artikel 146, lid 2, en Bijlage XII, Deel I, punten 2 en 3

 

Artikel 432, lid 3

Artikel 146, lid 3

 

Artikel 433

Artikel 147 en Bijlage XII, Deel I, punt 4

 

Artikel 434, lid 1

Artikel 148

 

Artikel 434, lid 2

 

 

Artikel 435, lid 1

Bijlage XII, Deel II, punt 1

 

Artikel 435, lid 2

 

 

Artikel 436

Bijlage XII, Deel II, punt 2

 

Artikel 437

 

 

Artikel 438

Bijlage XII, Deel II, punten 4 en 8

 

Artikel 439

Bijlage XII, Deel II, punt 5

 

Artikel 440

 

 

Artikel 441

 

 

Artikel 442

Bijlage XII, Deel II, punt 6

 

Artikel 443

 

 

Artikel 444

Bijlage XII, Deel II, punt 7

 

Artikel 445

Bijlage XII, Deel II, punt 9

 

Artikel 446

Bijlage XII, Deel II, punt 11

 

Artikel 447

Bijlage XII, Deel II, punt 12

 

Artikel 448

Bijlage XII, Deel II, punt 13

 

Artikel 449

Bijlage XII, Deel II, punt 14

 

Artikel 450

Bijlage XII, Deel II, punt 15

 

Artikel 451

 

 

Artikel 452

Bijlage XII, Deel III, punt 1

 

Artikel 453

Bijlage XII, Deel III, punt 2

 

Artikel 454

Bijlage XII, Deel III, punt 3

 

Artikel 455

 

 

Artikel 456, eerste alinea

Artikel 150, lid 1

Artikel 41

Artikel 456, tweede alinea

 

 

Artikel 457

 

 

Artikel 458

 

 

Artikel 459

 

 

Artikel 460

 

 

Artikel 461

 

 

Artikel 462, lid 1

Artikel 151 bis

 

Artikel 462, lid 2

Artikel 151 bis

 

Artikel 462, lid 3

Artikel 151 bis

 

Artikel 462, lid 4

 

 

Artikel 462, lid 5

 

 

Artikel 463

 

 

Artikel 464

 

 

Artikel 465

 

 

Artikel 466

 

 

Artikel 467

 

 

Artikel 468

 

 

Artikel 469

 

 

Artikel 470

 

 

Artikel 471

 

 

Artikel 472

 

 

Artikel 473

 

 

Artikel 474

 

 

Artikel 475

 

 

Artikel 476

 

 

Artikel 477

 

 

Artikel 478

 

 

Artikel 479

 

 

Artikel 480

 

 

Artikel 481

 

 

Artikel 482

 

 

Artikel 483

 

 

Artikel 484

 

 

Artikel 485

 

 

Artikel 486

 

 

Artikel 487

 

 

Artikel 488

 

 

Artikel 489

 

 

Artikel 490

 

 

Artikel 491

 

 

Artikel 492

 

 

Artikel 493, lid 1

 

 

Artikel 493, lid 2

 

 

Artikel 494

 

 

Artikel 495

 

 

Artikel 496

 

 

Artikel 497

 

 

Artikel 498

 

 

Artikel 499

 

 

Artikel 500

 

 

Artikel 501

 

 

Artikel 502

 

 

Artikel 503

 

 

Artikel 504

 

 

Artikel 505

 

 

Artikel 506

 

 

Artikel 507

 

 

Artikel 508

 

 

Artikel 509

 

 

Artikel 510

 

 

Artikel 511

 

 

Artikel 512

 

 

Artikel 513

 

 

Artikel 514

 

 

Artikel 515

 

 

Artikel 516

 

 

Artikel 517

 

 

Artikel 518

 

 

Artikel 519

 

 

Artikel 520

 

 

Artikel 521

 

 

Bijlage I

Bijlage II

 

Bijlage II

Bijlage IV

 

Bijlage III

 

 



( 1 ) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

( 2 ) Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

( 3 ) Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

( 4 ) Verordening (EU) 2019/2033van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

( 5 ) Richtlijn (EU) 2019/2034van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

( 6 ) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

( 7 )  PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

( 8 ) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

( 9 ) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

( 10 ) Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35).

( 11 ) Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

( 12 ) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

( 13 ) Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

( 14 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 15 )  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

( 16 ) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

( 17 ) Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgeveninstellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).

( 18 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/637 van de Commissie van 15 maart 2021 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot openbaarmakingen door instellingen van de informatie bedoeld in deel acht, titels II en III, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1423/2013 van de Commissie, Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1555 van de Commissie, Uitvoeringsverordening (EU) 2016/200 van de Commissie en Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2295 van de Commissie (PB L 136 van 21.4.2021, blz. 1).

( 19 ) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

( 20 ) Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 40).

( 21 ) Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).

( 22 ) Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37).

( 23 ) Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 1).

( 24 ) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

( 25 ) Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1).

( 26 ) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).

( 27 )  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.

( 28 )  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

( 29 ) Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).

( 30 ) Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45).

( 31 )  PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10.

►M10  ( 32 ) Richtlijn (EU) 2019/2162 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2014/59/EU (PB L 328 van 18.12.2019, blz. 29). ◄

( 33 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie van 17 december 2020 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 (PB L 97 van 19.3.2021, blz. 1).

( 34 )  PB L 135 van 31.5.1994, blz. 5.

( 35 ) Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66).

( 36 ) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).

( 37 ) Verordening (EU) 2023/2859 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 tot oprichting van een Europees centraal toegangspunt dat gecentraliseerde toegang biedt tot voor financiële diensten, kapitaalmarkten en duurzaamheid relevante publiek beschikbare informatie (PB L, 2023/2859, 20.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2859/oj).

( 38 ) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

( 39 )  PB L 3 van 7.1.2004, blz. 36.

( 40 ) Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1)

( 41 ) Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

( 42 ) Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).

( 43 )  PB L 176, 27.6.2013, p. 1.