|
1)
|
„tegoeden”: financiële activa en economische voordelen van enigerlei aard, met inbegrip van maar niet beperkt tot:
|
a)
|
contanten, cheques, geldvorderingen, wissels, postwissels en andere betaalmiddelen;
|
|
b)
|
deposito's bij financiële instellingen of andere entiteiten, saldo's op rekeningen, schulden en schuldbewijzen;
|
|
c)
|
in het openbaar en onderhands verhandelde waardepapieren en schuldbewijzen, inclusief aandelen, certificaten van waardepapieren, obligaties, promesses, warrants, schuldbekentenissen en derivatencontracten;
|
|
d)
|
interesten, dividenden of andere inkomsten over of waarde voortkomende uit of gegenereerd door activa;
|
|
e)
|
krediet, recht op compensatie, garanties, uitvoeringsgaranties of andere financiële verplichtingen;
|
|
f)
|
kredietbrieven, cognossementen, koopbrieven;
|
|
g)
|
bewijsstukken van een belang in fondsen of financiële middelen;
|
|