|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/1099 |
28.5.2025 |
AANBEVELING (EU) 2025/1099 VAN DE COMMISSIE
van 21 mei 2025
betreffende de definitie van kleine midcapondernemingen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In de politieke beleidslijnen (1) werd het voornemen van de nieuwe Commissie aangekondigd om een nieuwe categorie kleine midcaps in te voeren en na te gaan of de bestaande regelgeving die van toepassing is op grote ondernemingen te belastend of onevenredig is of een belemmering vormt voor de ontwikkeling van hun concurrentievermogen. In haar mededeling over het EU-kompas voor concurrentievermogen (2) heeft de Commissie zich ertoe verbonden een nieuwe definitie van kleine midcaps voor te stellen om te zorgen voor evenredige regelgeving die is aangepast aan de omvang van de bedrijven. Door een nieuwe categorie ondernemingen te creëren (groter dan kmo’s maar kleiner dan grote bedrijven) zullen duizenden bedrijven in de EU de vruchten plukken van maatregelen op maat. |
|
(2) |
De Commissie heeft in haar mededeling “Steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen” (3) een groot aantal acties voorgesteld op vier hoofdgebieden: hindernissen wegnemen voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), hun toegang tot financiering en tot geschoold personeel verbeteren, en kmo’s gedurende de gehele levenscyclus ondersteunen. Het doel daarvan is kmo’s in staat te stellen te concurreren en te groeien door hulp op korte termijn te bieden, het concurrentievermogen en de veerkracht van kmo’s op lange termijn te stimuleren en een eerlijk en kmo-vriendelijk ondernemingsklimaat te bevorderen. De Commissie zet zich daarom in voor de behoeften van ondernemingen die de definitie van “kmo” in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (4) ontgroeien, en van kleine midcaps in bredere zin, en zal een geharmoniseerde definitie van die ondernemingen opstellen. |
|
(3) |
Uit de studie tot inkaartbrenging van midcaps in de EU (5) is gebleken dat midcaps een segment van het bedrijfsleven vormen dat duidelijk te onderscheiden is van kmo’s, maar ook van grote ondernemingen. Hoewel midcaps sterker zijn en doorgaans sneller groeien, innovatiever zijn en beter omgaan met digitalisering dan kmo’s, hebben zij te maken met soortgelijke uitdagingen, zoals administratieve lasten of een gebrek aan geschoold personeel. Vergeleken met grote ondernemingen hebben zij echter een achterstand op belangrijke prestatiegebieden. Een definitie van kleine midcapondernemingen is ook nodig om de samenhang tussen beleidsmaatregelen gericht op de specifieke behoeften van kleine midcaps te verbeteren. Daarom moet op het niveau van de Unie een formele definitie van kleine midcapondernemingen worden opgesteld, waarmee beleidsmaatregelen mogelijk zouden worden gemaakt die gericht zijn op dat specifieke segment van ondernemingen. |
|
(4) |
Er wordt al een definitie van kleine midcapondernemingen op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening (6) en de richtsnoeren inzake risicofinanciering (7) gebruikt voor vastgestelde gevallen van marktfalen die vaak met gerichte financiële overheidssteun uit nationale middelen worden aangepakt. Het doel van een algemene definitie van kleine midcaps is echter niet om de definitie die voor de staatssteunregels wordt gebruikt als zodanig over te nemen, maar om als uitgangspunt te dienen voor gerichte beleidsondersteuning die ondernemingen kan helpen om in relevante en belangrijke sectoren op te schalen. De definitie van kleine midcaps in deze aanbeveling laat de in de context van staatssteun passend geachte drempelwaarden dan ook onverlet. |
|
(5) |
Bepaalde lidstaten, zoals Frankrijk en Duitsland (8) ,, hebben reeds definities vastgesteld voor ondernemingen die niet klein of middelgroot zijn, maar ook geen grote ondernemingen zijn. Volgens de logica van een eengemaakte EU-markt zonder binnengrenzen zou het gebruik van een gemeenschappelijke reeks criteria om naar kleine midcaps te verwijzen ervoor helpen zorgen dat ondernemingen in de hele EU gelijk worden behandeld. |
|
(6) |
Er is sprake van uitgebreide interactie tussen nationale maatregelen en maatregelen van de Unie ten behoeve van kleine midcapondernemingen, bijvoorbeeld in verband met structuurfondsen of onderzoek. Daarom moeten situaties worden vermeden waarin de Unie haar optreden op een bepaalde categorie ondernemingen richt en de lidstaten op een andere categorie. Ook moet worden aanbevolen dat de Commissie, de lidstaten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) een gemeenschappelijke definitie gebruiken, teneinde de samenhang en doeltreffendheid van het beleid gericht op kleine midcapondernemingen te verbeteren. Het gebruik van een gemeenschappelijke definitie is ook nodig om de mogelijke risico’s van concurrentieverstoring te beperken. |
|
(7) |
Er is al een definitie van kleine midcapondernemingen opgenomen in artikel 2, punt 103 sexies), van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (9) en in de richtsnoeren van de Commissie inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen (10). Het wordt belangrijk geacht voort te bouwen op de zo opgedane ervaring en deskundigheid bij verdere mainstreaming van de steun voor dit specifieke segment van ondernemingen. Om het opschalen van ondernemingen beter te begeleiden en meer ondernemingen te bestrijken, moet de definitie in de huidige economische context echter ook betrekking hebben op ondernemingen die driemaal zo groot zijn als kmo’s (11). |
|
(8) |
De nadruk op kleine midcapondernemingen werd gerechtvaardigd geacht omdat de financieringskloof in 2014 in de effectbeoordeling van de mededeling van de Commissie “Richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen” (12) werd aangemerkt als marktfalen dat niet alleen van invloed is op kmo’s in hun begin- en opstartfasen maar ook in hun latere uitbreidings- en groeifasen. In het verslag werd verduidelijkt dat kleine midcaps soms met hetzelfde marktfalen als kmo’s te maken kunnen krijgen als zij zich nog in hun groeifase bevinden. |
|
(9) |
Om ondernemingen in staat te stellen naadloos op te schalen van het kmo-segment naar het segment “kleine midcaps”, is het belangrijk dat de definities van kmo’s en kleine midcaps op dezelfde beginselen berusten en dat de twee definities elkaar niet overlappen. Er moet ook worden vastgesteld wat kleine midcapondernemingen zijn om te zorgen voor consistentie in het beleid en om de transitie voor ondernemingen die de definitie van kmo ontgroeien te helpen vergemakkelijken. |
|
(10) |
In overeenstemming met de artikelen 54, 101 en 102 van het VWEU wordt onder “onderneming” een entiteit verstaan die, ongeacht haar rechtsvorm, economische activiteiten verricht, met inbegrip van personenvennootschappen en verenigingen die geregeld economische activiteiten verrichten. |
|
(11) |
Het criterium van het aantal werkzame personen wordt als belangrijkste criterium gezien en moet het meeste gewicht krijgen. Er moeten niettemin aanvullende financiële criteria worden ingevoerd om ondernemingen met een uitzonderlijk hoge financiële omvang van de activiteiten, gemeten aan de hand van de omzet, en uitzonderlijk veel activa, gemeten aan de hand van de balans, van de definitie uit te sluiten. Het zou niet wenselijk zijn de omzet als het enige financiële criterium te hanteren, aangezien ondernemingen in de handels- en distributiesector vanwege de aard van hun activiteiten een hogere omzet hebben dan ondernemingen in de be- en verwerkende industrie. Het omzetcriterium moet dus worden gecombineerd met het balanstotaal (een criterium waarmee de totale waarde van een onderneming wordt weergegeven), en een onderneming mag alleen van de definitie van kleine midcaps worden uitgesloten indien zowel de omzet als de balans de grenswaarden overschrijden. |
|
(12) |
De financiële grenswaarden en de grenswaarden voor het aantal werkzame personen moeten maximumgrenswaarden zijn. Indien de lidstaten, de EIB en het EIF hun maatregelen willen richten op een specifiek segment van kleine midcapondernemingen kunnen zij maximumgrenswaarden vaststellen die lager zijn dan de maximumgrenswaarden van de Unie in punt 2 van de bijlage. Met het oog op administratieve vereenvoudiging kunnen de lidstaten, de EIB en het EIF het aantal werkzame personen in voorkomend geval als enig criterium gebruiken voor de uitvoering van hun beleid, zonder daarbij afbreuk te doen aan de mededingings- en staatssteunregels van het Unierecht. |
|
(13) |
Om beter zicht te krijgen op de economische positie van kleine midcapondernemingen en om groepen ondernemingen waarvan de economische macht die van echte kleine midcapondernemingen kan overschrijden, van deze definitie uit te sluiten, moet onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten ondernemingen naargelang zij zelfstandig zijn, deelnemingen hebben zonder zeggenschapspositie (partnerondernemingen), of met andere ondernemingen zijn verbonden. De in Aanbeveling 2003/361/EG vastgestelde grenswaarde van 25 %, waaronder een onderneming als zelfstandig moet worden beschouwd, moet worden gehandhaafd voor de definitie van kleine midcapondernemingen. |
|
(14) |
Om het opschalen van ondernemingen uit het kmo-segment, de aandelenfinanciering van kleine midcapondernemingen en de plattelands- en lokale ontwikkeling te faciliteren, moeten ondernemingen ondanks een deelneming van 25 % of meer door bepaalde soorten investeerders als zelfstandig worden beschouwd als zij een positieve rol spelen voor de financiering en oprichting van ondernemingen. Dit moet ook gelden voor investeringen tot 5 000 000 EUR door “business angels” (natuurlijke personen of groepen van natuurlijke personen die geregeld durfkapitaal beleggen), vanwege de ervaring, vaardigheden en contacten voor bedijfsvoering die zij de ondernemer opleveren in vergelijking met andere durfkapitaalinvesteerders. Hun aandeleninvesteringen vormt tevens een aanvulling op de activiteiten van durfkapitaalinvesteerders. |
|
(15) |
Alternatieve beleggingsinstellingen, zoals durfkapitaal- of private-equityfondsen, moeten voor de berekening van het aantal werkzame personen en de financiële grenswaarden van deze aanbeveling niet als verbonden ondernemingen worden aangemerkt, zodat innovatieve ondernemingen financiering van hen kunnen blijven aantrekken voor hun activiteiten of groei. Om rekening te houden met de huidige marktpraktijken bij investeringen van durfkapitaal- of private-equityfondsen in innovatieve ondernemingen, is het passend te specificeren dat dergelijke alternatieve beleggingsinstellingen niet als verbonden ondernemingen moeten gelden wanneer zij en hun beheerder hun boekhouding gescheiden houden van die van de onderneming en wanneer zij een vooraf bepaalde beleggingsstrategie hebben om de onderneming te verlaten, onder meer door de waarde ervan door verkoop van de onderneming of anderszins te gelde te maken. |
|
(16) |
Om een en ander te vereenvoudigen, moeten de lidstaten en ondernemingen bij het definiëren van verbonden ondernemingen gebruikmaken van de voorwaarden van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (13), voor zover die voorwaarden geschikt zijn voor deze aanbeveling. Om aandeleninvesteringen in kleine midcapondernemingen te stimuleren, moet aangenomen kunnen worden dat bepaalde soorten beleggers, indien zich niet direct of indirect inlaten met de bedrijfsvoering van de onderneming, geen overheersende invloed op de onderneming in kwestie hebben, overeenkomstig artikel 2, punt 15), van Richtlijn 2013/34/EU. |
|
(17) |
Om ervoor te zorgen dat de voordelen voor kleine midcaps die door verschillende regels of maatregelen worden geboden, ten goede komen aan ondernemingen die deze echt nodig hebben, moet in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met de via natuurlijke personen tussen de ondernemingen bestaande banden. Om het onderzoek naar dergelijke situaties tot het absolute minimum te beperken, moet het onderzoek naar die banden worden beperkt tot de relevante markt of aanverwante markten, door te verwijzen naar de mededeling van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (14). |
|
(18) |
Om te voorkomen dat willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende overheidsinstanties van een lidstaat en ten behoeve van de rechtszekerheid, moet worden bevestigd dat een onderneming waarvan 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten onder zeggenschap staat van een overheidsinstantie of een openbaar lichaam, geen kleine midcaponderneming is. |
|
(19) |
Om de administratieve lasten voor de ondernemingen te verlichten en de afhandeling van dossiers waarin de onderneming een kleine midcaponderneming moet zijn, te vergemakkelijken en te bespoedigen, moet het ondernemingen zijn toegestaan verklaringen op erewoord over bepaalde kenmerken van de onderneming te gebruiken. |
|
(20) |
De samenstelling van het personeelsbestand moet in detail worden vastgesteld om een onderneming als kleine midcaponderneming te beschouwen. Om de ontwikkeling van beroepsopleiding te bevorderen, moeten leerlingen en studenten met een beroepsopleidingsovereenkomst bij de berekening van het aantal werkzame personen buiten beschouwing worden gelaten. Ook zwangerschaps- en ouderschapsverlof moeten bij de berekening van het aantal werkzame personen buiten beschouwing worden gelaten. |
|
(21) |
De verschillende soorten ondernemingen (zelfstandige ondernemingen, partnerondernemingen of verbonden ondernemingen), gedefinieerd volgens hun banden met en betrokkenheid bij andere ondernemingen, komen overeen met objectief verschillende integratieniveaus. Daarom moet worden aanbevolen voor elk van deze soorten ondernemingen verschillende criteria toe te passen bij de berekening van de grootheden die hun activiteit en hun economische macht uitdrukken. |
|
(22) |
Om ervoor te zorgen dat de Commissie een register bijhoudt van het gebruik van of verwijzingen naar de in deze aanbeveling vastgestelde definitie van kleine midcapondernemingen, moet de lidstaten, de EIB en het EIF worden verzocht de Commissie in kennis te stellen van dergelijk gebruik of dergelijke verwijzingen. |
|
(23) |
Om de Commissie in staat te stellen statistieken te genereren waarin rekening wordt gehouden met deze definitie moet informatie over aanvullende groottecriteria (omzet, balanstotaal) worden verzameld. Om extra enquêtes te voorkomen en de lasten voor ondernemingen te beperken, moeten de nationale statistische diensten duurzame toegang krijgen tot relevante administratieve bronnen in de lidstaten, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
|
1. |
Deze aanbeveling betreft de definitie van kleine midcapondernemingen, zoals gehanteerd in het binnen de Unie en de Europese Economische Ruimte toegepaste Uniebeleid. |
|
2. |
De lidstaten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) wordt aanbevolen:
|
|
3. |
De in punt 2 van de bijlage vermelde grenswaarden moeten als maximumwaarden worden beschouwd. De lidstaten, de EIB en het EIF mogen lagere drempels toepassen. Voor de uitvoering van beleidsmaatregelen is het hun eveneens toegestaan alleen het criterium van het aantal werkzame personen te gebruiken, mits dit passend is en de mededingings- en staatssteunregels van het Unierecht onverlet laat. |
|
4. |
De door de Commissie gegenereerde statistieken zouden moeten worden gepresenteerd aan de hand van de definitie van kleine midcapondernemingen in de bijlage. Om vergelijkbare Europese statistieken te genereren maar de enquêtedruk tot een minimum te beperken, verzoekt de Commissie de lidstaten ervoor te zorgen dat nationale statistische diensten toegang hebben tot relevante administratieve gegevensbronnen. |
|
5. |
In wetgeving of programma’s van de Unie die worden gewijzigd of vastgesteld en waarin het begrip “kleine midcaponderneming” voorkomt of de nadruk wordt gelegd op ondernemingen die voldoen aan de specificaties in de bijlage, moet worden verwezen naar de definitie in deze aanbeveling. |
|
6. |
Lopende programma’s van de Unie waarin naar kleine midcapondernemingen wordt verwezen, zouden tijdens een overgangsperiode moeten blijven doorlopen ten behoeve van ondernemingen die bij de vaststelling van die programma’s als kleine midcapondernemingen werden aangemerkt. De wettelijk bindende verplichtingen die de Commissie op grond van deze programma’s is aangegaan, zouden onverlet moeten blijven. |
|
7. |
Er wordt aanbevolen de definitie van kleine midcapondernemingen in de programma’s enkel te wijzigen door gebruik te maken van de definitie in de bijlage. |
|
8. |
De Commissie zou de toepassing van de definitie tegen 31 mei 2030 moeten evalueren om rekening te houden met de opgedane ervaring en de economische ontwikkelingen in de Unie. |
|
9. |
Bij de evaluatie van de definitie overeenkomstig punt 8 moet de Commissie ervoor zorgen dat er geen overlappingen zijn met de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen in Aanbeveling 2003/361/EG. |
|
10. |
Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten, de EIB en het EIF. |
|
11. |
De lidstaten, de EIB en het EIF wordt verzocht de Commissie uiterlijk op 31 december 2026 in kennis te stellen van de eventuele maatregelen die zij hebben genomen om deze aanbeveling uit te voeren. |
|
12. |
De lidstaten, de EIB en het EIF wordt tevens verzocht de Commissie onverwijld in kennis te stellen van elke maatregel die zijn treffen waarin wordt verwezen naar de definitie van kleine midcapondernemingen in de bijlage, waarin de bewoording daarvan wordt overgenomen, of waarin de definitie anderszins wordt gebruikt. |
Gedaan te Brussel, 21 mei 2025.
Voor de Commissie
Stéphane SÉJOURNÉ
Uitvoerend vicevoorzitter
(1) Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2024-2029.
(2) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Het EU-kompas voor concurrentievermogen” (COM(2025) 30 final), https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025DC0030.
(3) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen” (COM(2023) 535 final van 12 september 2023).
(4) Aanbeveling 2003/361/EC van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 1422) (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/361/oj).
(5) Europese Commissie, directoraat-generaal Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf; Dachs, B., Siedschlag, I., Yan, W., e.a., Study to map, measure and portray the EU mid-cap landscape — Final report, Bureau voor publicaties van de Europese Unie (2022), https://data.europa.eu/doi/10.2873/546623.
(6) https://eur-lex.europa.eu/NL/legal-content/summary/general-block-exemption-regulation.html.
(7) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=uriserv:OJ.C_.2021.508.01.0001.01.NLD.
(8) Frankrijk deelt ondernemingen met 250 tot 4 999 werkzame personen in als “enterprises de taille intermédiaire” (https://www.insee.fr/fr/metadonnees/definition/c2034). Duitsland duidt ondernemingen met 50 tot 499 werknemers aan als “Mittlere Unternehmen” (Institut für Mittelstandsforschung Bonn — ifm-bonn.org), en gebruikt vaak de term “Mittelstand” om een groep ondernemingen aan te duiden die niet zozeer worden gedefinieerd door het aantal werknemers maar veeleer door gedeelde waarden zoals onafhankelijkheid en gecombineerd eigendom en beheer (https://www.kfw.de).
(9) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).
(10) Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen, C/2021/8712 (PB C 508 van 16.12.2021, blz. 1).
(11) Zoals gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie.
(12) Werkdocument van de diensten van de Commissie “Impact Assessment accompanying the document Communication from the Commission Guidelines on State aid to promote risk finance investment”, SWD(2014) 6.
(13) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/34/oj).
BIJLAGE
Definitie van kleine midcapondernemingen
1.
OndernemingElke entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent, wordt als onderneming beschouwd. Dit omvat ook personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.
2.
Grenswaarden voor het aantal werkzame personen en financiële grenswaardenTot de categorie kleine midcapondernemingen behoren ondernemingen die geen kleine, middelgrote of micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG zijn en waar minder dan 750 personen werkzaam zijn, tenzij de jaaromzet meer dan 150 miljoen EUR en het jaarbalanstotaal meer dan 129 miljoen EUR bedraagt.
3.
Soorten ondernemingen die voor de berekening van het aantal werkzame personen en de financiële bedragen in aanmerking worden genomen
3.1.
Een “zelfstandige onderneming” is een onderneming die niet als partneronderneming in de zin van punt 3.2 of als verbonden onderneming in de zin van punt 3.5 wordt aangemerkt.
3.2.
“Partnerondernemingen” zijn alle ondernemingen die niet als verbonden ondernemingen in de zin van punt 3.4 worden aangemerkt en waarbij een onderneming (van een hoger niveau), alleen of samen met een of meer verbonden ondernemingen in de zin van punt 3.5, 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van een andere onderneming (van een lager niveau) heeft.
3.3.
Behoudens de in punt 3.4 bedoelde gevallen wordt een onderneming niet als kleine midcaponderneming aangemerkt indien een of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.
3.4.
In afwijking van punt 3.2 kan een onderneming toch als zelfstandige onderneming, dus als onderneming zonder partnerondernemingen, worden aangemerkt indien 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van die onderneming in bezit is van een van de volgende investeerders en deze individueel noch gezamenlijk met de betrokken onderneming verbonden zijn in de zin van punt 3.5:|
a) |
openbare participatiemaatschappijen, durfkapitaal- of private-equityfondsen, natuurlijke personen of groepen natuurlijke personen die geregeld risicokapitaal beleggen en aandeleninvesteringen doen in niet-beursgenoteerde ondernemingen (“business angels”), mits zij in totaal niet meer dan 5 000 000 EUR in eenzelfde onderneming investeren; |
|
b) |
universiteiten of onderzoekcentra zonder winstoogmerk; |
|
c) |
institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen; |
|
d) |
autonome lokale autoriteiten met een jaarbegroting van minder dan 10 miljoen EUR en minder dan 5 000 inwoners. |
3.5.
“Verbonden ondernemingen” zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:|
a) |
een onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming; |
|
b) |
een onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan; |
|
c) |
een onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming; |
|
d) |
een onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming, heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming. |
Er wordt aangenomen dat geen sprake is van overheersende invloed indien de in punt 3.4 bedoelde investeerders zich niet direct of indirect inlaten met de bedrijfsvoering van de desbetreffende onderneming, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouders of vennoten bezitten.
3.5.1.
Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij via een of meer andere ondernemingen of via de in punt 3.4 bedoelde investeerders een van de in punt 3.5 hierboven bedoelde banden onderhouden.
3.5.2.
Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen de in punt 3.5 hierboven bedoelde banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op aanverwante markten uitoefenen. Voor de toepassing van dit punt wordt de producten- of dienstenmarkt die zich direct boven of onder het niveau van de relevante markt bevindt als de “aanverwante markt” beschouwd.Ondernemingen kunnen een verklaring opstellen over hun hoedanigheid van zelfstandige onderneming, partneronderneming of verbonden onderneming, met inbegrip van de gegevens met betrekking tot de in punt 2 vermelde grenswaarden.
3.5.3.
Indien een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) om een onderneming heeft geïnvesteerd, worden de volgende entiteiten voor de toepassing van punt 3.5 niet als “verbonden ondernemingen” beschouwd:|
a) |
die onderneming en die alternatieve beleggingsinstelling; |
|
b) |
die onderneming en de beheerder van die alternatieve beleggingsinstelling; |
|
c) |
die onderneming en een andere onderneming waarin die alternatieve beleggingsinstelling heeft geïnvesteerd. |
De eerste alinea is alleen van toepassing indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de alternatieve beleggingsinstelling en de beheerder ervan, en de desbetreffende ondernemingen voeren gescheiden boekhoudingen; |
|
b) |
de alternatieve beleggingsinstelling en de beheerder ervan hebben een vooraf bepaalde beleggingsstrategie om de desbetreffende onderneming of ondernemingen te verlaten, onder meer door de waarde ervan door verkoop van de onderneming of anderszins te gelde te maken. |
4.
Deze verklaring kan ook worden opgesteld als het vanwege de spreiding van het kapitaal onmogelijk is precies te weten wie het in handen heeft, mits de onderneming te goeder trouw verklaart dat zij redelijkerwijs kan aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk of via natuurlijke personen afzonderlijk of in een groep. Dergelijke verklaringen doen geen afbreuk aan de controles of verificaties waarin de nationale regelgeving of Unieregelgeving voorziet. Referentieperiode en gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en de financiële bedragen
4.1.
De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en de financiële bedragen hebben betrekking op het laatste afgesloten boekjaar en worden jaarlijks berekend. Zij worden vanaf de datum van sluiting van de rekeningen in aanmerking genomen. Het bedrag van de omzet wordt berekend exclusief belasting over de toegevoegde waarde en andere indirecte belastingen.
4.2.
Wanneer een onderneming op de datum van afsluiting van de rekeningen vaststelt dat de op jaarbasis berekende gegevens boven of onder de in punt 2 aangegeven drempels voor het aantal werkzame personen of de financiële maxima liggen, verkrijgt of verliest zij de hoedanigheid van kleine midcaponderneming slechts wanneer deze situatie zich in twee opeenvolgende boekjaren voordoet.
4.3.
In het geval van recent opgerichte ondernemingen waarvan de eerste jaarrekening nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens afgeleid van een gedurende het boekjaar te goeder trouw gemaakte schatting.
5.
Aantal werkzame personen
5.1.
Het aantal werkzame personen komt overeen met het aantal personen dat het gehele referentiejaar voltijds in de betrokken onderneming of voor rekening van deze onderneming heeft gewerkt (“arbeidsjaareenheden”). Het werk van personen die niet het gehele jaar hebben gewerkt of deeltijd hebben gewerkt, ongeacht de duur ervan, en het werk van seizoenarbeiders worden in breuken van arbeidsjaareenheden uitgedrukt. Tot werkzame personen worden gerekend:|
a) |
werknemers in loondienst; |
|
b) |
personen die voor de onderneming werken, er een ondergeschikte verhouding mee hebben en voor het nationale recht met werknemers in loondienst gelijkgesteld zijn; |
|
c) |
eigenaren die tevens bedrijfsleider zijn; |
|
d) |
vennoten die geregeld een activiteit in de onderneming uitoefenen en financiële voordelen van de onderneming genieten. |
5.2.
Leerlingen en studenten die een beroepsopleiding volgen met een leerling- of beroepsopleidingsovereenkomst worden niet meegerekend in het aantal werkzame personen. De duur van zwangerschaps- of ouderschapsverlof wordt niet meegerekend.
6.
Vaststelling van de gegevens van de onderneming
6.1.
In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op basis van de rekeningen van die onderneming vastgesteld.
6.2.
De gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen als bedoeld in punt 3 heeft, worden vastgesteld op basis van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of in voorkomend geval van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich direct boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in verhouding tot het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de twee percentages). Bij wederzijdse participatie geldt het hoogste van deze percentages.
De in de eerste en tweede alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met alle nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.
6.3.
Voor de toepassing van punt 6.2 worden de gegevens van de partnerondernemingen van de desbetreffende onderneming in voorkomend geval afgeleid uit de geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden samengeteld met alle gegevens (100 %) van de met deze partnerondernemingen verbonden ondernemingen, tenzij hun gegevens reeds door consolidatie daarin zijn opgenomen.Voor de toepassing van punt 6.2 moeten de gegevens van de met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen in voorkomend geval worden afgeleid uit hun geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze gegevens worden pro rata samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van deze verbonden ondernemingen, die zich meteen boven of onder het niveau van laatstgenoemde ondernemingen bevinden, mits deze gegevens in de geconsolideerde jaarrekeningen nog niet zijn opgenomen in een verhouding die ten minste gelijk is aan het in punt 6.2, tweede alinea, vastgestelde percentage.
6.4.
Indien het aantal werkzame personen van een bepaalde onderneming niet uit de geconsolideerde rekeningen blijkt, wordt dit berekend door de gegevens van haar partnerondernemingen pro rata samen te tellen en daaraan de gegevens toe te voegen van de ondernemingen waarmee de onderneming is verbonden.
(1) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/61/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2025/1099/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)