|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/1392 |
26.6.2026 |
VERORDENING (EU) 2026/1392 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 20 mei 2026
betreffende de productie en verhandeling van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (BTM-verordening)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (3) bevat regels inzake de productie met het oog op het verhandelen, en het verhandelen van bosbouwkundig teeltmateriaal (“BTM”). |
|
(2) |
Bossen bedekken ongeveer 45 % van het landoppervlak in de Unie en vervullen een multifunctionele rol die sociale, economische, ecologische en culturele functies omvat. Bossen vervullen onder meer een primaire functie via koolstofopslag in het klimaatveranderingsmitigatiebeleid. Hoogwaardig, klimaataangepast en divers BTM met bewezen identiteit, is van essentieel belang om deze functies te vervullen. |
|
(3) |
In het licht van de ontwikkelingen in wetenschappelijke en technische kennis, de actualisering van de voorschriften van de regeling van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal in de internationale handel (“de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed”), de nieuwe beleidsprioriteiten van de Unie met betrekking tot duurzaamheid, aanpassing aan de klimaatverandering en biodiversiteit, en met name de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal”, alsook de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG, moet die richtlijn door een nieuwe handeling worden vervangen. Met het oog op de uniforme toepassing van de nieuwe regels in de hele Unie moet die handeling de vorm krijgen van een verordening. |
|
(4) |
Het doel van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed is het stimuleren van de productie en het gebruik van zaden, plantendelen en planten die zijn verzameld, verwerkt en verhandeld op een wijze die de hoge kwaliteit en beschikbaarheid van BTM waarborgt. Gezien de lange groeicycli van bossen, de kosten van aanplantingen en het langetermijnkarakter van investeringen in bossen is het van essentieel belang dat bosbouwers volledig betrouwbare informatie krijgen over de oorsprong en de genetische kenmerken van het BTM dat zij in hun aanplantingen gebruiken. De OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed voldoet aan deze behoefte door middel van certificering en traceerbaarheid. De regeling speelt een belangrijke rol bij het aanpassen van de bossen in de wereld aan veranderende klimaatomstandigheden. De nadruk wordt gelegd op het waarborgen van een hoge genetische diversiteit binnen soorten en op de instandhouding van de diversiteit van soorten, onder meer door diversificatie in bospercelen. Als gevolg daarvan blijft het aanpassingspotentieel van bossen behouden en wordt het verbeterd met het oog op de toekomstige herbeplanting van een gebied met bomen (“herbebossing”) en de aanleg van nieuwe bossen (“bebossing”). Herbebossing kan nodig zijn als onderdeel van duurzaam bosbeheer wanneer delen van een bestaand bos zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, natuurbranden, ziekten, uitbraken van plagen, of andere rampen. |
|
(5) |
In de Europese Green Deal verbindt de Commissie zich ertoe klimaatverandering en uitdagingen in verband met het milieu aan te pakken. Het doel is de economie van de Unie te transformeren om een duurzamere toekomst te creëren. De regels van de Unie inzake de productie en verhandeling van BTM moeten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (4), waarin het Uniekader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit is vastgesteld, en met de drie strategieën voor de uitvoering van de Europese Green Deal, zoals gepresenteerd in de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (“EU-biodiversiteitsstrategie”), de mededeling van de Commissie van 24 februari 2021 getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — De nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” (“EU-adaptatiestrategie”) en de mededeling van de Commissie van 16 juli 2021 getiteld “Nieuwe EU-bosstrategie voor 2030” (“EU-bosstrategie”). |
|
(6) |
Verordening (EU) 2021/1119 vereist dat de desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, het versterken van de veerkracht ten aanzien van en het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. Een van de doelstellingen van de EU-adaptatiestrategie is daarom het vermogen van de Unie om zich aan te passen aan de klimaatverandering te versnellen door onder meer de regels inzake BTM te wijzigen. In het Unierecht moet de productie en verhandeling van BTM in de hele Unie worden aangemoedigd. |
|
(7) |
De belangrijkste doelstellingen van de EU-bosstrategie zijn de effectieve bebossing en de effectieve instandhouding en het effectieve herstel van bossen in de Unie. Het nastreven van deze doelstellingen zal helpen de absorptie van CO2 te bevorderen, het aantal bosbranden en de omvang daarvan terug te dringen en de bio-economie te stimuleren, met volledige inachtneming van de ecologische beginselen die gunstig zijn voor de biodiversiteit. Zorgen voor bosherstel en het versterken van duurzaam bosbeheer zijn cruciaal met het oog op aanpassing aan de klimaatverandering en voor bosveerkracht. In dat verband wordt in de EU-bosstrategie gesteld dat voor de aanpassing van bossen aan de klimaatverandering en het herstel van bossen na klimaatschade, grote hoeveelheden geschikt BTM nodig zullen zijn. Daartoe zijn inspanningen nodig om de genetische hulpbronnen in de bosbouw, waarvan een klimaatbestendiger bosbouw afhankelijk is, veilig te stellen en duurzaam te gebruiken. Er zijn ook inspanningen nodig om de productie en beschikbaarheid van dergelijk BTM te verhogen, betere informatie te verstrekken over de geschiktheid ervan voor de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden van het gebied waar ze zullen worden ingezaaid of aangeplant en de gezamenlijke productie en overdracht van die BTM over de nationale grenzen heen binnen de Unie te verbeteren. |
|
(8) |
De EU-biodiversiteitsstrategie moet ervoor zorgen dat de biodiversiteit in de Unie uiterlijk in 2030 op weg is naar herstel. Uit hoofde van die strategie moet het Unierecht prioriteit geven aan de instandhouding van de soortendiversiteit en moet worden gezorgd voor een hoge genetische diversiteit binnen soorten en binnen partijen BTM om de voorziening van hoogwaardig en genetisch divers BTM met bewezen identiteit dat is aangepast of aanpasbaar is aan de huidige en verwachte klimaatomstandigheden, te faciliteren. De instandhouding en de verbetering van de biodiversiteit van bossen, met inbegrip van de genetische diversiteit binnen individuele boomsoorten, zijn van essentieel belang voor een duurzaam bosbeheer en de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw, en dus voor de ondersteuning van het aanpassen van de bossen aan klimaatverandering. |
|
(9) |
Er is een grensoverschrijdende dimensie op de lange termijn omdat de noordwaartse migratie van vegetatiezones die reeds kan worden waargenomen, de komende decennia naar verwachting aanzienlijk zal versnellen. Als gevolg daarvan zou het voor bosbouwers zeer gunstig zijn als in deze verordening een voorschrift wordt opgenomen om informatie te verstrekken over de gebieden waar BTM aan plaatselijke omstandigheden is aangepast. De bevoegde autoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om dergelijke gebieden aan te wijzen (“inzetgebieden”). |
|
(10) |
In Richtlijn 1999/105/EG wordt BTM gedefinieerd in verband met het belang ervan voor bosbouwdoeleinden in de gehele Unie of een deel daarvan, maar wat die bosbouwdoeleinden zijn, wordt niet duidelijk. Duidelijkheidshalve moeten daarom in het toepassingsgebied van deze verordening de doeleinden worden opgesomd waarvoor het gebruik van BTM van hoogwaardige kwaliteit belangrijk is. BTM kan worden geproduceerd voor gebruik bij bebossing, herbebossing, diversificatie op een bosperceel en andere boomaanplant en directe inzaai, voor een of meer van de volgende doeleinden: multifunctionele bosbouw, de productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten en instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw. |
|
(11) |
Boslandbouw moet echter van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten omdat het, samen met precisielandbouw, biologische landbouw, agro-ecologie en laagintensief gebruikt blijvend grasland, wordt beschouwd als een van de vele landbouwpraktijken die bijdragen tot de bescherming van biodiversiteit, ecosysteemdiensten en landschapselementen. Boslandbouwelementen, en met name houtsingels, worden erkend als niet-productieve landbouwelementen die landbouwarealen beschermen en dus doelstellingen en doeleinden bestrijken die verder gaan dan de in deze verordening vastgestelde doelstellingen en doeleinden. |
|
(12) |
Uit onderzoek is gebleken dat het van zeer groot belang is de beoordeling en goedkeuring van uitgangsmateriaal te baseren op het specifieke doeleinde waarvoor het BTM zal worden gebruikt. Voorts heeft het zaaien en de aanplant van hoogwaardig BTM op de juiste plaats een positief effect op het doeleinde waarvoor dat BTM wordt gebruikt. Onder zaaien en aanplant “op de juiste plaats” wordt verstaan dat het BTM genetisch en fenotypisch geschikt is voor de locatie waar het wordt aangeplant, met inbegrip van de relevante klimaatprognoses voor die locatie. |
|
(13) |
Bij de goedkeuring van uitgangsmateriaal moeten de bevoegde autoriteiten onderscheid maken tussen autochtone en inheemse zaadbronnen of opstanden. Professionele marktdeelnemers moeten de mogelijkheid hebben om dit onderscheid weer te geven in het professionele-marktdeelnemersdocument. |
|
(14) |
Om een toereikende voorziening van BTM te waarborgen in reactie op de toegenomen vraag naar BTM, moeten bestaande of potentiële handelsbelemmeringen die het vrije verkeer van BTM binnen de Unie zouden kunnen belemmeren, worden weggenomen. Dit doel kan alleen worden bereikt als de respectieve regels van de Unie inzake BTM de hoogst mogelijke normen opleggen. |
|
(15) |
Regels van de Unie inzake de productie voor het verhandelen en inzake het verhandelen van BTM moeten rekening houden met de praktische behoeften en mogen alleen van toepassing zijn op bepaalde soorten en hybriden daarvan die belangrijk zijn voor de doelstellingen van deze verordening. Die soorten moeten in deze verordening worden vermeld. |
|
(16) |
Het doel van deze verordening is bij te dragen tot het behoud en de totstandbrenging van veerkrachtige bossen, het herstel van bosecosystemen, de ondersteuning van hun ecosysteemdiensten en de totstandbrenging van andere boomaanplantingen. Dit zal met name worden bereikt door de duurzame productie, het verhandelen en de traceerbaarheid van hoogwaardig BTM, door te waarborgen dat gebruikers voorafgaand aan de aankoop van BTM worden geïnformeerd over de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden waarin het respectieve uitgangsmateriaal zich bevond. |
|
(17) |
Om ervoor te zorgen dat gecertificeerd BTM is aangepast aan de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden van het gebied waar het zal worden ingezaaid of aangeplant, moeten de bevoegde autoriteiten de duurzaamheidskenmerken van het uitgangsmateriaal beoordelen tijdens de goedkeuringsprocedure ervan. Die duurzaamheidskenmerken moeten betrekking hebben op de aanpassing van dat uitgangsmateriaal aan de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden, met inbegrip van de biotische en abiotische factoren die in het herkomstgebied heersen en de resistentie ervan tegen of tolerantie ervan voor plaagorganismen en de ongunstige klimatologische en locatiespecifieke omstandigheden waarin het is aangeplant. |
|
(18) |
Om de hoogst mogelijke kwaliteit van het BTM te waarborgen, mag het alleen worden geoogst van uitgangsmateriaal dat in een nationaal register is geregistreerd. Er moeten regels worden vastgesteld voor het oogsten en verzamelen van BTM van uitgangsmateriaal om de hoge kwaliteit en traceerbaarheid van dergelijk BTM te waarborgen. Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen toezicht te houden op het oogsten en verzamelen, moeten professionele marktdeelnemers hen vooraf in kennis stellen van hun voornemen om te oogsten. |
|
(19) |
Uitgangsmateriaal moet door de bevoegde autoriteiten beoordeeld en goedgekeurd worden. Goedgekeurd uitgangsmateriaal moet worden geregistreerd in een nationaal register met een uniek registernummer en onder verwijzing naar een toegelaten eenheid. |
|
(20) |
Om echter te zorgen voor meer flexibiliteit met betrekking tot BTM van de categorie “van bekende origine” in geval van extreme weers- en klimaatomstandigheden, moeten de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid hebben om, na goedkeuring door de Commissie, professionele marktdeelnemers te machtigen om, voor bepaalde soorten, uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van die categorie, goed te keuren. |
|
(21) |
Om rekening te houden met de ontwikkelingen in wetenschappelijke en technische kennis en in de toepasselijke internationale normen, moet het mogelijk zijn het gebruik van biochemische en moleculaire technieken als een aanvullende methode op te nemen in de goedkeuringsprocedure van uitgangsmateriaal. |
|
(22) |
Om te zorgen voor een doeltreffend overzicht van en transparantie met betrekking tot BTM dat in de hele Unie wordt geproduceerd en verhandeld, moet elke lidstaat een nationaal register in elektronische vorm opstellen, publiceren en bijhouden, voor de registratie van het uitgangsmateriaal van de verschillende soorten en de hybriden daarvan die op zijn grondgebied zijn goedgekeurd. |
|
(23) |
Om dezelfde reden moet de Commissie op basis van de door elke lidstaat verstrekte nationale registers een Unielijst in elektronische vorm van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de productie van BTM publiceren. Die Unielijst moet informatie bevatten over uitgangsmateriaal dat geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat, ook wanneer dat organisme met bepaalde nieuwe genomische technieken is geproduceerd. |
|
(24) |
De bevoegde autoriteiten moeten een basiscertificaat afgeven voor al het BTM dat van goedgekeurd uitgangsmateriaal is afgeleid. Het basiscertificaat moet de identificatie van het BTM waarborgen, informatie over de oorsprong ervan bevatten en de informatie bevatten die het meest geschikt is voor de gebruikers en de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de officiële controle ervan. Het moet mogelijk zijn het basiscertificaat in elektronische vorm af te geven. |
|
(25) |
Elke lidstaat moet een nationale lijst van afgegeven basiscertificaten opstellen en bijhouden, en deze lijst ter beschikking stellen van de Commissie en de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten. |
|
(26) |
Alleen BTM dat van goedgekeurd uitgangsmateriaal is geoogst, mag vervolgens worden gecertificeerd en verhandeld. BTM moet door de bevoegde autoriteiten worden gecertificeerd als “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” en onder verwijzing naar die categorieën worden verhandeld. De BTM-categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” moeten worden onderworpen aan uniforme productie- en verhandelingsvoorschriften om transparantie te waarborgen, gelijke voorwaarden voor professionele marktdeelnemers in de hele Unie te creëren en de integriteit van de interne markt veilig te stellen. |
|
(27) |
Het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw verschilt van het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM voor commerciële doeleinden vanwege de verschillende selectiecriteria die op deze twee typen uitgangsmateriaal van toepassing zijn. Daarom moet het mogelijk zijn professionele marktdeelnemers onder bepaalde voorwaarden te machtigen om uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM goed te keuren met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw. Gemachtigde professionele marktdeelnemers moeten dergelijk uitgangsmateriaal goedkeuren overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en onder verwijzing naar een toegelaten eenheid, en de gegevens van die toegelaten eenheid aan de bevoegde autoriteit meedelen. Het besluit over de opname van dat uitgangsmateriaal in het nationale register moet worden genomen door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. |
|
(28) |
De categorie “van bekende origine” is de minimumnorm die vereist is voor het verhandelen van BTM, omdat er weinig of geen fenotypische selectie is van het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van die categorie. Om de traceerbaarheid te waarborgen, moet de professionele marktdeelnemer de locatie registreren van het uitgangsmateriaal waarvan BTM wordt verzameld, of, met andere woorden, de plaats van herkomst ervan. De oorsprong van dat uitgangsmateriaal moet worden vermeld, indien bekend. Dit is in overeenstemming met de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Richtlijn 1999/105/EG. |
|
(29) |
Op basis van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Richtlijn 1999/105/EG en rekening houdend met de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed, moet de bevoegde autoriteit het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “geselecteerd” beoordelen. Die beoordeling moet gebaseerd zijn op de observatie van de kenmerken van dat uitgangsmateriaal en moet rekening houden met het specifieke doeleinde waarvoor het van dat uitgangsmateriaal geoogste BTM moet worden gebruikt. De algemene kwaliteit van die categorie moet worden gewaarborgd. De voortplantingspopulatie moet ten minste een zekere mate van uniformiteit vertonen. |
|
(30) |
Om BTM van de categorie “gekeurd” te produceren, moet de professionele marktdeelnemer de componenten van het uitgangsmateriaal selecteren die op individueel niveau bij het kruisingsschema zullen worden gebruikt vanwege hun uitstekende kenmerken, bijvoorbeeld wat betreft houtproductie of aanpassing aan de plaatselijke klimatologische en ecologische omstandigheden. De bevoegde autoriteit moet de samenstelling en het voorgestelde kruisingsschema van die componenten, de indeling van de arealen, de mate van isolatie en de locatie van dat uitgangsmateriaal goedkeuren. Dit is belangrijk om in overeenstemming te zijn met de toepasselijke internationale normen uit hoofde van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en om rekening te houden met de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Richtlijn 1999/105/EG. |
|
(31) |
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “getest” moet aan de strengst mogelijke voorschriften worden onderworpen. De superioriteit van BTM moet worden beoordeeld onder verwijzing naar één of, bij voorkeur, meerdere goedgekeurde of vooraf gekozen normen. Die normen moeten worden bepaald op basis van het doeleinde waarvoor het BTM van de categorie “getest” zal worden gebruikt. Na de selectie van de componenten van het uitgangsmateriaal moet de superioriteit van het BTM worden aangetoond door middel van vergelijkende tests of worden geschat op basis van een evaluatie van de genetische componenten van dat uitgangsmateriaal. De bevoegde autoriteit moet bij dit proces worden betrokken. Zij moet de experimentele opzet en tests voor de goedkeuring van het uitgangsmateriaal goedkeuren, de door de professionele marktdeelnemer verstrekte gegevens verifiëren en de resultaten van de tests betreffende de superioriteit van het BTM of de genetische evaluatie daarvan goedkeuren. Bij het uitvoeren van die taken moet de bevoegde autoriteit streven naar afstemming met de toepasselijke internationale normen uit hoofde van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en andere toepasselijke internationale normen en rekening houden met de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Richtlijn 1999/105/EG. |
|
(32) |
De beoordeling van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “getest”, duurt gemiddeld tien jaar. Om te zorgen voor een snellere markttoegang voor BTM in die categorie, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om, terwijl de beoordeling van het uitgangsmateriaal nog loopt, het uitgangsmateriaal tijdelijk voor een periode van ten hoogste tien jaar goed te keuren. Die goedkeuring mag alleen worden verleend indien uit de voorlopige resultaten van de genetische evaluatie of vergelijkende tests blijkt dat het uitgangsmateriaal na afronding van de tests aan de voorschriften van deze verordening zal voldoen. Om ervoor te zorgen dat de goedkeuring passend blijft, moeten die resultaten uiterlijk na tien jaar opnieuw worden getoetst. |
|
(33) |
De overeenstemming van verhandeld BTM met de voorschriften voor de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” moet worden aangetoond met een officieel etiket. Voordat geoogst BTM wordt verhandeld of rechtstreeks wordt gebruikt, en totdat het officiële etiket is afgegeven, moet het worden voorzien van een voorlopig etiket om de traceerbaarheid te waarborgen. |
|
(34) |
Naast het officiële etiket moeten professionele marktdeelnemers ook een professionele-marktdeelnemersdocument afgeven. Dat moet alle informatie van het officiële etiket en aanvullende informatie bevatten. Dit is noodzakelijk om de gebruiker zo volledig mogelijk over het BTM te informeren en die informatie zo doeltreffend mogelijk te registreren. |
|
(35) |
Genetisch gemodificeerd BTM mag alleen worden verhandeld als het veilig is voor de menselijke gezondheid en het milieu en op grond van Richtlijn 2001/18/EG (5) of Verordening (EG) nr. 1829/2003 (6) van het Europees Parlement en de Raad voor de teelt is gemachtigd, en als dat BTM tot de categorie “getest” behoort. Het mag alleen mogelijk zijn met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen BTM te verhandelen als het voldoet aan de voorschriften van Verordening (EU) 2026/1388 van het Europees Parlement en de Raad (7) en als dat BTM tot de categorie “getest” behoort. |
|
(36) |
Het officiële etiket moet informatie bevatten over uitgangsmateriaal dat geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat, ook wanneer dat organisme met bepaalde nieuwe genomische technieken is geproduceerd. |
|
(37) |
Om de soepele werking van de interne markt te waarborgen en een gelijk speelveld te creëren, moeten bepaalde voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de verplichting van professionele marktdeelnemers om de traceerbaarheid en identificatie van BTM in alle fasen van productie en verhandeling te waarborgen, en om die marktdeelnemers aan officiële controles te onderwerpen. Alvorens te worden belast met de uitvoering van alle of bepaalde activiteiten die nodig zijn voor de productie en verhandeling van BTM onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit, moeten professionele marktdeelnemers door de bevoegde autoriteit zijn gemachtigd. Er moeten regels worden vastgesteld voor de verlening, intrekking of wijziging van een dergelijke machtiging en voor de uitoefening van officieel toezicht door de bevoegde autoriteiten. |
|
(38) |
Het moet met name mogelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten om professionele marktdeelnemers te machtigen om het officiële etiket voor bepaalde soorten en categorieën BTM onder officieel toezicht af te geven en af te drukken. Dit zal de professionele marktdeelnemers meer flexibiliteit geven wat het vervolgens verhandelen van dat BTM betreft. Professionele marktdeelnemers mogen echter pas beginnen met het afgeven en afdrukken van het officiële etiket wanneer is vastgesteld dat het BTM aan de toepasselijke voorschriften voldoet. Die toestemming is noodzakelijk vanwege het officiële karakter van het officiële etiket en om de hoogst mogelijke kwaliteitsnormen voor de gebruikers van BTM te waarborgen. |
|
(39) |
Voor zover bepaalde soorten en de hybriden daarvan niet aan de in deze verordening vervatte maatregelen zijn onderworpen, kunnen de lidstaten voor die soorten en hybriden en voor hun eigen grondgebied vergelijkbare of strengere of minder strenge maatregelen nemen. |
|
(40) |
Met het oog op transparantie en doeltreffendere controles van de productie en verhandeling van BTM moeten professionele marktdeelnemers worden geregistreerd in de registers die de lidstaten op grond van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad (8) hebben ingesteld. Dit is noodzakelijk voor de correcte werking van het officiële register van professionele marktdeelnemers en om dubbele registratie te voorkomen. De professionele marktdeelnemers op wie deze verordening van toepassing is, vallen grotendeels ook binnen het toepassingsgebied van het officiële register van professionele marktdeelnemers in het kader van Verordening (EU) 2016/2031. |
|
(41) |
Voorafgaand aan de overdracht van BTM moeten professionele marktdeelnemers de toegang van potentiële gebruikers van hun BTM tot de bestaande beschikbare informatie over de geschiktheid van het BTM voor specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden vergemakkelijken, zodat de gebruikers het meest geschikte BTM voor het beoogde gebruik op de beoogde locatie kunnen selecteren. |
|
(42) |
In het geval van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd”, moeten de lidstaten voor de betrokken soorten de herkomstgebieden afbakenen om gebieden of groepen gebieden met voldoende uniforme ecologische omstandigheden te kunnen identificeren die uitgangsmateriaal met vergelijkbare fenotypische of genetische kenmerken bevatten. Dit is noodzakelijk omdat het uit dat uitgangsmateriaal geproduceerde BTM onder verwijzing naar die herkomstgebieden moet worden verhandeld. |
|
(43) |
Er moeten bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot het opstellen en bijwerken van noodplannen voor een of meer boomsoorten. De lidstaten kunnen die noodplannen opstellen om ervoor te zorgen dat zij voorbereid zijn en over de capaciteit beschikken om een toereikende voorziening van BTM tot stand te brengen voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, natuurbranden, ziekten, uitbraken van plagen, rampen of andere ongunstige gebeurtenissen. Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud van de noodplannen, zodat proactief en doeltreffend tegen dergelijke risico’s kan worden opgetreden indien deze zich voordoen. Het moet ook mogelijk zijn de inhoud van de noodplannen aan te passen aan de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden op het grondgebied van de lidstaten. Die mogelijkheden moeten ook de algemene paraatheidsmaatregelen weerspiegelen die de lidstaten op vrijwillige basis nemen in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, dat is ingesteld bij Beschikking 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (9). |
|
(44) |
Omwille van de traceerbaarheid moet BTM in alle fasen van productie en verhandeling worden bewaard in afzonderlijke partijen onder verwijzing naar individuele toegelaten eenheden en naar het basiscertificaat, zodra dit is afgegeven. Omwille van de transparantie en de traceerbaarheid moet elke partij BTM worden geïdentificeerd aan de hand van de partijcode en de code van het basiscertificaat, zodra dit is afgegeven. |
|
(45) |
Alleen zaden die aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen, mogen worden verhandeld. Zij moeten worden geëtiketteerd en mogen alleen in gesloten en verzegelde verpakkingen worden verhandeld, zodat ze correct kunnen worden geïdentificeerd, de kwaliteit en traceerbaarheid ervan worden gewaarborgd en fraude wordt voorkomen. |
|
(46) |
In perioden waarin het tijdelijk moeilijk is om voldoende voorraden BTM van bepaalde soorten te oogsten, moet het onder bepaalde voorwaarden mogelijk zijn uitgangsmateriaal of BTM dat aan minder strenge kwaliteitseisen voldoet, tijdelijk goed te keuren. Die minder strenge eisen moeten betrekking hebben op de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van verschillende categorieën BTM, of het verhandelen van BTM dat aan minder strenge kwaliteitseisen voldoet. Dit is noodzakelijk om te zorgen voor een flexibele aanpak in gebieden die getroffen zijn door ongunstige omstandigheden, en om verstoringen van de interne markt voor BTM te voorkomen. |
|
(47) |
Om de uitvoering van officiële controles en andere officiële activiteiten in verband met BTM in de hele Unie te harmoniseren, moeten regels worden vastgelegd betreffende de aanwijzing van en voorschriften voor de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor dergelijke taken, alsook betreffende de uitvoering en mogelijke delegatie van dergelijke taken. |
|
(48) |
Deskundigen van de Commissie moeten in de lidstaten controles, met inbegrip van audits, kunnen uitvoeren om de toepassing van de toepasselijke Uniewetgeving en de werking van nationale controlesystemen en bevoegde autoriteiten te verifiëren. |
|
(49) |
Om de beginselen van goed bestuur en het vertrouwen van het publiek te waarborgen, moeten de bevoegde autoriteiten officiële controles met een hoge mate van transparantie verrichten. Daartoe moeten zij relevante informatie over de organisatie en uitvoering van officiële controles openbaar maken, ook via bekendmaking op het internet, in voorkomend geval met inbegrip van de soort en het aantal officiële controles, de gevallen van niet-naleving, de genomen maatregelen en de opgelegde sancties. |
|
(50) |
BTM mag alleen uit derde landen worden ingevoerd indien is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en verhandeld BTM. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat ingevoerd BTM dezelfde kwaliteit heeft als in de Unie geproduceerd BTM. Die aanpak zal ervoor zorgen dat ingevoerd BTM niet alleen aan de normen van de Unie voldoet, maar ook bijdraagt tot genetische diversiteit en duurzaamheid. |
|
(51) |
Extreme weers- en klimaatomstandigheden kunnen in een of meer lidstaten tekorten aan BTM veroorzaken die niet kunnen worden opgevangen door de andere lidstaten of door derde landen ten aanzien waarvan gelijkwaardigheid is toegekend. Daarom moet het die lidstaten in die uitzonderlijke gevallen onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan BTM tijdelijk in te voeren uit andere derde landen dan die waarvoor gelijkwaardigheid is toegekend. Bij de beoordeling van die voorwaarden moet de Commissie ook rekening houden met de specifieke behoeften van de betrokken lidstaten, zoals de oorsprong en de genetische kenmerken van het betrokken BTM. |
|
(52) |
Indien BTM uit een derde land in de Unie wordt ingevoerd, moet de betrokken professionele marktdeelnemer de relevante bevoegde autoriteit vooraf in kennis stellen van die invoer via het op grond van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (10) opgezette informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc). Bovendien moet ingevoerd BTM vergezeld gaan van een door het derde land van oorsprong afgegeven OESO-certificaat of gelijkwaardig officieel certificaat en van gegevens over dat BTM die door de professionele marktdeelnemer in dat derde land zijn verstrekt. Dat BTM moet voorzien zijn van een OESO-etiket of een gelijkwaardig officieel etiket, aangezien dit noodzakelijk is om de gebruikers van dat BTM een geïnformeerde keuze te bieden en om de uitvoering van de relevante officiële controles door de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken. |
|
(53) |
Om het effect van deze verordening te monitoren en de Commissie in staat te stellen de ingevoerde maatregelen te beoordelen, moeten de lidstaten om de vijf jaar verslag uitbrengen over de hoeveelheden gecertificeerd BTM per categorie per jaar, het aantal vastgestelde noodplannen, de beschikbare en relevante websites en plantersgidsen, de hoeveelheden uit derde landen ingevoerd BTM per geslacht en soort, de opgelegde sancties en het aantal geregistreerde professionele marktdeelnemers. |
|
(54) |
Teneinde deze verordening af te stemmen op ecologische veranderingen, en met name op de verschuiving in boomsoorten en hun verspreidingsgebied als gevolg van klimaatverandering, en rekening te houden met de ontwikkelingen in wetenschappelijke of technische kennis, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van deze verordening door boomsoorten toe te voegen aan of te schrappen van de lijst van soorten die onder deze verordening vallen, afhankelijk van de vraag of ze aan bepaalde criteria voldoen of daar niet langer aan voldoen. |
|
(55) |
Teneinde rekening te houden met ontwikkelingen in wetenschappelijke of technische kennis en in de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en andere toepasselijke internationale normen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”, alsmede de wijziging van de categorieën waaronder BTM van de verschillende typen uitgangsmateriaal mag worden verhandeld. |
|
(56) |
Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in wetenschappelijke of technische kennis, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van deze verordening met bepaalde voorschriften betreffende partijen zaadeenheden van de onder deze verordening vallende boomsoorten, met uitzondering van hybriden daarvan, betreffende delen van planten van die soorten en hybriden daarvan, betreffende de normen voor de uitwendige kwaliteit van door middel van stengelstekken vermeerderde Populus spp., met of zonder wortels, betreffende plantgoed van de onder deze verordening vallende boomsoorten en hybriden daarvan, en betreffende plantgoed bestemd om te worden verhandeld aan eindgebruikers in gebieden met bijzondere ecoklimatologische omstandigheden. |
|
(57) |
Teneinde duidelijkheid en een geharmoniseerde aanpak bij de vaststelling en uitvoering van de noodplannen te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van deze verordening door de elementen te specificeren die krachtens deze verordening in een noodplan kunnen worden opgenomen. |
|
(58) |
Teneinde de geloofwaardigheid van het systeem voor de machtiging van professionele marktdeelnemers en het officiële toezicht door de bevoegde autoriteiten te vergroten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van deze verordening door de procedure vast te leggen voor de door de professionele marktdeelnemer in te dienen aanvraag tot machtiging en voor het bevestigen van de naleving van de toepasselijke voorschriften. |
|
(59) |
Ter verwezenlijking van het doel van de mededeling van de Commissie van 9 maart 2021, getiteld “Digitaal kompas 2030: de Europese aanpak voor het digitale decennium”, namelijk ervoor zorgen dat de transformatie naar digitale technologieën werkt voor mensen en bedrijven en rekening houden met de technische ontwikkelingen op het gebied van de digitalisering van diensten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van deze verordening door regels vast te leggen betreffende de digitale registratie van de belangrijkste acties met betrekking tot de verificatie van de voorschriften voor de goedkeuring van het uitgangsmateriaal en de productie van BTM die leiden tot de afgifte van basiscertificaten, officiële etiketten en professionele-marktdeelnemersdocumenten, en betreffende de oprichting van een gecentraliseerd platform dat alle lidstaten en de Commissie met elkaar verbindt. |
|
(60) |
Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden voor gedelegeerde handelingen tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (11). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(61) |
Met het oog op een evenredige aanpak is het niet nodig dat aan bepaalde vereisten wordt voldaan bij het verhandelen van kleine hoeveelheden zaden. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om te bepalen wat een kleine hoeveelheid van individuele soorten betekent, op grond waarvan deze kunnen worden vrijgesteld van bepaalde verhandelingsvoorschriften. |
|
(62) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en ervoor te zorgen dat gemachtigde professionele marktdeelnemers uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw correct en op coherente wijze goedkeuren, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot specifieke voorwaarden voor het beoordelen of professionele marktdeelnemers in aanmerking komen om te worden gemachtigd om uitgangsmateriaal goed te keuren, en met betrekking tot de voorwaarden voor het meedelen van de gegevens van de toegelaten eenheid aan de bevoegde autoriteit. |
|
(63) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en tijdelijke moeilijkheden bij de algemene voorziening van BTM aan te pakken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het machtigen van een of meer lidstaten om tijdelijk toestemming te geven voor het verhandelen van BTM dat voldoet aan of is afgeleid van uitgangsmateriaal dat voldoet aan minder strenge voorschriften dan die van deze verordening. |
|
(64) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en de herkenbaarheid en het gebruik van basiscertificaten te vergemakkelijken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling van de inhoud en het model van het basiscertificaat en de vaststelling van regels betreffende de mechanismen en de technische regelingen om de afgifte van accurate en betrouwbare basiscertificaten te waarborgen en frauderisico te vermijden, de te volgen procedures voor het intrekken van basiscertificaten en het afgeven van vervangende certificaten, regels voor de afgifte van gewaarmerkte kopieën van basiscertificaten en regels voor de afgifte van elektronische certificaten en voor het gebruik van elektronische handtekeningen. |
|
(65) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en te zorgen voor een geharmoniseerd kader voor de etikettering van en de verstrekking van informatie over BTM, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling van het formaat, de grootte, de vorm en de kleur van het officiële etiket en van het professionele-marktdeelnemersdocument voor alle of specifieke categorieën BTM. Bij het omschrijven van de kleur moet de Commissie rekening houden met de regels en voorschriften van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed. Het moet de lidstaten worden toegestaan de regels inzake de kleur toe te passen naargelang het geval. |
|
(66) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en rekening te houden met de ontwikkelingen met betrekking tot de digitalisering van de BTM-sector, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het vaststellen van de technische regelingen voor de afgifte van elektronische basiscertificaten, officiële elektronische etiketten en elektronische professionele-marktdeelnemersdocumenten. |
|
(67) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en ervoor te zorgen dat professionele marktdeelnemers uitgangsmateriaal van de categorie “van bekende origine” kunnen goedkeuren, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het verlenen van een dergelijke goedkeuring, onder bepaalde voorwaarden. |
|
(68) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en te zorgen voor een correct gebruik van de afwijking betreffende de voorlopige goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “getest”, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het specificeren van het maximumaantal eenheden BTM en de maximumoppervlakte waarvoor een dergelijke goedkeuring kan worden aangevraagd. |
|
(69) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de organisatie van tijdelijke experimenten om betere alternatieven voor de voorschriften van deze verordening te vinden wat betreft de beoordeling en goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie en verhandeling van BTM. |
|
(70) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening en tegelijkertijd de uitvoering van nationale of regionale benaderingen van de productie en verhandeling van BTM mogelijk te maken, en met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het betrokken BTM, de bescherming van het milieu of de bijdrage aan de bescherming van de biodiversiteit en het herstel van bosecosystemen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de lidstaten onder bepaalde voorwaarden te machtigen strengere of aanvullende voorschriften vast te stellen voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie van BTM, om de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “van bekende origine” te beperken, of om het verhandelen van gespecificeerd BTM aan eindgebruikers met het oog op zaaien of aanplanten op hun gehele grondgebied of een deel daarvan te verbieden wanneer dat BTM niet geschikt is voor de ecologische omstandigheden in de bosbouw van de betrokken lidstaat en de relevante doeleinden. |
|
(71) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het nemen van besluiten dat in een derde land geproduceerd BTM van specifieke geslachten, soorten of categorieën of, in voorkomend geval, afgeleid van specifieke typen uitgangsmateriaal of afkomstig uit een specifiek herkomstgebied, voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op BTM dat in de Unie wordt geproduceerd en verhandeld. |
|
(72) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling van bepaalde regels inzake eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles ter verificatie van de naleving van de regels inzake BTM. |
|
(73) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het specificeren van het technische formaat, onder meer wat betreft de digitale indiening en verwerking, dat moet worden gebruikt voor de door de lidstaten bij de Commissie in te dienen verslagen over de hoeveelheden gecertificeerd BTM per categorie per jaar, het aantal vastgestelde noodplannen, de beschikbare en relevante websites en plantersgidsen, de hoeveelheden BTM per geslacht en soort die uit derde landen zijn ingevoerd, de sancties en het aantal geregistreerde professionele marktdeelnemers. |
|
(74) |
De uitvoeringsbevoegdheden die krachtens deze verordening aan de Commissie worden toegekend, moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12). |
|
(75) |
Alleen gezond BTM mag in de hele Unie worden verhandeld. BTM dat overeenkomstig deze verordening wordt verhandeld, moet ook voldoen aan de regels die zijn vastgelegd of waarin is voorzien in de relevante bepalingen van Verordening (EU) 2016/2031 met betrekking tot EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen en door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen, en aan de krachtens artikel 30, lid 1, van die verordening vastgestelde maatregelen. |
|
(76) |
Kwaliteitsorganismen zijn plaagorganismen die niet onder Verordening (EU) 2016/2031 vallen. Ze kunnen voorkomen tijdens de productie van BTM en wanneer BTM gedurende een lange periode wordt opgeslagen onder zeer vochtige of natte omstandigheden. De aanwezigheid ervan op BTM dat wordt verhandeld, moet daarom zo laag zijn dat de kwaliteit ervan niet wordt aangetast. |
|
(77) |
Om te zorgen voor een grotere consistentie van de regels betreffende BTM met de regels van Verordening (EU) 2016/2031 inzake plantenpaspoorten, moet het worden toegestaan het officiële etiket voor BTM te combineren met het plantenpaspoort. |
|
(78) |
Gezien de specifieke kenmerken van de BTM-sector is het passend dat in deze verordening eigen bepalingen inzake de officiële controles van BTM worden vastgelegd. Om ervoor te zorgen dat officiële controles met betrekking tot BTM in alle lidstaten consistent worden toegepast, om synergieën tot stand te brengen met het systeem van officiële controles in soortgelijke sectoren, met name op het gebied van plantgezondheid, en om de lidstaten in staat te stellen bestaande instrumenten en hulpmiddelen zoals Imsoc te gebruiken voor de verificatie van de naleving van de regels inzake BTM, moeten waar nodig bepalingen inzake officiële controles in deze verordening worden toegepast naast de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) 2017/625. |
|
(79) |
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met de uitvoering van taken uit hoofde van deze verordening, kunnen ook zijn aangewezen overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) 2017/625 en derhalve verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de officiële controles en andere officiële activiteiten op andere gebieden. |
|
(80) |
De Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(81) |
Omwille van de juridische duidelijkheid en transparantie moet Richtlijn 1999/105/EG worden ingetrokken. |
|
(82) |
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van de productie en verhandeling van BTM, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen, de complexiteit en de internationale effecten ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. In dit verband en voor zover nodig worden in deze verordening afwijkingen of specifieke voorschriften voor bepaalde typen BTM en professionele marktdeelnemers ingevoerd. |
|
(83) |
Gezien de tijd en middelen die de bevoegde autoriteiten en de betrokken professionele marktdeelnemers nodig hebben om zich aan de nieuwe voorschriften van deze verordening aan te passen, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 17 juli 2031. |
|
(84) |
Om een verstoring van de productie en verhandeling van BTM in de Unie te voorkomen, moet het toegestaan zijn BTM dat vóór 17 juli 2031 overeenkomstig Richtlijn 1999/105/EG of nationale regels is geproduceerd, verder te verhandelen totdat de respectieve voorraden zijn uitgeput. Om dezelfde reden moet het toegestaan zijn BTM dat overeenkomstig Richtlijn 1999/105/EG is geproduceerd, verder te verhandelen met een krachtens die richtlijn afgegeven basiscertificaat, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden regels vastgesteld betreffende de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal (“BTM”) voor verhandeling en betreffende het verhandelen van BTM.
Deze verordening bevat met name voorschriften betreffende de oorsprong van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM, en de goedkeuring en de registratie van dat uitgangsmateriaal, en voorschriften betreffende de traceerbaarheid van BTM, officiële controles, categorieën van BTM, de identiteit en kwaliteit van BTM, certificering, etikettering, verpakking, invoer, professionele marktdeelnemers en nationale noodplannen.
Artikel 2
Toepassingsgebied en doelstellingen
1. Deze verordening is van toepassing op de productie voor verhandeling, en het verhandelen, van BTM van de in bijlage I vermelde boomsoorten en hybriden daarvan.
Voor de toepassing van deze verordening worden hybriden geacht hybriden van de in bijlage I opgenomen boomsoorten te zijn indien ten minste één van de oudersoorten daarin is opgenomen.
2. Deze verordening heeft tot doel bij te dragen tot het behoud en de totstandbrenging van veerkrachtige bossen, tot het herstel van bosecosystemen en tot de biodiversiteit van bossen, alsmede ondersteuning te bieden voor bosecosysteemdiensten en andere boomaanplant, met name door middel van:
|
a) |
de duurzame productie, het verhandelen en de traceerbaarheid van BTM van hoge kwaliteit in de Unie; |
|
b) |
de goede werking van de interne markt voor BTM; |
|
c) |
de ondersteuning van duurzame productie van hout, biomaterialen, biomassa en andere bosproducten; |
|
d) |
de ondersteuning van de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw; |
|
e) |
de bijdrage van BTM aan de mitigatie van klimaatverandering, de aanpassing van bossen aan klimaatverandering en de bescherming tegen bodemerosie. |
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage I, rekening houdend met:
|
a) |
de ecologische veranderingen, met inbegrip van verschuivingen in boomsoorten en hun verspreidingsgebied als gevolg van klimaatverandering; |
|
b) |
eventuele ontwikkelingen in de technische of wetenschappelijke kennis. |
Bij die gedelegeerde handelingen worden boomsoorten aan de lijst in bijlage I toegevoegd, op voorwaarde dat die soorten aan een of meer van de volgende criteria voldoen:
|
a) |
ze vertegenwoordigen een aanzienlijk gebied en een aanzienlijk aandeel in de economische waarde van de productie van BTM in de Unie; |
|
b) |
ze worden in ten minste twee lidstaten als BTM verhandeld, of |
|
c) |
ze worden belangrijk geacht voor de aanpassing aan klimaatverandering en de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw. |
Bij die gedelegeerde handelingen worden boomsoorten uit de lijst in bijlage I geschrapt wanneer die soorten niet langer aan een van de criteria van de tweede alinea van dit lid voldoen.
4. Deze verordening is niet van toepassing op het volgende materiaal:
|
a) |
zaden en ander plantaardig teeltmateriaal die vallen onder de Richtlijnen 66/401/EEG (13), 66/402/EEG (14), 68/193/EEG (15), 2002/53/EG (16), 2002/54/EG (17), 2002/55/EG (18), 2002/56/EG (19), 2002/57/EG (20), 2008/72/EG (21) en 2008/90/EG (22) van de Raad; |
|
b) |
teeltmateriaal van siergewassen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 98/56/EG van de Raad (23); |
|
c) |
BTM dat uitsluitend voor uitvoer naar derde landen is geproduceerd, mits het als zodanig is geïdentificeerd; |
|
d) |
BTM dat uitsluitend wordt gebruikt voor officiële tests, wetenschappelijke doeleinden of selectiewerk, mits het als zodanig is geïdentificeerd door middel van etiketterings- en traceerbaarheidsmaatregelen; |
|
e) |
BTM waarvoor dienstverleningscontracten zijn gesloten met het oog op reiniging, ontsmetting, behandeling en vervoer, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
|
De voorwaarde van punt iv) van de eerste alinea is niet van toepassing op aanbieders van vervoersdiensten.
5. Voor niet in bijlage I opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan kunnen de lidstaten voor hun eigen grondgebied maatregelen nemen die gelijkwaardig zijn aan, of strenger of minder streng zijn dan, de bij deze verordening vastgestelde maatregelen. Hybriden worden beschouwd als hybriden van niet in bijlage I opgenomen boomsoorten indien geen van de oudersoorten daarin is opgenomen.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“bosbouwkundig teeltmateriaal” of “BTM”: zaadeenheden, plantendelen en plantgoed die behoren tot de in bijlage I opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan en die bestemd zijn om te worden gebruikt voor bebossing, herbebossing, diversificatie op een bosperceel en andere boomaanplant en directe inzaai, voor een of meer van de volgende doeleinden:
|
|
2) |
“zaadeenheid”: kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie van plantgoed of voor directe inzaai; |
|
3) |
“plantgoed”: elke plant of elk plantendeel die of dat wordt gebruikt bij plantvermeerdering en bestaat uit planten die zijn opgekweekt uit zaadeenheden, plantendelen of uit planten die afkomstig zijn van natuurlijke regeneratie; |
|
4) |
“plantendelen”: stengelstekken, met of zonder wortels, blad- en wortelstekken, explantaten of embryo’s voor microvermeerdering, knoppen, afleggers, wortels, enten en andere plantendelen die voor de productie van plantgoed bestemd zijn; |
|
5) |
“bebossing”: het aanleggen van bos door aanplanting of doelbewust zaaien, met inbegrip van het aanplanten of doelbewust zaaien van regionaal aangepaste boomsoorten, op land dat tot dan toe onder een ander landgebruik viel, hetgeen een omzetting van landgebruik van niet-bos tot bos inhoudt; |
|
6) |
“herbebossing”: de herontwikkeling van bos door aanplanting, doelbewust zaaien, vegetatieve vermeerdering of natuurlijke regeneratie op als bos aangemerkte grond; |
|
7) |
“uitgangsmateriaal”: elk van de volgende typen materiaal als bedoeld in de tabel in bijlage VI: een zaadbron, een opstand, een zaadgaarde, een ouderplant van een familie, een kloon of een mengsel van klonen; |
|
8) |
“zaadbron”: de bomen binnen een afgebakend gebied waar BTM wordt verzameld; |
|
9) |
“opstand”: een afgebakende populatie bomen die voldoende uniform is wat de samenstelling betreft; |
|
10) |
“zaadgaarde”: een aanplant van geselecteerde bomen, waarbij elke individuele boom wordt geïdentificeerd aan de hand van een kloon of familie en waarbij die aanplant wordt geïsoleerd of beheerd teneinde bestuiving door externe bronnen te voorkomen of te beperken en wordt beheerd om veelvuldige, overvloedige en gemakkelijke zaadoogsten te verkrijgen; |
|
11) |
“ouderplanten van een familie”: bomen die ter verkrijging van nakomelingschap als ouderplanten worden gebruikt door gecontroleerde of vrije bestuiving van één geïdentificeerde, als moederplant fungerende ouderplant met het stuifmeel van een ouderplant (“full sibling”) of een aantal al dan niet geïdentificeerde ouderplanten (“half-sibling”); |
|
12) |
“kloon”: een individu of een groep individuen (“ramets”) die oorspronkelijk zijn afgeleid van één individuele uitgangsplant (“ortet”) door vegetatieve vermeerdering, bijvoorbeeld door stekken, microvermeerdering, enten, afleggen of delen, of oorspronkelijk zijn afgeleid van cellijnen; |
|
13) |
“mengsel van klonen”: een mengsel van geïdentificeerde klonen in bepaalde verhoudingen; |
|
14) |
“toegelaten eenheid”: het volledige gebied van uitgangsmateriaal of een of meer individuen van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM waarvoor door de bevoegde autoriteiten machtiging is verleend; |
|
15) |
“partij”: een van de volgende partijen: een partij zaden, een partij zaadeenheden, een partij planten of een partij plantendelen; |
|
16) |
“partij zaden”: een reeks zaden die uit goedgekeurd uitgangsmateriaal zijn verzameld en op eenvormige wijze zijn verwerkt; |
|
17) |
“partij planten”: een reeks planten die uit één enkele zaadpartij of uit vegetatief vermeerderd plantgoed zijn opgekweekt in een afgebakend gebied en op eenvormige wijze zijn verwerkt; |
|
18) |
“partij zaadeenheden”: een reeks zaadeenheden die uit goedgekeurd uitgangsmateriaal zijn verzameld en op eenvormige wijze zijn verwerkt; |
|
19) |
“partij plantendelen”: een reeks plantendelen die op uniforme wijze zijn verzameld en verwerkt; |
|
20) |
“partijcode”: de identificatiecode van een partij; |
|
21) |
“plaats van herkomst”: de naam van de plaats waar een zaadbron of opstand groeit; |
|
22) |
“herkomstgebied”: het gebied of de groep gebieden waar voldoende uniforme ecologische omstandigheden heersen en waar opstanden of zaadbronnen met soortgelijke fenotypische of genetische kenmerken worden aangetroffen, in voorkomend geval rekening houdend met hoogtegrenzen; |
|
23) |
“autochtone zaadbron of opstand”: een zaadbron of opstand die voortdurend en op natuurlijke wijze is geregenereerd of die kunstmatig is geregenereerd uit BTM dat in dezelfde zaadbron of opstand of in andere autochtone zaadbronnen of opstanden in de onmiddellijke nabijheid van die zaadbron of opstand is verzameld; |
|
24) |
“inheemse zaadbron of opstand”: een zaadbron of opstand die zich bevindt in een specifiek herkomstgebied dat deel uitmaakt van het natuurlijke verspreidingsgebied van de betrokken soort, die is opgekweekt uit zaad of vegetatief is vermeerderd, en waarvan de oorsprong in hetzelfde herkomstgebied ligt; |
|
25) |
“oorsprong”:
|
|
26) |
“locatie van het uitgangsmateriaal”: het geografische gebied of de geografische positie(s) van het uitgangsmateriaal, naargelang het geval voor elke categorie BTM; |
|
27) |
“basismateriaal”: een plant, groep planten, BTM, DNA-materiaal of genetische informatie van de kloon, of klonen in geval van een mengsel van klonen, die of dat dient als referentiemateriaal voor de verificatie van de identiteit van de betrokken kloon of klonen; |
|
28) |
“professionele marktdeelnemer”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepshalve belast is met de productie of verhandeling, of beide, van BTM; |
|
29) |
“productie”: alle fasen in het genereren van partijen BTM voor verhandeling, met inbegrip van het oogsten, verzamelen, opslaan, verwerken en distribueren, en het leveren tijdens die fasen, alsook het omzetten van partijen zaadeenheden en partijen plantendelen en het opkweken, vermenigvuldigen, onderhouden, opslaan en oogsten van partijen planten; |
|
30) |
“verhandeling”: de volgende handelingen die worden uitgevoerd door een professionele marktdeelnemer met betrekking tot BTM, al dan niet kosteloos:
|
|
31) |
“bevoegde autoriteit”:
|
|
32) |
“gemachtigde instantie”: een afzonderlijke rechtspersoon waaraan de bevoegde autoriteit bepaalde taken in verband met officiële controles of met andere officiële activiteiten heeft gedelegeerd; |
|
33) |
“categorie”: de indeling van BTM als materiaal van bekende origine of als geselecteerd, gekeurd of getest materiaal; |
|
34) |
“van bekende origine”: een categorie van BTM dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit een binnen één herkomstgebied gelegen zaadbron of opstand, en die aan de voorschriften van bijlage II voldoet; |
|
35) |
“geselecteerd”: een categorie van BTM dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen opstand, die op populatieniveau is geselecteerd, en die aan de voorschriften van bijlage III voldoet; |
|
36) |
“gekeurd”: een categorie van BTM dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit zaadgaarden, ouderplanten van een familie, klonen of mengsels van klonen, waarvan de componenten op individueel niveau zijn geselecteerd en die aan de voorschriften van bijlage IV voldoet; |
|
37) |
“getest”: een categorie van BTM dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit opstanden, zaadgaarden, ouderplanten van een familie, klonen of mengsels van klonen, waarbij de superioriteit van dat BTM door vergelijkende tests is aangetoond of een schatting van de superioriteit van het BTM is berekend op basis van de genetische evaluatie van de componenten van het uitgangsmateriaal, en die aan de voorschriften van bijlage V voldoet; |
|
38) |
“officiële certificering”: zowel de procedure die leidt tot de afgifte, als de afgifte zelf, van een basiscertificaat of een officieel etiket, overeenkomstig deze verordening; |
|
39) |
“officiële controles”: activiteiten ter verificatie van de naleving van deze verordening die worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van die activiteiten of door de instanties waaraan of de natuurlijke personen aan wie bepaalde van die activiteiten zijn gedelegeerd; |
|
40) |
“andere officiële activiteiten”: andere activiteiten met betrekking tot de goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie en verhandeling van BTM dan officiële controles, die worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten of door de instanties waaraan of de natuurlijke personen aan wie bepaalde van die activiteiten zijn gedelegeerd; |
|
41) |
“documentencontrole”: het onderzoek van basiscertificaten en andere documenten; |
|
42) |
“genetisch gemodificeerd organisme”: een genetisch gemodificeerd organisme zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2001/18/EG, met uitzondering van organismen die zijn verkregen met de technieken van genetische modificatie die zijn opgesomd in bijlage I B bij die richtlijn; |
|
43) |
“NGT-plant”: een NGT-plant zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 9), van Verordening (EU) 2026/1388; |
|
44) |
“inzetgebied”: het door de bevoegde autoriteiten aangewezen gebied waar BTM van de categorieën “gekeurd” en “getest” is aangepast aan de klimatologische en ecologische omstandigheden van dat gebied; |
|
45) |
“Forematis”: het informatiesysteem voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de Commissie; |
|
46) |
“natuurlijke regeneratie”: de vernieuwing van een bos door natuurlijke processen, waaronder natuurlijke inzaai, ontkieming, scheutvorming of aflegging; |
|
47) |
“kwaliteitsorganismen”: plaagorganismen:
|
HOOFDSTUK II
Uitgangsmateriaal en daarvan afgeleid BTM
Artikel 4
Goedkeuring van uitgangsmateriaal voor de productie van BTM
1. Voor de productie van BTM wordt alleen door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd uitgangsmateriaal gebruikt.
2. Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM dat als “van bekende origine” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage II.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM dat als “geselecteerd” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage III.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM dat als “gekeurd” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage IV.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM dat als “getest” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage V.
Bij het beoordelen van de vraag of aan de voorschriften van de bijlagen II tot en met V voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal is voldaan, wordt in voorkomend geval gebruikgemaakt van visuele inspecties, documentencontroles, tests en analyses. Ook van andere aanvullende methoden, zoals biochemische en moleculaire technieken, kan gebruik worden gemaakt indien zij relevant zijn voor die goedkeuring.
Het uitgangsmateriaal voor alle categorieën wordt beoordeeld op de duurzaamheidskenmerken ervan als vermeld in de bijlagen II tot en met V, rekening houdend met de klimatologische en ecologische omstandigheden.
De goedkeuring van het uitgangsmateriaal wordt uitgevoerd onder verwijzing naar de toegelaten eenheid.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II tot en met V.
Bij die wijzigingen worden de regels voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM aangepast om rekening te houden met de ontwikkelingen in de wetenschappelijke of technische kennis, met inbegrip van het gebruik van biochemische en moleculaire technieken, en de ontwikkeling van toepasselijke internationale normen.
4. Alleen goedgekeurd uitgangsmateriaal wordt opgenomen in het nationale register op grond van artikel 15. Het wordt geregistreerd onder verwijzing naar de toegelaten eenheid. Iedere toegelaten eenheid wordt met een uniek registernummer in dat nationale register opgenomen.
5. Het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”, wordt na de goedkeuring op regelmatige tijdstippen opnieuw geïnspecteerd door de bevoegde autoriteiten.
6. De goedkeuring van uitgangsmateriaal wordt ingetrokken indien niet langer aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.
Artikel 5
Voorschriften voor het verhandelen van BTM
1. BTM van de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest” wordt alleen in de Unie verhandeld indien het:
|
a) |
vergezeld gaat van een officieel etiket afgegeven op grond van artikel 20 (“officieel ticket”) door:
|
|
b) |
voldoet aan lid 2; |
|
c) |
vergezeld gaat van een professionele-marktdeelnemersdocument afgegeven op grond van artikel 20 (“professionele-marktdeelnemersdocument”), en |
|
d) |
vrij is van kwaliteitsorganismen en de daardoor veroorzaakte symptomen, of indien de aanwezigheid van dergelijke plaagorganismen op dat BTM zo gering is dat die plaagorganismen de kwaliteit ervan niet aantasten. |
2. BTM wordt door professionele marktdeelnemers verhandeld overeenkomstig de volgende regels:
|
a) |
BTM van de in bijlage I opgenomen boomsoorten en de natuurlijke hybriden daarvan wordt alleen verhandeld indien het behoort tot de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest” en is afgeleid van uitgangsmateriaal dat op grond van artikel 4 is goedgekeurd; |
|
b) |
BTM van de kunstmatige hybriden van de in bijlage I opgenomen boomsoorten wordt alleen verhandeld indien het behoort tot de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest” en is afgeleid van uitgangsmateriaal dat op grond van artikel 4 is goedgekeurd; |
|
c) |
BTM van de in bijlage I opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan dat geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen, met inbegrip van NGT-planten van categorie 2 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 14), van Verordening (EU) 2026/1388 bestaat, wordt alleen verhandeld indien:
|
|
d) |
BTM van de in bijlage I opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan dat geheel of gedeeltelijk uit een NGT-plant van categorie 1 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 13), van Verordening (EU) 2026/1388 bestaat, wordt alleen verhandeld indien:
|
|
e) |
BTM dat overeenkomstig deze verordening wordt verhandeld, voldoet aan de regels die zijn vastgelegd, of waarin is voorzien, in de relevante bepalingen van Verordening (EU) 2016/2031 met betrekking tot EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen en door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen, en aan de krachtens artikel 30, lid 1, van die verordening vastgestelde maatregelen. |
3. In het geval van partijen zaad wordt BTM van de in bijlage I opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan alleen verhandeld indien, naast het feit dat lid 2 van dit artikel moet worden nageleefd, informatie beschikbaar is over:
|
a) |
de zuiverheid, gemeten naar het gewichtspercentage zuiver zaad, ander zaad en inert materiaal; |
|
b) |
het kiempercentage van het zuivere zaad of, in gevallen waarin kiemtests onmogelijk of ondoenlijk zijn, het percentage van het zuivere zaad dat levensvatbaar is, beoordeeld aan de hand van een gespecificeerde methode; |
|
c) |
het duizendkorrelgewicht van het zuivere zaad; |
|
d) |
het aantal kiemkrachtige zaden per kilogram of liter van als zaad verhandeld product, of, indien het onmogelijk of ondoenlijk is het aantal kiemkrachtige zaden te beoordelen, het aantal levensvatbare zaden per kilogram of liter; |
|
e) |
voor kunstmatige hybriden, het hybridepercentage. |
In het geval van kleine hoeveelheden hoeft niet te worden voldaan aan de voorschriften van de punten b), d) en e) van de eerste alinea van dit lid.
4. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om te bepalen wat een kleine hoeveelheid is, als bedoeld in lid 3, tweede alinea, van dit artikel, met betrekking tot individuele soorten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
5. In afwijking van lid 3 mag BTM aan de eerste koper worden verhandeld voordat het in lid 3, eerste alinea, punten b) en d), bedoelde onderzoek met betrekking tot de kiemkracht is afgerond, indien dat nodig is om zaad van het gewas van het lopende seizoen snel beschikbaar te stellen. De professionele marktdeelnemer informeert de koper zo spoedig mogelijk over de naleving van de voorwaarden van lid 3, eerste alinea, punten b) en d). Een professionele marktdeelnemer die voornemens is van de in dit lid bedoelde afwijking gebruik te maken, stelt de bevoegde autoriteiten eenmaal van dat voornemen in kennis.
6. De categorieën waaronder BTM van de diverse typen uitgangsmateriaal mag worden verhandeld, zijn die van de tabel in bijlage VI.
7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31, lid 2, gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de tabel in bijlage VI.
Bij die wijzigingen worden de categorieën waaronder BTM van de verschillende typen uitgangsmateriaal mag worden verhandeld, aangepast om rekening te houden met de ontwikkelingen in de wetenschappelijke of technische kennis en met de ontwikkeling van toepasselijke internationale normen.
Artikel 6
Goedkeuring van uitgangsmateriaal met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw
1. In afwijking van artikel 4, lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten professionele marktdeelnemers machtigen om uitgangsmateriaal voor de productie van BTM goed te keuren met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
Die professionele marktdeelnemers zijn onderworpen aan de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgelegde voorschriften.
2. Om een machtiging krachtens lid 1 te verkrijgen, moet de professionele marktdeelnemer:
|
a) |
beschikken over de nodige kennis om te beoordelen of aan de voorschriften van artikel 4, lid 2, en van de bijlagen II tot en met V is voldaan; |
|
b) |
gekwalificeerd zijn of gekwalificeerd personeel in dienst hebben om de naleving van de voorschriften van artikel 4, lid 2, en van de bijlagen II tot en met V te waarborgen; |
|
c) |
in staat zijn het niveau van genetische diversiteit van het betrokken uitgangsmateriaal te beoordelen, de kritische punten voor de goedkeuring van het uitgangsmateriaal te monitoren en een administratie bij te houden van de resultaten van die monitoring. |
3. Op grond van lid 1 gemachtigde professionele marktdeelnemers zorgen ervoor dat het uitgangsmateriaal wordt goedgekeurd onder verwijzing naar een toegelaten eenheid overeenkomstig de voorschriften van de bijlagen II tot en met V betreffende de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw. Zij delen de gegevens van die toegelaten eenheid mee aan de bevoegde autoriteit.
De bevoegde autoriteit neemt een besluit over de opneming van het goedgekeurde uitgangsmateriaal in het nationale register op grond van artikel 15, na verificatie van de naleving van de voorschriften van artikel 4, lid 2, en van de bijlagen II tot en met V, met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
4. Indien de professionele marktdeelnemer niet langer aan de voorschriften van lid 1, tweede alinea, of van lid 2 van dit artikel voldoet, is artikel 12 van toepassing op de intrekking of wijziging van de in lid 1 van dit artikel bedoelde machtiging.
5. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de specifieke voorwaarden vast te stellen voor het beoordelen van de vraag of professionele marktdeelnemers in aanmerking komen om te worden gemachtigd om uitgangsmateriaal goed te keuren, alsook de voorwaarden voor het meedelen van de gegevens van de toegelaten eenheid aan de bevoegde autoriteit.
De uitvoeringshandelingen houden rekening met de ontwikkeling van toepasselijke internationale normen. Zij worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 7
Tijdelijke toelating voor het verhandelen van BTM dat aan minder strenge voorschriften voldoet of dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat aan minder strenge voorschriften voldoet
1. In geval van tijdelijke moeilijkheden in een of meer lidstaten bij de voorziening van BTM dat aan de voorschriften van deze verordening voldoet die niet kunnen worden opgelost door levering van binnen de Unie, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om een of meer lidstaten te machtigen het verhandelen van BTM dat voldoet aan minder strenge voorschriften dan die van artikel 5, lid 2, punten a) en b), artikel 5, lid 3, en artikel 8, of dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat aan minder strenge voorschriften voldoet dan die van de bijlagen II tot en met V, tijdelijk toe te staan, mits een dergelijke toelating noodzakelijk is om de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening te waarborgen.
Die uitvoeringshandelingen leggen de voorwaarden vast voor de tijdelijke toelating, namelijk:
|
a) |
de maximale duur van de toelating, die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen; |
|
b) |
verplichtingen met betrekking tot officiële controles van de professionele marktdeelnemers die de toelating aanvragen; |
|
c) |
de lidstaten waarop de toelating betrekking heeft; |
|
d) |
de betrokken gebieden, professionele marktdeelnemers of soorten voor elke lidstaat, naargelang het geval; |
|
e) |
het gebied waar het BTM mag worden verhandeld; |
|
f) |
andere voor elke lidstaat noodzakelijke voorwaarden voor verhandeling, en |
|
g) |
de categorieën waartoe de toelating beperkt is. |
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2. BTM waarvoor op grond van lid 1 van dit artikel een tijdelijke toelating is verleend, gaat vergezeld van een officieel etiket en een professionele-marktdeelnemersdocument. Daarnaast wordt in dat professionele-marktdeelnemersdocument vermeld dat het betrokken BTM voldoet aan minder strenge voorschriften dan die van artikel 5, lid 2, punten a) en b), artikel 5, lid 3, en artikel 8, of is afgeleid van uitgangsmateriaal dat aan minder strenge voorschriften voldoet dan die van de bijlagen II tot en met V.
Artikel 8
Bijzondere voorschriften voor bepaalde typen, soorten en categorieën BTM
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling, waar nodig, van deze verordening ten aanzien van de passende voorschriften voor elk type, elke soort of elke categorie BTM met betrekking tot:
|
a) |
zaadeenheden van de in bijlage I opgenomen boomsoorten wat betreft soortzuiverheid; |
|
b) |
plantendelen van de in bijlage I opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan, wat de kwaliteit in verband met de algemene kenmerken, gezondheidstoestand en omvang betreft; |
|
c) |
normen voor de uitwendige kwaliteit van door middel van stengelstekken, met of zonder wortels, vermeerderde Populus spp., wat gebreken en minimumafmetingen voor stengelstekken, met of zonder wortels, betreft; |
|
d) |
plantgoed van de in bijlage I opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan, wat de kwaliteit in verband met de algemene kenmerken, gezondheidstoestand, vitaliteit en fysiologische kwaliteit betreft; |
|
e) |
plantgoed dat bestemd is te worden verhandeld aan gebruikers in gebieden met specifieke ecoklimatologische omstandigheden, wat gebreken, omvang en leeftijd van de planten en, in voorkomend geval, omvang van de recipiënt betreft. |
Die gedelegeerde handelingen zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van de relevante voorschriften voor elk type, elke soort of elke categorie BTM wat betreft de bepalingen inzake inspecties, bemonstering en tests, en isolatie. In de gedelegeerde handelingen worden die voorschriften aangepast in het licht van de ontwikkeling van de toepasselijke internationale normen, de ontwikkelingen in de wetenschappelijke of technische kennis, of de klimatologische en ecologische ontwikkelingen.
Artikel 9
Noodplannen
1. Elke lidstaat kan een of meer noodplannen opstellen om te zorgen voor paraatheid en capaciteit om een toereikende voorziening van BTM tot stand te brengen voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, natuurbranden, ziekten, uitbraken van plagen, rampen of andere ongunstige gebeurtenissen, zoals bepaald in de nationale risicobeoordelingen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Besluit 1313/2013/EU zijn ontwikkeld.
Die noodplannen kunnen worden opgesteld voor een of meer van de in bijlage I bij deze verordening opgenomen boomsoorten en hybriden daarvan, die door de lidstaat als ecologisch relevant zijn aangemerkt in het licht van de huidige en verwachte klimatologische en ecologische omstandigheden en in voorkomend geval kunnen dienen om de vastgestelde risico’s op tekorten aan BTM aan te pakken.
2. Het noodplan kan de volgende elementen omvatten, naargelang de behoeften van de betrokken lidstaten:
|
a) |
de beoordeling van het risico op een groot tekort aan BTM en de mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid van mensen, dieren en planten en voor het milieu, op basis van de verwachte verspreiding van de in lid 1 bedoelde boomsoorten en, indien beschikbaar, op basis van simulaties van klimaatmodellen; |
|
b) |
de taken en verantwoordelijkheden van de actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van het noodplan en de maatregelen die de bevoegde autoriteiten, professionele marktdeelnemers en andere relevante actoren moeten nemen om de voorziening van BTM te waarborgen in geval van een groot tekort aan BTM; |
|
c) |
in voorkomend geval, de coördinatie met naburige lidstaten en naburige derde landen; |
|
d) |
een beschrijving van de middelen en het personeel die moeten worden aangehouden en ingezet in geval van een groot tekort aan BTM; |
|
e) |
een toelichting van de wijze waarop de middelen en het personeel zullen worden ingezet in geval van een groot tekort aan BTM; |
|
f) |
een toelichting van de coördinatie tussen de betrokken actoren van de te ondernemen acties in geval van een groot tekort aan BTM; |
|
g) |
de beginselen inzake de adequate competenties van het personeel van de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, de instanties, openbare autoriteiten, laboratoria, professionele marktdeelnemers en in punt b) bedoelde andere personen; |
|
h) |
de maatregelen om de Commissie, de lidstaten, de getroffen belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld in kennis te stellen van een groot tekort aan BTM en de maatregelen die zijn genomen om dat tekort aan te pakken; |
|
i) |
de regelingen voor het registreren van een groot tekort aan BTM; |
|
j) |
de methoden om de geografische gebieden waar zich een groot tekort aan BTM voordoet, af te bakenen; |
|
k) |
de inventarisatie van kwetsbaarheden in de voorziening van BTM, met inbegrip van hiermee verbonden sociaal-economische gevolgen, en maatregelen om die kwetsbaarheden te verminderen. |
3. De lidstaten evalueren en, indien nodig, actualiseren hun noodplannen om rekening te houden met nieuwe wetenschappelijke of technische kennis met betrekking tot de verspreiding van de boomsoorten en hybriden die onder die plannen vallen.
4. De lidstaten stellen hun noodplannen middels publicatie in Forematis ter beschikking van de Commissie, de andere lidstaten en alle relevante professionele marktdeelnemers.
5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door nadere omschrijving van de in lid 2 van dit artikel bedoelde elementen, ter ondersteuning van het opstellen en uitvoeren van de noodplannen.
HOOFDSTUK III
Registratie en machtiging van professionele marktdeelnemers en officieel toezicht door de bevoegde autoriteiten
Artikel 10
Verplichtingen voor professionele marktdeelnemers
1. Professionele marktdeelnemers moeten:
|
a) |
in de Unie gevestigd zijn; |
|
b) |
in elke lidstaat waar zij activiteiten verrichten die verband houden met de productie of verhandeling van BTM, voor die activiteiten worden geregistreerd overeenkomstig artikel 66 Verordening (EU) 2016/2031 in het in artikel 65 van verordening bedoelde register; |
|
c) |
persoonlijk beschikbaar zijn, of iemand anders aanwijzen die persoonlijk beschikbaar is, als contactpersoon voor de bevoegde autoriteiten om de uitvoering van officiële controles te faciliteren. |
2. Professionele marktdeelnemers stellen de relevante bevoegde autoriteit ervan in kennis indien zij niet langer actief zijn op het gebied van de productie en verhandeling van BTM. In dat geval trekt de bevoegde autoriteit hun registratie in.
3. Professionele marktdeelnemers waarborgen de traceerbaarheid en identificatie van BTM in alle fasen van productie en verhandeling, onder meer door informatie vast te leggen over de professionele marktdeelnemers die BTM leveren en de professionele marktdeelnemers of gebruikers aan wie BTM wordt geleverd, en door middel van de informatie op het officiële etiket en het professionele-marktdeelnemersdocument. Professionele marktdeelnemers beschikken over een systeem waarmee de informatie die van belang is voor de traceerbaarheid en identificatie van BTM kan worden gemonitord voor eigen controles en officiële controles.
4. De in lid 3 bedoelde informatie wordt gedurende ten minste tien jaar opgeslagen op een wijze die waarborgt dat de informatie niet kan worden vervalst. Deze periode begint aan het einde van het jaar waarin het professionele-marktdeelnemersdocument is opgesteld. De informatie kan in digitaal leesbare vorm worden opgeslagen. De lidstaten kunnen de inhoud van de geregistreerde gegevens reguleren en alleen digitale gegevens voorschrijven.
5. De professionele marktdeelnemers zorgen ervoor dat gebruikers toegang hebben tot de bestaande beschikbare informatie over de geschiktheid van BTM voor bepaalde klimatologische en ecologische omstandigheden, op basis van de beschikbare kennis en gegevens. Voorafgaand aan de overdracht van het betrokken BTM wordt die informatie via websites, plantersgidsen of andere passende middelen aan de potentiële gebruiker verstrekt.
6. Voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van officiële controles geven de professionele marktdeelnemers het personeel van de bevoegde autoriteiten, indien vereist door die autoriteiten, toegang tot:
|
a) |
de uitrusting, bedrijfsruimten en andere locaties, inclusief uitgangsmateriaal, die onder hun beheer vallen; |
|
b) |
hun geautomatiseerde informatiebeheersystemen; |
|
c) |
het BTM dat onder hun beheer valt; |
|
d) |
hun documenten en alle andere relevante informatie. |
7. Tijdens de officiële controles bieden de professionele marktdeelnemers ondersteuning aan en werken ze samen met de personeelsleden van de bevoegde autoriteiten bij de uitvoering van hun taken.
8. De in de leden 6 en 7 omschreven verplichtingen voor professionele marktdeelnemers zijn ook van toepassing als de officiële controles of andere officiële activiteiten worden uitgevoerd door gedelegeerde instanties en natuurlijke personen aan wie bepaalde officiële controletaken of bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten zijn gedelegeerd.
Artikel 11
Machtiging van een professionele marktdeelnemer voor de productie en verhandeling van BTM onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit
1. Een bevoegde autoriteit kan een professionele marktdeelnemer op diens aanvraag machtigen om alle of bepaalde activiteiten uit te voeren die nodig zijn voor de productie en verhandeling van BTM onder officieel toezicht van die bevoegde autoriteit, en voor dat BTM een officieel etiket af te geven.
Om in aanmerking te komen voor dergelijke machtigingen, afhankelijk van de activiteiten waarvoor een machtiging moet worden verleend, moet de professionele marktdeelnemer:
|
a) |
beschikken over de nodige kennis om aan de in artikel 5 bedoelde voorschriften te kunnen voldoen; |
|
b) |
gekwalificeerd zijn of gekwalificeerd personeel in dienst hebben om een of meer van de volgende activiteiten uit te voeren om de naleving van de voorschriften van artikel 5 te waarborgen:
|
|
c) |
geïdentificeerd hebben wat de kritische punten van het productieproces zijn die invloed kunnen hebben op de kwaliteit en de aard van het BTM, in staat zijn die punten te monitoren, en een administratie bijhouden van de resultaten van die monitoring, en |
|
d) |
beschikken over systemen om de naleving van de voorschriften betreffende partijen krachtens artikel 19, en de afgifte van het officiële etiket krachtens artikel 20, te waarborgen. |
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van lid 1 van dit artikel, middels het vastleggen van een of beide van de volgende elementen:
|
a) |
de procedure voor door de professionele marktdeelnemer in te dienen machtigingsaanvragen; |
|
b) |
specifieke activiteiten die de bevoegde autoriteit moet verrichten om de naleving van lid 1, punten a) tot en met d), van dit artikel te bevestigen. |
Artikel 12
Intrekking of wijziging van de machtiging van een professionele marktdeelnemer
1. Indien een professionele marktdeelnemer aan wie op grond van artikel 11 een machtiging is verleend, niet langer voldoet aan de voorschriften van artikel 10, lid 1, punt c), artikel 10, lid 5, en artikel 11, lid 1, verzoekt de bevoegde autoriteit de professionele marktdeelnemer om binnen een bepaalde termijn corrigerende maatregelen te nemen.
2. Indien de gemachtigde professionele marktdeelnemer de in lid 1 bedoelde corrigerende maatregelen niet binnen de gestelde termijn heeft genomen, trekt de bevoegde autoriteit de machtiging onverwijld in, of wijzigt zij deze, naargelang het geval.
3. Indien de bevoegde autoriteit concludeert dat de machtiging van de professionele marktdeelnemer op frauduleuze wijze is verkregen, legt de bevoegde autoriteit de professionele marktdeelnemer passende sancties op.
4. Indien de professionele marktdeelnemer, om andere redenen dan bedrijfssluiting, tijdelijk of permanent niet langer de activiteiten verricht waarop de machtiging betrekking had, verzoekt de professionele marktdeelnemer om tijdelijke schorsing of om intrekking van de machtiging, overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit.
Artikel 13
Officieel toezicht door de bevoegde autoriteiten
1. Ten behoeve van de activiteiten van de professionele marktdeelnemers onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteiten voeren de bevoegde autoriteiten regelmatige controles uit om zeker te stellen dat de professionele marktdeelnemers aan de in artikel 11, lid 1, bedoelde voorschriften voldoen.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde controles bestaan uit officiële inspecties en bemonstering en tests van het BTM om te bevestigen dat het voldoet aan de voorschriften van artikel 5, voor zover noodzakelijk.
De frequentie van die controles wordt bepaald op basis van een beoordeling van het potentiële risico dat het BTM niet aan die voorschriften voldoet.
3. De in lid 1 bedoelde controles kunnen inhouden dat er referentiesystemen worden ingevoerd om de identiteit van het BTM genetisch te kunnen verifiëren, zoals biochemische en moleculaire technieken.
HOOFDSTUK IV
Registratie van uitgangsmateriaal en afbakening van herkomstgebieden
Artikel 14
Afbakening van herkomstgebieden voor bepaalde categorieën
1. Voor de relevante types uitgangsmateriaal die zijn bestemd voor de productie van BTM in de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” bakenen de lidstaten de herkomstgebieden af.
2. De bevoegde autoriteiten stellen kaarten op met de afbakening van de herkomstgebieden en publiceren deze op hun website. Zij stellen die kaarten via Forematis ter beschikking van de Commissie en van de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten.
Artikel 15
Nationaal register van uitgangsmateriaal
1. Elke lidstaat stelt een nationaal register op van uitgangsmateriaal van de verschillende soorten die op grond van de artikelen 4, 6 en 22 op zijn grondgebied zijn goedgekeurd, publiceert het in elektronische vorm en houdt het actueel.
Elke lidstaat stelt dat register in elektronische vorm via Forematis ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten, in het door Forematis gebruikte formaat.
2. De lidstaten gebruiken het door Forematis gebruikte formaat voor de bekendmaking van elke toegelaten eenheid in het nationale register.
3. Het nationale register omvat ten minste de volgende elementen:
|
a) |
de wetenschappelijke naam van het geslacht en de soort en, in voorkomend geval, de gangbare naam in een officiële taal van de instellingen van de Unie; |
|
b) |
de categorie BTM; |
|
c) |
het type uitgangsmateriaal; |
|
d) |
het registernummer; |
|
e) |
de locatie van het uitgangsmateriaal, dat wil zeggen een korte naam, indien van toepassing, en een van de volgende bijzonderheden:
|
|
f) |
de grootte van elke zaadbron, opstand of zaadgaarde, uitgedrukt in hectare of aantal bomen; |
|
g) |
oorsprong:
|
|
h) |
een of meer gebruiksdoeleinden van het BTM zoals bedoeld in artikel 3, punt 1); |
|
i) |
andere informatie die van belang is voor het uitgangsmateriaal; |
|
j) |
voor BTM van de categorie “getest”, een vermelding of het teeltmateriaal:
|
|
k) |
voor BTM in de categorieën “gekeurd” en “getest”, informatie over de productieplaats van nakomelingen van ouderplanten van een familie, nakomelingen van klonen of mengsels van klonen, meer bepaald de plaats of exacte geografische positie waar het BTM is geproduceerd; |
|
l) |
indien een databank van de bevoegde autoriteit openbaar toegankelijk is, een link naar die databank, met inbegrip van de basiscertificaten en codes die overeenstemmen met de respectieve toegelaten eenheden, of een link naar het in artikel 18, lid 9, punt b), bedoelde platform; |
|
m) |
informatie over de selectiecriteria die zijn toegepast voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal overeenkomstig de bijlagen II tot en met V, naargelang het geval, alsmede documentatie of bewijsstukken die zijn gebruikt om de oorsprong van het betrokken uitgangsmateriaal te bepalen. |
De locatie van het onder punt e) van de eerste alinea bedoelde uitgangsmateriaal wordt aangegeven met behulp van het door Forematis gespecificeerde uniforme coördinatensysteem.
Voor de toepassing van punt g), iii), van de eerste alinea, mag voor zaadgaarden die zich in een verder gevorderde teeltfase bevinden, informatie uit de teeltgegevens worden gebruikt in plaats van informatie over de oorsprong en het herkomstgebied of de herkomstgebieden.
4. In afwijking van artikel 4 registreren de bevoegde autoriteiten in hun in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale registers onmiddellijk het uitgangsmateriaal dat vóór 17 juli 2031 in hun in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 1999/105/EG bedoelde nationale registers is opgenomen, zonder de registratieprocedure van lid 2 van dat artikel toe te passen.
Artikel 16
Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal
Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 15 ingestelde nationale registers publiceert de Commissie een lijst met als titel: “Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal”.
Die lijst wordt in elektronische vorm beschikbaar gesteld via Forematis.
HOOFDSTUK V
Basiscertificaat, etikettering en verpakking
Artikel 17
Oogsten en verzamelen van uitgangsmateriaal
1. Met inachtneming van een redelijke termijn vóór de oogst stelt de professionele marktdeelnemer de bevoegde autoriteit in kennis van zijn voornemen om BTM te oogsten, zodat de bevoegde autoriteit officiële controles kan organiseren.
2. Wanneer BTM van de in bijlage I vermelde boomsoorten, en hybriden daarvan, voor andere doeleinden dan het verhandelen als BTM in de Unie wordt geoogst, meldt de professionele marktdeelnemer dit in de in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving.
3. Tijdens de verzameling en verwerking van BTM, vóór verhandeling of rechtstreeks gebruik, wordt het geoogste BTM voorzien van een door de professionele marktdeelnemer afgegeven voorlopig etiket met een unieke referentie naar het uitgangsmateriaal, de verzamelingsdatum, de naam van de professionele marktdeelnemer en de geoogste hoeveelheid. Dat etiket wordt vervangen door het officiële etiket zodra aan de desbetreffende voorschriften is voldaan.
4. De bevoegde autoriteit kan de technische voorwaarden vaststellen waarmee rekening moet worden gehouden tijdens het oogsten en verzamelen.
5. De professionele-marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor het oogsten van BTM zorgt ervoor dat het oogsten de regeneratie van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw niet in het gedrang brengt.
6. Professionele marktdeelnemers die verantwoordelijk zijn voor het oogsten, extraheren, reinigen en verpakken van BTM zorgen er overeenkomstig de toepasselijke internationale normen voor dat de partijen zaadeenheden en plantendelen voldoende homogeen zijn voordat ze worden verhandeld of gebruikt.
7. Professionele marktdeelnemers bewaren gedurende een periode van ten minste tien jaar geregistreerde gegevens over alle zendingen die in voorraad zijn gehouden en zijn verhandeld, en verstrekken deze gegevens op verzoek aan de bevoegde autoriteit.
Artikel 18
Basiscertificaat
1. Het basiscertificaat van identiteit (“basiscertificaat”) bevestigt dat het BTM aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
|
a) |
het wordt verkregen uit één toegelaten eenheid uitgangsmateriaal overeenkomstig artikel 4, lid 2, zevende alinea; |
|
b) |
het wordt verkregen door verdere vegetatieve vermeerdering overeenkomstig artikel 19, lid 2; |
|
c) |
het wordt verkregen uit een mengsel van partijen zaden of partijen plantendelen overeenkomstig artikel 19, lid 3; |
|
d) |
het wordt ingevoerd en het officiële certificaat ervan wordt vervangen overeenkomstig artikel 27, lid 3, punt a). |
2. De bevoegde autoriteiten geven het basiscertificaat voor BTM, voorzien van een unieke code, af op aanvraag van een professionele marktdeelnemer, zo spoedig mogelijk na het oogsten van het BTM of het extraheren van de zaden, afhankelijk van de omstandigheden en de aard van het BTM, of na de invoer van het BTM, met vermelding van het unieke registernummer van het uitgangsmateriaal.
3. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de inhoud van en de modellen voor het basiscertificaat worden beschreven, specifiek voor:
|
a) |
het model van het basiscertificaat voor BTM dat wordt verkregen uit zaadbronnen en opstanden; |
|
b) |
het model van het basiscertificaat voor BTM dat wordt verkregen uit zaadgaarden of ouderplanten van een familie, en |
|
c) |
het model van het basiscertificaat voor BTM dat wordt verkregen uit klonen en mengsels van klonen. |
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
4. Indien een professionele marktdeelnemer overeenkomstig artikel 19, lid 2, het BTM verder vegetatief vermeerdert, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis en wordt een nieuw basiscertificaat afgegeven op grond van lid 2 van dit artikel.
5. Wanneer overeenkomstig artikel 19, lid 3, menging plaatsvindt, dragen de lidstaten er zorg voor dat de registernummers van de componenten van de mengsels identificeerbaar blijven, en wordt voor het mengsel een nieuw basiscertificaat afgegeven, overeenkomstig lid 2 van dit artikel. De professionele marktdeelnemer stelt de bevoegde autoriteit in kennis van zijn voornemen om te mengen met inachtneming van een redelijke termijn voorafgaand aan de uitvoering ervan. De bevoegde autoriteit kan besluiten toezicht te houden op het mengproces.
6. Wanneer een partij als bedoeld in artikel 19, lid 1, wordt onderverdeeld in kleinere partijen die niet uniform worden verwerkt en verder vegetatief worden vermeerderd, wordt op grond van lid 2 van dit artikel een nieuw basiscertificaat afgegeven waarbij de code van het vorige basiscertificaat wordt vermeld.
7. Op verzoek van de professionele marktdeelnemer geven de bevoegde autoriteiten op grond van lid 2 een basiscertificaat af ter vervanging van een op grond van Richtlijn 1999/105/EG afgegeven basiscertificaat. In dat geval wordt op het basiscertificaat de volgende vermelding aangebracht: “Het uitgangsmateriaal voldoet aan de voorschriften van Richtlijn 1999/105/EG.”
8. Een basiscertificaat kan in elektronische vorm worden afgegeven (“elektronisch basiscertificaat”).
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin technische regelingen voor de afgifte van elektronische basiscertificaten en voor het gebruik van elektronische handtekeningen worden vastgelegd, om ervoor te zorgen dat de elektronische basiscertificaten overeenstemmen met dit artikel, en om een passende, geloofwaardige en doeltreffende procedure voor de afgifte ervan te verzekeren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
9. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van dit artikel door regels vast te leggen inzake:
|
a) |
digitale registratie van de belangrijkste acties ter verificatie van de voorschriften voor goedkeuring van het uitgangsmateriaal, die leiden tot de afgifte van het basiscertificaat; |
|
b) |
de oprichting van een gecentraliseerd platform dat alle lidstaten en de Commissie met elkaar verbindt, om de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van de basiscertificaten te vergemakkelijken. |
10. Elke lidstaat stelt een nationale lijst op van afgegeven basiscertificaten, werkt deze regelmatig bij en stelt deze lijst op verzoek ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten.
11. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met regels aangaande:
|
a) |
de procedures en de technische regelingen om de afgifte van accurate en betrouwbare basiscertificaten te waarborgen en frauderisico te vermijden; |
|
b) |
de te volgen procedures om basiscertificaten in te trekken en vervangende basiscertificaten af te geven; |
|
c) |
regels voor de afgifte van gewaarmerkte kopieën van basiscertificaten. |
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 19
Partijen
1. BTM moet in alle fasen van productie en verhandeling worden bewaard in afzonderlijke partijen, onder verwijzing naar de individuele toegelaten eenheden, en naar het basiscertificaat zodra het is afgegeven.
Iedere partij BTM wordt geïdentificeerd aan de hand van:
|
a) |
een partijcode; tijdens de oogst kan de partijcode als code van het basiscertificaat dienen, in afwachting van de afgifte van het basiscertificaat door de bevoegde autoriteit; |
|
b) |
het doeleinde of de doeleinden zoals bedoeld in artikel 3, punt 1); |
|
c) |
de code van het basiscertificaat, zodra dit is afgegeven; |
|
d) |
de wetenschappelijke naam van het geslacht en de soort en, in voorkomend geval, de gangbare naam in een officiële taal van de instellingen van de Unie; |
|
e) |
de categorie BTM; |
|
f) |
het type uitgangsmateriaal; |
|
g) |
het registernummer; |
|
h) |
het herkomstgebied voor BTM van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” en, indien van toepassing, voor ander BTM; |
|
i) |
de oorsprong, indien van toepassing, en een vermelding of het uitgangsmateriaal inheems, niet-inheems of van onbekende oorsprong is en, indien het inheems is, of het autochtoon of niet-autochtoon is; |
|
j) |
in het geval van zaadeenheden, het rijpingsjaar; |
|
k) |
de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed, ongeacht of het gaat om afgepende, verspeende of in recipiënten verpakte exemplaren; |
|
l) |
voor de categorie “getest”, een vermelding of het BTM:
|
2. Onverminderd lid 1 houden professionele marktdeelnemers al het BTM dat verder vegetatief wordt vermeerderd, gescheiden van de rest, en duiden het als zodanig aan. In deze gevallen wordt het BTM dat middels die verdere vegetatieve vermeerdering is geproduceerd, in dezelfde categorie ingedeeld als het oorspronkelijke BTM.
3. Onverminderd lid 1 gelden voor het mengen van partijen zaden of partijen plantendelen een of meer van de volgende voorwaarden, naargelang het geval:
|
a) |
binnen de categorieën “van bekende origine” of “geselecteerd” wordt het mengen toegepast op partijen zaden die afkomstig zijn van twee of meer toegelaten eenheden binnen één enkel herkomstgebied; |
|
b) |
het mengen vindt alleen plaats binnen dezelfde soort, hetzelfde herkomstgebied en dezelfde categorie; |
|
c) |
in geval van menging van partijen zaden, dat verkregen is uit zaadbronnen en opstanden van de categorie “van bekende origine”, wordt de nieuwe gecombineerde partij gecertificeerd als “partijen zaad afgeleid van een zaadbron”; |
|
d) |
in geval van menging van partijen zaden die zijn afgeleid van niet-inheems uitgangsmateriaal, met partijen zaden die uit uitgangsmateriaal van onbekende oorsprong zijn verkregen, wordt de nieuwe gecombineerde partij gecertificeerd als “van onbekende oorsprong”; |
|
e) |
in geval van menging van partijen zaden die in hetzelfde rijpingsjaar of in verschillende rijpingsjaren zijn verkregen uit één enkele toegelaten eenheid, worden de feitelijke rijpingsjaren en het relatieve aandeel van het zaad van elk jaar geregistreerd; |
|
f) |
in geval van menging van partijen plantendelen die in een of meerdere verzamelingsjaren zijn verkregen uit één enkele toegelaten eenheid, worden de feitelijke verzamelingsjaren en het relatieve aandeel van de plantendelen van elk jaar geregistreerd. |
In geval van menging zoals bedoeld in punt a), c) of d), mag de identiteitscode van het herkomstgebied worden gebruikt in plaats van het in lid 1, punt g), bedoelde registernummer. De resulterende partij moet zodanig worden gemengd dat deze homogeen is.
Artikel 20
Officieel etiket en professionele-marktdeelnemersdocument
1. Voor elke partij BTM die wordt verhandeld, wordt een officieel etiket afgegeven en afgedrukt met vermelding van de code van het basiscertificaat en de partijcode, door:
|
a) |
de bevoegde autoriteit, of |
|
b) |
de gemachtigde professionele marktdeelnemer of een door die professionele marktdeelnemer onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit gecontracteerde persoon. |
Op dat officiële etiket wordt bevestigd dat aan de voorschriften van artikel 5, artikel 19 en, indien van toepassing, artikel 8 is voldaan.
Er hoeft geen officieel etiket te worden afgegeven en afgedrukt voor een partij BTM die in bewaring wordt gehouden en wordt aangeboden met het oog op verkoop. In dat geval moeten echter de code van het basiscertificaat en de partijcode worden vermeld.
2. Het officiële etiket zorgt voor eenduidige identificatie en traceerbaarheid van de partij aangezien het tijdens de in lid 1 bedoelde verhandeling op die partij blijft aangebracht.
3. Bij de levering van partijen BTM aan een andere gebruiker geeft de professionele marktdeelnemer, naast het officiële etiket, voor elke geleverde partij een professionele-marktdeelnemersdocument af, dat kan worden gecombineerd met een leveringsbon of een factuur, en drukt het af.
4. De officiële etiketten:
|
a) |
moeten authentiek en accuraat zijn; |
|
b) |
moeten worden opgesteld in een of meer van de officiële talen van de instellingen van de Unie en, waar relevant, in een van de officiële talen van de lidstaat van bestemming. |
5. Het officiële etiket bevat alle in artikel 19, lid 1, punten a) tot en met e), g) en l), vermelde elementen, alsook:
|
a) |
de registratiecode van de professionele marktdeelnemer die als leverancier optreedt en die het officiële etiket afgeeft of aan wie het officiële etiket is afgegeven door de bevoegde autoriteit, en |
|
b) |
in het geval van BTM in de categorie “getest”, waarvoor het uitgangsmateriaal krachtens artikel 23 is goedgekeurd, de woorden: “voorlopig goedgekeurd”. |
Het officiële etiket kan een niet-officieel deel bevatten dat een of meer elementen van het in lid 7 van dit artikel bedoelde professionele-marktdeelnemersdocument bevat.
Het officiële etiket kan voorts een digitaal onderdeel zoals een QR-code bevatten, waarin een of meer van de in dit lid bedoelde elementen vervat zijn.
6. Het officiële etiket wordt bevestigd aan de buitenkant van de verpakkingen, de bundels, de netten, de recipiënten of de afzonderlijke planten. Wanneer het officiële etiket wordt gecombineerd met een plantenpaspoort, is artikel 88 van Verordening (EU) 2016/2031 van toepassing.
7. Het professionele-marktdeelnemersdocument bevat:
|
a) |
alle in lid 5, eerste alinea, bedoelde elementen; |
|
b) |
alle in artikel 19, lid 1, bedoelde elementen die niet in lid 5 van dit artikel worden genoemd; |
|
c) |
de naam en het adres van de professionele marktdeelnemer; |
|
d) |
de geleverde hoeveelheid BTM; |
|
e) |
indien van toepassing, de lidstaat of lidstaten waar het betrokken BTM is geproduceerd; |
|
f) |
indien van toepassing, het derde land van oorsprong van het betrokken BTM; |
|
g) |
de naam en het adres van de ontvanger van het betrokken BTM; |
|
h) |
de afgiftedatum van het professionele-marktdeelnemersdocument; |
|
i) |
de code van het professionele-marktdeelnemersdocument; |
|
j) |
een vermelding of het BTM vegetatief vermeerderd is, en |
|
k) |
de aanvullende informatie in het geval van in artikel 5, lid 3, bedoelde partijen zaden; voor kleine hoeveelheden zaden als bedoeld in artikel 5, lid 3, hoeft de in punten b) en d) van dat lid bedoelde informatie echter niet in het professionele-marktdeelnemersdocument te worden vermeld. |
8. Naast de in lid 7 genoemde elementen kan het professionele-marktdeelnemersdocument het volgende bevatten:
|
a) |
een vermelding of het BTM is afgeleid van autochtoon of niet-autochtoon uitgangsmateriaal, indien dit op grond van artikel 15, lid 3, punt g), is geregistreerd; |
|
b) |
alle aanvullende informatie die de professionele marktdeelnemer passend acht voor het verhandelen van het betrokken BTM. |
9. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het formaat, de grootte, de vorm en de kleur van het officiële etiket en van het professionele-marktdeelnemersdocument voor alle of specifieke categorieën of andere typen BTM worden vastgesteld.
In die uitvoeringshandelingen worden de volgende elementen gespecificeerd:
|
a) |
een inhoudsvermelding; |
|
b) |
de kleur van het etiket voor specifieke categorieën of andere typen BTM; |
|
c) |
aanvullende informatie in het geval van zaad en kleine hoeveelheden zaad; |
|
d) |
aanvullende informatie in het geval van specifieke geslachten of soorten. |
Bij het specificeren van de kleur van het etiket op grond van de tweede alinea, punt b) van dit lid, houdt de Commissie rekening met de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en andere toepasselijke internationale normen.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De lidstaten kunnen besluiten de op grond van dit lid vastgestelde uitvoeringshandelingen niet toe te passen met betrekking tot het gebruik van de kleur voor het officiële etiket en het professionele-marktdeelnemersdocument, als bedoeld in punt b) van dit lid.
10. Een officieel etiket of professionele-marktdeelnemersdocument kan in elektronische vorm worden afgegeven (“elektronisch officieel etiket” of “elektronisch professionele-marktdeelnemersdocument”). In dat geval moet het betrokken BTM vergezeld gaan van een afgedrukte verwijzing, zoals een QR-code.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin technische regelingen voor de afgifte van elektronische officiële etiketten of elektronisch professionele-marktdeelnemersdocumenten worden vastgelegd, om ervoor te zorgen dat ze voldoen aan dit artikel, en om een passende, geloofwaardige en doeltreffende wijze voor de afgifte ervan te verzekeren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
11. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van dit artikel door regels vast te leggen inzake:
|
a) |
de digitale registratie van de belangrijkste acties voor de productie en het verhandelen van BTM die de professionele marktdeelnemers en de bevoegde autoriteit verrichten die leiden tot de afgifte van de officiële etiketten en de professionele-marktdeelnemersdocumenten; |
|
b) |
de oprichting van een gecentraliseerd platform dat de lidstaten en de Commissie met elkaar verbindt, om de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die geregistreerde gegevens te vergemakkelijken. |
Artikel 21
Verpakkingen van zaadeenheden
Zaadeenheden mogen alleen worden verhandeld in gesloten verpakkingen, met inbegrip van netten of andere recipiënten, die verzegeld zijn. Die verpakkingen worden zodanig verzegeld dat elke opening ervan zichtbaar en traceerbaar is.
Verzegeling is niet vereist in het geval van recalcitrante zaden.
HOOFDSTUK VI
Afwijkingen van Artikel 4
Artikel 22
Goedkeuring door professionele marktdeelnemers van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “van bekende origine”
1. In afwijking van artikel 4, lid 1, mogen de bevoegde autoriteiten, na goedkeuring door de Commissie, professionele marktdeelnemers machtigen om uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “van bekende origine”, voor specifieke soorten goed te keuren, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
het herkomstgebied waar het uitgangsmateriaal zich bevindt, is onderhevig aan extreme weers- en klimaatomstandigheden; |
|
b) |
die extreme weers- en klimaatomstandigheden hebben gevolgen voor de voortplantingscyclus van het uitgangsmateriaal en verlagen de frequentie van mastjaren, waardoor er minder frequent hoogwaardig BMT beschikbaar is; |
|
c) |
de plaats waar het BMT wordt geoogst is afgelegen en is tijdens het oogsten ervan zeer moeilijk toegankelijk voor de bevoegde autoriteiten. |
2. De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast waarbij aan elke lidstaat voor een bepaalde periode goedkeuring wordt verleend. De goedkeuring wordt verleend op verzoek van de betrokken lidstaat.
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 23
Voorlopige goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM in de categorie “getest”
1. In afwijking van artikel 4, lid 2, mogen de lidstaten uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “getest” goedkeuren voor een periode van ten hoogste tien jaar, indien de voorlopige resultaten van de in bijlage V bedoelde genetische evaluatie of vergelijkende tests de veronderstelling schragen dat het uitgangsmateriaal, wanneer de tests zijn voltooid, aan de goedkeuringsvoorschriften van deze verordening zal voldoen.
2. De Commissie kan een uitvoeringshandeling vaststellen waarin het maximumaantal toegelaten eenheden en de maximale oppervlakte die aan een dergelijke toelating kan worden onderworpen, worden gespecificeerd.
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 24
Tijdelijke experimenten om voor bepaalde aspecten van deze verordening alternatieven te vinden
1. In afwijking van de artikelen 4 en 5 kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarmee gedetailleerde regelingen worden vastgesteld voor het organiseren van tijdelijke experimenten om betere alternatieven te vinden voor bepaalde aspecten van deze verordening, die betrekking hebben op de boomsoorten in bijlage I en hybriden daarvan, de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal, en de productie en verhandeling van BTM.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Dergelijke experimenten worden alleen uitgevoerd als ten minste twee lidstaten op eigen verzoek deelnemen.
De experimenten kunnen de vorm aannemen van technische of wetenschappelijke proeven waarmee de haalbaarheid en geschiktheid van nieuwe voorschriften, ten opzichte van die van de artikelen 4 en 5, worden onderzocht.
2. De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen bevatten details over een of meer van de volgende elementen:
|
a) |
de betrokken boomsoorten en, in voorkomend geval, de plaats van herkomst; |
|
b) |
de omstandigheden van de experimenten per boomsoort of hybride; |
|
c) |
de duur van het experiment; |
|
d) |
de monitoring- en verslagleggingsverplichtingen van de deelnemende lidstaten. |
3. Bij de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van:
|
a) |
de methoden voor het bepalen van de oorsprong van het uitgangsmateriaal, met inbegrip van het gebruik van biochemische en moleculaire technieken; |
|
b) |
de methoden voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw, rekening houdend met de toepasselijke internationale normen; |
|
c) |
de methoden voor productie en reproductie, met inbegrip van het gebruik van innovatieve productieprocessen; |
|
d) |
de methoden voor het ontwerpen van kruisingsschema’s van componenten van het uitgangsmateriaal; |
|
e) |
de methoden voor de beoordeling van de kenmerken van het uitgangsmateriaal en het BTM; |
|
f) |
de methoden voor de controle van het betrokken BTM. |
De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden aangepast aan de ontwikkeling van de productietechnieken voor het betrokken BTM en gebaseerd op eventuele vergelijkende proeven en tests die door de lidstaten worden uitgevoerd.
4. De Commissie evalueert de resultaten van de op grond van dit artikel uitgevoerde experimenten en vat ze samen in een verslag, waarbij zij zo nodig aangeeft dat artikel 1, 4 of 5 moet worden gewijzigd.
Artikel 25
Machtiging om strengere of aanvullende voorschriften vast te stellen
1. In afwijking van artikel 4 kan de Commissie een uitvoeringshandeling vaststellen waarbij een lidstaat op zijn verzoek wordt gemachtigd om:
|
a) |
strengere productievoorschriften dan de in artikel 4 bedoelde voorschriften of aanvullende productievoorschriften vast te stellen met betrekking tot de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie van BTM, op het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat of een deel daarvan, op voorwaarde dat die voorschriften niet leiden tot verboden of beperkingen op het binnenbrengen van BTM dat aan deze verordening voldoet in het grondgebied van de Unie, of het verkeer ervan binnen en door dat grondgebied; |
|
b) |
op zijn grondgebied beperkingen op te leggen aan de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van de categorie “van bekende origine”; |
|
c) |
te verbieden dat gespecificeerd BTM wordt verhandeld aan de eindgebruiker met het oog op het zaaien of planten ervan op zijn gehele grondgebied of een deel daarvan, indien dat BTM niet geschikt is voor de ecologische omstandigheden in de bosbouw van de betrokken lidstaat en voor de relevante doeleinden. |
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2. Het in lid 1 bedoelde verzoek van de lidstaat omvat:
|
a) |
de ontwerpbepalingen die de voorgestelde voorschriften bevatten, en |
|
b) |
een motivering van de noodzaak en de evenredigheid van die voorschriften. |
3. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt uitsluitend verleend als aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
a) |
de gevraagde maatregelen waarborgen ten minste een van de volgende doelen:
|
|
b) |
de gevraagde maatregelen zijn noodzakelijk en staan in verhouding tot hun doel op grond van punt a), en |
|
c) |
de maatregelen zijn gerechtvaardigd op grond van de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden in de betrokken lidstaat. |
4. De lidstaten die op grond van artikel 7 van Richtlijn 1999/105/EG aanvullende of strengere voorschriften hebben vastgesteld, zorgen ervoor dat die maatregelen uiterlijk op 17 juli 2032 aan deze verordening voldoen. De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de maatregelen die ze hebben genomen om naleving zeker te stellen.
HOOFDSTUK VII
Invoer van BTM
Artikel 26
Invoer op grond van EU-gelijkwaardigheid
1. BTM wordt alleen uit derde landen in de Unie ingevoerd indien op grond van lid 2 is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en verhandeld BTM.
2. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te besluiten dat in een derde land geproduceerd BTM van specifieke geslachten, soorten of categorieën of, in voorkomend geval, verkregen uit specifieke typen uitgangsmateriaal of een specifiek herkomstgebied, voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en verhandeld BTM.
De Commissie stelt die uitvoeringshandelingen uitsluitend vast op basis van het volgende:
|
a) |
een grondig onderzoek van de door het betrokken derde land verstrekte informatie en gegevens; |
|
b) |
een bevredigend resultaat van een door de Commissie in het betrokken derde land uitgevoerde audit, indien de Commissie die audit noodzakelijk heeft geacht; |
|
c) |
de vraag of dat derde land deelneemt aan de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed. |
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld en omvatten passende invoervoorwaarden.
3. Bij de vaststelling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen gaat de Commissie na of de in het betrokken derde land toegepaste systemen voor de goedkeuring en registratie van uitgangsmateriaal, en de daaropvolgende productie en verhandeling van BTM uit dat uitgangsmateriaal, dezelfde garanties bieden als die waarin de artikelen 4 en 5 en, indien van toepassing, artikel 14 voorzien voor de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”.
4. In afwijking van de leden 1 en 2 kan de Commissie op verzoek van ten minste één lidstaat een uitvoeringshandeling vaststellen om de invoer van BTM van bepaalde soorten uit een derde land dat niet aan de voorschriften van genoemde leden voldoet, tijdelijk toe te staan indien:
|
a) |
er een tekort is aan BTM van de betrokken soorten in een of meer lidstaten, bijvoorbeeld als gevolg van extreme weersomstandigheden, natuurbranden, ziekten, uitbraken van plagen, rampen of andere ongunstige gebeurtenissen, en dat tekort niet kan worden verholpen door de andere lidstaten of derde landen waaraan overeenkomstig lid 2 gelijkwaardigheid is verleend, en |
|
b) |
de betrokken lidstaat of lidstaten bewijs hebben geleverd van het bestaan en de oorzaken van dat tekort aan BTM. |
In die uitvoeringshandelingen worden de invoervoorwaarden vastgesteld.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 27
Kennisgeving en certificaten van uit derde landen ingevoerd BTM
1. Een professionele marktdeelnemer die BTM in de Unie invoert, stelt de relevante bevoegde autoriteit vooraf van die invoer in kennis via het in artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc).
2. Ingevoerd BTM gaat vergezeld van:
|
a) |
een door het derde land van oorsprong afgegeven OESO-certificaat of ander gelijkwaardig officieel certificaat; |
|
b) |
een OESO-etiket of een gelijkwaardig officieel etiket, en |
|
c) |
documentatie met nadere gegevens over dat BTM, verstrekt door de professionele marktdeelnemer in dat derde land. |
3. Na invoer van BTM in de Unie vervangt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat:
|
a) |
het in lid 2, punt a), bedoelde OESO-certificaat of gelijkwaardige officiële certificaat door een nieuw basiscertificaat dat in die lidstaat is afgegeven, en |
|
b) |
het in lid 2, punt b), bedoelde OESO-etiket of gelijkwaardige officiële etiket door een nieuw officieel etiket, of ze bevestigt een nieuw officieel etiket aan dat OESO-etiket of het gelijkwaardige officiële etiket; het nieuwe officiële etiket gaat vergezeld van een professionele-marktdeelnemersdocument. |
4. Het in lid 3, punten a) en b), bedoelde nieuwe basiscertificaat en nieuwe officiële etiket bevatten een verwijzing naar de overeenkomstige originele documenten.
HOOFDSTUK VIII
Officiële controles
Artikel 28
Officiële controles van BTM
1. De lidstaten wijzen hun bevoegde autoriteit of autoriteiten aan en kennen hun de verantwoordelijkheid toe om officiële controles en andere officiële activiteiten te organiseren of uit te voeren. Die bevoegde autoriteiten kunnen dezelfde als de overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) 2017/625 aangewezen autoriteiten zijn.
2. De bevoegde autoriteiten beschikken over regelingen om te waarborgen dat:
|
a) |
de officiële controles en andere officiële activiteiten doeltreffend en geschikt zijn; |
|
b) |
de officiële controles en andere officiële activiteiten onpartijdig, van goede kwaliteit en consistent zijn; |
|
c) |
het personeel dat de officiële controles en andere officiële activiteiten uitvoert, geen belangenconflicten heeft; |
|
d) |
het personeel dat officiële controles en andere officiële activiteiten uitvoert, voldoende gekwalificeerd, ervaren en opgeleid is voor de uitvoering van zijn taken, en |
|
e) |
het personeel beschikt over passende voorzieningen en uitrusting voor de uitvoering van officiële controles en andere officiële activiteiten. |
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), mogen commerciële activiteiten met BTM, die door het personeel van de bevoegde autoriteiten namens hun lidstaat worden uitgevoerd, niet tot enig belangenconflict leiden.
3. De bevoegde autoriteiten beschikken over de wettelijke bevoegdheden om officiële controles en andere officiële activiteiten uit te voeren en over de wettelijke procedures om ervoor te zorgen dat het personeel toegang heeft tot de bedrijfsruimten en documenten van professionele marktdeelnemers.
4. De bevoegde autoriteiten verrichten met een passende frequentie risicogebaseerde officiële controles op alle professionele marktdeelnemers en houden daarbij rekening met:
|
a) |
vastgestelde risico’s van niet-naleving van deze verordening en de ontwikkeling van die risico’s; |
|
b) |
de activiteiten die onder het beheer van professionele marktdeelnemers vallen, en |
|
c) |
alle informatie die erop wijst dat kopers van BTM mogelijk worden misleid, met name wat betreft aard, identiteit, eigenschappen, samenstelling, hoeveelheid, land van oorsprong of plaats van herkomst van het BTM. |
5. De lidstaten kunnen vergoedingen of heffingen innen om de kosten van officiële controles en andere officiële activiteiten te dekken.
6. De lidstaten stellen passende financiële middelen beschikbaar om te voorzien in het personeel en de overige middelen die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om officiële controles en andere officiële activiteiten te verrichten. Dit geldt ook voor de delegatie van bepaalde taken in verband met officiële controles en bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten.
7. De bevoegde autoriteiten kunnen bepaalde taken in verband met officiële controles delegeren aan gemachtigde instanties of natuurlijke personen op grond van artikel 28, lid 1, en de artikelen 29, 30 en 31, met uitzondering van artikel 29, punt b), iv), van Verordening (EU) 2017/625. Bevoegde autoriteiten die bepaalde taken in verband met officiële controles of andere officiële activiteiten hebben gedelegeerd aan gedelegeerde instanties of natuurlijke personen, organiseren de nodige audits of inspecties van die instanties of personen om ervoor te zorgen dat die taken naar behoren worden uitgevoerd. De bevoegde autoriteiten vermijden dubbele audits en inspecties, rekening houdend met elke accreditatie van de gedelegeerde instanties die overeenkomt met de normen die relevant zijn voor de gedelegeerde taken.
8. De lidstaten zorgen ervoor dat de Commissie op de hoogte is van de contactgegevens en alle veranderingen met betrekking tot de overeenkomstig lid 1aangewezen bevoegde autoriteiten. Die informatie wordt door de lidstaten ook openbaar gemaakt, onder meer via het internet.
9. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met regels betreffende uniforme praktische regelingen voor de uitvoering van de officiële controles op de naleving van de regels inzake BTM, voor:
|
a) |
specificatie van de in lid 2 bedoelde regelingen; |
|
b) |
specifieke rapportageverplichtingen voor de in lid 7 bedoelde gedelegeerde instanties en natuurlijke personen. |
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
10. Tegen elk besluit van de bevoegde autoriteit op grond van artikel 66, leden 3 en 6, artikel 137, lid 3, of artikel 138, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2017/625, dat natuurlijke of rechtspersonen betreft, kunnen die personen overeenkomstig het nationale recht beroep instellen.
11. De methoden die worden gebruikt voor de bemonstering en laboratoriumanalyses, -tests en -diagnosen om de in artikel 5, lid 3, bedoelde informatie vast te stellen, moeten in overeenstemming zijn met de regels van de Internationale Organisatie voor Zaadcontrole of andere vergelijkbare internationale normen waarin die methoden of de prestatiecriteria voor die methoden zijn vastgelegd.
Artikel 29
Transparantie van officiële controles
De bevoegde autoriteiten verrichten officiële controles met een hoge mate van transparantie. Zij stellen relevante informatie over de organisatie en de uitvoering van officiële controles ter beschikking van het publiek, onder meer door publicatie op het internet.
Artikel 30
Controles door de Commissie in de lidstaten
Deskundigen van de Commissie kunnen in elke lidstaat controles uitvoeren, met inbegrip van audits, om de toepassing van de onder deze verordening vallende regels en werking van nationale controlesystemen te controleren.
Deze controles worden georganiseerd in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Ze worden op risicogebaseerde basis uitgevoerd en kunnen verificaties ter plaatse omvatten.
De lidstaten nemen passende follow-upmaatregelen om specifieke of stelselmatige tekortkomingen te verhelpen die bij de controles uit hoofde van dit artikel aan het licht zijn gekomen.
HOOFDSTUK IX
Procedurele bepalingen
Artikel 31
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 2, lid 3, artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 7, artikel 8, artikel 9, lid 5, artikel 11, lid 2, artikel 18, lid 9, en artikel 20, lid 11, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 16 juli 2026. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 3, artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 7, artikel 8, artikel 9, lid 5, artikel 11, lid 2, artikel 18, lid 9, en artikel 20, lid 11, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een op grond van artikel 2, lid 3, artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 7, artikel 8, artikel 9, lid 5, artikel 11, lid 2, artikel 18, lid 9, en artikel 20, lid 11, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 32
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (24) ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.
HOOFDSTUK X
Verslaglegging, sancties en wijzigingen van de Verordeningen (EU) 2016/2031 EN (EU) 2017/625
Artikel 33
Verslaglegging
1. Uiterlijk op 17 juli 2036, en vervolgens om de vijf jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over:
|
a) |
de hoeveelheden gecertificeerd BTM per categorie per jaar; |
|
b) |
het aantal vastgestelde nationale noodplannen als bedoeld in artikel 9; |
|
c) |
informatie over de beschikbare en ter zake doende websites en plantersgidsen met advies over het beste gebruik van BTM; |
|
d) |
de uit derde landen ingevoerde hoeveelheden BTM per geslacht en per soort, zoals bedoeld in artikel 26; |
|
e) |
de krachtens artikel 34 opgelegde sancties, en |
|
f) |
het aantal geregistreerde professionele marktdeelnemers. |
2. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot nadere bepaling van het technische formaat, onder meer voor de digitale indiening en verwerking, van het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 34
Sancties
1. De lidstaten stellen voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar onmiddellijk alle latere wijzigingen daarvan mee.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de financiële sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening door middel van frauduleuze of bedrieglijke praktijken, ten minste overeenstemmen met het economisch voordeel voor de professionele marktdeelnemer of, waar toepasselijk, een percentage van diens omzet, in overeenstemming met het nationale recht.
3. In voorkomend geval kunnen de lidstaten besluiten de regels inzake sancties van artikel 139 van Verordening (EU) 2017/625 toe te passen.
Artikel 35
Wijziging van Verordening (EU) 2016/2031
Verordening (EU) 2016/2031 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
in artikel 37 wordt lid 4 vervangen door: “4. De Commissie stelt, waar passend, een uitvoeringshandeling vast met maatregelen om de aanwezigheid van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op de betrokken voor opplant bestemde planten, als bedoeld in artikel 36, punt f), van deze verordening te voorkomen. Die uitvoeringshandelingen betreffen, in voorkomend geval, het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie van die planten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in bijlage II, afdeling 2, van deze verordening vermelde beginselen. Die uitvoeringshandelingen zijn van toepassing onverminderd de krachtens de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 98/56/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG vastgestelde maatregelen.” |
|
2) |
in artikel 83 wordt het volgende lid ingevoegd: “5 bis. In het geval van voor opplant bestemde planten die zijn geproduceerd of verhandeld als behorende tot de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest”, zoals bedoeld in Verordening (EU) 2026/1392 van het Europees Parlement en de Raad (*1), wordt het plantenpaspoort in een duidelijk herkenbare vorm gecombineerd met het officiële etiket, dat wordt geproduceerd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van die verordening. Indien dit lid van toepassing is, moet
(*1) Verordening (EU) 2026/1392 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2026 betreffende de productie en verhandeling van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (BTM-verordening) (PB L, 2026/1392, 26.6.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1392/oj).”;" |
|
3) |
bijlage VII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening. |
Artikel 36
Wijzigingen van Verordening (EU) 2017/625
Verordening (EU) 2017/625 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
in artikel 1 wordt het volgende lid ingevoegd: “2 bis. De artikelen 8, 13 en 28 tot en met 33, met uitzondering van artikel 29, punt b), iv), en artikel 33, punt a), de artikelen 43 tot en met 46, de artikelen 65 tot en met 68, artikel 69, leden 1, 2 en 4, de artikelen 70, 71, 72, 75, 88, 89, 102 tot en met 108 en 120, artikel 130, leden 1, 2, 3, 5 en 6, en de artikelen 131 tot en met 138 zijn, naargelang het geval, van toepassing op controles die worden uitgevoerd voor de verificatie van de naleving van de voorschriften van Verordening (EU) 2026/1392 van het Europees Parlement en de Raad (*2); (*2) Verordening (EU) 2026/1392 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2026 betreffende de productie en verhandeling van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (BTM-verordening) (PB L, 2026/1392, 26.6.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1392/oj).”;" |
|
2) |
in artikel 2, artikel 3, punt 3, de artikelen 31 en 44, artikel 45, lid 3, de artikelen 65, 66, 67, 71, 88, 102, 106, 107, 108, 120, 130, 131 en 132, artikel 133, lid 1, eerste alinea, en artikel 138, worden de woorden “artikel 1, lid 2” vervangen door de woorden “artikel 1, leden 2 en 2 bis”. |
HOOFDSTUK XI
Slotbepalingen
Artikel 37
Intrekking van Richtlijn 1999/105/EG
Richtlijn 1999/105/EG wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar die ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VIII bij deze verordening.
Artikel 38
Overgangsmaatregelen
1. BTM dat vóór 17 juli 2031 overeenkomstig Richtlijn 1999/105/EG of nationale regels is geproduceerd, mag verder worden verhandeld totdat de voorraden ervan zijn uitgeput.
2. BTM dat wordt verhandeld overeenkomstig lid 1gaat vergezeld van een etiket met de vermelding “BTM dat niet is goedgekeurd krachtens Verordening (EU) 2026/1392 betreffende de productie en verhandeling van BTM”.
3. BTM dat overeenkomstig Richtlijn 1999/105/EG is geproduceerd vóór 17 juli 2031, mag verder worden verhandeld op basis van een op grond van die richtlijn afgegeven basiscertificaat.
Artikel 39
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 17 juli 2031.
Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 20 mei 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
N. IOANNIDES
(1) PB C, C/2024/1583, 5.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1583/oj.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 24 april 2024 (PB C, C/2025/3768, 17.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3768/oj) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 21 april 2026 (PB C, C/2026/2570, 30.4.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2570/oj). Standpunt van het Europees Parlement van 19 mei 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(3) Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PB L 11 van 15.1.2000, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1999/105/oj).
(4) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).
(5) Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2001/18/oj).
(6) Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1829/oj).
(7) Verordening (EU) 2026/1388 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2026 betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide producten, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/625 (PB L, 2026/1388, 26.6.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1388/oj).
(8) Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2031/oj).
(9) Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2013/1313/oj).
(10) Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/625/oj).
(11) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.
(12) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(13) Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2298/66, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1966/401/oj).
(14) Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2309/66, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1966/402/oj).
(15) Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1968/193/oj).
(16) Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/53/oj).
(17) Richtlijn 2002/54/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 12, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/54/oj).
(18) Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/55/oj).
(19) Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 60, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/56/oj).
(20) Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/57/oj).
(21) Richtlijn 2008/72/EG van de Raad van 15 juli 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (PB L 205 van 1.8.2008, blz. 28, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/72/oj).
(22) Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PB L 267 van 8.10.2008, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/90/oj).
(23) Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1998/56/oj).
(24) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2002/178/oj).
BIJLAGE I
Lijst van boomsoorten
|
Abies alba Mill. |
Pinus cembra L. |
|
Abies cephalonica Loudon |
Pinus contorta Douglas ex Loudon |
|
Abies grandis (Douglas ex D.Don) Lindl. |
Pinus halepensis Mill. |
|
Abies nordmanniana (Steven) Spach |
Pinus heldreichii Christ |
|
Acer campestre L. |
Pinus mugo Turra |
|
Acer monspessulanum L. |
Pinus nigra J.F. Arnold |
|
Acer opalus Mill. |
Pinus peuce Griseb. |
|
Acer platanoides L. |
Pinus pinaster Aiton |
|
Acer pseudoplatanus L. |
Pinus pinea L. |
|
Alnus cordata (Loisel.) Duby |
Pinus radiata D. Don |
|
Alnus glutinosa (L.) Gaertn. |
Pinus sylvestris L. |
|
Alnus incana (L.) Moench |
Pinus taeda L. |
|
Alnus lusitanica Vít |
et al. Pinus uncinata Mill. ex Mirb. |
|
Betula pendula Roth. |
Populus spp. |
|
Betula pubescens Ehrh. |
Pyrus communis var. pyraster L. |
|
Carpinus betulus L. |
Prunus avium (L.) L. |
|
Carpinus orientalis Mill. |
Prunus padus L. |
|
Castanea sativa Mill. |
Pseudotsuga menziesii (Mirb.) Franco |
|
Cedrus atlantica (Endl.) G. Manetti ex Carrière |
Quercus cerris L. |
|
Cedrus libani A. Rich. |
Quercus frainetto Ten. |
|
Celtis australis L. |
Quercus ilex L. |
|
Ceratonia siliqua L. |
Quercus petraea (Matt.) Liebl. |
|
Chamaecyparis lawsoniana (A. Murray bis) Parl. |
Quercus pubescens Willd. |
|
Corylus colurna L. |
Quercus robur L. |
|
Cupressus sempervirens L. |
Quercus rubra L. |
|
Fagus orientalis Lipsky |
Quercus suber L. |
|
Fagus sylvatica L. |
Robinia pseudoacacia L. |
|
Fraxinus angustifolia Vahl |
Salix alba L. |
|
Fraxinus ornus L. |
Sorbus aria (L.) Crantz |
|
Fraxinus excelsior L. |
Sorbus aucuparia L. |
|
Juglans spp. |
Sorbus domestica L. |
|
Larix decidua Mill. |
Sorbus torminalis (L.) Crantz |
|
Larix kaempferi (Lamb.) Carrière |
Taxus baccata L. |
|
Larix sibirica Ledeb. |
Thuja plicata Donn ex D.Don. |
|
Malus sylvestris (L.) Mill. |
Tilia cordata Mill. |
|
Olea europaea L. |
Tilia platyphyllos Scop. |
|
Ostrya carpinifolia Scop. |
Tilia tomentosa Moench |
|
Picea abies Karst. |
Ulmus glabra Huds. |
|
Picea sitchensis (Bong.) Carrière |
Ulmus laevis Pall. |
|
Pinus brutia Ten. |
Ulmus minor Mill. |
BIJLAGE II
Voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal bestemd voor de productie van BTM van de categorie “van bekende origine”
A. Algemene voorschriften
1. Beoordeling van het uitgangsmateriaal
De bevoegde autoriteit beoordeelt de zaadbron of opstand in het licht van de doeleinden waarvoor het BTM zal worden gebruikt, zoals bedoeld in artikel 3, punt 1), en bepaalt op basis van die doeleinden de selectiecriteria. Die doeleinden worden vermeld in het nationale register van de betrokken lidstaat. Er is weinig of geen fenotypische selectie vereist van het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van BTM van deze categorie.
2. Oorsprong
De oorsprong wordt bepaald hetzij aan de hand van historische gegevens (bv. bibliografie, of documentatie die wordt bijgehouden door bevoegde autoriteiten, onderzoeksinstellingen of andere organisaties), hetzij op een andere passende wijze (bv. onderzoeken naar plaats van herkomst), met inbegrip van internationaal erkende biochemische en moleculaire technieken, ongeacht of de zaadbron of opstand inheems of niet-inheems is, of de oorsprong ervan onbekend is en, indien deze inheems is, of deze autochtoon of niet-autochtoon is. Voor niet-inheems uitgangsmateriaal moet, indien bekend, de oorsprong worden aangegeven.
3. Type uitgangsmateriaal en locatie
Het uitgangsmateriaal moet een binnen één herkomstgebied gelegen zaadbron of opstand zijn.
B. Specifieke voorschriften
1. Aantal oogstbare en geslachtsrijpe bomen
De zaadbronnen of opstanden bestaan, voor zover mogelijk, uit een of meer groepen geslachtsrijpe bomen. Die bomen moeten, voor zover mogelijk, in een bepaald gebied goed verspreid en voldoende talrijk zijn om de genetische diversiteit, op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis, in stand te houden, de ongunstige effecten van inteelt te voorkomen en voor een adequate kruisbestuiving tussen die bomen te zorgen. Het BTM wordt verzameld uit een optimaal aantal exemplaren van het goedgekeurd uitgangsmateriaal, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden.
2. Uniformiteit
De opstanden moeten, indien mogelijk, een normale mate van individuele morfologische variatie vertonen. Indien nodig moeten minderwaardige bomen worden verwijderd. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op zaadbronnen.
3. Duurzaamheidseigenschappen
De zaadbronnen of de opstanden moeten, indien mogelijk, goed aangepast zijn aan de klimatologische en ecologische omstandigheden, met inbegrip van de biotische en abiotische factoren in het herkomstgebied. De bomen moeten, indien mogelijk, beschikken over resistentie tegen of tolerantie voor plaagorganismen en de ongunstige klimatologische omstandigheden en locatiespecifieke omstandigheden op de plaats waar zij groeien.
4. Andere specifieke voorschriften voor bepaalde eigenschappen en andere bosproducten
De bevoegde autoriteiten beoordelen de zaadbron of opstand met betrekking tot bepaalde eigenschappen of de productie van bepaalde bosproducten en stellen in voorkomend geval andere specifieke voorschriften voor die eigenschappen of producten vast. Indien dergelijke voorschriften van toepassing zijn, worden zij vermeld overeenkomstig artikel 15, lid 3, punt m).
BIJLAGE III
Voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal bestemd voor de productie van BTM van de categorie “geselecteerd”
A. Algemene voorschriften
1. Beoordeling van het uitgangsmateriaal
De bevoegde autoriteit beoordeelt de opstand in het licht van de doeleinden waarvoor het BTM zal worden gebruikt, zoals bedoeld in artikel 3, punt 1), en bepaalt op basis van die doeleinden de selectiecriteria. Die doeleinden worden vermeld in het nationale register van de betrokken lidstaat.
2. Oorsprong
De oorsprong wordt bepaald hetzij aan de hand van historische gegevens (bv. bibliografie, of documentatie die wordt bijgehouden door bevoegde autoriteiten, onderzoeksinstellingen of andere organisaties), hetzij op een andere passende wijze (bv. onderzoeken naar plaats van herkomst), met inbegrip van internationaal erkende biochemische en moleculaire technieken, ongeacht of de opstand inheems of niet-inheems is, of de oorsprong ervan onbekend is en, indien deze inheems is, of deze al dan niet autochtoon is. Voor niet-inheems uitgangsmateriaal moet, indien bekend, de oorsprong worden aangegeven.
3. Leeftijd en ontwikkeling
De leeftijd of de ontwikkelingsfase van de bomen in de opstand moet het mogelijk maken de voor de selectie van die bomen vastgestelde criteria goed te beoordelen.
4. Type uitgangsmateriaal en locatie
Het uitgangsmateriaal moet een binnen één herkomstgebied gelegen opstand zijn.
B. Specifieke voorschriften
1. Isolatie
|
a) |
Doeleinden “multifunctionele bosbouw”, “productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten”: De opstanden moeten, voor zover mogelijk, voldoende ver verwijderd zijn van minderwaardige opstanden van dezelfde soort en van opstanden van verwante soorten waarmee de betrokken soort kan hybridiseren. Aan dit voorschrift moet bijzondere aandacht worden besteed wanneer autochtone/inheemse opstanden door niet-autochtone/niet-inheemse opstanden of door opstanden van onbekende oorsprong worden omringd. |
|
b) |
Doel “instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw”: De opstanden moeten, voor zover mogelijk, voldoende ver verwijderd zijn van opstanden van dezelfde soort en van opstanden van verwante soorten waarmee de betrokken soort kan hybridiseren. Aan dit voorschrift moet bijzondere aandacht worden besteed wanneer autochtone/inheemse opstanden door niet-autochtone/niet-inheemse opstanden of door opstanden van onbekende oorsprong worden omringd. |
2. Aantal oogstbare en geslachtsrijpe bomen
|
a) |
Doeleinden “multifunctionele bosbouw”, “productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten”: De opstanden bestaan uit een of meer groepen geslachtsrijpe bomen. Die bomen moeten in een bepaald gebied goed verspreid en voldoende talrijk zijn om de genetische diversiteit in stand te houden, de ongunstige effecten van inteelt te voorkomen en voor een adequate kruisbestuiving tussen die bomen te zorgen. |
|
b) |
Doel “instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw”: De opstanden bestaan, zoor zover mogelijk, uit een of meer groepen geslachtsrijpe bomen. Die bomen moeten, voor zover mogelijk, in een bepaald gebied goed verspreid en voldoende talrijk zijn om de genetische diversiteit, op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis, in stand te houden, de ongunstige effecten van inteelt te voorkomen en voor een adequate kruisbestuiving tussen die bomen te zorgen. Het BTM wordt verzameld uit een optimaal aantal exemplaren van het goedgekeurd uitgangsmateriaal, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden. |
3. Uniformiteit
|
a) |
Doeleinden “multifunctionele bosbouw”, “productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten”: De opstanden moeten een normale mate van individuele morfologische variatie vertonen. Dit voorschrift is niet van toepassing op de productie van biomassa. Indien nodig moeten minderwaardige bomen worden verwijderd. |
|
b) |
Doel “instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw”: De opstanden moeten, indien mogelijk, een normale mate van individuele morfologische variatie vertonen. Indien nodig moeten minderwaardige bomen worden verwijderd. |
4. Duurzaamheidseigenschappen
|
a) |
Doeleinden “multifunctionele bosbouw”, “productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten”: De opstanden moeten goed aangepast zijn aan de klimatologische en ecologische omstandigheden, met inbegrip van de biotische en abiotische factoren in het herkomstgebied. De bomen moeten beschikken over resistentie tegen of tolerantie voor plaagorganismen en de ongunstige klimatologische omstandigheden en locatiespecifieke omstandigheden op de plaats waar zij groeien. |
|
b) |
Doel “instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw”: De opstanden moeten, voor zover mogelijk, goed aangepast zijn aan de klimatologische en ecologische omstandigheden, met inbegrip van de biotische en abiotische factoren in het herkomstgebied. De bomen moeten, indien mogelijk, beschikken over resistentie tegen of tolerantie voor plaagorganismen en de ongunstige klimatologische omstandigheden en locatiespecifieke omstandigheden op de plaats waar zij groeien. |
5. Productievolume
|
a) |
Doeleinden “multifunctionele bosbouw”, “productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten”: Het productievolume ligt normaliter hoger dan het algemeen aanvaarde gemiddeld geproduceerde volume in vergelijkbare ecologische en beheerstechnische omstandigheden. |
|
b) |
Doel “instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw”: Er gelden geen voorschriften inzake productievolume. |
6. Houtkwaliteit
|
a) |
Doeleinden “multifunctionele bosbouw”, “productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten”: De houtkwaliteit ligt normaliter hoger dan de algemeen aanvaarde gemiddelde kwaliteit in vergelijkbare ecologische en beheerstechnische omstandigheden. Dit voorschrift is niet van toepassing op de productie van biomaterialen, biomassa of andere bosproducten. |
|
b) |
Doel “instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw”: Er zijn geen voorschriften inzake de houtkwaliteit van toepassing. |
7. Groeivorm of habitus
|
a) |
Doeleinden “multifunctionele bosbouw”, “productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten”: De bomen moeten bijzonder gunstige morfologische kenmerken vertonen, met name wat betreft de rechtheid en rolrondheid van de stam, een gunstig vertakkingspatroon, fijnheid van de takken en een goede natuurlijke takafstoting. Verder moet het percentage gevorkte bomen en bomen met draaigroei gering zijn en worden die bomen, indien nodig, verwijderd. Dit voorschrift is niet van toepassing op de productie van biomaterialen, biomassa of andere bosproducten. |
|
b) |
Doel “instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw”: Er gelden geen voorschriften met betrekking tot de groeivorm. |
8. Andere specifieke voorschriften voor bepaalde eigenschappen en andere bosproducten
De bevoegde autoriteiten beoordelen de opstand met betrekking tot bepaalde eigenschappen of de productie van bepaalde bosproducten en stellen in voorkomend geval andere specifieke voorschriften voor die eigenschappen of producten vast. Indien dergelijke voorschriften van toepassing zijn, worden zij vermeld overeenkomstig artikel 15, lid 3, punt m).
|
|
|
Doeleinden |
||
|
|
|
Multifunctionele bosbouw |
Productie van hout, biomaterialen, biomassa of andere bosproducten |
Instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw |
|
Specifieke voorschriften |
Isolatie |
(x) |
(x) |
(x) |
|
Aantal oogstbare en geslachtsrijpe bomen |
x |
x |
(x) |
|
|
Uniformiteit |
x |
x (met uitzondering van biomassaproductie) |
(x) |
|
|
Duurzaamheidseigenschappen |
x |
x |
(x) |
|
|
Productievolume |
x |
x |
— |
|
|
Houtkwaliteit |
x |
x (enkel voor houtproductie) |
— |
|
|
Groeivorm of habitus |
x |
x (enkel voor houtproductie) |
— |
|
|
Andere specifieke voorschriften (specifieke eigenschappen of producten) |
Indien van toepassing |
Indien van toepassing |
Indien van toepassing |
|
|
x = van toepassing; (x) = van toepassing, indien mogelijk; — = niet van toepassing |
||||
BIJLAGE IV
Voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal bestemd voor de productie van BTM van de categorie “gekeurd”
I. Zaadgaarden
A. Algemene voorschriften
|
a) |
De bevoegde autoriteit keurt de doeleinden van de zaadgaarde goed met betrekking tot de in artikel 3, punt 1), genoemde doeleinden. Die doeleinden worden vermeld in het nationale register van de betrokken lidstaat. De deelnemende klonen of individuele bomen van families worden geselecteerd op basis van hun uitstekende eigenschappen, afhankelijk van de gekozen doeleinden. |
|
b) |
De bevoegde autoriteit hecht haar goedkeuring aan en registreert het kruisingsschema van de deelnemende klonen of families en de indeling van de arealen, de deelnemende klonen of families en, indien van toepassing, de mate van verwantschap tussen deelnemende klonen, hun aantal en het aantal individuen (ramets) per kloon in het geval van kloonzaadboomgaarden, isolatie of, indien mogelijk, de beperking van de pollenstroom en de locatie en eventuele veranderingen daarin. |
|
c) |
De deelnemende klonen of families worden of zijn aangeplant volgens een schema dat door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd en zodanig is opgezet dat iedere component identificeerbaar is. Er moet rekening worden gehouden met het optimale evenwicht tussen het effectieve aantal deelnemende klonen of families en de genetische winst. |
|
d) |
De in de zaadgaarden uitgevoerde dunningen worden, samen met de daarbij toegepaste selectiecriteria, beschreven en worden door de bevoegde autoriteit geregistreerd. |
|
e) |
De zaadgaarden worden op zodanige wijze beheerd, en het zaad op zodanige wijze geoogst, dat de doeleinden van de zaadgaarden worden bereikt. Indien een zaadgaarde bestemd is voor de productie van kunstmatige hybriden, wordt het percentage hybride soorten in het BTM aan de hand van moleculaire technieken bepaald. |
B. Specifieke voorschriften
De bevoegde autoriteit beoordeelt de deelnemende klonen of families met betrekking tot bepaalde eigenschappen of de productie van bepaalde producten (d.w.z. selectiecriteria), in voorkomend geval rekening houdend met leeftijd en ontwikkeling, duurzaamheidseigenschappen, productievolume, houtkwaliteit, groeivorm of habitus en andere nuttige specifieke eigenschappen. Indien dergelijke voorschriften van toepassing zijn, worden zij vermeld overeenkomstig artikel 15, lid 3, punt m).
II. Ouderplanten van een familie
A. Algemene voorschriften
|
a) |
De bevoegde autoriteit keurt de doeleinden van de ouderplanten van een familie goed met betrekking tot de in artikel 3, punt 1), genoemde doeleinden. Die doeleinden worden vermeld in het nationale register van de betrokken lidstaat. De ouderplanten van een familie worden geselecteerd op basis van hun uitstekende eigenschappen, overeenkomstig de gekozen doeleinden. |
|
b) |
De bevoegde autoriteit keurt het kruisingsschema en het bestuivingssysteem, de componenten, de isolatie of, indien mogelijk, de beperking van de pollenstroom en de locatie goed en registreert deze, alsook alle significante wijzigingen van die eigenschappen. |
|
c) |
De bevoegde autoriteit keurt de identiteit, het aantal en het aandeel van de ouderplanten in een mengsel goed en registreert deze. |
|
d) |
Indien ouderplanten bestemd zijn voor de productie van kunstmatige hybriden, moet het percentage hybride exemplaren in het BTM worden bepaald aan de hand van moleculaire technieken. |
B. Specifieke voorschriften
De bevoegde autoriteit beoordeelt de ouderplanten van een familie met betrekking tot bepaalde eigenschappen of de productie van bepaalde bosproducten; indien passend stelt zij specifieke voorschriften vast voor die eigenschappen of producten (bv. selectiecriteria), in voorkomend geval rekening houdend met leeftijd en ontwikkeling, duurzaamheidseigenschappen, productievolume, houtkwaliteit, groeivorm of habitus en andere nuttige specifieke eigenschappen. Indien dergelijke voorschriften van toepassing zijn, worden zij vermeld overeenkomstig artikel 15, lid 3, punt m).
III. Klonen
A. Algemene voorschriften
|
1. |
De bevoegde autoriteit keurt klonen goed die identificeerbaar zijn aan de hand van onderscheidende eigenschappen of traceerbaar zijn door middel van vermeerderingscycli of moleculaire technieken, naargelang het geval, en registreert deze. |
|
2. |
De waarde van de afzonderlijke klonen wordt door de waarneming en kwalitatieve beoordeling van de eigenschappen van die klonen bepaald, of moet door experimenten van voldoende lange duur worden aangetoond. |
|
3. |
Ortets of cellijnen die voor de productie van klonen worden gebruikt, worden geselecteerd op basis van hun uitstekende eigenschappen, in het licht van de doeleinden waarvoor het resulterende BTM zal worden gebruikt, zoals bedoeld in artikel 3, punt 1). |
|
4. |
De bevoegde autoriteit beperkt de goedkeuring tot een maximaal aantal jaren of een maximum aantal geproduceerde ramets. |
B. Specifieke voorschriften
De bevoegde autoriteit beoordeelt de ortets of cellijnen met betrekking tot bepaalde eigenschappen of de productie van bepaalde bosproducten; indien passend stelt zij specifieke voorschriften vast voor die eigenschappen of producten (bv. selectiecriteria), in voorkomend geval rekening houdend met leeftijd en ontwikkeling, duurzaamheidseigenschappen, productievolume, houtkwaliteit, groeivorm of habitus en andere nuttige specifieke eigenschappen. Indien dergelijke voorschriften van toepassing zijn, worden zij vermeld overeenkomstig artikel 15, lid 3, punt m).
IV. Mengsels van klonen
A. Algemene voorschriften
|
1. |
Mengsels van klonen moeten voldoen aan de voorschriften van deel III, afdeling A, punten 1, 2 en 3. |
|
2. |
De bevoegde autoriteit keurt de identiteit, het aantal en het relatieve aandeel van de klonen die deel uitmaken van een mengsel, alsmede de selectiemethode en het basismateriaal, goed en registreert deze. De genetische diversiteit van ieder mengsel moet toereikend zijn. |
|
3. |
De bevoegde autoriteit beperkt de goedkeuring tot een maximaal aantal jaren of een maximaal aantal geproduceerde ramets. |
B. Specifieke voorschriften
Mengsels van klonen moeten voldoen aan de voorschriften van deel III, afdeling B.
BIJLAGE V
Voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal bestemd voor de productie van BTM van de categorie “getest”
1. VOORSCHRIFTEN DIE VOOR ALLE TESTS GELDEN
a) Algemene opmerkingen
Indien het uitgangsmateriaal een opstand is, moet het voldoen aan de toepasselijke voorschriften van bijlage III. Indien het uitgangsmateriaal een zaadgaarde, ouderplanten van een familie, een kloon of een mengsel van klonen is, moet het voldoen aan de toepasselijke voorschriften van bijlage IV. De bevoegde autoriteit bepaalt de selectiecriteria op basis van het doeleinde waarvoor het BTM zal worden gebruikt.
De tests voor de goedkeuring van het uitgangsmateriaal moeten worden voorbereid, opgezet en uitgevoerd, en de resultaten ervan moeten worden uitgelegd overeenkomstig internationaal erkende procedures. In geval van vergelijkende tests wordt het BTM vergeleken met een of, bij voorkeur, meer goedgekeurde of vooraf gekozen normen zoals bedoeld in punt 3, b).
b) Te onderzoeken eigenschappen
|
i) |
Tests worden ontworpen om de in punt ii) gespecificeerde eigenschappen te beoordelen en voor elke test moeten die eigenschappen in de testverslagen worden vermeld. |
|
ii) |
Er moet gewicht worden toegekend aan de eigenschappen die belangrijk worden geacht voor het doeleinde waarvoor het BTM zal worden gebruikt. Die eigenschappen worden geëvalueerd in het licht van de ecologische omstandigheden in het gebied waar de test wordt uitgevoerd, met inbegrip van de huidige en verwachte klimatologische omstandigheden. |
c) Documentatie
Door de bevoegde autoriteiten of, indien van toepassing, de professionele marktdeelnemers wordt een administratie bijgehouden waarin de volgende elementen worden beschreven: de testlocaties, met inbegrip van de ligging, het klimaat, de bodem, het gebruik in het verleden, de inrichting, het beheer en alle schade als gevolg van abiotische/biotische factoren, samen met alle resultaten op het tijdstip van de evaluatie. Indien die administratie door de professionele marktdeelnemers wordt bijgehouden, worden zij ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten.
d) Opzet van de tests
|
i) |
Elk monster van BTM wordt op identieke wijze opgekweekt, geplant en beheerd, voor zover de typen plantaardig materiaal dit toelaten. |
|
ii) |
Iedere test wordt gebaseerd op een statistisch geldig ontwerp om de individuele eigenschappen van iedere onderzochte component te kunnen evalueren. |
e) Analyse en geldigheid van de resultaten
|
i) |
De gegevens van de tests worden geanalyseerd met behulp van internationaal erkende statistische methoden en de resultaten worden gepresenteerd voor elke onderzochte eigenschap. |
|
ii) |
De bij de test toegepaste methodiek en alle verkregen resultaten moeten, indien mogelijk, openbaar toegankelijk worden gemaakt. |
|
iii) |
De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de test is uitgevoerd, kan het inzetgebied aanwijzen en stelt informatie over alle eigenschappen van het BTM die de bruikbaarheid ervan kunnen beperken beschikbaar via Forematis. |
|
iv) |
Indien tijdens de tests wordt aangetoond dat het BTM niet ten minste de eigenschappen bezit van het uitgangsmateriaal waaruit het is geproduceerd, mag dat BTM niet als “getest” worden gecertificeerd. |
2. VOORSCHRIFTEN IN VERBAND MET DE GENETISCHE EVALUATIE VAN DE COMPONENTEN VAN HET UITGANGSMATERIAAL
|
a) |
De componenten van de volgende soorten uitgangsmateriaal kunnen genetisch worden geëvalueerd: zaadgaarden, ouderplanten van een familie, klonen en mengsels van klonen. |
|
b) |
Documentatie Voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal is de volgende aanvullende documentatie vereist:
|
|
c) |
Testprocedures
|
|
d) |
Interpretatie
|
3. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE VERGELIJKENDE TESTS VAN BTM
a) Bemonstering van het BTM
|
i) |
Het voor vergelijkende tests bestemde BTM-monster moet werkelijk representatief zijn voor het BTM dat is afgeleid van het goed te keuren uitgangsmateriaal. |
|
ii) |
Het voor vergelijkende tests bestemde BTM dat langs geslachtelijke weg is geproduceerd, moet:
|
b) Normen
|
i) |
Van de normen die in de tests ter vergelijking worden gebruikt, moeten de prestaties in het gebied waar de test wordt gepland, indien mogelijk, reeds voldoende lang bekend zijn. De normen moeten in principe betrekking hebben op uitgangsmateriaal waarvan is aangetoond dat het bruikbaar is voor het desbetreffende doeleinde op het moment waarop de test wordt begonnen, en onder de ecologische omstandigheden waarvoor de certificering van het BTM wordt voorgesteld. De normen die ter vergelijking bij de tests worden gebruikt, zijn, voor zover mogelijk:
|
|
ii) |
Indien kunstmatige hybriden aan vergelijkende tests worden onderworpen, moeten beide ouderboomsoorten, voor zover mogelijk, in de normen worden opgenomen. |
|
iii) |
Waar mogelijk worden meerdere normen gebruikt. Wanneer dat te verantwoorden valt, mag in plaats van de normen het meest geschikte van het geteste BTM of het gemiddelde van de geteste componenten worden gebruikt. |
|
iv) |
Dezelfde normen worden in alle tests in een zo breed mogelijk spectrum van locatiespecifieke omstandigheden gebruikt. |
c) Interpretatie
|
i) |
Voor ten minste één belangrijke eigenschap moet een statistisch significante superioriteit ten opzichte van de normen worden aangetoond. |
|
ii) |
Alle eigenschappen van economisch of ecologisch belang die significant minder goede resultaten laten zien dan de normen, moeten duidelijk worden gerapporteerd, en de effecten daarvan moeten door de gunstige eigenschappen worden gecompenseerd. |
4. VOORLOPIGE GOEDKEURING
Een voorlopige beoordeling van de resultaten van proeven met jonge aanplant kan de basis vormen van een voorlopige goedkeuring. Beweringen betreffende de superioriteit van enig materiaal die op een dergelijke vroegtijdige beoordeling berusten, moeten uiterlijk na tien jaar opnieuw worden getoetst.
5. VERKENNENDE TESTS
Tests in kwekerijen, kassen en laboratoria kunnen door de bevoegde autoriteit met het oog op voorlopige of definitieve goedkeuring worden aanvaard indien kan worden aangetoond dat er een nauwe correlatie bestaat tussen de beoogde eigenschap en de eigenschappen die normaliter op de bosbouwlocatie worden getest. Andere te testen eigenschappen moeten voldoen aan de voorschriften van punt 3.
BIJLAGE VI
Categorieën waaronder BTM dat van de diverse typen uitgangsmateriaal is afgeleid, mag worden verhandeld
|
Type uitgangsmateriaal |
Categorie BTM |
|||
|
Van bekende origine |
Geselecteerd |
Gekeurd |
Getest |
|
|
Zaadbron |
x |
|
|
|
|
Opstand |
x |
x |
|
x |
|
Zaadgaarde |
|
|
x |
x |
|
Ouderplanten van een familie |
|
|
x |
x |
|
Kloon |
|
|
x |
x |
|
Mengsels van klonen |
|
|
x |
x |
BIJLAGE VII
Wijziging van bijlage VII bij Verordening (EU) 2016/2031
Aan bijlage VII bij Verordening (EU) 2016/2031 worden de volgende delen toegevoegd:“DEEL E
Plantenpaspoorten voor verkeer binnen het grondgebied van de Unie, gecombineerd met het officiële etiket, zoals bedoeld in artikel 83, lid 5 bis, tweede alinea, punt a)
|
1. |
Het plantenpaspoort voor verkeer binnen het grondgebied van de Unie, op een gezamenlijk etiket samen gepresenteerd met het in artikel 83, lid 5 bis, bedoelde officiële etiket voor BTM, moet de volgende elementen bevatten:
Het plantenpaspoort wordt op het gezamenlijke etiket direct boven het officiële etiket en met dezelfde breedte als dat officiële etiket aangebracht. |
|
2. |
Deel A, punt 2, is van overeenkomstige toepassing. |
DEEL F
Plantenpaspoorten voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen beschermde gebieden, gecombineerd met het officiële etiket, als bedoeld in artikel 83, lid 5 bis, tweede alinea, punt b)
|
1. |
Het plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen beschermde gebieden, op een gezamenlijk etiket samen gepresenteerd met het officiële etiket voor BTM als bedoeld in artikel 83, lid 5 bis, moet de volgende elementen bevatten:
Het plantenpaspoort wordt op het gezamenlijke etiket direct boven het officiële etiket voor BTM en met dezelfde breedte als dat officiële etiket aangebracht. |
|
2. |
Deel B, punt 2, is van overeenkomstige toepassing.”. |
BIJLAGE VIII
Concordantietabel
|
Richtlijn 1999/105/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 2, punt a) |
Artikel 3, punt 1) |
|
Artikel 2, punt b), i) |
Artikel 3, punt 2) |
|
Artikel 2, punt b), ii) |
Artikel 3, punt 4) |
|
Artikel 2, punt b), iii) |
Artikel 3, punt 3) |
|
Artikel 2, punt c) |
Artikel 3, punt 7) |
|
Artikel 2, punt c), i) |
Artikel 3, punt 8) |
|
Artikel 2, punt c), ii) |
Artikel 3, punt 9) |
|
Artikel 2, punt c), iii) |
Artikel 3, punt 10) |
|
Artikel 2, punt c), iv) |
Artikel 3, punt 11) |
|
Artikel 2, punt c), v) |
Artikel 3, punt 12) |
|
Artikel 2, punt c), vi) |
Artikel 3, punt 13) |
|
Artikel 2, punt d), i) |
Artikel 3, punt 23) |
|
Artikel 2, punt d), ii) |
Artikel 3, punt 24) |
|
Artikel 2, punt e) |
Artikel 3, punt 25) |
|
Artikel 2, punt f) |
Artikel 3, punt 21) |
|
Artikel 2, punt g) |
Artikel 3, punt 22) |
|
Artikel 2, punt h) |
Artikel 3, punt 29) |
|
Artikel 2, punt i) |
Artikel 3, punt 30) |
|
Artikel 2, punt j) |
Artikel 3, punt 28) |
|
Artikel 2, punt k) |
Artikel 3, punten 31) en 32) |
|
Artikel 2, punt l), i) |
Artikel 3, punt 34) |
|
Artikel 2, punt l), ii) |
Artikel 3, punt 35) |
|
Artikel 2, punt l), iii) |
Artikel 3, punt 36) |
|
Artikel 2, punt l), iv) |
Artikel 3, punt 37) |
|
Artikel 3, lid 1 |
Artikel 2, lid 3 |
|
Artikel 3, lid 2 |
Artikel 2, lid 5 |
|
Artikel 3, lid 3 |
— |
|
Artikel 3, lid 4 |
Artikel 2, lid 4, punt c) |
|
Artikel 4, lid 1 |
Artikel 4, lid 1 |
|
Artikel 4, lid 2, punt a) |
Artikel 4, lid 2, eerste t.e.m. vierde alinea |
|
Artikel 4, lid 2, punt b) |
Artikel 4, lid 2, zevende alinea, en artikel 4, lid 4 |
|
Artikel 4, lid 3, punt a) |
Artikel 4, lid 6 |
|
Artikel 4, lid 3, punt b) |
Artikel 4, lid 5 |
|
Artikel 4, lid 4 |
Artikel 6; bijlage III, deel B |
|
Artikel 4, lid 5 |
Artikel 23 |
|
Artikel 5 |
Artikel 5, lid 2, punt c) |
|
Artikel 6, lid 1, punt a) |
Artikel 5, lid 2, punt a) |
|
Artikel 6, lid 1, punten b) en c) |
Artikel 5, lid 2, punt b) |
|
Artikel 6, lid 1, punt d) |
Artikel 5, lid 2, punt c) |
|
Artikel 6, lid 2 |
Artikel 5, lid 6 |
|
Artikel 6, lid 3 |
Artikel 8 |
|
Artikel 6, lid 4 |
Artikel 10, lid 1, punt b) |
|
Artikel 6, lid 5, punt a) |
Artikel 2, lid 4, punt d); artikel 6, leden 1 tot en met 4 |
|
Artikel 6, lid 5, punt b) |
— |
|
Artikel 6, lid 6 |
Artikel 6, lid 5 |
|
Artikel 6, lid 7 |
Artikel 7 |
|
Artikel 6, lid 8 |
— |
|
Artikel 7 |
Artikel 25, lid 1, punt a) |
|
Artikel 8 |
Artikel 25, lid 1, punt b) |
|
Artikel 9, lid 1 |
Artikel 14, lid 1 |
|
Artikel 9, lid 2 |
Artikel 14, lid 2 |
|
Artikel 10, lid 1 |
Artikel 15, lid 1 |
|
Artikel 10, lid 2 |
Artikel 15, leden 2 en 3 |
|
Artikel 10, lid 3 |
— |
|
Artikel 11 |
Artikel 16 |
|
Artikel 12, lid 1 |
Artikel 18, lid 2 |
|
Artikel 12, lid 2 |
Artikel 18, lid 4 |
|
Artikel 12, lid 3 |
Artikel 18, lid 5 |
|
Artikel 13, lid 1 |
Artikel 19, lid 1 |
|
Artikel 13, lid 2 |
Artikel 19, lid 2 |
|
Artikel 13, lid 3, punt a) |
Artikel 19, lid 3, eerste alinea, punt a) |
|
Artikel 13, lid 3, punt b) |
Artikel 19, lid 3, eerste alinea, punt c) |
|
Artikel 13, lid 3, punt c) |
Artikel 19, lid 3, eerste alinea, punt d) |
|
Artikel 13, lid 3, punt d) |
Artikel 19, lid 3, tweede alinea |
|
Artikel 13, lid 3, punten e) en f) |
Artikel 19, lid 3, eerste alinea, punten e) en f) |
|
Artikel 14, lid 1, inleidende zin |
Artikel 5, lid 1, punt a); artikel 20, lid 1 |
|
Artikel 14, lid 1, punt a) |
Artikel 20, lid 1 |
|
Artikel 14, lid 1, punt b) |
Artikel 20, lid 7, punt c) |
|
Artikel 14, lid 1, punt c) |
Artikel 20, lid 7, punt d) |
|
Artikel 14, lid 1, punt d) |
Artikel 20, lid 5, punt b) |
|
Artikel 14, lid 1, punt e) |
Artikel 20, lid 7, punt j) |
|
Artikel 14, lid 2 |
Artikel 5, lid 3; artikel 20, lid 7, punt k) |
|
Artikel 14, lid 3 |
Artikel 5, lid 5 |
|
Artikel 14, lid 4 |
Artikel 5, lid 3, tweede alinea, en artikel 5, lid 4 |
|
Artikel 14, lid 5 |
— |
|
Artikel 14, lid 6 |
Artikel 20, lid 9, tweede alinea, punt b), en derde en vijfde alinea |
|
Artikel 14, lid 7 |
Artikel 19, lid 1, punt l), i) |
|
Artikel 15 |
Artikel 21 |
|
Artikel 16, lid 1 |
Artikel 28, lid 4 |
|
Artikel 16, lid 2 |
Artikel 36, punt 1) |
|
Artikel 16, lid 3 |
Artikel 10, leden 3, 4 en 6 |
|
Artikel 16, lid 4 |
— |
|
Artikel 16, lid 5 |
Artikel 28, lid 4 |
|
Artikel 16, lid 6 |
Artikel 30 |
|
Artikel 17, lid 1 |
— |
|
Artikel 17, lid 2 |
Artikel 25, lid 1, punt c) |
|
Artikel 17, lid 3 |
Artikel 25, lid 2 |
|
Artikel 17, lid 4 |
— |
|
Artikel 18, lid 1, eerste alinea |
Artikel 7, lid 1 |
|
Artikel 18, lid 1, tweede alinea |
Artikel 7, lid 2 |
|
Artikel 18, lid 2 |
Artikel 7, lid 1 |
|
Artikel 19 |
Artikel 26 |
|
Artikel 20 |
— |
|
Artikel 21 |
Artikel 24 |
|
Artikel 22 |
Artikel 5, lid 2, punt e) |
|
Artikel 23 |
Artikel 2, lid 3; artikel 4, lid 3; artikel 5, lid 7 |
|
Artikel 24 |
Artikel 5, lid 4; artikel 6, lid 5; artikel 7, lid 1; artikel 18, lid 3; artikel 18, lid 8, tweede alinea; artikel 18, lid 11; artikel 20, lid 9; artikel 20, lid 10, tweede alinea; artikel 22, lid 2; artikel 23, lid 2; artikel 24; artikel 25, lid 1; artikel 26, leden 2, 3 en 4; artikel 28, lid 9; artikel 33, lid 2 |
|
Artikel 25 |
Artikel 2, lid 3; artikel 4, lid 3; artikel 5, lid 7; artikel 8; artikel 9, lid 5; artikel 11, lid 2; artikel 18, lid 9; artikel 20, lid 11 |
|
Artikel 26 |
Artikelen 31 en 32 |
|
Artikel 27 |
Artikel 38 |
|
Artikel 28 |
— |
|
Artikel 29 |
Artikel 37 |
|
Artikel 30 |
Artikel 39 |
|
Artikel 31 |
— |
|
Bijlage I |
Bijlage I |
|
Bijlage II |
Bijlage II |
|
Bijlage III |
Bijlage III |
|
Bijlage IV |
Bijlage IV |
|
Bijlage V |
Bijlage V |
|
Bijlage VI |
Bijlage VI |
|
Bijlage VII |
Artikel 8 |
|
Bijlage VIII |
Artikel 18, lid 3 |
|
Bijlage IX |
Bijlage VIII |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1392/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)