Eureka 32026R2108 Sign in
European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/2108

19.9.2026

VERORDENING (EU) 2026/2108 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 september 2026

tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, tot oprichting van de douaneautoriteit van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 952/2013

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 33, 114 en 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie en de werking van de interne markt zijn gegrondvest op de douane-unie. In het belang van de marktdeelnemers en de douaneautoriteiten in de Unie is in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (3) de douanewetgeving die voorheen over verschillende rechtshandelingen was verspreid, samengebracht in één enkele handeling: het douanewetboek van de Unie. Die verordening bevat de algemene regels en procedures om de uitvoering van de tariefmaatregelen en andere maatregelen te waarborgen die op het niveau van de Unie zijn ingevoerd met betrekking tot het goederenverkeer tussen de Unie en landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie, evenals de bepalingen betreffende de inning van invoerrechten. De douaneautoriteiten van de lidstaten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van die regels door middel van operationele taken, zoals het toepassen van douaneregelingen, het verrichten van risicoanalyses en -controles en het opleggen van sancties in geval van overtredingen van de douanewetgeving.

(2)

Bij de uitvoering van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn op verschillende gebieden tekortkomingen aan het licht gekomen. Die tekortkomingen zijn onder meer: ontoereikende of ondoeltreffende maatregelen om te waarborgen dat de Unie en haar burgers de bescherming tegen niet-financiële risico’s genieten die ten aanzien van goederen in het kader van andere beleidsmaatregelen van de Unie dan de douanewetgeving is vastgesteld; de beperkte capaciteit van de douaneautoriteiten om het steeds grotere aantal afstandsverkopen van uit derde landen ingevoerde goederen (e-commercetransacties) doeltreffend af te wikkelen; de beperkte capaciteit van de bij Verordening (EU) nr. 952/2013 gecreëerde architectuur van IT-systemen om de douaneprocessen te digitaliseren, teneinde gelijke tred te houden met de technologische vooruitgang, en met name met technologieën die gebaseerd zijn op de exploitatie van gegevens, en het gebrek aan doeltreffende governancestructuren van de douane-unie, wat heeft geleid tot uiteenlopende praktijken en een niet-uniforme uitvoering van de douaneregels in de lidstaten. Door die tekortkomingen ontstaan er belemmeringen voor de goede werking van de douane-unie, en dus van de interne markt, als gevolg van de interne en externe risico’s en bedreigingen.

(3)

Het is passend dat de douanewetgeving rekening houdt met de snelle ontwikkeling van mondiale handelspatronen, technologieën, bedrijfsmodellen en de behoeften van belanghebbenden, waaronder bedrijven, consumenten en ingezetenen. Daarom moet Verordening (EU) nr. 952/2013 op een groot aantal punten worden gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid moet tot intrekking en vervanging van die verordening worden overgegaan.

(4)

Om te voorzien in doeltreffende instrumenten ter verwezenlijking van de doelstellingen van de douane-unie, moet een aantal voorschriften en procedures die bepalen hoe goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of verlaten, worden herzien, vereenvoudigd en geharmoniseerd. Er moet een moderne, geïntegreerde omgeving van interoperabele elektronische diensten worden gecreëerd voor het verzamelen, verwerken en uitwisselen van informatie die relevant is voor de uitvoering van de douanewetgeving, namelijk de douanedatahub van de Europese Unie (de “EU-douanedatahub”). Er moet een douaneautoriteit van de Europese Unie (de “EU-douaneautoriteit”) worden opgericht als een centraal, operationeel orgaan dat voorziet in de capaciteit voor de gecoördineerde governance van de douane-unie op specifieke gebieden.

(5)

Sinds de vaststelling van Verordening (EU) nr. 952/2013 heeft de rol van de douaneautoriteiten zich ontwikkeld in die zin dat zij steeds vaker het Unierecht en het nationale recht zijn gaan toepassen waarin vereisten zijn vastgelegd voor goederen die aan douanetoezicht zijn onderworpen, met name niet-financiële vereisten waaraan goederen moeten voldoen om de interne markt te mogen binnenkomen en er te circuleren. Deze niet-financiële vereisten zijn in de loop der jaren exponentieel toegenomen in overeenstemming met de toenemende verwachtingen van bedrijven en ingezetenen van de Unie op het gebied van veiligheid, beveiliging, toegankelijkheid voor personen met een handicap, duurzaamheid, de gezondheid en het leven van mens, dier en plant, het milieu, de bescherming van mensenrechten en intellectuele-eigendomsrechten, en de waarden van de Unie. Er moeten nieuwe instrumenten, zoals het bij Verordening (EU) 2024/1781 van het Europees Parlement en de Raad (4) ingestelde digitale productpaspoort, worden ingevoerd om te waarborgen dat andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving zoals gedefinieerd in deze verordening, met betrekking tot producten aan die verwachtingen blijft voldoen. Daarom moet er rekening worden gehouden met de toename van de niet-financiële risico’s, zowel in aantal als in complexiteit, door in de missie van de douaneautoriteiten een specifieke verwijzing op te nemen naar de bescherming van de openbare belangen binnen hun bevoegdheid en, in voorkomend geval, in nauwe samenwerking met andere bevoegde autoriteiten.

(6)

In het licht van de ontwikkeling van de rol van de douaneautoriteiten en van de bedrijfsmodellen waarmee zij te maken krijgen, en om deze autoriteiten in staat te stellen “als één geheel” op te treden en aan de goede werking van de interne markt bij te dragen, moet de missie die douaneautoriteiten moeten volbrengen, middels een nauwkeurigere omschrijving van hun doelstellingen en taken worden gepreciseerd. Voorts zal de snelle technologische ontwikkeling, met name van artificiële intelligentie, aanzienlijke gevolgen hebben voor de activiteiten van de douaneautoriteiten, onder meer op het gebied van realtime risicoanalyse.

(7)

Bij het volbrengen van hun missie moeten de douaneautoriteiten ook streven naar kostenefficiëntie door dubbel werk te voorkomen en door de doeltreffendheid van douaneprocessen en een efficiënt gebruik van de bijbehorende middelen op Unie- en nationaal niveau te bevorderen. Ze moeten relevante informatie verzamelen, analyseren en uitwisselen ter ondersteuning van empirisch onderbouwde besluitvorming. Wanneer de noodfase voor de interne markt is geactiveerd overeenkomstig Verordening (EU) 2024/2747 van het Europees Parlement en de Raad (5), kunnen de douaneautoriteiten bijdragen aan de stroom van crisisrelevante goederen.

(8)

Het is passend om in deze verordening een rechtskader te handhaven voor de toepassing van sommige bepalingen van de douanewetgeving op de handel in Uniegoederen tussen delen van het douanegebied waar Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (6) of Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad (7) geldt en delen van dat gebied waar die richtlijnen niet gelden, alsook op de handel in Uniegoederen tussen delen van dat gebied waar die richtlijnen niet gelden. Gezien het feit dat de betrokken verhandelde goederen Uniegoederen zijn en gezien het fiscale karakter van de maatregelen die relevant zijn voor dat verkeer binnen de Unie, is het gerechtvaardigd passende vereenvoudigingen in de op die goederen toepasselijke douaneformaliteiten door te voeren.

(9)

Sommige definities in Verordening (EU) nr. 952/2013 moeten worden aangepast om rekening te houden met het bredere toepassingsgebied van deze verordening, om ze in overeenstemming te brengen met de definities in andere rechtshandelingen van de Unie, en om terminologie die in verschillende sectoren uiteenlopende betekenissen heeft, te verduidelijken. In de douanewetgeving moeten nieuwe definities worden opgenomen om de rollen en verantwoordelijkheden van bepaalde actoren in de douaneprocessen te verduidelijken. In het geval van de importeur en de exporteur moeten nieuwe definities die personen verantwoordelijk maken jegens de douaneautoriteiten voor de conformiteit van de goederen waarmee die personen handelen, ook voor financiële en niet-financiële risico’s, overeenkomstig de productspecifieke wetgeving, teneinde het douanetoezicht te versterken. Wat betreft het nieuwe concept “importeur voor afstandsverkopen” moeten nieuwe definities ervoor zorgen dat in sommige gevallen, in het kader van een onlineverkoop van buiten de Unie, een marktdeelnemer, en niet de consument, wordt aangemerkt als importeur en wordt verplicht de overeenkomstige verantwoordelijkheden op zich te nemen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de relevante marktdeelnemer wordt verplicht de relevante douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving na te leven wanneer de goederen het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten, en een passende registratie van die naleving verstrekt of beschikbaar stelt en bijhoudt. Er moeten ook nieuwe definities worden ingevoerd met betrekking tot het bredere toepassingsgebied van de bepalingen inzake douanetoezicht, risicobeheer en douanecontroles. Daarnaast moet worden verduidelijkt dat wanneer de definities in de douanewetgeving van de Unie verwijzen naar douanebepalingen in internationale overeenkomsten, dit ook de relevante multilaterale milieuovereenkomsten omvat waarbij de Unie en de lidstaten partij zijn, voor zover bij die laatstgenoemde overeenkomsten de conformiteit van goederen wordt geregeld.

(10)

Naast hun traditionele rol om douanerechten, btw en accijnzen te innen en de douanewetgeving toe te passen, spelen de douaneautoriteiten ook een cruciale rol bij de handhaving van andere rechtshandelingen van de Unie en, in voorkomend geval, andere relevante nationale wetgeving. Er moet een definitie van “andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving” worden ingevoerd om een doeltreffend kader op te zetten dat de toepassing van en het toezicht op de in die rechtshandelingen vastgelegde specifieke vereisten voor goederen regelt. Het concept “andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving” moet maatregelen omvatten die gerechtvaardigd zijn op basis van de openbare zedelijkheid, de openbare orde of de openbare veiligheid, de bescherming van de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, de bescherming van het milieu, de bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit en de bescherming van industriële en commerciële eigendom en andere openbare belangen, inclusief controles op drugsprecursoren, goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en liquide middelen, alsook handelspolitieke maatregelen, maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en op grond van artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vastgestelde beperkende maatregelen. Verschillen tussen nationale lijsten met verboden en beperkingen leiden tot aanzienlijke moeilijkheden voor de invoer in diverse lidstaten. Om de handel en de werking van de douane te bevorderen, is het belangrijk dat de Unie zich inzet om de nationale lijsten met verboden en beperkingen geleidelijk te harmoniseren. Voorts is het belangrijk om geharmoniseerde definities vast te stellen van de juridische termen die worden gebruikt wanneer verboden en beperkingen worden opgelegd, teneinde uiteenlopende interpretaties door de lidstaten te voorkomen.

(11)

Om de rechtsduidelijkheid te vergroten, moeten bepaalde regels met betrekking tot douanebeschikkingen worden gewijzigd. Ten eerste moet worden verduidelijkt dat de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de bevoegde douaneautoriteit van de plaats van vestiging van de aanvrager is, omdat de plaats van vestiging het belangrijkste beginsel is volgens hetwelk bepaalde marktdeelnemers, onder bepaalde voorwaarden en gedurende een vooraf bepaalde periode, onder voorbehoud van herziening, in aanmerking kunnen komen voor de bij deze verordening ingevoerde vereenvoudigingen en de douanerechten kunnen betalen waar zij gevestigd zijn. Ten tweede moet de termijn van 30 dagen waarbinnen een aanvrager aanvullende inlichtingen aan de douaneautoriteiten moet verstrekken indien deze van mening zijn dat de aanvraag voor een douanebeschikking niet alle vereiste inlichtingen bevat, ten behoeve van de volledigheid en de rechtsduidelijkheid ook worden ingevoerd.

(12)

Er moet worden verduidelijkt wat het gevolg is wanneer een douaneautoriteit niet binnen de vastgestelde termijnen een beschikking over een aanvraag afgeeft. Tevens moet het beginsel worden vastgelegd dat de aanvraag in dergelijke gevallen wordt geacht te zijn afgewezen en dat de aanvrager daartegen beroep kan aantekenen overeenkomstig de algemene regels inzake douanebeschikkingen.

(13)

Zoals door de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 4/2021, getiteld “Douanecontroles: onvoldoende harmonisatie schaadt de financiële belangen van de EU”, en in de evaluatie van de uitvoering van Verordening (EU) nr. 952/2013 werd benadrukt, is het ook wenselijk om het gebrek aan uniform toezicht op het voldoen aan de criteria en de verplichtingen die zijn vastgelegd in de douanebeschikkingen, aan te pakken door de desbetreffende bepalingen aan te scherpen. Enerzijds moeten de houders van douanebeschikkingen niet alleen voldoen aan de verplichtingen die in de desbetreffende beschikking zijn vastgelegd, maar moeten zij er ook voortdurend op toezien dat zij deze verplichtingen naleven, en zichzelf zo organiseren dat dit eigen toezicht eventuele fouten in hun douaneprocessen kan voorkomen, beperken of verhelpen. Anderzijds moeten de douaneautoriteiten regelmatig toezicht houden op de uitvoering van douanebeschikkingen door de houders van dergelijke beschikkingen, met name wanneer die houders voor minder dan drie jaar in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd en er daardoor een grotere kans is dat deze risico’s met zich meebrengt, om ervoor te zorgen dat de houder de in die beschikking vastgelegde verplichtingen naleeft. Indien douaneautoriteiten vaststellen dat een houder van een douanebeschikking niet langer aan de criteria of verplichtingen van die beschikking voldoet, moeten zij zonder onnodige vertraging passende maatregelen nemen, overeenkomstig de toepasselijke regels. Dit is met name van belang wanneer die personen een specifieke status hebben, zoals die van geautoriseerde marktdeelnemer of vertrouwde en gecontroleerde handelaar (Trust and Check trader), en daarom bepaalde faciliteiten bij de douaneprocessen genieten. Om het risicobeheer op het niveau van de Unie te versterken, moeten de douaneautoriteiten de EU-douaneautoriteit ook in kennis stellen van alle naar aanleiding van een aanvraag afgegeven douanebeschikkingen en van het toezicht dat erop wordt uitgeoefend, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij risicobeheerdoeleinden.

(14)

Naast beschikkingen betreffende bindende tariefinlichtingen (“BTI-beschikkingen”) en beschikkingen betreffende een bindende oorsprongsinlichting (“BOI-beschikkingen”), die de douaneautoriteiten op aanvraag en onder bepaalde voorwaarden vaststellen, zijn bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1072 van de Commissie (8) beschikkingen betreffende bindende waarde-inlichtingen (“BWI-beschikkingen”) in de douanewetgeving opgenomen. In het belang van de gebruikers van de douanewetgeving moeten de regels voor die drie soorten beschikkingen betreffende bindende inlichtingen in dezelfde rechtshandeling worden vastgelegd.

(15)

De rechten en verplichtingen van de personen die verantwoordelijk zijn voor goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen en verlaten, moeten duidelijker worden omschreven. Personen die regelmatig douaneoperaties verrichten, moeten net als voorheen geregistreerd zijn bij de douaneautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de plaats waar ze gevestigd zijn. Eén registratie moet voor de hele douane-unie geldig zijn en moet actueel worden gehouden. Marktdeelnemers moeten daarom verplicht zijn de douaneautoriteiten elke wijziging in hun registratiegegevens mee te delen. De personen die verantwoordelijk zijn voor goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen en verlaten, moeten ervoor zorgen dat de goederen voldoen aan het toepasselijke recht, met inbegrip van de regels ter bescherming van de veiligheid en beveiliging van ingezetenen, alsook aan de wetgeving ter voorkoming van risico’s voor de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, het milieu of de consument, zoals Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en de Raad (9) inzake algemene productveiligheid, Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad (10) betreffende productaansprakelijkheid en Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad (11) betreffende markttoezicht en conformiteit van producten. Ook de verplichtingen van de importeur moeten worden vastgelegd, met name de verplichting om in het douanegebied van de Unie te zijn gevestigd, en de uitzonderingen op die verplichting. Die verplichtingen moeten aanknopen bij de bestaande regels voor de aangever die in de Unie moet zijn gevestigd. Evenzo moeten de verplichtingen van de exporteur worden vastgesteld.

(16)

Wanneer de persoon die goederen bij afstandsverkopen levert of afstandsverkopen van goederen faciliteert, aangeeft dat hij of zij als importeur optreedt, moet die persoon ervoor zorgen dat de goederen voldoen aan de douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving voor het op de interne markt van de Unie brengen van producten.

(17)

Marktdeelnemers die aan bepaalde criteria en voorwaarden voldoen om door de douaneautoriteiten als conforme en betrouwbare handelaren te worden aangemerkt, kunnen de status van geautoriseerde marktdeelnemer krijgen en daardoor profiteren van faciliteiten in douaneprocessen. Hoewel de regeling geautoriseerde marktdeelnemer garandeert dat de handelaren die het merendeel van de handel in de Unie voor hun rekening nemen, betrouwbaar zijn, vertoont deze regeling ook een aantal zwakke punten die in de evaluatie van Verordening (EU) nr. 952/2013 en in de bevindingen van de Rekenkamer voor het voetlicht zijn gebracht. Om die punten van zorg, met name over uiteenlopende nationale praktijken en over uitdagingen met betrekking tot het toezicht op de naleving van de regeling door geautoriseerde marktdeelnemers, weg te nemen, moeten de relevante regels worden gewijzigd om de douaneautoriteiten ertoe te verplichten ten minste om de drie jaar toezicht te houden op die naleving.

(18)

Wijzigingen in de douaneprocessen en in de werkwijze van de douaneautoriteiten vereisen een nieuw partnerschap tussen douaneautoriteiten en marktdeelnemers, namelijk de regeling vertrouwde en gecontroleerde handelaren. De criteria en voorwaarden om een vertrouwde en gecontroleerde handelaar te worden, moeten voortbouwen op de criteria voor de status van geautoriseerde marktdeelnemer, maar ook garanderen dat de handelaar als transparant wordt beschouwd voor de douaneautoriteiten. Daarom moet van vertrouwde en gecontroleerde handelaren worden verlangd dat zij de douaneautoriteiten toegang verlenen tot hun elektronische systemen, waarin de naleving van hun verplichtingen en de bewegingen van hun goederen worden geregistreerd, mits deze toegang evenredig en strikt noodzakelijk is. Die transparantie moet gepaard gaan met bepaalde voordelen, zoals de mogelijkheid om goederen vrij te geven namens de douaneautoriteiten zonder dat deze actief hoeven op te treden, tenzij goedkeuring vóór vrijgave vereist is op grond van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, en om de betaling van de douaneschuld uit te stellen. De status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar mag niet worden toegekend aan personen die herhaalde of ernstige overtredingen van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving hebben begaan.

(19)

Om de integriteit van de douane-unie en de consequente toepassing van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar door de douaneautoriteiten van de lidstaten te waarborgen, moet er een mechanisme worden ingesteld met behulp waarvan de EU-douaneautoriteit en de Commissie kunnen optreden in gevallen waarin er aanwijzingen zijn voor niet-naleving door een handelaar met de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar. Een dergelijk mechanisme moet de EU-douaneautoriteit in staat stellen om, in samenwerking met de bevoegde douaneautoriteiten, de naleving van de vereisten voor de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar te controleren, met name wanneer een andere lidstaat dan die waar de handelaar is gevestigd, gegronde twijfels heeft over de naleving door de handelaar. Dat mechanisme is van essentieel belang om te voorkomen dat de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar onrechtmatig wordt toegepast en om achterdeurtjes om het douanegebied van de Unie binnen te komen, te vermijden. Om verschillen in handhaving te voorkomen, moet de Commissie, indien de lidstaat van vestiging niet tijdig of op passende wijze optreedt, de bevoegdheid krijgen om door middel van een uitvoeringshandeling die lidstaat te verplichten de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar op te schorten of in te trekken.

(20)

De optie om een douane-entrepot voor afstandsverkopen te beheren moet, in combinatie met andere bepalingen inzake afstandsverkopen en vereenvoudigingen, het gebruik van bulkhoeveelheden in plaats van pakketten stimuleren, waardoor de stroom van individuele pakketten beter beheersbaar wordt voor de douaneautoriteiten. Een douane-entrepot voor afstandsverkopen moet het mogelijk maken om goederen in het vrije verkeer te brengen op het moment van de verkoop en bij het vertrek uit het entrepot, wat betekent dat de goederen op het moment dat zij in het entrepot worden geplaatst, moeten voldoen aan de voorwaarden die erop van toepassing zouden zijn indien zij op dat moment in de Unie in de handel zouden worden gebracht. De douaneautoriteiten moeten op het moment van binnenkomst in het douane-entrepot kunnen controleren of de goederen die in bulkhoeveelheden worden binnengebracht, voldoen aan de marktregels van de Unie. Een dergelijk douane-entrepot voor afstandsverkopen mag alleen beschikbaar zijn voor marktdeelnemers die voldoen aan de betrouwbaarheidscriteria van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar, om misbruik door onbetrouwbare marktdeelnemers te voorkomen.

(21)

Wijzigingen in de douaneprocessen vereisen ook dat de rol van douanevertegenwoordigers wordt verduidelijkt. Zowel directe als indirecte vertegenwoordiging moet mogelijk blijven, maar er moet worden verduidelijkt dat de indirecte vertegenwoordiger van een importeur of exporteur alle verplichtingen van die importeur of exporteur op zich neemt, dat wil zeggen niet alleen de verplichting om de douaneschuld te betalen of zekerheid te stellen, maar ook de naleving van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving. Om die reden moeten douanevertegenwoordigers woonachtig zijn in het douanegebied van de Unie waar zij een importeur of exporteur vertegenwoordigen, om te garanderen dat naar behoren rekenschap wordt afgelegd voor financiële en niet-financiële aspecten van de verplichtingen van de importeur of exporteur. Het gebruik van een in de Unie gevestigde indirecte douanevertegenwoordiger biedt importeurs en exporteurs die geen commerciële aanwezigheid in de Unie hebben, daarom een beschikbaar en evenredig alternatief. Daarnaast moeten in derde landen gevestigde douanevertegenwoordigers hun diensten in de Unie kunnen blijven verlenen wanneer zij personen vertegenwoordigen die niet in het douanegebied van de Unie gevestigd hoeven te zijn.

(22)

Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, zoals gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (12), spelen een cruciale rol in de externe handel van de Unie, maar worden vaak geconfronteerd met verhoudingsgewijs hogere administratieve en nalevingslasten bij het voldoen aan de douanevereisten. Daarom is het belangrijk om rekening te houden met hun specifieke situatie en maatregelen te stimuleren die het voor hen gemakkelijker maken om de voorschriften na te leven, onder meer door middel van vereenvoudigde procedures, duidelijke richtsnoeren en toegankelijke vertegenwoordiging bij de douane. Er moeten richtsnoeren worden vastgesteld om kleine, middelgrote en micro-ondernemingen te ondersteunen, waarbij rekening moet worden gehouden met de unieke uitdagingen waarmee dergelijke ondernemingen worden geconfronteerd, en tegelijkertijd de integriteit en veiligheid van externe handelsprocessen moeten worden gehandhaafd bij de toepassing van de status van geautoriseerde marktdeelnemer en die van vertrouwde en gecontroleerde handelaar. Er moeten voortdurende inspanningen worden geleverd om de procedures voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen te vereenvoudigen en toegankelijker te maken, zodat hun cruciale rol in de externe handel van de Unie wordt gefaciliteerd en bevorderd.

(23)

Om een uniform niveau van digitalisering te waarborgen, een gelijk speelveld voor marktdeelnemers in alle lidstaten te creëren en bij te dragen aan de goede werking van de interne markt, moet een EU-douanedatahub worden opgericht, dat wil zeggen een omgeving van gecentraliseerde, beveiligde en cyberweerbare elektronische diensten en systemen voor douanedoeleinden. De EU-douanedatahub moet de uitvoering van de douanewetgeving mogelijk maken, zoals: douaneformaliteiten; douanecontroles; de berekening en mededeling van de douaneschuld, afhandelingsvergoeding van de Unie, accijnzen en btw; beheer van de zekerheidsstelling, en douanesurveillance op goederen. De EU-douanedatahub moet ook bijdragen aan de uitvoering van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving. Het moet de kwaliteit, integriteit, traceerbaarheid en onweerlegbaarheid van de daarin verwerkte gegevens waarborgen, zodat de verzender noch de ontvanger later het bestaan van de uitwisseling van gegevens kan betwisten. De gegevensverwerking in de EU-douanedatahub moet voldoen aan de relevante regels voor cyberbeveiliging en de verwerking van persoonsgegevens. De Commissie en de EU-douaneautoriteit moeten in samenwerking met de lidstaten het concept van de EU-douanedatahub ontwikkelen. De Commissie moet ook worden belast met het ontwikkelen, beheren en onderhouden van de EU-douanedatahub en moet die taak aan de EU-douaneautoriteit kunnen toevertrouwen.

(24)

Gezien de rol van de EU-douanedatahub bij het waarborgen van de integriteit en beveiliging van in de Unie voor douanedoeleinden verwerkte gegevens, die van openbaar belang is en van fundamenteel belang is voor de samenleving, moeten de in de EU-douanedatahub beheerde gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en andere gevoelige gegevens met betrekking tot de goederenstroom en de uitvoering van het Unierecht en het nationale recht, worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang en andere bedreigingen voor de integriteit en beveiliging van die gegevens. Daarom moeten de infrastructuur en diensten waar de EU-douanedatahub gebruik van maakt, aan bepaalde voorwaarden worden onderworpen om de soevereiniteit van de Unie in dat verband te waarborgen. De naleving van die voorwaarden moet worden aangetoond aan de hand van bewijsmateriaal en in het geval van kritieke diensten is het belangrijk dat dat bewijsmateriaal wordt aangevuld met een veiligheidsscreening van natuurlijke en rechtspersonen, zoals bepaald in het Unierecht of het nationale recht. Voorts moet de EU-douanedatahub zodanig worden ontworpen dat afhankelijkheid van één leverancier zo veel mogelijk wordt vermeden.

(25)

Om de betrouwbaarheid, interoperabiliteit en duurzaamheid op lange termijn van de EU-douanedatahub te waarborgen, is het belangrijk dat de ontwikkeling en het onderhoud ervan voldoen aan internationaal erkende normen en beste praktijken op het gebied van software engineering, systeemtests, proefprojecten en toelatingsprocedures. Dit omvat uitgebreide functionele en niet-functionele tests, gestructureerde proeffasen waarbij representatieve belanghebbenden betrokken zijn, en duidelijk omschreven toelatingscriteria om de werking, naleving en beveiliging te valideren. Die maatregelen zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat het systeem geharmoniseerde douaneformaliteiten in de hele Unie kan ondersteunen en voldoet aan de operationele vereisten van zowel de lidstaten als de marktdeelnemers.

(26)

De activiteiten ter uitvoering van de EU-douanedatahub moeten maatregelen omvatten om ervoor te zorgen dat de EU-douanedatahub altijd beschikbaar en operationeel is, zelfs in geval van een ernstige crisissituaties. Bedrijfscontinuïteitsmaatregelen moeten met name redundantie, failovermechanismen en protocollen voor gegevensherstel omvatten, alsook procedures die moeten worden gevolgd indien de EU-douanedatahub niet beschikbaar is of niet werkt. Wanneer de EU-douanedatahub afhankelijk is van fysieke infrastructuur, moeten redundante oplossingen op geografisch verspreide locaties worden overwogen om de bedrijfscontinuïteit te waarborgen in geval van een storing op één locatie.

(27)

De EU-douanedatahub moet de bestaande elektronische systemen vervangen die de lidstaten en de Commissie op grond van artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 hebben ontwikkeld en waarvan sommige in de loop van de transitie geleidelijk worden uitgefaseerd. Die bestaande nationale elektronische systemen zullen niet opnieuw in gebruik worden genomen indien de functionaliteiten van de EU-douanedatahub niet binnen de vastgestelde termijnen beschikbaar zijn. Daarom moet voor zo’n geval in een tijdelijke oplossing worden voorzien. In overeenstemming met recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (13) moet worden verduidelijkt dat de geautomatiseerde uitwisseling van inlichtingen tussen marktdeelnemers, douaneautoriteiten en andere belanghebbenden via en door de EU-douanedatahub de verantwoordelijkheid van die autoriteiten of van die marktdeelnemers met betrekking tot de betrokken douaneprocessen niet uitsluit. Zelfs indien de betrokkenheid van een douaneautoriteit bij de vaststelling van een maatregel beperkt is tot elektronische communicatie via de EU-douanedatahub, moet de betrokken maatregel worden geacht door die autoriteit te zijn vastgesteld alsof de EU-douanedatahub namens die autoriteit heeft gehandeld.

(28)

De EU-douanedatahub moet de uitwisseling van gegevens met andere systemen, platforms of omgevingen mogelijk maken met het oog op het verbeteren van de kwaliteit van de gegevens die de douane bij de uitvoering van haar taken gebruikt, en met het oog op het delen van relevante douanegegevens met andere autoriteiten, teneinde de doeltreffendheid van de controles op de interne markt te vergroten. In overeenstemming met de aanpak die is uiteengezet in Verordening (EU) 2024/903 van het Europees Parlement en de Raad (14) en de mededeling van de Commissie van 23 maart 2017, getiteld “Europees interoperabiliteitskader — Implementatiestrategie”, moet de EU-douanedatahub grens- en sectoroverschrijdende interoperabiliteit in Europa bevorderen. De EU-douanedatahub moet het potentieel benutten van bestaande bronnen van informatie over risico’s die op het niveau van de Unie beschikbaar zijn, zoals de systemen voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (rapid alert systems for food and feed — RASFF) en voor non-foodproducten (Safety Gate), het informatie- en communicatiesysteem voor markttoezicht (Information and Communication System for Market Surveillance — ICSMS) en het IP Enforcement Portal. De EU-douanedatahub moet de ontwikkeling ondersteunen van strategische en operationele samenwerking, met inbegrip van inlichtingenuitwisseling en interoperabiliteit, tussen douaneautoriteiten en andere autoriteiten, instanties en diensten, binnen hun respectieve bevoegdheden. Daarnaast moet de EU-douanedatahub een breed scala aan geavanceerde gegevensanalyse aanbieden, onder meer door het gebruik van artificiële intelligentie. Die gegevensanalyse moet risicoanalyse, economische analyse en voorspellende analyse vergemakkelijken om te anticiperen op mogelijke risico’s in verband met zendingen die de Unie binnenkomen of verlaten.

(29)

Om te zorgen voor een beter toezicht op de handelsstromen en een gestroomlijnde methode voor samenwerking met andere bevoegde autoriteiten dan de douaneautoriteiten, moet de EU-douanedatahub gebruik kunnen maken van het kader voor samenwerking binnen de EU-éénloketomgeving voor de douane en, wanneer dat kader niet kan worden gebruikt, die andere bevoegde autoriteiten een specifieke dienst aanbieden via welke zij de relevante gegevens kunnen ontvangen, inlichtingen verstrekken aan en uitwisselen met de douaneautoriteiten en ervoor kunnen zorgen dat de sectorale vereisten worden nageleefd. Die specifieke dienst zou nodig zijn indien de andere bevoegde autoriteiten niet beschikken over een elektronisch systeem dat met de EU-douanedatahub kan worden samengevoegd.

(30)

Om de functionaliteiten van de EU-douanedatahub vóór de ingebruikneming ervan te testen voor alle marktdeelnemers, ongeacht hun status of het betrokken douaneproces, is het passend de Commissie toe te staan te beslissen op vrijwillige basis een proeffase in te stellen. Bij een dergelijk proefproject zou de uitvoering van bepaalde processen en functies op vrijwillige basis en zonder wettelijke verplichting worden getest. Ten behoeve van de transparantie en de verstrekking van informatie aan geïnteresseerde belanghebbenden is het belangrijk dat de Commissie de planning, organisatie en duur van die proeffase en de toe te passen en te testen functionaliteiten openbaar maakt.

(31)

Autoriteiten, bedrijven, consumenten en ingezetenen moeten goederen kunnen rapporteren die bestemd zijn om in de Unie te worden ingevoerd of uit de Unie te worden uitgevoerd die niet in overeenstemming zijn met de betreffende Uniewetgeving die door de douaneautoriteiten wordt toegepast. De over die goederen gerapporteerde informatie moet beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub en moet kunnen worden gebruikt voor risicobeheerdoeleinden.

(32)

Naast de EU-douanedatahub moet het voor de lidstaten mogelijk blijven hun eigen toepassingen te ontwikkelen om gebruik te maken van gegevens van de EU-douanedatahub. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun toepassingen voldoen aan Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad (15), met name wat betreft maatregelen voor het beheer van cyberbeveiligingsrisico’s. Om de aanlooptijd te verkorten, moeten de lidstaten de financiën en het mandaat om dergelijke toepassingen te ontwikkelen, kunnen toevertrouwen aan de EU-douaneautoriteit. In dergelijke gevallen moet de EU-douaneautoriteit de toepassingen ontwikkelen ten behoeve van alle lidstaten. Dit kan worden gedaan door opensource-toepassingen te creëren die afhankelijkheid van één aanbieder voorkomen, volgens het kader voor het delen en hergebruiken van IT-oplossingen.

(33)

De EU-douanedatahub moet de gegevensstroom mogelijk maken. Gebruikers moeten in de EU-douanedatahub alle relevante gegevens kunnen doorgeven en verwerken die nodig zijn om aan hun verplichtingen uit hoofde van de douanewetgeving te voldoen. Die gegevens moeten op het niveau van de Unie worden verwerkt en met een Uniebrede risicoanalyse worden verrijkt. De daaruit voortvloeiende gegevens moeten ter beschikking worden gesteld van de douaneautoriteiten van de lidstaten, die de gegevens vervolgens verwerken om aan hun verplichtingen te voldoen. Tot slot moet het resultaat van de controles die worden verricht na de verwerking van gegevens uit de EU-douanedatahub, aan die datahub worden teruggemeld. Het is belangrijk dat de EU-douanedatahub de verwerking van de daarin beschikbare gegevens met zo min mogelijk vertraging mogelijk maakt.

(34)

De gegevens die bij de EU-douanedatahub worden ingediend, zijn grotendeels niet-persoonsgegevens die worden ingediend door marktdeelnemers en die betrekking hebben op de door hen verhandelde goederen. Niettemin kunnen die gegevens ook persoonsgegevens omvatten, met name de namen van personen die voor een marktdeelnemer of een autoriteit optreden. Om te waarborgen dat persoonsgegevens en commerciële informatie evenzeer worden beschermd, moeten er specifieke toegangsregels, regels inzake vertrouwelijkheid en voorwaarden voor het gebruik van de EU-douanedatahub worden vastgesteld. Met name moet worden vastgesteld welke entiteiten toegang kunnen hebben tot gegevens die in de EU-douanedatahub beschikbaar zijn en deze kunnen verwerken, naast de betrokken personen, de Commissie, de douaneautoriteiten en de EU-douaneautoriteit, waarbij een evenwicht wordt gehouden tussen de behoeften van die entiteiten en de behoefte om te waarborgen dat de voor douanedoeleinden verzamelde persoonsgegevens en vertrouwelijke informatie zo min mogelijk voor andere doeleinden worden gebruikt.

(35)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om, in overleg met de Commissie, specifieke gegevens aan te wijzen waarvan de openbaarmaking hun wezenlijke veiligheidsbelangen zou schaden, die technisch zodanig binnen de EU-douanedatahub moeten worden aangemerkt dat de verdere verwerking van die gegevens beperkt blijft tot de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, tenzij die autoriteiten uitdrukkelijk toestemming geven voor verdere verwerking. De persoon die de gegevens doorstuurt naar de EU-douanedatahub moet duidelijk de verwerkingsbeperkingen vastleggen van dergelijke gegevens die aan de specifieke toeleveringsketens of de gegevenscategorieën kunnen worden gekoppeld. Voor de toepassing van die mogelijkheid moet de betrokken lidstaat de Commissie informeren over de specifieke wezenlijke veiligheidsbelangen die in het geding zijn, en toelichten waarom hij van mening is dat die belangen niet voldoende kunnen worden beschermd binnen het algemene kader van bepalingen betreffende gegevensverwerking binnen de EU-douanedatahub.

(36)

Met inachtneming van de gegevensbeschermingsregels kunnen met name de regels inzake gevoelige douanegegevens en commercieel gevoelige gegevens, geaggregeerde niet-vertrouwelijke, niet-persoonsgebonden en niet-commercieel gevoelige douanegegevens op naar behoren gemotiveerd verzoek voor specifieke doeleinden aan derden ter beschikking worden gesteld.

(37)

Om ervoor te zorgen dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zijn onderzoeksbevoegdheden kan uitoefenen met betrekking tot frauduleuze activiteiten die de belangen van de Unie schaden, is het passend dat OLAF op nagenoeg dezelfde wijze toegang heeft tot de gegevens van de EU-douanedatahub als de Commissie. OLAF moet daarom het recht krijgen om die gegevens te verwerken overeenkomstig de voorwaarden inzake gegevensbescherming die zijn vervat in de betreffende Uniewetgeving, daaronder begrepen Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (16) en Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad (17).

(38)

Evenzo moet het Europees Openbaar Ministerie (EOM) op verzoek gegevens kunnen verkrijgen die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub om ervoor te zorgen dat het zijn onderzoeken naar douanegerelateerde aangelegenheden kan uitvoeren.

(39)

Het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) moet op verzoek gegevens kunnen verkrijgen die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub om zijn taken als omschreven in Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (18) uit te voeren. Het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) moet op verzoek niet-persoonsgebonden gegevens kunnen verkrijgen die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub.

(40)

Om de functies die in de nationale IT-systemen van de lidstaten worden uitgevoerd, te behouden, moeten de belastingautoriteiten van de lidstaten de mogelijkheid krijgen om gegevens rechtstreeks in de EU-douanedatahub te verwerken. In die zin moeten de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor voedselveiligheid overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (19) en de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor markttoezicht overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1020, de juiste diensten en instrumenten in de EU-douanedatahub tot hun beschikking krijgen, zodat zij de relevante douanegegevens kunnen gebruiken om de betreffende Uniewetgeving te helpen handhaven en samen te werken met de douaneautoriteiten om het risico dat niet-conforme producten de Unie binnenkomen, tot een minimum te beperken.

(41)

Op grond van artikel 24 van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (20) moeten de EU-douaneautoriteit en de bevoegde douaneautoriteiten aan het EOM zonder onnodige vertraging elke strafbare gedraging melden ten aanzien waarvan het EOM overeenkomstig artikel 22 en artikel 25, leden 2 en 3, van die verordening zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen. De EU-douaneautoriteit en de bevoegde douaneautoriteiten moeten zich onthouden van het nemen van maatregelen die de vertrouwelijkheid van een door de bevoegde nationale gerechtelijke of rechtshandhavingsautoriteit of door het EOM ingesteld strafrechtelijk onderzoek naar dezelfde feiten in gevaar kunnen brengen.

(42)

De regels en bepalingen betreffende de toegang tot de EU-douanedatahub en de uitwisseling van inlichtingen mogen geen afbreuk doen aan het douane-informatiesysteem (DIS) dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 515/97, en aan de rapportageverplichtingen in het kader van het situationeel bewustzijn uit hoofde van Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad (21).

(43)

De Commissie moet uitvoeringsvoorschriften vaststellen met nadere bepalingen inzake de toegang van de betrokken autoriteiten tot de EU-douanedatahub, nadat zij een beoordeling heeft verricht van de bestaande waarborgen waarin elke autoriteit of categorie van autoriteiten heeft voorzien om de correcte behandeling van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens te waarborgen.

(44)

Het is passend dat de EU-douanedatahub persoonsgegevens gedurende maximaal tien jaar bewaart. Die periode is gerechtvaardigd gelet op het feit dat de douaneautoriteiten kennis mogen geven van een douaneschuld tot tien jaar nadat zij de nodige informatie over een zending hebben ontvangen, en ook om te garanderen dat de Commissie, de EU-douaneautoriteit, OLAF, het EOM, de douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten de informatie in de EU-douanedatahub kunnen toetsen aan de informatie die is opgeslagen in en wordt uitgewisseld met andere systemen. Bovendien moet die periode worden afgestemd op de bewaartermijn die in andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving is bepaald, indien die wetgeving relevant is voor douanecontroles. Het is ook passend dat wanneer persoonsgegevens vereist zijn in het kader van gerechtelijke en administratieve procedures, onderzoeken en controles na vrijgave, de bewaartermijn wordt geschorst om te voorkomen dat persoonsgegevens worden gewist en daardoor niet voor die doeleinden kunnen worden gebruikt.

(45)

De bescherming van persoonsgegevens en andere gegevens in de EU-douanedatahub moet ook regels omvatten over de beperking van de rechten van betrokkenen. Daarom is het passend dat de douaneautoriteiten, de Commissie of de EU-douaneautoriteit het recht van betrokkenen zo nodig kunnen beperken om te vermijden dat handhavingsactiviteiten, risicoanalyses en douanecontroles in het gedrang komen. Bovendien kunnen dergelijke beperkingen ook worden toegepast wanneer dat nodig is ter bescherming van gerechtelijke of administratieve procedures naar aanleiding van handhavingsactiviteiten. Dergelijke beperkingen moeten naar behoren worden gemotiveerd in het licht van de activiteiten en prerogatieven van de douaneautoriteiten, de Commissie of de EU-douaneautoriteit, en mogen niet langer duren dan nodig is om die prerogatieven te vrijwaren.

(46)

De verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening moet geschieden in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 (22) of (EU) 2018/1725 (23) van het Europees Parlement en de Raad of Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (24), binnen het respectieve toepassingsgebied ervan. Elke andere autoriteit of instantie dan de douaneautoriteiten, de Commissie en de EU-douaneautoriteit die persoonsgegevens verwerkt in de EU-douanedatahub, moet overeenkomstig de toepasselijke regels als verwerkingsverantwoordelijke worden beschouwd.

(47)

Om de interoperabiliteit en uitwisseling van gegevens met bepaalde andere niet-douanesystemen van de Unie en met betrekking tot de in Verordening (EU) 2022/2399 van het Europees Parlement en de Raad (25) bedoelde douaneformaliteiten te waarborgen, moet de EU-douanedatahub het bij die verordening opgerichte douane-éénloketsysteem van de Europese Unie voor de uitwisseling van certificaten (EU-CSW-CERTEX) integreren. Totdat de EU-douanedatahub EU-CSW-CERTEX volledig heeft geïntegreerd, moet de EU-douanedatahub de zakelijke en technische transformatie van gegevens uitvoeren om de uitwisseling van gegevens via EU-CSW-CERTEX mogelijk te maken.

(48)

Er moeten gegevensvereisten worden vastgesteld om marktdeelnemers gemeenschappelijke richtsnoeren te verstrekken met betrekking tot de gegevens die zij nodig hebben om hun doeleinden te vervullen, met name in verband met de uitvoering van de douanewetgeving. De EU-douanedatahub zal een centraal toegangspunt voor dergelijke gegevens zijn, en daarom moeten de regels voor de formattering en codering van dergelijke gegevens worden vastgelegd in de technische specificaties voor de EU-douanedatahub, die een flexibeler instrument zijn dan rechtsregels. Er is echter een geharmoniseerd model voor douanegegevens met semantische gegevensvereisten nodig.

(49)

Een component voor douanerisicobeheer op het niveau van de Unie is van fundamenteel belang voor een geharmoniseerde toepassing van douanecontroles in de lidstaten. Er bestaat momenteel een gemeenschappelijk kader voor risicobeheer dat de mogelijkheid biedt om gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen op het gebied van financiële risico’s vast te stellen met het oog op de uitvoering van douanecontroles, maar dit kader vertoont aanzienlijke tekortkomingen. Om het gebrek aan een geharmoniseerde toepassing van douanecontroles en aan een geharmoniseerd risicobeheer, dat de financiële en niet-financiële belangen van de Unie en van de lidstaten schaadt, te verhelpen, is het passend de regels betreffende risicobeheer te herzien om een robuustere risicobeheeraanpak vast te stellen die zowel financiële als niet-financiële risico’s bestrijdt. Daarbij moeten ook de structurele uitdagingen op het gebied van het risicobeheer van financiële risico’s die door de Rekenkamer zijn vastgesteld, worden aangepakt. Het is met name passend om te beschrijven welke activiteiten deel uitmaken van het douanerisicobeheer, in het kader van een cyclische aanpak. Het is ook zaak om de rollen en verantwoordelijkheden van de Commissie, de EU-douaneautoriteit en de douaneautoriteiten van de lidstaten vast te stellen. Het is ook van essentieel belang dat de Commissie de bevoegdheid krijgt om gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen vast te stellen en om specifieke terreinen van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving aan te wijzen die prioritair in aanmerking komen voor gemeenschappelijk risicobeheer en controles, zonder dat de veiligheid in het gedrang komt.

(50)

Het is daarom passend te voorzien in risicobeheeractiviteiten op het niveau van de Unie en in bepalingen die garanderen dat op het niveau van de Unie uitgebreide gegevens worden verzameld die relevant zijn voor risicobeheer, daaronder begrepen de resultaten en de evaluatie van alle controles. Er moet worden voorzien in een gemeenschappelijke risicoanalyse en in de afgifte van overeenkomstige controleaanbevelingen van de Unie aan de douaneautoriteiten. In overeenstemming met het “pas toe of leg uit”-beginsel moeten die controleaanbevelingen worden opgevolgd, of er moeten dwingende redenen worden aangevoerd om ze niet op te volgen. Ook moet worden voorzien in de mogelijkheid om een instructie te geven dat voor de Unie bestemde goederen niet mogen worden geladen of vervoerd. De analyse van risico’s en dreigingen op het niveau van de Unie moet gebaseerd zijn op voortdurend geactualiseerde gegevens op het niveau van de Unie en moet aangeven welke maatregelen en controles moeten worden uitgevoerd aan de grensdoorlaatposten waar goederen het grondgebied van de Unie binnenkomen of verlaten.

(51)

In het kader van de samenwerking met rechtshandhavings- en veiligheidsautoriteiten in het bijzonder moet het risicobeheer op het niveau van de Unie, waar mogelijk, bijdragen aan en profiteren van strategische analyses en dreigingsbeoordelingen die op het niveau van de Unie worden uitgevoerd, met inbegrip van die welke door Europol en Frontex worden uitgevoerd, om bij te dragen aan de efficiënte en effectieve preventie en bestrijding van criminaliteit. Inbreuken op de douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving moeten gevolgen hebben voor het risicoprofiel van importeurs, met inbegrip van importeurs voor afstandsverkopen, of exporteurs.

(52)

Het proces van plaatsing van goederen onder een douaneregeling moet worden herzien om rekening te houden met de nieuwe rollen en verantwoordelijkheden van de bij die regeling betrokken personen. De verantwoordelijkheid voor het verstrekken van de informatie aan de douaneautoriteiten moet dus worden gedragen door de persoon die verantwoordelijk is voor de goederen, namelijk de importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer, en niet door de aangever. De verantwoordelijke persoon moet de gegevens aan de douane verstrekken of ter beschikking stellen zodra die gegevens beschikbaar zijn en in elk geval voordat de goederen voor een douaneregeling worden vrijgegeven, zodat de douaneautoriteiten een risicoanalyse kunnen verrichten en passende maatregelen kunnen nemen.

(53)

In het geval van elektronische handel is het echter passend, rekening houdend met het grotere aantal transacties via elektronische handel, dat personen die gebruikmaken van de bijzondere regeling van titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van Richtlijn 2006/112/EG (“éénloketsysteem voor invoer” of “IOSS-regeling”), uiterlijk op de dag na de aanvaarding van de betaling gegevens verstrekken over hun verkoop van in te voeren goederen.

(54)

In naar behoren gemotiveerde omstandigheden moeten de douaneautoriteiten vertrouwde en gecontroleerde handelaren kunnen toestaan om de gegevens over hun vrijgegeven goederen in een later stadium te vervolledigen, aangezien die handelaren voortdurend gegevens over hun transacties met de douane delen en als betrouwbaar kunnen worden beschouwd. Dergelijke omstandigheden kunnen verband houden met de bewijsstukken of met de onmogelijkheid om de definitieve douanewaarde van de goederen op het moment van vrijgave vast te stellen.

(55)

Teneinde het douaneproces voor het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie te vereenvoudigen en tegelijkertijd te garanderen dat slechts één persoon verantwoordelijk is voor die goederen, moet worden bepaald dat verschillende actoren in de toeleveringsketen hun deel van de relevante informatie over de betrokken goederen verstrekken en deze aan een specifieke zending koppelen. Goederen mogen het douanegebied van de Unie alleen binnenkomen indien er een importeur is of een indirecte vertegenwoordiger die voor rekening van de in de Unie gevestigde importeur handelt die de verantwoordelijkheid voor die goederen op zich neemt. De importeur of de indirecte vertegenwoordiger die voor rekening van de importeur handelt, moet de douane informatie verstrekken over de goederen en over de douaneregeling waaronder zij moeten worden geplaatst, en dat in een zo vroeg mogelijk stadium, zo mogelijk voordat de goederen fysiek aankomen. Een dienstverlener of douane-expediteur moet in naam en voor rekening van de importeur informatie kunnen verstrekken, maar de importeur moet ervoor verantwoordelijk blijven dat de goederen voldoen aan de financiële en niet-financiële risico’s. De vervoerders die de goederen daadwerkelijk binnenbrengen, moeten ook bepaalde informatie over de goederen verstrekken voordat deze worden geladen of aankomen (“voorafgaande vrachtinformatie”) en moeten hun informatie koppelen aan de informatie van de importeur wanneer deze eerder is ingediend, zonder dat zij noodzakelijkerwijs toegang hebben tot alle gegevens die de importeur heeft verstrekt. Om rekening te houden met de complexere toeleveringsketens en vervoersnetwerken, moet het mogelijk zijn van bepaalde andere personen te verlangen dat zij de informatie over de goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, vervolledigen. De importeur, de vervoerder of iedere andere persoon die informatie aan de douane verstrekt, moet verplicht zijn deze te wijzigen wanneer hij of zij weet dat de informatie niet langer correct is, maar wel voordat de douaneautoriteiten onregelmatigheden hebben ontdekt die zij voornemens zijn te controleren.

(56)

Niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, moeten worden geacht zich in tijdelijke opslag te bevinden vanaf het moment waarop de vervoerder kennisgeeft van de aankomst ervan tot het moment waarop zij onder een douaneregeling worden geplaatst, tenzij zij reeds onder de regeling douanevervoer zijn geplaatst. Om passend douanetoezicht te waarborgen, moet die situatie beperkt zijn in de tijd en mag deze niet langer duren dan 90 dagen, behalve in uitzonderlijke gevallen.

(57)

Het is noodzakelijk de regels te handhaven aan de hand waarvan wordt bepaald of goederen al dan niet Uniegoederen zijn en of de status van Uniegoederen kan worden vermoed of moet worden aangetoond, met name wanneer de goederen het douanegebied van de Unie tijdelijk verlaten.

(58)

Zodra de douaneautoriteiten op basis van een risicoanalyse over de nodige informatie voor de desbetreffende regeling beschikken, moeten zij beslissen of ze de goederen verder controleren, vrijgeven, de vrijgave weigeren of schorsen, of de termijn laten verstrijken met als resultaat dat de goederen als vrijgegeven worden beschouwd. De douaneautoriteiten moeten een dergelijk besluit zo nodig in samenwerking met andere bevoegde autoriteiten nemen. Dienovereenkomstig moeten de douaneautoriteiten de vrijgave van de goederen weigeren wanneer zij over bewijzen beschikken dat de goederen niet aan de toepasselijke wettelijke vereisten voldoen. De vaststelling van herhaalde systematische inbreuken met betrekking tot afstandsverkopen door een marktdeelnemer moet dergelijk bewijs vormen gedurende een periode van ten minste zes maanden voor alle goederen waarvan die marktdeelnemer de aankomst voor het in het vrije verkeer brengen heeft gemeld. Wanneer de douaneautoriteiten andere bevoegde autoriteiten moeten raadplegen om te bepalen of de goederen al dan niet voldoen aan de toepasselijke wettelijke vereisten, moeten zij de vrijgave van die goederen ten minste schorsen totdat dat overleg heeft plaatsgevonden. In dergelijke gevallen moet de daaropvolgende beslissing van de douaneautoriteiten met betrekking tot de goederen afhangen van het antwoord van de andere bevoegde autoriteiten. Om te voorkomen dat zowel handelaren als autoriteiten worden geblokkeerd in gevallen waarin er enige tijd nodig is om tot een conclusie over de naleving te komen, moeten de douaneautoriteiten de mogelijkheid hebben de goederen vrij te geven mits de handelaar hen blijft informeren over de plaats waar de goederen zich bevinden.

(59)

Om rechtszekerheid te bieden aan de handelaren die de informatie tijdig hebben verstrekt zonder de douaneautoriteiten te verplichten op elke zending te reageren, moeten goederen die na een redelijke termijn niet voor een controle zijn geselecteerd, als vrijgegeven worden beschouwd. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om die termijn in gedelegeerde handelingen vast te stellen en zo nodig aan te passen aan het soort verkeer of het soort grensdoorlaatpost in kwestie.

(60)

Aangezien vertrouwde en gecontroleerde handelaren betrouwbaar worden geacht en de douaneautoriteiten zo dicht mogelijk bij realtime als technisch haalbaar is voorzien van gegevens over de overbrenging van de goederen en over de naleving, en volledige toegang verlenen tot hun systemen, registers en verrichtingen, moeten dergelijke handelaren hun goederen onder toezicht van de douaneautoriteiten kunnen vrijgeven zonder op hun tussenkomst te wachten. Dienovereenkomstig moeten vertrouwde en gecontroleerde handelaren goederen voor rekening van de douaneautoriteiten kunnen vrijgeven bij ontvangst van die goederen op de plaats van vestiging van de importeur, eigenaar of geadresseerde of bij verzending vanaf de plaats van vestiging van de exporteur, eigenaar of afzender. Aangezien vertrouwde en gecontroleerde handelaren geacht worden op transparante wijze te handelen, moet elke aankomst en levering van goederen naar behoren worden geregistreerd in de EU-douanedatahub. Vertrouwde en gecontroleerde handelaren moeten worden verplicht de douaneautoriteiten te informeren wanneer zich een probleem voordoet, zodat die autoriteiten definitief over de vrijgave van de goederen kunnen beslissen. Indien de internecontrolesystemen van vertrouwde en gecontroleerde handelaren robuust genoeg zijn, moeten de douaneautoriteiten, in samenwerking met andere bevoegde autoriteiten, die handelaren kunnen toestaan bepaalde controles zelf uit te voeren. De douaneautoriteiten moeten echter de mogelijkheid behouden om de goederen te allen tijde te controleren.

(61)

Het is passend te voorzien in maatregelen om de overgang van een systeem op basis van douaneaangiften naar een systeem op basis van verstrekking of terbeschikkingstelling van informatie aan de EU-douanedatahub te organiseren. Tijdens de overgangsperiode moeten marktdeelnemers de mogelijkheid hebben om douaneaangiften in te dienen om hun voornemen goederen onder een douaneregeling te plaatsen, kenbaar te maken. Zodra de capaciteit van de EU-douanedatahub beschikbaar is, moeten marktdeelnemers echter ook de mogelijkheid krijgen om via de EU-douanedatahub informatie aan de douaneautoriteiten te verstrekken of beschikbaar te stellen, en mogen de douaneautoriteiten geen enkele marktdeelnemer nog een vergunning laten aanvragen voor vereenvoudigingen met betrekking tot de douaneaangifte. Aan het einde van de overgangsperiode moeten alle vergunningen hun geldigheid verliezen, aangezien douaneaangiften niet langer zullen bestaan. Wat afstandsverkopen van goederen betreft, moet de overgangsperiode voor het indienen van douaneaangiften worden beperkt totdat de EU-douanedatahub over de capaciteit beschikt om de relevante gegevens voor afstandsverkopen te verwerken.

(62)

De precieze identificatie van de persoon die als “importeur” optreedt, hangt af van het stadium en de aard van het betrokken douaneproces. Er mag telkens slechts één importeur zijn.

(63)

In het geval van afstandsverkopen wordt de persoon die goederen bij afstandsverkopen levert of afstandsverkopen van goederen faciliteert, geacht de persoon te zijn die bepaalt dat goederen uit een derde land het douanegebied van de Unie moeten worden binnengebracht, omdat zij de toeleveringsketen bepalen en tot de levering van de goederen aan de consument verantwoordelijk zijn voor het risico van verlies, beschadiging of vertraging. Daarom is het voor afstandsverkopen zo dat, om goederen in het vrije verkeer te brengen, de importeur hetzij de persoon is die goederen bij afstandsverkopen levert, hetzij de persoon die afstandsverkopen van goederen faciliteert, afhankelijk van de getroffen regeling, en de aldus bepaalde importeur moet als zodanig worden vermeld.

(64)

De persoon die goederen bij afstandsverkopen levert of afstandsverkopen faciliteert van goederen die vanuit derde landen in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd, die optreedt als importeur, moet verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van de vereiste informatie over afstandsverkopen aan de douaneautoriteiten voordat de goederen worden vrijgegeven. De aldus geïdentificeerde persoon moet voldoen aan de verplichtingen van een importeur.

(65)

Indien een persoon die goederen bij afstandsverkopen levert of afstandsverkopen faciliteert van goederen die vanuit derde landen in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd, niet in het douanegebied van de Unie is gevestigd, moet het mogelijk zijn de goederen onder een douaneregeling te plaatsen wanneer een indirecte vertegenwoordiger met de status van geautoriseerde marktdeelnemer de goederen op eigen naam en voor rekening van de importeur voor afstandsverkopen plaatst en in dat verband de verplichtingen van de importeur voor afstandsverkopen op zich neemt.

(66)

De bepalingen van deze verordening, waaronder die welke betrekking hebben op de importeur voor afstandsverkopen, vormen noch de jure, noch de facto een algemene toezichtverplichting voor aanbieders van tussenhandelsdiensten.

(67)

In artikel 29 VWEU is bepaald dat producten uit derde landen worden geacht zich in het vrije verkeer te bevinden indien de invoerformaliteiten zijn vervuld en douanerechten of heffingen van gelijke werking zijn voldaan. Het in het vrije verkeer brengen mag echter niet worden begrepen als een bewijs van naleving van de douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

(68)

Het proces van uitgang van goederen uit het douanegebied van de Unie moet worden gestroomlijnd en vereenvoudigd in overeenstemming met het proces van binnenbrengen. Daarom is het passend te eisen dat er een in de Unie gevestigde persoon is die verantwoordelijk is voor de goederen, namelijk de exporteur. De exporteur moet de douane de relevante informatie verstrekken of ter beschikking stellen voordat de goederen de Unie verlaten, met vermelding of de goederen Unie- of niet-Uniegoederen zijn, en de informatie zo nodig aanpassen.

(69)

Met het oog op een goed risicobeheer van de goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, moet de voor de uitvoer verantwoordelijke douaneautoriteit worden verplicht een risicoanalyse van de informatie over de goederen te verrichten en passende maatregelen te nemen of te vragen voordat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten. Die maatregelen moeten er onder meer in bestaan dat de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats van verzending van de goederen en voor de plaats van uitgang, en, zo nodig, andere bevoegde autoriteiten, wordt gevraagd controles te verrichten, naast de maatregelen voor het plaatsen van goederen onder een douaneregeling die ook van toepassing zijn wanneer de goederen worden uitgevoerd.

(70)

Om ervoor te zorgen dat de tariefschorsingsregelingen ook transparant zijn, moeten de bepalingen betreffende vergunningen voor bijzondere regelingen worden gestroomlijnd. Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moeten met name de voorwaarden om te bepalen of een advies op het niveau van de Unie noodzakelijk is om te beoordelen of het verlenen van een vergunning de belangen van de producenten in de Unie kan schaden, d.w.z. het “onderzoek van de economische voorwaarden”, worden gecodificeerd en in gedelegeerde handelingen worden geregeld. Aangezien de gevolgen voor de belangen van de producenten in de Unie kunnen afhangen van de hoeveelheid goederen die onder de bijzondere regeling worden geplaatst, moet daarnaast een bepaalde drempel worden gesteld waaronder wordt aangenomen dat er geen negatieve gevolgen zijn voor die belangen.

(71)

Artikel 9 van de Herziene Rijnvaartakte verwijst naar een bijlage (het “Rijnvaartmanifest”) die de overbrenging van goederen over de Rijn en de zijrivieren ervan aanmerkt als een douanevervoerregeling over de nationale grenzen heen van vier lidstaten, namelijk België, Duitsland, Frankrijk en Nederland, alsook Zwitserland en aldus heeft vergemakkelijkt. Volgens informatie van de douaneadministraties wordt het Rijnvaartmanifest in de praktijk niet meer als douanevervoerregeling in de lidstaten aan de Rijnoeverlidstaten gebruikt. In plaats daarvan geschiedt het goederenvervoer over de Rijn en de zijrivieren ervan nu onder de bij Verordening (EU) nr. 952/2013 ingestelde regeling Uniedouanevervoer, via het nieuwe geautomatiseerde systeem voor douanevervoer. Daarom moet de verwijzing naar het Rijnvaartmanifest worden geschrapt in gevallen waarin een overbrenging van goederen als extern of intern douanevervoer wordt aangemerkt.

(72)

Om meer transparantie te creëren met betrekking tot de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen van de regeling Uniedouanevervoer en voor de inhoud en risico’s in verband met de zending, moet van de houder van de douanevervoerregeling worden verlangd dat deze ten minste informatie verstrekt over de importeur of de exporteur die het initiatief heeft genomen tot de overbrenging van de goederen, met opgave van de reden van het vervoer, het vervoermiddel en de identificatie van de onder die regeling geplaatste goederen. Die informatie moet de douaneautoriteiten in staat stellen doeltreffender toezicht te houden op de betrokken regeling Uniedouanevervoer en een risicoanalyse te verrichten. De regeling Uniedouanevervoer moet verplicht zijn, tenzij goederen onmiddellijk bij het binnenkomen of verlaten van het douanegebied van de Unie onder een andere douaneregeling worden geplaatst. Indien de importeur of de exporteur nog niet bekend is, moet de houder van de goederen als de importeur of de exporteur van de goederen worden aangemerkt en aansprakelijk zijn voor de betaling van douanerechten en andere belastingen en heffingen. De regeling Uniedouanevervoer moet worden vervangen door douanetoezicht indien de goederen door een vertrouwde en gecontroleerde handelaar worden in- of uitgevoerd.

(73)

Bij een wijziging van bijlage 6 bij de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst) (26), die op 1 juni 2021 in werking is getreden, is toelichting 0.49 gewijzigd om marktdeelnemers die aan bepaalde eisen voldoen, de mogelijkheid te bieden “toegelaten afzender” te worden, naar analogie met de bestaande faciliteiten voor marktdeelnemers die als “toegelaten geadresseerde” zijn erkend. Die nieuwe mogelijkheid moet daarom worden opgenomen in deze verordening om de douanewetgeving van de Unie in overeenstemming te brengen met die internationale overeenkomst.

(74)

Afschaffing van de vrijstelling van rechten voor de invoer van goederen met een waarde van niet meer dan 150 EUR houdt in dat bepalingen betreffende de vaststelling van de douanewaarde worden toegepast om ad-valoremdouanerechten te heffen op ingevoerde goederen die zijn aangekocht in het kader van e-commercetransacties tussen ondernemingen en afnemers, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2006/112/EG. Dergelijke afstandsverkopen moeten de basis vormen voor de aangifte van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde. Dat beginsel geldt ook in situaties waarin goederen in het kader van afstandsverkopen worden gekocht niet voordat zij het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, maar terwijl zij onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst.

(75)

Transacties bij afstandsverkopen verschillen aanzienlijk van traditionele transacties tussen ondernemingen, wat leidt tot een grotere complexiteit. Die verschillen zijn van invloed op de wijze waarop de douaneautoriteiten de waarderingsregels in de praktijk daadwerkelijk toepassen. Bijzondere uitdagingen zijn de enorme omvang waarin en snelheid waarmee e-commercetransacties worden gesloten, het grote aantal betrokken kopers en verkopers en de spreiding van de verkoop. Rekening houdend met het specifieke karakter van e-commerce en met de rol van de douaneautoriteiten bij het bijdragen aan de goede werking van de interne markt, moeten de douaneautoriteiten, indien een importeur in een douaneprocedure die gericht is op de verificatie van de juistheid van de aangegeven transactiewaarde van goederen die in het kader van afstandsverkopen zijn aangekocht, gegronde twijfel of de aangegeven transactiewaarde wel de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor die goederen weerspiegelt, niet wegneemt en de aanvankelijk aangegeven transactiewaarde bijgevolg wordt afgewezen, flexibiliteit kunnen uitoefenen bij het bepalen van de passende bijkomende methode om de douanewaarde van die goederen opnieuw te bepalen.

(76)

Momenteel worden de douaneschulden geïnd door de lidstaat waar de douaneaangifte wordt ingediend. Het staat de handelaar vrij om die in te dienen in het land van eerste binnenkomst, dan wel gebruik te maken van een douaneregeling en de rechten te betalen in een andere lidstaat. Voor vertrouwde en gecontroleerde handelaren is het passend andere regels te gebruiken om de plaats te bepalen waar de douaneschuld ontstaat, zodat de invoerrechten worden betaald aan de lidstaat waar de handelaar is gevestigd. Dat is passend omdat dat de plaats is waar de douaneautoriteit de meest volledige kennis heeft van de registers, de verrichtingen en de commerciële gedragingen van de betrokken marktdeelnemers. De douaneschuld van marktdeelnemers die geen vertrouwde en gecontroleerde handelaren zijn, moet echter ontstaan op de plaats waar de goederen zich fysiek bevinden, ten minste totdat het toezichtmodel is geëvalueerd.

(77)

Bij e-commercetransacties is de importeur voor afstandsverkopen de persoon die verantwoordelijk is voor de douaneschuld. Bij gebruik van de IOSS-regeling moet de douaneschuld ontstaan op het moment dat de betaling van de onlineverkoop wordt aanvaard. Indien niet wordt gebruikgemaakt van die regeling, ontstaat de douaneschuld wanneer van de beschikbaarheid van de goederen kennis wordt gegeven in de lidstaten waar de goederen geleverd moeten worden.

(78)

Om de toenemende kosten te dekken van de afhandeling van een enorm aantal verzoeken om via afstandsverkoop verkochte goederen onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen te plaatsen, moet er een afhandelingsvergoeding van de Unie worden bepaald die in verhouding staat tot de geschatte kosten van de diensten die nauw verband houden met het douanetoezicht op die goederen, aangezien die goederen rechtstreeks naar de consument worden verzonden, waardoor het voor andere autoriteiten onmogelijk wordt om ze na inklaring te controleren. Hoewel het aan de lidstaten is om te beslissen of zij de kosten van uitzonderlijke controlemaatregelen of kosten die andere autoriteiten dan douaneautoriteiten hebben gemaakt in verband met de verificatie of vernietiging van de goederen, terugvorderen van de marktdeelnemers, moet de afhandelingsvergoeding van de Unie met name de kosten dekken van het controleren van de gegevens en het uitvoeren van een risicoanalyse, en van de relevante infrastructuur en controles, met inbegrip van de relevante diensten die door de EU-douaneautoriteit zijn verleend.

(79)

Er moet worden voorzien in een lagere afhandelingsvergoeding van de Unie wanneer de goederen worden verkocht in het kader van afstandsverkopen vanuit een douane-entrepot voor afstandsverkopen, aangezien het voor de douaneautoriteiten gemakkelijker en doeltreffender is toezicht te houden op bulkhoeveelheden goederen die in een entrepot zijn opgeslagen dan goederen die in afzonderlijke pakketten zijn verpakt en rechtstreeks naar de consument worden verzonden.

(80)

De schuldenaar van de afhandelingsvergoeding in de Unie moet dezelfde persoon zijn als de schuldenaar van de douaneschuld, die de importeur voor afstandsverkopen moet zijn. Indien de bepalingen inzake importeurs voor afstandsverkopen nog niet van toepassing zijn, moet de schuldenaar de aangever zijn. Bij afstandsverkopen is de aangever doorgaans de persoon die gerechtigd is om gebruik te maken van de IOSS-regeling, of een indirecte douanevertegenwoordiger. Bijgevolg mag de consument geen schuldenaar van de afhandelingsvergoeding van de Unie zijn.

(81)

Het is passend te bepalen dat de eerste gedelegeerde handeling tot vaststelling van het bedrag van de afhandelingsvergoeding snel in werking treedt, zodat de bij deze verordening ingevoerde afhandelingsvergoeding van de Unie in de praktijk kan worden toegepast, zodat de douaneautoriteiten het hoofd kunnen bieden aan de toenemende druk op hen als gevolg van het aanzienlijke aantal pakketten dat het douanegebied van de Unie binnenkomt.

(82)

Aangezien verschillende maatregelen, zoals rechten en vergoedingen, per artikel van toepassing zijn, is het passend een definitie daarvan in te voeren. Een artikel moet worden gedefinieerd als één of meer goederen in een zending die bepaalde gegevenselementen gemeen hebben, waaronder de tariefindeling en de oorsprong, overeenkomstig de toepasselijke gegevensvereisten. Die definitie moet gelden ten aanzien van zowel de douaneaangiften in de bestaande digitale instrumenten van de lidstaten en van de Unie, ook wanneer de tariefindeling voor de betrokken goederen in de douaneaangifte zich alleen op het niveau van onderverdelingen van het geharmoniseerd systeem bevindt, als de passende gegevensvereisten die daartoe zijn vastgesteld zodra de EU-douanedatahub beschikbaar is.

(83)

Het is passend het mechanisme te versterken dat moet zorgen voor toezicht op de consistente en doeltreffende uitvoering van beperkende maatregelen ten aanzien van goederen die de Raad overeenkomstig artikel 215 VWEU vaststelt. Indien dergelijke maatregelen worden vastgesteld moet de EU-douaneautoriteit de Commissie en de lidstaten ondersteunen om ervoor te zorgen dat die maatregelen niet worden omzeild. Zij moet de douaneautoriteiten richtsnoeren verstrekken in de vorm van niet-bindende aanbevelingen, bijvoorbeeld door consistente douanepraktijken te bevorderen, binnen de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de uitvoering van dergelijke maatregelen. De douaneautoriteiten moeten ervoor zorgen dat zij alle nodige stappen binnen hun bevoegdheden zetten om aan die maatregelen te voldoen, en zij moeten de Commissie en de EU-douaneautoriteit daarvan in kennis stellen. De EU-douaneautoriteit moet mogelijke discrepanties bij de toepassing van die maatregelen vaststellen en toezicht houden op de uitvoering ervan, en dienovereenkomstig verslag uitbrengen aan de Commissie.

(84)

Er moet een mechanisme voor crisisbeheer worden opgezet om mogelijke crises in de douane-unie aan te pakken. Het ontbreken van een dergelijk mechanisme op het niveau van de Unie is aangekaart in de mededeling van de Commissie van 28 september 2020 getiteld “Een actieplan om de douane-unie op een hoger plan brengen”. Daarom moet er een mechanisme worden ingesteld waarbij de EU-douaneautoriteit een spilfunctie krijgt bij de voorbereiding, coördinatie en monitoring van de uitvoering van de praktische maatregelen en regelingen waartoe de Commissie in crisistijd beslist. De EU-douaneautoriteit moet tijdens de gehele duur van een crisis continu paraat blijven om te reageren.

(85)

Het bestaande governancekader van de douane-unie mist een duidelijke operationele beheerstructuur en heeft geen gelijke tred gehouden met de ontwikkeling van de douane sinds de oprichting van de douane-unie in 1968. Uit hoofde van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn de nationale douaneautoriteiten verantwoordelijk voor de activiteiten die verband houden met het beheer van risico’s in handelsstromen, zoals de uitvoering van controles op het terrein en de besluitvorming daartoe. De intensiteit van de handel in goederen aan de buitengrenzen is niet gelijkmatig over de Unie verdeeld. Ondanks de samenwerking tussen de nationale douaneautoriteiten sinds de oprichting van de douane-unie, die in de uitwisseling van beste praktijken en deskundigheid en de ontwikkeling van gemeenschappelijke richtsnoeren heeft geresulteerd, is er noch een geharmoniseerde aanpak noch een geharmoniseerd operationeel kader tot stand gekomen. Er bestaat geen centrale risicoanalysecapaciteit of gemeenschappelijke visie op risicoprioritering van de Unie; douaneacties en -controles zijn slechts tot op zekere hoogte gecoördineerd en er zijn geen samenwerkingskaders van verschillende autoriteiten ten dienste van de eengemaakte markt.

(86)

Een centrale, operationele structuur van de Unie om deskundigheid en middelen te bundelen en de lidstaten en de Commissie bij te staan bij het gezamenlijk nemen van besluiten, moet dergelijke zwakke punten aanpakken. Die moet met name gericht zijn op gebieden als gegevensbeheer en risicobeheer, en moet de opleidingsinhoud voor douaneambtenaren en douaneprofessionals in de Unie voorbereiden om de door de lidstaten verstrekte opleiding aan te vullen en te ondersteunen. De structuur moet ook bijdragen tot de totstandbrenging van een Uniesysteem voor de erkenning van de uitmuntendheid van onderwijsinstellingen die opleiding en onderwijs op douanegebied aanbieden, voortbouwend op het initiatief van de Commissie getiteld “EU-erkenningscertificaat voor douaneopleidingen”, en de vrijwillige oprichting van gespecialiseerde kenniscentra door de lidstaten coördineren en ondersteunen. Zo moet ervoor worden gezorgd dat de douane-unie als één geheel optreedt, waarbij wordt erkend dat uiteenlopende praktijken in de lidstaten het gevolg kunnen zijn van objectieve specifieke kenmerken, zoals geografische verschillen, de gebruikte vervoerswijze, het soort goederen of het soort grens. De oprichting van de nieuwe EU-douaneautoriteit is van cruciaal belang om het efficiënte en adequate functioneren van de douane-unie te waarborgen, het douaneoptreden centraal te coördineren en de activiteiten van de douaneautoriteiten te ondersteunen.

(87)

Bij het bestuur en het functioneren van de EU-douaneautoriteit moet worden uitgegaan van de beginselen van de gezamenlijke verklaring en gemeenschappelijke aanpak van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie inzake gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012.

(88)

Bij de keuze van de zetel van de EU-douaneautoriteit moeten het Europees Parlement en de Raad erop toezien dat de autoriteit, gezien haar aard, een locatie krijgt waar zij haar taken en bevoegdheden volledig kan uitvoeren, hooggekwalificeerd en gespecialiseerd personeel kan aanwerven en passende opleidingsmogelijkheden kan bieden. Daarenboven moeten het Europees Parlement en de Raad de volgende criteria in acht nemen voor de selectie van de zetel van de EU-douaneautoriteit: beschikbaarheid van passende kantoorruimte en mogelijkheid om het relevante personeel te huisvesten voordat de EU-douaneautoriteit operationeel wordt; toegankelijkheid van de locatie en bestaan van adequate onderwijsvoorzieningen voor de kinderen van personeelsleden; passende toegang tot de arbeidsmarkt, sociale zekerheid en gezondheidszorg voor echtgenoten en kinderen van personeelsleden, en geografisch evenwicht. Op basis van die criteria zou de EU-douaneautoriteit moeten worden gevestigd in Rijsel, Frankrijk.

(89)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de douaneautoriteiten over voldoende middelen, opleiding en uitrusting beschikken om hun opdracht te kunnen vervullen.

(90)

Het is belangrijk dat de douane investeert in voldoende, naar behoren opgeleid personeel om de werking van de douanesystemen van de Unie, die te maken hebben met een exponentiële toename van de vraag, te waarborgen. Digitale oplossingen kunnen niet ten volle worden benut zonder de nodige investeringen in personeel. Bij investeringen in digitale systemen moet daarom voldoende financiering voor personeel en hun opleiding worden verzekerd om te kunnen voorzien in de nodige vaardigheden voor het gebruik van de meest moderne apparatuur en technologie voor analyse, opsporing en controle aan de hand van big data, en om aldus te garanderen dat douanecontroles in de hele Unie op uniforme wijze worden uitgevoerd.

(91)

De lidstaten en de Commissie moeten in een raad van bestuur vertegenwoordigd zijn om ervoor te zorgen dat de EU-douaneautoriteit doeltreffend kan functioneren. Bij de samenstelling van de raad van bestuur, met inbegrip van de selectie van de voorzitter en de vicevoorzitter, moet rekening worden gehouden met het beginsel van genderevenwicht en met relevante ervaring en kwalificaties. Gezien de exclusieve bevoegdheid van de Unie op het gebied van de douane-unie en het nauwe verband tussen douane en andere beleidsterreinen, moet de voorzitter of de vicevoorzitter worden gekozen uit de door de Commissie aangewezen leden van de raad van bestuur. Met het oog op het doeltreffend en efficiënt functioneren van de EU-douaneautoriteit moet de raad van bestuur met name een enkelvoudig programmeringsdocument, inclusief een jaar- en een meerjarenprogrammering, vaststellen, zijn taken met betrekking tot de begroting van de EU-douaneautoriteit uitvoeren, een geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag over de activiteiten van de EU-douaneautoriteit goedkeuren en publiceren, waarbij hij ervoor zorgt dat er geen gevoelige informatie wordt vrijgegeven, de voor de EU-douaneautoriteit geldende financiële regels vaststellen, een uitvoerend directeur benoemen en de procedures vaststellen die de uitvoerend directeur moet volgen bij het nemen van besluiten met betrekking tot de operationele taken van de EU-douaneautoriteit. De raad van bestuur wordt bijgestaan door een uitvoerend comité.

(92)

De EU-douaneautoriteit moet de douane-adviesraad oprichten, die tot taak zal hebben de EU-douaneautoriteit advies te verstrekken over de uitvoering van technische acties en besluiten, over uitvoerings- en normalisatiekwesties, met inbegrip van harmonisatieactiviteiten, over de operationele aspecten van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, en over alle andere activiteiten van de EU-douaneautoriteit. De douane-adviesraad moet streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van belanghebbenden waar het commerciële en niet-commerciële belangen betreft en, binnen de categorie commerciële belangen, waar het micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en andere ondernemingen betreft. De douane-adviesraad moet regelmatig worden geraadpleegd en moet de EU-douaneautoriteit op eigen initiatief advies kunnen verstrekken.

(93)

Om haar doeltreffend functioneren te waarborgen, moet aan de EU-douaneautoriteit een eigen begroting worden toegekend, met ontvangsten uit de algemene begroting van de Unie en eventuele vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten. In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden moet de EU-douaneautoriteit extra inkomsten kunnen ontvangen via bijdrageovereenkomsten of subsidies, alsook via vergoedingen voor publicaties en andere diensten die zij verleent.

(94)

De EU-douaneautoriteit moet de informatie waarover zij beschikt met betrekking tot uitdagingen op het gebied van douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, gebruiken om periodiek een dreigingsbeoordeling uit te voeren. Op basis van een dergelijke dreigingsbeoordeling moet de EU-douaneautoriteit aanbevelingen opstellen en toezenden aan de Commissie. Op basis van die aanbevelingen moet de Commissie gebieden aanwijzen die met voorrang moeten worden behandeld. Het is belangrijk dat de Raad een politieke, strategische bespreking houdt over de gebieden die een prioritaire behandeling verdienen en dat de EU-douaneautoriteit zorgt voor passende follow-up, onder meer bij het opstellen van haar jaarlijkse en meerjarige werkprogramma en het opstellen van het jaarverslag van haar activiteiten.

(95)

Om hun taak te vervullen, moeten de EU-douaneautoriteit en de douaneautoriteiten nauw en regelmatig samenwerken met markttoezichtautoriteiten, sanitaire en fytosanitaire autoriteiten, rechtshandhavingsinstanties en -autoriteiten, grensbeheerautoriteiten, milieubeschermingsinstanties, statistische instanties en belastingautoriteiten, deskundigen op het gebied van cultuurgoederen en tal van andere autoriteiten die belast zijn met sectoraal beleid. Gezien de ontwikkeling van de eengemaakte markt en de veranderende rol van de douane, de toename van verboden en beperkingen en de groei van e-commerce is het noodzakelijk deze samenwerking op Unie-, internationaal en nationaal niveau te structureren en te versterken. In plaats van een samenwerking die gericht is op individuele zendingen of specifieke gebeurtenissen in de toeleveringsketen, moet een kader ter ondersteuning van de samenwerking tussen de douaneautoriteiten en andere autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor relevante beleidsterreinen worden ontwikkeld en regelmatig worden bijgewerkt door de EU-douaneautoriteit. Deze samenwerking dient onder meer de volgende punten te bestrijken: de ontwikkeling van wetgeving en beleidsbehoeften op specifieke gebieden; de uitwisseling en analyse van informatie; de ontwikkeling van een algemene samenwerkingsstrategie in de vorm van gezamenlijke toezichtstrategieën; samenwerking op het gebied van operationele uitvoering, monitoring en controles; de uitwisseling van relevante vaardigheden en beste praktijken, en innovatie- en onderzoeksactiviteiten op gebieden die voor de douane relevant zijn.

(96)

De Commissie moet ook de toepassing van een deel van de andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving vergemakkelijken door een lijst op te stellen en regelmatig bij te werken van Uniewetgeving die eisen stelt aan goederen die onderworpen zijn aan douanecontroles ter bescherming van openbare belangen zoals de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, de consument en het milieu.

(97)

Voor betere samenwerking tussen de douaneautoriteiten moeten de gezamenlijke operationele inspanningen worden opgevoerd ter ondersteuning van doeltreffende douanecontroles aan de grenzen van de Unie. De EU-douaneautoriteit moet de operationele coördinatie op het gebied van douanesamenwerking coördineren en ondersteunen, ook op het gebied van risicobeheer. De EU-douaneautoriteit moet in samenwerking met de lidstaten gezamenlijke controles door douaneautoriteiten binnen de Unie en met derde landen plannen, organiseren en coördineren. In het kader van de samenwerking tussen de douaneautoriteiten binnen de Unie laat deze verordening de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (27) (Napels II) onverlet. De EU-douaneautoriteit moet de nodige samenwerking onderhouden met relevante Unie- en nationale autoriteiten die relevante onderzoeken en fraudebestrijdingsactiviteiten uitvoeren, waaronder OLAF en het EOM. Het is belangrijk dat de EU-douaneautoriteit ook samenwerkt met de Europese innovatiehub voor interne veiligheid indien dit relevant is voor de activiteiten van de EU-douaneautoriteit.

(98)

Voorts moeten de lidstaten, om beste praktijken uit te wisselen en de operationele doeltreffendheid te vergroten, douaneambtenaren op verzoek tijdelijk beschikbaar kunnen stellen om bij de douaneautoriteiten van een andere lidstaat te werken. De voorwaarden voor dergelijke tijdelijke opdrachten moeten door de betrokken lidstaten worden uitgewerkt. De EU-douaneautoriteit moet op verzoek ondersteuning of coördinatie bieden. In voorkomend geval kan zij richtsnoeren of modelregelingen ontwikkelen om deze vorm van samenwerking te vergemakkelijken.

(99)

De EU-douaneautoriteit en Europol moeten strategische en andere niet-operationele informatie, zoals risico-indicatoren, kunnen uitwisselen wanneer dat nodig is voor de preventie en bestrijding van zware criminaliteit waardoor twee of meer lidstaten worden getroffen, terrorisme en vormen van criminaliteit die een schending inhouden van een gemeenschappelijk belang dat onder het beleid van de Unie valt. Dergelijke informatie kan door de EU-douaneautoriteit worden gebruikt voor risicoanalyses.

(100)

Om meer duidelijkheid te creëren en het samenwerkingskader tussen de douaneautoriteiten en andere partnerautoriteiten efficiënter te maken, moet een lijst van diensten die door douaneautoriteiten worden aangeboden, duidelijk aangeven welke rol douaneautoriteiten kunnen spelen bij de toepassing van ander relevant beleid aan de grenzen van de Unie. Daarnaast moet de toepassing van dat samenwerkingskader door de EU-douaneautoriteit worden gemonitord. De EU-douaneautoriteit moet nauw samenwerken met de Commissie, OLAF, andere relevante organen, instanties en agentschappen van de Unie, zoals Europol, het EOM en Frontex, alsook met gespecialiseerde agentschappen en netwerken op de beleidsterreinen die relevant zijn voor de activiteiten van de EU-douaneautoriteit, zoals het Unienetwerk voor productconformiteit.

(101)

In een wereld met steeds sterkere onderlinge verbindingen zijn douanediplomatie en internationale samenwerking belangrijke aspecten van de werkzaamheden van douaneautoriteiten over de hele wereld. Bij internationale samenwerking moeten douanegegevens kunnen worden uitgewisseld op basis van internationale overeenkomsten of autonome Uniewetgeving en via passende, beveiligde en strikt gecontroleerde communicatiemiddelen, zoals de EU-douanedatahub, met eerbiediging van vertrouwelijke informatie en met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens.

(102)

Doeltreffende samenwerking tussen buurlanden is van essentieel belang om de goede werking van de douaneoperaties, de facilitering van legitieme handel en de bescherming van de financiële belangen en het beleid van de Unie te waarborgen. Dergelijke samenwerking is van bijzonder belang aan gemeenschappelijke douanedoorlaatposten aan de grens, waar gecoördineerde douanecontroles de efficiëntie en rechtszekerheid ten goede komen. De lidstaten moeten daarom de capaciteit behouden om bilaterale overeenkomsten met aangrenzende derde landen te sluiten of te handhaven met betrekking tot douanesamenwerking aan gemeenschappelijke grensdoorlaatposten, indien dergelijke overeenkomsten verenigbaar zijn met het Unierecht. Die capaciteit omvat overeenkomsten met betrekking tot gemeenschappelijke grensdoorlaatposten op het grondgebied van een lidstaat of op het grondgebied van een aangrenzend derde land waar de douaneautoriteiten van die lidstaat en van dat aangrenzende derde land hun respectieve douanewetgeving toepassen op grond van een bilaterale overeenkomst.

(103)

In deze verordening moet een gemeenschappelijk kader worden vastgelegd tot vaststelling van een minimumlijst van overtredingen van de douanewetgeving waarop sancties van toepassing zijn en van bepaalde regels voor niet-strafrechtelijke sancties, dat door de lidstaten ten uitvoer moet worden gelegd. Het is aan de lidstaten om het passende type maatregel te kiezen om deze overtredingen aan te pakken. Het is ook passend een minimumlijst van omstandigheden op te stellen waarmee de lidstaten terdege rekening moeten houden, overeenkomstig het nationale recht, bij de beslissing om al dan niet een sanctie op te leggen en bij de beslissing over het soort sanctie of de zwaarte ervan. De Commissie moet toezien op de correcte uitvoering van die bepalingen, naargelang het geval. De sancties voor overtredingen van de douanewetgeving moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(104)

Deze verordening harmoniseert de nationale procedureregels inzake administratieve sancties niet en regelt evenmin welke autoriteiten sancties opleggen, zolang het beginsel van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties maar wordt nageleefd. De regels inzake sancties kunnen bijvoorbeeld zo worden toegepast dat de sanctie rechtstreeks door de bevoegde autoriteiten wordt opgelegd, of door een bevoegde nationale rechter op een verzoek van een bevoegde administratieve autoriteit, of door de bevoegde douaneautoriteiten via een schikkingsprocedure, van gelijke werking.

(105)

Gezien de centrale rol van importeurs voor afstandsverkopen bij het organiseren van grote volumes invoer van geringe waarde, onder meer via onlineplatforms en websites, moet er een samenhangend, evenredig en afschrikkend kader van sancties worden uitgewerkt dat van toepassing is wanneer importeurs voor afstandsverkopen hun verplichtingen niet nakomen. Met name voor voortdurende en systematische niet-naleving van de douanewetgeving bij afstandsverkoop moeten de sancties afschrikkend werken en doeltreffend zijn. De omvang, het grensoverschrijdende bereik en de wijdverbreide gevolgen van systematische niet-naleving rechtvaardigen dat in deze verordening strenge minimum- en maximumbedragen voor geldboeten worden vastgelegd, op basis van de totale waarde van de goederen die in de Unie worden ingevoerd door de marktdeelnemer die niet aan de voorschriften voldoet, met behoud van de mogelijkheid voor de lidstaten om in hun nationale wetgeving in aanvullende sancties te voorzien. De harmonisatie van sancties voor systematische niet-naleving in de hele Unie heeft tot doel “grensshopping” door marktdeelnemers die zich bezighouden met afstandsverkoop te voorkomen. Marktdeelnemers die zich schuldig maken aan systematische niet-naleving moeten worden geclassificeerd als marktdeelnemers met een hoog risico en moeten elke status van betrouwbare handelaar en faciliterende maatregelen verliezen.

(106)

Indien de systematische niet-naleving voortduurt ondanks het opleggen van geleidelijk hogere geldboeten, moeten er verdere sancties worden opgelegd. Dit is noodzakelijk vanwege de voortdurende niet-naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, die de integriteit van de douane-unie en de interne markt ondermijnt, oneerlijke concurrentievoordelen creëert voor marktdeelnemers die zich niet aan de regels houden, en mogelijk schadelijk is voor de consument. Bijgevolg moet er, mede ter vervulling van de missie van de douaneautoriteiten, een verdere laag van strenge sancties worden ingevoerd om elke vorm van dergelijke multisystematische niet-naleving te ontmoedigen. Naar aanleiding van dergelijk gedrag moeten de douaneautoriteiten het in het vrije verkeer brengen van alle door een marktdeelnemer in het kader van afstandsverkopen ingevoerde goederen kunnen opschorten. Daarnaast moeten de betrokken bevoegde autoriteiten, indien dit relevant is en wordt gerechtvaardigd door de aard van een dergelijke verdere systematische overtreding, de toegang tot de online-interface van de inbreukmakende marktdeelnemer, tijdelijk kunnen opschorten. Daartoe moet tijdige toezending van informatie over de overtreding aan de betrokken autoriteiten hen in staat stellen een volledig beeld van de situatie te krijgen en een gecoördineerde respons te waarborgen.

(107)

Om doeltreffende monitoring en een passende mate van transparantie mogelijk te maken, moeten de registers van alle niet-strafrechtelijke sancties die door de douaneautoriteiten van de lidstaten zijn opgelegd, in de EU-douanedatahub beschikbaar worden gesteld. In die registers moeten de aard van de overtreding en het bedrag van de opgelegde geldboete of de identificatie van andere toegepaste niet-strafrechtelijke sancties worden vermeld. Een dergelijk gecentraliseerd systeem moet de nodige gegevens verschaffen om handhavingspraktijken te beoordelen en potentiële marktverstoringen of “grensshopping”-praktijken van marktdeelnemers in kaart te brengen.

(108)

De Commissie moet de bepalingen van deze verordening inzake overtredingen en sancties evalueren om de goede werking en toepassing ervan te waarborgen en mogelijke versnippering van de interne markt of ontwijking van jurisdictie door marktdeelnemers te voorkomen. Een dergelijke evaluatie moet plaatsvinden na een beoordeling van de in de EU-douanedatahub geregistreerde sanctiegegevens, met name wanneer er risico’s op verschillen of verstoringen op de interne markt worden vastgesteld. Het is belangrijk te zorgen voor een gelijk speelveld en eventuele lacunes of inconsistenties in de regelgeving bij de toepassing van sancties weg te nemen.

(109)

Wanneer er een inbreuk op de douanewetgeving wordt gepleegd die onder de rechtsmacht van meer dan één lidstaat valt, moeten die lidstaten samenwerken. In dergelijke gevallen moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor dezelfde inbreuk op de douanewetgeving, samenwerken overeenkomstig het toepasselijke recht. De EU-douaneautoriteit moet die samenwerking kunnen ondersteunen en faciliteren.

(110)

De prestaties van de douane-unie moeten ten minste eenmaal per jaar worden geëvalueerd, zodat de Commissie, met de hulp van de lidstaten, de passende beleidslijnen kan uitzetten. De Commissie kan een niet-vertrouwelijke versie van het evaluatieverslag publiceren. Het verzamelen van informatie bij de douaneautoriteiten moet worden geformaliseerd en verdiept, aangezien uitgebreidere rapportage de benchmarking zou verbeteren en zou kunnen helpen om praktijken te homogeniseren en het effect van douanebeleidsbeslissingen te beoordelen. Het is daarom passend een rechtskader voor de evaluatie van de prestaties van de douane-unie in te voeren. Om een voldoende gedetailleerde analyse mogelijk te maken, moet de prestatiemeting van de douaneactiviteiten niet alleen op nationaal niveau plaatsvinden, maar ook op lokaal niveau.

(111)

De EU-douaneautoriteit moet de Commissie bij het evaluatieproces ondersteunen door de gegevens in de EU-douanedatahub te verzamelen en te analyseren, en in kaart te brengen hoe douaneactiviteiten en -operaties de verwezenlijking van de strategische doelstellingen en prioriteiten van de douane-unie ondersteunen en bijdragen aan de missie van de douaneautoriteiten. De EU-douaneautoriteit moet met name belangrijke trends, sterke en zwakke punten, lacunes en potentiële risico’s in kaart brengen en aanbevelingen voor verbetering aan de Commissie doen. In het kader van de samenwerking met rechtshandhavingsautoriteiten in het bijzonder moet de EU-douaneautoriteit vanuit operationeel oogpunt ook deelnemen aan strategische analyses en dreigingsbeoordelingen die op het niveau van de Unie worden verricht, met inbegrip van die welke door Europol en Frontex worden verricht.

(112)

Het toezicht op vertrouwde en gecontroleerde handelaren moet worden uitgeoefend door hun lidstaat van vestiging. In afwijking hiervan en onder voorbehoud van evaluatie moeten marktdeelnemers die geen vertrouwde en gecontroleerde handelaren zijn, onder het toezicht blijven staan van de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen zich fysiek bevinden. Uiterlijk op 31 december 2031 moet de Commissie die twee toezichtmodellen evalueren, inclusief wat betreft de doeltreffendheid ervan voor het opsporen en voorkomen van fraude. Bij die evaluatie moet ook rekening worden gehouden met aspecten van indirecte belastingen. Op basis van die evaluatie moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om bij gedelegeerde handeling te beslissen of de twee toezichtmodellen moeten worden voortgezet dan wel of in alle gevallen de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats van vestiging van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar, de goederen moet vrijgeven. De plaats waar de douaneschuld ontstaat, moet ook worden bepaald in overeenstemming met de vaststelling van de verantwoordelijke douaneautoriteit.

(113)

Teneinde ervoor te zorgen dat de douaneregels van de Unie afgestemd blijven op de economische, sociale, politieke en technologische ontwikkelingen en op de behoeften van de marktdeelnemers en de douanediensten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van:

—

de specificatie welke bepalingen van de douanewetgeving van toepassing zijn op de handel in Uniegoederen waarbij gebieden met een bijzonder fiscaal regime betrokken zijn, en bepaalde vereenvoudigingen van die bepalingen;

—

de gevallen waarin de bevoegde douaneautoriteit niet de douaneautoriteit is van de lidstaat waar de aanvrager is gevestigd;

—

wat beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving betreft: de voor aanvragen en beschikkingen vereiste gegevens; de voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag van een beschikking; uitzonderingen met betrekking tot bepaalde termijnen, de datum waarop het besluit van kracht wordt; de gevallen waarin de beschikking niet geldig is zonder beperking in de tijd; de termijn waarbinnen de aanvrager zijn recht om te worden gehoord kan uitoefenen; regels betreffende de gevallen waarin het recht van de aanvrager om te worden gehoord niet van toepassing is; de mogelijke verkorting van de termijnen voor de vaststelling van douanebeschikkingen zodra de EU-douanedatahub operationeel is; gedetailleerde regels voor de monitoring van de beschikkingen; de gevallen waarin een beschikking opnieuw moet worden beoordeeld en de desbetreffende regels; de gevallen waarin een gunstige beschikking kan worden ingetrokken ten aanzien van andere personen dan niet-conforme personen en waarin het effect van de intrekking of wijziging kan worden uitgesteld, en de regels voor het nemen van besluiten van de Commissie waarbij de lidstaten wordt verzocht een beschikking betreffende bindende inlichtingen in te trekken;

—

het bedrag van de afhandelingsvergoeding van de Unie voor afstandsverkopen;

—

de minimale gegevensvereisten en specifieke gevallen voor de registratie van marktdeelnemers en bepaalde andere personen bij de douaneautoriteiten en de ongeldigmaking van een dergelijke registratie;

—

de vereenvoudigingen en de faciliterende maatregelen voor geautoriseerde marktdeelnemers;

—

wat de douanevertegenwoordiger betreft: de gevallen waarin ontheffing wordt verleend van de verplichting om in het douanegebied van de Unie te zijn gevestigd;

—

de functionaliteiten van de EU-douanedatahub en de gegevens die van de EU-douanedatahub naar nationale systemen kunnen worden overgedragen; verduidelijking en aanvulling van de doeleinden waarvoor de douaneautoriteiten, de EU-douaneautoriteit en de Commissie gegevens mogen verwerken; verzoeken van andere instellingen, organen of instanties van de Unie om gegevens te verkrijgen die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub, en de gegevens die het EU-model voor douanegegevens vormen;

—

bepaalde gedetailleerde regels met betrekking tot de douanestatus van goederen;

—

de gegevens, voorwaarden, termijnen en specifieke gevallen voor het plaatsen van goederen onder een douaneregeling, en de gevallen waarin de gegevens na de vrijgave kunnen worden gewijzigd of ongeldig kunnen worden gemaakt;

—

de redelijke termijn waarna en de gevallen waarin de douaneautoriteiten worden geacht de goederen te hebben vrijgegeven wanneer zij deze niet voor controle hebben geselecteerd;

—

de procedure voor de vrijgave van goederen namens de douaneautoriteiten en de voorwaarden, inhoud en procedure voor de door vertrouwde en gecontroleerde handelaren verrichte controles;

—

wat douaneaangiften betreft: de gevallen waarin een douaneaangifte kan worden ingediend met gebruikmaking van andere dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken; de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning om vereenvoudigde aangiften in te dienen; de termijnen voor de indiening van aanvullende aangiften, de termijnen waarbinnen de bewijsstukken beschikbaar moeten zijn en de gevallen waarin de verplichting om dergelijke aangiften in te dienen niet van toepassing mag zijn; de gevallen waarin een douaneaangifte ongeldig kan worden gemaakt zonder dat de aangever dat heeft aangevraagd, en de voorwaarden voor het verlenen van de vergunningen voor gecentraliseerde vrijmaking en voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een vermelding in de registers van de aangever;

—

de gevallen waarin goederen kunnen worden geconfisqueerd;

—

wat voorafgaande vrachtinformatie betreft: het verwachte kantoor van eerste binnenkomst; de te verstrekken of beschikbaar te stellen voorafgaande vrachtinformatie; de termijnen; de specifieke gevallen waarin voorafgaande vrachtinformatie door andere personen dan de importeur kan worden verstrekt of beschikbaar kan worden gesteld; de gevallen waarin de verplichting om dergelijke gegevens te verstrekken niet van toepassing mag zijn; de voorwaarden waaronder een persoon die voorafgaande vrachtinformatie verstrekt of beschikbaar stelt, de zichtbaarheid van de identificatiekenmerken kan beperken, en de voorafgaande vrachtinformatie die niet kan worden gewijzigd;

—

wat het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie betreft: de specifieke termijnen waarbinnen de risicoanalyse moet worden uitgevoerd; de specifieke gevallen waarin en de andere personen van wie kan worden verlangd dat zij het feitelijke douanekantoor van eerste binnenkomst in kennis stellen van de aankomst van de goederen; in geval van uitwijking, en de voorwaarden en termijnen voor de aanwijzing en goedkeuring van andere plaatsen dan het aangewezen douanekantoor om de goederen aan te brengen;

—

wat tijdelijke opslag betreft: de gevallen waarin geen informatie over tijdelijke opslag vereist mag zijn; de gegevens die moeten worden verstrekt of beschikbaar moeten worden gesteld aan de douaneautoriteiten; de specifieke gevallen voor wijziging of ongeldigmaking van informatie over tijdelijke opslag; de voorwaarden voor toestaan van ruimten voor tijdelijke opslag; de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder goederen in tijdelijke opslag worden ondergebracht, en het soort informatie dat moet worden opgenomen in de administratie en moet worden verstrekt of beschikbaar gesteld in de EU-douanedatahub;

—

de gegevens die aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar moeten worden gesteld om goederen onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen te plaatsen of afwijkingen die gerechtvaardigd zijn voor het soort verkeer;

—

de gevallen waarin goederen worden geacht te zijn teruggekeerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd;

—

de gegevens die aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar moeten worden gesteld om goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen;

—

de gevallen waarin een kennisgeving van wederuitvoer moet worden ingediend en de gevallen waarin deze kan worden gewijzigd of ongeldig kan worden gemaakt;

—

wat de informatie vóór vertrek bij de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Unie betreft: de gegevens van de informatie vóór vertrek en de termijnen waarbinnen deze informatie moet worden verstrekt of beschikbaar moet worden gesteld; de gevallen waarin die verplichting niet van toepassing mag zijn, de voorwaarden waaronder een persoon die informatie vóór vertrek verstrekt of beschikbaar stelt, de zichtbaarheid van de identificatiegegevens en commercieel gevoelige gegevens kan beperken, en de informatie vóór vertrek die niet kan worden gewijzigd;

—

wat de uitgang van goederen betreft: de specifieke termijnen waarbinnen de risicoanalyse van de informatie vóór vertrek moet worden uitgevoerd, en de gegevens die moeten worden meegedeeld aan het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten;

—

wat bijzondere regelingen betreft: de gegevens die aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of ter beschikking moeten worden gesteld om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer, de regeling opslag, de regeling tijdelijke invoer, de regeling bijzondere bestemming, de regeling actieve veredeling en de regeling passieve veredeling te plaatsen; de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor bijzondere regelingen en de uitzonderingen daarop; de gevallen waarin het economische karakter van de veredeling rechtvaardigt dat de douaneautoriteiten beoordelen of het verlenen van een vergunning voor een regeling actieve veredeling de wezenlijke belangen van de producenten in de Unie niet schaadt, zonder advies van de EU-douaneautoriteit; de gevallen waarin het bestaan van dergelijke negatieve gevolgen wordt geacht te zijn aangetoond; de lijst van als gevoelig aangemerkte goederen; de soorten informatie en de gegevens die in de registers moeten worden opgenomen en de uitzonderingen op de verplichting om deze te verstrekken of beschikbaar te stellen in de EU-douanedatahub; de aanzuiveringstermijn van een bijzondere regeling; de gevallen, voorwaarden, vorm en vereiste gegevens en informatie voor de overdracht van rechten en verplichtingen; de gevallen waarin importeurs en exporteurs goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer of in een vrije zone zijn geplaatst, kunnen overbrengen, en de daarmee verband houdende voorwaarden; de gebruikelijke behandelingen van goederen die onder een regeling douane-entrepot of een veredelingsregeling zijn geplaatst, en bepaalde gedetailleerde regels met betrekking tot equivalente goederen;

—

wat douanevervoer betreft: de specifieke gevallen waarin Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer moeten worden geplaatst; de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor toegelaten afzender en toegelaten geadresseerde voor TIR-doeleinden, en de aanvullende gegevensvereisten en de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor vereenvoudigingen;

—

wat opslag betreft: de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor het beheer van een douane-entrepot voor afstandsverkopen;

—

wat tijdelijke invoer betreft: het specifieke gebruik van niet-Uniegoederen, en de eisen waaraan voor een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van rechten volgens de douanewetgeving moet worden voldaan om gebruik te kunnen maken van de regeling tijdelijke invoer;

—

met betrekking tot actieve veredeling: de voorwaarden voor de tijdelijke wederuitvoer van goederen voor verdere veredeling;

—

de regels voor de bepaling van niet-preferentiële oorsprong en de regels inzake preferentiële oorsprong;

—

wat het bepalen van de douanewaarde betreft: de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor vereenvoudigingen bij de bepaling van de douanewaarde in specifieke gevallen, en de gegevens die nodig zijn voor de bepaling van de douanewaarde voor de vaststelling van uitvoerrechten;

—

wat de bepaling van de douaneschuld betreft: gedetailleerde regels voor de berekening van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten die van toepassing zijn op goederen waarvoor een douaneschuld is ontstaan in het kader van een bijzondere regeling; de specifieke termijn waarbinnen de plaats waar de douaneschuld is ontstaan, niet kan worden vastgesteld indien de goederen onder een douaneregeling zijn geplaatst die niet is aangezuiverd of indien een tijdelijke opslag niet naar behoren is beëindigd; de gevallen waarin de douaneautoriteiten zijn vrijgesteld van de mededeling van de douaneschuld, en de informatie die vertrouwde en gecontroleerde handelaren en importeurs voor afstandsverkopen moeten verstrekken met het oog op de mededeling van de douaneschuld;

—

wat zekerheidsstelling betreft: de specifieke gevallen waarin geen zekerheid wordt vereist voor goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst en de drempel voor het afzien van zekerheidsstelling; de regels voor het bepalen van de vorm van de zekerheid, met uitzondering van elk door de douaneautoriteiten erkend betaalmiddel en een door een borg aangegane verbintenis; de formulieren voor zekerheidsstelling en de regels die van toepassing zijn op de borg; de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor het gebruik van een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag dan wel voor ontheffing van zekerheidsstelling, en de termijnen voor de vrijgave van een zekerheid;

—

wat de betaling van douaneschulden betreft: de schorsing van de betalingstermijn voor het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en bepaling van de duur van de schorsing; de actualisering van de drempels waaronder de douaneautoriteiten geen kredietrente en rente op achterstallen in rekening brengen en waarboven zij het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten moeten terugbetalen of kwijtschelden; de regels die de Commissie moet volgen wanneer zij een besluit neemt over terugbetaling en kwijtschelding van een douaneschuld, en, voor het tenietgaan van een douaneschuld, de lijst van verzuimen zonder noemenswaardig effect op de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de desbetreffende douaneregeling;

—

wat de douanesamenwerking betreft: de voorwaarden en procedures op grond waarvan een lidstaat kan worden gemachtigd om met derde landen een bilaterale overeenkomst inzake uitwisseling van informatie te onderhouden of daarvoor onderhandelingen aan te knopen;

—

met betrekking tot sancties bij afstandsverkopen: het materiële aantal door de bevoegde autoriteiten uit te voeren douanecontroles en de drempel van gevallen op basis van de ernst van de overtreding die voldoende representatief wordt geacht om dergelijk systematisch verzuim vast te stellen, teneinde systematische niet-naleving op uniforme en doeltreffende wijze vast te stellen en een hoog niveau van naleving te waarborgen en systematische tekortkomingen aan te pakken, en rekening houdend met factoren zoals het volume en de specifieke gevolgen van afstandsverkopen, de risico’s voor de veiligheid van de consument, de evenredigheid, verschillende bedrijfsmodellen en de noodzaak om de financiële en niet-financiële belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen;

—

de afwijkingen voor de vaststelling van het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht op de plaatsing van de goederen onder een douaneregeling, en van de plaats waar de douaneschuld ontstaat, in het licht van de door de Commissie te verrichten beoordeling van de doeltreffendheid van het bij deze verordening ingestelde douanetoezicht.

(114)

Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, met inbegrip van de Trade Contact Group, en dat die raadplegingen gebeuren overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (28).

(115)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om:

—

de procedureregels vast te stellen voor de samenwerking tussen douaneautoriteiten op het gebied van controles;

—

de procedure vast te stellen voor de indiening en de aanvaarding van een aanvraag voor een douanebeschikking en voor het afgeven van dergelijke beschikkingen;

—

de regels voor de nietigverklaring van gunstige douanebeschikkingen vast te stellen;

—

de procedureregels vast te stellen voor de intrekking, schorsing of wijziging van gunstige douanebeschikkingen;

—

besluiten vast te stellen waarbij lidstaten wordt verzocht beschikkingen betreffende bindende inlichtingen in te trekken;

—

de procedureregels vast te stellen voor het gebruik van een beschikking aangaande bindende inlichtingen, wanneer de beschikking niet meer geldig of ingetrokken is, voor de mededeling aan de douaneautoriteiten dat het afgeven van dergelijke beschikkingen wordt geschorst, en voor de intrekking van dergelijke schorsingen;

—

de procedure vast te stellen voor het innen van de afhandelingsvergoeding van de Unie bij de marktdeelnemer;

—

de regels voor de omrekening van valuta’s vast te stellen;

—

de procedures vast te stellen voor verzoeken om geaggregeerde niet-vertrouwelijke, niet-persoonsgebonden en niet-commercieel gevoelige douanegegevens aan de douaneautoriteiten van de lidstaten of de EU-douaneautoriteit en de vorm en categorieën van gegevens die op een dergelijk verzoek beschikbaar kunnen worden gesteld;

—

regels vast te stellen om te bepalen welke douaneautoriteit verantwoordelijk is voor de registratie van marktdeelnemers en bepaalde andere personen;

—

procedureregels vast te stellen voor het overleg met betrekking tot de vaststelling van de status van geautoriseerde marktdeelnemer;

—

de nadere bepalingen vast te stellen voor de toepassing van de criteria voor het verlenen van de status van geautoriseerde marktdeelnemer en die van vertrouwde en gecontroleerde handelaar, en voor individuele besluiten betreffende de schorsing of intrekking van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar indien de bevoegde autoriteit de EU-douaneautoriteit geen informatie verstrekt voor de verificatie van die status, of indien de op basis van de aanbeveling van de EU-douaneautoriteit genomen maatregelen ontoereikend zijn;

—

de regels vast te stellen voor het overleg met andere autoriteiten voor het bepalen van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar, voor de herbeoordeling van die status en daarmee verband houdend overleg, en voor de soorten daarmee verband houdende monitoringactiviteiten;

—

de technische regelingen voor de huidige elektronische douanesystemen en een werkprogramma voor de uitfasering daarvan en de geleidelijke invoering van de EU-douanedatahub vast te stellen;

—

regels en nadere bepalingen inzake de verwerking van gegevens in de EU-douanedatahub vast te stellen;

—

nadere bepalingen vast te stellen voor het opvragen en verkrijgen van gegevens van de EU-douanedatahub door het EOM;

—

nadere bepalingen vast te stellen voor het opvragen en verkrijgen van gegevens uit de EU-douanedatahub door Europol en Frontex, de procedure voor de verificatie van dergelijke verzoeken vast te stellen, beperkingen en aansprakelijkheden met betrekking tot de verdere doorgifte van dergelijke gegevens te specificeren en, indien nodig, de verzoekende autoriteit te verplichten een specifiek contactpunt of een specifieke contactpersoon of -personen aan te wijzen of aanvullende waarborgen te bieden;

—

de rollen vast te stellen van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken met betrekking tot de gegevensverwerking in de EU-douanedatahub en hun relatie met betrokkenen;

—

te voorzien in waarborgen ter voorkoming van misbruik van, onrechtmatige toegang tot of doorgifte van persoonsgegevens waarvoor beperkingen gelden;

—

de technische regelingen vast te stellen voor interoperabiliteit en verbinding met betrekking tot de EU-douanedatahub;

—

de lidstaten bij wijze van uitzondering en tijdelijk toe te staan gebruik te maken van andere elektronische diensten of systemen dan die welke in de EU-douanedatahub worden geïmplementeerd;

—

maatregelen vast te stellen om de geharmoniseerde toepassing van douanecontroles en risicobeheer te waarborgen, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en de vaststelling van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen;

—

maatregelen vast te stellen inzake de verificatie van verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens, het onderzoek en de monsterneming van goederen, de resultaten van de verificatie, en identificatie;

—

de maatregelen vast te stellen die moeten worden toegepast op controles na vrijgave en passende methoden;

—

de havens of luchthavens te specificeren waar douanecontroles en -formaliteiten moeten worden verricht ten aanzien van hand- en ruimbagage;

—

de procedureregels vast te stellen voor het leveren en het verifiëren van het bewijsmiddel voor de douanestatus van Uniegoederen;

—

de procedureregels vast te stellen voor het wijzigen en ongeldig maken van de gegevens voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling;

—

de procedure vast te stellen voor het indienen van de douaneaangifte wanneer er andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt, en voor het bepalen van de bevoegde douanekantoren;

—

de procedure vast te stellen voor de indiening van een standaard douaneaangifte, een vereenvoudigde aangifte en een aanvullende aangifte;

—

de procedure vast te stellen voor de indiening van een douaneaangifte voorafgaand aan het aanbrengen van de goederen bij de douane, voor de aanvaarding van een douaneaangifte, voor de wijziging of ongeldigmaking van een douaneaangifte na de vrijgave van de goederen, voor gecentraliseerde vrijmaking en voor de indiening van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de registers van de aangever;

—

de procedure vast te stellen voor de verkoop en schenking van goederen, voor de vernietiging van goederen en voor het afstaan van goederen aan de staat;

—

de procedure vast te stellen voor het verstrekken, ontvangen, wijzigen en ongeldig maken van de voorafgaande vrachtinformatie en mitigerende maatregelen;

—

de procedure voor de kennisgeving van aankomst vast te stellen;

—

de procedure vast te stellen voor het fysiek aanbrengen van goederen bij de douane;

—

de procedure vast te stellen voor de indiening, wijziging en ongeldigmaking van informatie over tijdelijke opslag en voor de overbrenging van goederen tussen ruimten voor tijdelijke opslag;

—

de procedureregels vast te stellen voor het verstrekken van informatie waaruit blijkt dat de voorwaarden voor vrijstelling van invoerrechten voor terugkerende goederen zijn vervuld, en voor het verstrekken van het bewijs dat de voorwaarden voor vrijstelling van invoerrechten voor producten van de zeevisserij en andere uit de zee gewonnen producten zijn vervuld;

—

de procedureregels inzake uitvoer en uitgang vast te stellen;

—

de procedure vast te stellen voor de indiening, wijziging of ongeldigmaking van een kennisgeving van wederuitvoer;

—

de procedure vast te stellen voor het verstrekken, ter beschikking stellen, ontvangen, wijzigen en ongeldig maken van de informatie vóór vertrek en voor het instrueren van de persoon die de informatie vóór vertrek heeft verstrekt, dat de goederen niet mogen worden geladen of vervoerd;

—

de procedureregels vast te stellen voor het verlenen van de vergunning voor bijzondere regelingen of het beheer van ruimten voor opslag van goederen in een douane-entrepot, de procedureregels voor het onderzoek van de economische voorwaarden, met inbegrip van het uitbrengen van het met redenen omkleed advies van de EU-douaneautoriteit waarin wordt onderzocht of het verlenen van een vergunning voor een regeling actieve of passieve veredeling de wezenlijke belangen van producenten in de Unie schaadt, en regels voor het bepalen en monitoren van de hoeveelheid waarboven dergelijke schadelijke gevolgen optreden;

—

de procedureregels vast te stellen voor de aanzuivering van een bijzondere regeling en voor de overdracht van rechten en verplichtingen, voor de overbrenging van goederen en voor het gebruik van equivalente goederen in het kader van bijzondere regelingen;

—

de procedureregels vast te stellen voor de toepassing van de bepalingen van internationale instrumenten inzake douanevervoer in het douanegebied van de Unie;

—

de procedureregels vast te stellen voor de plaatsing van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer en voor de aanzuivering van die regeling, voor de werking van de vereenvoudigingen van die regeling en voor het douanetoezicht op goederen die onder de regeling extern Uniedouanevervoer door het grondgebied van een derde land worden vervoerd;

—

de procedure vast te stellen voor het plaatsen van goederen onder de regeling douane-entrepot of de regeling vrije zone;

—

de procedureregels vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de plaatsing van voor afstandsverkopen bestemde goederen onder de regeling douane-entrepot in een douane-entrepot voor afstandsverkopen;

—

maatregelen vast te stellen voor het uniforme beheer van tarief- en andere contingenten en tariefplafonds en voor het beheer van de douanesurveillance op het in het vrije verkeer brengen of de uitvoer van goederen;

—

de tariefindeling van goederen te bepalen;

—

de procedureregels vast te stellen voor het leveren en het verifiëren van het bewijs van niet-preferentiële oorsprong van goederen;

—

de procedureregels vast te stellen voor de preferentiële oorsprong van goederen en maatregelen waarbij aan een begunstigd land of gebied een tijdelijke afwijking wordt toegestaan van de regels betreffende de preferentiële oorsprong van goederen die in aanmerking komen voor eenzijdig door de Unie vastgestelde preferentiële maatregelen;

—

maatregelen vast te stellen om de oorsprong van specifieke goederen te bepalen;

—

de procedureregels vast te stellen om de douanewaarde van goederen te bepalen;

—

maatregelen vast te stellen voor het vaststellen van de passende methode voor het bepalen van de douanewaarde of van de criteria die moeten worden gehanteerd voor het bepalen van de douanewaarde in specifieke situaties, met inbegrip van afstandsverkopen;

—

de procedureregels vast te stellen voor het stellen van zekerheid, het bepalen van het bedrag van de zekerheid, het toezien op en het vrijgeven van zekerheidsstellingen, alsook voor het intrekken en het opzeggen van een verbintenis van een borg;

—

de procedureregels vast te stellen om het gebruik van de doorlopende zekerheid tijdelijk te verbieden;

—

maatregelen vast te stellen in verband met de wederzijdse bijstand tussen de douaneautoriteiten wanneer er een douaneschuld is ontstaan;

—

de procedureregels vast te stellen voor de terugbetaling en kwijtschelding van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, voor het melden van terugbetalingen en kwijtscheldingen aan de Commissie en voor de door de Commissie vast te stellen besluiten over terugbetaling of kwijtschelding;

—

de nodige maatregelen en regelingen te activeren die in geval van een crisis moeten worden toegepast;

—

de onafhankelijke status en de gedetailleerde taken en verantwoordelijkheden van de data-auditor van de EU-douaneautoriteit te specificeren;

—

de lidstaten te machtigen bilaterale overeenkomsten met derde landen te sluiten over de uitwisseling van informatie ten behoeve van douanesamenwerking;

—

de gegevens te specificeren die de lidstaten aan de EU-douaneautoriteit moeten verstrekken met het oog op beoordeling en rapportage, alsook het vertrouwelijkheidsniveau van de gegevens en het ontwerp van de prestatiemeting.

Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (29).

(116)

De raadplegingsprocedure moet worden gebruikt voor de vaststelling van:

—

uitvoeringshandelingen waarbij de lidstaten wordt verzocht beschikkingen betreffende bindende inlichtingen in te trekken, aangezien die beschikkingen slechts betrekking hebben op één lidstaat en tot doel hebben de naleving van de douanewetgeving te waarborgen;

—

uitvoeringshandelingen betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, aangezien die besluiten rechtstreeks gevolgen hebben voor degene die om terugbetaling of kwijtschelding heeft verzocht;

—

uitvoeringshandelingen ter specificering van de onafhankelijke status en de gedetailleerde taken en verantwoordelijkheden van de data-auditor van de EU-douaneautoriteit;

—

uitvoeringshandelingen waarbij een lidstaat wordt gemachtigd een bilaterale overeenkomst te sluiten over de uitwisseling van informatie ten behoeve van douanesamenwerking, aangezien dergelijke bilaterale overeenkomsten slechts één lidstaat betreffen.

(117)

In naar behoren gemotiveerde gevallen, wanneer dwingende redenen van urgentie zulks vereisen, moet de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen met betrekking tot:

—

maatregelen om de eenvormige toepassing van douanecontroles en risicobeheer te waarborgen, met inbegrip van de uitwisseling van risico-informatie en -analyse, gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen;

—

het bepalen van de tariefindeling van goederen;

—

het bepalen van de oorsprong van specifieke goederen;

—

het vaststellen van de passende methode voor de bepaling van de douanewaarde of van de criteria die moeten worden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen in specifieke situaties, met inbegrip van afstandsverkopen;

—

tijdelijke verboden betreffende het gebruik van de doorlopende zekerheid;

—

het activeren van de nodige maatregelen en regelingen die in geval van een crisis moeten worden toegepast;

—

het snel machtigen van een lidstaat om een bilaterale overeenkomst te sluiten met een derde land over de uitwisseling van informatie ten behoeve van douanesamenwerking.

(118)

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel is het voor het verwezenlijken van de fundamentele doelstellingen dat de douane-unie doeltreffend kan functioneren en dat aan het gemeenschappelijke handelsbeleid uitvoering wordt gegeven, noodzakelijk en passend de regels en procedures vast te stellen voor goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of verlaten. Deze verordening gaat overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.

(119)

Vanaf 1 maart 2031 moeten marktdeelnemers op vrijwillige basis gebruik kunnen maken van de capaciteit van de EU-douanedatahub. Uiterlijk op 1 maart 2034 moet de EU-douanedatahub volledig zijn ontwikkeld en moeten alle marktdeelnemers er gebruik van maken.

(120)

Deze verordening moet binnen een ambitieus tijdschema, maar wel geleidelijk, worden toegepast. Bijgevolg moeten de bepalingen van deze verordening waarbij aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden en gedelegeerde bevoegdheden worden toegekend, van toepassing zijn zodra deze verordening in werking treedt, zodat de Commissie de bestaande gedelegeerde en uitvoeringshandelingen kan herzien en waar passend nieuwe gedelegeerde en uitvoeringshandelingen kan vaststellen op basis van de nieuwe bevoegdheidsdelegaties en -toekenningen zodra deze verordening in werking is getreden. Om de lidstaten en de marktdeelnemers in staat te stellen zich aan die nieuwe regels aan te passen, moet daarentegen de overgrote meerderheid van de bepalingen van deze verordening pas van toepassing zijn vanaf twaalf maanden na de inwerkingtreding ervan. Dit omvat de intrekking van het huidige douanewetboek van de Unie, dat pas na die aanpassingsperiode van twaalf maanden van kracht moet worden. Tot slot moeten de bepalingen met betrekking tot afstandsverkopen en de EU-douaneautoriteit, met uitzondering van de bepalingen betreffende de juridische status van de EU-douaneautoriteit en de start van haar activiteiten, van toepassing zijn vanaf 1 juli 2028.

(121)

De Commissie moet alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen waarin deze verordening voorziet, ruim voor de toepassingsdatum van de desbetreffende bepalingen in deze verordening in werking treden, zodat de lidstaten deze tijdig ten uitvoer kunnen leggen.

(122)

Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 11 juli 2023 heeft hij een advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Toepassingsgebied van de douanewetgeving en missie van de douaneautoriteiten

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt het douanewetboek van de Unie vastgesteld. Daarin worden de algemene voorschriften en procedures vastgelegd betreffende goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of verlaten.

Bij deze verordening wordt ook de douaneautoriteit van de Europese Unie (de “EU-douaneautoriteit”) opgericht en worden de voorschriften, de gemeenschappelijke normen en het governancekader voor de oprichting van de douanedatahub van de Europese Unie (de “EU-douanedatahub”) vastgesteld.

2.   Onverminderd het internationaal recht, internationale overeenkomsten en het Unierecht op andere gebieden, is deze verordening op eenvormige wijze van toepassing in het gehele douanegebied van de Unie.

3.   Sommige bepalingen van de douanewetgeving zijn buiten het douanegebied van de Unie van toepassing uit hoofde van het Unierecht op specifieke gebieden dan wel van internationale overeenkomsten.

4.   Sommige bepalingen van de douanewetgeving, met inbegrip van de vereenvoudigingen daarin, zijn van toepassing op de handel in Uniegoederen tussen delen van het douanegebied van de Unie waar Richtlijn 2006/112/EG of Richtlijn (EU) 2020/262 geldt en delen van dat gebied waar die richtlijnen niet gelden, alsook op de handel tussen delen van dat gebied waar die richtlijnen niet gelden.

Artikel 2

Missie van de douaneautoriteiten

De douaneautoriteiten hebben als taak de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen door douanerechten en andere heffingen doeltreffend te innen en fraude te bestrijden, legitieme bedrijfsactiviteiten te vergemakkelijken, bij te dragen aan eerlijke handel en aan de algemene veiligheid van de toeleveringsketen, en illegale handel te bestrijden, teneinde ervoor te zorgen dat de douane-unie als één geheel optreedt, een uniforme uitvoering van de douanewetgeving tot stand te brengen, met inbegrip van geharmoniseerde regels inzake douanecontroles, en de goede werking van de interne markt mogelijk te maken.

Voorts dragen de douaneautoriteiten bij aan het waarborgen van de veiligheid en beveiliging van de Unie en haar ingezetenen en tot de bescherming van de gezondheid en het leven van mensen, dieren en planten, de consument en het milieu, alsook van andere openbare belangen die worden beschermd door andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving binnen hun bevoegdheid en, in voorkomend geval, in nauwe samenwerking met andere bevoegde autoriteiten wordt toegepast.

Artikel 3

Douanegebied

1.   Het douanegebied van de Unie omvat de volgende grondgebieden, daaronder begrepen de territoriale wateren, de binnenwateren en het luchtruim:

a)

het grondgebied van het Koninkrijk België;

b)

het grondgebied van de Republiek Bulgarije;

c)

het grondgebied van de Tsjechische Republiek;

d)

het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken, met uitzondering van de Faeröer en Groenland;

e)

het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, met uitzondering van het eiland Helgoland en het grondgebied van Büsingen (Verdrag van 23 november 1964 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Zwitserse Bondsstaat);

f)

het grondgebied van de Republiek Estland;

g)

het grondgebied van Ierland;

h)

het grondgebied van de Helleense Republiek;

i)

het grondgebied van het Koninkrijk Spanje, met uitzondering van Ceuta en Melilla;

j)

het grondgebied van de Franse Republiek, met uitzondering van de Franse landen en gebieden overzee waarop het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) van toepassing is;

k)

het grondgebied van de Republiek Kroatië;

l)

het grondgebied van de Italiaanse Republiek, met uitzondering van de gemeente Livigno;

m)

het grondgebied van de Republiek Cyprus overeenkomstig de bepalingen van de Toetredingsakte van 2003;

n)

het grondgebied van de Republiek Letland;

o)

het grondgebied van de Republiek Litouwen;

p)

het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg;

q)

het grondgebied van Hongarije;

r)

het grondgebied van de Republiek Malta;

s)

het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa;

t)

het grondgebied van de Republiek Oostenrijk;

u)

het grondgebied van de Republiek Polen;

v)

het grondgebied van de Portugese Republiek;

w)

het grondgebied van Roemenië;

x)

het grondgebied van de Republiek Slovenië;

y)

het grondgebied van de Slowaakse Republiek;

z)

het grondgebied van de Republiek Finland, en

za)

het grondgebied van het Koninkrijk Zweden.

2.   De volgende grondgebieden, daaronder begrepen de territoriale wateren, de binnenwateren en het luchtruim, die buiten het grondgebied van de lidstaten zijn gelegen, worden, met inachtneming van de overeenkomsten en verdragen die erop van toepassing zijn, beschouwd als deel uitmakende van het douanegebied van de Unie:

a)

wat Frankrijk betreft: het grondgebied van Monaco zoals gedefinieerd in de te Parijs op 18 mei 1963 ondertekende Douaneovereenkomst (Journal officiel de la République Française (Staatsblad van de Franse Republiek) van 27 september 1963, blz. 8679);

b)

wat Cyprus betreft: het grondgebied van Akrotiri en Dhekelia, zijnde de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen zoals gedefinieerd in het Verdrag betreffende de oprichting van de Republiek Cyprus, ondertekend in Nicosia op 16 augustus 1960 (United Kingdom Treaty Series No 4 (1961), Cmnd. 1252).

Artikel 4

Bevoegdheidsdelegatie

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te specificeren welke bepalingen van de douanewetgeving met betrekking tot het verstrekken van gegevens, het bewijs van de douanestatus en het gebruik van de regeling intern Uniedouanevervoer van toepassing zijn op de in artikel 1, lid 4, bedoelde handel in Uniegoederen en door vereenvoudigingen van die bepalingen vast te stellen, mits die gedelegeerde handelingen geen afbreuk doen aan de juiste toepassing van de desbetreffende fiscale maatregelen. Die gedelegeerde handelingen kunnen gericht zijn op bijzondere omstandigheden in verband met de handel in Uniegoederen waarbij slechts één lidstaat betrokken is.

HOOFDSTUK 2

Definities

Artikel 5

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“douaneautoriteiten”: de douaneadministraties van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die uit hoofde van het nationale recht bevoegd zijn voor de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving;

2)

“douanewetgeving”:

a)

deze verordening en de op het niveau van de Unie of op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter wijziging, aanvulling of uitvoering ervan;

b)

het gemeenschappelijk douanetarief;

c)

de rechtshandelingen tot instelling van een Unieregeling inzake douanevrijstellingen;

d)

in internationale overeenkomsten opgenomen douanebepalingen, indien die bepalingen van toepassing zijn in de Unie, en

e)

Verordening (EU) 2022/2399 en de bepalingen ter wijziging, aanvulling of uitvoering daarvan;

3)

“andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving”: andere wetgeving dan de douanewetgeving die van toepassing is op goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten of door het douanegebied van de Unie worden vervoerd, of op goederen die in de Unie in de handel zullen worden gebracht, bij de uitvoering waarvan de douaneautoriteiten betrokken zijn;

4)

“handelspolitieke maatregelen”: maatregelen vastgesteld op grond van artikel 207 VWEU, in het kader van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, niet zijnde voorlopige of definitieve antidumpingrechten, compenserende rechten of vrijwaringsmaatregelen in de vorm van verhoogde tarieven voor specifieke goederen, waaronder met name bijzondere toezichtmaatregelen en vrijwaringsmaatregelen in de vorm van invoer- of uitvoervergunningen;

5)

“persoon”: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar die uit hoofde van het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;

6)

“marktdeelnemer”: een persoon die zich in het kader van zijn bedrijfsvoering bezighoudt met activiteiten die onder de douanewetgeving vallen;

7)

“in het douanegebied van de Unie gevestigd”:

a)

in het geval van een natuurlijk persoon, zijn of haar normale verblijfplaats in het douanegebied van de Unie hebben;

b)

in het geval van een rechtspersoon of een vereniging van personen, zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste bedrijfsvestiging in het douanegebied van de Unie hebben;

8)

“vaste bedrijfsvestiging”: een vaste vestiging voor bedrijfsuitoefening waar zowel de nodige personele middelen als de nodige technische hulpbronnen permanent voorhanden zijn en waarmee de douanegerelateerde operaties van een persoon volledig of gedeeltelijk worden uitgevoerd;

9)

“lidstaat van vestiging”:

a)

de lidstaat waar een persoon is gevestigd overeenkomstig punt 7), of

b)

indien de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de vaste bedrijfsvestiging van een rechtspersoon of een vereniging van personen zich in verschillende lidstaten bevindt, de lidstaat waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van die persoon of vereniging van personen wordt bijgehouden of toegankelijk is en waar ten minste een deel van de douaneactiviteiten wordt of zal worden uitgevoerd;

10)

“douanebeschikking”: elke handeling van de douaneautoriteiten die verband houdt met de douanewetgeving, waarin uitspraak wordt gedaan over een bepaald geval en die voor de betrokken persoon of personen rechtsgevolgen heeft;

11)

“douaneregeling”: een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig deze verordening kunnen worden geplaatst:

a)

het in het vrije verkeer brengen;

b)

bijzondere regelingen;

c)

uitvoer;

12)

“douaneformaliteiten”: alle verrichtingen die door een persoon en door de douaneautoriteiten moeten worden verricht om aan de douanewetgeving te voldoen;

13)

“importeur”:

a)

in het geval van afstandsverkopen, de importeur voor afstandsverkopen;

b)

in andere gevallen, de persoon die wordt bepaald door toepassing van de punten i) tot en met v) in volgorde:

i)

een persoon die de bevoegdheid heeft om te beslissen en heeft beslist dat goederen uit een derde land het douanegebied van de Unie zullen worden binnengebracht;

ii)

een persoon die de bevoegdheid van de in punt i) bedoelde persoon heeft overgenomen;

iii)

een rechtsopvolger die de bevoegdheid heeft om te beslissen en heeft beslist de goederen onder een douaneregeling te plaatsen;

iv)

de vervoerder die de goederen het douanegebied van de Unie binnenbrengt, of

v)

de houder van de goederen;

14)

“importeur voor afstandsverkopen”: de persoon die goederen bij afstandsverkopen levert of de persoon die afstandsverkopen faciliteert;

15)

“afstandsverkopen”: afstandsverkopen van uit een derde land of een derdelandsgebied ingevoerde goederen zoals gedefinieerd in artikel 14, lid 4, punt 2, van Richtlijn 2006/112/EG;

16)

“IOSS-regeling”: de bijzondere regeling van titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van Richtlijn 2006/112/EG;

17)

“exporteur”:

a)

een particulier die goederen bij zich draagt die het douanegebied van de Unie zullen verlaten, wanneer die goederen deel uitmaken van zijn persoonlijke bagage;

b)

in gevallen die niet onder punt a) vallen:

i)

een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die de bevoegdheid heeft om te beslissen en heeft beslist dat goederen dat douanegebied zullen verlaten, of

ii)

indien er geen persoon is als bedoeld in punt i), een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die partij is bij een overeenkomst op grond waarvan goederen dat douanegebied zullen verlaten;

18)

“wederuitvoer”: de handeling waarbij een exporteur niet-Uniegoederen buiten het douanegebied van de Unie brengt;

19)

“informatie vóór vertrek”: de verzameling gegevens die aan de douaneautoriteiten moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden gesteld en die betrekking heeft op goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten;

20)

“douanevertegenwoordiger”: elke persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten in het kader van de betrekkingen van die andere persoon met de douaneautoriteiten;

21)

“gegevens”: elke digitale of niet-digitale weergave van handelingen, feiten of informatie en elke compilatie van dergelijke handelingen, feiten of informatie, ook in de vorm van documenten, geluidsopnames of visuele of audiovisuele opnames;

22)

“douanesurveillance”: het verzamelen en analyseren van informatie over goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, verlaten, of door het douanegebied van de Unie worden vervoerd, teneinde op het niveau van de Unie toezicht te houden op die bewegingen, de uniforme toepassing van douanecontroles en de naleving van de douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving te waarborgen, en bij te dragen aan risicoanalyse en -beheer;

23)

“risico”: de waarschijnlijkheid en de gevolgen van het plaatsvinden van een gebeurtenis, in verband met goederen die tussen het douanegebied van de Unie en landen buiten dat gebied worden vervoerd en in verband met de aanwezigheid van niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie, die een bedreiging zouden vormen voor:

a)

de financiële of economische belangen van de Unie en haar lidstaten;

b)

de veiligheid en beveiliging van de Unie en haar ingezetenen, de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of andere openbare belangen;

c)

de correcte toepassing van Unie- of nationale maatregelen;

24)

“economische analyse”: de evaluatie of kwantificering van een beleid of een economisch verschijnsel om te begrijpen hoe economische factoren van invloed zijn op het functioneren van een beleid, een geografisch gebied of een groep personen, met het oog op betere besluitvorming in de toekomst;

25)

“risicobeheer”: de systematische identificatie van risico’s, met inbegrip van het identificeren van profielen van marktdeelnemers die een risico vormen en verdachte transacties, en de uitvoering van alle maatregelen die noodzakelijk zijn om de blootstelling aan risico’s te beperken en de potentiële gevolgen ervan tot een minimum te beperken;

26)

“douanetoezicht”: maatregelen die in het algemeen door de douaneautoriteiten worden genomen om de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving te waarborgen dan wel om anderszins bij te dragen aan het beheer van risico’s in verband met goederen en de toeleveringsketens ervan;

27)

“douanecontroles”: specifieke handelingen van de douaneautoriteiten om de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving te waarborgen dan wel om anderszins bij te dragen aan het beheer van risico’s in verband met goederen en de toeleveringsketens ervan;

28)

“audit”: een soort douanecontrole in de vorm van specifieke handelingen van de douaneautoriteiten om bewijsmateriaal te verzamelen en te beoordelen met betrekking tot de overeenstemming van het beheer, de organisatie, de interne procedures of de interne systemen van een marktdeelnemer met de relevante regels en eisen;

29)

“plaats van vrijgave”:

a)

het bevoegde douanekantoor;

b)

de door de douaneautoriteit aangewezen of goedgekeurde plaats, met inbegrip van de door de vertrouwde en gecontroleerde handelaar (Trust and Check trader) aangegeven plaats, of

c)

een vrije zone;

30)

“kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen”: de handeling waarbij een persoon de douaneautoriteit meedeelt dat goederen zich fysiek op de plaats van vrijgave bevinden en dat de gegevens die nodig zijn om die goederen onder de desbetreffende douaneregeling of in tijdelijke opslag te plaatsen of om de regeling Uniedouanevervoer te beëindigen, zijn verstrekt of ter beschikking zijn gesteld;

31)

“steekproefcontroles”: douanecontroles gebaseerd op de principes van aselecte monsterneming met betrekking tot een relevante populatie;

32)

“houder van de goederen”: de persoon die fysieke controle over de goederen heeft;

33)

“vervoerder”:

a)

in de context van binnenbrengen, de persoon die de goederen in het douanegebied van de Unie brengt of die de verantwoordelijkheid voor het vervoer van de goederen naar het douanegebied van de Unie op zich neemt. Daarbij geldt echter het volgende:

i)

bij gecombineerd vervoer wordt onder “vervoerder” de persoon verstaan die het vervoermiddel bedient dat, nadat het het douanegebied van de Unie is binnengebracht, zichzelf voortbeweegt als actief vervoermiddel;

ii)

in het geval van zee- of luchtvervoer in het kader van een regeling voor het delen van scheepscapaciteit of een contractuele regeling voor het delen van laadruimte wordt onder “vervoerder” de persoon verstaan die een overeenkomst sluit, en het cognossement of de luchtvrachtbrief afgeeft, voor het feitelijke vervoer van de goederen naar het douanegebied van de Unie;

b)

in de context van uitgang, de persoon die de goederen uit het douanegebied van de Unie brengt of die de verantwoordelijkheid voor het vervoer van de goederen uit het douanegebied van de Unie op zich neemt. Daarbij geldt echter het volgende:

i)

bij gecombineerd vervoer, indien het actieve vervoermiddel dat het douanegebied van de Unie verlaat slechts een ander vervoermiddel vervoert dat, na aankomst van het actieve vervoermiddel ter bestemming, zichzelf zal voortbewegen als actief vervoermiddel, wordt onder “vervoerder” de persoon verstaan die het vervoermiddel dat zichzelf zal voortbewegen, zal bedienen, nadat het vervoermiddel dat het douanegebied van de Unie heeft verlaten ter bestemming is aangekomen;

ii)

in het geval van zee- of luchtvervoer in het kader van een regeling voor het delen van scheepscapaciteit of een contractuele regeling wordt onder “vervoerder” de persoon verstaan die een overeenkomst sluit en het cognossement of de luchtvrachtbrief afgeeft voor het feitelijke vervoer van de goederen uit het douanegebied van de Unie;

34)

“risicoanalyse”: de verwerking van gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens, om mogelijke risico’s te identificeren of te kwantificeren, in voorkomend geval met behulp van analysemethoden en artificiële-intelligentiesystemen (AI-systemen) zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad (30);

35)

“risicosignaal”: de indicatie van een mogelijk risico op basis van geautomatiseerde veredelingshandelingen waarbij risicoanalyse met betrekking tot gegevens, informatie of documenten wordt verricht;

36)

“risicoanalyseresultaat”: in het geval van een risicosignaal, de vaststelling dat er al dan niet een risico bestaat, op basis van een automatisch proces of na verdere menselijke beoordeling van het risicosignaal;

37)

“risicobeperkende maatregelen”: de maatregelen om een risico te voorkomen, te beperken of te beheren of de gevolgen ervan te beperken, met inbegrip van:

a)

het gelasten van de vervoerder of de exporteur om de goederen niet te laden of te vervoeren;

b)

het verzoeken om relevante aanvullende informatie of actie;

c)

het vaststellen van situaties waarin optreden door een andere douaneautoriteit of een andere bevoegde autoriteit aangewezen kan zijn;

d)

het aanbevelen van de meest geschikte plaats om controles uit te voeren en de meest geschikte maatregelen voor die controles;

e)

het uitvoeren van een douanecontrole;

f)

het bepalen langs welke route en binnen welke termijn de goederen het douanegebied van de Unie moeten verlaten;

38)

“controleaanbeveling”: de op een risicoanalyse gebaseerde conclusie van een douaneautoriteit of van de EU-douaneautoriteit met betrekking tot de vraag of er een risicobeperkende maatregel moet worden uitgevoerd en, zo ja, wanneer en waar die maatregel moet worden uitgevoerd;

39)

“controlebesluit”: de individuele handeling waarbij douaneautoriteiten beslissen of er een controle moet worden verricht;

40)

“controleresultaat”: de voorlopige en definitieve uitkomsten van een controle, met vermelding van eventuele verder te nemen maatregelen en de bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de uitkomsten;

41)

“gemeenschappelijk prioritair controlegebied”: een selectie van bepaalde douaneregelingen, soorten goederen, vervoerroutes, vervoerswijzen of marktdeelnemers die gedurende een bepaalde periode in hogere mate aan risicoanalyses en aan risicobeperkende maatregelen zullen worden onderworpen, onverminderd andere controles die de douaneautoriteiten doorgaans verrichten;

42)

“gemeenschappelijke risicocriteria en -normen”: parameters voor risicoanalyse van een risicogebied en bijbehorende normen voor de praktische toepassing van die parameters;

43)

“toezichtstrategie”: een aanpak om met een risico om te gaan die tot doel heeft de operationele inspanningen op het gebied van douanetoezicht en risicobeperkende maatregelen in de hele toeleveringsketen op evenredige en doeltreffende wijze met elkaar in evenwicht te brengen;

44)

“zending”: goederen die, in het kader van dezelfde vervoersovereenkomst, vanuit hetzelfde grondgebied of hetzelfde derde land met behulp van hetzelfde vervoermiddel, inclusief multimodaal vervoer, door één afzender naar één geadresseerde worden vervoerd en die van dezelfde soort, klasse of omschrijving zijn dan wel samen zijn verpakt;

45)

“douanestatus”: de status van goederen, zijnde Unie- of niet-Uniegoederen;

46)

“Uniegoederen”: goederen die in een van de volgende categorieën vallen:

a)

goederen die geheel en al zijn verkregen in het douanegebied van de Unie en die geen uit derde landen ingevoerde goederen bevatten;

b)

goederen die het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht vanuit derde landen en die in het vrije verkeer zijn gebracht;

c)

goederen die in het douanegebied van de Unie zijn verkregen of vervaardigd, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld in punt b), hetzij uit goederen als bedoeld in de punten a) en b);

47)

“niet-Uniegoederen”: andere goederen dan Uniegoederen of goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben verloren;

48)

“vrijgave van goederen”: de handeling waarbij de douaneautoriteiten, of andere personen namens hen, goederen ter beschikking stellen voor de doeleinden die zijn gespecificeerd voor de douaneregeling waaronder de goederen zullen worden geplaatst;

49)

“summiere aangifte bij binnenbrengen”: de handeling waarbij een persoon de douaneautoriteiten in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, en binnen een specifieke termijn, meedeelt dat goederen het douanegebied van de Unie zullen worden binnengebracht;

50)

“summiere aangifte bij uitgang”: de handeling waarbij een persoon de douaneautoriteiten in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, en binnen een specifieke termijn, meedeelt dat goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten;

51)

“aangifte tot tijdelijke opslag”: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze kenbaar maakt dat goederen zich in tijdelijke opslag bevinden;

52)

“douaneaangifte”: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen, in voorkomend geval met opgave van eventuele specifieke regelingen die moeten worden toegepast;

53)

“aanbrengen van goederen bij de douane”: de mededeling aan de douaneautoriteiten dat goederen bij het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of op enige andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen, en de beschikbaarheid van die goederen voor douanecontroles;

54)

“aangever”: de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgang, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon in wiens naam deze aangifte of deze kennisgeving wordt ingediend;

55)

“aangifte tot wederuitvoer”: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om niet-Uniegoederen, met uitzondering van niet-Uniegoederen die zich onder de regeling vrije zone bevinden of in tijdelijke opslag zijn, buiten het douanegebied van de Unie te brengen;

56)

“kennisgeving van wederuitvoer”: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om niet-Uniegoederen die zich onder de regeling vrije zone bevinden of in tijdelijke opslag zijn, buiten het douanegebied van de Unie te brengen;

57)

“fabrikant”:

a)

de fabrikant van het product op grond van de andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving die op dat product van toepassing is;

b)

in het geval van landbouwproducten zoals gedefinieerd in artikel 38, lid 1, VWEU of grondstoffen, de producent, of

c)

indien er geen fabrikant of producent is als bedoeld in de punten a) en b), de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de vereniging van personen die het product heeft vervaardigd of laten vervaardigen, en dat product onder de naam of het handelsmerk van die persoon of vereniging in de handel brengt;

58)

“productleverancier”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon of vereniging van personen in de toeleveringsketen die een product in zijn geheel of ten dele vervaardigt, hetzij als fabrikant, hetzij in enige andere omstandigheid;

59)

“tijdelijke opslag”: de toestand van tijdelijk onder douanetoezicht opgeslagen niet-Uniegoederen tussen het moment waarop de vervoerder de aankomst van de goederen in het douanegebied van de Unie meldt en de plaatsing ervan onder een douaneregeling of de wederuitvoer ervan;

60)

“verwacht douanekantoor van eerste binnenkomst”: het douanekantoor dat bevoegd is voor het douanetoezicht op de plaats waar het vervoermiddel waarmee de goederen worden vervoerd, bestemd is aan te komen in het douanegebied van de Unie van buiten dat gebied;

61)

“voorafgaande vrachtinformatie”: de verzameling gegevens die aan douaneautoriteiten wordt verstrekt of ter beschikking gesteld met betrekking tot goederen die het douanegebied van de Unie zullen worden binnengebracht;

62)

“veredelingsproducten”: onder een veredelingsregeling geplaatste goederen die veredelingshandelingen hebben ondergaan;

63)

“veredelingshandelingen”: een van de onderstaande handelingen:

a)

de bewerking van goederen, met inbegrip van het monteren, het assembleren of het aanpassen ervan aan andere goederen;

b)

de verwerking van goederen;

c)

de vernietiging van goederen;

d)

de herstelling van goederen, met inbegrip van het reviseren en in goede staat brengen van die goederen;

e)

het gebruik van goederen die zelf niet meer in de veredelingsproducten voorkomen maar die de vervaardiging van die producten mogelijk maken of vergemakkelijken, ook indien dergelijke goederen tijdens dit proces geheel of gedeeltelijk opgebruikt worden (bij de productie gebruikte hulpmiddelen);

64)

“houder van de regeling douanevervoer”: de persoon die de aangifte voor douanevervoer indient of de informatie verstrekt die vereist is om goederen onder die regeling te plaatsen, of voor wiens rekening die aangifte wordt ingediend of die informatie wordt verstrekt;

65)

“opbrengst”: de hoeveelheid of het percentage veredelingsproducten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid onder een veredelingsregeling geplaatste goederen;

66)

“derde land”: een land of een gebied buiten het douanegebied van de Unie;

67)

“douaneschuld”: de verplichting van een persoon tot betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat uit hoofde van de douanewetgeving op bepaalde goederen van toepassing is;

68)

“schuldenaar”: elke persoon die voor een douaneschuld aansprakelijk is;

69)

“invoerrecht”: het douanerecht dat bij de invoer van goederen verschuldigd is;

70)

“uitvoerrecht”: het douanerecht dat bij de uitvoer van goederen verschuldigd is;

71)

“terugbetaling”: de teruggave van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat is voldaan;

72)

“kwijtschelding”: ontheffing van de verplichting tot betaling van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat niet is voldaan;

73)

“inkoopcommissie”: de door een importeur aan een agent betaalde vergoeding om de importeur te vertegenwoordigen bij de aankoop van goederen waarvan de waarde moet worden bepaald;

74)

“crisis”: een natuurlijke of door de mens veroorzaakte gebeurtenis van uitzonderlijke aard en omvang die plaatsvindt binnen of buiten de Unie, die de veiligheid, de beveiliging, de gezondheid en het leven van ingezetenen, marktdeelnemers of medewerkers van de douaneautoriteiten in gevaar brengt en dringende maatregelen vereist met betrekking tot de binnenkomst, uitgang of doorvoer van goederen;

75)

“crisisresponscel”: een dienst binnen de EU-douaneautoriteit die de inspanningen van de Unie op het gebied van crisisrespons binnen de douane-unie coördineert;

76)

“kleine, middelgrote en micro-ondernemingen” of “kmo’s”: kleine, middelgrote en micro-ondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 2 van Aanbeveling 2003/361/EG;

77)

“registratie- en identificatienummer van marktdeelnemer” of “EORI-nummer”: een identificatienummer dat uniek is in het douanegebied van de Unie en door een douaneautoriteit aan een marktdeelnemer of een andere persoon wordt toegekend om die marktdeelnemer of persoon voor douanedoeleinden te registreren;

78)

“artikel”: één of meer goederen in een zending met dezelfde tariefindeling, dezelfde omschrijving en, indien daarin is voorzien als onderdeel van de gegevensvereisten die van toepassing zijn op de desbetreffende douaneaangifte of op de gegevens die aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of ter beschikking gesteld, dezelfde oorsprong;

79)

“gemeenschappelijke grensdoorlaatpost”: een douanedoorlaatpost aan de grens op het grondgebied van een lidstaat of op het grondgebied van een aangrenzend derde land waar de douaneautoriteiten van die lidstaat en van dat aangrenzende derde land hun respectieve douanewetgeving toepassen op grond van een bilaterale overeenkomst.

HOOFDSTUK 3

Bevoegde douaneautoriteit en operationele regels voor douanekantoren

Artikel 6

Bevoegde douaneautoriteit

1.   De bevoegde douaneautoriteit is:

a)

voor beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving overeenkomstig hoofdstuk 4, met uitzondering van specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, de douaneautoriteit van de lidstaat van vestiging van de aanvrager;

b)

voor de uit hoofde van de artikelen 97 tot en met 100 te verrichten activiteiten, de douaneautoriteit die bevoegd is voor het douanekantoor van eerste binnenkomst;

c)

voor de uit hoofde van de artikelen 101, 102 en 103 te verrichten activiteiten, de douaneautoriteit die bevoegd is voor het douanekantoor van eerste binnenkomst of de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen worden gelost of overgeladen, afhankelijk van de specifieke situatie als bedoeld in artikel 101, leden 1, 2 en 3;

d)

voor de uit hoofde van de artikelen 104 tot en met 108 en titel V te verrichten activiteiten, de douaneautoriteit van de lidstaat waar:

i)

de goederen die tijdelijk zullen worden opgeslagen zich bevinden, met inbegrip van de plaats waar de regeling douanevervoer eindigt, afhankelijk van de specifieke situatie, of

ii)

de onder een douaneregeling te plaatsen goederen zich bevinden;

e)

voor de uit hoofde van titel VII uit te voeren activiteiten, andere dan die welke verband houden met de plaatsing van de goederen onder een douaneregeling, de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten.

2.   In afwijking van lid 1, punt d), is de bevoegde douaneautoriteit:

a)

voor het in het vrije verkeer brengen in het geval van afstandsverkopen waarbij de importeur voor afstandsverkopen geen gebruik maakt van de IOSS-regeling, de douaneautoriteit van de lidstaat waar de goederen worden geleverd;

b)

indien de importeur of de exporteur een vertrouwde en gecontroleerde handelaar is, de douaneautoriteit van de lidstaat van vestiging van die importeur of exporteur dan wel zijn douanevertegenwoordiger;

c)

indien aan de aangever vergunning is verleend om gebruik te maken van gecentraliseerde vrijmaking overeenkomstig artikel 91, de douaneautoriteit van de lidstaat van vestiging van die aangever.

3.   De douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats van vestiging van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar:

a)

houdt toezicht op het plaatsen van de goederen onder de desbetreffende douaneregeling;

b)

verricht de douanecontroles voor de verificatie van de verstrekte informatie;

c)

verzoekt in gerechtvaardigde gevallen de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats van verzending of de eindbestemming van de goederen, om een douanecontrole uit te voeren;

d)

verzoekt, in het geval van een risico dat enkel kan worden beperkt nadat de goederen in het douanegebied van de Unie zijn aangekomen of voordat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten, de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten, om douanecontroles te verrichten;

e)

vervult de douaneformaliteiten voor de invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan in- of uitvoerrechten.

4.   Rekening houdend met de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor de handelsstromen, de beschikbare controlemiddelen en de ernst van het risico, voert de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats van verzending of de eindbestemming van de goederen of voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten, de douanecontroles uit waarom is verzocht door de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats van vestiging van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar overeenkomstig lid 3, punten c) en d), en houders van een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking, en verstrekt zij die douaneautoriteit de resultaten van die controles, onverminderd haar eigen controles met betrekking tot goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of verlaten.

5.   De bevoegde douaneautoriteiten hebben toegang tot de informatie die nodig is voor de correcte toepassing van de douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen waarin de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde specifieke gevallen worden vastgelegd.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de in lid 4 van dit artikel bedoelde samenwerking tussen douaneautoriteiten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

8.   De Commissie stelt richtsnoeren vast waarin de taken in het kader van de in lid 4 bedoelde samenwerking tussen douaneautoriteiten worden gespecificeerd.

Artikel 7

Operationele regels met betrekking tot de bevoegde douanekantoren

1.   Tenzij in andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving anders is bepaald, stellen de lidstaten de plaats en de bevoegdheid van hun douanekantoren vast.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de officiële openingstijden van hun douanekantoren redelijk en passend zijn, rekening houdend met de aard van het verkeer en van de goederen, en met de douaneregelingen waaronder deze moeten worden geplaatst, zodat het internationale goederenverkeer niet belemmerd of verstoord wordt.

HOOFDSTUK 4

Douanebeschikkingen

Afdeling 1

Algemene beginselen

Artikel 8

Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen

1.   Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt die persoon alle inlichtingen die de bevoegde douaneautoriteiten nodig hebben om die beschikking te kunnen afgeven.

Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en afgegeven worden aan verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden.

2.   De douaneautoriteiten gaan onverwijld en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen na de datum van ontvangst van een aanvraag voor een beschikking na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan.

Wanneer een douaneautoriteit vaststelt dat de aanvraag voor een beschikking alle inlichtingen bevat opdat zij die beschikking zou kunnen verlenen, stelt zij de aanvrager binnen de 30 kalenderdagen na de datum van ontvangst van die aanvraag in kennis van de aanvaarding ervan.

Wanneer de douaneautoriteit vaststelt dat de aanvraag niet alle inlichtingen bevat die zij nodig heeft, vraagt zij de aanvrager om binnen een redelijke termijn, die ten hoogste 30 kalenderdagen bedraagt, de relevante aanvullende inlichtingen te verstrekken. In dergelijke gevallen beslist de douaneautoriteit binnen een termijn van ten hoogste 60 kalenderdagen na de datum van ontvangst van de eerste aanvraag of de aanvraag volledig is en daarom moet worden aanvaard, dan wel of de aanvraag onvolledig is en daarom moet worden afgewezen. Indien de douaneautoriteit haar beschikking niet binnen die termijn aan de aanvrager meedeelt, wordt de aanvraag geacht aan het einde van de periode van 60 kalenderdagen te zijn aanvaard.

3.   Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, geeft de bevoegde douaneautoriteit uiterlijk 120 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag een beschikking als bedoeld in lid 1 af en stelt zij de aanvrager onverwijld in kennis van die beschikking.

Indien de douaneautoriteit de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kan naleven, ook wanneer deze vertraging het gevolg is van lopend overleg met andere bevoegde autoriteiten of internationale instanties, stelt zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de extra termijn die zij nodig acht om een beschikking af te geven. Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, bedraagt die extra termijn niet meer dan 30 kalenderdagen.

Bovendien kan de douaneautoriteit de termijn voor het afgeven van een beschikking die is vastgelegd in de douanewetgeving verlengen indien de aanvrager verzoekt om verlenging om aanpassingen aan te brengen opdat aan de voorwaarden en criteria voor het afgeven van de beschikking is voldaan. Die aanpassingen en de extra termijn die noodzakelijk is om ze uit te voeren, worden meegedeeld aan de douaneautoriteit, die beslist of de gevraagde verlenging wordt toegestaan.

Indien de douaneautoriteit geen besluit neemt binnen de in de eerste, tweede en derde alinea vastgestelde termijnen, ontvangt de aanvrager een automatische kennisgeving. De aanvrager kan het uitblijven van een besluit als een negatieve beslissing beschouwen.

4.   Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, of tenzij in de beschikking zelf anders is bepaald, wordt een beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen.

Met uitzondering van de in artikel 19, lid 2, bedoelde gevallen zijn beschikkingen vanaf de datum van de vaststelling ervan uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.

5.   Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, is een beschikking onbeperkt geldig.

6.   Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt afgegeven, deelt de douaneautoriteit de aanvrager mee op welke gronden zij voornemens is haar beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een voorgeschreven termijn, te rekenen vanaf de datum waarop hij die mededeling heeft ontvangen of wordt geacht te hebben ontvangen (“recht om te worden gehoord”). Na het verstrijken van die termijn wordt aan de aanvrager op passende wijze mededeling gedaan van de beschikking.

De in de eerste alinea bedoelde rechten en verplichtingen zijn niet van toepassing indien:

a)

het een beschikking betreffende bindende inlichtingen betreft als bedoeld in artikel 15, lid 1;

b)

de toekenning van een tariefcontingent wordt geweigerd wanneer het vastgestelde contingentvolume is bereikt, als bedoeld in artikel 166, lid 4, eerste alinea;

c)

de aard of de omvang van het gevaar voor de veiligheid en beveiliging van de Unie en haar ingezetenen, voor de gezondheid van mens, dier of plant, voor het milieu of voor de consument daartoe aanleiding geeft;

d)

de desbetreffende beschikking tot uitvoering van een andere beschikking strekt waarvoor de aanvrager de mogelijkheid heeft gekregen zijn of haar standpunt kenbaar te maken, onverminderd het recht van de betrokken lidstaat;

e)

dit een onderzoek dat is opgestart met het oog op de bestrijding van fraude zou belemmeren;

f)

de aanvraag niet aan de voorwaarden voor aanvaarding voldoet;

g)

de douaneautoriteit de persoon die de summiere aangifte bij binnenbrengen heeft ingediend of die de voorafgaande vrachtinformatie heeft verstrekt of beschikbaar gesteld, gelast de goederen niet te laden of te vervoeren;

h)

de beschikking betrekking heeft op een mededeling van een besluit van de Commissie aan de aanvrager zoals bedoeld in artikel 217, lid 3;

i)

een EORI-nummer ongeldig moet worden gemaakt, op verzoek van de betrokken marktdeelnemer, of er gedurende drie jaar geen douaneactiviteit is of een marktdeelnemer niet langer bestaat;

j)

de aard of de omvang van het gevaar voor de financiële belangen van de Unie of haar lidstaten dit vereist.

7.   Een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt met redenen omkleed en maakt melding van de mogelijkheid tot beroep als bepaald in artikel 18.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen in aanvulling op deze verordening inzake:

a)

de gegevens die vereist zijn voor de in dit artikel bedoelde aanvragen en beschikkingen;

b)

de voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag als bedoeld in lid 2 van dit artikel;

c)

de specifieke gevallen waarin de termijn voor het afgeven van een specifieke beschikking en de mogelijke verlenging van die termijn verschilt van de in lid 3 van dit artikel bedoelde termijnen;

d)

de in lid 4 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen waarin een beschikking van kracht wordt op een andere datum dan die waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen;

e)

de in lid 5 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen waarin de beschikking niet onbeperkt geldig is;

f)

de duur van de in lid 6, eerste alinea, van dit artikel bedoelde termijn;

g)

de regels met betrekking tot de in lid 6, tweede alinea, van dit artikel bedoelde gevallen.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de leden 2 en 3 van dit artikel te wijzigen teneinde de daarin bedoelde termijnen in voorkomend geval in te korten zodra de EU-douanedatahub operationeel is.

10.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de procedure voor:

a)

de indiening en de aanvaarding van een aanvraag voor een beschikking, bedoeld in de leden 1 en 2;

b)

het afgeven van de beschikkingen als bedoeld in dit artikel, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de beslissing over het recht om te worden gehoord en over de raadpleging van andere betrokken lidstaten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 9

Beheer van beschikkingen naar aanleiding van aanvragen

1.   De houder van de beschikking komt de daaruit voortvloeiende verplichtingen na.

2.   De houder van de beschikking controleert voortdurend of wordt voldaan aan de voorwaarden en criteria alsook de verplichtingen die uit die beschikking voortvloeien, en zet, indien van toepassing, interne controles op waarmee illegale of onregelmatige transacties kunnen worden voorkomen, opgespoord en gecorrigeerd.

3.   De houder van de beschikking stelt de douaneautoriteiten onverwijld in kennis van alle elementen die zich na de afgifte van de beschikking aandienen en die op de continuïteit of de inhoud ervan van invloed kunnen zijn.

4.   De douaneautoriteiten controleren regelmatig of de houder van de beschikking nog steeds aan de relevante criteria en verplichtingen voldoet, met name of de houder in staat is om fouten te voorkomen, erop te reageren en deze te verhelpen door middel van passende interne controles, en om de douaneautoriteiten in kennis te stellen van elk vermoeden van douanefraude waarvan de houder op de hoogte is of redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn, of van informatie die tot de ontdekking ervan zou kunnen leiden, met name overeenkomstig de artikelen 27, 28, 30 en 31. Op basis van die controles evalueren de douaneautoriteiten in voorkomend geval het risicoprofiel van de houder van de beschikking. Indien de houder van de beschikking minder dan drie jaar in het douanegebied van de Unie gevestigd is, houden de douaneautoriteiten in het eerste jaar na afgifte van de beschikking nauw toezicht op de houder.

5.   De douaneautoriteiten stellen de EU-douaneautoriteit in kennis van de op aanvraag afgegeven beschikkingen en van alle toezichtactiviteiten die zij overeenkomstig lid 4 verrichten. De EU-douaneautoriteit houdt bij risicobeheerdoeleinden rekening met deze informatie.

6.   Tot en met 28 februari 2034 registreren de douaneautoriteiten hun beschikkingen in de bestaande elektronische systemen voor de uitwisseling van inlichtingen die door de Commissie en de lidstaten zijn ontwikkeld. De Commissie en de lidstaten hebben toegang tot die beschikkingen en de onderliggende informatie in die systemen.

7.   Onverminderd andere toepasselijke bepalingen tot precisering van de gevallen waarin beschikkingen ongeldig zijn of hun werking verliezen, kunnen de douaneautoriteiten die een beschikking hebben afgegeven, deze op elk moment nietig verklaren, intrekken of wijzigen indien zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving. De douaneautoriteiten stellen de EU-douaneautoriteit in kennis van dergelijke nietigverklaringen, intrekkingen en wijzigingen van douanebeschikkingen, tenzij deze informatie reeds beschikbaar is in de EU-douanedatahub.

8.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, herbeoordelen de douaneautoriteiten een beschikking.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen in aanvulling op deze verordening inzake:

a)

gedetailleerde regels voor de monitoring van beschikkingen als bedoeld in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel;

b)

de specifieke gevallen waarin beschikkingen opnieuw moeten worden beoordeeld, als bedoeld in lid 8 van dit artikel, en de regels voor een dergelijke herbeoordeling.

Artikel 10

Geldigheid van beschikkingen in de hele Unie

Beschikkingen in verband met de toepassing van de douanewetgeving zijn geldig in het gehele douanegebied van de Unie, tenzij in de beschikking is bepaald dat de werking ervan beperkt is tot één of meer lidstaten.

Artikel 11

Nietigverklaring van gunstige beschikkingen

1.   De douaneautoriteiten verklaren een voor de houder van de beschikking gunstige beschikking nietig als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

de beschikking is afgegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens;

b)

de houder van de beschikking wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de gegevens onjuist of onvolledig waren;

c)

indien de gegevens juist en volledig waren geweest, zou de beschikking anders hebben geluid.

2.   Aan de houder van de beschikking wordt mededeling gedaan van de nietigverklaring van de beschikking.

3.   De nietigverklaring van een beschikking wordt van kracht op de datum waarop de oorspronkelijke beschikking van kracht werd, tenzij in de beschikking inzake die nietigverklaring anders is bepaald overeenkomstig de douanewetgeving.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de regels voor de nietigverklaring van gunstige beschikkingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 12

Intrekking, schorsing en wijziging van gunstige beschikkingen

1.   Een gunstige beschikking wordt ingetrokken of gewijzigd indien:

a)

aan één of meer voor de afgifte van de beschikking gestelde voorwaarden niet of niet meer is voldaan;

b)

de houder van de beschikking de bij die beschikking opgelegde verplichtingen niet nakomt, of

c)

de houder van de beschikking daarom verzoekt.

2.   Een gunstige beschikking wordt geschorst indien:

a)

de douaneautoriteit van oordeel is dat er voldoende redenen zijn om de beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen, maar zij nog niet over alle nodige elementen beschikt om over de nietigverklaring, intrekking of wijziging te beslissen;

b)

de douaneautoriteit van oordeel is dat de voorwaarden voor de beschikking niet zijn vervuld of dat de houder van de beschikking de bij die beschikking opgelegde verplichtingen niet nakomt, en het passend is dat de houder van de beschikking de tijd krijgt om maatregelen te treffen ter waarborging van de vervulling van de voorwaarden of van de naleving van de verplichtingen;

c)

de houder van de beschikking om de schorsing verzoekt omdat de houder tijdelijk niet in staat is aan de voorwaarden voor die beschikking te voldoen of de bij die beschikking opgelegde verplichtingen na te komen.

In de in de punten b) en c), bedoelde gevallen stelt de houder van de beschikking de douaneautoriteit die bevoegd is om de beschikking af te geven in kennis van de maatregelen die de houder zal nemen om te waarborgen dat aan de voorwaarden wordt voldaan of dat de verplichtingen worden nageleefd, en van de tijd die nodig is om deze maatregelen te nemen.

3.   Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, kan een voor meerdere geadresseerden gunstige beschikking enkel worden ingetrokken ten aanzien van een persoon die een bij die beschikking opgelegde verplichting niet nakomt.

4.   De houder van de beschikking wordt in kennis gesteld van de intrekking, schorsing of wijziging van de beschikking.

5.   Artikel 8, lid 4, is van toepassing op de intrekking, schorsing of wijziging van de beschikking.

In uitzonderlijke gevallen waarin de rechtmatige belangen van de houder van de beschikking dit vereisen, kunnen de douaneautoriteiten evenwel de datum waarop de intrekking of de wijziging van kracht wordt, met maximaal één jaar uitstellen. Die datum wordt vermeld in de beschikking tot intrekking of wijziging.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen in aanvulling op deze verordening door het volgende te bepalen:

a)

de in lid 3 bedoelde specifieke gevallen waarin douaneautoriteiten een voor meerdere geadresseerden gunstige beschikking kunnen intrekken ten aanzien van andere personen dan degene die een bij die beschikking opgelegde verplichting niet nakomt;

b)

de uitzonderlijke gevallen waarin de douaneautoriteiten de datum waarop de intrekking of de wijziging van kracht wordt, overeenkomstig de tweede alinea van lid 5, mogen uitstellen.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de procedureregels voor de intrekking, schorsing of wijziging van gunstige beschikkingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 13

Beschikkingen zonder aanvraag

Tenzij een douaneautoriteit als gerechtelijke autoriteit optreedt, zijn artikel 8, leden 4 tot en met 7, artikel 9, lid 7, en de artikelen 10, 11 en 12 mutatis mutandis van toepassing op beschikkingen die de douaneautoriteiten afgeven zonder aanvraag van de betrokken persoon.

Artikel 14

Beperkingen van toepassing op beschikkingen inzake goederen die onder een douaneregeling of in tijdelijke opslag zijn geplaatst

Tenzij de betrokken persoon zulks verzoekt, heeft de intrekking, wijziging of schorsing van een gunstige beschikking geen gevolgen voor goederen die, op het tijdstip waarop de intrekking, wijziging of schorsing van kracht wordt, als gevolg van de ingetrokken, gewijzigde of geschorste beschikking al onder een douaneregeling zijn geplaatst en zich nog steeds onder die regeling bevinden, of in tijdelijke opslag zijn geplaatst.

Afdeling 2

Bindende inlichtingen

Artikel 15

Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen

1.   De douaneautoriteiten geven op aanvraag beschikkingen betreffende bindende tariefinlichtingen (“BTI-beschikkingen”), beschikkingen betreffende bindende oorsprongsinlichtingen (“BOI-beschikkingen”) en beschikkingen betreffende bindende waarde-inlichtingen (“BWI-beschikkingen”) af.

Dergelijke aanvragen worden in de volgende gevallen niet aanvaard:

a)

indien de aanvraag bij hetzelfde of een ander douanekantoor wordt of reeds is ingediend door of namens de houder van een beschikking:

i)

voor BTI-beschikkingen, met betrekking tot dezelfde goederen;

ii)

voor BOI-beschikkingen, met betrekking tot dezelfde goederen en onder dezelfde omstandigheden die bepalend zijn voor de verkrijging van de oorsprong;

iii)

voor BWI-beschikkingen, met betrekking tot goederen onder dezelfde omstandigheden die bepalend zijn voor de douanewaarde;

b)

indien de aanvraag geen verband houdt met een voorgenomen gebruik van de beschikking betreffende bindende inlichtingen of een voorgenomen gebruik van een douaneregeling.

2.   Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen zijn verbindend, uitsluitend met betrekking tot de tariefindeling of de bepaling van de oorsprong of de douanewaarde van de betrokken goederen, voor:

a)

de douaneautoriteiten, met betrekking tot de houder van de beschikking, alleen ten aanzien van goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de beschikking van kracht wordt;

b)

de houder van de beschikking, met betrekking tot de douaneautoriteiten, pas met ingang van de datum waarop hem of haar mededeling van de beschikking wordt gedaan of wordt geacht te zijn gedaan.

3.   Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen gelden voor een periode van drie jaar vanaf de datum waarop ze van kracht worden.

4.   Voor de toepassing van een beschikking betreffende bindende inlichtingen in het kader van een specifieke douaneregeling toont de houder van de beschikking aan dat:

a)

in het geval van een BTI-beschikking, de betrokken goederen in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven goederen;

b)

in het geval van een BOI-beschikking, de betrokken goederen en de omstandigheden die bepalend zijn voor de verkrijging van de oorsprong, in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven goederen en omstandigheden;

c)

in het geval van een BWI-beschikking, de omstandigheden die bepalend zijn voor de douanewaarde van de betrokken goederen, in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven omstandigheden.

Artikel 16

Beheer van beschikkingen betreffende bindende inlichtingen

1.   Een BTI-beschikking verliest haar geldigheid vóór het einde van de in artikel 15, lid 3, bedoelde periode indien zij niet langer in overeenstemming is met het geldende recht, ten gevolge van ofwel:

a)

de vaststelling van een wijziging in de in artikel 166, lid 2, punten a) en b), bedoelde nomenclaturen, of

b)

de vaststelling van in artikel 167, lid 4, bedoelde maatregelen.

In dergelijke gevallen verliest de BTI-beschikking haar geldigheid met ingang van de datum van toepassing van de wijziging of de maatregelen.

2.   Een BOI-beschikking verliest haar geldigheid vóór het einde van de in artikel 15, lid 3, bedoelde periode indien:

a)

de BOI-beschikking niet langer in overeenstemming is met het Unierecht als gevolg van de vaststelling van een juridisch bindende handeling van de Unie of de sluiting van een overeenkomst door de Unie die in de Unie van toepassing wordt, waarbij de BOI-beschikking niet langer geldig is met ingang van de datum van toepassing van die handeling of overeenkomst, of

b)

de BOI-beschikking niet langer verenigbaar is met de in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vastgestelde Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels, of met de raadgevingen, informatie, adviezen en soortgelijke handelingen betreffende de oorsprongsbepaling van goederen ter waarborging van een uniforme interpretatie en toepassing van die overeenkomst, waarbij de BOI-beschikking niet langer geldig is met ingang van de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   Een BWI-beschikking verliest haar geldigheid vóór het einde van de in artikel 15, lid 3, bedoelde periode indien:

a)

de BWI-beschikking niet langer in overeenstemming is met het Unierecht als gevolg van de vaststelling van een juridisch bindende handeling van de Unie, waarbij de BWI-beschikking niet langer geldig is vanaf de datum van toepassing van die handeling, of

b)

de BWI-beschikking niet langer verenigbaar is met artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (31) of de door de Commissie douanewaarde vastgestelde besluiten betreffende de interpretatie van die overeenkomst, waarbij de BWI-beschikking niet langer geldig is vanaf de datum van bekendmaking daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.   Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen verliezen hun geldigheid niet met terugwerkende kracht.

5.   In afwijking van artikel 9, lid 7, en artikel 11 verklaren de douaneautoriteiten beschikkingen betreffende bindende inlichtingen alleen nietig indien zij gebaseerd zijn op onjuiste of onvolledige informatie van de aanvrager.

6.   De douaneautoriteiten trekken beschikkingen betreffende bindende inlichtingen in overeenkomstig artikel 9, lid 7, en artikel 12. Dergelijke beschikkingen worden echter niet ingetrokken als de houder van de beschikking daarom verzoekt.

7.   Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen worden niet gewijzigd.

8.   De douaneautoriteiten trekken BTI-beschikkingen in wanneer zij niet langer verenigbaar zijn met de interpretatie van een van de in artikel 166, lid 2, punten a) en b), bedoelde nomenclaturen als gevolg van ofwel:

a)

de vaststelling van de in artikel 9, lid 1, punt a), eerste streepje, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (32) bedoelde toelichtingen, waarbij de BTI-beschikking wordt ingetrokken met ingang van de datum van de bekendmaking van die toelichtingen in het Publicatieblad van de Europese Unie;

b)

de uitspraak van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarbij de BTI-beschikking wordt ingetrokken met ingang van de datum van de bekendmaking van het dictum van het arrest in het Publicatieblad van de Europese Unie;

c)

de vaststelling van indelingsbesluiten, indelingsadviezen of wijzigingen in de toelichtingen op de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, aangenomen door de organisatie die is opgezet bij het Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad, gedaan te Brussel op 15 december 1950, waarbij de BTI-beschikking wordt ingetrokken met ingang van de datum van bekendmaking van de desbetreffende mededeling van de Commissie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

9.   BOI- en BWI-beschikkingen worden ingetrokken wanneer zij niet langer verenigbaar zijn met een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie met ingang van de datum van de bekendmaking van het dictum van het arrest in het Publicatieblad van de Europese Unie.

10.   Wanneer een beschikking betreffende bindende inlichtingen haar geldigheid verliest overeenkomstig lid 1, punt b), of lid 2 of 3, dan wel wordt ingetrokken overeenkomstig lid 6, 8 of 9, mag de beschikking nog steeds worden gebruikt in het kader van bindende, op de beschikking gebaseerde contracten die al waren gesloten voordat deze haar geldigheid verloor of werd ingetrokken. Dat verlengde gebruik geldt niet indien er een BOI-beschikking is genomen voor uit te voeren goederen.

De in de eerste alinea bedoelde periode van verlengd gebruik beloopt ten hoogte zes maanden vanaf de datum waarop de beschikking betreffende bindende inlichtingen haar geldigheid verloor of werd ingetrokken. Een in artikel 167, lid 4, een in artikel 172 of een in artikel 182 bedoelde maatregel kan er evenwel voor zorgen dat dit verlengde gebruik niet is toegelaten of dat er een kortere termijn wordt vastgesteld. Indien het gaat om producten waarvoor bij de uitvoering van de douaneformaliteiten een invoer- of uitvoercertificaat wordt overgelegd, wordt de periode van zes maanden vervangen door de resterende geldigheidsduur van het betrokken certificaat.

Om voor verlengd gebruik van een beschikking betreffende bindende inlichtingen in aanmerking te komen, dient de houder van die beschikking bij de douaneautoriteit die de beschikking afgaf, binnen 30 dagen nadat deze haar geldigheid verliest of wordt ingetrokken, een aanvraag in onder vermelding van de hoeveelheden waarvoor om een periode van verlengd gebruik wordt verzocht, alsook van de lidstaat of lidstaten waar de goederen tijdens de periode van verlengd gebruik zullen worden ingeklaard. Die douaneautoriteit neemt een besluit over het verlengd gebruik en stelt de houder onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen na de datum waarop zij alle voor een dergelijk besluit benodigde inlichtingen heeft ontvangen, daarvan in kennis.

11.   De Commissie stelt de douaneautoriteiten ervan in kennis indien:

a)

er een schorsing geldt ten aanzien van het afgeven van beschikkingen betreffende bindende inlichtingen voor goederen waarvan de juistheid en de uniformiteit van de tariefindeling of de bepaling van de oorsprong of van de douanewaarde niet gegarandeerd zijn, of

b)

de in punt a) bedoelde schorsing is ingetrokken.

12.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, in de vorm van besluiten, waarbij aan lidstaten het verzoek wordt gericht om een BTI-, BOI- of BWI-beschikking in te trekken, teneinde de juistheid en de uniformiteit van de tariefindeling of de bepaling van de oorsprong van goederen of de douanewaarde te garanderen.

Voordat zij een dergelijk besluit vaststelt, deelt de Commissie de redenen waarop zij voornemens is haar besluit te baseren mee aan de houder van de BTI-, BOI- of BWI-beschikking, die in de gelegenheid wordt gesteld zijn of haar standpunt kenbaar te maken binnen een voorgeschreven termijn, te rekenen vanaf de datum waarop de houder deze mededeling ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

13.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met daarin de regels voor het nemen van de in lid 12 van dit artikel bedoelde besluiten, onder meer wat betreft de mededeling aan de betrokken personen van de gronden waarop de Commissie voornemens is haar besluiten te baseren, en de termijn waarbinnen deze personen hun standpunten kenbaar kunnen maken.

14.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de procedureregels betreffende:

a)

het gebruik van een beschikking betreffende bindende inlichtingen nadat deze haar geldigheid heeft verloren of is ingetrokken overeenkomstig lid 10 van dit artikel;

b)

de kennisgeving aan de douaneautoriteiten overeenkomstig lid 11 van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Afdeling 3

Beroep

Artikel 17

Beslissingen van een rechterlijke instantie

De artikelen 18 en 19 zijn niet van toepassing op beroepen die zijn ingesteld met het oog op de nietigverklaring, intrekking of wijziging van een beslissing van een rechterlijke instantie of van een als rechterlijke instantie optredende douaneautoriteit betreffende de toepassing van de douanewetgeving.

Artikel 18

Recht van beroep

1.   Een persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen elke beschikking van de douaneautoriteiten die betrekking heeft op de toepassing van de douanewetgeving, mits de beschikking die persoon rechtstreeks en individueel raakt.

Elke persoon die bij de douaneautoriteiten een beschikking heeft aangevraagd, doch binnen de in artikel 8, lid 3, bedoelde termijn geen beschikking heeft verkregen, heeft eveneens het recht beroep in te stellen.

2.   Het recht van beroep kan in ten minste twee fasen worden uitgeoefend:

a)

eerst bij de douaneautoriteiten dan wel een gerechtelijke autoriteit of andere instantie die daartoe door de betrokken lidstaat is aangewezen;

b)

vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie, die afhankelijk van het nationale recht van de betrokken lidstaat een gerechtelijke autoriteit dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie kan zijn.

3.   Het beroep wordt ingediend in de lidstaat waar de beschikking werd afgegeven of aangevraagd.

4.   De lidstaten waarborgen dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten afgegeven beschikkingen mogelijk maakt.

Artikel 19

Schorsing van de uitvoering

1.   Het instellen van beroep heeft geen schorsende werking ten aanzien van de uitvoering van de beschikking waartegen beroep wordt ingesteld.

2.   Niettegenstaande lid 1 schorsen de douaneautoriteiten de uitvoering van een dergelijke beschikking geheel of gedeeltelijk indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de beschikking waartegen beroep wordt ingesteld niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokken persoon onherstelbare schade dreigt te lijden.

3.   In de in lid 2 bedoelde gevallen moet, indien de beschikking waartegen beroep wordt ingesteld tot verschuldigdheid van een invoer- of een uitvoerrecht leidt, de schorsing van de uitvoering van die beschikking afhankelijk worden gesteld van het stellen van een zekerheid, tenzij op basis van een gedocumenteerde beoordeling is vastgesteld dat een dergelijke zekerheid waarschijnlijk voor de schuldenaar ernstige economische of sociale moeilijkheden zou veroorzaken.

Afdeling 4

Heffingen en kosten

Artikel 20

Heffingen, kosten en afhandelingsvergoeding van de Unie

1.   De douaneautoriteiten leggen geen heffingen op voor het verrichten van douanecontroles dan wel het anderszins toepassen van de douanewetgeving tijdens de officiële openingsuren van hun bevoegde douanekantoren.

2.   In afwijking van lid 1 innen de douaneautoriteiten een afhandelingsvergoeding van de Unie van een vast bedrag per artikel voor de diensten die moeten worden verleend voor de behandeling van een verzoek om goederen onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen te plaatsen wanneer die goederen in het kader van afstandsverkopen worden verkocht.

3.   Het bedrag van de in lid 2 bedoelde afhandelingsvergoeding van de Unie komt bij benadering overeen met de kosten van de in dat lid bedoelde diensten. Die kosten omvatten ten minste de kosten van het controleren van de gegevens en het uitvoeren van risicoanalyses, alsook van de relevante infrastructuur en controles, met inbegrip van door de EU-douaneautoriteit verleende diensten.

4.   Het in lid 2 bedoelde bedrag is lager wanneer het in het vrije verkeer brengen betrekking heeft op goederen die in het kader van afstandsverkopen vanuit een douane-entrepot voor afstandsverkopen worden verkocht.

5.   De schuldenaar van de douaneschuld bij invoer betaalt de afhandelingsvergoeding van de Unie ten minste eenmaal per maand aan de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen op het moment van betaling van de douaneschuld. Indien er geen douaneschuld is, is de persoon die in geval van een douaneschuld schuldenaar zou zijn geweest, schuldenaar van de afhandelingsvergoeding van de Unie.

Ten aanzien van aangelegenheden waarvoor bij of op grond van dit artikel geen specifieke regels zijn vastgesteld, zijn de bepalingen inzake de douaneschuld mutatis mutandis van toepassing op de afhandelingsvergoeding van de Unie.

6.   De afhandelingsvergoeding van de Unie wordt niet terugbetaald.

7.   Tot en met 30 juni 2028 voorziet de Commissie, overeenkomstig artikel 285, lid 2, in een passende IT-oplossing op het niveau van de Unie voor de berekening van de afhandelingsvergoeding van de Unie.

8.   De Commissie stelt om de twee jaar een verslag op met een raming van de kosten van de in de leden 2 en 3 bedoelde diensten.

9.   De lidstaten kunnen heffingen vaststellen en toepassen of kosten terugvorderen voor andere specifieke diensten dan die bedoeld in lid 2, met name:

a)

de aanwezigheid, op verzoek, van douanepersoneel buiten de officiële kantooruren of op een andere plaats dan in een douanekantoor;

b)

analyses of deskundigenverslagen inzake goederen en portokosten voor het retourneren van de goederen aan de aanvrager, met name bij beschikkingen op grond van artikel 15 of de verstrekking van inlichtingen overeenkomstig artikel 25;

c)

het onderzoek of de monsterneming van goederen voor verificatiedoeleinden, of de vernietiging van goederen, indien andere kosten dan die voor de inzet van douanepersoneel zijn gemaakt;

d)

uitzonderlijke controlemaatregelen die nodig zijn gelet op de aard van de goederen of een potentieel risico.

10.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van dit artikel teneinde het bedrag van de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde afhandelingsvergoeding van de Unie vast te stellen.

11.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de procedure voor het innen van de afhandelingsvergoeding van de Unie bij de marktdeelnemer wordt vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 5

Valutaomrekening en termijnen

Artikel 21

Valutaomrekening

1.   De bevoegde autoriteiten maken de toepasselijke wisselkoers bekend, in voorkomend geval ook online, wanneer valutaomrekening nodig is om een van de volgende redenen:

a)

de elementen aan de hand waarvan de douanewaarde van goederen wordt vastgesteld, zijn in een andere valuta uitgedrukt dan die van de lidstaat waar de douanewaarde wordt bepaald;

b)

de tegenwaarde van de euro in nationale valuta is vereist voor de vaststelling van de tariefindeling van goederen en het bedrag aan invoer- en uitvoerrechten, ook wanneer dit nodig is voor de toepassing van in het gemeenschappelijk douanetarief vastgelegde drempelbedragen.

2.   Indien om andere dan de in lid 1 genoemde redenen valutaomrekening nodig is, wordt de tegenwaarde van de euro in nationale valuta die in het kader van de douanewetgeving moet worden toegepast, minstens eenmaal per jaar vastgesteld.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de regels inzake valutaomrekening voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde doeleinden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 22

Termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden

1.   Indien in de douanewetgeving een termijn, datum of aanvangs- of vervaltijd is vastgelegd, kan een dergelijke termijn niet worden verlengd of verkort en kan een dergelijke datum of aanvangs- of vervaltijd niet worden uitgesteld of vervroegd, tenzij daarin anders is bepaald.

2.   De in Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad (33) vastgestelde voorschriften voor termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden zijn van toepassing, behalve wanneer in de douanewetgeving anders is bepaald.

HOOFDSTUK 6

Overige bepalingen

Artikel 23

Vertrouwelijkheid van de gegevens

1.   Door de douaneautoriteiten of de EU-douaneautoriteit verkregen gegevens die van vertrouwelijke aard zijn of die als vertrouwelijk zijn verstrekt, worden vertrouwelijk gehouden. Niettemin mogen dergelijke gegevens openbaar worden gemaakt indien de douaneautoriteiten of de EU-douaneautoriteit daartoe op grond van het Unierecht of het nationale recht verplicht of gemachtigd zijn, met name om redenen die verband houden met gerechtelijke procedures.

2.   De lidstaten kunnen, in overleg met de Commissie, aangeven dat bepaalde specifieke gegevens waarvan de openbaarmaking de wezenlijke belangen van hun beveiliging zou schaden, technisch zodanig binnen de EU-douanedatahub moeten worden getagd dat de verdere verwerking ervan beperkt blijft tot de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, tenzij die autoriteiten uitdrukkelijk toestemming geven voor verdere verwerking door een andere persoon. De persoon die de gegevens doorstuurt naar de EU-douanedatahub stelt duidelijk de verwerkingsbeperkingen vast van de gegevens die aan de specifieke toeleveringsketens of de gegevenscategorieën kunnen worden gekoppeld.

3.   Voor de toepassing van lid 2 stelt de betrokken lidstaat de Commissie in kennis van de specifieke wezenlijke belangen van hun beveiliging die in het geding zijn en licht hij toe waarom hij van mening is dat die belangen niet voldoende kunnen worden beschermd binnen het algemene kader van bepalingen betreffende gegevensverwerking in de EU-douanedatahub.

4.   Bij het openbaar maken, extraheren of overdragen van gegevens uit hoofde van deze verordening wordt een passend niveau van gegevensbescherming gewaarborgd.

5.   Onverminderd Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad (34) stellen de douaneautoriteiten van de lidstaten of de EU-douaneautoriteit met ingang van 1 maart 2031 op verzoek geaggregeerde, niet-vertrouwelijke, niet-persoonsgebonden en niet-commercieel gevoelige douanegegevens beschikbaar.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met procedures voor de in lid 5 van dit artikel bedoelde verzoeken om gegevens, en de vorm en de categorieën van gegevens die naar aanleiding van een dergelijk verzoek beschikbaar kunnen worden gesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 24

Uitwisseling van aanvullende inlichtingen tussen douaneautoriteiten en marktdeelnemers

1.   Douaneautoriteiten en marktdeelnemers kunnen inlichtingen uitwisselen die niet specifiek uit hoofde van de douanewetgeving moeten worden verstrekt, en in het bijzonder met het oog op wederzijdse samenwerking om risico’s in kaart te brengen en tegen te gaan. Die uitwisseling kan plaatsvinden op grond van een schriftelijke overeenkomst en kan inhouden dat de douaneautoriteiten toegang krijgen tot de elektronische systemen van marktdeelnemers.

2.   Alle inlichtingen die de partijen elkaar in het kader van de in lid 1 bedoelde samenwerking verstrekken, zijn vertrouwelijk, tenzij beide partijen anders besluiten of tenzij in het Unierecht of het nationale recht anders is bepaald.

Artikel 25

Verstrekking van inlichtingen door de douaneautoriteiten

1.   Elke persoon kan de douaneautoriteiten om inlichtingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving verzoeken. De douaneautoriteiten kunnen een dergelijk verzoek afwijzen indien het geen verband houdt met een daadwerkelijk voorgenomen activiteit in het kader van het internationale goederenverkeer.

2.   De douaneautoriteiten plegen regelmatig overleg met marktdeelnemers en andere autoriteiten die betrokken zijn bij het internationale goederenverkeer. Zij bevorderen de transparantie door de douanewetgeving, algemene bestuurlijke beslissingen en relevante aanvraagformulieren vrij beschikbaar te maken, onder meer online en indien mogelijk gratis.

TITEL II

PLICHTEN EN RECHTEN VAN PERSONEN IN HET KADER VAN DE DOUANEWETGEVING

HOOFDSTUK 1

Registratie

Artikel 26

Registratie

1.   Marktdeelnemers die in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn, laten zich registreren bij de douaneautoriteiten van de lidstaat van vestiging om een EORI-nummer te krijgen. Indien mogelijk omvat die registratie ook de elektronische identificatie van de marktdeelnemer in de in Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad (35) bedoelde nationale stelsels voor elektronische identificatie.

2.   Geregistreerde marktdeelnemers stellen de douaneautoriteiten in kennis van elke wijziging van hun registratiegegevens, met name van elke wijziging van hun plaats van vestiging.

3.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, laten marktdeelnemers die niet in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd, zich registreren bij de douaneautoriteiten van de lidstaat waar zij hun eerste activiteit verrichten die onder de douanewetgeving valt.

4.   Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, zijn andere personen dan marktdeelnemers niet verplicht zich bij de douaneautoriteiten te laten registreren.

Wanneer andere personen dan marktdeelnemers zich bij de douaneautoriteiten moeten laten registreren, geldt het volgende:

a)

als die personen in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn, laten zij zich registreren bij de douaneautoriteiten van de lidstaat van vestiging;

b)

als die personen niet in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn, laten zij zich registreren bij de douaneautoriteiten van de lidstaat waar zij voor het eerst een aangifte indienen, gegevens verstrekken of beschikbaar stellen dan wel een aanvraag voor een beschikking indienen.

5.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, wordt de in lid 1 bedoelde registratie door de douaneautoriteiten ongeldig gemaakt. Ongeldigmakingen worden naar behoren gemotiveerd.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen om daarin het volgende te bepalen:

a)

de minimale gegevensvereisten voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde registratie;

b)

de in lid 3 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen waarin marktdeelnemers die niet in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd, zich moeten laten registreren bij de douaneautoriteiten;

c)

de in lid 4, eerste alinea, van dit artikel bedoelde specifieke gevallen waarin andere personen dan marktdeelnemers zich moeten laten registreren bij de douaneautoriteiten;

d)

de in lid 5 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen waarin de douaneautoriteiten een registratie ongeldig moeten maken.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de regels worden vastgelegd om te bepalen welke douaneautoriteit verantwoordelijk is voor de registratie als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 2

Importeur

Artikel 27

Importeurs

1.   Er is telkens slechts één importeur.

2.   De importeur:

a)

houdt alle informatie bij die vereist is voor de tijdelijke opslag of de douaneregeling waaronder de goederen zullen worden geplaatst overeenkomstig artikel 74, 104, 109, 142, 153, 156 of 158, of die vereist is voor de aanzuivering van de regeling passieve veredeling, en verstrekt of stelt deze informatie beschikbaar aan de douaneautoriteiten zodra de informatie beschikbaar is en in ieder geval vóór de vrijgave van de goederen;

b)

waarborgt de betaling van alle douanerechten en andere toepasselijke heffingen;

c)

waarborgt dat de goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, en verstrekt of stelt passende registers van die naleving beschikbaar en houdt deze bij;

d)

stelt de douaneautoriteiten in kennis van alle informatie over verdachte overbrengingen of niet-toegestane behandelingen van goederen waarvan de importeur op de hoogte is;

e)

komt elke andere verplichting die de douanewetgeving aan de importeur oplegt, na.

3.   De importeur is gevestigd in het douanegebied van de Unie.

Deze eis is niet van toepassing op een importeur die:

a)

goederen onder de regeling douanevervoer of de regeling tijdelijke invoer plaatst;

b)

goederen binnenbrengt die in tijdelijke opslag blijven;

c)

incidenteel goederen onder een douaneregeling plaatst, voor zover de douaneautoriteiten deze plaatsingen gerechtvaardigd achten;

d)

gevestigd is in een land waarvan het grondgebied grenst aan het douanegebied van de Unie, en die de goederen aanbrengt bij een douanekantoor in de Unie dat grenst aan dat land, op voorwaarde dat het land waarin de importeur gevestigd is die wederzijdse voordelen verleent aan personen die in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd, of

e)

wordt vertegenwoordigd door een in het douanegebied van de Unie gevestigde indirecte vertegenwoordiger.

HOOFDSTUK 3

Exporteur

Artikel 28

Exporteurs

1.   De exporteur:

a)

houdt alle informatie bij die vereist is voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst overeenkomstig artikel 114, 116 of 161, of die vereist is voor de aanzuivering van de procedure als bedoeld in artikel 54, lid 4, artikel 142, artikel 153 of artikel 158, en verstrekt of stelt deze informatie beschikbaar aan de douaneautoriteiten zodra de informatie beschikbaar is en in ieder geval vóór de vrijgave van de goederen;

b)

waarborgt de betaling van alle douanerechten en andere toepasselijke heffingen;

c)

waarborgt dat de goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, en verstrekt of stelt passende registers van die naleving beschikbaar en houdt deze bij;

d)

stelt de douaneautoriteiten in kennis van alle informatie over verdachte overbrengingen of niet-toegestane behandelingen van goederen waarvan de exporteur op de hoogte is;

e)

komt elke andere verplichting die de douanewetgeving aan de exporteur oplegt, na.

2.   De exporteur is gevestigd in het douanegebied van de Unie.

Deze eis is niet van toepassing op een exporteur die:

a)

goederen onder de regeling douanevervoer plaatst, de regeling tijdelijke invoer aanzuivert of goederen uit tijdelijke opslag wederuitvoert;

b)

goederen overlaadt in of rechtstreeks wederuitvoert uit een vrije zone;

c)

incidenteel goederen onder een douaneregeling plaatst of wederuitvoert, voor zover de douaneautoriteiten deze plaatsingen of wederuitvoer gerechtvaardigd achten;

d)

gevestigd is in een land waarvan het grondgebied grenst aan het douanegebied van de Unie, en die de goederen aanbrengt bij een douanekantoor in de Unie dat grenst aan dat land, op voorwaarde dat het land waarin de exporteur gevestigd is die wederzijdse voordelen verleent aan personen die in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd, of

e)

wordt vertegenwoordigd door een in het douanegebied van de Unie gevestigde indirecte vertegenwoordiger.

HOOFDSTUK 4

Geautoriseerde marktdeelnemers en vertrouwde en gecontroleerde handelaren

Artikel 29

Aanvraag en vergunning voor de status van geautoriseerde marktdeelnemers

1.   Een marktdeelnemer die in het douanegebied van de Unie is gevestigd en aan de in artikel 30 gestelde criteria voldoet, kan de status van geautoriseerde marktdeelnemer aanvragen.

2.   De douaneautoriteiten verlenen, indien nodig na overleg met andere autoriteiten, de twee volgende soorten vergunningen of één daarvan:

a)

die voor een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen, op grond waarvan de houder in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigingen overeenkomstig de douanewetgeving, of

b)

die van geautoriseerde marktdeelnemer voor veiligheid en beveiliging, op grond waarvan de houder in aanmerking komt voor faciliterende maatregelen op het gebied van veiligheid en beveiliging.

3.   Een marktdeelnemer als bedoeld in lid 1 kan tegelijkertijd houder zijn van beide in lid 2 bedoelde soorten vergunningen.

4.   Een geautoriseerde marktdeelnemer voldoet aan de in artikel 9, leden 2 en 3, vastgelegde verplichtingen. De douaneautoriteiten zien erop toe of een geautoriseerde marktdeelnemer overeenkomstig artikel 9, lid 4, blijft voldoen aan de relevante criteria en verplichtingen.

Ten minste om de drie jaar verrichten de douaneautoriteiten een grondige controle, met inbegrip van een bezoek ter plaatse, van de activiteiten en de interne registers van de geautoriseerde marktdeelnemer.

5.   De status van geautoriseerde marktdeelnemer wordt, met inachtneming van lid 6 van dit artikel en van artikel 30, erkend door de douaneautoriteiten in alle lidstaten.

6.   De douaneautoriteiten verlenen, op grond van de erkenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer en mits is voldaan aan de eisen voor een bepaalde vorm van vereenvoudiging waarin de douanewetgeving voorziet, toestemming aan de marktdeelnemer om gebruik te maken van die vereenvoudiging. De criteria die reeds onderzocht zijn bij de verlening van de status van geautoriseerde marktdeelnemer, worden niet opnieuw door de douaneautoriteiten onderzocht.

7.   Een geautoriseerde marktdeelnemer geniet op het gebied van douanecontroles meer faciliterende maatregelen dan andere marktdeelnemers. De status van geautoriseerde marktdeelnemer wordt bij het douanerisicobeheer in positieve zin in aanmerking genomen.

8.   De douaneautoriteiten verlenen voordelen die voortvloeien uit de status van geautoriseerde marktdeelnemer voor veiligheid en beveiliging, aan personen die in derde landen gevestigd zijn en aan de criteria en verplichtingen van de desbetreffende wetgeving van de betrokken landen voldoen, voor zover die criteria en verplichtingen door de Unie erkend worden als gelijkwaardig met die welke gelden voor geautoriseerde marktdeelnemers die in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn. Het verlenen van die voordelen is gebaseerd op het wederkerigheidsbeginsel, tenzij de Unie anders beslist, en gebaseerd op een internationale overeenkomst waarbij de Unie partij is, of een rechtshandeling van de Unie op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid.

9.   Als onderdeel van de in artikel 227 vastgelegde protocollen en procedures voor crisisbeheersing ontwikkelt de EU-douaneautoriteit een bedrijfscontinuïteitsmechanisme om te reageren op verstoringen van de handelsstromen als gevolg van een verhoogd veiligheidsalarmniveau, grenssluitingen, natuurrampen, gevaarlijke noodsituaties of andere ernstige incidenten. Het bedrijfscontinuïteitsmechanisme biedt de douaneautoriteiten de mogelijkheid om prioritaire vracht van geautoriseerde marktdeelnemers, in de mate van het mogelijke, vlotter en sneller af te handelen.

10.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen om daarin het volgende nader te bepalen:

a)

de in lid 6 van dit artikel bedoelde vereenvoudigingen;

b)

de in lid 7 van dit artikel bedoelde faciliterende maatregelen.

11.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor het overleg over de vaststelling van de status van geautoriseerde marktdeelnemer als bedoeld in lid 2 van dit artikel, met inbegrip van de antwoordtermijnen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 30

Toekenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer

1.   Voor de toekenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer gelden de volgende criteria:

a)

de aanvrager heeft geen strafblad met zware misdrijven in verband met economische of zakelijke activiteiten en heeft geen ernstige of herhaalde overtredingen begaan in verband met die activiteiten en met betrekking tot:

i)

de douanewetgeving en belastingvoorschriften;

ii)

andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, wanneer de douaneautoriteit die bevoegd is om de status van geautoriseerde marktdeelnemer te verlenen, op de hoogte is van die overtredingen of misdrijven;

b)

de aanvrager bewijst dat hij:

i)

zijn verrichtingen en de goederenstroom goed onder controle heeft dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende douanecontroles mogelijk maakt;

ii)

beschikt over toereikende procedures voor het werken met licenties, vergunningen en vereisten uit hoofde van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, met inbegrip van wetgeving inzake productveiligheid, en dat alle gevallen van niet-naleving doeltreffend zijn verholpen;

iii)

ervoor zorgt dat de betrokken personeelsleden de instructie krijgen de douaneautoriteiten op beveiligde wijze op de hoogte te brengen van nalevingsproblemen, verdachte overbrengingen of niet-toegestane behandelingen van goederen waarvan zij weet hebben, en

iv)

over procedures beschikt om de douaneautoriteiten in kennis te stellen van de in punt iii) bedoelde gevallen;

c)

de aanvrager is financieel solvabel, hetgeen geacht wordt het geval te zijn als de aanvrager over de toereikende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de kenmerken van het type zakelijke activiteiten in kwestie;

d)

de aanvrager beschikt wat de in artikel 29, lid 2, punt a), bedoelde vergunning betreft, over praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de aard en de omvang van de verrichte activiteit;

e)

de aanvrager beschikt, met betrekking tot de in artikel 29, lid 2, punt b), bedoelde vergunning, over passende veiligheids-, beveiligings- en nalevingsnormen die zijn aangepast aan de aard en de omvang van de verrichte activiteit, hetgeen geacht wordt het geval te zijn als de aanvrager aantoont dat hij passende maatregelen toepast om de veiligheid en beveiliging van de internationale toeleveringsketen te waarborgen, onder meer op het gebied van fysieke integriteit en toegangscontroles, logistieke processen en de verwerking van specifieke soorten goederen, personeel en de identificatie van zijn zakenpartners.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met nadere bepalingen inzake de toepassing van de in lid 1 van dit artikel genoemde criteria. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 31

Toekenning van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar

1.   Een importeur, exporteur of indirecte vertegenwoordiger die gevestigd is in het douanegebied van de Unie, die aan de criteria van lid 3 voldoet en die gedurende ten minste twee jaar regelmatig douaneoperaties heeft verricht in het kader van zijn bedrijfsvoering, kan bij de douaneautoriteit van de lidstaat van vestiging de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar aanvragen.

2.   De douaneautoriteiten verlenen de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar nadat zij, indien nodig, overleg hebben gepleegd met andere douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten en nadat zij toegang hebben gehad tot de relevante gegevens van de aanvrager van de afgelopen drie jaar om na te gaan of aan de criteria van lid 3 is voldaan.

3.   Voor de toekenning van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar gelden de volgende criteria:

a)

de aanvrager heeft geen strafblad met zware misdrijven in verband met economische of zakelijke activiteiten en heeft geen ernstige of herhaalde overtredingen begaan in verband met die activiteiten en met betrekking tot:

i)

de douanewetgeving en belastingvoorschriften;

ii)

andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, wanneer de douaneautoriteit die bevoegd is om de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar te verlenen, op de hoogte is van die overtredingen of misdrijven;

b)

de aanvrager bewijst dat hij:

i)

zijn verrichtingen en de goederenstroom goed onder controle heeft dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende douanecontroles mogelijk maakt;

ii)

beschikt over toereikende procedures voor het werken met licenties, vergunningen en vereisten uit hoofde van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, met inbegrip van wetgeving inzake productveiligheid, en dat alle gevallen van niet-naleving doeltreffend zijn verholpen;

iii)

ervoor zorgt dat de betrokken personeelsleden de instructie krijgen de douaneautoriteiten op beveiligde wijze op de hoogte te brengen van nalevingsproblemen, verdachte overbrengingen of niet-toegestane behandelingen van goederen waarvan zij weet hebben, en

iv)

over procedures beschikt om de douaneautoriteiten in kennis te stellen van de in punt iii) bedoelde gevallen;

c)

de aanvrager is financieel solvabel, hetgeen geacht wordt het geval te zijn wanneer de aanvrager over de toereikende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de kenmerken van het type zakelijke activiteiten in kwestie, en waarbij er met name op wordt gelet dat de aanvrager in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft voldaan aan zijn financiële verplichtingen in verband met de betaling van douanerechten en alle andere rechten, belastingen of heffingen die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven, daaronder begrepen de btw en de accijns die is verschuldigd op intra-Unieverrichtingen;

d)

de aanvrager beschikt over praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de aard en de omvang van de verrichte activiteit, onder meer inzake de interactie via de EU-douanedatahub;

e)

de aanvrager beschikt over passende veiligheids-, beveiligings- en nalevingsnormen, onder meer op het gebied van productveiligheid, die zijn aangepast aan de aard en de omvang van de verrichte activiteit, hetgeen geacht wordt het geval te zijn als de aanvrager aantoont dat hij passende maatregelen toepast om de veiligheid en beveiliging van de internationale toeleveringsketen te waarborgen, onder meer op het gebied van fysieke integriteit en toegangscontroles, logistieke processen en de verwerking van specifieke soorten goederen, personeel en de identificatie van zijn zakenpartners;

f)

de aanvrager beschikt over een elektronisch systeem dat gegevens over de overbrenging van de goederen en de naleving van alle daarop toepasselijke vereisten, onder meer op het gebied van veiligheid en beveiliging, binnen een tijdspanne die zo dicht mogelijk bij realtime ligt als technisch haalbaar is, verstrekt of beschikbaar stelt aan de douaneautoriteiten, en, in voorkomend geval, via de EU-douanedatahub de volgende zaken ter beschikking stelt van de douaneautoriteiten:

i)

de douaneadministratie, waaronder de gegevens die nodig zijn om te controleren of de douaneschulden op correcte wijze worden vastgesteld;

ii)

het gebruikte boekhoudsysteem;

iii)

de handels- en vervoersadministratie;

iv)

het tracking- en logistiek systeem, dat een onderscheid maakt tussen Unie- en niet-Uniegoederen en, in voorkomend geval, de locatie van de goederen aangeeft;

v)

de licenties en vergunningen die zijn verleend overeenkomstig andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

g)

in het geval van een aanvrager die een importeur is voor afstandsverkopen, is de aanvrager geregistreerd en maakt hij al ten minste twee jaar op passende wijze gebruik van de IOSS-regeling.

4.   Vertrouwde en gecontroleerde handelaren voldoen aan de in artikel 9, leden 2 en 3, vastgestelde verplichtingen. De douaneautoriteiten zien erop toe of handelaren overeenkomstig artikel 9, lid 4, blijven voldoen aan de relevante criteria en verplichtingen.

Ten minste om de twee jaar verrichten de douaneautoriteiten een grondige controle, met inbegrip van een bezoek ter plaatse, van de activiteiten en de interne registers van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar, met name om na te gaan hoe de procedures om aan de in lid 3 van dit artikel bedoelde criteria te voldoen, in de praktijk worden toegepast. De vertrouwde en gecontroleerde handelaar stelt de douaneautoriteiten in kennis van elke wijziging in zijn bedrijfsstructuur, eigendom, solvabiliteit, handelsmodellen of andere belangrijke wijzigingen in zijn situatie en activiteiten. De douaneautoriteiten herbeoordelen de status van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar wanneer een van die wijzigingen aanzienlijke gevolgen heeft voor de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar. De douaneautoriteiten kunnen de status van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar schorsen totdat een besluit over de herbeoordeling is genomen.

5.   Wanneer een vertrouwde en gecontroleerde handelaar zijn lidstaat van vestiging wijzigt, stelt die vertrouwde en gecontroleerde handelaar de douaneautoriteiten van de ontvangende lidstaat in kennis van alle wijzigingen in zijn bedrijfsstructuur, eigendom, solvabiliteit of handelsmodellen of andere belangrijke wijzigingen in zijn situatie en activiteiten indien die gevolgen zouden kunnen hebben voor de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar.

De douaneautoriteiten van de ontvangende lidstaat herbeoordelen de status van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar, in overleg met de douaneautoriteiten van de lidstaat die deze status oorspronkelijk heeft verleend of later heeft herbeoordeeld. Tijdens die herbeoordeling kan de douaneautoriteit van de ontvangende lidstaat de status van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar schorsen. Deze schorsing wordt opgenomen in de EU-douanedatahub.

6.   Indien dit gerechtvaardigd is op basis van aanwijzingen van niet-naleving door de vertrouwde en gecontroleerde handelaar, kan de EU-douaneautoriteit, in samenwerking met de betrokken bevoegde douaneautoriteiten, de naleving van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar door een specifieke marktdeelnemer verifiëren.

Het resultaat van de in de eerste alinea bedoelde verificatie wordt meegedeeld aan de Commissie en aan de betrokken bevoegde douaneautoriteiten. Op basis van het resultaat van de verificatie kan de EU-douaneautoriteit de bevoegde douaneautoriteit aanbevelen de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar te schorsen of in te trekken.

De bevoegde douaneautoriteit stelt de EU-douaneautoriteit en de Commissie zonder onnodige vertraging in kennis van de maatregelen die op basis van de aanbeveling van de EU-douaneautoriteit zijn genomen.

Indien de bevoegde douaneautoriteit de in de derde alinea bedoelde informatie niet verstrekt of indien de op basis van de aanbeveling van de EU-douaneautoriteit genomen maatregel als bedoeld in die alinea ontoereikend is, kan de Commissie middels een uitvoeringshandeling per geval een besluit vaststellen waarbij de lidstaat die de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar heeft verleend, wordt verzocht die status te schorsen of in te trekken binnen de in het desbetreffende besluit vastgelegde termijn. Een dergelijke schorsing of intrekking wordt opgenomen in de EU-douanedatahub.

7.   Wanneer een vertrouwde en gecontroleerde handelaar betrokken is bij frauduleuze activiteiten in verband met zijn economische of zakelijke activiteiten of wanneer de douaneautoriteiten kennis krijgen van door een vertrouwde en gecontroleerde handelaar begane overtredingen van andere wetgeving die op grond van artikel 27, lid 2, punt c), door de douaneautoriteiten wordt toegepast, schorsen de douaneautoriteiten de status van die vertrouwde en gecontroleerde handelaar. Die schorsing wordt opgenomen in de EU-douanedatahub.

8.   De douaneautoriteiten staan vertrouwde en gecontroleerde handelaren toe gebruik te maken van één of meer van de volgende vereenvoudigingen, afhankelijk van hun economische activiteiten:

a)

een deel van de gegevens over hun goederen verstrekken of beschikbaar stellen na de vrijgave van die goederen, overeenkomstig artikel 74, lid 5;

b)

bepaalde controles verrichten en de goederen vrijgeven bij ontvangst van deze goederen op de plaats van vestiging van de importeur, de eigenaar of de geadresseerde, of bij verzending vanaf de plaats van vestiging van de exporteur, de eigenaar of de afzender, overeenkomstig artikel 78, leden 1 en 3;

c)

ervan uitgaan dat de handelaar de nodige waarborgen biedt voor de goede afhandeling van de verrichtingen met het oog op tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 108, lid 2, of op het verkrijgen van een vergunning voor een bijzondere regeling, overeenkomstig artikel 125, lid 4, artikel 126 en artikel 133, lid 2;

d)

periodiek de douaneschuld vaststellen die overeenkomt met het totale bedrag aan invoer- of uitvoerrechten voor alle door die handelaar vrijgegeven goederen, overeenkomstig artikel 205, lid 5;

e)

de betaling van de douaneschuld uitstellen, overeenkomstig artikel 212, lid 2;

f)

in afwijking van artikel 134 goederen verplaatsen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten zonder dat zij onder de regeling douanevervoer moeten worden geplaatst, indien de goederen onder een tariefschorsingsregeling vallen en onder douanetoezicht staan tot hun eindbestemming in de Unie.

9.   De douaneautoriteiten stellen alles in het werk om hun praktijken bij het verlenen van vergunningen als bedoeld in lid 8 af te stemmen op die van andere douaneautoriteiten teneinde een uniforme aanpak in de hele Unie te waarborgen.

10.   Een vertrouwde en gecontroleerde handelaar geniet op het gebied van douanecontroles meer faciliterende maatregelen dan andere marktdeelnemers. De status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar wordt bij het douanerisicobeheer in positieve zin in aanmerking genomen.

11.   Als onderdeel van de in artikel 227 vastgelegde protocollen en procedures voor crisisbeheersing ontwikkelt de EU-douaneautoriteit een bedrijfscontinuïteitsmechanisme om te reageren op verstoringen van de handelsstromen als gevolg van een verhoogd veiligheidsalarmniveau, grenssluitingen, natuurrampen, gevaarlijke noodsituaties of andere ernstige incidenten. Het bedrijfscontinuïteitsmechanisme biedt de douaneautoriteiten de mogelijkheid om prioritaire vracht van vertrouwde en gecontroleerde handelaren, in de mate van het mogelijke, vlotter en sneller af te handelen.

12.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van:

a)

de regels voor het overleg met andere bevoegde autoriteiten voor de vaststelling van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar als bedoeld in lid 2 van dit artikel, met inbegrip van de antwoordtermijnen;

b)

de nadere bepalingen inzake de toepassing van de in lid 3 van dit artikel genoemde criteria;

c)

de in lid 4 van dit artikel bedoelde soorten controlemaatregelen;

d)

regels inzake het overleg met de douaneautoriteiten als bedoeld in lid 5 van dit artikel;

e)

de regels voor de herbeoordeling van de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar als bedoeld in lid 5 van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 32

Wijziging van de status van geautoriseerde marktdeelnemer en vertrouwde en gecontroleerde handelaar

1.   De douaneautoriteiten houden rekening met de specifieke kenmerken van marktdeelnemers, met name die van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, wanneer zij beoordelen of zij voldoen aan de criteria om de status van geautoriseerde marktdeelnemer en vertrouwde en gecontroleerde handelaar te krijgen.

2.   De Commissie stelt richtsnoeren vast om micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te helpen gebruik te maken van de status van geautoriseerde marktdeelnemer en vertrouwde en gecontroleerde handelaar.

HOOFDSTUK 5

Vertegenwoordiging bij de douane

Artikel 33

Douanevertegenwoordigers

1.   Iedereen kan een douanevertegenwoordiger aanwijzen.

De vertegenwoordiging kan direct zijn, in welk geval de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect, in welk geval de douanevertegenwoordiger in eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt.

2.   Een indirecte douanevertegenwoordiger die in eigen naam maar voor rekening van een in het douanegebied van de Unie gevestigde importeur of exporteur handelt, is hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk met die importeur voor de toepassing van artikel 27, lid 2, of met die exporteur voor de toepassing van artikel 28, lid 1.

3.   Een indirecte douanevertegenwoordiger die in eigen naam maar voor rekening van een niet in het douanegebied van de Unie gevestigde importeur of exporteur handelt, wordt geacht de importeur te zijn voor de toepassing van artikel 27, lid 2, of de exporteur voor de toepassing van artikel 28, lid 1.

4.   De douanevertegenwoordiger is gevestigd in het douanegebied van de Unie.

Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, is de douanevertegenwoordiger ontheven van die verplichting indien hij of zij handelt voor rekening van personen die niet verplicht zijn om in het douanegebied van de Unie gevestigd te zijn.

5.   Een douanevertegenwoordiger met de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar wordt alleen erkend als vertrouwde en gecontroleerde handelaar wanneer hij of zij als indirecte vertegenwoordiger handelt.

Een douanevertegenwoordiger met de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar die als directe vertegenwoordiger optreedt, moet:

a)

als vertrouwde en gecontroleerde handelaar worden erkend als aan de persoon in wiens naam en voor wiens rekening die vertegenwoordiger optreedt, deze status is verleend;

b)

de voordelen van de status van geautoriseerde marktdeelnemer genieten indien de persoon in wiens naam en voor wiens rekening die vertegenwoordiger optreedt, niet de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar bezit.

6.   Een douanevertegenwoordiger met de status van geautoriseerde marktdeelnemer wordt erkend als geautoriseerde marktdeelnemer wanneer hij of zij als directe of indirecte vertegenwoordiger optreedt.

7.   Alleen een douanevertegenwoordiger met de status van geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of een douanevertegenwoordiger met de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar heeft recht op één of beide van de volgende rechten:

a)

het recht om dergelijke diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar hij of zij is gevestigd;

b)

het recht om via afstandsverkopen verkochte goederen onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen te plaatsen.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door te bepalen in welke specifieke gevallen de in lid 4, tweede alinea, van dit artikel bedoelde ontheffing niet van toepassing is.

Artikel 34

Vertegenwoordigingsbevoegdheid

1.   Een douanevertegenwoordiger verklaart in zijn of haar contact met de douaneautoriteiten dat hij of zij voor rekening van de vertegenwoordigde persoon handelt, en geeft aan of het een directe dan wel indirecte vertegenwoordiging betreft.

Personen die niet verklaren te handelen als douanevertegenwoordiger of die verklaren als douanevertegenwoordiger te handelen zonder dat zij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten, worden geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.

2.   De douaneautoriteiten kunnen van personen die verklaren als douanevertegenwoordiger te handelen, verlangen dat zij bewijs leveren dat de vertegenwoordigde persoon hun die bevoegdheid heeft verleend.

3.   De douaneautoriteiten leggen als douanevertegenwoordiger handelende personen die regelmatig handelingen en formaliteiten verrichten, niet de verplichting op om iedere keer een bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid over te leggen. Niettemin zijn die personen te allen tijde in staat dat bewijsmateriaal over te leggen indien de douaneautoriteiten daarom verzoeken.

TITEL III

EU-DOUANEDATAHUB

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 35

Oprichting van de EU-douanedatahub

Bij deze verordening wordt de EU-douanedatahub opgericht.

Artikel 36

Doelstellingen van de EU-douanedatahub

De EU-douanedatahub voorziet in een beveiligd en cyberweerbaar gecentraliseerd IT-platform dat fungeert als centrale hub voor gegevensuitwisseling met en tussen douaneautoriteiten.

Artikel 37

Digitale soevereiniteit

1.   Bij het ontwerp van de EU-douanedatahub wordt ervoor gezorgd dat de in die hub beschikbare gegevens worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang en andere bedreigingen voor de integriteit en beveiliging ervan, hetgeen in het algemeen belang is.

De infrastructuur van de EU-douanedatahub, met uitzondering van de infrastructuur voor telecommunicatietransmissie, wordt uitsluitend gecontroleerd en beheerd door de Commissie of de EU-douaneautoriteit en bevindt zich op het grondgebied van de Unie.

2.   Leveranciers en andere dienstverleners, en hun onderaannemers, die taken uitvoeren in verband met de ontwikkeling, de hosting, de exploitatie en het onderhoud van de EU-douanedatahub en de daarmee verband houdende gegevensverwerking in die hub zijn betrouwbaar, beveiligd en vrij van invloed van overheden van derde landen en zijn direct noch indirect onderworpen aan wetgeving, met inbegrip van uitvoeringsbevelen, van een derde land op grond waarvan de openbaarmaking van gegevens in de EU-douanedatahub aan autoriteiten van dat land kan worden vereist. Zij zorgen ook voor de betrouwbaarheid, beveiliging en onafhankelijkheid van de EU-douanedatahub.

Die leveranciers en andere dienstverleners, en hun onderaannemers, zijn legaal in de Unie gevestigd en staan direct noch indirect onder zeggenschap van een onderneming uit een derde land zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad (36).

Voor kritieke diensten, met inbegrip van gegevensgerelateerde activiteiten, kan de aanbestedende dienst eisen dat de leverancier, andere dienstverlener of onderaannemer over een veiligheidsmachtiging beschikt.

3.   De aanbestedende dienst voor de EU-douanedatahub kan te allen tijde van inschrijvers, leveranciers en andere dienstverleners en hun onderaannemers verlangen dat zij bewijs leveren van de maatregelen die zij hebben genomen om ongeoorloofde openbaarmaking van gegevens van de EU-douanedatahub te voorkomen, met inbegrip van documenten waaruit blijkt dat zij voldoen aan de verplichtingen van lid 2 met betrekking tot onafhankelijkheid en niet-openbaarmaking, en dat zij aantonen dat zij betrouwbaar, beveiligd en vrij van invloed van overheden van derde landen zijn.

4.   De beveiliging van de toeleveringsketen van alle IT-componenten, hardware en software wordt zoveel mogelijk gewaarborgd. De aanbestedende dienst voor de EU-douanedatahub kan van leveranciers en andere dienstverleners, en van hun onderaannemers, verlangen dat zij hiervan bewijs leveren.

5.   Wanneer de aanbestedende dienst voor de EU-douanedatahub redenen heeft om aan te nemen dat de door inschrijvers, leveranciers en andere dienstverleners, of hun onderaannemers, genomen maatregelen om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van de leden 2, 3 en 4 ontoereikend zijn, of dat de door hen uit hoofde van dit artikel verstrekte bewijsstukken niet volledig betrouwbaar zijn, kan hij in het kader van de desbetreffende overeenkomst of aanbestedingsprocedure alle maatregelen nemen die hij nodig acht om de situatie te verhelpen, met inbegrip van een gedeeltelijke of volledige schorsing of beëindiging van de overeenkomst of een uitsluiting van de aanbestedingsprocedure. Dit doet geen afbreuk aan eventuele andere aanvullende rechtsmiddelen waarin wordt voorzien door:

a)

de aanbestedende dienst voor de EU-douanedatahub in de desbetreffende overeenkomst, of

b)

het Unierecht of het nationale recht.

6.   Tenzij anders bepaald in titel III of XIII of in een internationale overeenkomst waaraan de Unie gebonden is, worden in de EU-douanedatahub verwerkte gegevens niet doorgegeven aan of ter beschikking gesteld van een derde land, een internationale organisatie of buiten het grondgebied van de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersonen.

7.   Bij het ontwerp van de EU-douanedatahub wordt alles in het werk gesteld om precommerciële, commerciële, technische, contractuele en organisatorische belemmeringen te voorkomen die de doorgifte of overzetting van gegevens, toepassingen of digitale activa door de aanbestedende dienst aan een andere dienstverlener of het gebruik ervan in een interoperabele omgeving ontmoedigen, belemmeren of verhinderen.

HOOFDSTUK 2

Technische aspecten, functionaliteiten, kenmerken en toepassing van de EU-douanedatahub

Artikel 38

Functionaliteiten en kenmerken van de EU-douanedatahub

1.   De EU-douanedatahub bestaat uit een verzameling elektronische diensten, toepassingen, gegevens en infrastructuur voor de verwerking en opslag van gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens, voor de in artikel 41 genoemde doeleinden.

2.   De EU-douanedatahub wordt ontwikkeld om ervoor te zorgen dat de bepalingen van de Verordeningen (EU) 2016/679 en (EU) 2018/1725, Verordening (EU) 2023/2841 van het Europees Parlement en de Raad (37) en Richtlijn (EU) 2016/680 in verband met de verwerking van persoonsgegevens correct kunnen worden toegepast.

3.   De EU-douanedatahub beschikt over de volgende functionaliteiten:

a)

de elektronische toepassing van douanewetgeving mogelijk maken en bijdragen tot de uitvoering van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, met name douaneformaliteiten, douanecontroles, de berekening en mededeling van de douaneschuld en de afhandelingsvergoeding van de Unie, btw en accijnzen bij invoer, beheer van de zekerheidsstelling;

b)

waarborgen van de kwaliteit, integriteit, beveiliging, bewaring, traceerbaarheid, vertrouwelijkheid en onweerlegbaarheid van de in de EU-douanedatahub verwerkte gegevens, met inbegrip van de toepassing van de regels voor de wijziging, ongeldigmaking en verwijdering van die gegevens;

c)

mogelijk maken en waarborgen van risicoanalyses, economische analyses en gegevensanalyses, douanevereenvoudigingen en handelsfacilitaties, onder meer door het gebruik van artificiële-intelligentiesystemen overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1689;

d)

interoperabiliteit mogelijk maken met andere elektronische systemen, platforms of omgevingen ten behoeve van de samenwerking overeenkomstig titel XIII van deze verordening;

e)

interoperabiliteit mogelijk maken met het Europees maritiem éénloketsysteem voor de toegang tot en het vervullen van de douaneformaliteiten die zijn opgenomen in de bijlage bij Verordening (EU) 2019/1239 van het Europees Parlement en de Raad (38);

f)

integratie van het bij artikel 4 van Verordening (EU) 2022/2399 opgerichte douane-éénloketsysteem van de Europese Unie voor de uitwisseling van certificaten (EU-CSW-CERTEX) om interoperabiliteit met de in die verordening bedoelde niet-douanesystemen en -formaliteiten van de Unie mogelijk te maken;

g)

ervoor zorgen dat informatie kan worden uitgewisseld met derde landen en andere autoriteiten en instanties overeenkomstig titel XIII van deze verordening;

h)

douanesurveillance op goederen mogelijk maken;

i)

rapportagemogelijkheden bieden, met inbegrip van de mogelijkheid om in of uit te voeren goederen te rapporteren die niet in overeenstemming zijn met de Uniewetgeving die door de douaneautoriteiten wordt toegepast;

j)

integratie van capaciteiten op het gebied van informatiebeveiligingsbeheer, een governancegericht kader dat is ontworpen om datalekken te voorkomen door gegevens te beschermen tegen verlies, manipulatie of ongeoorloofde toegang, onder meer door middel van een mechanisme voor het taggen van gegevens op basis van het vertrouwelijkheidsniveau ervan;

k)

de overzetbaarheid van gegevens van de EU-douanedatahub naar nationale systemen mogelijk maken;

l)

een centraal toegangspunt en meertalige interfaces bieden;

m)

hergebruik van gegevens zo veel mogelijk toestaan;

n)

faciliteren van de noodzakelijke interoperabiliteit met de systemen van de lidstaten voor identiteitsbeheer en machtiging tot toegang tot de EU-douanedatahub.

4.   Handelingen die worden verricht door personen, de Commissie, de douaneautoriteiten, de EU-douaneautoriteit of andere autoriteiten die de in lid 3 genoemde functionaliteiten gebruiken, blijven handelingen van die personen en autoriteiten, zelfs als die handelingen geautomatiseerd zijn.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)

tot wijziging van lid 3 van dit artikel in verband met de daarin bedoelde functionaliteiten teneinde rekening te houden met nieuwe taken die bij Unierecht aan de in artikel 41 van deze verordening bedoelde autoriteiten zijn toegewezen, of om die functionaliteiten aan te passen aan de veranderende behoeften van die autoriteiten bij de uitvoering van de douanewetgeving of andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

b)

om deze verordening aan te vullen door te bepalen welke gegevens van de EU-douanedatahub naar nationale systemen kunnen worden overgezet als bedoeld in lid 3, punt k), van dit artikel.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van:

a)

de technische regelingen voor het onderhoud en het gebruik van de elektronische systemen die de lidstaten en de Commissie hebben ontwikkeld op grond van artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013, rekening houdend met de bepalingen van Verordening (EU) 2022/2399 met betrekking tot Verordening (EU) 2023/2841 en tot Richtlijn (EU) 2022/2555, met inbegrip van de richtsnoeren van het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging (Enisa);

b)

een werkprogramma voor de geleidelijke uitfasering van de in punt a) van dit lid bedoelde systemen en de geleidelijke invoering van de EU-douanedatahub, die zo moet worden ontworpen dat een naadloze transitie wordt gewaarborgd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 39

Testfase van de EU-douanedatahub

1.   Vóór 1 maart 2034 kan de Commissie een testfase opzetten om de functionaliteiten van de EU-douanedatahub te testen (de “testfase”). Deelname aan de testfase gebeurt op vrijwillige basis.

2.   De Commissie werkt tijdens de planning en organisatie van de testfase samen met de EU-douaneautoriteit, douaneautoriteiten en andere autoriteiten en relevante belanghebbenden.

3.   Voor de toepassing van lid 1 maakt de Commissie de volgende informatie bekend:

a)

de technische regelingen voor de planning en organisatie van de testfase;

b)

de functionaliteiten van de EU-douanedatahub die tijdens de testfase moeten worden gebruikt en getest;

c)

de exacte duur van de testfase.

Artikel 40

Nationale toepassingen ter aanvulling van de EU-douanedatahub

1.   De lidstaten kunnen het volgende ontwikkelen:

a)

toepassingen die nodig zijn om verbinding te maken met de EU-douanedatahub om gegevens te verstrekken aan de EU-douanedatahub en gegevens van die hub te verwerken, voor zover die toepassingen nog niet bestaan;

b)

aanvullende toepassingen binnen de EU-douanedatahub, in coördinatie met de EU-douaneautoriteit of de Commissie.

2.   De lidstaten kunnen de EU-douaneautoriteit verzoeken de in lid 1 bedoelde toepassingen te ontwikkelen. In voorkomend geval coördineert de EU-douaneautoriteit de medefinanciering van die ontwikkeling tussen de lidstaten. Indien in haar begroting passende financiering en middelen beschikbaar zijn, kan die ontwikkeling gedeeltelijk door de EU-douaneautoriteit worden gefinancierd.

3.   Wanneer de EU-douaneautoriteit overeenkomstig lid 2 een toepassing ontwikkelt:

a)

wordt de toepassing kosteloos ter beschikking gesteld van alle medefinancierende lidstaten en wordt deze, indien alle medefinancierende lidstaten daarmee instemmen, ook kosteloos ter beschikking gesteld van andere lidstaten;

b)

worden de verdere ontwikkeling en het onderhoud van die toepassing beheerd op basis van een nieuwe medefinancieringsovereenkomst.

HOOFDSTUK 3

Gegevens

Artikel 41

Doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens in de EU-douanedatahub

1.   Personen mogen in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens verwerken, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, voor zover het gegevens betreft die zij hebben doorgegeven of die namens hen zijn doorgegeven of die gericht zijn aan of bestemd zijn voor hen. Een persoon verwerkt gegevens uitsluitend om:

a)

zijn of haar rechten uit te oefenen of te voldoen aan zijn of haar verplichtingen uit hoofde van de douanewetgeving of andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, daaronder begrepen het bepalen van de aansprakelijkheid van een persoon voor rechten, vergoedingen en belastingen die in de Unie verschuldigd zijn, en

b)

aan te tonen dat hij of zij de douanewetgeving en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving naleeft.

2.   Een douaneautoriteit mag in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de volgende doeleinden, en overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in een op grond van lid 12 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling:

a)

om haar taken uit te voeren met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de douanewetgeving of andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, daaronder begrepen het bepalen van de aansprakelijkheid van een persoon voor rechten, vergoedingen en belastingen die in de Unie verschuldigd zijn;

b)

om haar taken met betrekking tot controles en risicobeheer als bepaald in titel IV te vervullen;

c)

om de taken uit te voeren die nodig zijn voor de samenwerking onder de voorwaarden van titel XIII.

Om de doeltreffendheid van douanecontroles te waarborgen, mogen alle douaneautoriteiten de uit een douanecontrole voortvloeiende gegevens ontvangen en verwerken wanneer niet-conforme goederen zijn ontdekt.

3.   De EU-douaneautoriteit kan in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de volgende doeleinden:

a)

het vervullen van haar taken als bepaald in de artikelen 42 en 43;

b)

het vervullen van haar taken met betrekking tot controles en douanerisicobeheer als bepaald in titel IV, hoofdstuk 2;

c)

het vervullen van haar taken als bepaald in titel XI, en titel XII, hoofdstuk 2;

d)

het vervullen van de taken die relevant zijn voor samenwerking onder de voorwaarden van titel XIII.

4.   De Commissie kan in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de volgende doeleinden:

a)

het vervullen van haar taken met betrekking tot controles en risicobeheer als bepaald in titel IV, hoofdstuk 2;

b)

het vervullen van haar taken met betrekking tot de tariefindeling, de oorsprong en de waarde van goederen alsook de douanesurveillance op die goederen overeenkomstig de titels I en IX;

c)

het vervullen van haar taken met betrekking tot beperkende maatregelen en crisisbeheer overeenkomstig titel XI;

d)

het vervullen van haar taken met betrekking tot de EU-douaneautoriteit overeenkomstig titel XII;

e)

het vervullen van de taken die relevant zijn voor samenwerking onder de voorwaarden van titel XIII;

f)

het beoordelen en evalueren van de werking van de douane-unie overeenkomstig titel XV, hoofdstuk 1;

g)

het toezien op de uitvoering en het waarborgen van de uniforme toepassing van de douanewetgeving of andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, daaronder begrepen het verifiëren van de aansprakelijkheid van een persoon voor rechten, vergoedingen en belastingen die in de Unie verschuldigd zijn;

h)

het ontwikkelen, opstellen en verspreiden van officiële Europese statistieken en andere analyses als bepaald in rechtshandelingen van de Unie waarvoor de gegevens in de EU-douanedatahub noodzakelijk zijn;

i)

in voorkomend geval, het bijdragen aan de uitvoering van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, overeenkomstig het in die wetgeving omschreven toepassingsgebied en doel.

5.   Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn activiteiten in verband met douaneaangelegenheden op grond van artikel 1 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (EG) nr. 515/97, en onder de in die verordeningen vastgestelde voorwaarden inzake gegevensbescherming.

6.   De belastingautoriteiten van de lidstaten kunnen in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is om te bepalen of een persoon aansprakelijk is voor accijnzen, vergoedingen en belastingen die in de Unie verschuldigd zijn in verband met de betrokken goederen en met inachtneming van de regels die zijn vastgelegd in een op grond van lid 12 vastgestelde uitvoeringshandeling.

7.   De nationale statistische instanties van de lidstaten kunnen in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling, opstelling en verspreiding van officiële Europese en nationale statistieken, en met inachtneming van de regels die zijn vastgelegd in een op grond van lid 12 vastgestelde uitvoeringshandeling.

8.   De bevoegde autoriteiten zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van Verordening (EU) 2017/625 kunnen in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de handhaving van rechtshandelingen van de Unie inzake het in de handel brengen of de veiligheid van levensmiddelen, diervoeders en planten en voor de samenwerking met douaneautoriteiten om het risico dat niet-conforme producten de Unie binnenkomen, tot een minimum te beperken, en met inachtneming van de regels die zijn vastgelegd in een op grond van lid 12 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling.

9.   De door de lidstaten overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen markttoezichtautoriteiten kunnen in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, uitsluitend verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de handhaving van rechtshandelingen van de Unie inzake het in de handel brengen of de veiligheid van producten en voor de samenwerking met douaneautoriteiten om het risico dat niet-conforme producten de Unie binnenkomen, tot een minimum te beperken, en overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in een op grond van lid 12 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling.

10.   Tot en met 28 februari 2034 kunnen de Commissie, OLAF en, zodra deze is opgericht, de EU-douaneautoriteit gegevens uit de bestaande elektronische systemen voor de uitwisseling van informatie die door de Commissie en de lidstaten op grond van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn ontwikkeld, met inbegrip van persoonsgegevens, verwerken, doch uitsluitend voor de in de leden 3, 4 en 5 van dit artikel genoemde doeleinden.

11.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de leden 2, 3 en 4 van dit artikel om de daarin vastgelegde doelstellingen te verduidelijken en aan te vullen in het licht van de veranderende behoeften van de douaneautoriteiten, de EU-douaneautoriteit en de Commissie bij de uitvoering van de douanewetgeving of andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

12.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met regels en nadere bepalingen inzake de verwerking van gegevens in de EU-douanedatahub door de in de leden 2 en 6 tot en met 9 bedoelde autoriteiten. Bij de vaststelling van die regels en nadere bepalingen geldt dat de Commissie voor elke autoriteit of categorie van autoriteiten:

a)

de bestaande waarborgen die door de betrokken autoriteit of categorie autoriteiten worden toegepast, beoordeelt om te garanderen dat de gegevens uitsluitend voor het beoogde doel worden verwerkt;

b)

de evenredigheid en de noodzaak van de verwerking ten opzichte van het beoogde doel waarborgt;

c)

bepaalt welke specifieke categorieën gegevens de autoriteit kan verwerken;

d)

van de in de leden 6 tot en met 9 bedoelde autoriteiten verlangt dat zij, indien nodig, voorzien in een specifiek contactpunt of aanvullende waarborgen;

e)

beoordeelt of verdere uitwisseling van de betrokken gegevens moet worden beperkt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 42

Recht van het Europees Openbaar Ministerie om gegevens te verkrijgen die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub

1.   Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) verkrijgt op verzoek in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taken op grond van artikel 4 van Verordening (EU) 2017/1939 en overeenkomstig de nadere bepalingen die zijn vastgelegd in een op grond van lid 4 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling.

2.   Het EOM stuurt de in lid 1 bedoelde verzoeken naar de EU-douaneautoriteit. De douaneautoriteiten worden automatisch in kennis gesteld van dergelijke verzoeken.

De EU-douaneautoriteit verstrekt de relevante gegevens onverwijld aan het EOM. De EU-douaneautoriteit deelt de betrokken douaneautoriteiten mee of zij aan het verzoek heeft voldaan.

3.   De EU-douanedatahub voorziet in een digitale interface waarmee het EOM gemakkelijk en zonder vertraging gegevens kan opvragen en verkrijgen.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de nadere bepalingen inzake het opvragen en verkrijgen van in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, door het EOM, waarin zij met name:

a)

de nadere bepalingen vastlegt voor verzoeken van het EOM om gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens of commercieel gevoelige gegevens, die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub;

b)

de procedure vaststelt om na te gaan of die verzoeken in overeenstemming zijn met lid 1 van dit artikel, onverminderd de vertrouwelijkheid van onderzoeken van het EOM;

c)

in voorkomend geval, bepaalt of de EU-douaneautoriteit een specifiek contactpunt, een specifieke contactpersoon of specifieke contactpersonen moet aanwijzen;

d)

in voorkomend geval, tegemoetkomt aan de behoefte aan aanvullende waarborgen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 43

Recht van Europol en Frontex om gegevens te verkrijgen die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub

1.   Het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) kan op verzoek in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens verkrijgen, met inbegrip van persoonsgegevens en commercieel gevoelige gegevens, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taken overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) 2016/794, mits deze taken verband houden met douaneaangelegenheden en overeenkomstig de in een op grond van lid 8 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling vastgelegde regels.

2.   Het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) kan, op verzoek, niet-persoonsgebonden gegevens of geaggregeerde gegevens die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub verkrijgen, voor zover dat nodig is voor risicoanalyse en operationele coördinatie in verband met grensbeheeractiviteiten die tot zijn mandaat als bedoeld in Verordening (EU) 2019/1896 behoren.

3.   Alle verzoeken als bedoeld in lid 1 of lid 2 worden ingediend bij de EU-douaneautoriteit. De verzoeker van de gegevens deelt de redenen voor het verzoek mee en ziet erop toe dat het verzoek binnen het toepassingsgebied valt van het op de verzoeker toepasselijke rechtskader.

4.   De EU-douaneautoriteit verwerkt het in lid 1 of lid 2 bedoelde verzoek om gegevens en gaat na of het overeenkomstig dit artikel is ingediend. De EU-douaneautoriteit verifieert ook, in samenwerking met de betrokken nationale centrale eenheid of, indien aangewezen door de betrokken lidstaat, een verbindingsfunctionaris, of de douaneautoriteit in kwestie bezwaar heeft gemaakt tegen de doorgifte van die gegevens aan de verzoeker op een van de gronden die zijn vastgelegd in de in lid 8 bedoelde uitvoeringshandeling en overeenkomstig de daarin vastgelegde procedure.

5.   Uit hoofde van dit artikel worden uitsluitend gegevens uitgewisseld die noodzakelijk zijn voor de in het verzoek vermelde doeleinden. De EU-douaneautoriteit stelt die gegevens onverwijld beschikbaar via de EU-douanedatahub.

6.   Alle onder dit artikel vallende organen, agentschappen of instanties van de Unie zien erop toe dat de gevraagde gegevens noodzakelijk, passend en evenredig zijn. De betrokken organen, agentschappen of instanties van de Unie zorgen er ook voor dat de gegevens worden gebruikt met inachtneming van de waarborgen waarin de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie voorzien.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om dit artikel te wijzigen teneinde andere dan de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde organen, agentschappen en instanties van de Unie in staat te stellen in de EU-douanedatahub beschikbare gegevens op te vragen en te verkrijgen overeenkomstig de regels van de leden 3 tot en met 6 van dit artikel, voor zover dat nodig is voor de uitvoering van hun taken uit hoofde van het Unierecht en voor zover die taken verband houden met andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

8.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van:

a)

de nadere bepalingen inzake het opvragen en verkrijgen van gegevens door de onder dit artikel vallende organen, agentschappen en instanties van de Unie;

b)

de procedure voor de in lid 4 van dit artikel bedoelde verificatie, met name door het specificeren van:

i)

de wijze waarop kan worden bepaald welke douaneautoriteiten bij de gegevens zijn betrokken;

ii)

de werkwijze in situaties waarin meerdere douaneautoriteiten bij die gegevens zijn betrokken;

iii)

de gronden waarop de bij de gegevens betrokken douaneautoriteiten bezwaar kunnen maken tegen de doorgifte van de gegevens, onder meer rekening houdend met de gevoeligheid van de opgevraagde gegevens;

c)

beperkingen op en van de aansprakelijkheid voor de verdere doorgifte van de gegevens door de verzoeker;

d)

in voorkomend geval, de noodzaak voor de verzoeker om een specifiek contactpunt, een specifieke contactpersoon of specifieke contactpersonen aan te wijzen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 44

Persoonsgegevens in de EU-douanedatahub

1.   De persoonsgegevens van de volgende categorieën betrokkenen kunnen in de EU-douanedatahub worden verwerkt, doch uitsluitend en voor zover noodzakelijk voor de in artikel 41 genoemde doeleinden:

a)

betrokkenen die zijn geregistreerd of die een aanvraag tot registratie hebben ingediend overeenkomstig artikel 26, lid 1, 3 of 4;

b)

andere dan de in punt a) van dit lid bedoelde betrokkenen die incidenteel betrokken zijn bij activiteiten die onder de douanewetgeving of andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving vallen, of wier persoonsgegevens zijn opgenomen in de gegevens die op grond van artikel 55, lid 3, punt a), voor risicobeheerdoeleinden zijn verzameld;

c)

betrokkenen wier persoonsgegevens zijn opgenomen in de in artikel 76 bedoelde bewijsstukken of in enig aanvullend bewijs dat nodig is om aan de door de douanewetgeving opgelegde verplichtingen en andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving te voldoen;

d)

gemachtigde medewerkers van douaneautoriteiten, van andere bevoegde autoriteiten of van enige andere betrokken autoriteit of gemachtigde instantie, wier persoonsgegevens noodzakelijk zijn om passende controle en toezicht op de toegang tot de gegevens in de EU-douanedatahub te waarborgen;

e)

medewerkers of gemachtigde derden die werkzaam zijn namens de Commissie, de EU-douaneautoriteit of andere organen of instanties van de Unie die gemachtigd zijn om toegang te krijgen tot de EU-douanedatahub.

2.   De volgende categorieën persoonsgegevens kunnen overeenkomstig artikel 41 in de EU-douanedatahub worden verwerkt:

a)

persoonsgegevens in het in artikel 49 bedoelde EU-model voor douanegegevens en die welke op grond van artikel 55, lid 3, punt a), zijn verzameld voor risicobeheerdoeleinden, namelijk:

i)

identificatiegegevens;

ii)

contactgegevens, namelijk adres en elektronische contactgegevens;

iii)

gegevens betreffende het identiteitsdocument (ID);

iv)

financiële en betalingsgegevens;

v)

locatie- en vervoersgegevens;

vi)

arbeids- of functiegegevens;

vii)

in volmachten of de bijbehorende bewijsstukken opgenomen gegevens;

viii)

gegevens over werknemers;

ix)

elektronische identificatiegegevens;

x)

gegevens over de douanevertegenwoordiging;

xi)

identificatiegegevens van de douanevertegenwoordiger;

xii)

gegevens over douanetransacties;

xiii)

technische gegevens van de gebruiker;

xiv)

gegevens over inbreuken en strafbare feiten;

xv)

gegevens over controleresultaten en mitigatieresultaten;

b)

persoonsgegevens die nodig zijn om een correcte identificatie te waarborgen van de in lid 1, punten d) en e), van dit artikel bedoelde medewerkers die gemachtigd zijn om gegevens in de EU-douanedatahub te verwerken, namelijk:

i)

identificatiegegevens;

ii)

contactgegevens, namelijk adres en elektronische contactgegevens;

iii)

gegevens betreffende het identiteitsdocument (ID);

iv)

arbeids- of functiegegevens;

v)

in volmachten of de bijbehorende bewijsstukken opgenomen gegevens;

vi)

gegevens over werknemers;

vii)

elektronische identificatiegegevens;

viii)

technische gegevens van de gebruiker.

Artikel 45

Bewaartermijn van persoonsgegevens in de EU-douanedatahub

1.   Persoonsgegevens in de EU-douanedatahub mogen niet langer worden opgeslagen dan nodig is voor de verwerking ervan, en mogen in geen geval langer worden opgeslagen dan tien jaar vanaf de datum waarop zij in de EU-douanedatahub zijn geregistreerd. In de in artikel 68 bedoelde gevallen en in verband met door OLAF, het EOM of de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ingestelde onderzoeken, door de Commissie ingeleide inbreukprocedures en administratieve en gerechtelijke procedures met betrekking tot persoonsgegevens van de in artikel 44, lid 2, punten a) en b), bedoelde categorieën, mogen die gegevens langer dan tien jaar worden bewaard indien dat nodig is voor die onderzoeken of procedures.

2.   Na het verstrijken van de in lid 1 vastgelegde termijn worden persoonsgegevens, zoals aangewezen in de specifieke situatie, gewist of geanonimiseerd.

3.   De verwerkingsverantwoordelijke of de gezamenlijke gegevensverwerkingsverantwoordelijke van de desbetreffende verwerking voert periodieke evaluaties uit van de in de EU-douanedatahub opgeslagen gegevens om ervoor te zorgen dat persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan nodig is.

Artikel 46

Rollen en verantwoordelijkheden voor in de EU-douanedatahub verwerkte persoonsgegevens

1.   De douaneautoriteiten van de lidstaten, de Commissie en de EU-douaneautoriteit worden beschouwd als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens in de EU-douanedatahub met het oog op risicobeheer en samenwerking, als bedoeld in artikel 41, lid 2, punten b) en c), artikel 41, lid 3, punten b) en d), en artikel 41, lid 4, punten a) en e).

2.   Elke douaneautoriteit apart wordt beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de persoonsgegevens die zij verwerkt voor de in artikel 41, lid 2, punt a), genoemde doeleinden. Wanneer twee of meer douaneautoriteiten voor gezamenlijke doeleinden en met gezamenlijke middelen betrokken zijn bij de uitvoering van de in artikel 41, lid 2, punt a), bedoelde taken, worden zij als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken beschouwd.

3.   De Commissie wordt beschouwd als enige verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de persoonsgegevens die zij verwerkt voor de in artikel 41, lid 4, punten c), d), f) en g), genoemde doeleinden.

4.   Tot en met 28 februari 2034 worden de Commissie, OLAF en de EU-douaneautoriteit elk beschouwd als enige verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die zij verwerken uit hoofde van artikel 41, lid 10.

5.   De in lid 1 bedoelde gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken:

a)

werken samen om de verzoeken van betrokkenen tijdig te verwerken en de uitoefening van rechten door betrokkenen te vergemakkelijken;

b)

staan elkaar bij in aangelegenheden die betrekking hebben op de vaststelling en afhandeling van gegevensinbreuken in verband met de gezamenlijke verwerking;

c)

wisselen de relevante informatie uit die nodig is om betrokkenen te informeren op grond van hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening (EU) 2016/679, hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening (EU) 2018/1725, en hoofdstuk III van Richtlijn (EU) 2016/680, indien van toepassing;

d)

waarborgen en bewaken de beveiliging, integriteit, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de gezamenlijk verwerkte persoonsgegevens op grond van artikel 32 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 33 van Verordening (EU) 2018/1725 en artikel 25 van Richtlijn (EU) 2016/680, indien van toepassing.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de rol van elk van de in lid 1 bedoelde gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en hun verhouding met de betrokkenen, in overeenstemming met artikel 26 van Verordening (EU) 2016/679 en artikel 28 van Verordening (EU) 2018/1725. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 283, lid 4, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 47

Beperking van de rechten van betrokkenen

1.   Indien de uitoefening, door een betrokkene, van het recht van inzage en het recht op beperking van de verwerking als bedoeld in de artikelen 15 en 18 van Verordening (EU) 2016/679 en de artikelen 17 en 20 van Verordening (EU) 2018/1725, of de mededeling van een gegevensinbreuk als bedoeld in artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 en artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725, een lopend douaneonderzoek naar een natuurlijke persoon, de uitvoering van douanecontroles of het beheer van een vastgesteld specifiek douanerisico met betrekking tot een natuurlijke persoon in gevaar zou brengen, kunnen die rechten geheel of gedeeltelijk worden beperkt zolang de beperking noodzakelijk en evenredig is. Die beperking wordt opgelegd:

a)

door de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 23, lid 1, punten c), e), f) en h), van Verordening (EU) 2016/679, of

b)

door de Commissie en de EU-douaneautoriteit overeenkomstig artikel 25, lid 1, punten a), c), e), en g), van Verordening (EU) 2018/1725.

2.   De douaneautoriteiten, de Commissie en de EU-douaneautoriteit beoordelen de noodzaak en de evenredigheid van de in lid 1 bedoelde beperkingen per geval voordat deze worden toegepast, rekening houdend met de potentiële risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkene.

3.   Bij de verwerking van persoonsgegevens die zij in het kader van hun taakuitoefening van andere organisaties ontvangen, raadplegen de douaneautoriteiten, de EU-douaneautoriteit of de Commissie, indien zij als verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke optreden, voordat zij een in lid 1 bedoelde beperking van de rechten toepassen, die organisaties over de mogelijke redenen voor die beperking en over de noodzaak en de evenredigheid ervan.

4.   Indien de douaneautoriteiten, de Commissie of de EU-douaneautoriteit de in lid 1 bedoelde rechten geheel of gedeeltelijk beperken, nemen zij de volgende maatregelen:

a)

in hun antwoord op het verzoek informeren zij de betrokkene over de toegepaste beperking en de redenen daarvoor, en over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten of de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of om beroep in te stellen bij een nationale rechtbank of het Hof van Justitie van de Europese Unie, en

b)

zij leggen de redenen voor de beperking vast, inclusief een beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de beperking, alsook de redenen waarom het verlenen van toegang het risicobeheer en de douanecontroles in gevaar zou brengen.

De verstrekking van de in de eerste alinea, punt a), van dit lid bedoelde informatie kan worden uitgesteld, achterwege worden gelaten of worden geweigerd overeenkomstig artikel 25, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725 dan wel indien de verstrekking van die informatie afbreuk zou doen aan het doel van de beperking.

5.   De douaneautoriteiten, de Commissie of de EU-douaneautoriteit nemen in de op hun website of intranet gepubliceerde informatie over gegevensbescherming een onderdeel op met algemene informatie voor betrokkenen over de mogelijke beperking van hun rechten.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met waarborgen ter voorkoming van misbruik van, onrechtmatige toegang tot of doorgifte van persoonsgegevens ten aanzien waarvan beperkingen gelden of zouden kunnen worden toegepast. Dergelijke waarborgen bepalen onder meer de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren, bepalen de procedurele stappen die met betrekking tot dergelijke beperkingen moeten worden gevolgd, specificeren wat onder passend toezicht op beperkingen wordt verstaan, en voorzien in de periodieke evaluatie van de toepassing ervan, die ten minste elke zes maanden moet plaatsvinden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 48

Gecoördineerd toezicht door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de nationale toezichthoudende autoriteiten

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de nationale toezichthoudende autoriteiten werken, binnen hun eigen bevoegdheden en in het kader van hun eigen verantwoordelijkheden, actief samen om te zorgen voor gecoördineerd toezicht op de werking van de EU-douanedatahub overeenkomstig artikel 62 van Verordening (EU) 2018/1725.

Artikel 49

EU-model voor douanegegevens

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast door de vereiste gegevens voor de verwezenlijking van de in artikel 41, leden 1 tot en met 4, bedoelde doeleinden te specificeren. Deze gegevensvereisten vormen het EU-model voor douanegegevens.

Artikel 50

Technische middelen voor samenwerking

1.   De Commissie, de EU-douaneautoriteit en de douaneautoriteiten maken gebruik van de EU-douanedatahub bij de uitwisseling van gegevens met de in artikel 41, leden 6 tot en met 9, en de artikelen 42 en 43 bedoelde autoriteiten en organen of instanties van de Unie voor de samenwerking uit hoofde van deze verordening.

2.   Bij gebruik van de EU-douanedatahub door marktdeelnemers om aan de douaneformaliteiten op grond van deze verordening te voldoen, worden in de EU-douanedatahub de in artikel 8, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) 2022/2399 bedoelde functionaliteiten geboden.

3.   Bij gebruik van elektronische middelen die zijn vastgesteld bij of worden gebruikt ter verwezenlijking van de doelstellingen van, of waarnaar wordt verwezen in wetgevingshandelingen van de Unie, door andere autoriteiten dan de douaneautoriteiten of instellingen, organen of instanties van de Unie, kan de samenwerking in het kader van deze verordening plaatsvinden door de interoperabiliteit van die elektronische middelen met de EU-douanedatahub.

4.   Indien andere autoriteiten dan de douaneautoriteiten geen gebruikmaken van elektronische middelen die zijn vastgesteld bij of worden gebruikt ter verwezenlijking van de doelstellingen van, of waarnaar wordt verwezen in wetgevingshandelingen van de Unie, kunnen zij gebruikmaken van de specifieke diensten en systemen van de EU-douanedatahub, overeenkomstig artikel 41.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de technische regelingen voor interoperabiliteit en verbinding op grond van de leden 3 en 4 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 4

Overige bepalingen

Artikel 51

Ontwikkeling, beheer en onderhoud van de EU-douanedatahub

1.   De Commissie ontwikkelt, beheert en onderhoudt de EU-douanedatahub.

2.   Na de lidstaten te hebben geraadpleegd, kan de Commissie de ontwikkeling, het beheer en het onderhoud van de EU-douanedatahub toevertrouwen aan de EU-douaneautoriteit, rekening houdend met de vraag of de EU-douaneautoriteit in staat is die taken uit te voeren.

3.   De ontwikkeling, het beheer en het onderhoud van de EU-douanedatahub omvat:

a)

de vaststelling van technische specificaties voor de verwerking van gegevens in de EU-douanedatahub;

b)

de vaststelling van een kader voor gegevenskwaliteit;

c)

de implementatie van de in artikel 38, lid 3, bedoelde functionaliteiten van de EU-douanedatahub, met uitzondering van onderhoud en updates in overeenstemming met de toepasselijke nationale bepalingen inzake btw en accijns, hetgeen door de lidstaten moet worden gedaan;

d)

de beschikbaarstelling van algemene richtsnoeren voor het gebruik van de EU-douanedatahub;

e)

de oprichting van een openbaar contactpunt dat bijstand verleent aan gebruikers van de EU-douanedatahub, onder meer bij veiligheidsdreigingen;

f)

de vaststelling van maatregelen om de bedrijfscontinuïteit van de EU-douanedatahub te waarborgen.

Artikel 52

Bedrijfscontinuïteit

1.   De Commissie en de EU-douaneautoriteit zorgen ervoor dat de EU-douanedatahub beschikt over bedrijfscontinuïteitsmaatregelen, waaronder, indien nodig, redundantie, failovermechanismen en protocollen voor gegevensherstel, zodat de EU-douanedatahub zelfs in geval van een ernstige crisis kan functioneren of over voldoende vangnetprocedures beschikt. De infrastructuurlocaties van de EU-douanedatahub worden geografisch verspreid om de werking ervan te waarborgen indien één van de locaties uitvalt.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de in lid 1 van dit artikel bedoelde vangnetprocedures. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 53

Afwijkingen

In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden kan de Commissie op verzoek van één of meer lidstaten een uitvoeringshandeling in de vorm van een besluit vaststellen om die lidstaat of lidstaten te machtigen andere functioneel gelijkwaardige elektronische diensten of systemen te gebruiken dan die welke in de EU-douanedatahub worden geïmplementeerd, of gebruik te maken van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor de in de EU-douanedatahub geïmplementeerde functionaliteiten.

Een uitvoeringshandeling als bedoeld in de eerste alinea:

a)

heeft geen gevolgen voor de werking van de EU-douanedatahub en de volledigheid van de opgeslagen gegevens, tenzij andere technieken dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt;

b)

wordt gerechtvaardigd door de specifieke situatie van de verzoekende lidstaat of lidstaten;

c)

is van beperkte duur, wordt periodiek herzien en wordt ingetrokken indien deze niet langer gerechtvaardigd is;

d)

wordt alleen vastgesteld indien dit geen gevolgen heeft voor de uitwisseling van informatie tussen de verzoekende lidstaat of lidstaten en andere lidstaten en de EU-douaneautoriteit of voor de uitwisseling en opslag van informatie in andere lidstaten met het oog op de toepassing van de douanewetgeving;

e)

leidt niet tot de permanente uitsluiting van de verzoekende lidstaat of lidstaten van het gebruik van de EU-douanedatahub;

f)

kan op verzoek van de betrokken lidstaat of lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen worden verlengd.

TITEL IV

DOUANETOEZICHT, RISICOBEHEER EN DOUANECONTROLES

HOOFDSTUK 1

Douanetoezicht

Artikel 54

Douanetoezicht

1.   In het douanegebied van de Unie binnen te brengen goederen kunnen worden onderworpen aan risicobeperkende maatregelen die met name gebaseerd zijn op de met betrekking tot die goederen verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens.

2.   Goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, worden vanaf het moment van binnenkomst aan douanetoezicht onderworpen.

3.   Goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, blijven aan douanetoezicht onderworpen:

a)

in het geval van niet-Uniegoederen, totdat zij een andere douanestatus krijgen of totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten of vernietigd zijn;

b)

in het geval van Uniegoederen, totdat hun douanestatus is bevestigd, tenzij zij onder de regeling bijzondere bestemming worden geplaatst.

4.   Uniegoederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, blijven aan douanetoezicht onderworpen:

a)

indien de goederen geschikt zijn voor herhaald gebruik, gedurende een termijn van maximaal twee jaar na de datum van hun eerste gebruik voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de toekenning van de vrijstelling van rechten of van het verlaagde recht;

b)

totdat de goederen zijn gebruikt voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de toekenning van de vrijstelling van rechten of van het verlaagde recht;

c)

totdat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, zijn vernietigd of zijn afgestaan aan de staat;

d)

totdat de goederen zijn gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn vastgesteld voor de toekenning van de vrijstelling van rechten of het verlaagde recht, en de toepasselijke invoerrechten zijn betaald.

5.   Uniegoederen die onder de regeling uitvoer of passieve veredeling zijn geplaatst, blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat zij het douanegebied van de Unie verlaten, worden afgestaan aan de staat of worden vernietigd, of totdat de douaneaangifte of relevante gegevens over de regeling uitvoer of passieve verdeling ongeldig worden gemaakt.

6.   Uniegoederen die onder de regeling intern douaneverkeer zijn geplaatst, blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat de douaneautoriteiten de regeling overeenkomstig artikel 129, lid 2, aanzuiveren.

7.   Zonder toestemming van de douaneautoriteiten worden goederen niet aan het douanetoezicht onttrokken.

8.   De houder van goederen onder douanetoezicht kan, met toestemming van de douaneautoriteiten, op elk tijdstip de goederen onderzoeken of daarvan monsters nemen, met name om de tariefindeling, douanewaarde of douanestatus te bepalen.

HOOFDSTUK 2

Douanerisicobeheer

Artikel 55

Algemene beginselen

1.   De EU-douaneautoriteit, de Commissie en de douaneautoriteiten bepalen, op basis van risicobeheer en in de eerste plaats op basis van geautomatiseerde risicoanalyse, en overeenkomstig hun in dit hoofdstuk vastgelegde rol, of goederen, personen, marktdeelnemers, vervoersmiddelen en toeleveringsketens aan risicobeperkende maatregelen zullen worden onderworpen, en zo ja, waar en wanneer die risicobeperkende maatregelen zullen plaatsvinden.

2.   De Commissie, de EU-douaneautoriteit en de douaneautoriteiten maken gebruik van douanerisicobeheer om een onderscheid te maken tussen de niveaus van alle soorten risico’s die verbonden zijn aan goederen, personen, marktdeelnemers, vervoersmiddelen en toeleveringsketens overeenkomstig dit hoofdstuk.

3.   Douanerisicobeheer omvat ten minste de volgende activiteiten, die in voorkomend geval op cyclische basis worden georganiseerd:

a)

het verzamelen, verwerken, uitwisselen en analyseren van relevante gegevens die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub, alsook gegevens uit andere bronnen, met inbegrip van bronnen die in het nationale recht of het Unierecht zijn vastgelegd, alsook van andere autoriteiten dan douaneautoriteiten;

b)

het in kaart brengen, analyseren, beoordelen of voorspellen van risico’s, onder meer op basis van statistische en voorspellende methoden en steekproefcontroles;

c)

het ontwikkelen van de nodige maatregelen voor het beheer van risico’s, met inbegrip van de vaststelling van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden, gemeenschappelijke risicocriteria en -normen en toezichtstrategieën;

d)

het voorschrijven en uitvoeren van maatregelen, met inbegrip van het selecteren van passende risicobeperkende maatregelen;

e)

het verzamelen van feedback over de uitvoering van risicobeheer- en controleactiviteiten;

f)

het monitoren en evalueren van risicobeheer- en controleactiviteiten met het oog op de verbetering ervan.

4.   Bij het nemen van besluiten met betrekking tot het in lid 2 bedoelde douanerisicobeheer, houden de douaneautoriteiten rekening met beschikbare informatie over de aan de douaneautoriteiten meegedeelde niet-naleving door een importeur, een exporteur of een importeur voor afstandsverkopen van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving. Met deze niet-naleving wordt rekening gehouden met het oog op het risicoprofiel van de desbetreffende importeur of exporteur.

Artikel 56

Rol van de Commissie

1.   Onverminderd de rol van de douaneautoriteiten op grond van artikel 58, lid 1, punt e), en artikel 63, kan de Commissie, rekening houdend met, indien beschikbaar, de resultaten van het proces op grond van artikel 232, lid 6, gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen vaststellen voor elk soort risico, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, risico’s in verband met financiële belangen.

2.   Naast de in lid 1 bedoelde acties kan de Commissie:

a)

beleidslijnen uitzetten voor de EU-douaneautoriteit met betrekking tot risicobeheerprojecten en toezichtstrategieën;

b)

de EU-douaneautoriteit verzoeken een periodieke of ad-hocevaluatie van de uitvoering van risicobeheeractiviteiten te verrichten;

c)

de EU-douaneautoriteit verzoeken een toezichtstrategie voor om het even welk risico op te stellen en ad-hocdreigingsbeoordelingen voor de douane te verrichten, naast de in artikel 57, lid 1, bedoelde dreigingsbeoordelingen.

3.   De Commissie kan, indien dit nodig is voor de in de leden 1 en 2 genoemde doeleinden, gegevens verwerken en analyseren die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub en uit andere bronnen, met inbegrip van bronnen die in het nationale recht of het Unierecht zijn vastgelegd, alsook van andere autoriteiten dan douaneautoriteiten.

Artikel 57

Rol van de EU-douaneautoriteit

1.   De EU-douaneautoriteit voert een periodieke dreigingsbeoordeling uit die als basis dient voor de in artikel 232, lid 6, bedoelde aanbevelingen.

2.   De EU-douaneautoriteit verricht risicobeheeractiviteiten op het niveau van de Unie, naar behoren rekening houdend met de in artikel 56, lid 2, punt a), bedoelde beleidslijnen en de mogelijke resultaten van het in artikel 232, lid 6, bedoelde proces. Voor de EU-douaneautoriteit geldt in het bijzonder dat zij:

a)

de Commissie input kan verstrekken voor de vaststelling van de in artikel 56, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen;

b)

de Commissie kan bijstaan bij het vaststellen van de in artikel 56, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen, rekening houdend met operationele kennis en technische deskundigheid op het gebied van risicobeheer;

c)

toezichtstrategieën ontwikkelt, in voorkomend geval met andere autoriteiten dan de douaneautoriteiten, en ad-hocdreigingsbeoordelingen voor de douane uitvoert als bedoeld in artikel 56, lid 2, punt c);

d)

relevante gegevens uitwisselt met de douaneautoriteiten en met andere autoriteiten voor de toepassing van deze titel, indien mogelijk via de EU-douanedatahub, overeenkomstig artikel 60;

e)

indien ze gevallen van fraude vaststelt of vermoedt, OLAF informeert en alle nodige informatie verstrekt met betrekking tot die gevallen; zij kan ook Europol informeren binnen de grenzen van het mandaat van Europol;

f)

operationele richtsnoeren ontwikkelt voor risicobeheeractiviteiten waarbij meer dan één douaneautoriteit betrokken is;

g)

een gemeenschappelijke risicoanalyse ontwikkelt en uitvoert, en risicoanalyseresultaten genereert en, indien een risico is geïdentificeerd, controleaanbevelingen en andere passende risicobeperkende maatregelen uitvaardigt aan de douaneautoriteiten, onder meer voor de toepassing van de gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en de gemeenschappelijke risicocriteria en -normen en voor de aanpak van crisissituaties, rekening houdend met de ernst van het risico en de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor de handelsstromen en de controlemiddelen van de afzonderlijke lidstaten;

h)

de Commissie input kan leveren voor de ontwikkeling van een kader inzake het “pas toe of leg uit”-beginsel dat van toepassing is op de controleaanbevelingen en waaraan de douaneautoriteiten zich moeten houden in het geval dat zij die controleaanbevelingen niet opvolgen;

i)

maatregelen neemt om het aantal controleaanbevelingen te beheren, rekening houdend met de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor de handelsstromen en de ernst van het risico, indien het vanwege de beperkte middelen van een betrokken douanekantoor niet haalbaar is de controleaanbevelingen op te volgen.

3.   De EU-douaneautoriteit kan, indien dit nodig is voor de in lid 2 genoemde doeleinden, gegevens verzamelen, verwerken en analyseren die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub, alsook gegevens uit andere bronnen, met inbegrip van bronnen die in het nationale recht of het Unierecht zijn vastgelegd, alsook van andere autoriteiten dan douaneautoriteiten.

4.   De EU-douaneautoriteit stelt de Commissie en de douaneautoriteiten indien nodig of op verzoek van de Commissie op ad-hocbasis in kennis van haar risicobeheeractiviteiten en de resultaten daarvan. In dit verband verstrekt de EU-douaneautoriteit de Commissie alle nodige informatie.

5.   Tot en met 30 juni 2028 kan de Commissie de in dit artikel bedoelde risicobeheerstaken van de EU-douaneautoriteit uitvoeren.

Artikel 58

Rol van de nationale douaneautoriteiten

1.   De douaneautoriteiten:

a)

verrichten nationale risicobeheeractiviteiten, met inbegrip van risicoanalyse, samenwerking en uitwisseling van informatie over risicobeheer met de betrokken nationale autoriteiten, en nemen risicobeperkende maatregelen;

b)

voeren nationale processen uit die nodig zijn voor de uitvoering van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen;

c)

stellen, in voorkomend geval, een nationale risicoanalyse op om de door de EU-douaneautoriteit of andere douaneautoriteiten gegenereerde risicosignalen, resultaten van risicoanalyses en controleaanbevelingen uit te voeren en nemen, indien nodig, passende risicobeperkende maatregelen;

d)

vaardigen controleaanbevelingen uit en wijzen de douaneautoriteiten van andere lidstaten op passende risicobeperkende maatregelen, rekening houdend met de in artikel 57, lid 2, punt f), bedoelde operationele richtsnoeren;

e)

nemen controlebesluiten;

f)

verrichten controles overeenkomstig hoofdstuk 2 en toepasselijke gemeenschappelijke risicocriteria en -normen;

g)

geven een toelichting aan de EU-douaneautoriteit in het geval dat een controleaanbeveling niet werd opgevolgd of geen risicobeperkende maatregel werd genomen.

2.   De douaneautoriteiten kunnen, indien dit nodig is voor de in lid 1 genoemde doeleinden, gegevens verzamelen, verwerken en analyseren die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub, alsook gegevens uit andere bronnen, met inbegrip van bronnen die in het nationale recht of het Unierecht zijn vastgelegd, alsook van andere autoriteiten dan douaneautoriteiten.

Artikel 59

Gemeenschappelijke risicocriteria en -normen

1.   De gemeenschappelijke risicocriteria en -normen omvatten:

a)

een omschrijving van de risico’s;

b)

de te gebruiken risicofactoren of -indicatoren om goederen of marktdeelnemers voor douanecontroles te selecteren;

c)

de aard van de door de douaneautoriteiten te verrichten douanecontroles;

d)

de toepassing van risicoanalyses en risicobeperkende maatregelen in de toeleveringsketen, met inbegrip van verzoeken om informatie of actie en instructies om niet te laden of te vervoeren, en

e)

de toepassingsduur van de in punt c) bedoelde douanecontroles.

2.   Bij de vaststelling van gemeenschappelijke risicocriteria en -normen houdt de Commissie rekening met al het volgende:

a)

de evenredigheid met het risico;

b)

de urgentie waarmee de controles moeten worden verricht;

c)

de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor het handelsverkeer en de controlemiddelen van de afzonderlijke lidstaten.

Artikel 60

Informatie die relevant is voor risicobeheer en -controles

1.   Alle risico-informatie en -signalen, resultaten van risicoanalyses, controleaanbevelingen, controlebesluiten, controleresultaten en andere relevante informatie worden geregistreerd in het operationele proces waarop zij betrekking hebben en in de EU-douanedatahub, ongeacht of zij op nationale of gemeenschappelijke risicoanalyse gebaseerd zijn, dan wel op willekeurige selectie gebaseerd zijn. De douaneautoriteiten delen risico-informatie met elkaar, met de EU-douaneautoriteit en met de Commissie.

2.   De douaneautoriteiten, de EU-douaneautoriteit en de Commissie hebben het recht de in lid 1 van dit artikel bedoelde elementen te verwerken overeenkomstig hun rol uit hoofde van de artikelen 56 tot en met 58 en artikel 61 en voortbouwend op hun respectieve rechten op toegang en verwerking van gegevens als vastgelegd in artikel 41.

3.   De EU-douaneautoriteit maakt waar mogelijk gebruik van de EU-douanedatahub voor het verzamelen van of het samenwerken met andere bronnen van gegevens, documenten of informatie die door de EU-douaneautoriteit, de Commissie of een douaneautoriteit als relevant voor het risicobeheer zijn aangemerkt. Indien een ander systeem dan de EU-douanedatahub wordt gebruikt, voldoet dat systeem aan dezelfde normen inzake gegevensveiligheid, -beveiliging en -integriteit als die welke in titel III zijn vastgelegd.

4.   Tot en met 30 juni 2028 voert de Commissie de in dit artikel bedoelde taken van de EU-douaneautoriteit uit.

Artikel 61

Evaluatie van douanerisicobeheer

1.   Ten minst elk jaar evalueert de Commissie, in samenwerking met de EU-douaneautoriteit en de douaneautoriteiten, de uitvoering van het risicobeheer teneinde de operationele en strategische doeltreffendheid en efficiëntie ervan voortdurend te verbeteren en publiceert zij niet-gevoelige informatie over die evaluatie. Daarnaast kan de Commissie evaluatieactiviteiten organiseren indien zij dat nodig acht, ook op permanente basis.

2.   Met het oog op de in lid 1 bedoelde evaluatie verzamelt en analyseert de EU-douaneautoriteit relevante informatie en verricht zij alle noodzakelijke activiteiten. De EU-douaneautoriteit kan hierbij één of meer lidstaten om periodieke of ad-hocverslagen verzoeken, tenzij die informatie kan worden geëxtraheerd uit de EU-douanedatahub.

3.   Met het oog op de in lid 1 bedoelde evaluatie, en om haar rol en verantwoordelijkheden uit hoofde van deze titel te vervullen, kan de Commissie alle relevante informatie die via de EU-douanedatahub beschikbaar is, verwerken en kan zij de EU-douaneautoriteit en de douaneautoriteiten om informatie verzoeken die niet beschikbaar is in de EU-douanedatahub.

4.   Bij de vaststelling van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen als bedoeld in artikel 56, lid 1, artikel 57, lid 2, punten a) en b), en artikel 59, houden de EU-douaneautoriteit en de Commissie in voorkomend geval rekening met de uit hoofde van dit artikel uitgevoerde evaluaties.

Artikel 62

Toekenning van uitvoeringsbevoegdheden

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met maatregelen om de geharmoniseerde toepassing van douanecontroles en risicobeheer te waarborgen, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en de vaststelling van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen als bedoeld in deze titel. Deze maatregelen omvatten:

a)

de informatie die in de EU-douanedatahub moet worden geregistreerd met betrekking tot risicobeheer en -controles, onder meer met betrekking tot risico-informatie, resultaten van risicoanalyses, risicobeperkende maatregelen, controleaanbevelingen, controlebesluiten, controleresultaten en het recht op toegang tot en verwerking van dergelijke informatie;

b)

procedurele maatregelen voor het tijdelijke gebruik van of de tijdelijke toegang tot bestaande douane-informatiesystemen;

c)

procedurele maatregelen voor het beheer van de interoperabiliteit tussen de EU-douanedatahub en andere systemen;

d)

procedurele maatregelen met betrekking tot de toepassing van de rapportageverplichting in het kader van controles na vrijgave en steekproefcontroles;

e)

regelingen voor samenwerking, met inbegrip van de uitwisseling van informatie, tussen de EU-douaneautoriteit en specifieke andere instellingen, organen en instanties van de Unie voor de toepassing van deze titel;

f)

de identificatie van de bevoegde douaneautoriteit in het geval van specifieke risicobeheerprocessen die betrekking hebben op meer dan één lidstaat;

g)

procedurele aspecten van controles, met inbegrip van controles na vrijgave, die betrekking hebben op meer dan één lidstaat, en de beschikbaarheid van de resultaten van monsters en andere controles voor de betrokken douaneautoriteiten;

h)

regelingen voor de uitwisseling van risico-informatie tussen douaneautoriteiten, de EU-douaneautoriteit en de Commissie;

i)

gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen als bedoeld in artikel 56, lid 1, artikel 57, lid 2, punten a) en b), en artikel 59, met inbegrip van nadere bepalingen inzake de urgente toepassing ervan, indien dit nodig is;

j)

het kader voor het “pas toe of leg uit”-beginsel in het geval dat een controleaanbeveling niet werd opgevolgd, als bedoeld in artikel 57, lid 2, punt h).

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen, met inbegrip van de nadere bepalingen inzake de urgente toepassing ervan om doeltreffend te kunnen reageren op crises of incidenten die een onmiddellijk veiligheids- of beveiligingsrisico kunnen vormen en in verband met de noodzaak om het gemeenschappelijk risicobeheer snel te actualiseren en de uitwisseling van informatie, gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen aan te passen aan de ontwikkeling van de risico’s, stelt de Commissie volgens de in artikel 283, lid 5, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

HOOFDSTUK 3

Douanecontroles

Artikel 63

Douanecontrole

1.   Onverminderd hoofdstuk 2 kunnen de douaneautoriteiten alle douanecontroles verrichten die zij nodig achten, met inbegrip van steekproefcontroles.

2.   Douanecontroles kunnen met name het volgende omvatten:

a)

onderzoek van goederen;

b)

monsterneming van goederen;

c)

verificatie van de echtheid, integriteit, juistheid en volledigheid van de door om het even welke persoon verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens;

d)

verificatie van het bestaan, echtheid, juistheid of geldigheid van documenten;

e)

onderzoek van de bedrijfsboekhouding, handelsadministratie en gegevensbronnen van marktdeelnemers;

f)

controle van vervoersmiddelen;

g)

controle van bagage en andere goederen die personen bij of op zich dragen;

h)

officieel onderzoek, en

i)

soortgelijke handelingen.

Indien nodig kunnen douanecontroles de verwerking van elektronische gegevens en de bron van de in de EU-douanedatahub verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens omvatten.

3.   Wanneer andere autoriteiten op dezelfde goederen andere controles dan douanecontroles moeten uitvoeren, werken de douaneautoriteiten nauw samen met die andere autoriteiten zodat die andere controles, waar mogelijk, op hetzelfde tijdstip en op dezelfde plaats als de douanecontroles kunnen worden uitgevoerd (het “one-stop-shopbeginsel”). Bij controles die op hetzelfde moment worden uitgevoerd als douanecontroles hebben de douaneautoriteiten de coördinerende rol.

4.   De douaneautoriteiten kunnen beslissen controles uit te voeren op een door hen aangewezen plaats.

Artikel 64

Verificatie van de verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens

1.   Zodra personen gegevens aan de douaneautoriteiten verstrekken of beschikbaar stellen, kunnen die autoriteiten, met het oog op de controle van de juistheid van deze gegevens:

a)

de gegevens en de bewijsstukken onderzoeken, waarbij zij ook door de marktdeelnemers gehouden of namens hen door dienstverleners opgeslagen gegevensbronnen kunnen inzien;

b)

vereisen dat andere documenten of gegevens worden verstrekt, met inbegrip van door de marktdeelnemers gehouden gegevens of namens hen door dienstverleners opgeslagen gegevens;

c)

toegang eisen tot de elektronische registers van de persoon;

d)

de goederen aan een onderzoek onderwerpen;

e)

monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met maatregelen voor de verificatie van de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 65

Onderzoek en monsterneming van goederen

1.   De douaneautoriteiten kunnen op ieder ogenblik eisen dat goederen worden gelost en uitgepakt teneinde deze te onderzoeken of te bemonsteren dan wel het vervoersmiddel in kwestie te controleren.

2.   Het vervoer van de goederen naar de plaats waar het onderzoek en de monsterneming dienen plaats te vinden, alsook alle handelingen die voor dit onderzoek of deze monsterneming noodzakelijk zijn, worden verricht door of onder de verantwoordelijkheid van de importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douanevervoer. De hieraan verbonden kosten komen ten laste van de importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer.

3.   De importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douanevervoer heeft het recht bij het onderzoek en de monsterneming van de goederen aanwezig te zijn of te worden vertegenwoordigd. Indien zij daartoe gegronde redenen hebben, kunnen de douaneautoriteiten eisen dat de importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douanevervoer bij het onderzoek of de monsterneming van de goederen aanwezig of vertegenwoordigd is dan wel dat hun de noodzakelijke bijstand wordt verleend om dit onderzoek of deze monsterneming te vergemakkelijken.

4.   Indien de monsterneming overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht plaatsvindt, geeft dit geen aanleiding tot enige vergoeding door de douaneautoriteiten, maar komen de kosten van analyse of controle hun wel ten laste.

5.   Indien slechts een gedeelte van de goederen wordt onderzocht of er monsters worden genomen, gelden de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek of van de analyse of het onderzoek van de monsters voor alle soortgelijke goederen in dezelfde zending.

De importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douanevervoer kunnen evenwel om een aanvullend onderzoek of aanvullende monsterneming van de goederen verzoeken indien zij van mening zijn dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek of van de analyse of het onderzoek van de genomen monsters niet voor de rest van de goederen in kwestie gelden. Dit verzoek wordt ingewilligd mits de goederen niet zijn vrijgegeven of, indien zij reeds zijn vrijgegeven, op voorwaarde dat de importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douaneverkeer aantoont dat zij op generlei wijze zijn gewijzigd.

Niettegenstaande de eerste en de tweede alinea kan de importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douanevervoer verzoeken om aanvullend onderzoek of aanvullende monsterneming op eigen kosten.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met maatregelen voor het onderzoek en de monsterneming van de goederen als bedoeld in dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 66

Resultaten van de verificatie

1.   De resultaten van de verificatie overeenkomstig artikel 64 van de door de importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douanevervoer verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens worden gebruikt voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst en van andere in de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen.

2.   De resultaten van de verificatie door de douaneautoriteiten hebben in het hele douanegebied van de Unie dezelfde bindende kracht.

3.   Indien de door de importeur, exporteur, vervoerder of houder van de regeling douanevervoer verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens niet worden geverifieerd, is lid 1 van toepassing op basis van die gegevens.

4.   Indien de douaneautoriteiten vaststellen dat een bepaald goed van een zending niet conform is of bepaalde goederen van een zending niet conform zijn, beoordelen zij of andere goederen in andere zendingen een vergelijkbaar risico inhouden overeenkomstig de criteria die worden vastgelegd in een op grond van lid 5 vastgestelde uitvoeringshandeling. In dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten de betrokken goederen als niet-conform beschouwen en risicobeperkende maatregelen nemen, in voorkomend geval in samenwerking met andere bevoegde autoriteiten, of weigeren de andere goederen vrij te geven op grond van artikel 77, lid 4.

Dit lid is niet van toepassing indien de importeur aantoont dat de niet geverifieerde goederen conform zijn.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met:

a)

maatregelen met betrekking tot de resultaten van de in dit artikel bedoelde verificatie, en

b)

de criteria waaronder de douaneautoriteiten de verificatieresultaten kunnen beschouwen als bewijs dat andere goederen een soortgelijk risico van niet-conformiteit als bedoeld in lid 4 van dit artikel inhouden.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 67

Identificatiemaatregelen

1.   De douaneautoriteiten of, in voorkomend geval, de marktdeelnemers die daartoe zijn gemachtigd door de douaneautoriteiten, nemen de nodige maatregelen om de goederen te identificeren, indien deze identificatie noodzakelijk is ter waarborging van de naleving van de bepalingen betreffende de douaneregeling in kwestie waaronder de goederen zullen worden geplaatst.

Die identificatiemaatregelen hebben in het gehele douanegebied van de Unie dezelfde rechtsgevolgen.

2.   De identificatiemiddelen die op de goederen, verpakkingen of vervoermiddelen zijn aangebracht, mogen alleen worden verwijderd of vernietigd door de douaneautoriteiten of door andere personen die door de douaneautoriteiten daartoe zijn gemachtigd, tenzij ten gevolge van onvoorziene omstandigheden of door overmacht het verwijderen of vernietigen van deze identificatiemiddelen absoluut noodzakelijk is om de goederen of de vervoersmiddelen te beschermen.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de maatregelen die de in dit artikel bedoelde identificatiemaatregelen vormen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 68

Controle na vrijgave

1.   Met het oog op douanecontroles kunnen de douaneautoriteiten, na vrijgave van de goederen:

a)

de juistheid en volledigheid van de verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens en het bestaan, echtheid, juistheid en geldigheid van bewijsstukken verifiëren;

b)

de boekhouding van de marktdeelnemer en andere registers betreffende de verrichtingen in verband met deze goederen en betreffende eerdere of latere handelstransacties met deze goederen onderzoeken;

c)

zo nodig overgaan tot onderzoek en monsterneming van de goederen, zolang zij daartoe nog de mogelijkheid hebben;

d)

toegang krijgen tot de systemen van marktdeelnemers om na te gaan of is voldaan aan de verplichting om gegevens te verstrekken of beschikbaar te stellen aan de EU-douanedatahub.

2.   De in lid 1 bedoelde controles kunnen worden verricht bij de importeur, exporteur, houder van de goederen, elke andere persoon die beroepshalve direct of indirect bij de verrichtingen in verband met deze goederen is betrokken of elke andere persoon die beroepshalve over de in dat lid bedoelde documenten en gegevens beschikt.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met maatregelen die van toepassing zijn op de in lid 1 van dit artikel bedoelde controles, onder meer indien de verrichtingen in meer dan één lidstaat plaatsvinden, en inzake de toepassing van passende methoden in het kader van dergelijke controles. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 69

Audits

1.   Met het oog op audits kunnen de douaneautoriteiten:

a)

het beheer, de organisatie, de interne procedures of de interne systemen van de marktdeelnemer, zoals de boekhouding en logistiek, onderzoeken om bewijsmateriaal over de naleving door de marktdeelnemer van de toepasselijke regels en vereisten die door de douaneautoriteiten worden toegepast, te verzamelen, te beoordelen en te verstrekken;

b)

de verrichtingen, processen, systemen en interne controles van de marktdeelnemers uitvoerig analyseren.

2.   De audits kunnen worden verricht bij de importeur, exporteur, houder van de goederen, elke andere persoon die beroepshalve direct of indirect bij die verrichtingen betrokken is of elke andere persoon die over voor de audit relevante documenten en gegevens beschikt.

Artikel 70

Vluchten en zeereizen binnen de Unie

1.   Alleen indien de douanewetgeving daarin voorziet, worden er douanecontroles of -formaliteiten verricht ten aanzien van de handbagage en de ruimbagage van personen op vluchten of zeereizen binnen de Unie.

2.   Lid 1 is van toepassing onverminderd:

a)

veiligheid en beveiliging;

b)

controles in verband met andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

3.   De Commissie stelt in uitvoeringshandelingen vast in welke havens of luchthavens douanecontroles en -formaliteiten worden verricht ten aanzien van:

a)

de handbagage en de ruimbagage van personen:

i)

aan boord van een luchtvaartuig dat, van een niet-Unieluchthaven komend, na een tussenstop in een Unieluchthaven, deze vlucht voortzet naar een andere Unieluchthaven;

ii)

aan boord van een luchtvaartuig dat een tussenstop maakt in een Unieluchthaven alvorens zijn vlucht naar een niet-Unieluchthaven voort te zetten;

iii)

die gebruikmaken van een door één enkel vaartuig uitgevoerde scheepvaartdienst die een aantal opeenvolgende trajecten omvat en die is begonnen, eindigt of een tussenstop maakt in een niet-Uniehaven;

iv)

aan boord van een pleziervaartuig of van een sportvliegtuig of zakenvliegtuig;

b)

handbagage en ruimbagage:

i)

die op een Unieluchthaven aankomen aan boord van een luchtvaartuig dat van een niet-Unieluchthaven komt en op deze Unieluchthaven worden overgeladen in een ander luchtvaartuig dat een vlucht binnen de Unie uitvoert;

ii)

die op een Unieluchthaven aan boord worden gebracht van een luchtvaartuig dat een vlucht binnen de Unie uitvoert, waarbij deze bagage op een andere Unieluchthaven wordt overgeladen in een luchtvaartuig dat een luchthaven buiten de Unie als bestemming heeft.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

TITEL V

PLAATSING VAN GOEDEREN ONDER EEN DOUANEREGELING

HOOFDSTUK 1

Douanestatus van goederen

Artikel 71

Vermoeden van douanestatus van Uniegoederen

1.   Alle goederen in het douanegebied van de Unie worden vermoed de douanestatus van Uniegoederen te hebben, tenzij wordt vastgesteld dat zij geen Uniegoederen zijn.

2.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, is het in lid 1 bedoelde vermoeden niet van toepassing. In dat geval moet worden aangetoond dat de goederen in kwestie de douanestatus van Uniegoederen hebben.

3.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, hebben goederen die geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Unie uit goederen in tijdelijke opslag of uit goederen die onder de regeling extern douanevervoer, een regeling opslag, de regeling tijdelijke invoer of de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, niet de douanestatus van Uniegoederen.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door:

a)

te bepalen in welke specifieke gevallen het in lid 1 van dit artikel neergelegde vermoeden niet van toepassing is;

b)

de voorwaarden vast te stellen voor het toestaan van faciliterende maatregelen voor het aantonen dat goederen de douanestatus van Uniegoederen hebben, als bedoeld in lid 2 van dit artikel;

c)

te bepalen in welke specifieke gevallen de in lid 3 van dit artikel bedoelde goederen niet de douanestatus van Uniegoederen hebben.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de procedureregels voor het verstrekken en verifiëren van de bewijsmiddelen voor de douanestatus van Uniegoederen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 72

Verlies van douanestatus van Uniegoederen

In de volgende gevallen worden Uniegoederen niet-Uniegoederen:

a)

indien zij het douanegebied van de Unie verlaten, mits de voorschriften inzake intern douanevervoer niet van toepassing zijn;

b)

indien zij onder de regeling extern douanevervoer, een regeling opslag of de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, mits de douanewetgeving dit toestaat;

c)

indien zij onder de regeling bijzondere bestemming waren geplaatst en vervolgens ofwel aan de staat zijn afgestaan, ofwel zijn vernietigd en er afval overblijft;

d)

indien de verstrekte of beschikbaar gestelde informatie of, in voorkomend geval, de aangifte, voor het in het vrije verkeer brengen, na vrijgave van de goederen ongeldig wordt gemaakt.

Artikel 73

Uniegoederen die het douanegebied van de Unie tijdelijk verlaten

1.   In de in artikel 136, lid 2, punten b) tot en met e), bedoelde gevallen behouden goederen hun status van Uniegoederen alleen als die status is bepaald onder de voorwaarden en met behulp van de middelen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd.

2.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, mogen Uniegoederen die niet onder een douaneregeling zijn geplaatst, van de ene naar de andere plaats in het douanegebied van de Unie en tijdelijk daarbuiten worden vervoerd zonder wijziging van de douanestatus.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met de specifieke gevallen waarin de douanestatus van goederen niet wordt gewijzigd, als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

HOOFDSTUK 2

Plaatsing en vrijgave

Artikel 74

Plaatsing van goederen onder een douaneregeling

1.   Importeurs, exporteurs en houders van de regeling douanevervoer verstrekken de gegevens die nodig zijn voor de plaatsing van de goederen onder de desbetreffende douaneregeling via of stellen deze beschikbaar in de EU-douanedatahub zodra deze gegevens beschikbaar zijn en in elk geval vóór de kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen.

2.   Door de kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen te verstrekken of beschikbaar te stellen, bevestigen de importeurs, exporteurs en houders van de regeling douanevervoer aan de douaneautoriteiten hun voornemen om de goederen onder de desbetreffende douaneregeling te plaatsen.

3.   Een persoon die gebruikmaakt van de IOSS-regeling, verstrekt de gegevens over afstandsverkopen van goederen die in het douanegebied van de Unie onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen moeten worden geplaatst, of stelt die gegevens beschikbaar, uiterlijk op de dag na de datum waarop de betaling voor de verkoop is aanvaard en in elk geval vóór de kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen.

4.   In afwijking van lid 1 van dit artikel en onverminderd artikel 178, kunnen de douaneautoriteiten in naar behoren gemotiveerde omstandigheden die verband houden met de bewijsstukken of de vaststelling van de douanewaarde van de goederen, een andere exporteur, houder van de regeling douanevervoer of importeur dan de importeur voor afstandsverkopen toestaan om een deel van de gegevens, voorafgaande vrachtinformatie uitgezonderd, na de vrijgave van de goederen te verstrekken of beschikbaar te stellen.

De andere exporteur, houder van de regeling douanevervoer of importeur dan de importeur voor afstandsverkopen verstrekt de weggelaten informatie binnen een specifieke termijn of stelt die informatie binnen een specifieke termijn beschikbaar.

5.   In afwijking van lid 1 van dit artikel en onverminderd artikel 178, kan een andere vertrouwde en gecontroleerde handelaar dan de importeur voor afstandsverkopen in naar behoren gemotiveerde omstandigheden die verband houden met de bewijsstukken of de vaststelling van de douanewaarde van de goederen, een deel van de gegevens, voorafgaande vrachtinformatie uitgezonderd, na de vrijgave van de goederen verstrekken of beschikbaar stellen. De vertrouwde en gecontroleerde handelaar verstrekt de weggelaten informatie binnen een specifieke termijn of stelt die informatie binnen een specifieke termijn beschikbaar.

6.   In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen goederen in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, onder een douaneregeling worden geplaatst met gebruikmaking van andere middelen dan de EU-douanedatahub.

7.   De goederen worden bij vrijgave onder de desbetreffende douaneregeling geplaatst.

De datum van kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, en voor alle andere invoer- of uitvoerformaliteiten.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door:

a)

de in de leden 1 en 3 van dit artikel bedoelde gegevens vast te stellen;

b)

de voorwaarden voor de in lid 4 van dit artikel bedoelde vereenvoudiging vast te stellen;

c)

te bepalen welke specifieke gegevens na de vrijgave van de goederen kunnen worden verstrekt of beschikbaar gesteld en de termijnen voor het verstrekken of beschikbaar stellen van deze gegevens indien lid 4 of lid 5 van dit artikel wordt toegepast;

d)

de in lid 6 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen te bepalen, alsook welke andere middelen dan de EU-douanedatahub kunnen worden gebruikt voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling.

Artikel 75

Andere vormen van kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen

De importeur, exporteur of houder van de regeling douanevervoer kan de kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen verstrekken of ter beschikking stellen via:

a)

de kennisgeving van aankomst van de goederen in het douanegebied van de Unie indien de tijdelijke opslag of plaatsing onder een douaneregeling plaatsvindt bij het douanekantoor van binnenkomst, of

b)

de kennisgeving van aankomst van de goederen op de plaats van uitgang indien de tijdelijke opslag plaatsvindt bij het douanekantoor van uitgang.

Artikel 76

Informatie en bewijsstukken

1.   Bij het verstrekken of beschikbaar stellen van de gegevens en informatie die vereist zijn voor de specifieke douaneregeling waaronder goederen worden geplaatst of bestemd zijn te worden geplaatst, verstrekken personen digitale kopieën van de originele papieren documenten die zijn gebruikt om die gegevens en informatie te verkrijgen of stellen zulke kopieën beschikbaar, indien dergelijke originele papieren documenten bestaan.

2.   Tot en met 28 februari 2034 moeten, wanneer een douaneaangifte wordt ingediend, de bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, op het tijdstip van indiening van de aangifte in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douaneautoriteiten.

3.   De bewijsstukken voor de in de bijlage bij Verordening (EU) 2022/2399 vermelde toepasselijke niet-douaneformaliteiten van de Unie worden geacht te zijn verstrekt of beschikbaar gesteld of in het bezit te zijn van de aangever indien de douaneautoriteiten in staat zijn de nodige gegevens te verkrijgen uit de desbetreffende niet-douanesystemen van de Unie via het douane-éénloketsysteem van de Europese Unie voor de uitwisseling van certificaten (EU-CSW-CERTEX) overeenkomstig artikel 10, lid 1, punten a) en c), van die verordening.

4.   Bewijsstukken worden ook verstrekt of beschikbaar gesteld indien dat met het oog op douanerisicobeheer en -controles noodzakelijk is.

5.   Onverminderd andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving kunnen de douaneautoriteiten marktdeelnemers een vergunning verlenen om de in lid 3 bedoelde bewijsstukken op te stellen.

6.   Tenzij voor specifieke documenten anders is bepaald, bewaart de betrokken persoon, met het oog op douanecontroles, de documenten en gegevens gedurende ten minste drie jaar in een voor de douaneautoriteiten toegankelijke en voor hen aanvaardbare vorm. Deze termijn gaat in:

a)

voor goederen die vrij van rechten of met een verlaagd invoerrecht op grond van hun bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht, aan het einde van het jaar waarin het douanetoezicht op de goederen is geëindigd;

b)

voor goederen die onder een andere douaneregeling of in tijdelijke opslag zijn geplaatst, aan het einde van het jaar waarin de desbetreffende douaneregeling is aangezuiverd of de tijdelijke opslag is beëindigd;

c)

in gevallen die niet onder de punten a) en b) vallen, aan het einde van het jaar waarin de goederen zijn vrijgegeven.

7.   Onverminderd artikel 206, lid 4, worden, indien uit een douanecontrole in verband met een douaneschuld blijkt dat de desbetreffende boeking moet worden herzien, en indien de betrokkene hiervan in kennis is gesteld, de documenten en de informatie na afloop van de in lid 6 van dit artikel bedoelde termijn nog drie jaar langer bewaard.

8.   Indien beroep is ingesteld of een administratieve of gerechtelijke procedure is ingeleid, moeten de documenten en informatie worden bewaard gedurende de in lid 6 vastgelegde termijn of totdat de beroeps- dan wel administratieve of gerechtelijke procedure is voltooid, naargelang welke datum het laatst valt.

Artikel 77

Vrijgave van de goederen

1.   De douaneautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de plaatsing van de goederen onder een douaneregeling overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt d), en lid 2, beslissen over de vrijgave van de goederen, rekening houdend met de resultaten van de risicoanalyse van de gegevens in de douaneaangifte of de door de importeur, exporteur of houder van de regeling douanevervoer verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens en, in voorkomend geval, de resultaten van eventuele controles of risicobeperkende maatregelen.

2.   De vrijgave van de goederen wordt niet als bewijs van conformiteit beschouwd.

3.   Goederen worden vrijgegeven als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

aan de douaneautoriteiten is meegedeeld welke persoon de voor de goederen verantwoordelijke importeur, exporteur of houder van de regeling douanevervoer is;

b)

aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de desbetreffende douaneregeling op grond van de artikelen 74, 109, 114, 140, 142, 145, 153, 156, 158 en 161 is voldaan, en

c)

de goederen zijn niet geselecteerd voor eventuele controles of zijn geselecteerd voor controles die vervolgens niet hebben geleid tot bevindingen die een weigering van de vrijgave van die goederen rechtvaardigen.

4.   De douaneautoriteiten weigeren de vrijgave in elk van de volgende gevallen:

a)

indien niet is voldaan aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de desbetreffende douaneregeling, waaronder alle niet-douaneformaliteiten van de Unie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11), van Verordening (EU) 2022/2399, die van toepassing zijn op de goederen;

b)

indien zij over bewijs beschikken dat de goederen niet voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

c)

indien zij over bewijs beschikken dat de verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens niet juist zijn.

5.   De douaneautoriteiten schorsen de vrijgave in elk van de volgende gevallen:

a)

indien zij redenen hebben om aan te nemen dat de goederen niet voldoen aan de douanewetgeving of andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, of dat zij een ernstig risico vormen voor de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, dan wel voor het milieu of voor enig ander openbaar belang;

b)

indien andere bevoegde autoriteiten daarom hebben verzocht overeenkomstig andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

Een systematische inbreuk die overeenkomstig artikel 276, lid 5, voor een marktdeelnemer is vastgesteld, vormt een reden om aan te nemen, als bedoeld in punt a) van de eerste alinea van dit lid, met betrekking tot alle goederen waarvan die marktdeelnemer binnen ten minste zes maanden na de vaststelling van de inbreuk heeft meegedeeld dat zij beschikbaar zijn voor het in het vrije verkeer brengen.

6.   Indien de vrijgave overeenkomstig lid 5 is geschorst, plegen de douaneautoriteiten het overleg waarin is voorzien in de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, en:

a)

weigeren zij de vrijgave indien de andere bevoegde autoriteiten daarom hebben verzocht overeenkomstig de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

b)

geven zij de goederen vrij indien de andere bevoegde autoriteiten de vrijgave hebben goedgekeurd;

c)

geven zij de goederen vrij indien de andere bevoegde autoriteiten niet hebben geantwoord binnen de termijn die is vastgelegd in de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving of, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen vijf dagen, of

d)

handhaven zij de schorsing niet langer dan 90 dagen indien de andere bevoegde autoriteiten daarom hebben verzocht door de douaneautoriteiten ervan in kennis te stellen dat meer tijd nodig is om te beoordelen of de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

7.   Onverminderd de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, worden de douaneautoriteiten geacht de goederen te hebben vrijgegeven indien zij deze niet binnen een redelijke termijn voor een controle hebben geselecteerd nadat:

a)

de goederen van importeurs voor afstandsverkopen zijn aangekomen in het douanegebied van de Unie;

b)

de goederen van importeurs zijn aangekomen op hun eindbestemming, of

c)

de exporteur de informatie vóór vertrek heeft verzonden.

8.   Indien de douaneautoriteiten de vrijgave van de goederen overeenkomstig lid 5 schorsen of de vrijgave van de goederen overeenkomstig lid 4 of lid 6, punt a), weigeren, registreren zij hun besluit en, indien van toepassing, alle andere informatie die op grond van het Unierecht vereist is, in de EU-douanedatahub. Die informatie wordt ter beschikking gesteld van de andere douaneautoriteiten.

9.   Indien de douaneautoriteiten de vrijgave van de goederen overeenkomstig lid 4 of lid 6, punt a), hebben geweigerd:

a)

kunnen de goederen vervolgens, mits de andere bevoegde autoriteiten geen bezwaar hebben gemaakt, onder een andere douaneregeling worden geplaatst met de vermelding dat de goederen eerder waren geweigerd voor een andere douaneregeling;

b)

registreren de douaneautoriteiten, bij bezwaar van de andere bevoegde autoriteiten tegen de plaatsing van de goederen onder een douaneregeling, die informatie in de EU-douanedatahub en handelen zij overeenkomstig titel V, hoofdstuk 4.

10.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door:

a)

de in lid 7 van dit artikel bedoelde redelijke termijnen vast te stellen;

b)

de in lid 7 van dit artikel genoemde specifieke gevallen nader te specificeren, of

c)

verdere specifieke gevallen vast te stellen waarin de douaneautoriteiten worden geacht de goederen te hebben vrijgegeven.

Artikel 78

Vrijgave van de goederen door vertrouwde en gecontroleerde handelaren namens de douaneautoriteiten

1.   In afwijking van artikel 77, lid 1, kunnen de douaneautoriteiten vertrouwde en gecontroleerde handelaren toestaan de goederen namens hen vrij te geven bij ontvangst van die goederen op de plaats van bedrijvigheid van de importeur, de eigenaar of de geadresseerde of bij verzending vanuit de plaats van bedrijvigheid van de exporteur, eigenaar of afzender, op voorwaarde dat de nodige gegevens voor de desbetreffende regeling en realtime-informatie over de aankomst of de verzending van de goederen aan de douaneautoriteiten worden verstrekt of beschikbaar gesteld.

2.   Vertrouwde en gecontroleerde handelaren die overeenkomstig artikel 145 een douane-entrepot voor afstandsverkopen beheren, geven alleen de goederen vrij die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst en die gereed zijn om in het douanegebied van de Unie te worden verkocht.

3.   Onverminderd artikel 63 kunnen de douaneautoriteiten vertrouwde en gecontroleerde handelaren een vergunning verlenen om bepaalde controles te verrichten op goederen die onder douanetoezicht staan. Voor controles op grond van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, raadplegen de douaneautoriteiten andere bevoegde autoriteiten alvorens een dergelijke vergunning te verlenen en kunnen zij met hen een controleplan overeenkomen.

4.   Indien een op grond van lid 3 vergunde vertrouwde en gecontroleerde handelaar redenen heeft om aan te nemen dat de goederen niet voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, stelt de marktdeelnemer de douaneautoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis. De douaneautoriteiten beslissen na ontvangst van deze kennisgeving over de vrijgave of de controle van die goederen.

5.   Indien nodig kunnen de douaneautoriteiten verlangen dat een vertrouwde en gecontroleerde handelaar de goederen ter controle aanbrengt bij een douanekantoor of op de plaats waar de goederen zouden worden vrijgegeven.

6.   Indien de douaneautoriteiten een nieuw ernstig financieel risico of een andere specifieke situatie hebben vastgesteld in verband met de vrijgave van de goederen namens hen, kunnen zij de op grond van de leden 1 en 3 van dit artikel verleende vergunningen overeenkomstig artikel 12, lid 2, schorsen.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door:

a)

de procedure voor de vrijgave van de goederen door vertrouwde en gecontroleerde handelaren namens de douaneautoriteiten vast te stellen;

b)

de voorwaarden vast te leggen, de inhoud te specificeren en de procedure vast te stellen voor de controles die worden uitgevoerd door de vertrouwde en gecontroleerde handelaren.

Artikel 79

Wijziging van informatie voor het plaatsen van goederen onder een douaneregeling

1.   De importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer wijzigt vóór de datum van vrijgave van de goederen één of meer gegevenselementen die zijn verstrekt of beschikbaar gesteld voor de plaatsing van die goederen onder een douaneregeling indien:

a)

zij er kennis van hebben gekregen dat relevante informatie in hun registers is gewijzigd of onjuist is, of

b)

een douaneautoriteit hen daarom verzoekt wegens de onnauwkeurigheid of onvolledigheid van de gegevens of wegens problemen met de kwaliteit van de gegevens.

2.   De importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer wijzigt de informatie niet indien:

a)

de douaneautoriteiten kennis hebben gegeven van hun voornemen om de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b)

de douaneautoriteiten kennis hebben gegeven van hun vaststelling dat de verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens onjuist zijn, of

c)

de goederen reeds zijn vrijgegeven.

3.   De importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer kan binnen drie jaar na de datum van vrijgave van de goederen verzoeken om een wijziging van één of meer gegevenselementen die zijn verstrekt of beschikbaar zijn gesteld voor de plaatsing van deze goederen onder een douaneregeling. De douaneautoriteiten beslissen of zij de wijziging aanvaarden of weigeren, rekening houdend met het risico van niet-naleving van de verplichtingen met betrekking tot de plaatsing van de goederen onder de desbetreffende douaneregeling.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door de gevallen te specificeren waarin de gegevens overeenkomstig lid 3 van dit artikel na de datum van vrijgave mogen worden gewijzigd.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de wijziging van de in de leden 1 en 3 van dit artikel bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 80

Ongeldigmaking van gegevens voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling

1.   Indien de importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer er kennis van krijgt dat onder een douaneregeling te plaatsen goederen het douanegebied van de Unie niet zullen worden binnengebracht of zullen verlaten, maakt hij of zij de gegevens voor de plaatsing van die goederen onder die douaneregeling zo spoedig mogelijk ongeldig.

Indien onder een douaneregeling te plaatsen goederen niet binnen 200 dagen na de datum waarop de gegevens voor de plaatsing van die goederen onder een douaneregeling zijn verstrekt of ter beschikking zijn gesteld, het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of het douanegebied van de Unie verlaten, maken de douaneautoriteiten die gegevens ongeldig.

2.   De douaneautoriteiten maken, op aanvraag van de importeur, exporteur of houder van de regeling douanevervoer, de gegevens voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling waarvoor de kennisgeving van de beschikbaarheid van de goederen is verstrekt of beschikbaar is gesteld, ongeldig, indien de douaneautoriteiten ervan overtuigd zijn dat:

a)

de goederen onmiddellijk onder een andere douaneregeling worden geplaatst, of

b)

ten gevolge van bijzondere omstandigheden de plaatsing van de goederen onder de primaire douaneregeling niet meer gerechtvaardigd is.

Indien de douaneautoriteiten de importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer echter in kennis hebben gesteld van hun voornemen om de goederen te onderzoeken, wordt het verzoek tot ongeldigmaking van de gegevens enkel aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door de gevallen te specificeren waarin gegevens voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling ongeldig kunnen worden gemaakt na de datum van vrijgave van de goederen.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de ongeldigmaking van gegevens voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 3

Overgangsbepalingen inzake douaneaangiften

Artikel 81

Douaneaangifte

1.   Douaneaangiften worden gedaan via elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

2.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, kan een douaneaangifte worden ingediend met gebruikmaking van andere dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

3.   Tenzij anders is bepaald in de douanewetgeving, wordt de douaneaangifte, afhankelijk van de omstandigheden, ingediend bij een van de volgende kantoren:

a)

het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats van eerste aankomst van de goederen in het douanegebied van de Unie, of

b)

het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats van lossing van de goederen die over zee of door de lucht aankomen in het douanegebied van de Unie;

c)

het douanekantoor van bestemming van de regeling douanevervoer indien de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen onder een regeling douanevervoer;

d)

het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen die onder een regeling douanevervoer zullen worden geplaatst, zich bevinden;

e)

het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats van vestiging van de geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen en dat gemachtigd is gecentraliseerde vrijmaking toe te passen;

f)

het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten, zich bevinden.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met de specifieke gevallen waarin een douaneaangifte kan worden ingediend met gebruikmaking van andere dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van:

a)

de procedure voor het indienen van de douaneaangifte in de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen;

b)

de regels voor het vaststellen van de andere bevoegde douanekantoren dan de in lid 3 van dit artikel bedoelde kantoren, met inbegrip van de douanekantoren van binnenkomst en van uitgang.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 82

Standaard douaneaangifte

1.   Tot en met 28 februari 2034 bevatten standaard douaneaangiften alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, alsook de in artikel 76 bedoelde bewijsstukken.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de indiening van de in lid 1 van dit artikel bedoelde standaard douaneaangifte. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 83

Vereenvoudigde aangifte

1.   Tot en met 28 februari 2034 kunnen de douaneautoriteiten aanvaarden dat een persoon goederen onder een douaneregeling laat plaatsen op basis van een vereenvoudigde aangifte, waaruit bepaalde in artikel 76 bedoelde gegevens of bewijsstukken worden weggelaten.

2.   Tot en met 28 februari 2031 kunnen de douaneautoriteiten het regelmatige gebruik van een vereenvoudigde aangifte toestaan.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de voorwaarden voor het verlenen van de in lid 2 van dit artikel bedoelde vergunning vast te leggen.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de indiening van een vereenvoudigde aangifte. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 84

Aanvullende aangifte

1.   Bij een vereenvoudigde aangifte als bedoeld in artikel 83 of een inschrijving in de registers van de aangever als bedoeld in artikel 92 dient de aangever binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte in met de gegevens die vereist zijn voor de desbetreffende douaneregeling.

Bij een vereenvoudigde aangifte als bedoeld in artikel 83 moeten de nodige bewijsstukken binnen een specifieke termijn in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douaneautoriteiten.

De aanvullende aangifte kan een algemeen, periodiek of samenvattend karakter hebben.

2.   In de volgende gevallen geldt de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte niet:

a)

de goederen zijn onder een regeling douane-entrepot geplaatst;

b)

in andere specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd.

3.   De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis dat een aanvullende aangifte moet worden ingediend indien:

a)

de in artikel 83 bedoelde vereenvoudigde aangifte goederen betreft waarvan de waarde en hoeveelheid onder de in artikel 194, lid 8, bedoelde drempel liggen;

b)

de in artikel 83 bedoelde vereenvoudigde aangifte reeds alle informatie bevat die nodig is voor de desbetreffende douaneregeling, en

c)

de in artikel 83 bedoelde vereenvoudigde aangifte niet is ingediend in de vorm van een inschrijving in de registers van de aangever.

4.   De in artikel 83 bedoelde vereenvoudigde aangifte wordt geacht samen met de aanvullende aangifte een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 87.

De in artikel 92 bedoelde inschrijving in de registers van de aangever wordt geacht samen met de aanvullende aangifte een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is vanaf de datum van inschrijving van de goederen in de registers van de aangever.

5.   Voor de toepassing van artikel 193 wordt de plaats waar de aanvullende aangifte moet worden ingediend, geacht de plaats te zijn waar de douaneaangifte is ingediend.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening inzake:

a)

de in lid 1, eerste alinea, van dit artikel bedoelde specifieke termijn waarbinnen de aanvullende aangifte moet worden ingediend;

b)

de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel bedoelde specifieke termijn waarbinnen de bewijsstukken in het bezit van de aangever moeten zijn en ter beschikking van de douaneautoriteiten moeten staan;

c)

de specifieke gevallen waarin de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte niet van toepassing is overeenkomstig lid 2, punt b), van dit artikel.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de indiening van de aanvullende aangifte. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 85

Indiening van een douaneaangifte

1.   Tot en met 28 februari 2034 kan, onverminderd artikel 84, lid 1, een douaneaangifte worden ingediend door eenieder die in staat is alle informatie te verstrekken die vereist is voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. Die persoon moet ook in staat zijn de betrokken goederen bij de douane aan te brengen of deze door een andere persoon bij de douane te laten aanbrengen.

Indien de aanvaarding van een douaneaangifte evenwel bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon met zich meebrengt, wordt die aangifte door die persoon zelf of door zijn of haar vertegenwoordiger ingediend.

2.   Tot en met 30 juni 2028 wordt de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van goederen die bij afstandsverkopen zijn verkocht, ingediend door een van de volgende personen:

a)

de persoon die gebruik mag maken van de IOSS-regeling of zijn of haar indirecte vertegenwoordiger;

b)

de persoon die gebruik mag maken van de bijzondere regeling van titel XII, hoofdstuk 7, van Richtlijn 2006/112/EG of zijn of haar indirecte vertegenwoordiger;

c)

in andere dan de gevallen als bedoeld in de punten a) en b), de indirecte vertegenwoordiger van de importeur;

d)

in andere dan de gevallen als bedoeld in de punten a), b) en c), elke andere persoon die in staat is alle informatie te verstrekken die vereist is voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.

3.   De aangever moet in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.

4.   In afwijking van lid 3, zijn de volgende aangevers evenwel niet verplicht om in het douanegebied van de Unie gevestigd te zijn:

a)

personen die een douaneaangifte voor douanevervoer of tijdelijke invoer indienen;

b)

personen die incidenteel een douaneaangifte indienen, mede voor bijzondere bestemming of actieve veredeling, voor zover de douaneautoriteiten zulks gerechtvaardigd achten;

c)

personen die gevestigd zijn in een land waarvan het grondgebied grenst aan het douanegebied van de Unie, en die de goederen waarop de douaneaangifte betrekking heeft, aanbrengen bij een douanekantoor in de Unie dat grenst aan dat land, op voorwaarde dat het land waarin de personen zijn gevestigd deze voordelen ook verlenen aan personen die in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd;

d)

importeurs voor afstandsverkopen die betrokken zijn bij de afstandsverkoop van goederen die in het kader van de IOSS-regeling in het douanegebied van de Unie zullen worden ingevoerd, mits zij een indirecte vertegenwoordiger aanwijzen.

Artikel 86

Indiening van een douaneaangifte voor het aanbrengen van goederen bij de douane

1.   Een douaneaangifte kan worden ingediend voor het tijdstip waarop de betrokken goederen naar verwachting bij de douane zullen worden aangebracht. Indien de goederen niet binnen 30 dagen na de datum van indiening van de douaneaangifte worden aangebracht, wordt de douaneaangifte geacht niet te zijn ingediend.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de indiening van een in lid 1 van dit artikel bedoelde douaneaangifte. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 87

Aanvaarding van een douaneaangifte

1.   Douaneaangiften die aan de voorwaarden van dit hoofdstuk en artikel 76 voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.

2.   Tenzij anders is bepaald, is de datum van aanvaarding van de douaneaangifte door de douaneautoriteiten, de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven en voor alle andere invoer- of uitvoerformaliteiten.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de aanvaarding van een douaneaangifte, inclusief de toepassing van die regels in de in artikel 91 bedoelde gevallen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 88

Wijziging van een douaneaangifte

1.   De aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan één of meer gegevenselementen in de douaneaangifte te wijzigen nadat deze door de douaneautoriteiten is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de douaneaangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

2.   Wijzigingen van de douaneaangifte nadat die aangifte door de douaneautoriteiten is aanvaard, worden niet toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan:

a)

nadat de douaneautoriteiten de aangever in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b)

nadat de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de gegevens van de douaneaangifte onjuist zijn, of

c)

nadat de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven.

3.   Op aanvraag van de aangever kunnen de douaneautoriteiten binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte een wijziging van de douaneaangifte na de vrijgave van de goederen toestaan, om de aangever in staat te stellen zijn of haar verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling na te komen.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de wijziging van de douaneaangifte na de vrijgave van de goederen overeenkomstig lid 3 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 89

Ongeldigmaking van een douaneaangifte

1.   Op aanvraag van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde douaneaangifte ongeldig indien voldoende wordt aangetoond dat:

a)

de goederen onmiddellijk onder een douaneregeling worden geplaatst, of

b)

ten gevolge van bijzondere omstandigheden de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.

Indien de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de douaneaangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de douaneautoriteiten in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, de douaneaangifte ongeldig maken zonder voorafgaand verzoek van de aangever.

3.   De douaneautoriteiten maken de douaneaangifte niet ongeldig nadat de goederen zijn vrijgegeven, behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen in welke specifieke gevallen de douaneautoriteiten de douaneaangifte ongeldig kunnen maken zonder dat de aangever daarom verzoekt, als bedoeld in lid 2 van dit artikel, en na de vrijgave van de goederen als bedoeld in lid 3 van dit artikel.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de ongeldigmaking van de douaneaangifte na de vrijgave van de goederen als bedoeld in lid 3 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 90

Vereenvoudiging van de opstelling van gegevens betreffende goederen die onder verschillende tariefonderverdelingen vallen

1.   Indien een zending bestaat uit goederen waarvan de tariefonderverdelingen verschillend zijn en de behandeling van elk van deze goederen volgens zijn tariefonderverdeling werk en kosten zouden meebrengen die niet in verhouding staan tot het bedrag van de verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer, kunnen de douaneautoriteiten op aanvraag van de aangever in een vereenvoudigde methode voor de heffing van invoer- of uitvoerrechten voorzien waarbij de rechten bij invoer of bij uitvoer worden aangerekend op de gehele zending op grond van de tariefonderverdeling van de goederen die aan het hoogste recht bij invoer of uitvoer zijn onderworpen.

2.   Douaneautoriteiten weigeren het gebruik van de vereenvoudigde methode voor de heffing van invoer- of uitvoerrechten als bedoeld in lid 1:

a)

wanneer de afhandelingsvergoeding van de Unie van toepassing is, of

b)

wanneer het gaat om goederen die onderworpen zijn aan andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, aan verboden of beperkingen of aan accijnzen, waarbij de correcte indeling noodzakelijk is om die maatregelen toe te passen.

Artikel 91

Gecentraliseerde vrijmaking

1.   Tot en met 28 februari 2031 kunnen de douaneautoriteiten een persoon, op diens verzoek, toestemming geven om bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar die persoon is gevestigd, een douaneaangifte in te dienen voor goederen die bij een ander douanekantoor bij de douane worden aangebracht.

De douaneautoriteiten kunnen ontheffing voor de in de eerste alinea bedoelde vereiste vergunning verlenen indien het douanekantoor waar de douaneaangifte wordt ingediend en het douanekantoor waar de goederen bij de douane worden aangebracht onder de verantwoordelijkheid van dezelfde douaneautoriteit vallen.

2.   Alleen een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen als bedoeld in artikel 29, lid 2, punt a), kan de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning aanvragen.

3.   Het douanekantoor waar de douaneaangifte wordt ingediend:

a)

houdt toezicht op het plaatsen van de goederen onder de desbetreffende douaneregeling;

b)

verricht de douanecontroles voor de verificatie van de douaneaangifte;

c)

verzoekt in gerechtvaardigde gevallen het douanekantoor waarbij de goederen zijn aangebracht, om bepaalde douanecontroles voor de verificatie van de douaneaangifte te verrichten, en

d)

vervult de douaneformaliteiten voor de invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan in- of uitvoerrechten.

4.   Het douanekantoor waar de douaneaangifte is ingediend en het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht, wisselen de nodige informatie uit voor de verificatie van de douaneaangifte en voor de vrijgave van de goederen.

5.   Het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht, verricht, onverminderd zijn eigen controles met betrekking tot goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of verlaten, de in lid 3, punt c), genoemde douanecontroles en deelt de resultaten van die controles mee aan het douanekantoor waar de douaneaangifte is ingediend.

6.   Het douanekantoor waar de douaneaangifte is ingediend, geeft de goederen vrij, met inachtneming van de resultaten van:

a)

zijn eigen controles voor de verificatie van de douaneaangifte;

b)

de controles door het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht voor de verificatie van de douaneaangifte, en de controles met betrekking tot goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of verlaten.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de voorwaarden voor het verlenen van de in lid 1, eerste alinea, van dit artikel bedoelde vergunning te bepalen.

8.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de gecentraliseerde vrijmaking, met inbegrip van de relevante douaneformaliteiten en -controles. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 92

Inschrijving in de registers van de aangever

1.   Tot en met 28 februari 2031 kunnen de douaneautoriteiten een persoon, op diens verzoek, toestemming geven om een douaneaangifte, waaronder begrepen een vereenvoudigde aangifte, in te dienen in de vorm van een inschrijving in de registers van de aangever, op voorwaarde dat de gegevens van die aangifte beschikbaar zijn voor de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de registers van de aangever, wordt ingediend.

2.   De douaneaangifte wordt geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de registers van de aangever.

3.   De douaneautoriteiten kunnen, op aanvraag, ontheffing verlenen van de verplichting om de goederen aan te brengen. In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het moment van inschrijving in de registers van de aangever.

Deze ontheffing kan worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de aangever is een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen als bedoeld in artikel 29, lid 2, punt a);

b)

de aard van de betrokken goederen en de goederenstroom rechtvaardigen een ontheffing en zijn bekend bij de douaneautoriteit;

c)

het toezichthoudende douanekantoor heeft toegang tot alle informatie die het nodig acht om zijn recht om de goederen te controleren, te kunnen uitoefenen, mocht dat nodig blijken;

d)

op het moment van de inschrijving in de registers zijn de goederen niet langer onderworpen aan de andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, tenzij in de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning anders is bepaald.

Het toezichthoudende douanekantoor kan in specifieke situaties evenwel verzoeken om de goederen aan te brengen, ook in het geval van een dergelijke ontheffing.

4.   De voorwaarden waaronder de vrijgave van de goederen is toegestaan, worden in de in lid 1 bedoelde vergunning opgenomen.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de voorwaarden voor het verlenen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning te bepalen.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de inschrijving in de registers van de aangever, met inbegrip van de in lid 1 van dit artikel bedoelde relevante douaneformaliteiten en -controles, en de ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen als bedoeld in lid 3 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 93

Einde van de geldigheid

De in de artikelen 83, 91 en 92 bedoelde vergunningen voor vereenvoudigde aangiften, gecentraliseerde vrijmaking en inschrijving in de registers van de aangever vervallen op 1 maart 2034.

HOOFDSTUK 4

Verwijdering van goederen

Artikel 94

Door de douaneautoriteiten te nemen maatregelen

1.   Onverminderd andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving nemen de douaneautoriteiten alle nodige maatregelen voor de verwijdering van goederen, inclusief confiscatie of verbeurdverklaring aan de staat overeenkomstig het nationale recht, donatie voor humanitaire doeleinden of vernietiging, in de volgende gevallen:

a)

indien een van de bij de douanewetgeving vastgelegde verplichtingen betreffende het binnenbrengen van niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie niet is nagekomen, of de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken;

b)

indien de goederen niet kunnen worden vrijgegeven om een van de volgende redenen:

i)

het onderzoek van de goederen kon niet binnen de door de douaneautoriteiten gestelde termijn worden aangevangen of voortgezet om redenen die aan de importeur, de exporteur, de houder van de regeling douanevervoer of de houder van de goederen te wijten zijn;

ii)

de documenten of informatie die moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld voordat de goederen kunnen worden geplaatst onder of vrijgegeven voor de gevraagde douaneregeling, zijn niet verstrekt of beschikbaar gesteld;

iii)

de invoer- of uitvoerrechten zijn niet binnen de gestelde termijn betaald of er is binnen die termijn geen zekerheid gesteld;

iv)

de goederen voldoen niet aan de in de artikelen 77 en 78 vastgestelde voorwaarden voor vrijgave;

c)

indien de goederen na de vrijgave niet binnen een redelijke termijn zijn weggevoerd;

d)

indien na de vrijgave blijkt dat de goederen niet aan de voorwaarden voor vrijgave voldeden, of

e)

indien de goederen overeenkomstig artikel 96 aan de staat worden afgestaan.

2.   Niet-Uniegoederen die aan de staat worden afgestaan of niet-Uniegoederen die overeenkomstig het nationale recht in beslag zijn genomen, zijn geconfisqueerd of aan de staat zijn verbeurdverklaard, worden geacht onder de regeling douane-entrepot te zijn geplaatst. Die goederen worden in de registers van de beheerder van ruimten voor opslag voor het douane-entrepot opgenomen, of indien de douaneautoriteiten de beheerder zijn, in de registers van de douaneautoriteiten.

Wanneer de douaneautoriteiten al gegevens of een douaneaangifte hebben ontvangen over de goederen die zullen worden vernietigd, aan de staat afgestaan, in beslag genomen, geconfisqueerd of aan de staat verbeurdverklaard overeenkomstig het nationale recht, wordt in de registers naar die gegevens of die douaneaangifte verwezen. De betrokken douaneaangifte of -gegevens worden ongeldig gemaakt.

3.   De kosten van de in lid 1 genoemde maatregelen komen ten laste van:

a)

in het in lid 1, punt a), bedoelde geval, de vervoerder, de importeur, de houder van de regeling douanevervoer, de houder van de goederen of de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;

b)

in de in lid 1, punten b), c) en d), bedoelde gevallen, de importeur, de exporteur, de houder van de regeling douanevervoer of de houder van de goederen;

c)

in het in lid 1, punt e), bedoelde geval, de persoon die de goederen afstaat aan de staat.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen in welke gevallen goederen kunnen worden geconfisqueerd.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de verkoop en schenking van de goederen door de douaneautoriteiten als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 95

Vernietiging van goederen

1.   Indien zij daartoe gegronde redenen hebben, kunnen de douaneautoriteiten de vernietiging van goederen waarvoor een kennisgeving van beschikbaarheid is verstrekt of beschikbaar gesteld, eisen. Zij stellen de importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer en de houder van de goederen daarvan in kennis. De kosten van de vernietiging komen ten laste van de importeur, de exporteur, de houder van de regeling douanevervoer of de houder van de goederen.

2.   Indien de douaneautoriteiten dit noodzakelijk en evenredig achten, kunnen zij, overeenkomstig het nationale recht, goederen in beslag nemen, vernietigen of anderszins onbruikbaar maken waarvoor geen kennisgeving van beschikbaarheid is verstrekt of beschikbaar gesteld en die een risico vormen voor de gezondheid en veiligheid van eindgebruikers. De aan die maatregel verbonden kosten komen ten laste van de importeur, de exporteur of de houder van de goederen.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de vernietiging van goederen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 96

Afstand van goederen

1.   De importeur, de exporteur, de houder van de regeling douanevervoer of de houder van de goederen kan, met voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten, niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, aan de staat afstaan.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het afstaan van goederen aan de staat. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

TITEL VI

GOEDEREN DIE HET DOUANEGEBIED VAN DE UNIE WORDEN BINNENGEBRACHT

HOOFDSTUK 1

Binnenkomst van goederen

Artikel 97

Voorafgaande vrachtinformatie

1.   Goederen mogen het douanegebied van de Unie niet binnenkomen tenzij vervoerders die goederen het douanegebied van de Unie binnenbrengen, voorafgaande vrachtinformatie over die goederen verstrekken of beschikbaar stellen aan het verwachte douanekantoor van eerste binnenkomst binnen specifieke termijnen.

2.   Indien geen voorafgaande vrachtinformatie is verstrekt of beschikbaar gesteld overeenkomstig lid 1, wordt de voorafgaande vrachtinformatie uiterlijk bij aankomst van het vervoersmiddel dat voor het vervoer van de goederen wordt gebruikt, verstrekt of beschikbaar gesteld aan het feitelijke douanekantoor van eerste binnenkomst.

3.   De voorafgaande vrachtinformatie omvat ten minste de identiteit van de importeur die verantwoordelijk is voor de goederen, de unieke referentie van de zending, de identiteit van de afzender, de identiteit van de geadresseerde, een beschrijving van de goederen, de tariefindeling, de waarde, de eindbestemming van de goederen indien beschikbaar, de gegevens over de route, en de aard en de identificatie van het vervoersmiddel dat wordt gebruikt om de goederen binnen te brengen, alsook de vervoerskosten.

4.   De importeur kan een deel van de vereiste voorafgaande vrachtinformatie binnen de specifieke termijnen aan het betrokken douanekantoor verstrekken of beschikbaar stellen.

5.   Indien de importeur reeds een deel van de vereiste voorafgaande vrachtinformatie heeft verstrekt of beschikbaar gesteld, koppelt de vervoerder het door hem verstrekte of beschikbaar gestelde deel van de voorafgaande vrachtinformatie aan de reeds door de importeur verstrekte of beschikbaar gestelde informatie.

6.   De importeur wordt ervan in kennis gesteld wanneer een vervoerder de door hem verstrekte of beschikbaar gestelde voorafgaande vrachtinformatie koppelt aan het door de importeur verstrekte of beschikbaar gestelde deel van de voorafgaande vrachtinformatie.

7.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, kan, wanneer de vervoerder of de importeur niet over alle in de leden 1 en 3 bedoelde voorafgaande vrachtinformatie beschikt, van andere personen die over die informatie beschikken, worden verlangd dat zij deze verstrekken of beschikbaar stellen.

8.   De voorafgaande vrachtinformatie bevat de gegevens die de douaneautoriteiten nodig hebben om een risicoanalyse uit te voeren.

9.   Een persoon die voorafgaande vrachtinformatie verstrekt of beschikbaar stelt, kan de zichtbaarheid van diens identificatiegegevens en commercieel gevoelige gegevens beperken tot één of meer personen die ook gegevens verstrekken of beschikbaar stellen, zonder afbreuk te doen aan het gebruik van alle gegevens voor douanetoezicht.

10.   De verplichting om voorafgaande vrachtinformatie te verstrekken of beschikbaar te stellen, geldt niet:

a)

voor vervoersmiddelen en de daarmee vervoerde goederen die uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Unie worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt;

b)

voor niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht nadat zij dat gebied tijdelijk over zee of door de lucht hebben verlaten en rechtstreeks zijn vervoerd zonder tussenstop buiten het douanegebied van de Unie;

c)

voor Uniegoederen waarvan de douanestatus moet worden aangetoond op grond van artikel 71, lid 2, en die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht nadat zij dat gebied tijdelijk over zee of door de lucht hebben verlaten en rechtstreeks, zonder tussenstop, zijn vervoerd buiten het douanegebied van de Unie;

d)

voor Uniegoederen die worden vervoerd zonder wijziging van hun douanestatus overeenkomstig artikel 73, lid 2, en die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht nadat zij dat gebied tijdelijk over zee of door de lucht hebben verlaten en rechtstreeks zijn vervoerd zonder tussenstop buiten het douanegebied van de Unie, en

e)

in andere gevallen, wanneer de niet-toepassing volledig gerechtvaardigd is door het soort goederen of het soort verkeer of vereist is uit hoofde van internationale overeenkomsten.

11.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door:

a)

de vaststelling van regels voor het bepalen van het verwachte douanekantoor van eerste binnenkomst als bedoeld in lid 1 van dit artikel;

b)

de specificatie van de overeenkomstig lid 1 van dit artikel te verstrekken of beschikbaar te stellen voorafgaande vrachtinformatie en de in lid 8 van dit artikel bedoelde gegevens, die specifieke informatie moeten bevatten die de douaneautoriteiten in staat stelt een risicoanalyse uit te voeren met betrekking tot de veiligheid en beveiliging van de goederen;

c)

de vaststelling van de in de leden 1 en 4 van dit artikel bedoelde specifieke termijnen;

d)

de vaststelling van de specifieke gevallen en de andere personen van wie kan worden verlangd dat zij de voorafgaande vrachtinformatie verstrekken of beschikbaar stellen, zoals bedoeld in lid 7 van dit artikel;

e)

de specificatie van de gevallen waarin het soort goederen of verkeer de niet-toepassing van de verplichting om voorafgaande vrachtinformatie te verstrekken of beschikbaar te stellen, als bedoeld in lid 10, punt e), van dit artikel, volledig rechtvaardigt;

f)

de vaststelling van de voorwaarden waaronder de persoon die voorafgaande vrachtinformatie verstrekt of beschikbaar stelt, de zichtbaarheid van de identificatiegegevens of de commercieel gevoelige gegevens kan beperken, als bedoeld in lid 9 van dit artikel.

12.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het verstrekken, beschikbaar stellen en ontvangen van de in de leden 1 tot en met 8 van dit artikel bedoelde voorafgaande vrachtinformatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

13.   Overeenkomstig de data die zijn vastgesteld in het in artikel 38, lid 6, punt b), bedoelde werkprogramma, en uiterlijk tot en met 28 februari 2034, kan aan de in de leden 1 tot en met 12 van dit artikel en in de artikelen 98 tot en met 103 van deze verordening bedoelde formaliteiten blijven worden voldaan overeenkomstig de regels en gegevensvereisten van Verordening (EU) nr. 952/2013 die van toepassing zijn op de elektronische systemen die de lidstaten en de Commissie op grond van artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 hebben ontwikkeld.

Artikel 98

Risicoanalyse van voorafgaande vrachtinformatie

1.   Onverminderd de in titel XII genoemde activiteiten van de EU-douaneautoriteit zorgt het douanekantoor van eerste binnenkomst ervoor dat, binnen specifieke termijnen, een risicoanalyse wordt verricht. Die risicoanalyse is in de eerste plaats bedoeld voor veiligheids- en beveiligingsdoeleinden en wordt, in voorkomend geval, uitgevoerd in samenwerking met andere douanekantoren en, waar mogelijk, op basis van de voorafgaande vrachtinformatie en andere informatie die via de EU-douanedatahub is verstrekt of beschikbaar is gesteld. Het douanekantoor van eerste binnenkomst neemt de nodige maatregelen op basis van de resultaten van die risicoanalyse.

2.   Het douanekantoor van eerste binnenkomst kan, in voorkomend geval in samenwerking met de douaneautoriteiten van de andere lidstaten die bij het risicoanalyseproces betrokken zijn, passende mitigerende maatregelen nemen, waaronder:

a)

de persoon die de voorafgaande vrachtinformatie heeft verstrekt of beschikbaar heeft gesteld, gelasten om de goederen niet te laden of te vervoeren, en, indien de vervoerder een andere persoon is dan degene die de gegevens heeft verstrekt, eveneens het gelasten van de vervoerder om de goederen niet te laden of te vervoeren;

b)

om aanvullende informatie of actie verzoeken;

c)

het vaststellen van situaties waarin optreden door een andere douaneautoriteit gepast kan zijn;

d)

het aanbevelen van de meest geschikte plaats om een douanecontrole uit te voeren en de meest geschikte maatregelen voor die controle.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de specifieke termijnen te bepalen waarbinnen de in lid 1 van dit artikel bedoelde risicoanalyse moet worden verricht.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels die van toepassing zijn op de in lid 2 van dit artikel bedoelde mitigerende maatregelen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   Tot en met 28 februari 2034 wordt de in lid 1 bedoelde risicoanalyse verricht op basis van de summiere aangifte bij binnenbrengen.

Artikel 99

Wijziging van voorafgaande vrachtinformatie

1.   De importeur, de vervoerder of de andere in artikel 97 bedoelde personen wijzigen één of meer gegevenselementen in de voorafgaande vrachtinformatie indien:

a)

de importeur, de vervoerder of de andere betrokken personen ervan kennis krijgen dat de relevante informatie in hun registers is gewijzigd of dat de informatie onjuist is, of

b)

een douaneautoriteit de importeur, de vervoerder of de andere betrokken personen daarom verzoekt vanwege de onnauwkeurigheid of onvolledigheid van de gegevens of vanwege problemen met de kwaliteit van de gegevens, met name wanneer die zijn vastgesteld als resultaat van de verrichte risicoanalyse.

2.   De importeur, de vervoerder of de in artikel 97 bedoelde andere personen wijzigen de voorafgaande vrachtinformatie niet indien:

a)

de douaneautoriteiten de persoon die de voorafgaande vrachtinformatie heeft verstrekt of beschikbaar heeft gesteld en de vervoerder — indien deze niet dezelfde persoon is — hebben gelast om de goederen niet te laden of te vervoeren als bedoeld in artikel 98, lid 2, punt a);

b)

de douaneautoriteiten de vervoerder of andere personen in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen te onderzoeken;

c)

de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat de voorafgaande vrachtinformatie onjuist is;

d)

de gegevens in de voorafgaande vrachtinformatie zijn opgenomen in de lijst van gegevens die niet kunnen worden gewijzigd.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de gegevens in de voorafgaande vrachtinformatie te bepalen die niet kunnen worden gewijzigd, als bedoeld in lid 2, punt d), van dit artikel.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde wijzigen van de voorafgaande vrachtinformatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 100

Ongeldigmaking van voorafgaande vrachtinformatie

1.   Indien de vervoerder of andere personen die de voorafgaande vrachtinformatie verstrekken of beschikbaar stellen, er kennis van krijgen dat de goederen waarop die voorafgaande vrachtinformatie betrekking heeft, het douanegebied van de Unie niet zullen worden binnengebracht, verzoeken zij zo spoedig mogelijk bij de douaneautoriteit om de voorafgaande vrachtinformatie ongeldig te maken.

Indien goederen waarop de voorafgaande vrachtinformatie betrekking heeft, het douanegebied van de Unie niet binnen 200 dagen na de datum waarop de voorafgaande vrachtinformatie is verstrekt of beschikbaar gesteld, worden binnengebracht, maken de douaneautoriteiten die voorafgaande vrachtinformatie ongeldig.

2.   Personen die de voorafgaande vrachtinformatie verstrekken of beschikbaar stellen en de importeur die informatie verstrekt of beschikbaar stelt in de EU-douanedatahub stellen elkaar in kennis van de ongeldigmaking van de informatie die zij hebben verstrekt of beschikbaar gesteld.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde ongeldig maken van de voorafgaande vrachtinformatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 101

Kennisgeving van aankomst met betrekking tot het binnenbrengen van vervoersmiddelen en goederen

1.   De vervoerder stelt het feitelijke douanekantoor van eerste binnenkomst bij aankomst in kennis van de aankomst van het vervoersmiddel waarmee goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht.

2.   De vervoerder stelt het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de haven of luchthaven waar de goederen worden gelost of overgeladen in kennis van de aankomst van goederen die het douanegebied van de Unie over zee of door de lucht zijn binnengebracht wanneer het vervoersmiddel waarmee die goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, in die haven of luchthaven aankomt.

3.   De vervoerder stelt het douanekantoor van eerste binnenkomst in kennis van de aankomst van goederen die het douanegebied van de Unie over de weg, per spoor of over de binnenwateren worden binnengebracht, wanneer het vervoersmiddel waarmee die goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, bij dat douanekantoor aankomt.

4.   De vervoerder koppelt de kennisgeving van aankomst van de goederen aan de voorafgaande vrachtinformatie die over die goederen is verstrekt of beschikbaar gesteld.

5.   Niettegenstaande de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde verplichtingen van de vervoerder, kan elk van de volgende personen de aankomst van de goederen melden op het in die leden bedoelde tijdstip:

a)

de persoon in wiens naam of voor wiens rekening degene handelt die de goederen in het douanegebied van de Unie heeft gebracht;

b)

de persoon die aansprakelijk is voor het vervoer van de goederen na het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie;

c)

eenieder die de goederen onmiddellijk onder een douaneregeling plaatst, of

d)

de houder van een vergunning voor het beheer van een ruimte voor tijdelijke opslag of eenieder die activiteiten uitoefent in een vrije zone.

6.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, wanneer niet alle gegevens in de in artikel 97, lid 8, bedoelde voorafgaande vrachtinformatie over de goederen van de vervoerder kunnen worden verkregen, kan van een volgende vervoerder of andere personen die over die gegevens en de nodige rechten beschikken om deze te verstrekken, worden verlangd dat zij het feitelijke douanekantoor van eerste binnenkomst in kennis stellen van de aankomst van de goederen.

7.   Mits de douaneautoriteit daarvoor goedkeuring heeft gegeven, kan de kennisgeving van aankomst van de vervoersmiddelen en de goederen aan de douaneautoriteiten worden verstrekt of beschikbaar gesteld via andere middelen dan de EU-douanedatahub, zoals systemen voor handels-, haven- of vervoersinformatie, op voorwaarde dat die systemen de nodige gegevens voor de kennisgeving bevatten en die gegevens op het in de leden 1, 2 of 3 bedoelde tijdstip beschikbaar zijn, naargelang het geval. In dergelijke gevallen worden de door die andere middelen verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens doorgegeven aan de EU-douanedatahub.

8.   In afwijking van lid 2 is de verplichting tot kennisgeving van de aankomst van de goederen niet van toepassing in de volgende gevallen:

a)

wanneer goederen bij aankomst in het douanegebied van de Unie tijdens de reis uitsluitend worden gelost en opnieuw op hetzelfde vervoersmiddel worden geladen teneinde het lossen of laden van andere goederen in diezelfde haven of luchthaven van de Unie mogelijk te maken;

b)

wanneer Uniegoederen die worden vervoerd zonder wijziging van hun douanestatus overeenkomstig artikel 73, lid 2, het douanegebied van de Unie worden binnengebracht nadat zij dat gebied tijdelijk over zee of door de lucht hebben verlaten en rechtstreeks zijn vervoerd zonder tussenstop buiten het douanegebied van de Unie.

9.   De vervoerder mag in het douanegebied van de Unie geen goederen lossen waarvoor de in artikel 97, lid 8, bedoelde voorafgaande vrachtinformatie niet aan de douaneautoriteiten is verstrekt of beschikbaar gesteld, tenzij de douaneautoriteiten de vervoerder hebben verzocht die goederen aan te brengen overeenkomstig artikel 103.

10.   In afwijking van lid 9 kunnen de douaneautoriteiten, in geval van een dreigend gevaar dat de onmiddellijke lossing van alle of een deel van de goederen noodzakelijk maakt, de vervoerder toestaan de goederen te lossen.

11.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de in lid 6 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen te bepalen, alsook de andere in dat lid bedoelde personen van wie kan worden verlangd dat zij het feitelijke douanekantoor van eerste binnenkomst in kennis stellen van de aankomst van de goederen.

12.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de in dit artikel bedoelde kennisgeving van aankomst. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

13.   Overeenkomstig de data die zijn vastgesteld in het in artikel 38, lid 6, punt b), bedoelde werkprogramma, en uiterlijk tot en met 28 februari 2034, kan een kennisgeving van aankomst als bedoeld in dit artikel verder worden ingediend en kan het fysiek aanbrengen van goederen bij de douane als bedoeld in artikel 103, lid 1, van deze verordening worden voortgezet, overeenkomstig de regels en gegevensvereisten van Verordening (EU) nr. 952/2013 die van toepassing zijn op de elektronische systemen die de lidstaten in samenwerking met de Commissie op grond van artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 hebben ontwikkeld.

Artikel 102

Vervoer naar de plaats van bestemming

1.   De vervoerder die goederen het douanegebied van de Unie binnenbrengt, brengt deze onverwijld, via de door de douaneautoriteiten aangegeven route en, in voorkomend geval, op de door hen vastgestelde wijze, naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats, of naar een vrije zone.

2.   Goederen die een vrije zone worden binnengebracht, worden rechtstreeks die vrije zone binnengebracht, over zee of door de lucht of, indien over land, zonder door een ander deel van het douanegebied van de Unie te worden vervoerd in het geval waar de vrije zone aan de landgrens tussen een lidstaat en een derde land grenst.

3.   Indien de vervoerders door onvoorziene omstandigheden of door overmacht de in lid 1 vermelde verplichting niet kunnen nakomen, stellen zij de douaneautoriteiten onverwijld in kennis van de situatie en van de precieze plaats van de goederen.

4.   De douaneautoriteiten stellen de maatregelen vast die moeten worden genomen om het douanetoezicht op de in lid 1 bedoelde goederen of, in de lid 3 genoemde omstandigheden, op het schip of luchtvaartuig en de zich daarin bevindende goederen mogelijk te maken en om er in voorkomend geval voor te zorgen dat de goederen vervolgens naar een door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar een andere door die autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats, dan wel naar een vrije zone worden overgebracht.

5.   De douaneautoriteiten kunnen goederen die zich nog buiten het douanegebied van de Unie bevinden, aan douanecontroles onderwerpen op basis van een met het betrokken derde land gesloten overeenkomst. De douaneautoriteiten behandelen die goederen op dezelfde wijze als goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht.

6.   In afwijking van de leden 1 en 3 kunnen bijzondere voorschriften van toepassing zijn op in het grensgebied vervoerde goederen of in pijpleidingen of via kabels vervoerde goederen evenals op verkeer van verwaarloosbaar economisch belang of goederen die reizigers bij zich dragen, voor zover het douanetoezicht en de mogelijkheden tot douanecontroles hierdoor niet in het gedrang komen.

7.   Lid 1 is niet van toepassing op vervoersmiddelen, noch op de daarmee vervoerde goederen die uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Unie worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt.

Artikel 103

Fysiek aanbrengen van goederen bij de douane

1.   Wanneer de douaneautoriteiten of de andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving dit vereisen, brengt de vervoerder of de houder van de goederen de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen bij aankomst fysiek aan bij de douane bij het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of op een andere door die autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats, dan wel in de vrije zone.

2.   De douaneautoriteiten stellen de vervoerder of de houder van de goederen in kennis van de verplichting om die goederen fysiek bij de douane aan te brengen.

3.   Fysiek bij de douane aangebrachte goederen mogen zonder toestemming van de douaneautoriteiten niet worden weggevoerd van de plaats waar zij werden aangebracht.

4.   Er wordt afgezien van de verplichting om goederen fysiek bij de douane aan te brengen voor Uniegoederen die worden vervoerd zonder wijziging van hun douanestatus overeenkomstig artikel 73, lid 2, en die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht nadat zij dat gebied tijdelijk over zee of door de lucht hebben verlaten en rechtstreeks zijn vervoerd zonder tussenstop buiten het douanegebied van de Unie.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de voorwaarden te bepalen voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde aanwijzing en goedkeuring van andere plaatsen dan het aangewezen douanekantoor.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het fysiek aanbrengen van goederen bij de douane overeenkomstig dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 104

Tijdelijke opslag van goederen

1.   Niet-Uniegoederen bevinden zich in tijdelijke opslag vanaf het moment waarop de in artikel 101 bedoelde persoon overeenkomstig dat artikel kennisgeeft van hun aankomst in het douanegebied van de Unie totdat zij onder een douaneregeling worden geplaatst of het douanegebied van de Unie verlaten, of totdat de douaneautoriteiten de situatie van de goederen regulariseren overeenkomstig lid 7 van dit artikel.

2.   Niet-Uniegoederen die onder een regeling douanevervoer zijn vervoerd, bevinden zich na beëindiging van de regeling douanevervoer in tijdelijke opslag totdat zij onder een andere douaneregeling zijn geplaatst of het douanegebied van de Unie verlaten, of totdat de douaneautoriteiten de situatie van de goederen overeenkomstig lid 7 regulariseren.

3.   Niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag worden in ruimten voor tijdelijke opslag opgeslagen overeenkomstig artikel 108, of, indien gerechtvaardigd, op andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen, met inbegrip van door vertrouwde en gecontroleerde handelaren aangewezen plaatsen.

4.   De houder van een in artikel 108 bedoelde vergunning voor het beheer van een ruimte voor tijdelijke opslag of de persoon die de goederen opslaat in gevallen waarin de goederen zijn opgeslagen op andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen, is verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de opslag van goederen in tijdelijke opslag, en zorgt er onder meer voor dat de goederen:

a)

niet aan het douanetoezicht worden onttrokken, en

b)

alleen worden onderworpen aan behandelingen die het behoud ervan waarborgen zonder deze te wijzigen of het uiterlijk of de technische kenmerken ervan te wijzigen.

5.   Tenzij in het Unierecht of het nationale recht anders is bepaald, worden niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag binnen 90 dagen na het begin van de tijdelijke opslag onder een douaneregeling geplaatst of buiten het douanegebied van de Unie gebracht. In uitzonderlijke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, kunnen de douaneautoriteiten die termijn verlengen.

6.   Niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag op door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen, met inbegrip van door vertrouwde en gecontroleerde handelaren aangewezen plaatsen, worden binnen een specifieke termijn onder een douaneregeling geplaatst of wederuitgevoerd.

7.   Indien goederen om een naar behoren gemotiveerde reden niet langer in tijdelijke opslag kunnen worden gehouden, nemen de douaneautoriteiten onverwijld alle nodige maatregelen om de goederen te verwijderen overeenkomstig hoofdstuk 4 van titel V.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de voorwaarden te bepalen voor de in lid 3 van dit artikel bedoelde aanwijzing of goedkeuring van plaatsen, de in lid 6 van dit artikel bedoelde termijn en de uitzonderlijke gevallen waarin de in lid 5 van dit artikel bedoelde termijn kan worden verlengd.

9.   Overeenkomstig de data die zijn vastgesteld in het in artikel 38, lid 6, punt b), bedoelde werkprogramma, en uiterlijk tot en met 28 februari 2034, wordt een aangifte tot tijdelijke opslag ingediend overeenkomstig de voorschriften en gegevensvereisten van Verordening (EU) nr. 952/2013.

Artikel 105

Informatie over tijdelijke opslag

1.   Niet-Uniegoederen waarvoor een kennisgeving van aankomst van de goederen aan de douaneautoriteit is verstrekt of beschikbaar gesteld, worden gedekt door informatie over tijdelijke opslag die alle gegevens bevat die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen inzake tijdelijke opslag.

2.   De in artikel 101 bedoelde persoon, de houder van een vergunning voor het beheer van een ruimte voor tijdelijke opslag of een andere persoon die de houder van de goederen is, verstrekt de informatie over de tijdelijke opslag of stelt deze beschikbaar, uiterlijk op het tijdstip waarop de goederen naar de ruimte voor tijdelijke opslag of naar andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen worden gebracht.

3.   Tenzij anders is bepaald, verlangen de douaneautoriteiten niet dat de informatie over tijdelijke opslag wordt verstrekt of beschikbaar gesteld indien:

a)

uiterlijk op het tijdstip van de kennisgeving van aankomst van de goederen in het douanegebied van de Unie de douanestatus van die goederen als Uniegoederen wordt bepaald overeenkomstig artikel 71, of

b)

de voor de douaneregeling of de wederuitvoer benodigde gegevens reeds aan de douaneautoriteiten zijn verstrekt of beschikbaar gesteld.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door:

a)

de in lid 3 van dit artikel bedoelde gevallen waarin de douaneautoriteiten niet mogen eisen dat informatie over tijdelijke opslag wordt verstrekt of beschikbaar gesteld, nader te specificeren;

b)

het vaststellen van de gegevens die aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld met het oog op de toepassing van de bepalingen inzake tijdelijke opslag.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor het indienen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie over tijdelijke opslag. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 106

Wijziging van informatie over tijdelijke opslag

1.   De in artikel 105, lid 2, bedoelde personen wijzigen één of meer gegevenselementen in de informatie over tijdelijke opslag:

a)

indien zij er kennis van hebben gekregen dat relevante informatie in hun registers is gewijzigd, of

b)

wanneer een douaneautoriteit hen daarom verzoekt wegens de onnauwkeurigheid of onvolledigheid van de gegevens of wegens problemen met de kwaliteit van de gegevens.

2.   De in artikel 105, lid 2, bedoelde personen wijzigen de informatie over tijdelijke opslag niet indien:

a)

de douaneautoriteiten deze personen in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b)

de douaneautoriteiten deze personen in kennis hebben gesteld dat zij hebben vastgesteld dat de verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens onjuist zijn, of

c)

de goederen buiten de ruimte voor tijdelijke opslag zijn gebracht, tenzij anders is bepaald.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen voor het wijzigen van informatie te bepalen.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de wijziging, overeenkomstig lid 1 van dit artikel, van de daarin bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 107

Ongeldigmaking van informatie over tijdelijke opslag

1.   Indien een in artikel 105, lid 2, bedoelde persoon er kennis van krijgt dat goederen het douanegebied van de Unie niet zullen worden binnengebracht, maakt die persoon die informatie over tijdelijke opslag zo spoedig mogelijk ongeldig.

Indien goederen waarvoor informatie over tijdelijke opslag is verstrekt of beschikbaar gesteld, niet binnen 30 dagen na de datum waarop die informatie is verstrekt of beschikbaar gesteld, het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, maken de douaneautoriteiten die gegevens ongeldig.

Informatie over tijdelijke opslag wordt ook ongeldig gemaakt in andere gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de in lid 1, derde alinea, van dit artikel bedoelde gevallen waarin informatie over tijdelijke opslag ongeldig moet worden gemaakt, nader te specificeren.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de ongeldigmaking van de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie over tijdelijke opslag. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 108

Vergunning voor het beheer van ruimten voor tijdelijke opslag

1.   Voor het beheer van een ruimte voor tijdelijke opslag is een vergunning van de douaneautoriteiten vereist. Een dergelijke vergunning is niet vereist indien de ruimte voor tijdelijke opslag door de douaneautoriteit zelf wordt beheerd.

De voorwaarden waaronder het beheer van een ruimte voor tijdelijke opslag is toegestaan, worden in die vergunning opgenomen.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning wordt uitsluitend verleend aan personen die:

a)

in het douanegebied van de Unie zijn gevestigd;

b)

de nodige waarborgen bieden voor de goede afhandeling van de verrichtingen, en

c)

zekerheid stellen overeenkomstig artikel 194.

Wanneer er een doorlopende zekerheid wordt gesteld, worden de aan die zekerheid verbonden verplichtingen op passende wijze gecontroleerd.

Een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of een vertrouwde en gecontroleerde handelaar wordt geacht te hebben voldaan aan de in de eerste alinea, punt b), van dit lid bedoelde voorwaarde indien met de activiteit in verband met het beheer van de betrokken ruimten voor tijdelijke opslag in de in artikel 30, respectievelijk artikel 31 bedoelde vergunning rekening is gehouden.

3.   De in lid 1 bedoelde vergunning wordt slechts toegekend indien de douaneautoriteiten douanetoezicht kunnen uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften.

4.   De houder van de in lid 1 bedoelde vergunning houdt passende administratie bij in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm en verstrekt deze administratie of stelt deze beschikbaar in de EU-douanedatahub.

Aan de hand van de informatie en de gegevens in die administratie moeten de douaneautoriteiten in staat zijn toezicht uit te oefenen op het beheer van de ruimten voor tijdelijke opslag, met name wat de identificatie, de douanestatus en de overbrenging van de opgeslagen goederen betreft.

5.   Een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of een vertrouwde en gecontroleerde handelaar wordt geacht aan de in lid 4 vastgestelde verplichting te voldoen indien diens administratie passend is met het oog op het beheer van ruimten voor tijdelijke opslag.

6.   De douaneautoriteiten kunnen de houder van de in lid 1 bedoelde vergunning toestaan goederen in tijdelijke opslag over te brengen tussen de verschillende ruimten voor tijdelijke opslag, op voorwaarde dat het frauderisico daardoor niet toeneemt, voor de volgende soorten overbrengingen:

a)

overbrenging die plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van één douaneautoriteit;

b)

overbrenging die onder slechts één vergunning valt die is verleend aan een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of aan een vertrouwde en gecontroleerde handelaar, of

c)

andere gevallen van overbrenging die in de douanewetgeving zijn vastgelegd.

7.   Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestemming geven voor de opslag van Uniegoederen in een ruimte voor tijdelijke opslag. Deze goederen worden niet als goederen in tijdelijke opslag beschouwd.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door het bepalen van:

a)

de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor het beheer van ruimten voor tijdelijke opslag;

b)

het soort informatie en gegevens dat moet worden opgenomen in de administratie en moet worden verstrekt of beschikbaar gesteld in de EU-douanedatahub, als bedoeld in lid 4 van dit artikel;

c)

de andere in lid 6, punt c), van dit artikel bedoelde gevallen van overbrenging van goederen in tijdelijke opslag en de daarmee verband houdende voorwaarden.

9.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de overbrenging van goederen tussen ruimten voor tijdelijke opslag overeenkomstig lid 6 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 2

In het vrije verkeer brengen

Artikel 109

Toepassingsgebied en werking

1.   Niet-Uniegoederen die bestemd zijn om op de markt van de Unie te worden gebracht of bestemd zijn voor particulier gebruik of consumptie binnen het douanegebied van de Unie, worden onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen geplaatst.

2.   Niet-Uniegoederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van Uniegoederen.

3.   De voorwaarden voor het plaatsen van goederen onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen zijn de volgende:

a)

de vereiste gegevens zijn verstrekt aan of ter beschikking gesteld van de douaneautoriteiten, waaronder ten minste de identiteit van de voor de goederen verantwoordelijke importeur, de verkoper, de koper, de fabrikant, de productleverancier indien deze verschilt van de fabrikant, en de identiteit van de verantwoordelijke marktdeelnemer in de Unie op grond van artikel 4 van Verordening (EU) 2019/1020 en artikel 16 van Verordening (EU) 2023/988, de waarde, de oorsprong, de tariefindeling en een omschrijving van de goederen, de unieke referentie van de zending en de plaats waar deze zich bevindt, en de lijst van relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

b)

in het geval van goederen die worden ingevoerd door een importeur voor afstandsverkopen die ervoor heeft gekozen gebruik te maken van de IOSS-regeling, omvatten de vereiste gegevens, naast de in punt a) bedoelde gegevens, de informatie die is opgenomen in de door de belastingplichtige overeenkomstig artikel 369 quinvicies, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG bijgehouden boekhouding van de onder de IOSS-regeling vallende transacties;

c)

alle verschuldigde invoerrechten of overige heffingen, met inbegrip van antidumpingrechten, compenserende rechten of vrijwaringsmaatregelen, zijn betaald of er is zekerheid voor gesteld, tenzij voor de goederen een verzoek tot toewijzing van een tariefcontingent is ingediend;

d)

de goederen zijn aangekomen op de plaats van vrijgave in het douanegebied van de Unie, en

e)

de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door nader te bepalen welke gegevens aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld om goederen onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen te plaatsen als bedoeld in lid 3, punt a), van dit artikel, of door te voorzien in afwijkingen van dat punt die gerechtvaardigd zijn voor het soort verkeer in kwestie.

Artikel 110

Toepassing van handelspolitieke maatregelen op actieve en passieve veredeling

1.   Indien na actieve veredeling verkregen veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht en de berekening van het bedrag van de invoerrechten plaatsvindt overeenkomstig artikel 192, lid 3, worden de handelspolitieke maatregelen toegepast die van toepassing zijn voor het in het vrije verkeer brengen van de onder actieve veredeling geplaatste goederen.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op afval en resten.

3.   Indien na actieve veredeling verkregen veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht en de berekening van het bedrag van de invoerrechten plaatsvindt overeenkomstig artikel 191, lid 1, gelden de handelspolitieke maatregelen die op die goederen van toepassing zijn alleen indien de onder actieve veredeling geplaatste goederen aan dergelijke maatregelen onderworpen zijn.

4.   Handelspolitieke maatregelen zijn niet van toepassing op veredelingsproducten die na passieve veredeling in het vrije verkeer worden gebracht, wanneer:

a)

de veredelingsproducten hun Unie-oorsprong behouden in de zin van artikel 169;

b)

de passieve veredeling een herstelling betreft, met inbegrip van het in artikel 164 bedoelde systeem uitwisselingsverkeer, of

c)

na de passieve veredeling verdere veredelingshandelingen volgen overeenkomstig artikel 160.

HOOFDSTUK 3

Vrijstelling van invoerrechten

Artikel 111

Terugkerende goederen

1.   Niet-Uniegoederen die, na oorspronkelijk als Uniegoederen uit het douanegebied van de Unie te zijn uitgevoerd, dit douanegebied binnen drie jaar opnieuw binnenkomen en onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen worden geplaatst, worden op aanvraag van de belanghebbende van invoerrechten vrijgesteld.

De eerste alinea is eveneens van toepassing wanneer de terugkerende goederen slechts een deel vertegenwoordigen van de goederen die eerder uit het douanegebied van de Unie werden uitgevoerd.

2.   De in lid 1 bedoelde termijn van drie jaar kan worden overschreden om rekening te houden met bijzondere omstandigheden.

3.   Indien de terugkerende goederen vóór hun uitvoer uit het douanegebied van de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht vrij van rechten dan wel met een verlaagd invoerrecht op grond van hun bijzondere bestemming, wordt de in lid 1 bedoelde vrijstelling van invoerrechten slechts verleend indien die goederen voor dezelfde bijzondere bestemming in het vrije verkeer worden gebracht.

Indien de goederen niet voor dezelfde bijzondere bestemming in het vrije verkeer zullen worden gebracht, wordt het bedrag aan invoerrechten verminderd met het bedrag dat is geïnd op het tijdstip waarop zij voor het eerst in het vrije verkeer werden gebracht. Als dit laatste bedrag hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit het in het vrije verkeer brengen van de terugkerende goederen, wordt geen terugbetaling verleend.

4.   Indien Uniegoederen hun douanestatus hebben verloren op grond van artikel 72 en vervolgens in het vrije verkeer worden gebracht, zijn de leden 1, 2 en 3 van dit artikel van toepassing.

5.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling van invoerrechten wordt slechts verleend indien de goederen terugkeren in de staat waarin zij werden uitgevoerd.

6.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling van invoerrechten wordt ondersteund door informatie waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor die vrijstelling is voldaan.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen in welke gevallen goederen worden geacht terug te keren in de staat waarin zij werden uitgevoerd als bedoeld in lid 5 van dit artikel.

8.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de verstrekking van de in lid 6 van dit artikel bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 112

Goederen die eerder onder de regeling actieve veredeling waren geplaatst

1.   Artikel 111, leden 1, 2, 5 en 6, is mutatis mutandis van toepassing op veredelingsproducten die oorspronkelijk uit het douanegebied van de Unie zijn wederuitgevoerd na een regeling actieve veredeling, mits het in het vrije verkeer brengen van die veredelingsproducten leidt tot de inning van de invoerrechten die verschuldigd zijn voor de goederen die onder de eerste regeling actieve veredeling zijn geplaatst.

2.   Indien de in lid 1 bedoelde veredelingsproducten onder een volgende regeling actieve veredeling worden geplaatst en andere veredelingsproducten dan die welke in het kader van de vorige actieve veredeling zijn verkregen, in het vrije verkeer worden gebracht, wordt het invoerrecht geïnd voor de in lid 1 bedoelde goederen.

3.   Het bedrag aan invoerrechten voor de goederen waarop lid 1 van dit artikel betrekking heeft, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 192, lid 3.

4.   De in artikel 111 bedoelde vrijstelling van invoerrechten wordt verleend voor veredelingsproducten die zijn uitgevoerd overeenkomstig artikel 133, lid 2, punt c), alleen indien wordt gegarandeerd dat er geen goederen die door equivalente goederen zijn vervangen, onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst.

Artikel 113

Producten van zeevisserij en andere uit zee gewonnen producten

1.   Onverminderd artikel 169, lid 1, geldt een vrijstelling van invoerrechten voor het in het vrije verkeer brengen van:

a)

producten van zeevisserij en andere producten die uit de territoriale zee van een derde land zijn gewonnen door uitsluitend in een lidstaat ingeschreven of geregistreerde schepen die de vlag van deze lidstaat voeren;

b)

producten die zijn verkregen uit de in punt a) van dit lid bedoelde producten aan boord van fabrieksschepen en die voldoen aan de in dat punt gestelde voorwaarden.

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling van invoerrechten wordt ondersteund door het bewijs dat de in dat lid vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de verstrekking van de in lid 2 van dit artikel bedoelde bewijs. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

TITEL VII

GOEDEREN DIE HET DOUANEGEBIED VAN DE UNIE VERLATEN

HOOFDSTUK 1

Uitvoer en wederuitvoer

Artikel 114

Uitvoer

1.   Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, worden onder de regeling uitvoer geplaatst.

2.   De voorwaarden voor het plaatsen van goederen onder de regeling uitvoer zijn de volgende:

a)

de vereiste gegevens zijn verstrekt of beschikbaar gesteld aan de douaneautoriteiten;

b)

alle verschuldigde uitvoerrechten of overige heffingen zijn betaald of er is zekerheid voor gesteld, en

c)

de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

3.   Goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten, worden, indien van toepassing, aan het volgende onderworpen:

a)

de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten;

b)

de formaliteiten uit hoofde van de bepalingen die van toepassing zijn op overige heffingen;

c)

de procedureregels inzake uitvoer en uitgang.

4.   Lid 1 is niet van toepassing op Uniegoederen:

a)

die onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst;

b)

die het douanegebied van de Unie hebben verlaten na onder de regeling bijzondere bestemming te zijn geplaatst;

c)

die als vliegtuig- of scheepsvoorraden worden geleverd, vrijgesteld van btw of accijns dan wel onderworpen aan een nultarief voor btw of accijns, ongeacht de bestemming van het vliegtuig of het schip, waarvoor een bewijs van een dergelijke levering is vereist;

d)

die onder de regeling intern douanevervoer zijn geplaatst;

e)

die overeenkomstig artikel 73 tijdelijk uit het douanegebied van de Unie zijn gebracht.

5.   De douaneformaliteiten die van toepassing zijn op de regeling uitvoer zijn van toepassing in de in lid 4, punten a) en b), en lid 4, punt c), bedoelde gevallen, ongeacht de bestemming van het vliegtuig of schip.

6.   Goederen die naar Helgoland worden verzonden, worden niet beschouwd als uitgevoerd uit het douanegebied van de Unie.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen welke gegevens er aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld om goederen onder de regeling uitvoer te plaatsen, als bedoeld in lid 2, punt a), van dit artikel.

8.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast van de in lid 3, punt c), van dit artikel bedoelde procedureregels inzake uitvoer en uitgang. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 115

Vrijstelling van uitvoerrechten voor tijdelijk uitgevoerde Uniegoederen

Onverminderd artikel 161 komen Uniegoederen die tijdelijk uit het douanegebied van de Unie worden uitgevoerd, in aanmerking voor vrijstelling van uitvoerrechten indien zij worden wederingevoerd.

Artikel 116

Wederuitvoer

1.   Niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, worden wederuitgevoerd op voorwaarde dat de desbetreffende gegevens over wederuitvoer worden verstrekt of beschikbaar gesteld en dat de voor wederuitvoer bestemde goederen voldoen aan de andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving ten aanzien van niet-Uniegoederen.

2.   De gegevens over wederuitvoer omvatten, indien van toepassing, de gegevens die nodig zijn om de voorafgaande douaneregeling aan te zuiveren of de tijdelijke opslag te beëindigen.

3.   De artikelen 74 tot en met 80 en artikel 123 zijn van toepassing op wederuitvoer.

4.   Lid 1 is niet van toepassing:

a)

op niet-Uniegoederen die onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst en slechts door het douanegebied van de Unie worden vervoerd;

b)

wanneer niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, tijdens de reis in hetzelfde vervoersmiddel worden gelost en opnieuw worden geladen om het lossen of laden van andere goederen in diezelfde haven of luchthaven mogelijk te maken.

5.   Tot en met 28 februari 2034 kunnen gegevens over wederuitvoer worden verstrekt in:

a)

een aangifte tot wederuitvoer, of

b)

een kennisgeving van wederuitvoer, wanneer goederen worden overgeladen in of rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een vrije zone of een ruimte voor tijdelijke opslag.

6.   Tot en met 28 februari 2034 zijn de artikelen 81 tot en met 93 van toepassing op de aangifte tot wederuitvoer en de kennisgeving van wederuitvoer.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen in welke gevallen een kennisgeving van wederuitvoer moet worden ingediend en in welke gevallen deze kan worden gewijzigd of ongeldig gemaakt.

8.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de indiening, wijziging of ongeldigmaking van een kennisgeving van wederuitvoer. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 2

Uitgang van goederen

Artikel 117

Informatie vóór vertrek

1.   Vervoerders die goederen uit het douanegebied van de Unie brengen, verstrekken of stellen binnen specifieke termijnen, en uiterlijk bij de kennisgeving van aankomst van de goederen op de plaats van uitgang, minimale informatie vóór vertrek over die goederen ter beschikking aan de bevoegde douaneautoriteit.

2.   De informatie vóór vertrek bevat de gegevens die de douaneautoriteiten nodig hebben om een risicoanalyse uit te voeren, in de eerste plaats voor veiligheids- en beveiligingsdoeleinden.

3.   De exporteur kan de informatie vóór vertrek geheel of gedeeltelijk verstrekken of ter beschikking stellen aan de bevoegde douaneautoriteit.

4.   Indien de exporteur reeds een deel van de vereiste informatie vóór vertrek heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld, koppelt de vervoerder het door hem verstrekte of ter beschikking gestelde deel van de vereiste informatie vóór vertrek aan de reeds door de exporteur verstrekte of ter beschikking gestelde informatie.

5.   Indien de exporteur alle vereiste informatie vóór vertrek reeds heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld, gaat de vervoerder enkel over tot het verstrekken of ter beschikking stellen van aanvullende informatie vóór vertrek wanneer hij weet dat de eerder verstrekte of ter beschikking gestelde informatie onjuist is.

6.   De exporteur wordt ervan in kennis gesteld wanneer een vervoerder de door hem verstrekte of ter beschikking gestelde informatie vóór vertrek koppelt aan het door de exporteur verstrekte of ter beschikking gestelde deel van de informatie vóór vertrek.

7.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, waarin de vervoerder of de exporteur niet alle in de leden 3 en 5 bedoelde informatie vóór vertrek heeft verstrekt of beschikbaar heeft gesteld, kunnen andere personen die over die informatie beschikken, worden verplicht die te verstrekken of beschikbaar te stellen.

8.   Een persoon die informatie vóór vertrek verstrekt of beschikbaar stelt, kan de zichtbaarheid van zijn of haar identificatiegegevens en commercieel gevoelige gegevens beperken tot één of meer personen die ook gegevens verstrekken of beschikbaar stellen, zonder afbreuk te doen aan het gebruik van alle gegevens voor douanetoezicht.

9.   De verplichting om informatie vóór vertrek te verstrekken of beschikbaar te stellen, geldt niet:

a)

voor vervoermiddelen en de daarmee vervoerde goederen die uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Unie worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt;

b)

in andere specifieke gevallen, wanneer dit naar behoren wordt gerechtvaardigd door het soort goederen of het soort verkeer of wanneer dit uit hoofde van internationale overeenkomsten vereist is;

c)

voor overeenkomstig artikel 73 tijdelijk uit het douanegebied van de Unie gebrachte goederen;

d)

voor goederen die worden geleverd om als onderdeel of toebehoren in schepen of luchtvaartuigen te worden gemonteerd, of voor de werking van de motoren, machines en andere uitrusting van schepen of luchtvaartuigen te worden gebruikt, alsook levensmiddelen en andere artikelen bestemd om aan boord te worden verbruikt of verkocht.

10.   In de in lid 9 van dit artikel bedoelde gevallen worden gegevens over wederuitvoer verstrekt of beschikbaar gesteld overeenkomstig artikel 116.

11.   De vervoerder brengt goederen uit het douanegebied van de Unie in dezelfde staat als toen de informatie vóór vertrek werd verstrekt of beschikbaar werd gesteld.

12.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door:

a)

te specificeren welke gegevens van de informatie vóór vertrek aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of ter beschikking moeten worden gesteld, als bedoeld in lid 1 van dit artikel;

b)

de in lid 1 van dit artikel bedoelde specifieke termijnen vast te stellen, rekening houdend met het soort verkeer en het vervoermiddel;

c)

de specifieke gevallen te bepalen waarin geen verplichting geldt om informatie vóór vertrek te verstrekken of beschikbaar te stellen als bedoeld in lid 9, punt b), van dit artikel;

d)

de voorwaarden vast te stellen waaronder de persoon die informatie vóór vertrek verstrekt of beschikbaar stelt, de zichtbaarheid van de identificatiegegevens en commercieel gevoelige gegevens kan beperken, als bedoeld in lid 8 van dit artikel.

13.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het verstrekken, beschikbaar stellen en ontvangen van de in dit artikel bedoelde informatie vóór vertrek. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

14.   Overeenkomstig de data die zijn vastgesteld in het in artikel 38, lid 6, punt b), bedoelde werkprogramma, en uiterlijk tot en met 28 februari 2034, kunnen de formaliteiten bij de uitgang van goederen verder worden verricht overeenkomstig de regels en gegevensvereisten van Verordening (EU) nr. 952/2013 die van toepassing zijn op de elektronische systemen die de lidstaten en de Commissie op grond van artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 hebben ontwikkeld.

Artikel 118

Risicoanalyse van de informatie vóór vertrek

1.   Onverminderd de in titel IV genoemde activiteiten van de EU-douaneautoriteit zorgt de bevoegde douaneautoriteit ervoor dat, binnen specifieke termijnen, een risicoanalyse wordt verricht. Die risicoanalyse wordt in de eerste plaats uitgevoerd voor veiligheids- en beveiligingsdoeleinden en, in voorkomend geval, in samenwerking met andere douanekantoren en, waar mogelijk, op basis van de informatie vóór vertrek en andere gegevens die via de EU-douanedatahub worden verstrekt of beschikbaar gesteld. De bevoegde douaneautoriteit neemt de nodige maatregelen op basis van de resultaten van die risicoanalyse.

2.   Het douanekantoor van uitgang kan passende mitigerende maatregelen nemen, waaronder:

a)

het gelasten van de persoon die de informatie vóór vertrek heeft verstrekt of beschikbaar heeft gesteld, om de goederen niet te laden of te vervoeren, en, indien de vervoerder een andere persoon is dan degene die de informatie vóór vertrek heeft verstrekt, eveneens het gelasten van de vervoerder om de goederen niet te laden of te vervoeren;

b)

het verzoeken om aanvullende informatie of actie;

c)

het vaststellen van situaties waarin actie door een andere autoriteit aangewezen kan zijn;

d)

het aanbevelen van de meest geschikte plaats om een douanecontrole uit te voeren en de meest geschikte maatregelen voor die controle.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door specifieke termijnen te bepalen waarbinnen de in lid 1 van dit artikel bedoelde risicoanalyse moet worden verricht.

4.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de procedureregels voor het gelasten van de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde personen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   Overeenkomstig de data die zijn vastgesteld in het in artikel 38, lid 6, punt b), bedoelde werkprogramma, en uiterlijk tot en met 28 februari 2034, wordt de risicoanalyse verricht op basis van de op grond van artikel 117, lid 14, ingediende gegevens. Na die datum wordt de risicoanalyse verricht op basis van de gegevens die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub.

Artikel 119

Wijziging van de informatie vóór vertrek

1.   De exporteur of de in artikel 117 bedoelde personen wijzigen één of meer gegevenselementen in de informatie vóór vertrek indien:

a)

de exporteur of de in artikel 117 bedoelde personen ervan kennis krijgen dat de relevante informatie in hun registers is gewijzigd of dat de informatie onjuist is, of

b)

een douaneautoriteit de exporteur of de in artikel 117 bedoelde personen daarom verzoekt vanwege de onnauwkeurigheid of onvolledigheid van de gegevens of vanwege problemen met de kwaliteit van de gegevens, met name wanneer die zijn vastgesteld als resultaat van de verrichte risicoanalyse.

2.   De exporteur of de in artikel 117 bedoelde andere personen wijzigen de informatie vóór vertrek niet indien:

a)

de douaneautoriteiten de persoon die de informatie vóór vertrek heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld en de vervoerder, indien deze niet dezelfde persoon is, hebben gelast om de goederen niet te laden of te vervoeren als bedoeld in artikel 118, lid 2, punt a);

b)

de douaneautoriteiten de vervoerder of de persoon die de informatie vóór vertrek heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld, in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

c)

de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat de informatie vóór vertrek onjuist is;

d)

de gegevens in de informatie vóór vertrek zijn opgenomen in de lijst van gegevens die niet kunnen worden gewijzigd;

e)

de douaneautoriteiten de goederen reeds hebben vrijgegeven voor uitgang.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door te bepalen welke gegevens in de informatie vóór vertrek niet kunnen worden gewijzigd, als bedoeld in lid 2, punt d), van dit artikel.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde wijzigen van de informatie vóór vertrek. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 120

Ongeldigmaking van informatie vóór vertrek

1.   Indien de vervoerders of andere personen die de informatie vóór vertrek verstrekken of beschikbaar stellen, er kennis van krijgen dat de goederen waarop die informatie vóór vertrek betrekking heeft, het douanegebied van de Unie niet zullen verlaten, verzoeken zij de douaneautoriteit zo spoedig mogelijk de informatie vóór vertrek onverwijld ongeldig te maken.

Indien goederen waarop de informatie vóór vertrek betrekking heeft, het douanegebied van de Unie niet binnen 200 dagen na de datum waarop de informatie vóór vertrek aan de douaneautoriteiten is verstrekt of ter beschikking is gesteld, verlaten, maken de douaneautoriteiten die informatie vóór vertrek ongeldig.

2.   Personen die de informatie vóór vertrek verstrekken of beschikbaar stellen, met inbegrip van de exporteur, stellen elkaar ervan in kennis dat de door hen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie vóór vertrek ongeldig is gemaakt.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel bedoelde ongeldigmaking van de informatie vóór vertrek. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 121

Kennisgeving van aankomst van de goederen op de plaats van uitgang

1.   De vervoerder stelt het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten, binnen specifieke termijnen in kennis van de aankomst van die goederen op de plaats van uitgang.

2.   Niettegenstaande de in lid 1 bedoelde verplichtingen van de vervoerder, kan elk van de volgende personen de aankomst van de goederen melden:

a)

een exporteur, of

b)

de persoon die de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het vervoer van de goederen vóór de uitgang ervan uit het douanegebied van de Unie.

3.   Mits de douaneautoriteit daarvoor goedkeuring heeft gegeven, kan de kennisgeving van aankomst van de goederen aan de douaneautoriteiten worden verstrekt of ter beschikking worden gesteld via andere middelen dan de EU-douanedatahub, zoals systemen voor handels-, haven- of vervoersinformatie, op voorwaarde dat die systemen de nodige gegevens voor de kennisgeving bevatten en die gegevens binnen de in lid 1 bedoelde specifieke termijnen beschikbaar zijn. In dergelijke gevallen worden de via die andere middelen verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens doorgegeven aan de EU-douanedatahub.

4.   De in lid 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing wanneer goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten, tijdens de reis uitsluitend worden gelost en opnieuw op hetzelfde vervoermiddel worden geladen teneinde het lossen of laden van andere goederen in diezelfde haven of luchthaven van de Unie mogelijk te maken.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door te bepalen welke gegevens moeten worden meegedeeld aan het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten.

Artikel 122

Fysiek aanbrengen van goederen bij de douane

1.   Indien de douaneautoriteiten of de andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving dit vereisen, brengt de vervoerder of de houder van de goederen die goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten, fysiek bij de douane aan vóór het vertrek van die goederen.

2.   De douaneautoriteiten stellen de vervoerder of de houder van de goederen in kennis van de verplichting om de goederen fysiek bij de douane aan te brengen.

3.   Fysiek bij de douane aangebrachte goederen mogen niet zonder toestemming van de douaneautoriteiten worden weggevoerd van de plaats waar zij zijn aangebracht.

Artikel 123

Bevestiging van uitgang

De vervoerder die de goederen buiten het douanegebied van de Unie brengt of de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer van de goederen vóór de uitgang ervan uit het douanegebied van de Unie, bevestigt aan de douaneautoriteiten de uitgang van de goederen uit het douanegebied van de Unie.

TITEL VIII

BIJZONDERE REGELINGEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 124

Toepassingsgebied

Goederen kunnen onder een van de volgende bijzondere regelingen worden geplaatst:

a)

douanevervoer, dat extern en intern douanevervoer omvat;

b)

opslag, dat douane-entrepots en vrije zones omvat;

c)

specifieke bestemming, dat tijdelijke invoer en bijzondere bestemming omvat;

d)

veredeling, dat actieve en passieve veredeling omvat.

Artikel 125

Vergunning

1.   Importeurs, exporteurs of hun indirecte vertegenwoordigers die voornemens zijn goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen, hebben een vergunning van de douaneautoriteiten nodig voor:

a)

het gebruik van de regeling actieve of passieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;

b)

het beheer van ruimten voor de opslag van goederen in een douane-entrepot, tenzij de betrokken douaneautoriteit de beheerder van een ruimte voor opslag is.

2.   De volgende personen en autoriteiten kunnen ruimten voor de opslag van goederen voor het douane-entrepot door importeurs beheren:

a)

personen die over de desbetreffende vergunning van de douaneautoriteiten beschikken, en

b)

de betrokken douaneautoriteit wanneer deze de beheerder van een ruimte voor opslag is.

3.   In de in de leden 1 en 2 bedoelde vergunningen worden de voorwaarden voor het gebruik van de betrokken bijzondere regeling of voor het beheer van de betrokken ruimten voor opslag opgenomen.

4.   Behalve in specifieke gevallen die in het Unierecht zijn vastgelegd, verlenen de douaneautoriteiten de in de leden 1 en 2 bedoelde vergunningen alleen indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:

a)

de aanvrager is in het douanegebied van de Unie gevestigd;

b)

de aanvrager biedt de nodige waarborgen voor de goede afhandeling van de verrichtingen;

c)

een zekerheid wordt gesteld voor de mogelijke douaneschuld of overige heffingen in verband met de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen overeenkomstig artikel 194;

d)

de douaneautoriteiten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften;

e)

in het geval van de regeling tijdelijke invoer gebruiken aanvragers de goederen of laten zij deze gebruiken;

f)

in het geval van de regeling actieve veredeling verrichten aanvragers veredelingshandelingen of laten zij deze verrichten;

g)

in het geval van een veredelingsregeling worden de wezenlijke belangen van producenten in de Unie niet geschaad door de vergunning (“economische voorwaarden”).

Een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of een vertrouwde en gecontroleerde handelaar wordt geacht aan de voorwaarde van punt b) van de eerste alinea van dit lid te voldoen indien met de activiteit voor de betreffende bijzondere regeling in de in artikel 30 respectievelijk 31 bedoelde vergunning rekening is gehouden.

5.   Indien wordt aangetoond dat het verlenen van een vergunning voor een regeling actieve veredeling waarschijnlijk de wezenlijke belangen van producenten in de Unie zal schaden, verzoeken de bevoegde douaneautoriteiten, voordat zij een besluit over die vergunning nemen, de EU-douaneautoriteit om een met redenen omkleed advies, tenzij het verlenen van de vergunning anderszins is gerechtvaardigd door het economische karakter van de veredeling.

6.   Indien wordt aangetoond dat het verlenen van een vergunning voor een regeling passieve veredeling waarschijnlijk de wezenlijke belangen van producenten in de Unie van als gevoelig aangemerkte goederen zal schaden, en de goederen niet bestemd zijn om te worden gerepareerd, verzoeken de bevoegde douaneautoriteiten, voordat zij een besluit over die vergunning nemen, de EU-douaneautoriteit om een met redenen omkleed advies.

7.   Indien zij daarom overeenkomstig de leden 5 en 6 wordt verzocht, kan de EU-douaneautoriteit een van de volgende adviezen uitbrengen:

a)

dat het verlenen van de vergunning de wezenlijke belangen van producenten in de Unie niet schaadt;

b)

dat het verlenen van de vergunning de wezenlijke belangen van producenten in de Unie schaadt;

c)

dat het verlenen van de vergunning voor een naar behoren gemotiveerde en gecontroleerde hoeveelheid goederen, die in het advies wordt bepaald, de wezenlijke belangen van producenten in de Unie niet schaadt.

Met het advies van de EU-douaneautoriteit wordt rekening gehouden door de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor het verlenen van de vergunning, alsook door alle andere douaneautoriteiten die zich met soortgelijke vergunningen bezighouden.

Om dat advies te verstrekken, kan de EU-douaneautoriteit rekening houden met standpunten en informatie die zij van belanghebbenden heeft ontvangen, op voorwaarde dat die belanghebbenden die informatie binnen de in de in lid 11, punt b), bedoelde procedureregels vastgestelde termijnen aan de EU-douaneautoriteit verstrekken.

8.   De vergunningsaanvragen en de vergunningen worden door de vergunningverlenende douaneautoriteiten verstrekt of beschikbaar gesteld in de EU-douanedatahub. Wanneer een vergunning voor een bijzondere regeling commercieel gevoelige informatie bevat, wordt de toegang tot die gevoelige informatie beperkt.

9.   Indien wordt aangetoond dat het wezenlijke belang van producenten in de Unie kan worden geschaad door het gebruik van een reeds verleende vergunning, kunnen de Commissie of de lidstaten de EU-douaneautoriteit verzoeken een met redenen omkleed advies uit te brengen volgens de in de leden 5 en 6 vastgestelde procedure.

10.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door:

a)

de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van vergunningen voor het gebruik van de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde bijzondere regelingen of voor het beheer van de in lid 1, punt b), en lid 2 van dit artikel bedoelde ruimten voor opslag;

b)

de in lid 4 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen vast te stellen;

c)

de in lid 5 van dit artikel bedoelde gevallen te specificeren waarin het economische karakter van de veredeling rechtvaardigt dat de douaneautoriteiten zonder het advies van de EU-douaneautoriteit beoordelen of het verlenen van een vergunning voor een regeling actieve veredeling de wezenlijke belangen van producenten in de Unie schaadt;

d)

de in lid 5 van dit artikel bedoelde gevallen te specificeren waarin kan worden aangetoond dat de wezenlijke belangen van producenten in de Unie waarschijnlijk zullen worden geschaad, alsook de in de leden 5 en 6 van dit artikel bedoelde gevallen waarin de economische voorwaarden vervuld worden geacht;

e)

de lijst van als gevoelig aangemerkte goederen als bedoeld in lid 6 van dit artikel vast te leggen.

11.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met:

a)

de procedureregels voor het verlenen van de vergunning voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde bijzondere regelingen of het beheer van de ruimten voor opslag;

b)

de procedureregels voor het onderzoek van de economische voorwaarden, onder meer voor het uitbrengen van een met redenen omkleed advies door de EU-douaneautoriteit, en

c)

de regels voor het vaststellen en controleren van de hoeveelheid als bedoeld in lid 7 van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

12.   Tot 21 september 2027:

a)

worden de in lid 4, punt g), van dit artikel bedoelde economische voorwaarden onderzocht op het niveau van de Unie overeenkomstig de in lid 11, punt b), van dit artikel bedoelde procedureregels;

b)

wordt, wanneer naar het advies van de EU-douaneautoriteit uit hoofde van dit hoofdstuk wordt verwezen, verwezen naar het in de leden 5, 6 en 7 van dit artikel bedoelde onderzoek op het niveau van de Unie door de Commissie.

Artikel 126

Vergunningen met terugwerkende kracht

1.   De douaneautoriteiten verlenen op aanvraag een vergunning met terugwerkende kracht indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er is een bewezen economische behoefte;

b)

de aanvraag houdt geen verband met een poging tot bedrog;

c)

de aanvrager heeft op basis van boekhouding of bescheiden aangetoond dat:

i)

aan alle procedurevereisten is voldaan;

ii)

de goederen, waar nodig, voor de betrokken periode kunnen worden geïdentificeerd;

iii)

de procedure kan worden gecontroleerd aan de hand van de boekhouding of bescheiden;

d)

alle formaliteiten om de situatie van de goederen te regulariseren kunnen worden verricht, zo nodig met inbegrip van de ongeldigmaking van de betrokken douaneaangiften of van de gegevens die voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling zijn verstrekt of beschikbaar gesteld;

e)

aan de aanvrager is geen vergunning met terugwerkende kracht verleend voor dezelfde bijzondere regeling binnen drie jaar na de datum waarop de aanvraag is aanvaard;

f)

tenzij de aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, is het advies van de EU-douaneautoriteit niet vereist om te beoordelen of het verlenen van de vergunning de wezenlijke belangen van producenten in de Unie al dan niet zou schaden;

g)

de aanvraag heeft geen betrekking op het beheer van een ruimte voor opslag in een douane-entrepot, en

h)

indien een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, wordt de aanvraag binnen drie jaar na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning ingediend.

2.   De douaneautoriteiten kunnen een vergunning met terugwerkende kracht verlenen indien de goederen die onder een douaneregeling waren geplaatst, niet langer beschikbaar zijn op het moment dat de vergunningsaanvraag was aanvaard.

Artikel 127

Wijziging met terugwerkende kracht van de vergunning

1.   Op gerechtvaardigde aanvraag van de houder van de vergunning, ingediend binnen de geldigheidsduur van de in artikel 125, leden 1 en 2, bedoelde vergunning, kunnen de douaneautoriteiten de verleende vergunning met terugwerkende kracht wijzigen.

De houder van de vergunning kan de aanvraag tot wijziging van de vergunning echter wel indienen na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning indien er sprake is van goederen die zich onder een niet-aangezuiverde douaneregeling bevinden.

2.   In de beschikking over de wijziging met terugwerkende kracht van de vergunning stellen de douaneautoriteiten de datum vast waarop die wijziging van kracht wordt.

3.   Een wijziging met terugwerkende kracht wordt niet van kracht vóór de datum waarop de vergunning van kracht wordt.

4.   Wijzigingen met terugwerkende kracht worden niet toegestaan in de volgende gevallen:

a)

de aanvraag wordt ingediend nadat de douaneautoriteiten de houder van de vergunning ervan in kennis hebben gesteld dat zij voornemens zijn de goederen aan een onderzoek te onderwerpen of een controle te verrichten;

b)

de aanvraag wordt ingediend nadat de douaneautoriteiten de houder van de vergunning ervan in kennis hebben gesteld dat zij hebben vastgesteld dat de gegevens in de vergunning onjuist zijn;

c)

de aanvraag houdt verband met een poging tot bedrog of misbruik door de houder van de vergunning.

5.   De aanvraag tot wijziging met terugwerkende kracht heeft geen betrekking op de geldigheidsduur van de verleende vergunning.

6.   Voor het wijzigen van de vergunning met terugwerkende kracht is geen advies van de EU-douaneautoriteit vereist, zoals bedoeld in artikel 125, leden 5 en 6.

Artikel 128

Administratie

1.   De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 125, leden 1 en 2, de importeur of exporteur en elke persoon die zich bezighoudt met opslag, verwerking of bewerking van goederen, of aan- of verkoop van goederen in vrije zones, voeren een passende administratie in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm en verstrekken die administratie of stellen ze beschikbaar in de EU-douanedatahub, behoudens in de douanewetgeving vast te leggen uitzonderingen.

Aan de hand van de informatie en de gegevens in die administratie moeten de douaneautoriteiten in staat zijn toezicht uit te oefenen op de regeling, met name wat de identificatie, de douanestatus en de overbrenging van de onder de regeling geplaatste goederen betreft.

2.   Een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of een vertrouwde en gecontroleerde handelaar wordt geacht aan de in lid 1 vastgestelde verplichting te voldoen indien diens administratie passend is met het oog op de betrokken bijzondere regeling.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door te specificeren welke soorten informatie en welke gegevens in de administratie moeten worden opgenomen en welke uitzonderingen gelden op de verplichting om deze in de in lid 1 van dit artikel bedoelde EU-douanedatahub te verstrekken of beschikbaar te stellen.

Artikel 129

Aanzuivering van een bijzondere regeling

1.   Behalve voor de regeling douanevervoer en onverminderd artikel 156 wordt een bijzondere regeling aangezuiverd indien de onder de regeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling worden geplaatst, het douanegebied van de Unie verlaten, worden vernietigd zonder afvalresten of aan de staat worden afgestaan overeenkomstig artikel 96.

2.   De douaneautoriteiten zuiveren de regeling douanevervoer aan indien zij op grond van een vergelijking van de aan het douanekantoor van vertrek verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens met de aan het douanekantoor van bestemming verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens kunnen vaststellen dat de regeling naar behoren is beëindigd.

3.   De douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de situatie te regulariseren van de goederen waarvoor de bijzondere regeling niet onder de vastgestelde voorwaarden is aangezuiverd.

4.   Een bijzondere regeling wordt binnen specifieke termijnen aangezuiverd, tenzij anders is bepaald in de douanewetgeving.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door de duur van de in lid 4 van dit artikel bedoelde termijnen te specificeren.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de aanzuivering van een bijzondere regeling. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 130

Overdracht van rechten en verplichtingen

1.   De douaneautoriteiten kunnen op aanvraag de houder van een vergunning voor een andere bijzondere regeling dan douanevervoer toestaan zijn of haar rechten en verplichtingen met betrekking tot onder die bijzondere regeling geplaatste goederen geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een importeur, een exporteur of een andere persoon.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door het bepalen van:

a)

de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de in lid 1 van dit artikel bedoelde overdracht van rechten en verplichtingen is toegestaan;

b)

de vorm waarin de douaneautoriteiten die overdracht van rechten en verplichtingen toestaan;

c)

de gegevens en informatie die vereist zijn voor aanvragen en vergunningen voor die overdracht van rechten en verplichtingen.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de overdracht van de rechten en verplichtingen van de houder van de vergunning met betrekking tot goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 131

Overbrenging van goederen

1.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, kunnen de importeurs, de exporteurs, de houders van de vergunning voor het beheer van ruimten voor opslag van goederen in een douane-entrepot en de personen aan wie overeenkomstig artikel 130 rechten en verplichtingen zijn overgedragen, goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer of in een vrije zone zijn geplaatst, overbrengen tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door te bepalen in welke specifieke gevallen goederen kunnen worden overgebracht als bedoeld in lid 1 van dit artikel en door de voorwaarden vast te stellen waaronder dit kan gebeuren.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor het overbrengen van goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer of in een vrije zone zijn geplaatst, als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 132

Gebruikelijke behandelingen

1.   Goederen die onder een regeling douane-entrepot, onder een veredelingsregeling of in een vrije zone zijn geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om ze in goede staat te bewaren, de presentatie of handelskwaliteit ervan te verbeteren, of ze klaar te maken voor distributie of wederverkoop.

2.   Goederen die bestemd zijn voor afstandsverkopen vanuit een particulier douane-entrepot voor afstandsverkopen als bedoeld in artikel 145 kunnen de gebruikelijke behandelingen ondergaan die strikt noodzakelijk zijn om de afstandsverkoop voor te bereiden.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met de gebruikelijke behandelingen van goederen als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel.

Artikel 133

Equivalente goederen

1.   Equivalente goederen zijn Uniegoederen die in plaats van de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt.

In het kader van de regeling passieve veredeling zijn equivalente goederen niet-Uniegoederen die worden verwerkt in plaats van onder de regeling passieve veredeling geplaatste Uniegoederen.

Behalve in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, hebben equivalente goederen dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur van goederen die is vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 (“gecombineerde nomenclatuur”), dezelfde handelskwaliteit en dezelfde technische kenmerken als de goederen die zij vervangen.

2.   Op voorwaarde dat de goede werking van de bijzondere regeling, met name wat het douanetoezicht betreft, is verzekerd, kunnen de douaneautoriteiten op aanvraag vergunning verlenen voor het volgende:

a)

het gebruik van equivalente goederen onder een regeling douane-entrepot, in een vrije zone en onder een regeling bijzondere bestemming;

b)

in specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, het gebruik van equivalente goederen onder de regeling tijdelijke invoer;

c)

het gebruik van equivalente goederen onder de regeling actieve veredeling;

d)

in geval van de regeling actieve veredeling met voorafgaande uitvoer, de uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten voorafgaand aan de invoer van de goederen die zij vervangen;

e)

het gebruik van equivalente goederen onder de regeling passieve veredeling;

f)

in geval van de regeling passieve veredeling met voorafgaande invoer, de invoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten voorafgaand aan de uitvoer van de goederen die zij vervangen.

Een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of een vertrouwde en gecontroleerde handelaar wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde dat de goede werking van de bijzondere regeling is verzekerd, indien bij de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 30 of 31 aan die marktdeelnemer of handelaar rekening is gehouden met de activiteit in het kader van het gebruik van equivalente goederen voor de betrokken regeling.

3.   Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan in de volgende gevallen:

a)

indien uitsluitend gebruikelijke behandelingen zoals gedefinieerd in artikel 132 worden verricht in het kader van de regeling actieve veredeling;

b)

indien er een verbod geldt op terugbetaling of vrijstelling van invoerrechten voor niet van oorsprong zijnde goederen die worden gebruikt voor de vervaardiging van veredelingsproducten die zich onder de regeling actieve veredeling bevinden en waarvoor een bewijs van oorsprong wordt afgegeven of opgesteld in het kader van een preferentiële regeling tussen de Unie en bepaalde derde landen dan wel groepen van derde landen;

c)

indien dit zou leiden tot een onbillijk voordeel op het vlak van invoerrechten, of

d)

indien daarin is voorzien in rechtshandelingen van de Unie.

4.   In het in lid 2, punt d), van dit artikel bedoelde geval en indien de veredelingsproducten aan uitvoerrechten zouden zijn onderworpen indien zij niet in het kader van de regeling actieve veredeling werden uitgevoerd, stelt de houder van de vergunning een zekerheid om de betaling van de uitvoerrechten te verzekeren, in het geval dat de niet-Uniegoederen niet binnen de in artikel 159, lid 3, gestelde termijn worden ingevoerd.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door:

a)

de in lid 1, derde alinea, van dit artikel bedoelde specifieke gevallen vast te stellen;

b)

de voorwaarden vast te stellen waaronder equivalente goederen worden gebruikt overeenkomstig lid 2, van dit artikel;

c)

de in lid 2, punt b), van dit artikel bedoelde specifieke gevallen vast te stellen waarin equivalente goederen worden gebruikt in het kader van de regeling tijdelijke invoer, en

d)

de gevallen te specificeren waarin het gebruik van equivalente goederen niet is toegestaan overeenkomstig lid 3, punt c), van dit artikel.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor het gebruik van equivalente goederen waarvoor overeenkomstig lid 2 van dit artikel een vergunning is verleend. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 2

Douanevervoer

Afdeling 1

Algemene regels

Artikel 134

Toepassingsgebied

1.   Bij binnenkomst in het douanegebied van de Unie worden goederen onder een regeling douanevervoer geplaatst zonder wijziging van hun douanestatus overeenkomstig artikel 73, lid 2, tenzij zij al onder een regeling douanevervoer als bepaald in de artikelen 135 en 136 zijn geplaatst of onder een andere douaneregeling worden geplaatst binnen de in artikel 104, lid 5, vermelde termijn.

2.   De houder van de regeling douanevervoer wordt beschouwd als de importeur of de exporteur van de goederen en is aansprakelijk voor de betaling van douanerechten en heffingen, tenzij de douaneautoriteiten over gegevens beschikken waaruit blijkt dat een andere persoon de importeur of exporteur is.

Artikel 135

Extern douanevervoer

1.   Onder de regeling extern douanevervoer kunnen niet-Uniegoederen worden overgebracht tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Unie zonder dat zij worden onderworpen aan:

a)

invoerrechten of overige heffingen, met inbegrip van antidumpingrechten, compenserende rechten of vrijwaringsmaatregelen;

b)

handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Unie niet verbieden.

2.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, worden Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer geplaatst.

3.   Overbrengingen als bedoeld in lid 1 gebeuren op een van de volgende wijzen:

a)

met toepassing van de regeling extern Uniedouanevervoer;

b)

overeenkomstig de TIR-overeenkomst, op voorwaarde dat de overbrenging:

i)

buiten het douanegebied van de Unie is begonnen of eindigt;

ii)

tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Unie plaatsvindt, over het grondgebied van een derde land;

c)

overeenkomstig de Douaneovereenkomst inzake het carnet ATA voor de tijdelijke invoer van goederen, gedaan te Brussel op 6 december 1961 (ATA-overeenkomst), of de Overeenkomst inzake tijdelijke invoer, gedaan te Istanbul op 26 juni 1990 (overeenkomst van Istanbul) (39), wanneer een douanevervoer plaatsvindt;

d)

onder geleide van NAVO-formulier 302 dat is voorgeschreven in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, of van EU-formulier 302;

e)

onder het poststelsel overeenkomstig de akten van de Wereldpostunie, indien de goederen worden vervoerd door of voor rekening van personen die rechten en verplichtingen hebben uit hoofde van die akten.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met de in lid 2 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen waarin Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer moeten worden geplaatst.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de toepassing van lid 3, punten b) tot en met e), van dit artikel in het douanegebied van de Unie, rekening houdend met de behoeften van de Unie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 136

Intern douanevervoer

1.   Onder de regeling intern douanevervoer kunnen Uniegoederen worden overgebracht tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Unie, en door het grondgebied van een derde land worden vervoerd, zonder wijziging van hun douanestatus.

2.   Overbrengingen als bedoeld in lid 1 gebeuren op een van de volgende wijzen:

a)

onder de regeling intern Uniedouanevervoer, indien een internationale overeenkomst in deze mogelijkheid voorziet;

b)

overeenkomstig de TIR-overeenkomst;

c)

overeenkomstig de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul indien douanevervoer plaatsvindt;

d)

onder geleide van NAVO-formulier 302 of EU-formulier 302;

e)

onder het poststelsel overeenkomstig de akten van de Wereldpostunie, indien de goederen worden vervoerd door of voor rekening van personen die rechten en verplichtingen hebben uit hoofde van die akten.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor de toepassing van lid 2, punten b) tot en met e), van dit artikel in het douanegebied van de Unie, rekening houdend met de behoeften van de Unie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 137

Eén grondgebied voor vervoerdoeleinden

Wanneer goederen tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Unie worden overgebracht overeenkomstig de TIR-overeenkomst, de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul, onder geleide van NAVO-formulier 302 of EU-formulier 302, of onder het poststelsel, wordt het douanegebied van de Unie, voor de doeleinden van dat vervoer, als één grondgebied aangemerkt.

Artikel 138

Uitsluiting van personen van TIR-operaties

1.   Wanneer de douaneautoriteiten van een lidstaat uit hoofde van artikel 38 van de TIR-overeenkomst een persoon uitsluiten van TIR-operaties, geldt die beschikking voor het gehele douanegebied van de Unie en worden de door die persoon ingediende TIR-carnets door geen enkel douanekantoor aanvaard.

2.   Een lidstaat deelt de in lid 1 bedoelde beschikking en de toepassingsdatum ervan mee aan de overige lidstaten, aan de Commissie en aan de EU-douaneautoriteit.

Artikel 139

Toegelaten geadresseerde en toegelaten afzender voor TIR-doeleinden

1.   De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens aanvraag, een vergunning verlenen (een “toegelaten geadresseerde”) om overeenkomstig de TIR-overeenkomst overgebrachte goederen te ontvangen op een goedgekeurde plaats, zodat de regeling wordt beëindigd in de zin van artikel 1, punt d), van de TIR-overeenkomst.

2.   De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens aanvraag, een vergunning verlenen (een “toegelaten afzender”) om overeenkomstig de TIR-overeenkomst over te brengen goederen te verzenden vanaf een goedgekeurde plaats, zodat de regeling wordt ingeleid in de zin van artikel 1, punt c), van de TIR-overeenkomst.

Daartoe mag de toegelaten afzender verzegelingen van een bijzonder model als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt c), van deze verordening gebruiken.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met de voorwaarden voor het verlenen van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde vergunningen.

Afdeling 2

Uniedouanevervoer

Artikel 140

Verplichtingen van de houder van de regeling Uniedouanevervoer en van de vervoerder en de ontvanger van goederen die uit hoofde van de regeling Uniedouanevervoer worden overgebracht

1.   De houder van de regeling Uniedouanevervoer moet aan alle onderstaande verplichtingen voldoen:

a)

de vereiste gegevens verstrekken of beschikbaar stellen aan de douaneautoriteiten;

b)

binnen de gestelde termijn kennisgeven van de beschikbaarheid van de goederen en de vereiste gegevens in het douanekantoor van bestemming, met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen maatregelen om de identificatie ervan te waarborgen;

c)

de bepalingen van de douanewetgeving betreffende de regeling Uniedouanevervoer naleven;

d)

tenzij anders is bepaald in de douanewetgeving, zekerheid stellen voor de betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat overeenkomt met een douaneschuld of overige heffingen die ter zake van de goederen verschuldigd kunnen worden.

2.   De houder van de regeling is zijn verplichtingen nagekomen en de regeling Uniedouanevervoer is beëindigd, als de onder de regeling geplaatste goederen en de vereiste informatie op het douanekantoor van bestemming beschikbaar zijn overeenkomstig de douanewetgeving.

3.   Een vervoerder of een ontvanger van goederen die goederen aanvaardt in de wetenschap dat deze onder de regeling Uniedouanevervoer zijn geplaatst, is eveneens verplicht binnen de gestelde termijn kennis te geven van de beschikbaarheid van de goederen in het douanekantoor van bestemming, met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen maatregelen om de identificatie van die goederen te waarborgen.

4.   De douaneautoriteiten kunnen op aanvraag een vergunning verlenen voor een van de volgende vereenvoudigingen betreffende de plaatsing van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer of de beëindiging van die regeling:

a)

de status van toegelaten afzender, die de houder van de vergunning in staat stelt om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen zonder die bij de douane aan te brengen;

b)

de status van toegelaten geadresseerde, die de houder van de vergunning in staat stelt om onder de regeling Uniedouanevervoer overgebrachte goederen op een goedgekeurde plaats te ontvangen om de regeling overeenkomstig lid 2, te beëindigen;

c)

het gebruik van verzegelingen van een bijzonder model, indien verzegeling vereist is voor de identificatie van de onder de regeling Uniedouanevervoer geplaatste goederen;

d)

de verstrekking van een beperkte gegevensset of, in voorkomend geval, het gebruik van een douaneaangifte met een beperkte gegevensset om de goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen;

e)

het gebruik van een elektronisch vervoersdocument om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen, op voorwaarde dat het de nodige informatie bevat en de douaneautoriteiten van vertrek en van bestemming over die informatie beschikken, zodat douanetoezicht op de goederen en aanzuivering van de regeling mogelijk zijn.

5.   De douaneautoriteiten zien regelmatig toe op de activiteiten van toegelaten afzenders en geadresseerden om na te gaan of zij aan de vergunningsvereisten voldoen.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door:

a)

de in lid 1, punten a) en b), van dit artikel vastgestelde gegevensvereisten en de voorwaarden voor het verlenen van vergunningen als bedoeld in lid 4 van dit artikel nader te specificeren;

b)

te bepalen welke gegevens aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of ter beschikking moeten worden gesteld om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen als bedoeld in lid 1, punt a), van dit artikel.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met procedureregels voor:

a)

de plaatsing van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer en de aanzuivering van die regeling;

b)

de werking van de in lid 4 van dit artikel bedoelde vereenvoudigingen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 141

Goederen die onder de regeling extern Uniedouanevervoer door het grondgebied van een derde land worden vervoerd

1.   De regeling extern Uniedouanevervoer is van toepassing op goederen die door een derde land worden vervoerd, als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

een internationale overeenkomst voorziet in een dergelijke mogelijkheid;

b)

het vervoer over dat derde land geschiedt onder geleide van één enkel in het douanegebied van de Unie opgesteld vervoersdocument.

2.   In het in lid 1, punt b), bedoelde geval wordt de werking van de regeling extern Uniedouanevervoer geschorst zolang de goederen zich buiten het douanegebied van de Unie bevinden.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor het douanetoezicht op goederen die onder de regeling extern Uniedouanevervoer door het grondgebied van een derde land worden vervoerd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 3

Opslag

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 142

Toepassingsgebied

1.   Onder een regeling opslag kunnen niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie worden opgeslagen zonder dat zij worden onderworpen aan:

a)

invoerrechten;

b)

andere heffingen waarin het Unierecht of het nationale recht voorziet;

c)

andere handelspolitieke maatregelen dan die welke de binnenkomst in of de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Unie verbieden.

2.   De voorwaarden om goederen onder een regeling opslag te plaatsen, zijn de volgende:

a)

de vereiste gegevens zijn verstrekt of beschikbaar gesteld aan de douaneautoriteiten;

b)

de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

c)

de goederen zijn aangekomen op de plaats van vrijgave voor de regeling.

3.   Uniegoederen kunnen onder de regeling douane-entrepot of de regeling vrije zone worden geplaatst, hetzij overeenkomstig de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, hetzij om in aanmerking te komen voor een beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten.

4.   Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestemming verlenen voor de binnenkomst, de opslag, de overbrenging, het gebruik, de verwerking of het verbruik van Uniegoederen in een douane-entrepot of in een vrije zone. In dergelijke gevallen worden die goederen niet geacht zich onder een regeling opslag te bevinden.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door te bepalen welke gegevens er aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld om goederen onder een regeling opslag te plaatsen, als bedoeld in lid 2, punt a), van dit artikel.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedure voor het plaatsen van Uniegoederen onder de regeling douane-entrepot of de regeling vrije zone als bedoeld in lid 3 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 143

Duur van een regeling opslag

1.   Goederen kunnen gedurende een onbeperkte periode onder een regeling opslag blijven.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de douaneautoriteiten een termijn voor de aanzuivering van een regeling opslag vaststellen:

a)

in uitzonderlijke omstandigheden, met name wanneer de soort en de aard van de goederen in geval van langdurige opslag een gevaar kunnen vormen voor de gezondheid en het leven van mens, dier en plant of voor het milieu;

b)

wanneer een vergunning voor het beheer van een ruimte voor opslag is ingetrokken.

Afdeling 2

Douane-entrepots

Artikel 144

Opslag in douane-entrepots

1.   Onder de regeling douane-entrepot kunnen niet-Uniegoederen worden opgeslagen in daartoe door de douaneautoriteiten goedgekeurde en onder douanetoezicht staande ruimten of andere locaties (“douane-entrepots”).

2.   De douane-entrepots kunnen worden gebruikt door importeurs voor de opslag van goederen (“publiek douane-entrepot”) of door houders van een vergunning voor het beheer van een douane-entrepot voor de opslag van goederen (“particulier douane-entrepot”).

3.   De onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen kunnen tijdelijk uit het douane-entrepot worden uitgeslagen. Voor dergelijke uitslag is, behalve in geval van overmacht, voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist.

Artikel 145

Douane-entrepot voor afstandsverkopen

1.   Alleen importeurs voor afstandsverkopen die ervoor hebben gekozen gebruik te maken van de IOSS-regeling en die de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar hebben, of hun indirecte vertegenwoordigers die de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar hebben, kunnen een vergunning krijgen om de goederen voorafgaand aan een afstandsverkoop op te slaan en te gebruiken in een particulier douane-entrepot voor afstandsverkopen.

2.   Voor afstandsverkopen bestemde goederen mogen alleen onder de regeling douane-entrepot in een douane-entrepot voor afstandsverkopen worden geplaatst indien ze aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

ze voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving die van toepassing zou zijn op het in het vrije verkeer brengen;

b)

ze zijn verpakt in verzamelverpakkingen met soortgelijke goederen en zijn nog niet voorbereid als individuele zendingen wanneer de afstandsverkoop wordt gesloten;

c)

ze worden het douanegebied van de Unie binnengebracht in hoeveelheden die doeltreffende douanecontroles vergemakkelijken.

Bij de beoordeling of aan de in de eerste alinea, punt c), bedoelde voorwaarde is voldaan, houden de douaneautoriteiten rekening met de omvang van de entiteit die voornemens is vanuit het douane-entrepot afstandsverkopen te verrichten.

3.   De douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten hebben het recht te controleren of de goederen voldoen aan de eisen voor het in het vrije verkeer brengen, zowel voordat zij onder de regeling douane-entrepot worden geplaatst als tijdens de opslag ervan.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met de voorwaarden voor het verlenen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning.

5.   De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met de procedureregels betreffende de in lid 2 van dit artikel bedoelde voorwaarden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 146

Veredeling in een douane-entrepot

Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat goederen in het kader van de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming in een douane-entrepot worden veredeld, onder de in die regelingen vastgestelde voorwaarden.

In dergelijke gevallen worden de goederen geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.

Artikel 147

Verantwoordelijkheden van de houder van de vergunning

Onverminderd artikel 27 zijn de houder van de in artikel 125, lid 1, punt b), of artikel 125, lid 2, punt a), bedoelde vergunning en de importeur ervoor verantwoordelijk dat:

a)

goederen onder de regeling douane-entrepot niet aan het douanetoezicht worden onttrokken;

b)

de verplichtingen worden nagekomen die voortvloeien uit de opslag van goederen die zich onder de regeling douane-entrepot bevinden, en

c)

de verplichtingen worden nagekomen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen onder de regeling douane-entrepot.

Afdeling 3

Vrije zones

Artikel 148

Aanwijzing van vrije zones

1.   De lidstaten kunnen in bepaalde delen van het douanegebied van de Unie vrije zones aanwijzen.

De lidstaten bepalen van elke vrije zone de geografische grenzen en de in- en uitgangen ervan.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie en de EU-douaneautoriteit informatie over hun vrije zones die in gebruik zijn.

3.   De vrije zones zijn afgesloten.

De grenzen en de in- en uitgangen van de vrije zones staan onder douanetoezicht.

4.   Personen, goederen en vervoermiddelen die een vrije zone binnenkomen of verlaten, kunnen aan douanecontroles worden onderworpen.

Artikel 149

Gebouwen en activiteiten in vrije zones

1.   Voor het oprichten van gebouwen in een vrije zone is voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist.

2.   Met inachtneming van de douanewetgeving is in een vrije zone elke industriële, handels- of dienstverlenende activiteit toegestaan. De douaneautoriteiten worden voorafgaand aan de uitoefening van deze activiteiten hiervan in kennis gesteld.

3.   De douaneautoriteiten kunnen, rekening houdend met de aard van de goederen, de eisen inzake douanetoezicht of inzake veiligheid en beveiliging, de in lid 2 bedoelde activiteiten verbieden of beperken.

4.   De douaneautoriteiten kunnen personen die niet de nodige waarborgen bieden voor de naleving van de douanebepalingen, de uitoefening van een activiteit in een vrije zone verbieden.

Artikel 150

Niet-Uniegoederen in vrije zones

1.   Niet-Uniegoederen kunnen tijdens het verblijf ervan in een vrije zone in het vrije verkeer worden gebracht of onder de regeling actieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming worden geplaatst onder de voor die regelingen geldende voorwaarden.

In dergelijke gevallen worden die goederen geacht zich niet onder de regeling vrije zone te bevinden.

2.   Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op leveringen of bevoorradingsproducten, voor zover de betrokken procedure daarin voorziet, en niettegenstaande lid 1, mogen niet-Uniegoederen in een vrije zone worden gebruikt of verbruikt, mits:

a)

het in het vrije verkeer brengen of de tijdelijke invoer ervan niet zou leiden tot de toepassing van invoerrechten in het kader van het gemeenschappelijk landbouw- of handelsbeleid of aan maatregelen die het gebruik van die goederen in de Unie verbieden;

b)

passende informatie over dat gebruik of verbruik aan de douaneautoriteiten wordt verstrekt of ter beschikking gesteld.

Artikel 151

Goederen uit een vrije zone halen

1.   Onverminderd de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving kunnen goederen in een vrije zone uit het douanegebied van de Unie worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, of in andere delen van het douanegebied van de Unie worden binnengebracht.

2.   De artikelen 102 en 103 zijn van toepassing op goederen die vanuit een vrije zone in andere delen van het douanegebied van de Unie worden binnengebracht.

Artikel 152

Douanestatus

1.   Op aanvraag van de betrokken persoon stellen de douaneautoriteiten met betrekking tot de volgende goederen vast dat zij de douanestatus van Uniegoederen hebben:

a)

Uniegoederen die een vrije zone worden binnengebracht;

b)

Uniegoederen die in een vrije zone veredelingshandelingen hebben ondergaan;

c)

goederen die in een vrije zone in het vrije verkeer zijn gebracht.

2.   Goederen die uit een vrije zone in een ander deel van het douanegebied van de Unie worden binnengebracht of onder een douaneregeling worden geplaatst, worden als niet-Uniegoederen beschouwd tenzij de douanestatus ervan als Uniegoederen is aangetoond.

Voor de toepassing van uitvoerrechten en uitvoercertificaten of van uitvoercontrolemaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouw- of handelsbeleid worden deze goederen evenwel als Uniegoederen beschouwd tenzij is vastgesteld dat zij niet de douanestatus van Uniegoederen hebben.

HOOFDSTUK 4

Specifieke bestemming

Afdeling 1

Tijdelijke invoer

Artikel 153

Toepassingsgebied

1.   Onder de regeling tijdelijke invoer kan aan voor wederuitvoer bestemde niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie een specifieke bestemming worden gegeven, met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, zonder dat zij worden onderworpen aan:

a)

andere heffingen waarin het Unierecht of het nationale recht voorziet;

b)

andere handelspolitieke maatregelen dan die welke de binnenkomst in of de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Unie verbieden.

2.   De regeling tijdelijke invoer mag alleen worden gebruikt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de goederen zijn niet bestemd om enige wijziging te ondergaan, met uitzondering van de normale waardevermindering ervan door gebruik;

b)

de onder de regeling geplaatste goederen kunnen worden geïdentificeerd, behalve:

i)

indien het ontbreken van identificatiemaatregelen wegens de aard van de goederen of het voorgenomen gebruik niet tot misbruik van de regeling kan leiden, of

ii)

in het in artikel 133 bedoelde geval, indien de naleving van aan equivalente goederen gestelde voorwaarden kan worden gecontroleerd;

c)

er is, indien vereist, een vergunning verleend overeenkomstig artikel 125 en dit artikel;

d)

de vereiste gegevens zijn verstrekt of beschikbaar gesteld aan de douaneautoriteiten;

e)

de in de douanewetgeving vastgelegde eisen voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten zijn vervuld;

f)

de goederen zijn aangekomen op de plaats van vrijgave voor de douaneregeling, en

g)

de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door:

a)

de in lid 1 van dit artikel bedoelde specifieke bestemming vast te stellen;

b)

te specificeren welke gegevens aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of ter beschikking moeten worden gesteld om goederen onder de regeling tijdelijke invoer te plaatsen als bedoeld in lid 2, punt d), van dit artikel;

c)

de eisen vast te stellen voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten als bedoeld in lid 2, punt e), van dit artikel.

Artikel 154

Termijn gedurende welke goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer mogen bevinden

1.   De douaneautoriteiten stellen de termijn voor de aanzuivering van de regeling tijdelijke invoer vast. Deze termijn moet lang genoeg zijn om het doel van het toegestane gebruik te bereiken.

2.   De maximale termijn gedurende welke goederen zich voor dezelfde doeleinden en onder de verantwoordelijkheid van dezelfde houder van een vergunning onder de regeling tijdelijke invoer mogen bevinden, bedraagt 24 maanden, ook als de regeling werd aangezuiverd door de goederen onder een andere bijzondere regeling te plaatsen en ze vervolgens opnieuw onder de regeling tijdelijke invoer te plaatsen.

3.   Indien in uitzonderlijke omstandigheden het doel van het toegestane gebruik niet kan worden bereikt binnen de in lid 2 bedoelde termijn, kunnen de douaneautoriteiten die termijn met een redelijke duur verlengen, indien de importeur een gerechtvaardigde aanvraag daartoe indient.

4.   Behoudens onvoorziene gevallen is de totale termijn gedurende welke goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer mogen bevinden, niet langer dan tien jaar.

Artikel 155

Bedrag aan invoerrechten bij tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten

1.   Het bedrag aan invoerrechten voor onder de regeling tijdelijke invoer geplaatste goederen met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten wordt vastgesteld op 3 % van het bedrag aan invoerrechten dat over die goederen zou zijn geheven indien zij op de datum waarop ze onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

Dit bedrag is verschuldigd per maand of maanddeel dat de goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten hebben bevonden.

2.   Het totale bedrag aan invoerrechten dat overeenkomstig lid 1 verschuldigd is, mag niet hoger zijn dan het bedrag dat zou zijn geheven indien de betrokken goederen op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

Afdeling 2

Bijzondere bestemming

Artikel 156

Regeling bijzondere bestemming

1.   Onder de regeling bijzondere bestemming kunnen goederen in het vrije verkeer worden gebracht met vrijstelling van rechten dan wel met een verlaagd recht waarin rechtshandelingen van de Unie voorzien, op voorwaarde dat de importeur de goederen een specifieke bestemming geeft.

2.   De voorwaarden om goederen onder de regeling bijzondere bestemming te plaatsen, zijn de volgende:

a)

er is een vergunning verleend overeenkomstig artikel 125 en dit artikel;

b)

de vereiste gegevens zijn verstrekt of beschikbaar gesteld aan de douaneautoriteiten;

c)

alle verschuldigde invoerrechten of overige heffingen, met inbegrip van antidumpingrechten, compenserende rechten of vrijwaringsmaatregelen, zijn betaald of er is zekerheid voor gesteld, tenzij voor de goederen een verzoek tot toewijzing van een tariefcontingent is ingediend;

d)

de goederen zijn aangekomen op de plaats van vrijgave voor de douaneregeling, en

e)

de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

3.   Indien de goederen zich in een productiefase bevinden die economisch gezien slechts tot de voorgeschreven bijzondere bestemming kan leiden, kunnen de douaneautoriteiten in de vergunning de voorwaarden vaststellen waaraan moet worden voldaan opdat deze goederen worden geacht te zijn gebruikt voor de doeleinden die zijn vastgesteld in de rechtshandelingen van de Unie die in een vrijstelling of een verlaagd invoerrecht voorzien.

4.   Indien goederen geschikt zijn voor herhaald gebruik en de douaneautoriteiten douanetoezicht nodig achten ter voorkoming van misbruik, zal dit toezicht worden voortgezet voor een termijn van niet langer dan twee jaar vanaf de datum van eerste gebruik voor de doeleinden die zijn vastgesteld in de rechtshandelingen van de Unie die in een vrijstelling of een verlaagd invoerrecht voorzien.

5.   Indien een opbrengst wordt vereist, is artikel 157 van toepassing op de regeling bijzondere bestemming.

6.   Resten en afvallen die zijn ontstaan tijdens het verwerkingsproces of bewerkingsproces van de goederen overeenkomstig de voorgeschreven bijzondere bestemming alsook verliezen als gevolg van natuurlijke oorzaken worden geacht de bijzondere bestemming te hebben gevolgd.

7.   Resten en afvallen van de vernietiging van onder de regeling bijzondere bestemming geplaatste goederen worden geacht onder de regeling douane-entrepot te zijn geplaatst.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door te bepalen welke gegevens er aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld om goederen onder de regeling bijzondere bestemming te plaatsen, zoals bedoeld in lid 2, punt b), van dit artikel.

HOOFDSTUK 5

Veredeling

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 157

Opbrengst

Tenzij in specifieke rechtshandelingen van de Unie een opbrengst is bepaald, stellen de douaneautoriteiten hetzij de opbrengst of de gemiddelde opbrengst van de veredeling vast, hetzij, in voorkomend geval, de wijze waarop deze opbrengst wordt bepaald.

De opbrengst of gemiddelde opbrengst van de veredeling wordt vastgesteld met inachtneming van de werkelijke omstandigheden waarin veredelingshandelingen worden verricht of zullen worden verricht. Deze opbrengst kan in voorkomend geval overeenkomstig artikel 12 worden aangepast.

Afdeling 2

Actieve veredeling

Artikel 158

Toepassingsgebied

1.   Onverminderd artikel 133 kunnen niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie onder de regeling actieve veredeling worden gebruikt bij één of meer veredelingshandelingen zonder dat zij worden onderworpen aan:

a)

invoerrechten of andere heffingen, met inbegrip van antidumpingrechten, compenserende rechten of vrijwaringsmaatregelen;

b)

andere handelspolitieke maatregelen dan die welke de binnenkomst in of de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Unie verbieden.

2.   De voorwaarden om goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen, zijn de volgende:

a)

er is een vergunning verleend overeenkomstig artikel 125 en dit artikel;

b)

de vereiste gegevens zijn verstrekt of beschikbaar gesteld aan de douaneautoriteiten;

c)

de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, en

d)

de goederen zijn aangekomen op de plaats van vrijgave voor de douaneregeling.

3.   In andere gevallen dan herstelling en vernietiging mag van de regeling actieve veredeling alleen gebruik worden gemaakt op voorwaarde dat de onder die regeling geplaatste goederen, onverminderd het gebruik van hulpmiddelen bij de productie, in de veredelingsproducten kunnen worden geïdentificeerd.

In het in artikel 133 bedoelde geval kan de regeling actieve veredeling worden gebruikt voor zover de naleving van de daarin ten aanzien van equivalente goederen gestelde eisen kan worden gecontroleerd.

4.   Naast de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde gevallen kan van de regeling actieve veredeling ook gebruik worden gemaakt voor elk van de volgende goederen:

a)

goederen die bestemd zijn om te worden bewerkt om ze in overeenstemming te brengen met technische eisen zodat ze in het vrije verkeer kunnen worden gebracht;

b)

goederen die gebruikelijke behandelingen overeenkomstig artikel 132 moeten ondergaan.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen door te bepalen welke gegevens er aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld om goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen, zoals bedoeld in lid 2, punt b), van dit artikel.

Artikel 159

Termijn voor aanzuivering

1.   De douaneautoriteiten stellen overeenkomstig artikel 129 de termijn voor de aanzuivering van de regeling actieve veredeling vast.

Deze termijn gaat in op de datum waarop de niet-Uniegoederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst en wordt vastgesteld met inachtneming van de tijd die nodig is om veredelingshandelingen te verrichten en die regeling aan te zuiveren.

2.   De douaneautoriteiten kunnen de op grond van lid 1 vastgestelde termijn met een redelijke duur verlengen indien de houder van de vergunning een gerechtvaardigde aanvraag daartoe indient.

In de vergunning kan worden bepaald dat een termijn die ingaat in de loop van een maand, kwartaal of halfjaar, verstrijkt op de laatste dag van een volgende maand respectievelijk van een volgend kwartaal of halfjaar.

3.   In het geval van voorafgaande uitvoer overeenkomstig artikel 133, lid 2, punt d), wordt in de vergunning de termijn bepaald waarbinnen de niet-Uniegoederen onder de regeling actieve veredeling moeten worden geplaatst. Bij de vaststelling van die termijn houden de douaneautoriteiten rekening met de benodigde tijd voor verwerving en vervoer naar het douanegebied van de Unie, zoals aangegeven door de aanvrager.

Die termijn wordt in maanden uitgedrukt en bedraagt niet meer dan twaalf maanden. Deze termijn gaat in op de datum waarop de uit de betrokken equivalente goederen verkregen veredelingsproducten onder de regeling uitvoer zijn geplaatst.

Artikel 160

Tijdelijke wederuitvoer voor verdere veredeling

1.   Op aanvraag kunnen de douaneautoriteiten vergunning verlenen om de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk weder uit te voeren met het oog op een aanvullende veredeling buiten het douanegebied van de Unie.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met de voorwaarden voor de tijdelijke wederuitvoer van goederen voor aanvullende veredeling, als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Afdeling 3

Passieve veredeling

Artikel 161

Toepassingsgebied

1.   Onder de regeling passieve veredeling kunnen Uniegoederen tijdelijk uit het douanegebied van de Unie worden uitgevoerd om veredelingshandelingen te ondergaan. De uit die goederen voortkomende veredelingsproducten kunnen met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten in het vrije verkeer worden gebracht, op aanvraag van de houder van de vergunning of van iedere andere in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die toestemming heeft van de houder van de vergunning, mits aan de voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan.

2.   De voorwaarden om goederen onder de regeling passieve veredeling te plaatsen, zijn de volgende:

a)

er is een vergunning verleend overeenkomstig artikel 125 en dit artikel;

b)

de vereiste gegevens zijn verstrekt of beschikbaar gesteld aan de douaneautoriteiten;

c)

alle verschuldigde uitvoerrechten of overige heffingen zijn betaald of er is zekerheid voor gesteld, en

d)

de goederen voldoen aan de relevante andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.

3.   De douaneautoriteiten verlenen geen vergunning voor een regeling passieve veredeling voor de volgende Uniegoederen:

a)

goederen waarvan de uitvoer een terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten tot gevolg heeft;

b)

goederen die, voorafgaand aan de uitvoer, op grond van de bijzondere bestemming ervan met vrijstelling van rechten dan wel met een verlaagd recht in het vrije verkeer zijn gebracht, zolang die bijzondere bestemming nog niet is vervuld, tenzij die goederen herstellingen moeten ondergaan;

c)

goederen waarvoor in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een financieel voordeel wordt toegekend wegens de uitvoer van die goederen.

4.   De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen tijdelijk uitgevoerde goederen in de vorm van veredelingsproducten opnieuw in het douanegebied van de Unie moeten worden ingevoerd en in het vrije verkeer moeten worden gebracht om in aanmerking te kunnen komen voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten. Zij kunnen deze termijn met een redelijke duur verlengen indien de houder van de vergunning een gerechtvaardigde aanvraag daartoe indient.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen welke gegevens er aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt of beschikbaar gesteld om goederen onder de regeling passieve veredeling te plaatsen, zoals bedoeld in lid 2, punt b), van dit artikel.

Artikel 162

Gratis herstelde of vervangen goederen

1.   Indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat de herstelling of vervanging van goederen gratis werd verricht, hetzij op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting dan wel wegens een fabricagefout of een materiaalfout, hetzij omdat de goederen niet voldeden aan de door de koper aan de verkoper gestelde eisen, wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend.

2.   Lid 1 is niet van toepassing indien op het tijdstip waarop de betrokken goederen voor het eerst in het vrije verkeer zijn gebracht, rekening is gehouden met de fabricage- of materiaalfout.

Artikel 163

Goederen die zijn hersteld of gewijzigd in het kader van internationale overeenkomsten

1.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor veredelingsproducten die voortkomen uit onder de regeling passieve veredeling geplaatste goederen wanneer ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

a)

die goederen zijn hersteld of gewijzigd in een derde land waarmee de Unie een internationale overeenkomst heeft gesloten die in een dergelijke vrijstelling voorziet, en

b)

aan de voorwaarden voor de vrijstelling van invoerrechten waarin de in punt a) bedoelde overeenkomst voorziet, is voldaan.

2.   Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op veredelingsproducten die voortkomen uit equivalente goederen als bedoeld in artikel 133, en op vervangende producten als bedoeld in de artikelen 164 en 165.

Artikel 164

Systeem uitwisselingsverkeer

1.   Onder het systeem uitwisselingsverkeer kan een ingevoerd goed (“vervangend product”) overeenkomstig de leden 2 tot en met 5, in de plaats treden van een veredelingsproduct.

2.   De douaneautoriteiten staan, op aanvraag, gebruikmaking van het systeem uitwisselingsverkeer toe, indien de veredeling bestaat in de herstelling van andere gebrekkige Uniegoederen dan die welke vallen onder maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of onder specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen van toepassing zijn.

3.   De vervangende producten zijn onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld en hebben dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken als de gebrekkige goederen indien deze zouden zijn hersteld.

4.   Indien de gebrekkige goederen voorafgaand aan de uitvoer zijn gebruikt, moeten de vervangende producten eveneens zijn gebruikt.

De douaneautoriteiten zien evenwel af van die eis indien het vervangende product gratis is geleverd, hetzij op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting, hetzij wegens een materiaalfout of een fabricagefout.

5.   De bepalingen die van toepassing zouden zijn op de veredelingsproducten, zijn van toepassing op de vervangende producten.

Artikel 165

Voorafgaande invoer van vervangende producten

1.   De douaneautoriteiten staan, op aanvraag van de belanghebbende, toe dat de vervangende producten onder de door hen vastgestelde voorwaarden worden ingevoerd voordat de gebrekkige goederen worden uitgevoerd.

Bij voorafgaande invoer van een vervangend product wordt er zekerheid gesteld voor het bedrag aan invoerrechten dat verschuldigd zou zijn indien de gebrekkige goederen niet overeenkomstig lid 2 worden uitgevoerd.

2.   De gebrekkige goederen worden uitgevoerd binnen twee maanden na de datum waarop de vervangende producten in het vrije verkeer zijn gebracht.

3.   Indien in uitzonderlijke omstandigheden de gebrekkige goederen niet kunnen worden uitgevoerd binnen de in lid 2 bedoelde termijn, kunnen de douaneautoriteiten die termijn met een redelijke duur verlengen indien de houder van de vergunning een gerechtvaardigde aanvraag daartoe indient.

TITEL IX

TARIEFINDELING, OORSPRONG EN DOUANEWAARDE VAN GOEDEREN

HOOFDSTUK 1

Gemeenschappelijk douanetarief en tariefindeling van goederen

Artikel 166

Gemeenschappelijk douanetarief en douanesurveillance

1.   De verschuldigde invoer- en uitvoerrechten zijn gebaseerd op het gemeenschappelijk douanetarief.

Andere maatregelen die op grond van Uniebepalingen op specifieke gebieden met betrekking tot het goederenverkeer zijn vastgesteld, worden, in voorkomend geval, volgens de tariefindeling van die goederen toegepast.

2.   Het gemeenschappelijk douanetarief omvat al het volgende:

a)

de gecombineerde nomenclatuur;

b)

iedere andere nomenclatuur waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van verdere indelingen is overgenomen en die voor de toepassing van tariefmaatregelen in het kader van het goederenverkeer bij rechtshandelingen van de Unie op specifieke gebieden is vastgesteld;

c)

de conventionele of gewone autonome douanerechten van toepassing op goederen die onder de gecombineerde nomenclatuur vallen;

d)

de preferentiële tariefmaatregelen die zijn vervat in overeenkomsten die de Unie met bepaalde derde landen of groepen van derde landen heeft gesloten;

e)

de preferentiële tariefmaatregelen die door de Unie ten aanzien van bepaalde derde landen of groepen van derde landen unilateraal zijn vastgesteld;

f)

de autonome maatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van douanerechten is voorzien;

g)

de gunstige tariefbehandeling voor bepaalde goederen op grond van hun aard of bijzondere bestemming in het kader van de in de punten c) tot en met f) of in punt h) bedoelde maatregelen;

h)

andere maatregelen waarin bij rechtshandelingen van de Unie met betrekking tot het landbouwbeleid, het handelsbeleid of andere gebieden is voorzien en die gebaseerd zijn op de tariefindeling van de goederen, met name voorlopige of definitieve antidumpingrechten, compenserende rechten of vrijwaringsmaatregelen.

3.   Indien de betrokken goederen voldoen aan de voorwaarden die in de in lid 2, punten d) tot en met g), bedoelde maatregelen zijn vervat, kunnen deze maatregelen toepassing vinden in plaats van de in punt c) van dat lid bedoelde maatregelen. De in lid 2, punten d) tot en met g), bedoelde maatregelen kunnen met terugwerkende kracht toepassing vinden, mits aan de in de toepasselijke maatregel of in deze verordening vastgelegde termijnen en voorwaarden wordt voldaan, en:

a)

wat de in lid 2, punten d) en e), bedoelde maatregelen betreft, die maatregelen in een dergelijke toepassing met terugwerkende kracht voorzien;

b)

wat de in lid 2, punt d), bedoelde maatregelen betreft, het derde land of de groep derde landen ook in een dergelijke toepassing met terugwerkende kracht voorziet.

4.   Indien de toepassing van de in lid 2, punten d) tot en met g), bedoelde maatregelen of de vrijstelling van de in punt h) van dat lid bedoelde maatregelen tot een bepaald invoer- of uitvoervolume wordt beperkt, neemt die toepassing of vrijstelling, in het geval van tariefcontingenten of andere contingenten, een einde zodra het vastgestelde invoer- of uitvoervolume is bereikt.

In het geval van tariefplafonds neemt de toepassing van dergelijke maatregelen een einde op grond van een rechtshandeling van de Unie.

5.   De Commissie kan het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer en de plaatsing van goederen onder bepaalde bijzondere regelingen aan douanesurveillance onderwerpen voor de in artikel 41, lid 4, bedoelde doeleinden.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de maatregelen voor het uniforme beheer van de in lid 4 van dit artikel bedoelde tariefcontingenten en andere contingenten en tariefplafonds en voor het beheer van de in lid 5 van dit artikel bedoelde douanesurveillance. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 167

Tariefindeling van goederen

1.   Voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief betekent tariefindeling van goederen het vaststellen van een van de onderverdelingen of verdere indelingen van de gecombineerde nomenclatuur waaronder die goederen moeten worden ingedeeld.

2.   Voor de toepassing van niet-tarifaire maatregelen betekent tariefindeling van goederen het vaststellen van een van de onderverdelingen of verdere indelingen van de gecombineerde nomenclatuur of van enige andere nomenclatuur die bij rechtshandelingen van de Unie is vastgesteld en waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van verdere indelingen is overgenomen, waaronder die goederen moeten worden ingedeeld.

3.   De overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde onderverdeling of verdere indeling wordt gebruikt voor de toepassing van de aan die onderverdeling gekoppelde maatregelen.

4.   De Commissie kan overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel uitvoeringshandelingen vaststellen tot vaststelling van de tariefindeling van goederen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen die verband houden met de noodzaak om snel de juiste en uniforme toepassing van de gecombineerde nomenclatuur te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 283, lid 5, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

HOOFDSTUK 2

Oorsprong van goederen

Artikel 168

Niet-preferentiële oorsprong

De regels ter bepaling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen in de artikelen 169 en 170 worden gebruikt voor de toepassing van:

a)

het gemeenschappelijk douanetarief, met uitzondering van de in artikel 166, lid 2, punten d) en e), bedoelde maatregelen;

b)

andere maatregelen dan tariefmaatregelen die bij rechtshandelingen van de Unie op specifieke gebieden met betrekking tot het goederenverkeer zijn vastgesteld, en

c)

andere Uniemaatregelen met betrekking tot de oorsprong van goederen.

Artikel 169

Verkrijging van niet-preferentiële oorsprong

1.   Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen, worden geacht van oorsprong uit dat land of gebied te zijn.

2.   Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de regels te bepalen volgens welke overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel goederen, waarvan voor de toepassing van de in artikel 168 bedoelde maatregelen van de Unie de niet-preferentiële oorsprong moet worden bepaald, worden geacht geheel en al in één enkel land of gebied te zijn verkregen, of daar hun laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking te hebben ondergaan in een daartoe ingerichte onderneming, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.

Artikel 170

Bewijs van niet-preferentiële oorsprong

1.   Wanneer de importeur op grond van de douanewetgeving een oorsprong van de goederen heeft vermeld, kunnen de douaneautoriteiten van de importeur verlangen dat hij de oorsprong van die goederen aantoont.

2.   Indien een bewijs van oorsprong van de goederen wordt geleverd op grond van de douanewetgeving of andere rechtshandelingen van de Unie op specifieke gebieden, kunnen de douaneautoriteiten, in geval van gegronde twijfel, elk aanvullend bewijs verlangen dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de vermelding van de oorsprong voldoet aan de regels die bij de desbetreffende rechtshandeling van de Unie zijn vastgesteld.

3.   Indien de handelsvoorschriften zulks vereisen, kan in de Unie een document tot bewijs van de oorsprong van goederen worden afgegeven overeenkomstig de oorsprongsregels die van kracht zijn in het land of het gebied van bestemming of een andere methode die aanduidt in welk land die goederen geheel en al zijn verkregen of hun laatste ingrijpende verwerking of bewerking hebben ondergaan.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de procedureregels voor het leveren en controleren van bewijzen van de oorsprong van goederen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 171

Preferentiële oorsprong

1.   Om voor de in artikel 166, lid 2, punt d) of e), bedoelde maatregelen of voor niet-tarifaire preferentiële maatregelen in aanmerking te komen, moeten goederen voldoen aan de in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel bedoelde regels betreffende de preferentiële oorsprong.

2.   Voor goederen die in aanmerking komen voor preferentiële maatregelen in het kader van overeenkomsten die de Unie met bepaalde derde landen of groepen van dergelijke landen heeft gesloten, gelden de in die overeenkomsten vastgelegde regels betreffende de preferentiële oorsprong.

3.   Voor goederen die in aanmerking komen voor de in Protocol nr. 2 bij de Toetredingsakte van 1985 opgenomen preferentiële maatregelen die van toepassing zijn op de handel tussen het douanegebied van de Unie en Ceuta en Melilla, gelden de overeenkomstig artikel 9 van dat protocol vastgestelde regels betreffende de preferentiële oorsprong.

4.   Voor goederen die in aanmerking komen voor de preferentiële maatregelen in de preferentiële regelingen ten gunste van de met de Unie geassocieerde landen en gebieden overzee, gelden de overeenkomstig artikel 203 VWEU vastgestelde regels betreffende de preferentiële oorsprong.

5.   De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van een begunstigd land of gebied, dat land of gebied voor bepaalde goederen een tijdelijke afwijking van de in lid 9 bedoelde regels betreffende de preferentiële oorsprong toestaan (“tijdelijke afwijking”).

De tijdelijke afwijking wordt gerechtvaardigd door een van de volgende redenen:

a)

het begunstigde land of gebied kan door interne of externe factoren tijdelijk niet voldoen aan de regels betreffende de preferentiële oorsprong;

b)

het begunstigde land of gebied heeft tijd nodig om zich voor te bereiden teneinde aan de regels betreffende preferentiële oorsprong te kunnen voldoen.

6.   Een verzoek om een tijdelijke afwijking wordt door het betrokken begunstigde land of gebied aan de Commissie gericht. Dat verzoek bevat, zoals vermeld in lid 5, tweede alinea, een opgave van de redenen waarom de tijdelijke afwijking noodzakelijk is, en gaat vergezeld van de nodige bewijsstukken.

7.   De tijdelijke afwijking geldt zolang de gevolgen van de interne of externe factoren die er de aanleiding voor vormden voortduren, of gedurende de tijd die het begunstigde land of gebied nodig heeft om aan de regels te kunnen voldoen.

8.   Indien een tijdelijke afwijking wordt toegekend, moet het begunstigde land of gebied voldoen aan eventuele eisen in verband met de aan de Commissie te verstrekken informatie over het gebruik van de afwijking en het beheer van de hoeveelheden waarvoor de tijdelijke afwijking wordt toegekend.

9.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening door regels te bepalen betreffende de preferentiële oorsprong van goederen die in aanmerking komen voor preferentiële maatregelen die unilateraal door de Unie zijn vastgesteld ten gunste van bepaalde andere derde landen of groepen van derde landen dan de in lid 4 van dit artikel bedoelde. Die regels zijn gebaseerd op het criterium dat de goederen geheel en al verkregen zijn, of op het criterium dat de goederen het resultaat zijn van een toereikende verwerking of bewerking.

10.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van:

a)

de procedureregels betreffende de preferentiële oorsprong van goederen voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen;

b)

een maatregel waarbij aan een begunstigd land of gebied de tijdelijke afwijking wordt verleend.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 172

Bepaling van de oorsprong van specifieke goederen

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van maatregelen om de oorsprong van specifieke goederen te bepalen, overeenkomstig de op die goederen toepasselijke oorsprongsregels. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen in verband met de noodzaak om snel de juiste en uniforme toepassing van de oorsprongsregels te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 283, lid 5, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

HOOFDSTUK 3

Douanewaarde van goederen

Artikel 173

Toepassingsgebied

De douanewaarde van goederen met het oog op de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en van niet-tarifaire maatregelen die bij rechtshandelingen van de Unie op specifieke gebieden met betrekking tot het goederenverkeer (“douanewaarde”) zijn vastgesteld, wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 179 vastgesteld.

Artikel 174

Methode voor het vaststellen van de douanewaarde op basis van de transactiewaarde

1.   De primaire basis voor de douanewaarde is de transactiewaarde, te weten de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de goederen wanneer deze voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht, aangepast overeenkomstig de artikelen 176 en 177.

2.   De in lid 1 bedoelde werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen zijn of moeten worden verricht.

3.   De in lid 1 bedoelde transactiewaarde wordt gebruikt, mits wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:

a)

er zijn geen beperkingen ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper, behalve in een van de volgende gevallen:

i)

bij wet of door autoriteiten in de Unie worden beperkingen opgelegd of voorgeschreven;

ii)

er gelden beperkingen ten aanzien van het geografische gebied waarbinnen de goederen kunnen worden doorverkocht;

iii)

de douanewaarde van de betrokken goederen wordt door de beperkingen niet aanmerkelijk beïnvloed;

b)

de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, niet kan worden vastgesteld;

c)

geen enkel deel van de opbrengst van een latere wederverkoop, overdracht of later gebruik van de goederen door de koper zal de verkoper direct of indirect ten goede komen, tenzij er een passende aanpassing kan worden aangebracht, en

d)

koper en verkoper zijn niet verbonden, of hun verbondenheid is niet van dien aard dat de prijs erdoor is beïnvloed.

Artikel 175

Transactiewaarde van in afstandsverkopen gekochte goederen

1.   De transactiewaarde van in afstandsverkopen gekochte goederen wordt bepaald op basis van die verkopen.

2.   Indien de goederen in afstandsverkopen worden gekocht terwijl zij zich overeenkomstig artikel 145 onder de regeling douane-entrepot bevinden, nadat zij het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, wordt de transactiewaarde op basis van die verkopen bepaald.

Artikel 176

Elementen van de transactiewaarde

1.   Bij het vaststellen van de douanewaarde uit hoofde van artikel 174 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met de volgende elementen:

a)

de volgende, voor zover ze ten laste komen van de koper en niet begrepen zijn in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs:

i)

commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies;

ii)

de kosten van verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden behandeld als een geheel met de goederen, en

iii)

de kosten van het verpakken, waarin zowel het arbeidsloon als het materiaal is begrepen;

b)

de op passende wijze toegerekende waarde van de onderstaande goederen en diensten indien deze gratis of tegen verlaagde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd om te worden gebruikt bij de productie en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover die waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen:

i)

materialen, samenstellende delen, onderdelen en dergelijke die in de ingevoerde goederen zijn verwerkt;

ii)

werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke voorwerpen die bij de productie van de ingevoerde goederen zijn gebruikt;

iii)

materialen die bij de productie van de ingevoerde goederen zijn verbruikt, en

iv)

engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen en tekeningen en schetsen die buiten de Unie zijn verricht of vervaardigd en die noodzakelijk zijn voor de productie van de ingevoerde goederen;

c)

royalty’s en licentierechten met betrekking tot de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, die de koper direct of indirect moet betalen als voorwaarde voor de verkoop van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, voor zover die royalty’s en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen;

d)

de waarde van elk deel van de opbrengst van een latere wederverkoop of overdracht of een later gebruik van de ingevoerde goederen dat de verkoper direct of indirect ten goede komt, en

e)

de volgende kosten tot de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht:

i)

de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen, en

ii)

de met het vervoer verband houdende kosten van het laden en behandelen van de ingevoerde goederen.

2.   De op grond van lid 1 werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt enkel op basis van objectieve en meetbare gegevens toegevoegd.

3.   Bij het vaststellen van de douanewaarde wordt de werkelijk betaalde of te betalen prijs niet verhoogd, behoudens het bepaalde in dit artikel.

Artikel 177

Niet in de douanewaarde te begrijpen elementen

Bij het vaststellen van de douanewaarde volgens artikel 174, worden de volgende elementen niet inbegrepen:

a)

de kosten van vervoer van de ingevoerde goederen na binnenkomst ervan in het douanegebied van de Unie;

b)

de kosten van constructiewerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud of technische bijstand die zijn verricht met betrekking tot de ingevoerde goederen, zoals fabrieken, machines of uitrusting, na binnenkomst ervan in het douanegebied van de Unie;

c)

te betalen rente uit hoofde van een door de koper in verband met de aankoop van de ingevoerde goederen gesloten financieringsovereenkomst, ongeacht of de financiering door de verkoper of door een andere persoon wordt verstrekt, mits die financieringsovereenkomst schriftelijk is en de koper desgevraagd kan aantonen dat de volgende voorwaarden vervuld zijn:

i)

die goederen worden werkelijk verkocht tegen de prijs die als werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven;

ii)

de gevraagde rentevoet is niet hoger dan hetgeen voor dergelijke transacties gebruikelijk is in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden;

d)

de kosten ter verkrijging van het recht tot verveelvoudiging van de in de Unie ingevoerde goederen;

e)

inkoopcommissies;

f)

invoerrechten of overige heffingen die in de Unie vanwege de invoer of de verkoop van de goederen moeten worden voldaan;

g)

niettegenstaande artikel 176, lid 1, punt c), door de koper verrichte betalingen ter verkrijging van het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen, indien deze betalingen geen voorwaarde zijn voor de verkoop van de goederen voor uitvoer naar de Unie.

Artikel 178

Vereenvoudigingen

1.   De douaneautoriteiten kunnen desgevraagd toestaan dat de hieronder bedoelde bedragen op basis van specifieke criteria worden bepaald, indien die bedragen niet meetbaar zijn op de datum waarop de douaneaangifte is aanvaard, of op de datum waarop de gegevens beschikbaar moeten zijn voor de douaneautoriteiten:

a)

bedragen die in de douanewaarde moeten worden begrepen overeenkomstig artikel 174, lid 2, en

b)

de in de artikelen 176 en 177 bedoelde bedragen.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen onder welke voorwaarden de in lid 1 van dit artikel bedoelde toestemming wordt verleend.

Artikel 179

Bijkomende methoden voor het vaststellen van de douanewaarde

1.   Indien de douanewaarde niet met toepassing van artikel 174 kan worden vastgesteld, wordt achtereenvolgens nagegaan welk van de punten a) tot en met d) van lid 2 van toepassing is en wordt de douanewaarde vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt.

De volgorde waarin de punten c) en d) van lid 2 worden toegepast, wordt omgekeerd indien de importeur of, in voorkomend geval, de aangever daarom verzoekt.

2.   De douanewaarde op grond van lid 1 is:

a)

de transactiewaarde van identieke goederen die voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie zijn verkocht en die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;

b)

de transactiewaarde van soortgelijke goederen die voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie zijn verkocht en die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;

c)

de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid waarvoor de ingevoerde goederen of ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in het douanegebied van de Unie in de grootste samengevoegde hoeveelheid worden verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de verkopers, of

d)

de berekende waarde, bestaande uit de som van:

i)

de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere, bij de productie van de ingevoerde goederen verrichte verwerkingen of bewerkingen;

ii)

een bedrag voor winst en algemene kosten dat overeenkomt met het bedrag dat gewoonlijk in aanmerking wordt genomen wanneer producenten in het land van uitvoer goederen van dezelfde aard of dezelfde soort als die waarvan de waarde dient te worden bepaald, voor uitvoer naar de Unie verkopen;

iii)

de kosten of de waarde van de in artikel 176, lid 1, punt e), genoemde elementen.

3.   Indien de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 van dit artikel kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van al het volgende:

a)

de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994;

b)

artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel;

c)

dit hoofdstuk.

4.   In het geval van afstandsverkopen kunnen de douaneautoriteiten, indien de importeur gegronde twijfel niet wegneemt over de vraag of de aangegeven transactiewaarde overeenkomt met de totale werkelijk betaalde of te betalen prijs, bedoeld in artikel 174, lid 1, de passende bijkomende methode hanteren om de douanewaarde van die goederen opnieuw vast te stellen. Dit laat onverlet dat de importeur binnen een redelijke termijn de nodige informatie kan verstrekken om te rechtvaardigen dat de douanewaarde op de in lid 1 van dit artikel voorgeschreven wijze kan worden vastgesteld.

Artikel 180

Douanewaarde voor de vaststelling van uitvoerrechten

1.   Indien er uitvoerrechten worden vastgesteld, wordt de waarde voor de vaststelling van uitvoerrechten bepaald op basis van:

a)

de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer uit het douanegebied van de Unie, mits de koper en de verkoper niet verbonden zijn of hun verbondenheid niet van dien aard is dat zij van invloed is geweest op die prijs, die zo nodig is aangepast overeenkomstig de leden 2 en 3, en zoals die blijkt uit de door de exporteur verstrekte gegevens, of

b)

een waarde op basis van objectieve en verifieerbare data, waaronder de marktprijs van identieke of soortgelijke goederen die op dezelfde plaats en hetzelfde tijdstip uit de Unie worden uitgevoerd, indien de in punt a) van dit lid bedoelde prijs niet beschikbaar of onvolledig is of niet overeenkomt met de economische waarde van de goederen.

2.   De waarde voor de vaststelling van uitvoerrechten omvat alle kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoertransactie.

3.   De waarde voor de vaststelling van uitvoerrechten omvat niet de kosten die zijn gemaakt nadat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, noch betalingen die geen verband houden met de uitgevoerde goederen.

4.   Zo nodig kunnen de douaneautoriteiten om aanvullend bewijsmateriaal verzoeken om de door de exporteur verstrekte gegevens te verifiëren of om de waarde voor de vaststelling van uitvoerrechten overeenkomstig dit artikel vast te stellen.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen welke gegevens vereist zijn om de douanewaarde voor uitvoerrechten vast te stellen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 181

Procedureregels voor het vaststellen van de douanewaarde

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de procedureregels:

a)

ter bepaling van de douanewaarde op basis van de transactiewaarde, overeenkomstig artikel 174, leden 1 en 2, met inbegrip van procedureregels voor het aanpassen van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, overeenkomstig de artikelen 176 en 177, en voor de toepassing van de in artikel 174, lid 3, bedoelde voorwaarden;

b)

ter bepaling van de douanewaarde volgens bijkomende methoden, overeenkomstig artikel 179;

c)

ter bepaling van de douanewaarde voor de vaststelling van uitvoerrechten overeenkomstig artikel 180.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 182

Bepaling van de douanewaarde in specifieke situaties

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van maatregelen voor het vaststellen van de passende methode voor het bepalen van de douanewaarde of van de criteria die moeten worden gehanteerd voor het bepalen van de douanewaarde in specifieke situaties, met inbegrip van afstandsverkopen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie in verband met de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde maatregelen, met betrekking tot de noodzaak om snel de juiste en uniforme toepassing van de regels voor het bepalen van de douanewaarde van goederen te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 283, lid 5, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

TITEL X

DOUANESCHULDEN EN ZEKERHEIDSSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1

Ontstaan van de douaneschuld

Afdeling 1

Douaneschuld bij invoer

Artikel 183

In het vrije verkeer brengen en tijdelijke invoer

1.   Er ontstaat een douaneschuld bij invoer voor het plaatsen van de goederen onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen of onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten of de regeling bijzondere bestemming, wanneer de importeur overeenkomstig artikel 74, lid 1, kennisgeeft van de beschikbaarheid van de goederen.

2.   In afwijking van lid 1 van dit artikel ontstaat de douaneschuld op het tijdstip van:

a)

de vrijgave van de goederen, indien artikel 205, lid 5, van toepassing is;

b)

de aanvaarding van de douaneaangifte, indien van toepassing, tot en met 28 februari 2034;

c)

de aanvaarding van de betaling door de persoon die ervoor heeft gekozen gebruik te maken van de IOSS-regeling.

3.   De importeur is de schuldenaar. In geval van indirecte vertegenwoordiging zijn de douanevertegenwoordiger en de persoon voor wiens of wier rekening de douanevertegenwoordiger optreedt, beiden schuldenaar en hoofdelijk aansprakelijk voor de douaneschuld.

4.   Indien de gegevens die zijn verstrekt of beschikbaar zijn gesteld voor de in lid 1 bedoelde regelingen, ertoe leiden dat de invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geïnd, is de persoon die die informatie heeft verstrekt en wist, of redelijkerwijze had moeten weten, dat die informatie onjuist was, eveneens schuldenaar.

5.   Tot en met 28 februari 2034 is, indien er een douaneaangifte wordt ingediend, de aangever schuldenaar. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens of wier rekening de douanevertegenwoordiger optreedt, eveneens schuldenaar.

Artikel 184

Bijzondere bepalingen betreffende niet van oorsprong zijnde goederen

1.   Er ontstaat een douaneschuld op het tijdstip van de vrijgave van de producten voor wederuitvoer indien:

a)

in een preferentiële regeling tussen de Unie en bepaalde derde landen of groepen van dergelijke landen is bepaald dat de preferentiële tariefbehandeling van producten van oorsprong uit de Unie vereist dat niet van oorsprong zijnde goederen die bij de vervaardiging ervan worden gebruikt, aan invoerrechten worden onderworpen, en

b)

er voor deze producten een bewijs van oorsprong is afgegeven of opgesteld.

2.   De douaneschuld wordt berekend als het bedrag aan invoerrechten dat overeenkomt met de schuld die zou zijn ontstaan als de niet van oorsprong zijnde goederen die bij de vervaardiging van de voor wederuitvoer bestemde producten zijn gebruikt, op dezelfde datum in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

3.   De exporteur is de schuldenaar. In geval van indirecte vertegenwoordiging zijn de douanevertegenwoordiger en de persoon voor wiens of wier rekening de douanevertegenwoordiger optreedt, beiden schuldenaar en hoofdelijk aansprakelijk voor de douaneschuld.

Artikel 185

Ontstaan van douaneschuld door niet-naleving

1.   Ten aanzien van aan invoerrechten onderworpen goederen ontstaat een douaneschuld bij invoer bij niet-naleving van:

a)

een bij de douanewetgeving vastgelegde verplichting betreffende het binnenbrengen van niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie, de onttrekking van dergelijke goederen aan douanetoezicht, of de overbrenging, veredeling, opslag, tijdelijke opslag, tijdelijke invoer of verwijdering van dergelijke goederen binnen dat douanegebied;

b)

een bij de douanewetgeving vastgelegde verplichting betreffende de bijzondere bestemming van goederen binnen het douanegebied van de Unie, of

c)

een voorwaarde voor plaatsing van niet-Uniegoederen onder een douaneregeling of voor toekenning, op grond van de bijzondere bestemming van de goederen, van een vrijstelling van rechten of van een verlaagd invoerrecht.

2.   Het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, is een van de volgende tijdstippen:

a)

wanneer de niet-nakoming van een verplichting aanleiding geeft tot de douaneschuld, het moment waarop die verplichting niet of niet langer wordt nagekomen;

b)

het tijdstip waarop goederen onder een douaneregeling worden geplaatst, indien achteraf blijkt dat in feite niet werd voldaan aan een voorwaarde voor plaatsing onder die regeling of toekenning, op grond van de bijzondere bestemming van de goederen, van een vrijstelling of van een verlaagd invoerrecht.

3.   In de in lid 1, punten a) en b), bedoelde gevallen is de schuldenaar:

a)

eenieder die de betrokken verplichtingen moest nakomen;

b)

eenieder die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat niet werd voldaan aan een uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting, en die handelde voor rekening van de persoon die de verplichting moest nakomen, of die deelnam aan de handeling die tot de niet-nakoming van de verplichting leidde;

c)

eenieder die de betrokken goederen heeft verworven of deze onder zich heeft gehad en die op het ogenblik waarop hij de goederen verwierf of ontving, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat niet werd voldaan aan een de uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting.

4.   In de in lid 1, punt c), bedoelde gevallen is de schuldenaar de persoon die moet voldoen aan de voorwaarden voor plaatsing van de goederen onder een douaneregeling of voor toekenning, op grond van de bijzonder bestemming van de goederen, van een vrijstelling of van een verlaagd invoerrecht.

5.   Indien aan de douaneautoriteiten informatie wordt verstrekt die vereist is uit hoofde van de douanewetgeving betreffende de plaatsing van de goederen onder een douaneregeling, en de invoerrechten ten gevolge daarvan geheel of gedeeltelijk niet worden geïnd, is de persoon die de informatie heeft verstrekt en die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die informatie onjuist was, eveneens schuldenaar.

Artikel 186

Aftrek van een bedrag aan reeds betaalde invoerrechten

1.   Indien op grond van artikel 185, lid 1, een douaneschuld ontstaat ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd invoerrecht op grond van hun bijzondere bestemming, wordt het bij het in het vrije verkeer brengen betaalde bedrag aan invoerrechten op het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoerrechten in mindering gebracht.

De eerste alinea is tevens van toepassing indien er een douaneschuld ontstaat ten aanzien van de resten en afval die het resultaat zijn van de vernietiging van dergelijke goederen.

2.   Indien er op grond van artikel 183, lid 1, of artikel 185, lid 1, een douaneschuld ontstaat ten aanzien van goederen die onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten zijn geplaatst, wordt het onder de regeling voor de gedeeltelijke vrijstelling betaalde bedrag aan invoerrechten op het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoerrechten in mindering gebracht.

Afdeling 2

Douaneschuld bij uitvoer

Artikel 187

Uitvoer en passieve veredeling

1.   Een douaneschuld bij uitvoer voor het plaatsen van goederen onder de regeling uitvoer of de regeling passieve veredeling ontstaat op het tijdstip waarop de exporteur overeenkomstig artikel 74, lid 1, kennisgeeft van de beschikbaarheid van de goederen.

2.   In afwijking van lid 1 ontstaat de douaneschuld op het tijdstip van:

a)

indien artikel 205, lid 5, van toepassing is, de vrijgave van de goederen;

b)

de aanvaarding van de douaneaangifte, indien van toepassing, tot en met 28 februari 2034.

3.   De exporteur is de schuldenaar. In geval van indirecte vertegenwoordiging zijn de douanevertegenwoordiger en de persoon voor wiens of wier rekening de douanevertegenwoordiger optreedt, beiden schuldenaar en hoofdelijk aansprakelijk voor de douaneschuld.

4.   Indien de informatie die is verstrekt om de goederen onder de regeling uitvoer of de regeling passieve veredeling te plaatsen, ertoe leiden dat de uitvoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geïnd, is de persoon die die informatie heeft verstrekt en wist, of redelijkerwijze had moeten weten, dat die informatie onjuist was, eveneens schuldenaar.

Artikel 188

Ontstaan van douaneschuld door niet-naleving

1.   Ten aanzien van aan uitvoerrechten onderworpen goederen ontstaat een douaneschuld bij uitvoer bij niet-naleving van:

a)

een bij de douanewetgeving vastgelegde verplichting betreffende de uitgang van de goederen, of

b)

een voorwaarde waaronder de goederen het douanegebied van de Unie met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van uitvoerrechten mochten verlaten.

2.   Het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, is:

a)

het tijdstip waarop de goederen het douanegebied van de Unie daadwerkelijk verlaten zonder dat aan de douaneautoriteiten informatie over die uitvoer wordt verstrekt of beschikbaar wordt gesteld;

b)

het tijdstip waarop de goederen een andere bestemming bereiken dan die op grond waarvan zij het douanegebied van de Unie met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van uitvoerrechten mochten verlaten, of

c)

indien de douaneautoriteiten het in punt b) bedoelde tijdstip niet kunnen bepalen, het tijdstip waarop de termijn verstrijkt waarbinnen het bewijs moest worden geleverd dat aan de voorwaarden voor een dergelijke vrijstelling was voldaan.

3.   In de in lid 1, punt a), bedoelde gevallen is de schuldenaar:

a)

eenieder die de betrokken verplichting moest nakomen;

b)

eenieder die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat niet aan de betrokken verplichting was voldaan en die handelde voor rekening van de persoon die de verplichting moest nakomen;

c)

eenieder die heeft deelgenomen aan de handeling die tot de niet-naleving van de verplichting leidde, en die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de vereiste informatie niet was verstrekt of dat er, indien van toepassing, ten onrechte geen douaneaangifte was ingediend.

4.   In de in lid 1, punt b), bedoelde gevallen is eenieder die moet voldoen aan de voorwaarden waaronder de goederen het douanegebied van de Unie met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van uitvoerrechten mochten verlaten, schuldenaar.

Afdeling 3

Gemeenschappelijke bepalingen voor douaneschuld bij invoer en bij uitvoer

Artikel 189

Douaneschuld bij goederen waarvoor andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving geldt

1.   De douaneschuld bij invoer of uitvoer ontstaat ook ten aanzien van goederen waarvoor andere door de douaneautoriteiten bij invoer of uitvoer toegepaste wetgeving geldt.

2.   In afwijking van lid 1 ontstaat er geen douaneschuld:

a)

bij het op illegale wijze binnenbrengen in het douanegebied van de Unie van vals geld, of

b)

bij het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie van verdovende middelen en psychotrope stoffen, uitgezonderd die welke streng gecontroleerd worden door de bevoegde autoriteiten met het oog op het gebruik ervan voor medische en wetenschappelijke doeleinden.

Voor de toepassing van sancties op inbreuken op de douanewetgeving wordt de douaneschuld toch geacht te zijn ontstaan indien uit hoofde van deze verordening of nationaal recht invoer- of uitvoerrechten of het bestaan van een douaneschuld als grondslag dienen (dient) voor het opleggen van sancties.

Artikel 190

Meerdere schuldenaren

Indien meer dan één persoon schuldenaar is van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat overeenkomt met één douaneschuld, zijn die personen hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van dat bedrag.

Artikel 191

Algemene regels voor het berekenen van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

1.   Het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt berekend op basis van de tariefindeling, douanewaarde, hoeveelheid, bestemming en oorsprong van de goederen. De regels voor het berekenen van de rechten zijn die welke op de betrokken goederen van toepassing zijn op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld is ontstaan.

2.   Met betrekking tot afstandsverkopen in het kader van de IOSS-regeling wordt het bedrag aan invoerrechten bepaald op basis van de regels voor het berekenen van rechten die op de betrokken goederen van toepassing waren op het moment dat de betaling voor de afstandsverkopen werd aanvaard.

3.   Indien niet nauwkeurig kan worden vastgesteld wanneer de douaneschuld is ontstaan, wordt dat tijdstip geacht het tijdstip te zijn waarop de douaneautoriteiten concluderen dat de goederen in een situatie verkeren die een douaneschuld heeft doen ontstaan.

Indien uit de informatie waarover de douaneautoriteiten beschikken, evenwel blijkt dat de douaneschuld is ontstaan voordat zij tot die conclusie zijn gekomen, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op het vroegste tijdstip waarop het bestaan van die situatie kan worden vastgesteld.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de in dit artikel bedoelde regels vast te stellen voor het berekenen van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat van toepassing is op goederen waarvoor in het kader van een bijzondere regeling een douaneschuld is ontstaan.

Artikel 192

Bijzondere regels voor het berekenen van het bedrag aan invoerrechten

1.   Indien voor onder een douaneregeling of in tijdelijke opslag geplaatste goederen in het douanegebied van de Unie kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen zijn ontstaan, worden deze kosten of een eventuele waardevermeerdering niet in aanmerking genomen voor het berekenen van het bedrag aan invoerrechten, mits door de importeur of, in voorkomend geval, de aangever afdoende bewijs van het bestaan van die kosten wordt geleverd.

De douanewaarde, hoeveelheid en oorsprong van niet-Uniegoederen die bij de verrichtingen zijn gebruikt, worden echter wel in aanmerking genomen voor het berekenen van het bedrag aan invoerrechten.

2.   Indien de tariefindeling van onder een douaneregeling geplaatste goederen verandert als gevolg van gebruikelijke behandelingen in het douanegebied van de Unie, wordt op verzoek van de importeur of, in voorkomend geval, de aangever de oorspronkelijke tariefindeling voor de onder die regeling geplaatste goederen toegepast.

3.   Indien er een douaneschuld is ontstaan voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, wordt het met de schuld overeenkomende bedrag aan invoerrechten op verzoek van de importeur vastgesteld op basis van de tariefindeling, douanewaarde, hoeveelheid en oorsprong van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen op het tijdstip waarop zij onder die regeling zijn geplaatst.

4.   Indien de veredelingsproducten zijn voortgebracht in het kader van opeenvolgende regelingen actieve veredeling met betrekking tot goederen die onder een eerste regeling actieve veredeling zijn geplaatst overeenkomstig lid 3, kan de importeur alleen verzoeken dat de schuld wordt berekend op basis van de tariefindeling, douanewaarde, hoeveelheid en oorsprong van de onder die eerste regeling actieve veredeling geplaatste goederen.

5.   In specifieke gevallen die in de douanewetgeving zijn vastgelegd, wordt het bedrag aan invoerrechten vastgesteld overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel zonder het verzoek daartoe van de importeur of de exporteur of, in voorkomend geval, de aangever, teneinde omzeiling van de in artikel 166, lid 2, punt h), bedoelde maatregelen te voorkomen.

6.   Indien er een douaneschuld is ontstaan voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling passieve veredeling of vervangende producten, wordt het bedrag aan invoerrechten berekend op basis van de kosten van de buiten het douanegebied van de Unie verrichte veredeling.

7.   Indien een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 185 of artikel 188 van deze verordening, is, mits het verzuim dat tot het ontstaan van een douaneschuld heeft geleid geen poging tot bedrog inhield, ook het volgende van toepassing:

a)

de gunstige tariefbehandeling van goederen op grond van de douanewetgeving;

b)

de ontheffing of gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoer- of uitvoerrechten op grond van artikel 166, lid 2, punten d) tot en met g), of de artikelen 111, 112 en 113, of de artikelen 161 tot en met 165 van deze verordening, of

c)

de vrijstelling op grond van Verordening (EG) nr. 1186/2009.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de in dit artikel bedoelde regels vast te stellen voor het berekenen van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat van toepassing is op goederen waarvoor in het kader van een bijzondere regeling een douaneschuld is ontstaan, en de in lid 5 van dit artikel bedoelde specifieke gevallen.

Artikel 193

Plaats waar de douaneschuld ontstaat

1.   De douaneschuld ontstaat:

a)

in de in artikel 6, lid 1, punt d), ii), bedoelde gevallen, op de plaats waar de goederen zich bevinden;

b)

in de in artikel 6, lid 2, punt a), bedoelde gevallen, op de plaats waar de goederen moeten worden geleverd;

c)

in de in artikel 6, lid 2, punt c), bedoelde gevallen, op de plaats waar de aangever aan wie vergunning is verleend om van gecentraliseerde vrijmaking gebruik te maken, gevestigd is;

d)

in de in artikel 6, lid 2, punt b), bedoelde gevallen, in de lidstaat van vestiging van de vertrouwde en gecontroleerde handelaar.

In alle overige gevallen ontstaat de douaneschuld op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden. Indien deze plaats niet kan worden bepaald, ontstaat de douaneschuld op de plaats waar de douaneautoriteiten concluderen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan van een douaneschuld leidt.

2.   Indien de goederen zich onder een niet-aangezuiverde douaneregeling bevinden of indien de tijdelijke opslag niet naar behoren is beëindigd en de plaats waar de douaneschuld ontstaat niet op grond van lid 1, tweede of derde alinea, binnen een specifieke termijn kan worden vastgesteld, ontstaat de douaneschuld op de plaats waar de goederen onder de betrokken regeling zijn geplaatst of het douanegebied van de Unie onder die regeling zijn binnengekomen of in tijdelijke opslag waren.

3.   Indien uit de gegevens waarover de douaneautoriteiten beschikken, blijkt dat de douaneschuld op verschillende plaatsen kan zijn ontstaan, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar deze schuld het eerst is ontstaan.

4.   Indien een douaneautoriteit vaststelt dat uit hoofde van artikel 185 of 188 in een andere lidstaat een douaneschuld is ontstaan en het met die schuld overeenkomend bedrag aan invoer- of uitvoerrechten minder is dan 10 000 EUR, wordt deze douaneschuld geacht te zijn ontstaan in de lidstaat waar de vaststelling is gebeurd.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn te bepalen.

HOOFDSTUK 2

Zekerheidsstelling voor een mogelijke of bestaande douaneschuld

Artikel 194

Algemene bepalingen

1.   Tenzij anders bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op zekerheidsstelling voor douaneschulden die reeds zijn ontstaan (“bestaande douaneschulden”), en op zekerheidsstelling die vereist is als er een douaneschuld kan ontstaan (“mogelijke douaneschulden”).

2.   Indien de douaneautoriteiten eisen dat een zekerheid wordt gesteld voor een mogelijke of bestaande douaneschuld, dekt deze zekerheid het bedrag aan verschuldigde invoer- of uitvoerrechten en de in verband met de in- of uitvoer van de goederen verschuldigde overige heffingen indien de zekerheidsstelling:

a)

wordt gebruikt voor de plaatsing van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer, of

b)

in meer dan één lidstaat kan worden gebruikt.

Een door de douaneautoriteiten aanvaarde of toegestane zekerheid is geldig voor het hele douanegebied van de Unie voor de doeleinden waarvoor zij is gesteld.

Indien de zekerheid verband houdt met de activiteiten van de schuldenaar in één lidstaat, dekt zij ten minste het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten.

3.   De zekerheid wordt gesteld door de schuldenaar of een persoon die schuldenaar kan worden of, indien de douaneautoriteiten dit toestaan, door enige andere persoon.

4.   Onverminderd artikel 202 eisen de douaneautoriteiten voor bepaalde goederen slechts één zekerheidsstelling.

De voor bepaalde goederen gestelde zekerheid geldt voor het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen ten aanzien van die goederen, ongeacht of de over die goederen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie juist is.

Indien de zekerheidsstelling niet is vrijgegeven, kan zij ook worden gebruikt, binnen de grenzen van het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, voor de invordering van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen die verschuldigd worden bij een controle achteraf.

5.   Op aanvraag van de in lid 3 van dit artikel bedoelde persoon kunnen de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 200, leden 1, 2 en 3, toestemming geven voor het stellen van een doorlopende zekerheid ter dekking van het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten voor twee of meer transacties of douaneregelingen.

6.   De douaneautoriteiten houden toezicht op de zekerheid.

7.   Er wordt geen zekerheid verlangd:

a)

van staten, regionale en plaatselijke overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke lichamen in verband met de activiteiten die zij als overheid uitoefenen;

b)

voor goederen vervoerd over de Rijn, de vaarwegen van de Rijn, de Donau of de vaarwegen van de Donau;

c)

voor goederen vervoerd via een vaste transportinrichting;

d)

in specifieke, in de douanewetgeving vast te leggen gevallen, wanneer goederen onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst, en

e)

voor onder de regeling Uniedouanevervoer geplaatste goederen waarvoor de in artikel 140, lid 4, punt e), bedoelde vereenvoudiging wordt gebruikt en die over zee of door de lucht worden vervoerd tussen havens of luchthavens van de Unie.

8.   De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis tot zekerheidsstelling indien het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten waarvoor zekerheid moet worden gesteld, een bepaalde drempel niet overschrijdt.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen in welke specifieke gevallen er geen zekerheidsstelling vereist is voor onder de regeling tijdelijke invoer geplaatste goederen, als bedoeld in lid 7, punt d), van dit artikel, en door de drempel te bepalen beneden welke wordt afgezien van de eis tot zekerheidsstelling als bedoeld in lid 8.

10.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de procedureregels voor het stellen van zekerheid en het uitoefenen van toezicht daarop als bedoeld in dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 195

Referentiebedrag van een verplichte zekerheid

1.   Wanneer de douaneautoriteiten verplicht zijn een zekerheid te eisen en zij het precieze met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen kunnen vaststellen op het tijdstip waarop de zekerheid wordt geëist, moet de zekerheid dat precieze bedrag dekken.

Indien het niet mogelijk is het precieze bedrag te bepalen, wordt het bedrag van de zekerheid vastgesteld op het door de douaneautoriteiten geraamde hoogste met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en andere heffingen die zijn ontstaan of kunnen ontstaan.

2.   Onverminderd artikel 200 wordt, indien een doorlopende zekerheid wordt gesteld voor het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen waarvan het bedrag in de tijd varieert, deze zekerheid op een zodanig niveau vastgesteld dat het met douaneschulden overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen steeds is gedekt.

Artikel 196

Referentiebedrag van een zekerheid uit voorzorg

Indien het niet verplicht is om een zekerheid te stellen, maar de douaneautoriteiten er niet zeker van zijn dat het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen binnen de gestelde termijn zullen worden betaald, eisen zij een zekerheid voor een bedrag dat niet hoger is dan het in artikel 195 bedoelde niveau.

Artikel 197

Zekerheidsstelling

1.   Een zekerheid kan enkel in een van de volgende vormen worden gesteld:

a)

door ieder betaalmiddel dat door de douaneautoriteiten wordt erkend, in euro’s of in de valuta van de lidstaat waar de zekerheid wordt geëist;

b)

door een verbintenis van een borg, of

c)

in een andere vorm, mits die een gelijkwaardige garantie voor de betaling van het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen biedt.

2.   Een zekerheid in de vorm van een door de douaneautoriteiten erkend betaalmiddel wordt gesteld overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de zekerheidsstelling wordt geëist.

De douaneautoriteiten hoeven daarover geen rente te betalen.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de in lid 1, punt c), van dit artikel bedoelde vorm van zekerheid te bepalen.

Artikel 198

Keuze van zekerheid

De persoon die zekerheid moet stellen, heeft de keuze tussen de in artikel 197, lid 1, genoemde vormen van zekerheid.

De douaneautoriteiten kunnen echter weigeren de gekozen vorm van zekerheid te aanvaarden indien deze onverenigbaar is met de goede werking van de desbetreffende douaneregeling.

De douaneautoriteiten kunnen eisen dat de gekozen vorm van zekerheid gedurende een bepaalde periode gehandhaafd blijft.

Artikel 199

Borg

1.   De in artikel 197, lid 1, punt b), bedoelde borg is een in het douanegebied van de Unie gevestigde derde. De douaneautoriteiten die de zekerheid eisen, verlenen hun goedkeuring aan de borg, tenzij de borg een kredietinstelling, financiële instelling of verzekeringsmaatschappij is die in de Unie overeenkomstig het toepasselijke Unierecht is erkend.

2.   De borg verbindt zich er schriftelijk toe het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en overige heffingen waarvoor zekerheid is gesteld, te betalen.

3.   De douaneautoriteiten kunnen weigeren hun goedkeuring te verlenen aan de voorgestelde borg of vorm van zekerheid, indien er onzekerheid bestaat over de vraag of in beide gevallen alle waarborgen kunnen worden geboden dat het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en andere heffingen binnen de gestelde termijn zal worden betaald.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de vormen van zekerheidsstelling en de regels betreffende de in dit artikel bedoelde borg te bepalen.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van de procedureregels voor het intrekken en het opzeggen van de verbintenis van de borg, zoals bedoeld in dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 200

Doorlopende zekerheid

1.   De douaneautoriteiten kunnen de in artikel 194, lid 5, bedoelde vergunning slechts verlenen aan personen die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij zijn in het douanegebied van de Unie gevestigd;

b)

zij voldoen aan de criteria van artikel 30, lid 1, punt a), en

c)

zij maken geregeld gebruik van de betrokken douaneregelingen, zij zijn houders van een vergunning voor het beheer van ruimten voor tijdelijke opslag of zij voldoen aan de criteria van artikel 30, lid 1, punt d).

2.   De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat een marktdeelnemer die aan de criteria van artikel 30, lid 1, punten b) en c), voldoet, of een vertrouwde en gecontroleerde handelaar een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag stelt voor mogelijke douaneschulden en andere heffingen, of geen zekerheid stelt (“ontheffing van zekerheidsstelling”).

3.   De douaneautoriteiten kunnen op aanvraag toestaan dat een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen of een vertrouwde en gecontroleerde handelaar een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag stelt voor bestaande douaneschulden en andere heffingen. Een dergelijke doorlopende zekerheid wordt geacht gelijk te staan aan een zekerheid die overeenkomstig andere bepalingen van deze verordening wordt verstrekt.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te bepalen op welke voorwaarden er wordt toegestaan gebruik te maken van een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag of er ontheffing van zekerheidsstelling wordt verleend overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels ter bepaling van het bedrag van de zekerheid, met inbegrip van het in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verminderde bedrag. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 201

Tijdelijke verboden betreffende het gebruik van de doorlopende zekerheid

1.   In het kader van een bijzondere regeling of tijdelijke opslag kan de Commissie beslissen om een tijdelijk verbod op te leggen voor het gebruik van:

a)

een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag of een ontheffing van zekerheidsstelling als bedoeld in artikel 200, lid 2;

b)

een doorlopende zekerheid als bedoeld in artikel 200, voor goederen waarmee op grote schaal blijkt te zijn gefraudeerd.

2.   Indien lid 1 van toepassing is, kan in de onderstaande gevallen toestemming worden verleend voor het gebruik van een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag of een ontheffing van zekerheidsstelling of het gebruik van een doorlopende zekerheid als bedoeld in artikel 200:

a)

de betrokken persoon kan aantonen dat met betrekking tot de goederen in kwestie geen douaneschuld is ontstaan bij de verrichtingen van die persoon in de twee jaar vóór het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit, of

b)

er zijn douaneschulden ontstaan in de twee jaar vóór het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit en de betrokken persoon kan aantonen dat die schulden binnen de vastgestelde termijn volledig zijn voldaan door hetzij de schuldenaar of schuldenaren, hetzij de borg.

Om toestemming te verkrijgen voor het gebruik van een doorlopende zekerheid waarvoor een tijdelijk verbod geldt, moet de betrokkene tevens voldoen aan de criteria van artikel 30, lid 1, punten b) en c).

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de procedureregels voor de in dit artikel bedoelde tijdelijke verboden betreffende het gebruik van de doorlopende zekerheid. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie in verband met de in dit artikel bedoelde maatregelen, met betrekking tot de noodzaak om snel de financiële belangen van de Unie en haar lidstaten beter te beschermen, stelt de Commissie volgens de in artikel 283, lid 5, bedoelde procedure uitvoeringshandelingen vast die onmiddellijk van toepassing zijn.

Artikel 202

Aanvullende of vervangende zekerheid

Indien de douaneautoriteiten vaststellen dat de gestelde zekerheid niet of niet langer alle waarborgen biedt dat het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en andere heffingen binnen de gestelde termijn volledig zal worden voldaan, eisen zij van een persoon als bedoeld in artikel 194, lid 3, dat deze de situatie verhelpt door, naar eigen keuze, een aanvullende zekerheid te stellen of de oorspronkelijke zekerheid door een nieuwe te vervangen.

Artikel 203

Vrijgave van de zekerheid

1.   De zekerheid wordt door de douaneautoriteiten onmiddellijk vrijgegeven zodra de douaneschuld of de aansprakelijkheid voor overige heffingen is tenietgegaan of niet langer kan ontstaan.

2.   Indien de douaneschuld of de aansprakelijkheid voor andere heffingen ten dele is tenietgegaan of nog maar voor een gedeelte van het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, kan ontstaan, wordt de gestelde zekerheid op verzoek van de betrokkene dienovereenkomstig gedeeltelijk vrijgegeven, tenzij het betrokken bedrag zulks niet rechtvaardigt.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de termijnen voor de vrijgave van een zekerheid te bepalen.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de procedureregels betreffende de in dit artikel bedoelde vrijgave van de zekerheid. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 3

Invordering, betaling, terugbetaling en kwijtschelding van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

Afdeling 1

Vaststelling van het bedrag aan invoer- en uitvoerrechten, mededeling van de douaneschuld en boeking

Artikel 204

Vaststelling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

1.   Het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt vastgesteld door de douaneautoriteiten die bevoegd zijn op de plaats waar de douaneschuld overeenkomstig artikel 193 is ontstaan of wordt geacht te zijn ontstaan. Daartoe nemen de douaneautoriteiten de verstrekte of beschikbaar gestelde gegevens in aanmerking.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de douaneautoriteiten, indien er een douaneaangifte is ingediend, tot en met 28 februari 2034 het in de douaneaangifte vermelde verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten aanvaarden, onverminderd controles na vrijgave. Indien de douaneautoriteiten het niet eens zijn met dit bedrag, stellen zij het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten vast zodra zij over de nodige informatie beschikken.

3.   Indien het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten geen geheel getal is, kan het naar boven of naar beneden worden afgerond.

Luidt het in de eerste alinea bedoelde bedrag in euro’s, dan mag het slechts worden afgerond naar het dichtstbijzijnde hogere of lagere gehele getal.

Een lidstaat die de euro niet als munteenheid heeft, kan:

a)

hetzij het bepaalde in de tweede alinea mutatis mutandis toepassen;

b)

hetzij van die alinea afwijken, mits zijn afrondingsregels geen grotere financiële gevolgen hebben dan de in de tweede alinea vermelde regels.

Artikel 205

Mededeling van de douaneschuld

1.   De douaneautoriteit deelt de douaneschuld aan de schuldenaar mee op de plaats waar de douaneschuld is ontstaan of wordt geacht te zijn ontstaan overeenkomstig artikel 193.

2.   Indien het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten gelijk is aan het bedrag dat is berekend op basis van de door de importeur of de exporteur verstrekte of ter beschikking gestelde gegevens, vormt de vrijgave van de goederen door de douaneautoriteiten de mededeling van de douaneschuld aan de importeur of de exporteur.

3.   De in lid 1 of lid 2 van dit artikel bedoelde mededeling wordt in geen van de volgende gevallen gedaan:

a)

indien, in afwachting van een definitieve vaststelling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, een voorlopig antidumpingrecht, een voorlopig compenserend recht of een voorlopige vrijwaringsmaatregel is ingesteld;

b)

indien het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten hoger is dan het bedrag dat is vastgesteld op basis van een overeenkomstig artikel 15 genomen beschikking;

c)

indien de oorspronkelijke beschikking om de douaneschuld niet of met een lager bedrag aan in- of uitvoerrechten dan het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten te melden, werden genomen op basis van algemene bepalingen die op een later tijdstip door een rechterlijke beslissing ongeldig zijn verklaard;

d)

indien de douaneautoriteiten uit hoofde van de douanewetgeving zijn vrijgesteld van mededeling van de douaneschuld.

4.   Indien de douaneautoriteiten overeenkomstig lid 1 verplicht zijn het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten mee te delen, delen zij de douaneschuld aan de schuldenaar mee wanneer ze het bedrag kunnen vaststellen en een besluit daarover kunnen nemen.

Indien de douaneautoriteiten echter door de bevoegde Unie- of nationale autoriteiten ervan in kennis worden gesteld dat de mededeling van de douaneschuld een strafrechtelijk onderzoek in de lidstaat van de douaneautoriteiten of in een andere lidstaat zou schaden, stellen de douaneautoriteiten die mededeling uit totdat dat strafrechtelijk onderzoek er niet langer door wordt geschaad.

5.   Een vertrouwde en gecontroleerde handelaar kan de douaneschuld die overeenkomt met het totale bedrag aan invoer- of uitvoerrechten voor alle goederen die deze handelaar voor rekening van de douaneautoriteiten heeft vrijgegeven gedurende een periode van ten hoogste 31 kalenderdagen, berekenen en die douaneschuld binnen vijf dagen na het verstrijken van die periode aan de douaneautoriteiten meedelen met een uitsplitsing van de bedragen voor elk specifiek goed.

Na ontvangst van die mededeling worden de douaneautoriteiten geacht de douaneschuld te hebben meegedeeld.

6.   Een importeur voor afstandsverkopen die ervoor heeft gekozen gebruik te maken van de IOSS-regeling en die de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar heeft, wijzigt de overeenkomstig artikel 74, lid 3, verstrekte informatie of maakt die ongeldig in de in lid 5 van dit artikel bedoelde mededeling, indien door die importeur voor afstandsverkopen verkochte goederen tijdens de periode waarop die mededeling betrekking heeft, naar het douane-entrepot voor afstandsverkoop, naar het adres van de oorspronkelijke afzender of naar een ander adres buiten het douanegebied van de Unie worden teruggezonden. Die importeur voor afstandsverkopen verstrekt het bewijs dat de goederen het douane-entrepot zijn binnengekomen of het douanegebied van de Unie hebben verlaten, of stelt dit bewijs beschikbaar.

7.   Tot en met 28 februari 2034 kunnen de douaneautoriteiten, indien er een douaneaangifte is ingediend, toestaan dat de douaneschuld die overeenkomt met het totale bedrag aan invoer- of uitvoerrechten voor alle goederen die tijdens een vastgestelde periode ten gunste van eenzelfde persoon zijn vrijgegeven, aan het eind van die periode wordt meegedeeld, mits zekerheid is gesteld voor de betaling. De door de douaneautoriteiten vastgestelde periode bedraagt hoogstens 31 dagen.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door het vaststellen van:

a)

de in lid 3, punt d), van dit artikel bedoelde gevallen waarin de douaneautoriteiten zijn vrijgesteld van mededeling van de douaneschuld;

b)

de informatie die de vertrouwde en gecontroleerde handelaar en de importeur voor afstandsverkopen moeten verstrekken in de in de leden 5 en 6 van dit artikel bedoelde mededeling.

Artikel 206

Verjaring van de douaneschuld

1.   De douaneautoriteiten beschikken over een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de schuld is ontstaan, om deze aan de schuldenaar mee te delen. Na het verstrijken van die termijn wordt de douaneschuld geacht te zijn verjaard.

2.   Indien de douaneschuld is ontstaan als gevolg van een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht aanleiding kon geven tot strafrechtelijke vervolging, wordt de in lid 1 vermelde termijn van drie jaar overeenkomstig het nationale recht tot minimaal vijf en maximaal tien jaar verlengd.

3.   De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde termijnen worden opgeschort, indien:

a)

overeenkomstig artikel 18 beroep wordt ingesteld, gedurende de periode vanaf de datum waarop het beroep wordt ingesteld tot het einde van de beroepsprocedure;

b)

de douaneautoriteiten de schuldenaar overeenkomstig artikel 8, lid 6, meedelen op welke gronden zij voornemens zijn de douaneschuld mee te delen, gedurende de periode vanaf de datum van die mededeling tot het einde van de periode waarin de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn of haar standpunt kenbaar te maken, of

c)

de mededeling van de douaneschuld wordt uitgesteld op grond van artikel 205, lid 4, tweede alinea.

4.   Indien een douaneschuld op grond van artikel 217, lid 8, opnieuw verschuldigd wordt, worden de bij de leden 1 en 2 van dit artikel vastgestelde termijnen geacht te zijn opgeschort vanaf de datum waarop de aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding overeenkomstig artikel 222 is ingediend tot de datum waarop het besluit over de terugbetaling of de kwijtschelding is gegeven.

Artikel 207

Boeking

1.   De in artikel 204 bedoelde douaneautoriteiten boeken het overeenkomstig artikel 205 meegedeelde verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten zoals door de nationale wetgeving wordt voorgeschreven.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verplichting geldt niet in de in artikel 205, lid 2, bedoelde gevallen.

2.   De douaneautoriteiten hoeven geen bedragen aan invoer- of uitvoerrechten te boeken die op grond van artikel 206 overeenkomen met een douaneschuld die niet meer aan de schuldenaar kan worden meegedeeld.

3.   De lidstaten stellen de praktische voorschriften vast voor boeking van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten. Die voorschriften kunnen verschillen naargelang de douaneautoriteiten zich ervan vergewist hebben dat, gezien de omstandigheden waarin de douaneschuld is ontstaan, die bedragen zullen worden betaald.

Artikel 208

Tijdstip van boeking

1.   De douaneautoriteiten boeken het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten uiterlijk 14 dagen na de vrijgave van de goederen, tenzij die goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten worden geplaatst.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de douaneautoriteiten het totale bedrag aan invoer- of uitvoerrechten voor alle goederen die ten gunste van een vertrouwde en gecontroleerde handelaar tijdens een vastgestelde periode zijn vrijgegeven overeenkomstig artikel 205, lid 5, in één keer boeken aan het einde van die periode, mits die boeking gebeurt binnen 14 dagen na het verstrijken van die vastgestelde periode.

3.   Indien er een douaneschuld wordt meegedeeld overeenkomstig artikel 205, lid 7, wordt deze geboekt binnen 14 dagen na het verstrijken van de betrokken periode.

4.   Indien goederen kunnen worden vrijgegeven op bepaalde voorwaarden die aan de vaststelling dan wel de inning van het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten zijn verbonden, wordt dat bedrag geboekt uiterlijk 14 dagen na de datum van vaststelling van het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten of van de verplichting tot betaling van die rechten.

Indien de douaneschuld evenwel betrekking heeft op een voorlopig antidumpingrecht, een voorlopig compenserend recht of een voorlopige vrijwaringsmaatregel, wordt het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten geboekt uiterlijk twee maanden na de datum waarop de rechtshandeling van de Unie tot instelling van het definitieve recht of de maatregel in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt.

5.   Indien er een douaneschuld ontstaat onder andere dan de in lid 1 bedoelde omstandigheden, wordt het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten geboekt uiterlijk 14 dagen na de dag waarop de douaneautoriteiten in staat zijn het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten vast te stellen en een besluit te nemen.

6.   Lid 5 is van toepassing op het bedrag aan in te vorderen of nog in te vorderen invoer- of uitvoerrechten indien het verschuldigde bedrag aan rechten niet is geboekt overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 of indien een lager dan het verschuldigde bedrag is vastgesteld en geboekt.

7.   De in de leden 1 tot en met 6 vastgestelde termijnen voor boeking zijn niet van toepassing in onvoorziene omstandigheden of bij overmacht.

8.   Boeking kan in het in artikel 205, lid 4, tweede alinea, bedoelde geval worden uitgesteld totdat de mededeling van de douaneschuld het betrokken strafrechtelijk onderzoek niet langer schaadt, zelfs indien dat onderzoek plaatsvindt in een andere lidstaat.

In dat geval wordt het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten geboekt binnen 14 dagen na de datum waarop het bedrag aan de schuldenaar is meegedeeld.

Artikel 209

Toekenning van uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met maatregelen om wederzijdse bijstand tussen de douaneautoriteiten te garanderen wanneer een douaneschuld is ontstaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Afdeling 2

Betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

Artikel 210

Algemene termijn voor betaling en schorsing van de termijn voor betaling

1.   De schuldenaar betaalt de bedragen aan invoer- of uitvoerrechten die met een overeenkomstig artikel 205 meegedeelde douaneschuld overeenkomen, binnen de door de douaneautoriteiten voorgeschreven termijn.

Onverminderd artikel 19, lid 2, bedraagt deze termijn niet meer dan tien dagen vanaf de mededeling van de douaneschuld aan de schuldenaar.

De douaneautoriteiten kunnen die termijn op aanvraag van de schuldenaar verlengen, indien het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten is vastgesteld bij controles na vrijgave als bedoeld in artikel 68. Onverminderd artikel 214, lid 2, bedraagt de aldus toegestane verlenging van de termijn niet meer dan de tijd die de schuldenaar nodig heeft om de voor de nakoming van zijn of haar verplichtingen noodzakelijke maatregelen te nemen.

2.   Indien de schuldenaar voor een van de in de artikelen 212, 213 en 214 vastgestelde betaalmogelijkheden in aanmerking komt, geschiedt de betaling binnen de in het kader van die mogelijkheden vastgestelde termijn of termijnen.

3.   De betalingstermijn van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt geschorst in de volgende gevallen:

a)

er is een aanvraag tot kwijtschelding van de rechten ingediend overeenkomstig artikel 222;

b)

goederen moeten worden geconfisqueerd, worden vernietigd of aan de staat worden afgestaan, of

c)

de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 185 en er is meer dan één schuldenaar.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast te stellen met daarin de regels voor de schorsing van de termijn voor de betaling van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten als bedoeld in lid 3 van dit artikel, en de periode van schorsing.

Artikel 211

Betaling

1.   De betaling geschiedt met om het even welk betaalmiddel waarmee de schuld kan worden voldaan, verrekening daaronder begrepen, overeenkomstig het nationale recht.

2.   De betaling kan door een andere persoon dan de schuldenaar worden verricht.

3.   De schuldenaar kan een deel van, of het gehele verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten betalen voordat de toegestane betalingstermijn is verstreken.

Artikel 212

Uitstel van betaling

1.   Op aanvraag van de belanghebbende en op voorwaarde dat deze zekerheid stelt, staan de douaneautoriteiten uitstel van betaling van de verschuldigde rechten toe op een van de onderstaande wijzen:

a)

afzonderlijk voor elk bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat overeenkomstig artikel 208, lid 1, of artikel 208, lid 6, is geboekt;

b)

voor het geheel van alle bedragen aan invoer- of uitvoerrechten die overeenkomstig artikel 208, lid 1, zijn geboekt binnen een door de douaneautoriteiten vastgestelde periode van ten hoogste 31 dagen, of

c)

voor het geheel van alle bedragen aan invoer- of uitvoerrechten die op grond van artikel 208, lid 3, in één keer zijn geboekt.

2.   Op voorwaarde dat hij een zekerheid biedt, mag een vertrouwde en gecontroleerde handelaar de betaling van de verschuldigde rechten voor het geheel van alle bedragen aan invoer- of uitvoerrechten die op grond van artikel 208, lid 2, in één keer zijn geboekt, uitstellen.

Artikel 213

Termijnen waarvoor uitstel van betaling wordt verleend

1.   De termijn waarvoor uit hoofde van artikel 212 uitstel van betaling wordt verleend, bedraagt 30 dagen (de “uitstelperiode”).

2.   Indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 212, lid 1, punt a), gaat de uitstelperiode in op de dag volgende op die waarop de douaneschuld aan de schuldenaar is meegedeeld.

3.   Indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 212, lid 1, punt b), gaat de uitstelperiode in op de dag volgende op die waarop de aggregatieperiode verstrijkt. De uitstelperiode wordt verminderd met de helft van het aantal dagen van de aggregatieperiode.

4.   Indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 212, lid 1, punt c), of artikel 212, lid 2, gaat de uitstelperiode in op de dag volgende op die waarop de voor de vrijgave van de betrokken goederen vastgestelde periode verstrijkt. De uitstelperiode wordt verminderd met de helft van het aantal dagen van de voor de vrijgave van de goederen vastgestelde periode.

5.   Indien de in lid 3 bedoelde aggregatieperiode of de in lid 4 bedoelde voor de vrijgave van de goederen vastgestelde periode uit een oneven aantal dagen bestaat, is het aantal dagen dat op grond van deze leden op de uitstelperiode in mindering moet worden gebracht, gelijk aan de helft van het even getal dat onmiddellijk aan het oneven getal voorafgaat.

6.   Indien de in lid 3 bedoelde aggregatieperiode of de in lid 4 bedoelde voor de vrijgave van de goederen vastgestelde periode wordt uitgedrukt in weken, kunnen de lidstaten bepalen dat het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten waarvoor uitstel van betaling werd verleend, uiterlijk moet worden betaald op de vrijdag van de vierde week volgende op de week waarin de betaling verschuldigd was.

Indien de in lid 3 bedoelde aggregatieperiode of de in lid 4 bedoelde voor de vrijgave van de goederen vastgestelde periode wordt uitgedrukt in maanden, kunnen de lidstaten bepalen dat het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten waarvoor uitstel van betaling werd verleend, uiterlijk moet worden betaald op de 16e dag van de maand volgende op de maand waarin de betaling verschuldigd was.

Artikel 214

Overige betaalmogelijkheden

1.   De douaneautoriteiten kunnen de schuldenaar andere betaalmogelijkheden dan uitstel van betaling (“overige betaalmogelijkheden”) toestaan, mits zekerheid wordt gesteld.

2.   Indien op grond van lid 1 overige betaalmogelijkheden worden aangeboden, wordt over het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten kredietrente in rekening gebracht.

Voor een lidstaat die de euro heeft aangenomen, is de kredietrentevoet gelijk aan de door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet van de eerste dag van de maand van de vervaldag voor de schuld in kwestie, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, vermeerderd met één procentpunt.

Voor een lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, is de kredietrentevoet gelijk aan de rentevoet die de desbetreffende nationale centrale bank op de eerste dag van de maand waarin de vervaldag voor de schuld viel, heeft toegepast op haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met één procentpunt, of, voor een lidstaat waarvoor de rentevoet van de nationale centrale bank niet beschikbaar is, de meest equivalente rentevoet die op de eerste dag van de betrokken maand op de geldmarkt van de lidstaat werd toegepast, vermeerderd met één procentpunt.

3.   De douaneautoriteiten kunnen ervan afzien zekerheidsstelling te eisen of kredietrente in rekening te brengen indien op basis van een gedocumenteerde beoordeling van de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, is vastgesteld dat het eisen van een zekerheidsstelling of het in rekening brengen van kredietrente ernstige economische of sociale moeilijkheden zou veroorzaken.

4.   De douaneautoriteiten zien ervan af kredietrente in rekening te brengen indien het bedrag voor elke invordering lager is dan 10 EUR.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 4 van dit artikel te wijzigen teneinde de daarin vastgelegde drempel aan te passen aan veranderde economische omstandigheden.

Artikel 215

Afdwinging van betaling

Indien het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten niet binnen de gestelde termijn is voldaan, verzekeren de douaneautoriteiten zich van de betaling van dat bedrag met alle middelen die hun uit hoofde van het recht van de betrokken lidstaat ter beschikking staan.

Artikel 216

Rente op achterstallen

1.   Over het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt rente op achterstallen in rekening gebracht vanaf de datum waarop de gestelde termijn afloopt tot de datum waarop dat bedrag is voldaan.

Voor een lidstaat die de euro heeft aangenomen, is de rentevoet op achterstallen gelijk aan de door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet van de eerste dag van de maand van de vervaldag voor de schuld in kwestie, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, vermeerderd met één procentpunt.

Voor een lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, is de rentevoet op achterstallen gelijk aan de rentevoet die de desbetreffende nationale centrale bank op de eerste dag van de maand waarin de vervaldag voor de schuld viel heeft toegepast op haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten, of, voor een lidstaat waarvoor de rentevoet van de nationale centrale bank niet beschikbaar is, de meest equivalente rentevoet die op de eerste dag van de betrokken maand op de geldmarkt van de lidstaat werd toegepast, vermeerderd met twee procentpunten.

2.   Indien de douaneschuld is ontstaan op basis van artikel 185 of 188 of indien de mededeling van de douaneschuld het gevolg is van een controle na vrijgave, wordt behalve het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten rente op achterstallen in rekening gebracht vanaf de dag waarop de douaneschuld is ontstaan tot de dag waarop de schuld is meegedeeld.

De rentevoet op achterstallen wordt vastgesteld overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

3.   De douaneautoriteiten kunnen ervan afzien rente op achterstallen in rekening te brengen indien op basis van een gedocumenteerde beoordeling van de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, is vastgesteld dat dit ernstige economische of sociale moeilijkheden zou veroorzaken.

4.   De douaneautoriteiten zien ervan af rente op achterstallen in rekening te brengen indien het bedrag voor elke invordering lager is dan 10 EUR.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 4 van dit artikel te wijzigen teneinde de daarin vastgelegde drempel aan te passen aan veranderde economische omstandigheden.

Afdeling 3

Terugbetaling en kwijtschelding

Artikel 217

Terugbetaling en kwijtschelding

1.   Onder de in deze afdeling vastgelegde voorwaarden gaan de douaneautoriteiten over tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:

a)

er zijn te veel invoer- of uitvoerrechten in rekening gebracht;

b)

de goederen vertoonden gebreken of waren niet in overeenstemming met de voorwaarden van het contract;

c)

er was sprake van een vergissing door de bevoegde autoriteiten;

d)

billijkheid;

e)

de gegevens op basis waarvan de douaneschuld was vastgesteld voor de overeenkomstige goederen werden ongeldig gemaakt, of, in voorkomend geval, de douaneaangifte werd ongeldig gemaakt.

2.   De douaneautoriteiten gaan over tot terugbetaling of kwijtschelding van het in lid 1 bedoelde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten van 10 EUR of meer. Zij gaan enkel over tot terugbetaling of kwijtschelding van een lager bedrag indien de betrokkene daarom verzoekt.

3.   Indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat terugbetaling of kwijtschelding moet worden verleend op basis van artikel 220 of 221, legt de betrokken lidstaat het dossier in de volgende gevallen voor aan de Commissie met het oog op een besluit:

a)

indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van het feit dat de Commissie haar verplichtingen niet is nagekomen;

b)

indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de Commissie een vergissing heeft begaan in de zin van artikel 220;

c)

indien de omstandigheden in het betrokken geval verband houden met de bevindingen van een door de Unie verricht onderzoek op grond van Verordening (EG) nr. 515/97, dan wel op grond van een andere rechtshandeling van de Unie, of een door de Unie met bepaalde landen of groepen van landen gesloten overeenkomst die in de mogelijkheid van dergelijke onderzoeken door de Unie voorziet, of

d)

indien het bedrag waarvoor de betrokkene met betrekking tot één of meer invoer- of uitvoertransacties aansprakelijk kan zijn, door een vergissing of bijzondere omstandigheden gelijk is aan of hoger is dan 500 000 EUR.

4.   De in lid 3 bedoelde verplichting om een dossier voor te leggen, is niet van toepassing indien de Commissie reeds een besluit heeft vastgesteld in een zaak die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is, of indien zij reeds een dergelijke zaak in behandeling heeft.

5.   Indien de douaneautoriteiten binnen de in artikel 222, lid 1, bedoelde termijnen zelf tot de vaststelling komen dat een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten op grond van de artikelen 218, 220 of 221 voor terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking komt, en dit binnen hun bevoegdheid valt, gaan zij op eigen initiatief tot terugbetaling of kwijtschelding over.

6.   Rechten worden niet terugbetaald of kwijtgescholden indien de situatie die tot de mededeling van de douaneschuld heeft geleid, is ontstaan door bedrog door de schuldenaar.

7.   Terugbetaling geeft geen aanleiding tot betaling van rente door de douaneautoriteiten.

In de in lid 1, punten a) en c), bedoelde gevallen geeft de terugbetaling echter wel aanleiding tot betaling van rente door de betrokken douaneautoriteiten, tenzij die douaneautoriteiten een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten zonder onnodige vertraging terugbetalen nadat is vastgesteld dat het bedrag moet worden terugbetaald. Indien de douaneautoriteiten dat bedrag niet zonder onnodige vertraging terugbetalen en de schuldenaar een procedure tot terugbetaling inleidt, wordt de rente betaald over de periode vanaf de datum van betaling van deze rechten tot de datum van terugbetaling ervan.

Er wordt ook rente betaald indien een besluit tot terugbetaling niet binnen drie maanden vanaf de datum waarop het besluit is genomen, wordt uitgevoerd, tenzij de niet-naleving van deze termijn niet aan de douaneautoriteiten te wijten is. Dergelijke rente wordt betaald vanaf de dag waarop de termijn van drie maanden verstrijkt tot de dag van terugbetaling. De rentevoet wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 214.

8.   Indien de douaneautoriteiten ten onrechte terugbetaling of kwijtschelding hebben toegestaan, wordt de oorspronkelijke douaneschuld opnieuw verschuldigd, mits de douaneschuld overeenkomstig artikel 206, lid 1, niet is verjaard, en wordt de eventueel betaalde rente uit hoofde van lid 7, tweede alinea, van dit artikel, terugbetaald.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 2 van dit artikel te wijzigen teneinde de daarin vastgelegde drempel aan te passen aan veranderde economische omstandigheden.

10.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen in aanvulling op deze verordening, met daarin de regels die zij moet nakomen bij het vaststellen van een in lid 3 van dit artikel bedoeld besluit, en met name de regels met betrekking tot:

a)

de voorwaarden voor de aanvaarding van het dossier;

b)

de termijn waarbinnen een besluit moet worden genomen en de schorsing van die termijn;

c)

de mededeling, voorafgaand aan een voor de betrokkene ongunstig besluit, van de gronden waarop de Commissie voornemens is haar besluit te baseren;

d)

de mededeling van het besluit;

e)

de gevolgen van het uitblijven van een besluit of het niet-meedelen van een dergelijk besluit.

11.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedureregels voor terugbetaling en kwijtschelding. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

12.   De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast, in de vorm van een besluit, waarmee toestemming wordt verleend voor terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in de gevallen bedoeld in lid 3 van dit artikel, indien aan de vereisten van dat lid is voldaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Wanneer het advies van het in artikel 283, lid 1, bedoelde comité via een schriftelijke procedure moet worden verkregen, is artikel 283, lid 6, van toepassing.

Artikel 218

Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht

1.   Een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt terugbetaald of kwijtgescholden indien het bedrag dat overeenkomt met de oorspronkelijk meegedeelde douaneschuld het verschuldigde bedrag overschrijdt of indien de douaneschuld aan de schuldenaar is meegedeeld in strijd met artikel 205, lid 3, punten c) en d).

2.   Wanneer de aanvraag om terugbetaling of kwijtschelding is gebaseerd op het bestaan, op het tijdstip waarop de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, van een verlaagd recht of een nulrecht bij invoer in het kader van een tariefcontingent, een tariefplafond of een andere gunstige tariefmaatregelen, wordt de terugbetaling of kwijtschelding verleend indien de aanvraag, op het tijdstip waarop deze werd ingediend, vergezeld ging van de nodige documenten en indien, in het geval van een tariefcontingent, het contingent niet is uitgeput, en in de overige gevallen, het normaal verschuldigde recht niet opnieuw is ingesteld.

Artikel 219

Gebrekkige goederen of goederen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden van het contract

1.   De douaneautoriteiten gaan over tot terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoerrechten indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de mededeling van de douaneschuld heeft betrekking op goederen die door de importeur zijn geweigerd omdat zij op het tijdstip van de vrijgave gebreken vertoonden of niet in overeenstemming waren met de voorwaarden van het contract op grond waarvan zij waren ingevoerd;

b)

de goederen zijn niet gebruikt, tenzij een begin van gebruik noodzakelijk was om vast te stellen dat deze goederen gebreken vertoonden of dat zij niet met de voorwaarden van het contract in overeenstemming waren, en

c)

de goederen worden uit het douanegebied van de Unie gebracht of de douaneautoriteiten hebben, op aanvraag van de betrokkene, toegestaan om de goederen onder de regeling actieve veredeling, ook voor vernietiging, of de regeling extern douanevervoer, de regeling douane-entrepot of de regeling vrije zone te plaatsen.

2.   De douaneautoriteiten gaan niet over tot terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoerrechten in elk van de volgende gevallen:

a)

de goederen waren, voordat zij in het vrije verkeer zijn gebracht, onder een bijzondere regeling voor proefneming geplaatst, tenzij is vastgesteld dat het feit dat de goederen gebreken vertoonden of niet met de voorwaarden van het contract in overeenstemming waren, in de loop van deze proefnemingen normaliter niet had kunnen worden ontdekt;

b)

er is rekening gehouden met de gebreken van de goederen bij het opstellen van de voorwaarden van het contract, met name wat de prijs betreft, voordat de goederen onder een douaneregeling werden geplaatst die tot een douaneschuld heeft geleid;

c)

de goederen worden door de aanvrager verkocht nadat was geconstateerd dat zij gebreken vertoonden of niet in overeenstemming waren met de voorwaarden van het contract.

3.   Goederen die voor de vrijgave ervan zijn beschadigd, worden beschouwd als gebrekkige goederen.

Artikel 220

Vergissing van de douaneautoriteiten

1.   In andere dan de in artikel 217, lid 1, punt e), en in de artikelen 218, 219 en 221 bedoelde gevallen gaan de douaneautoriteiten over tot terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wanneer zij, als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, een met de douaneschuld overeenkomend bedrag hebben meegedeeld dat lager was dan het verschuldigde bedrag, mits de schuldenaar deze vergissing niet redelijkerwijze had kunnen ontdekken en te goeder trouw handelde.

2.   Indien niet aan de in artikel 218, lid 2, genoemde voorwaarden is voldaan, gaan de douaneautoriteiten over tot terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wanneer het verlaagde recht of het nulrecht als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten niet is toegepast en de gegevens op basis waarvan de goederen waren vrijgegeven of, in voorkomend geval, de douaneaangifte voor het vrije verkeer alle gegevenselementen bevatte en vergezeld ging van alle voor de toepassing van het verlaagde recht of het nulrecht vereiste documenten.

3.   Wanneer de preferentiële behandeling van de goederen op basis van een systeem van administratieve samenwerking wordt verleend waarbij de autoriteiten van een derde land betrokken zijn, wordt de afgifte door deze autoriteiten van een certificaat dat later onjuist blijkt aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet had kunnen worden ontdekt in de zin van lid 1.

De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt indien het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, tenzij het duidelijk is dat de autoriteiten die het certificaat afgaven, wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

De schuldenaar wordt geacht te goeder trouw te hebben gehandeld indien de schuldenaar kan aantonen in de periode van de betrokken handelstransacties nodige zorgvuldigheid in acht te hebben genomen om ervoor te zorgen dat aan alle voorwaarden voor een preferentiële behandeling werd voldaan.

De schuldenaar kan zich evenwel niet op zijn goede trouw beroepen indien de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft laten weten dat er gegronde twijfel bestaat over de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde derde land.

Artikel 221

Billijkheid

1.   In andere dan de in artikel 217, lid 1, punt e), en de artikelen 218, 219 en 220 bedoelde gevallen gaan de douaneautoriteiten over tot terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.

2.   De bijzondere omstandigheden bedoeld in lid 1 worden geacht te bestaan indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de schuldenaar zich in een uitzonderlijke situatie bevindt ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen, en dat de schuldenaar in afwezigheid van dergelijke omstandigheden geen nadeel zou hebben geleden door de inning van het bedrag aan in- of uitvoerrechten.

Artikel 222

Procedure voor terugbetaling en kwijtschelding

1.   Een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding van een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig artikel 217 wordt ingediend bij de douaneautoriteiten, binnen de volgende termijnen:

a)

in geval van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht, een vergissing van de bevoegde autoriteiten of om redenen van billijkheid: binnen drie jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld;

b)

in geval van gebrekkige goederen of goederen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden van het contract: binnen één jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld;

c)

in geval van ongeldigmaking van de gegevens of, indien van toepassing, van een douaneaangifte op basis waarvan de goederen zijn vrijgegeven: binnen één jaar na de datum waarop die gegevens of die douaneaangifte ongeldig zijn gemaakt, tenzij anders is bepaald in de regels die van toepassing zijn op ongeldigmakingen.

De in de eerste alinea, punten a) en b), genoemde termijnen worden verlengd indien de aanvrager aantoont dat ten gevolge van onvoorziene omstandigheden of door overmacht geen aanvraag kon worden ingediend binnen de voorgeschreven termijn.

2.   Indien de douaneautoriteiten niet in staat zijn om terugbetaling of kwijtschelding te verlenen van een bedrag aan in- of uitvoerrechten op basis van de aangevoerde gronden, onderzoeken zij de aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding op haar merites in het licht van de andere in artikel 217 genoemde gronden voor terugbetaling of kwijtschelding.

3.   Indien uit hoofde van artikel 18 beroep is ingesteld tegen de mededeling van de douaneschuld, worden de in lid 1, eerste alinea, van dit artikel genoemde termijn alsook de behandeling van de aanvragen tot terugbetaling en kwijtschelding en de desbetreffende termijnen vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld geschorst voor de duur van de beroepsprocedure.

4.   Wanneer een douaneautoriteit terugbetaling of kwijtschelding verleent overeenkomstig artikel 220 of 221, stelt de betrokken lidstaat de Commissie daarvan in kennis.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met daarin de procedureregels voor de kennisgeving aan de Commissie op grond van lid 4 van dit artikel en de te verstrekken informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 4

Tenietgaan van de douaneschuld

Artikel 223

Tenietgaan

1.   Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:

a)

de douaneschuld verjaart overeenkomstig artikel 206;

b)

het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt betaald;

c)

het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt kwijtgescholden, met inachtneming van lid 5 van dit artikel;

d)

ten aanzien van goederen die zijn vrijgegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van invoer- of uitvoerrechten voortvloeit: de gegevens op grond waarvan de vrijgave is verricht, of de douaneaangifte worden ongeldig gemaakt;

e)

de goederen waarvoor invoer- of uitvoerrechten verschuldigd zijn, worden geconfisqueerd dan wel in beslag genomen en tegelijkertijd of naderhand verbeurdverklaard;

f)

de goederen waarvoor invoer- of uitvoerrechten verschuldigd zijn, worden onder douanetoezicht vernietigd of aan de staat afgestaan;

g)

de goederen verdwijnen of de uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichtingen worden niet nageleefd als gevolg van de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van die goederen door een oorzaak die met de feitelijke aard van de goederen verband houdt, dan wel door niet te voorziene omstandigheden of overmacht, of ingevolge instructies van de douaneautoriteiten, met inbegrip van gevallen waarin goederen voor eenieder onbruikbaar zijn geworden en daarom als onherstelbaar verloren worden beschouwd;

h)

de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 185 of 188 en aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

het verzuim dat tot het ontstaan van de douaneschuld heeft geleid, had geen noemenswaardig effect op het goede functioneren van de tijdelijke opslag of de desbetreffende douaneregeling en hield geen poging tot bedrog in, en

ii)

alle douaneformaliteiten die moeten worden afgehandeld om de situatie van de goederen te regulariseren, worden naderhand vervuld;

i)

in het geval van goederen die met vrijstelling van rechten dan wel tegen een verlaagd invoerrecht op grond van hun bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht: de goederen zijn uitgevoerd met de toestemming van de douaneautoriteiten;

j)

de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 184 en de douaneformaliteiten die moeten worden afgehandeld om de in dat artikel bedoelde preferentiële tariefbehandeling te verkrijgen, zijn geannuleerd;

k)

de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 185 en er is ten genoegen van de douaneautoriteiten aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten, behoudens lid 6 van dit artikel;

l)

ingeval een douaneschuld was ontstaan doordat de in een vergunning voor een bijzondere regeling vermelde hoeveelheid of waarde van goederen werd overschreden, er is een termijn van vijf jaar verlopen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, mits de vergunning had kunnen worden gewijzigd of een nieuwe vergunning had kunnen worden verleend zonder analyse van de economische voorwaarden om die grotere hoeveelheid of waarde te dekken indien binnen die termijn een verzoek in die zin was ingediend, en mits aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

i)

het verzuim dat tot het ontstaan van de douaneschuld heeft geleid, had geen aanzienlijke gevolgen voor het correct functioneren van de desbetreffende douaneregeling en hield geen poging tot bedrog in, en

ii)

alle douaneformaliteiten die moesten worden afgehandeld om de situatie van de goederen te regulariseren, werden naderhand vervuld;

m)

in het geval van goederen die het voorwerp zijn van een afstandsverkoop, hetzij:

i)

die goederen worden uiteindelijk niet binnengebracht in het douanegebied van de Unie en niet in het vrije verkeer gebracht, of

ii)

een afstandsverkoop wordt geannuleerd voordat de douaneschuld is meegedeeld en de importeur voor afstandsverkopen maakt de gegevens die zijn verstrekt om de goederen onder een douaneregeling te plaatsen overeenkomstig artikel 80, lid 1, eerste alinea, ongeldig.

2.   In de gevallen als bedoeld in lid 1, punt e), wordt, voor de toepassing van sancties op overtredingen van de douanewetgeving, de douaneschuld evenwel geacht niet te zijn tenietgegaan indien invoer- of uitvoerrechten of het bestaan van een douaneschuld uit hoofde van deze verordening of het recht van een lidstaat als grondslag dienen voor de vaststelling van sancties.

3.   Indien, overeenkomstig lid 1, punt i), een douaneschuld is tenietgegaan ten aanzien van goederen die met vrijstelling van rechten dan wel tegen een verlaagd invoerrecht op grond van hun bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht, worden alle resten en afval van de vernietiging geacht niet-Uniegoederen te zijn.

4.   De geldende bepalingen met betrekking tot vaste percentages voor onherstelbaar verlies dat voortvloeit uit de aard van goederen, zijn van toepassing wanneer door de belanghebbende niet wordt aangetoond dat het werkelijke verlies groter is dan het verlies berekend door het toepassen van het vaste percentage op de betrokken goederen.

5.   Indien er voor het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten meerdere schuldenaren zijn en deze schuld wordt kwijtgescholden, gaat de douaneschuld slechts teniet ten aanzien van de persoon of de personen aan wie kwijtschelding wordt verleend.

6.   In het in lid 1, punt k), bedoelde geval gaat de douaneschuld niet teniet ten aanzien van personen die een poging hebben gedaan om bedrog te plegen.

7.   Indien de douaneschuld op grond van artikel 185 is ontstaan, gaat de douaneschuld enkel teniet ten aanzien van personen wier gedrag geen poging tot bedrog inhield en die hebben bijgedragen tot de bestrijding van fraude.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met de lijst van verzuimen zonder noemenswaardig effect op het correct functioneren van de tijdelijke opslag of de desbetreffende douaneregeling als bedoeld in lid 1, punt h), i), en lid 1, punt l), i), van dit artikel.

Artikel 224

Opleggen van sancties

Het tenietgaan van de douaneschuld op basis van artikel 223, lid 1, punt h) of punt l), vormt geen beletsel voor het opleggen van sancties wegens gerelateerde overtredingen van de douanewetgeving.

TITEL XI

BEPERKENDE MAATREGELEN EN MECHANISME VOOR CRISISBEHEER

HOOFDSTUK 1

Beperkende maatregelen

Artikel 225

Rol van de EU-douaneautoriteit en van de douaneautoriteiten

1.   De EU-douaneautoriteit draagt bij aan de correcte, consistente en doeltreffende toepassing van overeenkomstig artikel 215 VWEU vastgestelde beperkende maatregelen (“beperkende maatregelen”) door toe te zien op de uitvoering ervan op de onder haar bevoegdheid vallende gebieden en door, mits er eerst een toetsing is verricht door de Commissie en deze haar toestemming heeft verleend, de douaneautoriteiten passende richtsnoeren te verstrekken.

2.   De douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om aan beperkende maatregelen te voldoen, rekening houdend met de richtsnoeren van de EU-douaneautoriteit.

Artikel 226

Verslaglegging

1.   De EU-douaneautoriteit brengt regelmatig en telkens wanneer dat nodig is verslag uit bij de Commissie over de uitvoering van beperkende maatregelen door de douaneautoriteiten en brengt daarbij met name mogelijke discrepanties tussen de lidstaten in kaart.

Voorts verzamelt en analyseert de EU-douaneautoriteit informatie over de gevolgen van beperkende maatregelen voor handelsstromen en de naleving van de douanewetgeving.

2.   De douaneautoriteiten stellen de EU-douaneautoriteit, de Commissie en de nationale autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de uitvoering van beperkende maatregelen, in kennis van elk geval van, of vermoeden van, omzeiling van beperkende maatregelen en van de genomen risicobeperkende maatregelen. Die informatie wordt, waar mogelijk, verstrekt via de EU-douanedatahub.

HOOFDSTUK 2

Mechanisme voor crisisbeheer

Artikel 227

Protocollen en procedures

1.   De EU-douaneautoriteit stelt procedures en protocollen op en houdt daarbij rekening met de standpunten van de lidstaten, teneinde een adequate respons op crisissituaties te waarborgen. Deze procedures en protocollen kunnen overeenkomstig artikel 228, lid 1, worden geactiveerd indien er sprake is van:

a)

een crisis in één of meer lidstaten die aanzienlijke of potentieel aanzienlijke gevolgen heeft voor de douaneformaliteiten die moeten worden afgehandeld en die de goederenstroom, douanecontroles of daarmee verband houdende procedures kan onderbreken;

b)

een crisis in een bepaalde sector die de douaneautoriteiten ertoe noopt gecoördineerd op te treden met de betrokken autoriteiten.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde protocollen en procedures kunnen met name betrekking hebben op:

a)

de toepassing van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden, gemeenschappelijke risicocriteria en -normen en risicoprofielen, alsook passende risicobeperkende maatregelen, douanecontroles en douaneformaliteiten die moeten worden uitgevoerd, met inbegrip van betalingsvoorwaarden;

b)

een samenwerkingskader ter ondersteuning van de tijdelijke inzet in de ene lidstaat van douaneambtenaren en douanecontroleapparatuur van een andere lidstaat;

c)

“fast lanes” aan de grens om vertragingen en opstopping bij vrachtstromen tot een minimum te beperken;

d)

de voorwaarden voor de activering, verlenging en deactivering van de verschillende maatregelen en regelingen om het hoofd te bieden aan crisissituaties, op basis van duidelijk omschreven behoeften en een passende motivering;

e)

het vermijden van handelsbeperkingen met betrekking tot crisisrelevante goederen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 6, van Verordening (EU) 2024/2747;

f)

een bedrijfscontinuïteitsmechanisme als bedoeld in artikel 29, lid 9, en artikel 31, lid 11, van deze verordening.

Artikel 228

Activering van het mechanisme voor crisisbeheer

1.   De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van één of meer lidstaten of de EU-douaneautoriteit, uitvoeringshandelingen vaststellen tot activering van de nodige acties en regelingen die in geval van een crisis moeten worden toegepast. In die uitvoeringshandelingen:

a)

wordt rekening gehouden met de in artikel 227 bedoelde protocollen en procedures;

b)

wordt bepaald welke specifieke maatregelen en regelingen nodig zijn om een crisissituatie aan te pakken of de negatieve gevolgen ervan te beperken;

c)

worden de duur van de toe te passen maatregelen en regelingen en de relevante voorwaarden voor de verlenging en deactivering ervan vastgelegd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, leden 4 en 5, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Bij een crisis zet de EU-douaneautoriteit een crisisresponscel op die gedurende de hele crisis permanent beschikbaar is.

De bevoegdheden, expertisegebieden en samenstelling van de crisisresponscel worden bepaald bij de oprichting ervan, rekening houdend met de in artikel 227 bedoelde protocollen en procedures en met de aard en omvang van de crisis. De Commissie kan de EU-douaneautoriteit ondersteunen tijdens de planningsfase en bij de oprichting van een dergelijke crisisresponscel. De crisisresponscel wordt gefinancierd uit de aan de EU-douaneautoriteit toegewezen begrotingskredieten.

3.   De douaneautoriteiten voeren de op grond van dit artikel geactiveerde maatregelen en regelingen uit en passen deze toe en brengen verslag uit bij de EU-douaneautoriteit over de uitvoering en toepassing ervan. De reikwijdte, de vorm en de frequentie van de verslaglegging worden bepaald door de EU-douaneautoriteit in overleg met de lidstaten, rekening houdend met de aard van de crisis en de toegepaste maatregelen.

4.   De EU-douaneautoriteit coördineert en houdt toezicht op de uitvoering van de in lid 1 bedoelde maatregelen en regelingen door de douaneautoriteiten. Zij beoordeelt de doeltreffendheid van de uitvoering ervan, rekening houdend met onder meer de in lid 3 bedoelde verslagen van de douaneautoriteiten, en brengt aan de Commissie en de douaneautoriteiten verslag uit over de resultaten van die beoordeling.

TITEL XII

DE DOUANEAUTORITEIT VAN DE EUROPESE UNIE

HOOFDSTUK 1

Beginselen

Artikel 229

Oprichting en rechtsvorm

1.   De EU-douaneautoriteit wordt hierbij opgericht als een orgaan van de Unie met rechtspersoonlijkheid.

2.   In elk van de lidstaten heeft de EU-douaneautoriteit de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die uit hoofde van hun recht aan rechtspersonen wordt verleend. Zij kan in het bijzonder roerende en onroerende zaken verwerven of vervreemden en kan in rechte optreden.

3.   De EU-douaneautoriteit wordt vertegenwoordigd door haar uitvoerend directeur.

Artikel 230

Zetel

De zetel van de EU-douaneautoriteit is gevestigd in Lille, Frankrijk.

Artikel 231

Missie en doelstellingen van de EU-douaneautoriteit

1.   De EU-douaneautoriteit draagt bij aan de verwezenlijking van de in artikel 2 omschreven missie van de douaneautoriteiten.

2.   Onverminderd de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie, OLAF en de lidstaten streeft de EU-douaneautoriteit de volgende doelstellingen na:

a)

bijdragen aan de ontwikkeling, het beheer en het onderhoud van de informatietechnologieën die nodig zijn om de in deze verordening vastgestelde regelingen uit te voeren en aan een optimaal gebruik van de beschikbare gegevens voor douanetoezicht, -controle en -risicobeheerdoeleinden;

b)

douaneautoriteiten ondersteunen bij de totstandbrenging van een uniforme uitvoering van de douanewetgeving, met name inzake risicobeheer en douanecontroles;

c)

bijdragen aan het operationele beheer van de douane-unie door de operationele samenwerking tussen douaneautoriteiten te coördineren en te faciliteren, en door technische expertise te bundelen en te verstrekken met het oog op meer efficiëntie en betere resultaten;

d)

bijdragen aan de uitvoering van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

e)

samenwerken met andere instellingen, organen en instanties van de Unie op gebieden waar hun werkzaamheden verband houden met het beheer van goederen die de buitengrenzen van het douanegebied van de Unie overschrijden.

HOOFDSTUK 2

Taken

Artikel 232

Taken

1.   Vanaf de datum waarop zij overeenkomstig artikel 51, lid 2, is belast met de ontwikkeling, het beheer en het onderhoud van de EU-douanedatahub, is de EU-douaneautoriteit verantwoordelijk voor die taken en draagt zij bij tot de efficiënte werking van de elektronische douaneomgeving op het niveau van de Unie.

2.   De EU-douaneautoriteit onderneemt activiteiten op het gebied van gegevensbeheer en -verwerking die nodig zijn voor de uitvoering van haar taken.

3.   De EU-douaneautoriteit verricht risicobeheertaken overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 2.

4.   De EU-douaneautoriteit verricht haar taken met betrekking tot beperkende maatregelen en de mechanismen voor crisisbeheer overeenkomstig titel XI.

5.   De EU-douaneautoriteit ondersteunt de Commissie en de lidstaten zodat zij efficiënter toezicht kunnen houden op de toepassing van de beperkende maatregelen die de Raad overeenkomstig artikel 215, lid 2, VWEU kan vaststellen en die gevolgen kunnen hebben voor de goederenstroom, om ervoor te zorgen dat die maatregelen niet worden omzeild.

6.   De EU-douaneautoriteit stelt op basis van een op grond van artikel 57, lid 1, en artikel 57, lid 2, punt c), uitgevoerde dreigingsbeoordeling periodiek aanbevelingen op om de douaneautoriteiten te ondersteunen bij de uitvoering van hun in artikel 2 bedoelde missie. De EU-douaneautoriteit dient die aanbevelingen in bij de Commissie, die er rekening mee houdt wanneer zij in kaart brengt welke gebieden prioriteit zouden moeten krijgen, en dit ter informatie en voor mogelijke overweging voorlegt aan de Raad.

7.   De EU-douaneautoriteit onderneemt activiteiten op het gebied van capaciteitsopbouw en voorziet in operationele ondersteuning en coördinatie voor de douaneautoriteiten en de Commissie. Zij houdt zich met name bezig met:

a)

indicatieve gemeenschappelijke normen ontwikkelen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening, op basis van de doorlichting en evaluatie van douanekantoren, en aanbevelingen doen voor beste praktijken en toezien op het gebruik ervan;

b)

prestatiemetingen verrichten voor de douane-unie en de Commissie ondersteunen bij haar evaluatie van de werking van de douane-unie, overeenkomstig titel XV, hoofdstuk 1;

c)

het opleidingsmateriaal voor douaneambtenaren en douaneprofessionals in de Unie voorbereiden om de door de lidstaten verstrekte opleiding in voorkomend geval aan te vullen en te ondersteunen;

d)

bijdragen tot de totstandbrenging van een Uniesysteem voor de erkenning van de uitmuntendheid van onderwijsinstellingen die opleidings- en onderwijsprogramma’s inzake de douane aanbieden, onder meer voor de status van geautoriseerde marktdeelnemer en de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar;

e)

de vrijwillige oprichting door de lidstaten van gespecialiseerde expertisecentra voor Uniebrede toepassingen op relevante douanegebieden, met name voor de opleiding van douaneambtenaren, douaneprofessionals en douanelaboratoria, ondersteunen;

f)

onderzoeks- en innovatieactiviteiten op douanegebied faciliteren en coördineren;

g)

praktische handleidingen voor de concrete toepassing van douaneprocessen en -werkmethoden opstellen en verspreiden, in samenwerking met de douaneautoriteiten, en in dit verband gemeenschappelijke normen ontwikkelen;

h)

vereenvoudigde richtsnoeren en handleidingen opstellen voor micro- en kleine ondernemingen en hen helpen bij de toepassing van de douanewetgeving en -formaliteiten van de Unie;

i)

advies uitbrengen over de vraag of het verlenen van een vergunning voor bijzondere regelingen de belangen van de producenten in de Unie zou schaden, overeenkomstig artikel 125, leden 5, 6 en 7;

j)

samenwerken met andere instellingen, organen en instanties van de Unie en met andere nationale autoriteiten dan de douaneautoriteiten, overeenkomstig artikel 268, lid 10;

k)

de operationele samenwerking tussen douaneautoriteiten van verschillende lidstaten, en tussen douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten in verschillende lidstaten, coördineren en ondersteunen, overeenkomstig titel XIII;

l)

op verzoek van een lidstaat, de samenwerking tussen douaneautoriteiten en de samenwerking tussen douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten binnen die lidstaat vergemakkelijken en ondersteunen, overeenkomstig titel XIII;

m)

de in artikel 267 bedoelde gezamenlijke controles organiseren en coördineren;

n)

bijstand en kennis verlenen aan de Commissie voor het oplossen van complexe indelings-, waardebepalings- en oorsprongsvraagstukken, en besluiten en de toepassing ervan in dit verband evalueren;

o)

de douaneautoriteiten ondersteuning en deskundigheid bieden om onzekerheden met betrekking tot de vaststelling van de plaats van vestiging van marktdeelnemers weg te nemen wanneer de toepasselijke criteria betrekking hebben op meer dan één lidstaat;

p)

de Commissie, op haar verzoek, ondersteuning bieden bij het onderhouden van haar betrekkingen met derde landen en internationale organisaties in verband met aangelegenheden die onder deze verordening vallen.

8.   De EU-douaneautoriteit ontwikkelt en onderhoudt communicatiekanalen met belanghebbenden met betrekking tot de EU-douanedatahub en vergemakkelijkt de toegang tot informatie over tarieven, contingenten en beperkende maatregelen.

9.   De Commissie kan de EU-douaneautoriteit de taak toevertrouwen om ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling en uitvoering van een operationele strategie voor activiteiten in verband met douanecontroleapparatuur en andere douanegerelateerde programma’s. In dat geval werkt de EU-douaneautoriteit samen met de Commissie en kan zij taken uitvoeren zoals behoeften beoordelen, de financiële middelen beheren, gezamenlijke aanbestedingen coördineren, apparatuur aankopen en het gedeeld gebruik ervan faciliteren.

Artikel 233

Andere taken

Indien desbetreffende rechtshandelingen van de Unie daarin voorzien kunnen aan de EU-douaneautoriteit ook nog andere taken worden toegewezen in verband met vrij verkeer, invoer en uitvoer van goederen uit derde landen. Wanneer deze taken aan de EU-douaneautoriteit worden toegewezen of zij ermee wordt belast, wordt gezorgd voor passende financiële en personele middelen voor de uitvoering ervan.

HOOFDSTUK 3

Organisatie van de EU-douaneautoriteit

Afdeling 1

Administratieve en beheerstructuur

Artikel 234

Administratieve en beheerstructuur

De administratie- en beheerstructuur van de EU-douaneautoriteit omvat:

a)

een raad van bestuur, die de in artikel 238 genoemde taken vervult;

b)

een uitvoerende raad, die de in artikel 240 genoemde taken vervult;

c)

een uitvoerend directeur, die de in artikel 242 genoemde taken en verantwoordelijkheden vervult;

d)

een plaatsvervangend uitvoerend directeur, die de in artikel 244 genoemde taken en verantwoordelijkheden vervult, indien de raad van bestuur beslist een dergelijke functie in te stellen;

e)

een douane-adviesraad, die de in artikel 245 genoemde taken vervult.

Afdeling 2

De raad van bestuur

Artikel 235

Samenstelling van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur bestaat uit:

a)

één lid per lidstaat;

b)

twee door de Commissie aangewezen leden;

c)

één door het Europees Parlement aangewezen lid.

De in de eerste alinea, punten a) en b), bedoelde leden hebben stemrecht.

2.   Elk lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger. Die plaatsvervanger vertegenwoordigt het lid in zijn of haar afwezigheid.

3.   De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun douanekennis, met inachtneming van hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden en ervaring op het gebied van het douane-uniebeleid. Alle partijen die vertegenwoordigd zijn in de raad van bestuur trachten het verloop van de door hen aangewezen leden te beperken, teneinde de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur te waarborgen. Alle partijen streven naar een genderevenwichtige vertegenwoordiging in de raad van bestuur.

4.   De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers bedraagt vier jaar en kan worden verlengd.

5.   Het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten hebben het recht de aanwijzing van hun leden en plaatsvervangers in te trekken. Wanneer de aanwijzing van een lid van de raad van bestuur of zijn of haar plaatsvervanger wordt ingetrokken, stelt het Europees Parlement, de Commissie of de betrokken lidstaat de voorzitter en de vicevoorzitter van de raad van bestuur in kennis van de intrekking en van de vervanging van dat lid of die plaatsvervanger.

6.   Elk lid en elke plaatsvervanger dienen bij ambtsaanvaarding een schriftelijke verklaring in waarin staat dat hij of zij geen belangenconflict heeft. Elk lid en elke plaatsvervanger werken deze verklaring bij wanneer de situatie met betrekking tot een belangenconflict verandert, en in elk geval ten minste één keer per jaar.

Artikel 236

Voorzitter van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur kiest uit zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter. Indien geen van de door de Commissie aangewezen leden tot voorzitter wordt verkozen, wordt een van de door de Commissie aangewezen leden automatisch tot vicevoorzitter benoemd. Indien een door de Commissie aangewezen lid tot voorzitter wordt verkozen, wordt de vicevoorzitter gekozen uit de andere stemgerechtigde leden van de raad van bestuur.

2.   De vicevoorzitter vervangt automatisch de voorzitter wanneer deze niet in staat is zijn of haar taken uit te voeren.

3.   De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitter bedraagt vier jaar en kan eenmaal worden verlengd. Indien het lidmaatschap van de voorzitter of vicevoorzitter van de raad van bestuur echter op enig moment tijdens zijn of haar ambtstermijn eindigt, eindigt die ambtstermijn tegelijkertijd.

4.   In het reglement van orde van de raad van bestuur worden gedetailleerde regels vastgelegd voor de verkiezing van de voorzitter en de vicevoorzitter en voor de verlenging van hun ambtstermijn.

Artikel 237

Vergaderingen van de raad van bestuur

1.   De voorzitter roept de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen.

2.   De uitvoerend directeur neemt deel aan de vergaderingen, maar heeft geen stemrecht.

3.   De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de raad bijeen op initiatief van zijn voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden. Voorts komt de raad van bestuur binnen de in artikel 240, lid 5, vastgestelde termijn bijeen wanneer de uitvoerende raad overeenkomstig artikel 240, lid 4, een voorlopig besluit heeft genomen.

4.   De raad van bestuur kan op ad-hocbasis eenieder wiens standpunt relevant is voor de discussie uitnodigen om zonder stemrecht de vergaderingen bij te wonen.

5.   De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers kunnen zich, overeenkomstig de bepalingen van het reglement van orde van de raad van bestuur, tijdens de vergaderingen laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

6.   Wanneer de agenda van een vergadering aanleiding geeft tot een probleem van vertrouwelijkheid of een belangenconflict, bespreekt de raad van bestuur deze aangelegenheid en beslist hij erover zonder aanwezigheid van het betrokken lid. Dat laat het recht van het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten om zich door een plaatsvervanger te laten vertegenwoordigen onverlet. Gedetailleerde regels voor de toepassing van deze bepaling kunnen worden vastgelegd in het reglement van orde van de raad van bestuur.

7.   De EU-douaneautoriteit verzorgt het secretariaat van de raad van bestuur.

Artikel 238

Taken van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur kiest de voorzitter en de vicevoorzitter en verlengt in voorkomend geval hun ambtstermijn overeenkomstig artikel 236.

2.   De raad van bestuur stelt uiterlijk op 21 september 2029 de uitvoerende raad in.

3.   De raad van bestuur:

a)

bepaalt de algemene koers van de activiteiten van de EU-douaneautoriteit;

b)

stelt de jaarlijkse begroting van de EU-douaneautoriteit vast en vervult andere taken met betrekking tot die begroting op grond van hoofdstuk 4;

c)

geeft zijn oordeel over en zijn goedkeuring aan het geconsolideerde jaarverslag over de activiteiten van de EU-douaneautoriteit en maakt dit openbaar, met inbegrip van een overzicht van de uitvoering van haar taken en haar algemene prestaties wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen van het douanebeleid, en zendt het verslag en de beoordeling ervan uiterlijk 1 juli van elk jaar toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer;

d)

stelt de op de EU-douaneautoriteit toepasselijke financiële regels vast overeenkomstig artikel 248;

e)

stelt een interne fraudebestrijdingsstrategie vast die in verhouding staat tot de frauderisico’s, rekening houdend met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;

f)

stelt de regels voor het voorkomen van en omgaan met eventuele belangenconflicten van zijn leden vast en maakt deze openbaar, en publiceert jaarlijks op de website van de EU-douaneautoriteit een verklaring van de leden van de raad van bestuur waarin wordt aangegeven dat er geen belangenconflicten zijn;

g)

stelt de in artikel 258, lid 3, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vast en werkt deze regelmatig bij, op basis van een behoefteanalyse;

h)

stelt zijn reglement van orde vast en maakt dit openbaar;

i)

stelt voorschriften vast ter uitvoering van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (het “ambtenarenstatuut”) en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (de “regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden”) (40), overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het ambtenarenstatuut;

j)

oefent overeenkomstig lid 4 met betrekking tot het personeel van de EU-douaneautoriteit de bevoegdheden uit die het ambtenarenstatuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag en die de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden toekent aan het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag (de “bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag”);

k)

stelt de regels vast voor de detachering van nationale deskundigen bij de EU-douaneautoriteit, als bedoeld in artikel 256, lid 2;

l)

bouwt, waar passend, een interne auditcapaciteit op;

m)

stelt de beveiligingsvoorschriften van de EU-douaneautoriteit in de zin van artikel 260 vast;

n)

benoemt de uitvoerend directeur en, indien die functie wordt gecreëerd, de plaatsvervangend uitvoerend directeur, en verlengt waar nodig hun ambtstermijn of ontzet hen uit hun ambt overeenkomstig artikel 241;

o)

stelt prestatie-indicatoren vast aan de hand waarvan de prestaties van de uitvoerend directeur kunnen worden geëvalueerd;

p)

benoemt de leden van de uitvoerende raad en verlengt waar nodig hun ambtstermijn of ontzet hen uit hun ambt;

q)

benoemt een rekenplichtige — eventueel de rekenplichtige van de Commissie — die onderworpen is aan het ambtenarenstatuut en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden, en die zijn of haar taken op onafhankelijke wijze uitvoert;

r)

neemt alle besluiten met betrekking tot de instelling en, in voorkomend geval, de wijziging van de interne structuren van de EU-douaneautoriteit, waarbij rekening wordt gehouden met de activiteitenbehoeften van de EU-douaneautoriteit en naar een gezond begrotingsbeheer wordt gestreefd;

s)

geeft machtiging tot het sluiten van werkafspraken overeenkomstig artikel 268;

t)

stelt het reglement van orde van de douane-adviesraad op en stelt dit vast;

u)

stelt werkgroepen en deskundigenpanels in om de EU-douaneautoriteit te ondersteunen bij de uitvoering van haar taken en stelt hun reglement van orde vast;

v)

stelt het ontwerp van het in artikel 249 bedoelde enkelvoudig programmeringsdocument vast, voordat het voor advies aan de Commissie wordt voorgelegd;

w)

stelt, rekening houdend met het advies van de Commissie, het enkelvoudig programmeringsdocument van de EU-douaneautoriteit vast overeenkomstig artikel 239;

x)

stelt een strategie voor efficiëntiewinsten en synergieën vast;

y)

stelt een strategie voor samenwerking met derde landen en internationale organisaties vast;

z)

stelt een strategie voor de systemen voor organisatiebeheer en interne controle vast;

za)

voert de in artikel 258 omschreven taken uit;

zb)

geeft machtiging tot het sluiten van werkafspraken overeenkomstig artikel 270;

zc)

stelt de in artikel 227 bedoelde protocollen en procedures vast;

zd)

bevestigt overeenkomstig artikel 240, lid 5, de voorlopige besluiten die de uitvoerende raad op grond van artikel 240, lid 4, heeft genomen;

ze)

initieert de verificatie door de EU-douaneautoriteit als bedoeld in artikel 31, lid 6;

zf)

stelt het samenwerkingskader met douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten of organen op Unie- en nationaal niveau vast, als bedoeld in artikel 268, lid 3.

4.   De raad van bestuur keurt overeenkomstig artikel 110 van het ambtenarenstatuut en op basis van artikel 2, lid 1, van het ambtenarenstatuut en artikel 6 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden een besluit goed waarmee de relevante bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag worden gedelegeerd aan de uitvoerend directeur en waarin de voorwaarden staan waaronder die bevoegdheidsdelegatie kan worden geschorst. De uitvoerend directeur is bevoegd om deze bevoegdheden op zijn of haar beurt te delegeren.

5.   Wanneer uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en van de door de uitvoerend directeur op zijn of haar beurt gedelegeerde bevoegdheden tijdelijk schorsen en die bevoegdheden zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.

Artikel 239

Stemprocedure in de raad van bestuur

1.   De besluiten van de raad van bestuur worden in de regel genomen met een absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden, met uitzondering van besluiten uit hoofde van artikel 238, lid 1, en artikel 238, lid 3, punten b), f), n) en w), waarvoor een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden vereist is.

2.   Ieder stemgerechtigd lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid kan zijn of haar plaatsvervanger zijn of haar stemrecht uitoefenen.

3.   De uitvoerend directeur neemt niet deel aan de stemming.

4.   In het reglement van orde van de raad van bestuur wordt de stemprocedure nader uitgewerkt, met name wat betreft onthoudingen, het gebruik van schriftelijke procedures en de gevallen waarin een lid namens een ander lid kan handelen.

Afdeling 3

De uitvoerende raad

Artikel 240

De uitvoerende raad

1.   De raad van bestuur wordt bijgestaan door een uitvoerende raad.

2.   De uitvoerende raad:

a)

begeleidt en ziet toe op de voorbereidende werkzaamheden voor de door de raad van bestuur vast te stellen besluiten;

b)

zorgt, samen met de raad van bestuur, voor een passende follow-up van de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne en externe auditverslagen en beoordelingen en uit de onderzoeken van OLAF en het EOM;

c)

controleert de uitvoering van de besluiten van de raad van bestuur, ter versterking van het toezicht op het administratief en budgettair beheer.

3.   De uitvoerende raad legt verantwoording af aan de raad van bestuur.

4.   Indien dat in dringende gevallen noodzakelijk is, kan de uitvoerende raad bepaalde voorlopige besluiten nemen namens de raad van bestuur, met name:

a)

over aangelegenheden van administratief beheer, daaronder begrepen de schorsing van de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag, en over begrotingsaangelegenheden;

b)

wanneer een crisissituatie zoals bepaald in titel XI is vastgesteld die onmiddellijke actie of onmiddellijke bijsturing van de activiteiten van de EU-douaneautoriteit vereist.

5.   Een voorlopig besluit van de uitvoerende raad op grond van lid 4 dient uiterlijk 90 dagen nadat dat voorlopige besluit is genomen, te worden bevestigd door een formeel besluit van de raad van bestuur. Wanneer er binnen die termijn geen formeel besluit van de raad van bestuur wordt genomen, is het voorlopige besluit van de uitvoerende raad niet langer van toepassing.

6.   De uitvoerende raad bestaat uit één van de twee door de Commissie aangewezen leden van de raad van bestuur en vier andere leden die de raad van bestuur uit zijn stemgerechtigde leden benoemt. Bij de benoeming van de leden van de uitvoerende raad streeft de raad van bestuur naar een genderevenwicht.

De uitvoerende raad kiest zijn voorzitter uit zijn leden.

De uitvoerend directeur neemt deel aan de vergaderingen van de uitvoerende raad, maar heeft geen stemrecht.

7.   De besluiten van de uitvoerende raad worden met absolute meerderheid van zijn leden genomen.

8.   De ambtstermijn van de leden van de uitvoerende raad bedraagt twee jaar en kan eenmaal worden verlengd. De ambtstermijn van de leden van de uitvoerende raad eindigt wanneer de raad van bestuur hiertoe besluit of wanneer hun lidmaatschap van de raad van bestuur eindigt.

9.   De uitvoerende raad houdt ten minste vier gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de raad bijeen op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van zijn leden.

10.   De raad van bestuur stelt het reglement van orde van de uitvoerende raad vast. Dat reglement van orde bevat gedetailleerde regels voor de benoeming van de leden van de uitvoerende raad, die erop gericht zijn een goede rotatie tussen de door de lidstaten aangewezen leden te waarborgen, onder meer rekening houdend met de diversiteit van de lidstaten.

Afdeling 4

De uitvoerend directeur

Artikel 241

Benoeming, ontslag en verlenging van de ambtstermijn

1.   De uitvoerend directeur wordt in dienst genomen als tijdelijk functionaris van de EU-douaneautoriteit overeenkomstig artikel 2, punt a), van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden.

De uitvoerend directeur wordt, na een open, niet-discriminerende en transparante selectieprocedure die zo is vormgegeven dat het genderevenwicht wordt gewaarborgd, door de raad van bestuur op grond van verdienste en met bewijsstukken gestaafde administratieve en leidinggevende vaardigheden, alsook relevante bekwaamheid en ervaring, benoemd uit een lijst van ten minste drie door de Commissie voorgestelde kandidaten.

De selectieprocedure omvat de bekendmaking van een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie en via andere geschikte kanalen. De Commissie raadpleegt de raad van bestuur over de ontwerpoproep tot het indienen van blijken van belangstelling.

2.   De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de kandidaten voor de functie van uitvoerend directeur uitnodigen om vóór de benoeming van de uitvoerend directeur vragen van haar leden te beantwoorden, zonder daarmee de benoemingsprocedure te vertragen of de besluitvorming van de raad van bestuur te beperken.

3.   Voor het sluiten van de arbeidsovereenkomst met de uitvoerend directeur wordt de EU-douaneautoriteit vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.

4.   De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Te gepasten tijde vóór afloop van deze termijn voert de Commissie, in overleg met de raad van bestuur, een beoordeling uit waarin rekening wordt gehouden met een evaluatie van het presteren van de uitvoerend directeur en met de toekomstige taken en uitdagingen van de EU-douaneautoriteit.

5.   Op grond van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de in lid 4 bedoelde beoordeling, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal met ten hoogste vijf jaar verlengen.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de uitvoerend directeur uitnodigen om vóór de verlenging van zijn of haar ambtstermijn vragen van haar leden te beantwoorden, zonder daarmee de verlengingsprocedure te vertragen of de besluitvorming van de raad van bestuur te beperken.

6.   Een uitvoerend directeur van wie de ambtstermijn is verlengd, neemt na afloop van zijn of haar verlengde ambtstermijn niet deel aan een andere selectieprocedure voor dezelfde functie.

7.   De uitvoerend directeur kan uitsluitend uit zijn of haar ambt worden ontzet bij besluit van de raad van bestuur op voorstel van de Commissie. Het Europees Parlement en de Raad worden van de redenen voor een dergelijk besluit in kennis gesteld.

8.   De besluiten van de raad van bestuur inzake benoeming, verlenging van de ambtstermijn en ontzetting uit het ambt van uitvoerend directeur en plaatsvervangend uitvoerend directeur worden genomen met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden.

Artikel 242

Taken en verantwoordelijkheden van de uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur beheert de EU-douaneautoriteit. De uitvoerend directeur legt verantwoording af aan de raad van bestuur.

2.   Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie en van de raad van bestuur voert de uitvoerend directeur zijn of haar taken op onafhankelijke wijze uit zonder instructies te vragen aan of te ontvangen van regeringen of van andere organen.

3.   De uitvoerend directeur brengt desgevraagd verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van zijn of haar taken en het algemeen presteren van de EU-douaneautoriteit. De uitvoerend directeur kan te allen tijde door het Europees Parlement of door de Raad worden verzocht om een hoorzitting over enige aangelegenheid in verband met de activiteiten van de EU-douaneautoriteit bij te wonen.

4.   De uitvoerend directeur vertegenwoordigt de EU-douaneautoriteit in rechte.

5.   De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die bij deze verordening aan de EU-douaneautoriteit zijn toegewezen. De uitvoerend directeur vervult in het bijzonder de volgende taken:

a)

de in artikel 232, lid 6, bedoelde aanbevelingen voorbereiden en ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur;

b)

zorgen voor de duurzame en doeltreffende dagelijkse leiding van de EU-douaneautoriteit;

c)

besluiten van de raad van bestuur uitvoeren;

d)

het in artikel 249 bedoelde enkelvoudig programmeringsdocument opstellen en indienen bij de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie;

e)

het in artikel 249 bedoelde enkelvoudig programmeringsdocument uitvoeren en hierover verslag uitbrengen aan de uitvoerende raad en de raad van bestuur;

f)

het geconsolideerde jaarverslag over de activiteiten van de EU-douaneautoriteit opstellen en ter beoordeling en goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur;

g)

een actieplan opstellen voor de follow-up van de conclusies van interne of externe auditverslagen en beoordelingen, alsook van onderzoeken van OLAF en van het EOM, en tweemaal per jaar aan de Commissie en periodiek aan de uitvoerende raad en de raad van bestuur verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang;

h)

onverminderd de onderzoeksbevoegdheid van OLAF en het EOM, de financiële belangen van de Unie beschermen met betrekking tot de interne werking van de EU-douaneautoriteit, door interne preventieve maatregelen toe te passen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door middel van doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen en, waar nodig, doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties op te leggen;

i)

een strategie voor fraudebestrijding, een strategie voor efficiëntiewinsten en synergieën, een strategie voor samenwerking met douaneautoriteiten en andere autoriteiten van derde landen of internationale organisaties en een strategie voor de systemen van organisatiebeheer en interne controle opstellen voor de EU-douaneautoriteit en deze ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur;

j)

een ontwerp opstellen van de financiële regels die van toepassing zijn op de EU-douaneautoriteit, en dit ontwerp ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur;

k)

voorlopige ontwerpramingen opstellen van ontvangsten en uitgaven van de EU-douaneautoriteit overeenkomstig artikel 250 en de begroting van de autoriteit uitvoeren;

l)

met betrekking tot het personeel van de EU-douaneautoriteit de in artikel 238, lid 3, punt j), bedoelde bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag uitoefenen, voor zover die bevoegdheden aan hem of haar overeenkomstig artikel 238, lid 4, zijn gedelegeerd;

m)

besluiten nemen over de interne structuren van de EU-douaneautoriteit, zo nodig met inbegrip van het laten waarnemen van taken in verband met het dagelijks bestuur van de EU-douaneautoriteit, en, waar nodig, deze besluiten wijzigen, rekening houdend met de behoeften in verband met de activiteiten van de EU-douaneautoriteit en een gezond begrotingsbeheer;

n)

onderhandelen over en, na goedkeuring door de raad van bestuur, ondertekenen van een zetelovereenkomst voor de EU-douaneautoriteit en, indien van toepassing, soortgelijke overeenkomsten met de ontvangende lidstaten waar lokale kantoren worden gevestigd;

o)

de praktische regelingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (41) opstellen en deze ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur;

p)

diversiteit bevorderen en streven naar genderevenwicht bij de indienstneming van personeel van de EU-douaneautoriteit;

q)

ernaar streven het personeel van de EU-douaneautoriteit in dienst te nemen op basis van een zo breed mogelijke geografische spreiding, rekening houdend met het feit dat de criteria voor indienstneming uitsluitend gebaseerd moeten zijn op verdienste.

Artikel 243

Plaatsvervangend uitvoerend directeur

De raad van bestuur kan beslissen een functie van plaatsvervangend uitvoerend directeur in te stellen om de uitvoerend directeur bij te staan. Indien de functie van plaatsvervangend uitvoerend directeur wordt ingesteld, is artikel 241 dienovereenkomstig van toepassing op de plaatsvervangend uitvoerend directeur.

Artikel 244

Taken en verantwoordelijkheden van de plaatsvervangend uitvoerend directeur

Indien de functie van plaatsvervangend uitvoerend directeur wordt ingesteld, ondersteunt de plaatsvervangend uitvoerend directeur de uitvoerend directeur bij het beheer van de EU-douaneautoriteit en bij de uitvoering van de in artikel 242 bedoelde taken. Indien de uitvoerend directeur afwezig of verhinderd is, of indien deze functie vacant is, neemt de plaatsvervangend uitvoerend directeur zijn of haar plaats in.

Artikel 245

Douane-adviesraad

1.   De EU-douaneautoriteit richt een douane-adviesraad op.

2.   De douane-adviesraad staat de EU-douaneautoriteit bij door te fungeren als mechanisme voor overleg met relevante belanghebbenden over aangelegenheden die onder de verantwoordelijkheden van de EU-douaneautoriteit vallen. De adviesraad verstrekt advies:

a)

over de uitvoering van technische acties en besluiten;

b)

over kwesties inzake de uitvoering en normalisatie, met inbegrip van harmonisatiewerkzaamheden;

c)

over de operationele aspecten van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

d)

in voorkomend geval en op verzoek, over andere activiteiten van de EU-douaneautoriteit.

3.   De douane-adviesraad bestaat uit vertegenwoordigers van belanghebbenden die te maken hebben met de werkzaamheden van de EU-douaneautoriteit, met inbegrip van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, en vertegenwoordigers van verenigingen van dergelijke belanghebbenden. De raad van bestuur bepaalt de samenstelling van de douane-adviesraad.

4.   De douane-adviesraad wordt regelmatig geraadpleegd en kan de EU-douaneautoriteit op eigen initiatief advies verstrekken over de in lid 2, punten a), b) en c), vermelde aangelegenheden.

5.   De douane-adviesraad komt ten minste eenmaal in de zes maanden in gewone vergadering bijeen. Daarnaast kan de douane-adviesraad bijeenkomen op verzoek van de raad van bestuur, de uitvoerende raad of de uitvoerend directeur.

Afdeling 5

Data-auditor

Artikel 246

Benoeming, positie en onafhankelijkheid van de data-auditor

1.   De data-auditor wordt door de raad van bestuur benoemd op grond van verdienste en gedocumenteerde beroepsvaardigheden, alsook relevante bekwaamheid en ervaring op het gebied van gegevensbeveiliging, cyberbeveiliging en gegevensbescherming.

2.   De data-auditor maakt deel uit van het personeel van de EU-douaneautoriteit en treedt onafhankelijk op.

3.   De data-auditor handelt met volledige inachtneming van het Unierecht inzake vertrouwelijkheid en geheimhouding.

Artikel 247

Verantwoordelijkheden en taken van de data-auditor

1.   De data-auditor monitort en beoordeelt de rechtmatigheid van de toegang tot de EU-douanedatahub, in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht.

2.   De data-auditor brengt jaarlijks verslag uit over zijn of haar activiteiten aan de raad van bestuur.

3.   De data-auditor voert zijn of haar taken uit in coördinatie met de functionaris voor gegevensbescherming van de EU-douaneautoriteit en zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden van andere toezichthoudende organen van de Unie of de lidstaten.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de onafhankelijke positie en de gedetailleerde taken en verantwoordelijkheden van de data-auditor nader worden bepaald. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 4

Opstelling en structuur van de begroting van de EU-douaneautoriteit

Artikel 248

Algemene bepalingen

De financiële regels die van toepassing zijn op de EU-douaneautoriteit, worden vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Zij mogen niet afwijken van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie (42), tenzij dat specifiek voor het functioneren van de EU-douaneautoriteit vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.

Artikel 249

Enkelvoudig programmeringsdocument

1.   Elk jaar stelt de uitvoerend directeur een ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument op dat met name de meerjarige en jaarlijkse programmering bevat overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 en de desbetreffende bepaling van de financiële regels van de EU-douaneautoriteit die zijn vastgesteld op grond van artikel 248 van deze verordening, en dat rekening houdt met de richtsnoeren van de Commissie. Die jaarlijkse en meerjarige programmering moet in overeenstemming zijn met het douanebeleid en de algemene prioriteiten van de douane-unie.

2.   De raad van bestuur zendt het ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument uiterlijk 31 januari van het jaar voorafgaand aan de programmeringsperiode toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

3.   Uiterlijk 30 november van elk jaar stelt de raad van bestuur het enkelvoudig programmeringsdocument vast. Hij zendt dit enkelvoudig programmeringsdocument, alsook alle latere bijgewerkte versies daarvan, aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie toe. Het enkelvoudig programmeringsdocument wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast.

4.   Het jaarlijkse werkprogramma van de EU-douaneautoriteit bevat gedetailleerde doelstellingen en beoogde resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren. Het bevat ook een beschrijving van de te financieren maatregelen en een indicatie van de aan elke maatregel toegewezen financiële en personele middelen. Het jaarlijkse werkprogramma is in overeenstemming met het in lid 5 bedoelde meerjarige werkprogramma. Het vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.

De raad van bestuur wijzigt het vastgestelde jaarlijkse werkprogramma, wanneer de EU-douaneautoriteit binnen het toepassingsgebied van deze verordening een nieuwe taak krijgt toegewezen. Alle wezenlijke wijzigingen van het jaarlijkse werkprogramma worden volgens dezelfde procedure vastgesteld als het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-wezenlijke wijzigingen aan het jaarlijkse werkprogramma aan te brengen.

5.   Het meerjarige werkprogramma van de EU-douaneautoriteit omvat een beschrijving van de algemene strategische programmering, met inbegrip van de doelstellingen, beoogde resultaten en prestatie-indicatoren. Het bevat voor elke activiteit ook een indicatie van de financiële en personele middelen die nodig worden geacht om de doelstellingen te verwezenlijken. De strategische programmering wordt waar nodig geactualiseerd en maakt duidelijk hoe de EU-douaneautoriteit bijdraagt aan de verwezenlijking van de politieke prioriteiten van de Unie.

Artikel 250

Opstelling van de begroting

1.   Elk jaar stelt de uitvoerend directeur een voorlopige ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van de EU-douaneautoriteit voor het volgende begrotingsjaar, met inbegrip van het personeelsformatieplan, en zendt hij deze voorlopige ontwerpraming naar de raad van bestuur. De informatie in de voorlopige ontwerpraming moet in overeenstemming zijn met het ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument als bedoeld in artikel 249, lid 1.

2.   Op basis van de in lid 1 bedoelde voorlopige ontwerpraming stelt de raad van bestuur een ontwerpraming vast van de ontvangsten en uitgaven van de EU-douaneautoriteit voor het volgende begrotingsjaar (de “ontwerpraming”).

3.   De raad van bestuur zendt de Commissie elk jaar uiterlijk op 31 januari de ontwerpraming toe.

4.   De Commissie zendt de ontwerpraming samen met het ontwerp van algemene begroting van de Unie toe aan de begrotingsautoriteit.

5.   Op basis van de ontwerpraming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor het personeelsformatieplan, alsook de bijdrage ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van algemene begroting van de Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

6.   De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage uit de algemene begroting van de Unie aan de EU-douaneautoriteit goed.

7.   De begrotingsautoriteit stelt het personeelsformatieplan van de EU-douaneautoriteit vast.

8.   De raad van bestuur stelt de begroting van de EU-douaneautoriteit vast. Die begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie. Indien nodig, wordt de begroting van de EU-douaneautoriteit dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 251

Structuur van de begroting

1.   Alle inkomsten en uitgaven van de EU-douaneautoriteit worden elk begrotingsjaar geraamd en de ramingen worden in de begroting van de EU-douaneautoriteit opgenomen. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar.

2.   De inkomsten en uitgaven in de begroting van de EU-douaneautoriteit zijn in evenwicht.

3.   Onverminderd andere middelen bestaan de inkomsten van de EU-douaneautoriteit uit:

a)

een bijdrage van de Unie die wordt opgenomen in de algemene begroting van de Unie;

b)

eventuele vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten;

c)

mogelijke financiering van de Unie in de vorm van bijdrageovereenkomsten of subsidies in overeenstemming met de in artikel 248 bedoelde financiële regels van de EU-douaneautoriteit en met de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het beleid van de Unie;

d)

ontvangsten uit of vergoedingen voor publicaties en andere goederen of diensten die door de EU-douaneautoriteit worden verstrekt.

4.   De uitgaven van de EU-douaneautoriteit omvatten de bezoldiging van het personeel, uitgaven voor administratie en infrastructuur, en beleidsuitgaven.

5.   Vastleggingskredieten in de begroting voor acties in verband met grootschalige projecten waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in verschillende jaartranches worden verdeeld.

Artikel 252

Uitvoering van de begroting

1.   De uitvoerend directeur voert de begroting van de EU-douaneautoriteit uit met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, efficiëntie, doeltreffendheid en goed financieel beheer.

2.   Elk jaar zendt de uitvoerend directeur de begrotingsautoriteit alle informatie toe die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar beoordelingstaken.

Artikel 253

Indiening van de rekeningen en kwijting

1.   De rekenplichtige van de EU-douaneautoriteit zendt de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar (jaar N) uiterlijk op 1 maart van het volgende begrotingsjaar (jaar N + 1) aan de rekenplichtige van de Commissie en de Rekenkamer toe.

2.   Uiterlijk op 31 maart van het jaar N+1 zendt de EU-douaneautoriteit het verslag over het budgettair en financieel beheer voor het jaar N toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

3.   Uiterlijk op 31 maart van het jaar N+1 zendt de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van de EU-douaneautoriteit, die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, toe aan de Rekenkamer.

4.   Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van de EU-douaneautoriteit op grond van artikel 252 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (43) maakt de rekenplichtige van de EU-douaneautoriteit de definitieve rekeningen van de EU-douaneautoriteit voor dat jaar op. De uitvoerend directeur zendt die definitieve rekeningen voor advies toe aan de uitvoerende raad. Dat advies wordt vastgesteld door de raad van bestuur.

5.   Uiterlijk op 1 juli van het jaar N+1 dient de rekenplichtige van de EU-douaneautoriteit de definitieve rekeningen voor het jaar N, samen met het advies van de raad van bestuur, in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

6.   De definitieve rekeningen voor het jaar N worden uiterlijk op 15 november van het jaar N+1 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

7.   De uitvoerend directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 30 september van het jaar N+1 een antwoord op haar opmerkingen toe. De uitvoerend directeur zendt dit antwoord ook toe aan de raad van bestuur.

8.   De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar N, overeenkomstig artikel 267, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.

9.   Vóór 15 mei van het jaar N+2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het jaar N.

Artikel 254

Fraudebestrijding

1.   Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit in de EU-douaneautoriteit is Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 onverminderd van toepassing.

2.   De EU-douaneautoriteit treedt uiterlijk op 21 maart 2027 toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (44) en stelt op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord passende bepalingen vast die van toepassing zijn op haar personeelsleden.

3.   De Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van de EU-douaneautoriteit Uniemiddelen hebben ontvangen, audits te verrichten, zowel op basis van documenten als ter plaatse.

4.   OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (45) onderzoeken verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er bij een door de EU-douaneautoriteit gefinancierde subsidie of overeenkomst sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

5.   Onverminderd de leden 1 tot en met 4 bevatten contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van de EU-douaneautoriteit bepalingen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk machtigen om dergelijke audits en onderzoeken te verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden. Werkafspraken met bevoegde autoriteiten van derde landen en internationale organisaties omvatten de bijstand en samenwerking van deze autoriteiten en internationale organisaties in verband met audits en onderzoeken die door de Rekenkamer en OLAF worden verricht.

6.   In overeenstemming met Verordening (EU) 2017/1939 kan het EOM overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (46). Artikel 24 van Verordening (EU) 2017/1939 is van toepassing op de melding van relevante strafbare gedragingen aan het EOM.

HOOFDSTUK 5

Bepalingen betreffende het personeel

Artikel 255

Algemene bepaling

Het ambtenarenstatuut en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden, en de voorschriften die in onderling overleg door de instellingen van de Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van het ambtenarenstatuut en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden, zijn van toepassing op het personeel van de EU-douaneautoriteit.

Artikel 256

Gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden

1.   De EU-douaneautoriteit kan ook een beroep doen op gedetacheerde nationale deskundigen of andere personeelsleden die niet in dienst zijn van de EU-douaneautoriteit.

2.   De voorschriften voor de detachering van nationale deskundigen bij de EU-douaneautoriteit worden vastgesteld bij besluit van de raad van bestuur.

Artikel 257

Voorrechten en immuniteiten

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het VWEU is gehecht, is van toepassing op de EU-douaneautoriteit en haar personeel.

HOOFDSTUK 6

Algemene en slotbepalingen

Artikel 258

Transparantie en communicatie

1.   Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die in het bezit zijn van de EU-douaneautoriteit. De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering de gedetailleerde regels ter uitvoering van die verordening vast.

2.   Op de verwerking van persoonsgegevens door de EU-douaneautoriteit is Verordening (EU) 2018/1725 van toepassing. De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering maatregelen vast voor de toepassing van die verordening door de EU-douaneautoriteit, onder meer betreffende de benoeming van een functionaris voor gegevensbescherming van de EU-douaneautoriteit. Die maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

3.   De EU-douaneautoriteit kan op eigen initiatief communicatieactiviteiten ontplooien op gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. De toewijzing van middelen voor communicatieactiviteiten draagt bij aan de doeltreffende uitvoering van de taken van de EU-douaneautoriteit. De communicatieactiviteiten worden uitgevoerd in overeenstemming met de desbetreffende door de raad van bestuur vastgestelde communicatie- en verspreidingsplannen.

Artikel 259

Geheimhoudingsplicht

1.   De leden van de raad van bestuur en de uitvoerende raad, de uitvoerend directeur, de plaatsvervangend uitvoerend directeur, de data-auditor en alle personeelsleden van de EU-douaneautoriteit, met inbegrip van door de lidstaten tijdelijk gedetacheerde ambtenaren, alsook alle andere personen die op contractuele basis taken uitvoeren voor de EU-douaneautoriteit, zijn onderworpen aan de eisen inzake geheimhouding op grond van artikel 339 VWEU en artikel 67 van Richtlijn (EU) 2024/1640, ook na beëindiging van hun functie.

2.   Personen die, direct of indirect, permanent of incidenteel, diensten verlenen die verband houden met de taken van de EU-douaneautoriteit, zijn onderworpen aan eisen inzake geheimhouding die gelijk zijn aan die van lid 1.

3.   Voor de uitvoering van haar taken overeenkomstig deze verordening is de EU-douaneautoriteit gemachtigd om, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgelegd, informatie uit te wisselen met andere instellingen, organen en instanties van de Unie of met nationale autoriteiten en organen.

4.   De EU-douaneautoriteit stelt praktische regelingen vast voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 bedoelde eisen inzake geheimhouding.

Artikel 260

Beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.   De EU-douaneautoriteit stelt eigen beveiligingsvoorschriften vast die gebaseerd zijn op de beginselen en voorschriften die zijn vastgelegd in de beveiligingsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde informatie van de Europese Unie (European Union classified information — EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, daaronder begrepen bepalingen betreffende de uitwisseling van dergelijke informatie met derde landen, en de verwerking en opslag van dergelijke informatie, zoals uiteengezet in Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie (47) en Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (48). Voor elke administratieve regeling inzake de uitwisseling van gerubriceerde informatie met de relevante autoriteiten van een derde land of, bij gebrek aan een dergelijke regeling, voor elke uitzonderlijke ad-hocvrijgave van EUCI aan dergelijke autoriteiten is voorafgaande toestemming van de Commissie vereist.

2.   De raad van bestuur stelt de beveiligingsvoorschriften van de EU-douaneautoriteit vast na goedkeuring door de Commissie. Bij de beoordeling van de voorgestelde beveiligingsvoorschriften ziet de Commissie toe op de verenigbaarheid ervan met de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 en (EU, Euratom) 2015/444.

3.   De EU-douaneautoriteit kan de nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor haar taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, in voorkomend geval, andere relevante instellingen, organen en instanties van de Unie, te vergemakkelijken. Voor elke daartoe gesloten administratieve regeling inzake het delen van EUCI of, bij het ontbreken van een dergelijke regeling, voor elke uitzonderlijke ad-hocvrijgave van EUCI, is voorafgaande toestemming van de Commissie nodig.

Artikel 261

Talenregeling

1.   Verordening nr. 1 van de Raad (49) is van toepassing op de EU-douaneautoriteit.

2.   De raad van bestuur beslist over de interne talenregeling van de EU-douaneautoriteit.

3.   Vertaling en alle andere taalkundige diensten die door de EU-douaneautoriteit worden verlangd, behalve vertolking, worden verricht door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 262

Evaluatie

1.   De Commissie zorgt ervoor dat uiterlijk op 21 september 2031, en vervolgens om de vijf jaar, een evaluatie van de prestaties van de EU-douaneautoriteit met betrekking tot haar doelstellingen, mandaat, taken, governance en locaties wordt verricht overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde richtsnoeren.

2.   Bij de in lid 1 bedoelde evaluatie wordt met name onderzocht of het mandaat van de EU-douaneautoriteit moet worden gewijzigd en wat de financiële gevolgen daarvan zouden zijn.

3.   Bij elke tweede evaluatie als bedoeld in lid 1, worden de door de EU-douaneautoriteit bereikte resultaten beoordeeld in het licht van haar doelstellingen, mandaat, taken en governance, en wordt ook nagegaan of het voortbestaan van de EU-douaneautoriteit nog steeds gerechtvaardigd is gelet op die doelstellingen, dat mandaat, die taken en die governance.

4.   De Commissie brengt bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de bevindingen van de in lid 1 bedoelde evaluatie. De bevindingen van de evaluatie worden openbaar gemaakt.

Artikel 263

Aansprakelijkheid van de EU-douaneautoriteit

1.   De contractuele aansprakelijkheid van de EU-douaneautoriteit is geregeld bij het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om uitspraak te doen op grond van een arbitragebeding dat is opgenomen in een door de EU-douaneautoriteit gesloten overeenkomst.

3.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt de EU-douaneautoriteit, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle door haar afdelingen of door haar personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.

4.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.

5.   De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden van de EU-douaneautoriteit ten aanzien van die autoriteit is geregeld bij de toepasselijke bepalingen van het ambtenarenstatuut of de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden.

6.   De financiële aansprakelijkheid van de Unie en de lidstaten voor de schulden van de EU-douaneautoriteit is beperkt tot de door hen reeds betaalde bijdrage aan haar administratieve kosten.

Artikel 264

Zetelovereenkomst en werkingsomstandigheden

1.   De nodige regelingen betreffende de accommodatie die de EU-douaneautoriteit in de ontvangende lidstaat ter beschikking moet worden gesteld en betreffende de faciliteiten waarin die lidstaat moet voorzien, alsook de specifieke regels die in de ontvangende lidstaat van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, de personeelsleden van de EU-douaneautoriteit en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen de EU-douaneautoriteit en de ontvangende lidstaat. Deze overeenkomst wordt uiterlijk op 21 september 2028 gesloten, na goedkeuring door de raad van bestuur.

2.   De ontvangende lidstaat van de EU-douaneautoriteit biedt de best mogelijke omstandigheden voor de werking van de EU-douaneautoriteit, daaronder begrepen meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.

3.   Indien uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, kan de uitvoerend directeur beslissen om lokale kantoren in andere lidstaten op te richten met het oog op een efficiëntere, doeltreffendere en coherentere uitvoering van de taken van de EU-douaneautoriteit.

Voordat hij of zij beslist een lokaal kantoor op te richten, vraagt de uitvoerend directeur de toestemming van de Commissie, de raad van bestuur en de betrokken lidstaat. Dit besluit is gebaseerd op een passende kosten-batenanalyse waaruit met name de toegevoegde waarde van die maatregel blijkt. In het besluit wordt omschreven welke activiteiten in dat lokale kantoor moeten worden uitgevoerd op zodanige wijze dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van de EU-douaneautoriteit worden voorkomen.

Artikel 265

Aanvang van de activiteiten van de EU-douaneautoriteit

De Commissie is verantwoordelijk voor de oprichting en het initiële functioneren van de EU-douaneautoriteit, totdat de EU-douaneautoriteit over de operationele capaciteit beschikt om zelf haar begroting uit te voeren. Te dien einde:

a)

kan de Commissie een ambtenaar van de Commissie aanwijzen om als waarnemend uitvoerend directeur te fungeren en de aan de uitvoerend directeur toegewezen taken uit te voeren, totdat de uitvoerend directeur zijn of haar taken opneemt nadat hij of zij overeenkomstig artikel 241 door de raad van bestuur is benoemd;

b)

oefent de waarnemend uitvoerend directeur de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag uit, in afwijking van artikel 238, lid 3, punt j), en totdat een besluit als bedoeld in artikel 238, lid 4, is goedgekeurd;

c)

kan de Commissie de EU-douaneautoriteit bijstand verlenen, met name door ambtenaren van de Commissie te detacheren om de activiteiten van de EU-douaneautoriteit te verrichten onder de verantwoordelijkheid van de waarnemend uitvoerend directeur of de uitvoerend directeur;

d)

kan de waarnemend uitvoerend directeur alle betalingen goedkeuren die door in de begroting van de EU-douaneautoriteit opgenomen kredieten worden gedekt, alsook contracten, met inbegrip van personeelscontracten, sluiten na vaststelling van het personeelsformatieplan van de EU-douaneautoriteit;

e)

in afwijking van artikel 237, lid 1, roept de waarnemend uitvoerend directeur, totdat de voorzitter van de raad van bestuur is verkozen, de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen en zit deze voor, zonder stemrecht.

TITEL XIII

DOUANESAMENWERKING

HOOFDSTUK 1

Samenwerking tussen douaneautoriteiten binnen de Unie

Artikel 266

Interne douanesamenwerking

1.   Onverminderd Verordening (EG) nr. 515/97 werken de douaneautoriteiten samen met elkaar, met de Commissie en met de EU-douaneautoriteit overeenkomstig de douanewetgeving en enige andere rechtshandelingen van de Unie die in een dergelijke samenwerking voorzien, teneinde een juiste en uniforme toepassing van die rechtshandelingen te waarborgen en de verwezenlijking van hun missie, zoals vermeld in artikel 2 van deze verordening, te ondersteunen.

2.   Douaneautoriteiten kunnen op verzoek van de douaneautoriteiten van een andere lidstaat tijdelijk douaneambtenaren ter beschikking stellen om bij de douaneautoriteiten van die andere lidstaat te werken. De douaneautoriteiten stellen de EU-douaneautoriteit in kennis van dergelijke tijdelijke opdrachten. De EU-douaneautoriteit kan daarvoor ondersteuning aanbieden en, met toestemming van de betrokken douaneautoriteiten, dergelijke opdrachten coördineren. De betrokken lidstaten kunnen de noodzakelijke voorwaarden voor dergelijke opdrachten vastleggen in een overeenkomst of in werkafspraken.

3.   De douaneautoriteiten van verschillende lidstaten kunnen op eigen initiatief gezamenlijke controles uitvoeren, naast de in artikel 267 bedoelde gezamenlijke controles. Ze stellen de EU-douaneautoriteit in kennis van dergelijke gezamenlijke controles.

4.   De Commissie, OLAF en de EU-douaneautoriteit kunnen overeenkomstig titel III gegevens uitwisselen met het oog op de in dit hoofdstuk bedoelde samenwerking. Indien een dergelijke uitwisseling betrekking heeft op informatie betreffende risico’s, zorgt de EU-douaneautoriteit ervoor dat deze informatie doeltreffend wordt gebruikt bij haar risicobeheeractiviteiten overeenkomstig deze titel en titel XII.

Artikel 267

Gezamenlijke controles

1.   De EU-douaneautoriteit plant, organiseert en coördineert, in samenwerking met de lidstaten, gezamenlijke controles die door de douaneautoriteiten worden uitgevoerd.

In voorkomend geval kan bij gezamenlijke controles worden samengewerkt met de Commissie of andere instellingen, organen of instanties van de Unie, overeenkomstig artikel 268.

2.   Met het oog op de in lid 1 bedoelde gezamenlijke controles volgt de EU-douaneautoriteit de prioriteiten van het douanebeleid en zorgt zij voor samenwerking bij fraudebestrijdingsactiviteiten die door de betrokken instellingen, organen of instanties van de Unie worden verricht en bij onderzoeken die door de douaneautoriteiten worden gevoerd.

3.   Om de EU-douaneautoriteit in staat te stellen een verslag op te stellen en een evaluatie te verrichten, verstrekken de douaneautoriteiten de EU-douaneautoriteit feedback over de door hen verrichte activiteiten en controles in het kader van een in lid 1 bedoelde gezamenlijke controle.

HOOFDSTUK 2

Samenwerking met andere autoriteiten binnen de Unie

Artikel 268

Douanesamenwerking met andere autoriteiten binnen de Unie

1.   Onverminderd Verordening (EG) nr. 515/97 en de artikelen 41, 42 en 43 van deze verordening werken de EU-douaneautoriteit en de douaneautoriteiten samen met andere bevoegde autoriteiten of organen op Unie- en nationaal niveau, met inbegrip van markttoezichtautoriteiten, sanitaire en fytosanitaire autoriteiten, rechtshandhavingsinstanties of -organen, statistische instanties en belastingautoriteiten, binnen de toepasselijke rechtskaders.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde samenwerking geschiedt op regelmatige en gestructureerde wijze. Zij heeft met name de volgende doelstellingen:

a)

bijdragen aan en volgen van wetgevingsontwikkelingen op beleidsterreinen die van belang zijn voor de douane;

b)

gegevens uitwisselen, met name gegevens die relevant zijn voor risicobeheer overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 2;

c)

coherente en gecoördineerde toezichtstrategieën voor het risicobeheer van goederen ontwikkelen op gebieden waarvoor zowel de douaneautoriteiten als de andere autoriteiten bevoegd zijn, overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 2;

d)

de operationele uitvoering faciliteren, onder meer via de uitvoering van gezamenlijke controles overeenkomstig artikel 267;

e)

waar passend, vaardigheden en beste praktijken uitwisselen door middel van gezamenlijke opleidingssessies over het opsporen van niet-conforme producten;

f)

op gebieden die voor de douane van belang zijn, bijdragen aan innovatie- en onderzoeksactiviteiten, nieuwe technologieën ontwikkelen en gezamenlijke aanbestedingen vergemakkelijken.

3.   De EU-douaneautoriteit stelt, onverminderd de bevoegdheden van de Commissie en na haar voorafgaande goedkeuring, in samenwerking met de douaneautoriteiten een kader ter ondersteuning van de in dit artikel bedoelde samenwerking vast en werkt dit regelmatig bij door doelstellingen en belangrijke samenwerkingsgebieden voor te stellen en richtsnoeren te verstrekken voor de praktische uitvoering ervan. De EU-douaneautoriteit kan werkafspraken maken om een dergelijk kader te ontwikkelen en te actualiseren. De EU-douaneautoriteit betrekt andere relevante partijen bij de ontwikkeling van het kader of de werkafspraken als bedoeld in dit lid.

4.   Indien de douaneautoriteiten in het kader van de in lid 1 bedoelde samenwerking van andere bevoegde autoriteiten op nationaal niveau een verzoek ontvangen om gegevens die beschikbaar zijn in de EU-douanedatahub te extraheren en mee te delen, worden die gegevens alleen verstrekt op gemotiveerd verzoek en met goedkeuring van de douaneautoriteiten die betrokken zijn bij de data.

Die extractie en mededeling zijn beperkt tot gegevens die de ontvangende autoriteit gerechtigd is te verkrijgen overeenkomstig het rechtskader waarbinnen zij opereert en die strikt noodzakelijk zijn voor het in het desbetreffende verzoek vermelde doel. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de regels van de Unie inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming worden nageleefd.

De douaneautoriteiten wijzen een centrale eenheid aan om de in dit lid bedoelde verzoeken in ontvangst te nemen en de verwerking ervan te waarborgen.

5.   De douaneautoriteiten en de EU-douaneautoriteit gebruiken elektronische middelen om te voldoen aan de verplichtingen van lid 4.

6.   Indien een douaneautoriteit vermoedt dat goederen niet in overeenstemming zijn met andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, deelt zij die informatie onmiddellijk met de relevante bevoegde autoriteiten met behulp van de technische middelen en binnen de termijnen waarin de toepasselijke wetgeving voorziet.

7.   Indien een douaneautoriteit samenwerkt met een andere autoriteit in een andere lidstaat, stelt zij de douaneautoriteit van die lidstaat in kennis van die samenwerking. Indien meer dan twee lidstaten bij de samenwerking betrokken zijn, stellen de deelnemende douaneautoriteiten de EU-douaneautoriteit daarvan in kennis, die op verzoek, overeenkomstig artikel 232, in operationele ondersteuning en coördinatie kan voorzien.

8.   Indien de lidstaten het in lid 3 van dit artikel bedoelde samenwerkingskader toepassen, brengen zij periodiek en ten minste om de twee jaar verslag uit aan de EU-douaneautoriteit over de toepassing ervan. De EU-douaneautoriteit houdt bij haar in artikel 232, lid 7, punt a), bedoelde monitoringactiviteiten en haar in artikel 232, lid 7, punt b), bedoelde taken inzake prestatiemeting rekening met de bevindingen van dat verslag.

9.   Tot 21 september 2027 kan de Commissie de taken van de EU-douaneautoriteit uitvoeren.

10.   De EU-douaneautoriteit kan samenwerken met andere nationale autoriteiten en met de Commissie en andere instellingen, bureaus, agentschappen, netwerken en organen van de Unie om bij te dragen aan de verwezenlijking van de in lid 2 bedoelde doelstellingen. Indien de EU-douaneautoriteit samenwerkt met andere nationale autoriteiten van een lidstaat, stelt zij de douaneautoriteit van die lidstaat daarvan in kennis.

11.   De EU-douaneautoriteit werkt nauw samen met OLAF en het EOM wanneer bij een van haar samenwerkingsactiviteiten fraude wordt gepleegd of een vermoeden van fraude rijst.

12.   De EU-douaneautoriteit kan deelnemen en bijdragen aan strategische analyses en dreigingsbeoordelingen, innovatieprogramma’s, opleidingsactiviteiten, netwerken en andere activiteiten die relevant zijn voor de uitvoering van haar taken en die worden georganiseerd door de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie.

Artikel 269

Door de douaneautoriteiten uit te voeren acties

1.   De douaneautoriteiten voeren de maatregelen uit die zijn vastgelegd in andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving overeenkomstig de bepalingen van die andere wetgeving, zoals:

a)

het verzamelen van specifieke gegevens voor alle zendingen, daaronder begrepen geautomatiseerde controles van niet-douanegerelateerde formaliteiten in de Unie, mits deze in een centraal register van de Unie worden bewaard;

b)

het verstrekken van statistieken, analyses en trends, met name op het gebied van risico’s;

c)

het faciliteren en coördineren van controles door andere autoriteiten;

d)

het verrichten van controles op bepaalde zendingen, die zijn geselecteerd op basis van risicobeheer overeenkomstig titel IV en rekening houdend met de in punt b) van dit lid bedoelde analyse;

e)

het raadplegen van andere autoriteiten voordat de goederen overeenkomstig artikel 77 worden vrijgegeven;

f)

het nemen van alle nodige maatregelen ten aanzien van niet-conforme goederen, daaronder begrepen verkoop of vernietiging van die goederen;

g)

het uitvoeren van het in artikel 268 bedoelde samenwerkingskader;

h)

het waarschuwen van andere autoriteiten voor risico’s die relevant zijn voor hun werkzaamheden, en het melden van vermoedens van fraude en criminaliteit;

i)

het verrichten van follow-up wanneer de overbrenging van goederen inbreuk maakt op andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving;

j)

elke andere aanvullende actie.

2.   Indien een lidstaat een gespecialiseerde douanedoorlaatpost aan de grens aanwijst voor de toepassing van bepaalde andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, stelt hij de EU-douaneautoriteit van die aanwijzing in kennis. De EU-douaneautoriteit stelt een lijst van dergelijke gespecialiseerde douanedoorlaatposten aan de grens op, werkt deze regelmatig bij en publiceert die lijst op haar website. De verplichting om goederen door een daartoe aangewezen gespecialiseerde douanedoorlaatpost aan de grens te laten passeren, mag voor de marktdeelnemers geen beperkingen meebrengen die niet in verhouding staan tot het beoogde doel, rekening houdend met de omstandigheden die deze verplichting rechtvaardigen.

3.   Om de identificatie, toepassing en handhaving van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving te vergemakkelijken, stelt de Commissie een geïntegreerde lijst op van rechtshandelingen van de Unie waarin eisen worden opgelegd aan goederen die aan douanecontroles zijn onderworpen, met het oog op de bescherming van de openbare belangen, en werkt zij deze lijst regelmatig bij en publiceert zij deze op haar website.

HOOFDSTUK 3

Douanesamenwerking met andere autoriteiten buiten de Unie

Artikel 270

Douanesamenwerking met de autoriteiten van derde landen en internationale organisaties

1.   De EU-douaneautoriteit kan, voor zover nodig voor haar taken, na raadpleging van de Commissie en na haar voorafgaande goedkeuring, werkafspraken maken met douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten van derde landen, alsook met internationale organisaties. Die werkafspraken kunnen gezamenlijke activiteiten en het delen van beste praktijken omvatten.

2.   De in lid 1 bedoelde werkafspraken zijn beperkt tot de taken van de EU-douaneautoriteit en scheppen geen wettelijke verplichtingen voor de Unie of de lidstaten.

3.   De EU-douaneautoriteit stelt de douaneautoriteiten van de lidstaten in kennis van de in lid 1 bedoelde werkafspraken.

Artikel 271

Bilaterale overeenkomsten met derde landen

1.   Indien een lidstaat met een derde land onderhandelingen opent voor de sluiting van een bilaterale overeenkomst over de uitvoering van de douanewetgeving, stelt hij de Commissie zonder onnodige vertraging in kennis van de ontwerpovereenkomst die hij voornemens is te ondertekenen.

2.   Alvorens een bilaterale overeenkomst over gemeenschappelijke grensdoorlaatposten met een naburig derde land te sluiten of te wijzigen, raadpleegt de betrokken lidstaat de Commissie over de verenigbaarheid van die overeenkomst met het Unierecht. Indien de Commissie van oordeel is dat de overeenkomst onverenigbaar is met het Unierecht, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis. Die lidstaat doet het nodige om de overeenkomst binnen een redelijke termijn zo te wijzigen dat die onverenigbaarheden worden verholpen.

3.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 21 september 2027 in kennis van hun bestaande bilaterale overeenkomsten.

Artikel 272

Uitwisseling van gegevens met derde landen

1.   De Commissie, de douaneautoriteiten en de EU-douaneautoriteit kunnen, overeenkomstig het toepasselijke Unierecht, gegevens die overeenkomstig deze verordening zijn verwerkt, uitwisselen en delen met douaneautoriteiten en andere autoriteiten van derde landen met het oog op douanesamenwerking, onder meer door middel van systematische en geautomatiseerde uitwisseling, indien:

a)

een internationale overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land of de betrokken derde landen voorziet in een dergelijke uitwisseling;

b)

rechtshandelingen van de Unie op het gebied van douane, gemeenschappelijk handelsbeleid of gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid of andere door de douaneautoriteiten toegepaste Uniewetgeving voorzien in een dergelijke uitwisseling, of

c)

een bilaterale overeenkomst die overeenkomstig de procedure en voorwaarden van de leden 6 tot en met 9 tussen een lidstaat en een derde land is gesloten of gehandhaafd, in een dergelijke uitwisseling voorziet.

2.   Indien douaneautoriteiten of de EU-douaneautoriteit gegevens uitwisselen met douaneautoriteiten en andere autoriteiten van derde landen, stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

3.   Bij de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitwisseling:

a)

wordt ervoor gezorgd dat de doorgifte van persoonsgegevens in overeenstemming is met hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679, naargelang het geval;

b)

wordt de vertrouwelijkheid van informatie gewaarborgd overeenkomstig deze verordening, en

c)

wordt ervoor gezorgd dat de uitwisseling van gegevens plaatsvindt via passende beveiligde communicatiemiddelen.

4.   De in lid 1 bedoelde uitwisseling kan met name betrekking hebben op de volgende categorieën data:

a)

gegevenselementen die zijn opgenomen in beschikkingen van de douaneautoriteiten of soortgelijke beschikkingen in derde landen met betrekking tot bindende inlichtingen, de status van geautoriseerde marktdeelnemer, de status van vertrouwde en gecontroleerde handelaar, de douanewaarde, de douanestatus van goederen of bijzondere regelingen;

b)

gegevenselementen die zijn opgenomen in aangiften, kennisgevingen en bewijs van de douanestatus van goederen en in bewijsstukken, of die anderszins zijn verstrekt of beschikbaar zijn gesteld aan de douaneautoriteiten van de lidstaten, de Commissie of de douaneautoriteiten van derde landen, of die door die autoriteiten zijn afgegeven;

c)

door de douaneautoriteiten van de lidstaten of de Commissie, enerzijds, en de douaneautoriteiten van derde landen, anderzijds, verkregen gegevens betreffende vastgestelde risico’s, gedane bevindingen en behaalde resultaten in het kader van door hen verrichte risicoanalyses en -controles.

5.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitwisseling doet geen afbreuk aan de uitwisseling van informatie in het kader van de bepalingen inzake wederzijdse administratieve bijstand in overeenkomsten tussen de Unie en derde landen, noch aan Verordening (EG) nr. 515/97.

6.   Een lidstaat kan worden gemachtigd om met een derde land onderhandelingen aan te knopen voor de sluiting van een bilaterale overeenkomst inzake de in lid 1 bedoelde uitwisseling van informatie, overeenkomstig de algemene procedures en voorwaarden die zijn vastgelegd in een overeenkomstig lid 8 vastgestelde gedelegeerde handeling.

Wanneer een overeenkomst inzake de uitwisseling van informatie, als bedoeld in lid 1, tussen de Unie en een bepaald derde land in werking treedt, heeft die overeenkomst voorrang op alle toepasselijke onderdelen van bestaande bilaterale overeenkomsten, die niet langer mogen worden toegepast.

7.   De lidstaten stellen de Commissie bij de inwerkingtreding van deze verordening in kennis van hun bestaande bilaterale overeenkomsten die voorzien in de uitwisseling van douanegerelateerde informatie. Indien de Commissie van oordeel is dat een overeenkomst onverenigbaar is met het Unierecht, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis. De lidstaat doet het nodige om de overeenkomst binnen een redelijke door de Commissie bepaalde termijn zo te wijzigen dat die onverenigbaarheden worden verholpen.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 een gedelegeerde handeling in aanvulling op deze verordening vast te stellen houdende voorwaarden en procedures overeenkomstig welke een lidstaat kan worden gemachtigd onderhandelingen aan te knopen als bedoeld in lid 6. Die voorwaarden omvatten de verplichting voor de betrokken lidstaat om de Commissie, de EU-douaneautoriteit en alle andere lidstaten in kennis te stellen van zijn voornemen om een dergelijke bilaterale overeenkomst te sluiten en van de inhoud ervan. De Commissie beoordeelt het effect ervan op het Unierecht en op toekomstige onderhandelingen op het niveau van de Unie. De gedelegeerde handeling voorziet ook in het toezicht op de uitvoering van die overeenkomsten.

9.   De Commissie kan binnen 60 dagen na ontvangst van de in lid 8 van dit artikel bedoelde kennisgeving een uitvoeringshandeling vaststellen waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de bilaterale overeenkomst in kwestie te sluiten. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 283, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie met betrekking tot een dergelijke machtiging en die verband houden met de noodzaak om de gevraagde uitwisseling van informatie snel mogelijk te maken, stelt de Commissie volgens de in artikel 283, lid 5, bedoelde procedure een onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandeling vast.

De Commissie stelt de betrokken lidstaat binnen dezelfde termijn in kennis wanneer zij beslist geen uitvoeringshandeling op grond van dit lid vast te stellen.

TITEL XIV

OVERTREDINGEN VAN DE DOUANEWETGEVING EN NIET-STRAFRECHTELIJKE SANCTIES

Artikel 273

Onderwerp en algemene bepalingen

1.   Deze titel bevat een minimale lijst van overtredingen van de douanewetgeving en niet-strafrechtelijke sancties voor die overtredingen.

De lidstaten leggen overtredingen van de douanewetgeving en niet-strafrechtelijke sancties die op die overtredingen van toepassing zijn, vast in hun nationale recht, overeenkomstig deze titel.

2.   Deze titel belet de lidstaten niet te voorzien in aanvullende overtredingen van de douanewetgeving of strengere maatregelen te nemen voor overtredingen van de douanewetgeving.

3.   De sancties voor overtredingen van de douanewetgeving zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

4.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 19 maart 2028 in kennis van de bepalingen van nationaal recht die zij op grond van deze titel vaststellen, en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen die gevolgen hebben voor die bepalingen mee.

Artikel 274

Overtredingen van de douanewetgeving

1.   Onverminderd de artikelen 224, 273 en 275 zorgen de lidstaten ervoor dat op ten minste de volgende overtredingen van de douanewetgeving sancties van toepassing zijn die in hun nationale recht zijn vastgelegd:

a)

verzuim van de houder van een douanebeschikking om de uit die beschikking voortvloeiende verplichtingen na te leven;

b)

niet-naleving van de verplichting om volledige en nauwkeurige gegevens aan de douaneautoriteiten te verstrekken of beschikbaar te stellen overeenkomstig de douanewetgeving;

c)

niet-naleving van de door de douanewetgeving opgelegde verplichting om registers bij te houden;

d)

niet-naleving van de regels inzake onttrekking van goederen aan het douanetoezicht;

e)

niet-naleving van de verplichtingen in verband met douaneregelingen;

f)

niet-naleving van de in artikel 27, lid 2, vermelde verplichtingen van een importeur;

g)

niet-naleving van de in artikel 28, lid 1, vermelde verplichtingen van een exporteur.

2.   Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om andere gedragingen, handelingen of nalatigheden aan te merken als overtredingen van de douanewetgeving.

Artikel 275

Sancties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat bij het nemen van een beslissing over de aard van de sanctie en de zwaarte ervan, terdege rekening wordt gehouden met het volgende:

a)

de vraag of de overtreding van de douanewetgeving opzettelijk of uit onachtzaamheid is begaan;

b)

de aard, de ernst, de herhaling en de duur van de overtreding van de douanewetgeving;

c)

de gevolgen van de overtreding van de douanewetgeving voor de financiële en andere veiligheids- en beveiligingsbelangen van de Unie en van de lidstaten;

d)

de mate van samenwerking met de douaneautoriteit om de overtreding van de douanewetgeving te verhelpen en de mogelijke nadelige gevolgen ervan te beperken;

e)

alle andere verzachtende of verzwarende omstandigheden van de zaak, overeenkomstig het nationale recht.

2.   Sancties kunnen één of meer van de volgende vormen aannemen:

a)

een door de douaneautoriteiten opgelegde geldboete of, in voorkomend geval, een door de bevoegde douaneautoriteiten opgelegde sanctie door middel van een schikkingsprocedure die wordt toegepast in plaats van een strafrechtelijke sanctie;

b)

de intrekking, schorsing of wijziging van een vergunning van de betrokken persoon;

c)

confiscatie van de goederen waarop de overtreding van de douanewetgeving betrekking heeft;

d)

een waarschuwing;

e)

een andere sanctie.

3.   Alle niet-strafrechtelijke sancties voor overtredingen van de douanewetgeving die door de douaneautoriteiten worden opgelegd, worden geregistreerd door vermelding van de aard van de overtreding en het bedrag van eventuele geldboeten, alsook alle andere voor die overtreding opgelegde niet-strafrechtelijke sancties. Die informatie wordt via de EU-douanedatahub ter beschikking gesteld van de EU-douaneautoriteit.

4.   Uiterlijk op 21 september 2032 evalueert de Commissie, in overleg met de EU-douaneautoriteit, de toepassing van dit artikel en beoordeelt zij of de geldboeten efficiënt in de lidstaten worden opgelegd zonder dat dit tot verstoringen van de interne markt leidt, dan wel of geharmoniseerde geldboeten voor overtredingen noodzakelijk zijn. Op basis van het resultaat van die evaluatie kan de Commissie zo nodig bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel indienen om deze verordening te wijzigen.

Artikel 276

Sancties voor systematische niet-naleving bij afstandsverkopen

1.   Indien de douaneautoriteiten, in het kader van het in het vrije verkeer brengen van bij afstandsverkopen verkochte goederen, vaststellen dat dezelfde marktdeelnemer systematisch verzuimt de in artikel 274, lid 1, bedoelde verplichtingen na te leven, wordt dit als een systematische overtreding beschouwd. De lidstaten zorgen ervoor dat de sanctie voor een systematische overtreding ten minste de vorm aanneemt van een geldboete van ten minste 1 % en tot 4 % van de totale waarde van de goederen die die marktdeelnemer gedurende de voorafgaande twaalf maanden in de Unie heeft ingevoerd.

2.   Voor de toepassing van dit artikel wordt de niet-naleving door de marktdeelnemer als systematisch beschouwd indien uit de resultaten van een substantieel aantal douanecontroles binnen één kalendermaand blijkt dat in een voldoende representatief aantal gevallen sprake is van niet-naleving.

3.   In geval van een systematische overtreding als bedoeld in lid 1 schorsen de bevoegde autoriteiten ook de status van geautoriseerde marktdeelnemer of vertrouwde en gecontroleerde handelaar of een gelijkwaardige faciliterende maatregel die uit hoofde van deze verordening is verleend aan de marktdeelnemer die de overtreding heeft gepleegd, of trekken zij deze in of verklaren zij deze nietig.

4.   Indien de douaneautoriteiten binnen een periode van zes maanden na het opleggen van een in lid 1 bedoelde sanctie vaststellen dat dezelfde marktdeelnemer verdere systematische overtredingen heeft gepleegd, nemen de voor die overtreding opgelegde sancties ten minste de vorm aan van geldboeten van ten minste 3 % en tot 6 % van de totale waarde van de goederen die die marktdeelnemer gedurende de voorafgaande twaalf maanden in de Unie heeft ingevoerd.

5.   Indien de douaneautoriteiten binnen een periode van zes maanden na het opleggen van een in lid 4 van dit artikel bedoelde sanctie vaststellen dat dezelfde marktdeelnemer verdere systematische overtredingen heeft gepleegd, neemt de sanctie voor een dergelijke verdere systematische overtreding ten minste de vorm aan van een van de in dat lid bedoelde sancties. In voorkomend geval, en rekening houdend met de ernst van een dergelijke verdere systematische overtreding, kan de toegang tot de online-interface van die marktdeelnemer tijdelijk worden beperkt. Daartoe zendt de bevoegde douaneautoriteit de informatie over de overtreding zonder onnodige vertraging toe aan de relevante autoriteiten. Daarnaast worden maatregelen genomen overeenkomstig artikel 77, lid 5.

6.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening door het substantiële aantal douanecontroles te bepalen, rekening houdend met het volume en de gevolgen van de relevante afstandsverkopen, alsook de drempel van het aantal gevallen, op basis van de ernst van de overtreding, dat voldoende representatief wordt geacht voor de vaststelling van systematische niet-naleving, als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Artikel 277

Classificatie van marktdeelnemers met een hoog risico

1.   Indien uit hoofde van artikel 276 een sanctie wordt opgelegd, wordt de betrokken importeur voor afstandsverkopen in de EU-douanedatahub overeenkomstig artikel 55, lid 2, geclassificeerd als een marktdeelnemer met een hoog risico.

2.   De classificatie als marktdeelnemer met een hoog risico wordt in aanmerking genomen bij:

a)

douanerisicobeheer overeenkomstig artikel 55, en

b)

de vaststelling en uitvoering van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen overeenkomstig de artikelen 56, 57 en 58.

Artikel 278

Samenwerking tussen de lidstaten

1.   Indien een overtreding van de douanewetgeving onder de rechtsmacht van meer dan één lidstaat valt, werken de bevoegde autoriteiten van die lidstaten samen overeenkomstig het toepasselijke recht.

2.   De EU-douaneautoriteit kan de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor de in lid 1 bedoelde doeleinden ondersteunen en faciliteren.

TITEL XV

SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Prestatiemeting van de douane-unie

Artikel 279

Beoordeling en verslaglegging

1.   De Commissie beoordeelt en evalueert de prestaties van de douane-unie ten minste eenmaal per jaar. Hierbij worden metingen verricht van de douaneactiviteiten die door de douaneautoriteiten van de lidstaten en, waar mogelijk, de kandidaat-lidstaten zijn uitgevoerd op nationaal en lokaal niveau. Deze metingen kunnen voortbouwen op bestaande instrumenten die daartoe door de Commissie en de lidstaten zijn ontwikkeld.

2.   De lidstaten en de EU-douaneautoriteit assisteren de Commissie bij de in lid 1 bedoelde taak. Zij verstrekken de EU-douaneautoriteit met name gegevens die informatie op zowel nationaal als lokaal niveau bevatten. De gegevens moeten het produceren van prestatie-indicatoren op basis van input, activiteit en resultaten mogelijk maken.

Op basis van die gegevens en andere beschikbare informatie brengt de EU-douaneautoriteit in kaart hoe douaneactiviteiten en -operaties, en de aan die activiteiten en operaties toegewezen middelen, de verwezenlijking van de strategische doelstellingen en prioriteiten van de douane-unie ondersteunen en bijdragen tot de in artikel 2 vastgelegde missie van de douaneautoriteiten. De EU-douaneautoriteit stelt in samenwerking met de douaneautoriteiten met name ontwerpjaarverslagen en andere soorten documenten op om de belangrijkste trends, sterke en zwakke punten, lacunes en potentiële risico’s in kaart te brengen, en doet aan de Commissie aanbevelingen voor verbetering. Die ontwerpjaarverslagen bevatten informatie over de werking van de status van geautoriseerde marktdeelnemer en vertrouwde en gecontroleerde handelaren als bedoeld in artikel 31.

3.   De EU-douaneautoriteit dient de in lid 2, tweede alinea, bedoelde ontwerpjaarverslagen ter goedkeuring in bij de Commissie, die deze ter informatie toezendt aan de lidstaten.

4.   Uiterlijk op 21 september 2027 beoordeelt de Commissie de werking van de in artikel 20, lid 2, bedoelde afhandelingsvergoeding van de Unie, met inbegrip van de gevolgen ervan voor de werking van de afstandsverkopen. De Commissie dient die beoordeling in bij het Europees Parlement en de Raad.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot nadere bepaling van de door de lidstaten overeenkomstig lid 2, eerste alinea, van dit artikel te verstrekken data, het vertrouwelijkheidsniveau ervan en het ontwerp van de prestatiemeting. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 283, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK 2

Monitoring, evaluatie en verslaglegging

Artikel 280

Monitoring

De Commissie houdt regelmatig toezicht op de uitvoering van deze verordening, rekening houdend met onder meer voor de monitoring van relevante informatie en analyses die door de douaneautoriteiten en de EU-douaneautoriteit in de EU-douanedatahub worden verstrekt of beschikbaar gesteld.

Artikel 281

Evaluatie en verslaglegging

1.   Vóór 31 december 2027 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de gecentraliseerde vrijmaking als bedoeld in artikel 91. Het niet-vertrouwelijke deel van dat verslag wordt openbaar gemaakt. Indien nodig, kan de Commissie een wetgevingsvoorstel indienen bij het Europees Parlement en de Raad om te zorgen voor een eerlijke verdeling van de rechten en plichten van de lidstaten in verband met de vaststelling van en aansprakelijkheid voor de douaneschuld bij invoer.

2.   Uiterlijk op 21 september 2031 en vervolgens om de vijf jaar voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening in het licht van de doelstellingen ervan, en brengt zij daarover verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

Dat verslag bevat:

a)

een overzicht van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze verordening;

b)

een beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, samenhang, relevantie en meerwaarde voor de Unie van deze verordening, met name met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde doelstellingen;

c)

een overzicht van de uitgesplitste kosten die de Unie en de lidstaten hebben gemaakt voor de uitvoering van deze verordening.

3.   Op verzoek van de Commissie en overeenkomstig hoofdstuk 1 verstrekken de lidstaten informatie over de uitvoering van deze verordening die nodig is voor de opstelling van het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag en die niet beschikbaar is in de EU-douanedatahub.

4.   Uiterlijk op 31 december 2031 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van met name:

a)

de doeltreffendheid van het douanetoezicht op de vertrouwde en gecontroleerde handelaren door de douaneautoriteiten van de lidstaat van vestiging alsook van de toepassing van de bepalingen betreffende de plaats van het ontstaan van de douaneschuld;

b)

de doeltreffendheid van het douanetoezicht op andere marktdeelnemers dan vertrouwde en gecontroleerde handelaren;

c)

de mogelijke gevolgen van de in lid 5 bedoelde wijzigingen.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 282 gedelegeerde handelingen vast te stellen om artikel 6, lid 2, en artikel 193, lid 1, punten b), c) en d), te wijzigen door de daarin bepaalde afwijkingen te schrappen of te wijzigen, indien passend in het licht van het in lid 4 van dit artikel bedoelde verslag.

HOOFDSTUK 3

Bevoegdheidsdelegatie en comitéprocedure

Artikel 282

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 4, artikel 6, lid 6, artikel 8, leden 8 en 9, artikel 9, lid 9, artikel 12, lid 6, artikel 16, lid 13, artikel 20, lid 10, artikel 26, lid 6, artikel 29, lid 10, artikel 33, lid 8, artikel 38, lid 5, artikel 41, lid 11, artikel 43, lid 7, artikel 49, artikel 71, lid 4, artikel 73, lid 3, artikel 74, lid 8, artikel 77, lid 10, artikel 78, lid 7, artikel 79, lid 4, artikel 80, lid 3, artikel 81, lid 4, artikel 83, lid 3, artikel 84, lid 6, artikel 89, lid 4, artikel 91, lid 7, artikel 92, lid 5, artikel 94, lid 4, artikel 97, lid 11, artikel 98, lid 3, artikel 99, lid 3, artikel 101, lid 11, artikel 103, lid 5, artikel 104, lid 8, artikel 105, lid 4, artikel 106, lid 3, artikel 107, lid 2, artikel 108, lid 8, artikel 109, lid 4, artikel 111, lid 7, artikel 114, lid 7, artikel 116, lid 7, artikel 117, lid 12, artikel 118, lid 3, artikel 119, lid 3, artikel 121, lid 5, artikel 125, lid 10, artikel 128, lid 3, artikel 129, lid 5, artikel 130, lid 2, artikel 131, lid 2, artikel 132, lid 3, artikel 133, lid 5, artikel 135, lid 4, artikel 139, lid 3, artikel 140, lid 6, artikel 142, lid 5, artikel 145, lid 4, artikel 153, lid 3, artikel 156, lid 8, artikel 158, lid 5, artikel 160, lid 2, artikel 161, lid 5, artikel 169, lid 3, artikel 171, lid 9, artikel 178, lid 2, artikel 180, lid 5, artikel 191, lid 4, artikel 192, lid 8, artikel 193, lid 5, artikel 194, lid 9, artikel 197, lid 3, artikel 199, lid 4, artikel 200, lid 4, artikel 203, lid 3, artikel 205, lid 8, artikel 210, lid 4, artikel 214, lid 5, artikel 216, lid 5, artikel 217, leden 9 en 10, artikel 223, lid 8, artikel 272, lid 8, artikel 276, lid 6, en artikel 281, lid 5, wordt aan de Commissie verleend.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4, artikel 6, lid 6, artikel 8, leden 8 en 9, artikel 9, lid 9, artikel 12, lid 6, artikel 16, lid 13, artikel 20, lid 10, artikel 26, lid 6, artikel 29, lid 10, artikel 33, lid 8, artikel 38, lid 5, artikel 41, lid 11, artikel 43, lid 7, artikel 49, artikel 71, lid 4, artikel 73, lid 3, artikel 74, lid 8, artikel 77, lid 10, artikel 78, lid 7, artikel 79, lid 4, artikel 80, lid 3, artikel 81, lid 4, artikel 83, lid 3, artikel 84, lid 6, artikel 89, lid 4, artikel 91, lid 7, artikel 92, lid 5, artikel 94, lid 4, artikel 97, lid 11, artikel 98, lid 3, artikel 99, lid 3, artikel 101, lid 11, artikel 103, lid 5, artikel 104, lid 8, artikel 105, lid 4, artikel 106, lid 3, artikel 107, lid 2, artikel 108, lid 8, artikel 109, lid 4, artikel 111, lid 7, artikel 114, lid 7, artikel 116, lid 7, artikel 117, lid 12, artikel 118, lid 3, artikel 119, lid 3, artikel 121, lid 5, artikel 125, lid 10, artikel 128, lid 3, artikel 129, lid 5, artikel 130, lid 2, artikel 131, lid 2, artikel 132, lid 3, artikel 133, lid 5, artikel 135, lid 4, artikel 139, lid 3, artikel 140, lid 6, artikel 142, lid 5, artikel 145, lid 4, artikel 153, lid 3, artikel 156, lid 8, artikel 158, lid 5, artikel 160, lid 2, artikel 161, lid 5, artikel 169, lid 3, artikel 171, lid 9, artikel 178, lid 2, artikel 180, lid 5, artikel 191, lid 4, artikel 192, lid 8, artikel 193, lid 5, artikel 194, lid 9, artikel 197, lid 3, artikel 199, lid 4, artikel 200, lid 4, artikel 203, lid 3, artikel 205, lid 8, artikel 210, lid 4, artikel 214, lid 5, artikel 216, lid 5, artikel 217, leden 9 en 10, artikel 223, lid 8, artikel 272, lid 8, artikel 276, lid 6, en artikel 281, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 4, artikel 6, lid 6, artikel 8, leden 8 en 9, artikel 9, lid 9, artikel 12, lid 6, artikel 16, lid 13, artikel 20, lid 10, artikel 26, lid 6, artikel 29, lid 10, artikel 33, lid 8, artikel 38, lid 5, artikel 41, lid 11, artikel 43, lid 7, artikel 49, artikel 71, lid 4, artikel 73, lid 3, artikel 74, lid 8, artikel 77, lid 10, artikel 78, lid 7, artikel 79, lid 4, artikel 80, lid 3, artikel 81, lid 4, artikel 83, lid 3, artikel 84, lid 6, artikel 89, lid 4, artikel 91, lid 7, artikel 92, lid 5, artikel 94, lid 4, artikel 97, lid 11, artikel 98, lid 3, artikel 99, lid 3, artikel 101, lid 11, artikel 103, lid 5, artikel 104, lid 8, artikel 105, lid 4, artikel 106, lid 3, artikel 107, lid 2, artikel 108, lid 8, artikel 109, lid 4, artikel 111, lid 7, artikel 114, lid 7, artikel 116, lid 7, artikel 117, lid 12, artikel 118, lid 3, artikel 119, lid 3, artikel 121, lid 5, artikel 125, lid 10, artikel 128, lid 3, artikel 129, lid 5, artikel 130, lid 2, artikel 131, lid 2, artikel 132, lid 3, artikel 133, lid 5, artikel 135, lid 4, artikel 139, lid 3, artikel 140, lid 6, artikel 142, lid 5, artikel 145, lid 4, artikel 153, lid 3, artikel 156, lid 8, artikel 158, lid 5, artikel 160, lid 2, artikel 161, lid 5, artikel 169, lid 3, artikel 171, lid 9, artikel 178, lid 2, artikel 180, lid 5, artikel 191, lid 4, artikel 192, lid 8, artikel 193, lid 5, artikel 194, lid 9, artikel 197, lid 3, artikel 199, lid 4, artikel 200, lid 4, artikel 203, lid 3, artikel 205, lid 8, artikel 210, lid 4, artikel 214, lid 5, artikel 216, lid 5, artikel 217, leden 9 en 10, artikel 223, lid 8, artikel 272, lid 8, artikel 276, lid 6, en artikel 281, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

7.   In afwijking van lid 6 van dit artikel treedt de eerste op grond van artikel 20, lid 10, vastgestelde gedelegeerde handeling alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van 30 dagen na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken.

Artikel 283

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité douanewetboek. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 4 daarvan, van toepassing.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

5.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

6.   Indien het advies van het Comité douanewetboek via een schriftelijke procedure moet worden verkregen en naar dit lid wordt verwezen, wordt die procedure slechts zonder gevolg beëindigd indien daartoe door de voorzitter van dat comité wordt beslist binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies.

HOOFDSTUK 4

Slotbepalingen

Artikel 284

Intrekking

1.   Verordening (EU) nr. 952/2013 wordt ingetrokken.

Bestaande gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 952/2013 of op grond van rechtshandelingen die door die verordening of door eerdere versies van die verordening zijn vervangen, blijven echter van toepassing totdat zij worden ingetrokken bij gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen die door de Commissie op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

Verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 952/2013 gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage bij deze verordening.

2.   Met ingang van 1 juli 2028:

a)

worden verwijzingen naar de douaneaangifte geacht ook de verstrekking te omvatten van de gegevens die nodig zijn om goederen onder een douaneregeling te plaatsen met gebruikmaking van de capaciteiten van de EU-douanedatahub, naargelang het geval;

b)

worden verwijzingen naar de aangever geacht ook de vervoerder, de importeur, de exporteur of de houder van de regeling douanevervoer, naargelang het geval, te omvatten.

Artikel 285

Overgangsmaatregelen in verband met de oprichting van de EU-douanedatahub

1.   Tot en met 30 juni 2028 wordt voor alle goederen die onder een douaneregeling zullen worden geplaatst, een douaneaangifte voor die regeling gedaan.

2.   Met ingang van 1 juli 2028 verstrekken importeurs voor afstandsverkopen en personen die ervoor hebben gekozen gebruik te maken van de IOSS-regeling, voor het plaatsen van goederen onder de regeling douane-entrepot in een douane-entrepot voor afstandsverkopen of onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen, de gegevens of stellen zij deze beschikbaar via de EU-douanedatahub overeenkomstig artikel 74. Om dat mogelijk te maken, worden de functionaliteiten van de EU-douanedatahub uiterlijk op 1 juni 2028 operationeel.

3.   Tot en met 28 februari 2031 dienen andere importeurs dan de in lid 2 bedoelde personen, exporteurs en houders van de regeling douanevervoer, om goederen onder een douaneregeling te plaatsen, een douaneaangifte voor die regeling in.

4.   Met ingang van 1 maart 2031 kunnen importeurs, exporteurs en houders van de regeling douanevervoer, met het oog op de plaatsing van goederen onder een douaneregeling, een douaneaangifte indienen of de voor de desbetreffende regeling relevante informatie via de EU-douanedatahub verstrekken of beschikbaar stellen overeenkomstig artikel 74.

5.   Met ingang van 1 maart 2034 verstrekken importeurs, exporteurs en houders van de regeling douanevervoer, met het oog op de plaatsing van goederen onder een douaneregeling, de voor de desbetreffende regeling passende informatie via de EU-douanedatahub, of stellen zij deze via de EU-douanedatahub beschikbaar overeenkomstig artikel 74.

6.   De functionaliteiten van de in artikel 38 vastgestelde EU-douanedatahub zijn uiterlijk op 1 februari 2034 volledig operationeel.

7.   In het geval van uitzonderlijke omstandigheden waarin een relevante functionaliteit van de EU-douanedatahub niet operationeel is binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen, voorziet de Commissie in coördinatie met de lidstaten binnen dezelfde termijnen in een overgangsoplossing. De overgangsoplossing geldt niet langer dan zes maanden na de in deze verordening vastgestelde termijnen. De Commissie zorgt ervoor dat de relevante functionaliteit van de EU-douanedatahub operationeel is vóór het verstrijken van de overgangsoplossing.

Artikel 286

De datum van vaststelling van bepaalde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen

1.   De Commissie stelt voor het eerst binnen de volgende termijnen de volgende handelingen vast:

a)

een gedelegeerde handeling tot vaststelling van het bedrag van de in artikel 20, leden 2 en 3, bedoelde afhandelingsvergoeding van de Unie, op grond van de in artikel 20, lid 10, bedoelde bevoegdheid, uiterlijk op 29 september 2026;

b)

een gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 276, lid 6, uiterlijk op 1 maart 2028.

2.   De Commissie stelt het volgende vast:

a)

de in artikel 38, leden 5 en 6, en artikel 49 bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die nodig zijn voor de toepassing van artikel 285, lid 2, uiterlijk op 1 juli 2027;

b)

de in artikel 38, leden 5 en 6, en artikel 49 bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die nodig zijn voor de toepassing van artikel 285, lid 4, uiterlijk op 1 maart 2029;

c)

de in artikel 38, leden 5 en 6, en artikel 49 bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die nodig zijn voor de toepassing van artikel 285, lid 5, uiterlijk op 31 januari 2033.

Artikel 287

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing met ingang van 21 september 2027.

3.   In afwijking van lid 2 van dit artikel zijn de volgende bepalingen van toepassing vanaf de dag van inwerkingtreding van deze verordening:

a)

artikel 5, punten 15), 16), 44) en 78);

b)

artikel 20, met uitzondering van de leden 1, 2 en 4;

c)

de artikelen 35 tot en met 39 en artikel 51;

d)

artikel 41, lid 10;

e)

artikel 85, lid 2;

f)

artikel 175 en artikel 179, lid 4;

g)

artikel 180;

h)

de artikelen 229, 230, 231, 234 tot en met 244 en 255 tot en met 265;

i)

artikel 268, lid 9;

j)

artikel 272, lid 7;

k)

alle bepalingen van deze verordening waarbij de Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vast te stellen, alsook de artikelen 282 en 283.

4.   In afwijking van lid 2 van dit artikel is artikel 20, lid 2, van toepassing vanaf tien dagen na de inwerkingtreding van de op grond van artikel 20, lid 10, vastgestelde gedelegeerde handeling.

5.   In afwijking van lid 2 van dit artikel zijn de volgende bepalingen van toepassing met ingang van 1 juli 2028:

a)

artikel 20, lid 4, de artikelen 74 en 75, artikel 109, lid 3, punt b), artikel 145, artikel 183, lid 2, punt c), artikel 191, lid 2, en artikel 223, lid 1, punt m);

b)

artikel 41, met uitzondering van lid 10, en de artikelen 42 tot en met 45;

c)

artikel 78;

d)

artikel 205, leden 5 en 6, en artikel 208, lid 2.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 september 2026.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

T. BYRNE


(1)   PB C, C/2023/864, 8.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/864/oj.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2024 (PB C, C/2025/1035, 27.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1035/oj) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 3 september 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 16 september 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/952/oj).

(4)  Verordening (EU) 2024/1781 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2020/1828 en Verordening (EU) 2023/1542, en tot intrekking van Richtlijn 2009/125/EG (PB L, 2024/1781, 28.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1781/oj).

(5)  Verordening (EU) 2024/2747 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen in verband met noodsituaties op de interne markt en met de veerkracht van de interne markt en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad (verordening inzake noodsituaties op de interne markt en veerkracht van de interne markt) (PB L, 2024/2747, 8.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2747/oj).

(6)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/112/oj).

(7)  Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PB L 58 van 27.2.2020, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2020/262/oj).

(8)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1072 van de Commissie van 25 januari 2024 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 wat betreft beschikkingen betreffende bindende inlichtingen op het gebied van douanewaarde en beschikkingen betreffende bindende oorsprongsinlichtingen (PB L, 2024/1072, 15.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/1072/oj).

(9)  Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 inzake algemene productveiligheid, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 87/357/EEG van de Raad (PB L 135 van 23.5.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/988/oj).

(10)  Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (PB L, 2024/2853, 18.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/2853/oj).

(11)  Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1020/oj).

(12)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/361/oj).

(13)  Beschikking van het Gerecht van 7 februari 2023, Euranimi/Europese Commissie, T-81/22, ECLI:EU:T:2023:57.

(14)  Verordening (EU) 2024/903 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot vaststelling van maatregelen voor een hoog niveau van interoperabiliteit van de overheidssector in de Unie (verordening Interoperabel Europa) (PB L, 2024/903, 22.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/903/oj).

(15)  Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (NIS 2-richtlijn) (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 80, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2555/oj).

(16)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/883/oj).

(17)  Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1997/515/oj).

(18)  Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/794/oj).

(19)  Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/625/oj).

(20)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj).

(21)  Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624 (PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1896/oj).

(22)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).

(23)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).

(24)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/680/oj).

(25)  Verordening (EU) 2022/2399 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 tot instelling van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013 (PB L 317 van 9.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2399/oj).

(26)  Wijzigingen op de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst van 1975) (PB L 193 van 1.6.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_amend/2021/601/oj).

(27)   PB C 24 van 23.1.1998, blz. 2.

(28)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.

(29)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).

(30)  Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie) (PB L, 2024/1689, 12.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj).

(31)   PB L 336 van 23.12.1994, blz. 119, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1994/800(9)/oj.

(32)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1987/2658/oj).

(33)  Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1971/1182/oj).

(34)  Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/943/oj).

(35)  Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/910/oj).

(36)  Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PB L 79 I van 21.3.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/452/oj).

(37)  Verordening (EU, Euratom) 2023/2841 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 tot vaststelling van maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de instellingen, organen en instanties van de Unie (PB L, 2023/2841 van 18.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2841/oj).

(38)  Verordening (EU) 2019/1239 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot instelling van een Europees maritiem éénloketsysteem en tot intrekking van Richtlijn 2010/65/EU (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 64, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1239/oj).

(39)   PB L 130 van 27.5.1993, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/convention/1993/329/oj.

(40)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1968/259(1)/oj).

(41)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2001/1049/oj).

(42)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/715/oj).

(43)  Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).

(44)   PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/1999/531/oj.

(45)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2185/oj).

(46)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1371/oj).

(47)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2015/443/oj).

(48)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2015/444/oj).

(49)  Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1958/1(1)/oj).


BIJLAGE

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EU) nr. 952/2013

Deze verordening

Titel I

Titel I

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 4

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 5, punt 1)

Artikel 5, punt 1)

Artikel 5, punt 2)

Artikel 5, punt 2)

Artikel 5, punt 3)

Artikel 5, punt 27)

Artikel 5, punt 4)

Artikel 5, punt 5)

Artikel 5, punt 5)

Artikel 5, punt 6)

Artikel 5, punt 6)

Artikel 5, punt 20)

Artikel 5, punt 7)

Artikel 5, punt 23)

Artikel 5, punt 8)

Artikel 5, punt 12)

Artikel 5, punt 9)

Artikel 5, punt 49)

Artikel 5, punt 10)

Artikel 5, punt 50)

Artikel 5, punt 11)

Artikel 5, punt 51)

Artikel 5, punt 12)

Artikel 5, punt 52)

Artikel 5, punt 13)

Artikel 5, punt 55)

Artikel 5, punt 14)

Artikel 5, punt 56)

Artikel 5, punt 15)

Artikel 5, punt 54)

Artikel 5, punt 16)

Artikel 5, punt 11)

Artikel 5, punt 17)

Artikel 5, punt 59)

Artikel 5, punt 18)

Artikel 5, punt 67)

Artikel 5, punt 19)

Artikel 5, punt 68)

Artikel 5, punt 20)

Artikel 5, punt 69)

Artikel 5, punt 21)

Artikel 5, punt 70)

Artikel 5, punt 22)

Artikel 5, punt 45)

Artikel 5, punt 23)

Artikel 5, punt 46)

Artikel 5, punt 24)

Artikel 5, punt 47)

Artikel 5, punt 25)

Artikel 5, punt 25)

Artikel 5, punt 26)

Artikel 5, punt 48)

Artikel 5, punt 27)

Artikel 5, punt 26)

Artikel 5, punt 28)

Artikel 5, punt 71)

Artikel 5, punt 29)

Artikel 5, punt 72)

Artikel 5, punt 30)

Artikel 5, punt 62)

Artikel 5, punt 31)

Artikel 5, punt 7)

Artikel 5, punt 32)

Artikel 5, punt 8)

Artikel 5, punt 33)

Artikel 5, punt 53)

Artikel 5, punt 34)

Artikel 5, punt 32)

Artikel 5, punt 35)

—

Artikel 5, punt 36)

Artikel 5, punt 4)

Artikel 5, punt 37)

Artikel 5, punt 63)

Artikel 5, punt 38)

Artikel 5, punt 65)

Artikel 5, punt 39)

Artikel 5, punt 10)

Artikel 5, punt 40)

Artikel 5, punt 33)

Artikel 5, punt 41)

Artikel 5, punt 73)

Artikel 6, lid 1

Artikel 9; artikel 74, lid 1; artikel 77, lid 4; artikel 81, lid 1; artikel 108, lid 4; Artikel 125, lid 8

Artikel 6, lid 2

Artikel 49

Artikel 6, lid 3

Artikel 74, lid 6; Artikel 81, leden 2 en 4

Artikel 6, lid 4

Artikel 53

Artikel 7, punt a)

Artikel 49

Artikel 7, punten b) en c)

—

Artikel 8, lid 1

—

Artikel 8, lid 2

Artikel 53

Artikel 9, lid 1

Artikel 26, lid 1

Artikel 9, lid 2

Artikel 26, lid 3

Artikel 9, lid 3

Artikel 26, lid 4

Artikel 9, lid 4

Artikel 26, lid 5

Artikel 10, punt a)

Artikel 26, lid 6, punt b)

Artikel 10, punt b)

Artikel 26, lid 6, punt c)

Artikel 10, punt c)

Artikel 26, lid 6, punt d)

Artikel 11

Artikel 26, lid 7

Artikel 12, lid 1

Artikel 23, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 272, lid 1

Artikel 12, lid 3

Artikel 23, lid 4

Artikel 13

Artikel 24

Artikel 14

Artikel 25

Artikel 15

—

Artikel 16

—

Artikel 17

—

Artikel 18, lid 1

Artikel 33, lid 1

Artikel 18, lid 2

Artikel 33, lid 4

Artikel 18, lid 3, eerste zin

—

Artikel 18, lid 3, tweede zin

Artikel 33, lid 7, punt a)

Artikel 18, lid 4

—

Artikel 19, lid 1

Artikel 34, lid 1

Artikel 19, lid 2, eerste alinea

Artikel 34, lid 2

Artikel 19, lid 2, tweede alinea

—

Artikel 19, lid 3

Artikel 34, lid 3

Artikel 20, punt a)

Artikel 33, lid 8

Artikel 20, punt b)

—

Artikel 21

—

Artikel 22, lid 1, eerste en tweede alinea

Artikel 8, lid 1

Artikel 22, lid 1, derde alinea

Artikel 6, lid 1, punt a)

Artikel 22, lid 2

Artikel 8, lid 2, eerste en tweede alinea

Artikel 22, lid 3

Artikel 8, lid 3, eerste, tweede en derde alinea

Artikel 22, lid 4

Artikel 8, lid 4

Artikel 22, lid 5

Artikel 8, lid 5

Artikel 22, lid 6

Artikel 8, lid 6

Artikel 22, lid 7

Artikel 8, lid 7

Artikel 23, lid 1

Artikel 9, lid 1

Artikel 23, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 23, lid 3

Artikel 9, lid 7, eerste zin

Artikel 23, lid 4, punt a)

Artikel 9, lid 8

Artikel 23, lid 4, punt b)

Artikel 12, lid 2

Artikel 23, lid 5

Artikel 9, lid 4

Artikel 24, punt a)

Artikel 6, lid 6

Artikel 24, punt b)

Artikel 8, lid 8, punt b)

Artikel 24, punt c)

Artikel 8, lid 8, punt c)

Artikel 24, punt d)

Artikel 8, lid 8, punt d)

Artikel 24, punt e)

Artikel 8, lid 8, punt e)

Artikel 24, punt f)

Artikel 8, lid 8, punt f)

Artikel 24, punt g)

Artikel 8, lid 8, punt g)

Artikel 24, punt h)

Artikel 9, lid 9, punt b)

Artikel 25, punt a)

Artikel 8, lid 10, punt a)

Artikel 25, punt b)

Artikel 8, lid 10, punt b)

Artikel 25, punt c)

Artikel 9, lid 9, punt a)

Artikel 26

Artikel 10

Artikel 27

Artikel 11

Artikel 28, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 28, lid 2

Artikel 12, lid 3

Artikel 28, lid 3

Artikel 12, lid 4

Artikel 28, lid 4

Artikel 12, lid 5

Artikel 29

Artikel 13

Artikel 30

Artikel 14

Artikel 31, punt a)

Artikel 12, lid 6, punt a)

Artikel 31, punt b)

Artikel 12, lid 6, punt b)

Artikel 32

Artikel 11, lid 4

Artikel 33

Artikel 15

Artikel 34, lid 1

Artikel 16, lid 1

Artikel 34, lid 2

Artikel 16, lid 2

Artikel 34, lid 3

Artikel 16, lid 4

Artikel 34, lid 4

Artikel 16, lid 5

Artikel 34, lid 5

Artikel 16, lid 6

Artikel 34, lid 6

Artikel 16, lid 7

Artikel 34, lid 7, punt a)

Artikel 16, lid 8

Artikel 34, lid 7, punt b)

—

Artikel 34, lid 8, punt a)

Artikel 16, lid 9

Artikel 34, lid 8, punt b)

—

Artikel 34, lid 9

Artikel 16, lid 10

Artikel 34, lid 10

Artikel 16, lid 11

Artikel 34, lid 11

Artikel 16, lid 12, eerste alinea

Artikel 35

—

Artikel 36

 

Artikel 37, lid 1, punt a)

Artikel 16, lid 14, punt a)

Artikel 37, lid 1, punt b)

Artikel 16, lid 14, punt b)

Artikel 37, lid 1, punten c) en d)

—

Artikel 37, lid 2, punt a)

Artikel 16, lid 12

Artikel 37, lid 2, punt b)

—

Artikel 38, lid 1, eerste alinea

Artikel 29, lid 1

Artikel 38, lid 1, tweede alinea

Artikel 29, lid 2

Artikel 38, lid 2

Artikel 29, lid 2

Artikel 38, lid 3

Artikel 29, lid 3

Artikel 38, lid 4

Artikel 29, lid 5

Artikel 38, lid 5

Artikel 29, lid 6

Artikel 38, lid 6

Artikel 29, lid 7

Artikel 38, lid 7

Artikel 29, lid 8

Artikel 39, punt a)

Artikel 30, lid 1, punt a)

Artikel 39, punt b)

Artikel 30, lid 1, punt b), i)

Artikel 39, punt c)

Artikel 30, lid 1, punt c)

Artikel 39, punt d)

Artikel 30, lid 1, punt d)

Artikel 39, punt e)

Artikel 30, lid 1, punt e)

Artikel 40, punt a)

Artikel 29, lid 10, punt a)

Artikel 40, punt b)

Artikel 29, lid 10, punt b)

Artikel 40, punt c)

Artikel 29, lid 10, punt b)

Artikel 41

Artikel 30, lid 2

Artikel 42, lid 1

Artikel 273, lid 1, tweede alinea, en artikel 273, lid 3

Artikel 42, lid 2, punt a)

Artikel 275, lid 2, punt a)

Artikel 42, lid 2, punt b)

Artikel 275, lid 2, punt b)

Artikel 42, lid 3

Artikel 273, lid 4

Artikel 43

Artikel 17

Artikel 44

Artikel 18

Artikel 45

Artikel 19

Artikel 46, lid 1, eerste alinea

Artikel 63, lid 1

Artikel 46, lid 1, tweede alinea

Artikel 63, lid 2

Artikel 46, lid 2

Artikel 55, lid 1

Artikel 46, lid 3

—

Artikel 46, lid 4, eerste alinea

Artikel 55, lid 2

Artikel 46, lid 4, tweede alinea

Artikel 55, lid 3

Artikel 46, lid 5

—

Artikel 46, lid 6

Artikel 59, lid 2

Artikel 46, lid 7

Artikel 59, lid 1

Artikel 46, lid 8

Artikel 5, punt 41)

Artikel 47, lid 1

Artikel 63, lid 3

Artikel 47, lid 2

Artikel 268, lid 2

Artikel 48, eerste alinea

Artikel 68, lid 1, punten a), b) en c)

Artikel 48, tweede alinea

Artikel 68, lid 2

Artikel 49, lid 1

Artikel 70, lid 1

Artikel 49, lid 1

Artikel 70, lid 2

Artikel 50, lid 1, eerste en tweede alinea

Artikel 62, lid 1

Artikel 50, lid 1, derde alinea

Artikel 62, lid 2

Artikel 50, lid 2

Artikel 70, lid 3

Artikel 51, lid 1

Artikel 76, lid 6

Artikel 51, lid 2, eerste alinea

Artikel 76, lid 7

Artikel 51, lid 2, tweede alinea

Artikel 76, lid 8

Artikel 52, lid 1

Artikel 20, lid 1

Artikel 52, lid 2

Artikel 20, lid 9

Artikel 53, lid 1

Artikel 21, lid 1

Artikel 53, lid 2

Artikel 21, lid 2

Artikel 54

Artikel 21, lid 3

Artikel 55

Artikel 22

Titel II

Titel IX

Artikel 56, lid 1

Artikel 166, lid 1

Artikel 56, lid 2

Artikel 166, lid 2

Artikel 56, lid 3

Artikel 166, lid 3

Artikel 56, lid 4

Artikel 166, lid 4

Artikel 56, lid 5

Artikel 166, lid 5

Artikel 57, lid 1

Artikel 167, lid 1

Artikel 57, lid 2

Artikel 167, lid 2

Artikel 57, lid 3

Artikel 167, lid 3

Artikel 57, lid 4

Artikel 167, lid 4

Artikel 58, lid 1

Artikel 166, lid 6

Artikel 58, lid 2

Artikel 167, lid 4

Artikel 59

Artikel 168

Artikel 60, lid 1

Artikel 169, lid 1

Artikel 60, lid 2

Artikel 169, lid 2

Artikel 61, lid 1

Artikel 170, lid 1

Artikel 61, lid 2

Artikel 170, lid 2

Artikel 61, lid 3

Artikel 170, lid 3

Artikel 62

Artikel 169, lid 3

Artikel 63

Artikel 170, lid 4

Artikel 64, lid 1

Artikel 171, lid 1

Artikel 64, lid 2

Artikel 171, lid 2

Artikel 64, lid 3

Artikel 171, lid 9

Artikel 64, lid 4

Artikel 171, lid 3

Artikel 64, lid 5

Artikel 171, lid 4

Artikel 64, lid 6, eerste en tweede alinea

Artikel 171, lid 5

Artikel 64, lid 6, derde alinea

Artikel 171, lid 6

Artikel 64, lid 6, vierde alinea

Artikel 171, lid 7

Artikel 64, lid 6, vijfde alinea

Artikel 171, lid 8

Artikel 65

Artikel 171, lid 9

Artikel 66

Artikel 171, lid 10

Artikel 67

Artikel 172, eerste alinea

Artikel 68

Artikel 172

Artikel 69

Artikel 173

Artikel 70

Artikel 174

Artikel 71

Artikel 176

Artikel 72

Artikel 177

Artikel 73

Artikel 178, lid 1

Artikel 74, lid 1

Artikel 179, lid 1

Artikel 74, lid 2

Artikel 179, lid 2

Artikel 74, lid 3

Artikel 179, lid 3

Artikel 75

Artikel 178, lid 2

Artikel 76

Artikel 181

Titel III

Titel X

Artikel 77, lid 1

Artikel 183, lid 1; artikel 183, lid 2, punt a)

Artikel 77, lid 2

Artikel 183, lid 2, punt b)

Artikel 77, lid 3

Artikel 183, leden 3 en 4

Artikel 78

Artikel 184

Artikel 79, lid 1

Artikel 185, lid 1

Artikel 79, lid 2

Artikel 185, lid 2

Artikel 79, lid 3

Artikel 185, lid 3

Artikel 79, lid 4, eerste alinea

Artikel 185, lid 4

Artikel 79, lid 4, tweede alinea

Artikel 185, lid 5

Artikel 80

Artikel 186

Artikel 81, lid 1

Artikel 187, lid 1; artikel 187, lid 2, punt a)

Artikel 81, lid 2

Artikel 187, lid 2, punt b)

Artikel 81, lid 3, eerste alinea

Artikel 187, lid 3

Artikel 81, lid 3, tweede alinea

Artikel 187, lid 4

Artikel 82

Artikel 188

Artikel 83, lid 1

Artikel 189, lid 1

Artikel 83, lid 2

Artikel 189, lid 2, eerste alinea

Artikel 83, lid 3

Artikel 189, lid 3

Artikel 84

Artikel 190

Artikel 85, lid 1

Artikel 191, lid 1

Artikel 85, lid 2

Artikel 191, lid 3

Artikel 86, lid 1

Artikel 192, lid 1

Artikel 86, lid 2

Artikel 192, lid 2

Artikel 86, lid 3

Artikel 192, lid 3

Artikel 86, lid 4

Artikel 192, lid 5

Artikel 86, lid 5

Artikel 192, lid 6

Artikel 86, lid 6

Artikel 192, lid 7

Artikel 87, lid 1

Artikel 193, lid 1

Artikel 87, lid 2

Artikel 193, lid 2

Artikel 87, lid 3

Artikel 193, lid 3

Artikel 87, lid 4

Artikel 193, lid 4

Artikel 88, punt a)

Artikel 191, lid 4; artikel 192, lid 8

Artikel 88, punt b)

Artikel 192, lid 8

Artikel 88, punt c)

Artikel 193, lid 5

Artikel 89, lid 1

Artikel 194, lid 1

Artikel 89, lid 2

Artikel 194, lid 2

Artikel 89, lid 3

Artikel 194, lid 3

Artikel 89, lid 4

Artikel 194, lid 4

Artikel 89, lid 5

Artikel 194, lid 5

Artikel 89, lid 6

Artikel 194, lid 6

Artikel 89, lid 7

Artikel 194, lid 7, punt a)

Artikel 89, lid 8, punt a)

Artikel 194, lid 7, punt b)

Artikel 89, lid 8, punt b)

Artikel 194, lid 7, punt c)

Artikel 89, lid 8, punt c)

Artikel 194, lid 7, punt d)

Artikel 89, lid 8, punt d)

Artikel 194, lid 7, punt e)

Artikel 89, lid 9

Artikel 194, lid 8

Artikel 90

Artikel 195

Artikel 91

Artikel 196

Artikel 92, lid 1

Artikel 197, lid 1

Artikel 92, lid 2

Artikel 197, lid 2

Artikel 93

Artikel 198

Artikel 94, lid 1

Artikel 199, lid 1

Artikel 94, lid 2

Artikel 199, lid 2

Artikel 94, lid 3

Artikel 199, lid 3

Artikel 95, lid 1

Artikel 200, lid 1

Artikel 95, lid 2

Artikel 200, lid 2

Artikel 95, lid 3

Artikel 200, lid 3

Artikel 95, lid 4

Artikel 200, lid 3

Artikel 96, lid 1

Artikel 201, lid 1

Artikel 96, lid 2

Artikel 201, lid 2

Artikel 97

Artikel 202

Artikel 98, lid 1

Artikel 203, lid 1

Artikel 98, lid 2

Artikel 203, lid 2

Artikel 99, punt a)

Artikel 194, lid 9

Artikel 99, punt b)

Artikel 197, lid 3; Artikel 199, lid 4

Artikel 99, punt c)

Artikel 200, lid 4

Artikel 99, punt d)

Artikel 203, lid 3

Artikel 100, lid 1, punt a)

Artikel 200, lid 5

Artikel 100, lid 1, punt b)

Artikel 194, lid 10; artikel 199, lid 5; artikel 203, lid 4

Artikel 100, lid 1, punt c)

Artikel 201, lid 3

Artikel 100, lid 2

Artikel 201, lid 3

Artikel 101

Artikel 204

Artikel 102, lid 1, eerste alinea

Artikel 205, lid 1

Artikel 102, lid 1, tweede alinea

Artikel 205, lid 3

Artikel 102, lid 2

Artikel 205, lid 2

Artikel 102, lid 3

Artikel 205, lid 4

Artikel 102, lid 4

Artikel 205, lid 7

Artikel 103

Artikel 206

Artikel 104

Artikel 207

Artikel 105, lid 1, eerste alinea

Artikel 208, lid 1

Artikel 105, lid 1, tweede alinea

—

Artikel 105, lid 2

Artikel 208, lid 4

Artikel 105, lid 3

Artikel 208, lid 5

Artikel 105, lid 4

Artikel 208, lid 6

Artikel 105, lid 5

Artikel 208, lid 7

Artikel 105, lid 6

Artikel 208, lid 8, eerste alinea

Artikel 106

Artikel 205, lid 8, punt a)

Artikelen 107

Artikel 209

Artikel 108, lid 1

Artikel 210, lid 1

Artikel 108, lid 2

Artikel 210, lid 2

Artikel 108, lid 3

Artikel 210, lid 3

Artikel 109

Artikel 211

Artikel 110

Artikel 212, lid 1

Artikel 111

Artikel 213

Artikel 112, lid 1

Artikel 214, lid 1

Artikel 112, lid 2

Artikel 214, lid 2

Artikel 112, lid 3

Artikel 214, lid 3

Artikel 112, lid 4

Artikel 214, lid 4

Artikel 113

Artikel 215

Artikel 114, lid 1

Artikel 216, lid 1

Artikel 114, lid 2

Artikel 216, lid 2

Artikel 114, lid 3

Artikel 216, lid 3

Artikel 114, lid 4

Artikel 216, lid 4

Artikel 115

Artikel 210, lid 4

Artikel 116, lid 1, eerste alinea, punt a)

Artikel 217, lid 1, punt a)

Artikel 116, lid 1, eerste alinea, punt b)

Artikel 217, lid 1, punt b)

Artikel 116, lid 1, eerste alinea, punt c)

Artikel 217, lid 1, punt c)

Artikel 116, lid 1, eerste alinea, punt d)

Artikel 217, lid 1, punt d)

Artikel 116, lid 1, tweede alinea

Artikel 217, lid 1, punt e)

Artikel 116, lid 2

Artikel 217, lid 2

Artikel 116, lid 3, eerste alinea

Artikel 217, lid 3

Artikel 116, lid 3, tweede alinea

Artikel 217, lid 4

Artikel 116, lid 4

Artikel 217, lid 5

Artikel 116, lid 5

Artikel 217, lid 6

Artikel 116, lid 6

Artikel 217, lid 7

Artikel 116, lid 7

Artikel 217, lid 8

Artikel 117

Artikel 218

Artikel 118, lid 1, eerste alinea

Artikel 219, lid 1, punt a)

Artikel 118, lid 1, tweede alinea

Artikel 219, lid 3

Artikel 118, lid 2

Artikel 219, lid 1, punten b) en c)

Artikel 118, lid 3

Artikel 219, lid 2

Artikel 118, lid 4

Artikel 219, lid 1, punt c)

Artikel 119

Artikel 220

Artikel 120

Artikel 221

Artikel 121, lid 1

Artikel 222, lid 1

Artikel 121, lid 2

Artikel 222, lid 2

Artikel 121, lid 3

Artikel 222, lid 3

Artikel 121, lid 4

Artikel 222, lid 4

Artikel 122

Artikel 217, lid 10

Artikel 123, lid 1, punt a)

Artikel 217, lid 11

Artikel 123, lid 1, punt b)

Artikel 222, lid 5

Artikel 123, lid 2

Artikel 217, lid 12

Artikel 124, lid 1, punt a)

Artikel 223, lid 1, punt a)

Artikel 124, lid 1, punt b)

Artikel 223, lid 1, punt b)

Artikel 124, lid 1, punt c)

Artikel 223, lid 1, punt c)

Artikel 124, lid 1, punt d)

Artikel 223, lid 1, punt d)

Artikel 124, lid 1, punt e)

Artikel 223, lid 1, punt e)

Artikel 124, lid 1, punt f)

Artikel 223, lid 1, punt f)

Artikel 124, lid 1, punt g)

Artikel 223, lid 1, punt g)

Artikel 124, lid 1, punt h)

Artikel 223, lid 1, punt h)

Artikel 124, lid 1, punt i)

Artikel 223, lid 1, punt i)

Artikel 124, lid 1, punt j)

Artikel 223, lid 1, punt j)

Artikel 124, lid 1, punt k)

Artikel 223, lid 1, punt k)

Artikel 124, lid 2

Artikel 223, lid 2

Artikel 124, lid 3

Artikel 223, lid 3

Artikel 124, lid 4

Artikel 223, lid 4

Artikel 124, lid 5

Artikel 223, lid 5

Artikel 124, lid 6

Artikel 223, lid 6

Artikel 124, lid 7

Artikel 223, lid 7

Artikel 125

Artikel 224

Artikel 126

Artikel 223, lid 8

Titel IV

Titel VI

Artikel 127, lid 1

Artikel 97, lid 1

Artikel 127, lid 2, punt a)

Artikel 97, lid 10, punt a)

Artikel 127, lid 2, punt b)

Artikel 97, lid 10, punt e)

Artikel 127, lid 3, eerste alinea

Artikel 97, lid 1

Artikel 127, lid 3, tweede alinea

Artikel 97, lid 13

Artikel 127, lid 4, eerste alinea

Artikel 97, lid 1

Artikel 127, lid 4, tweede alinea, punt a)

Artikel 97, lid 4

Artikel 127, lid 4, tweede alinea, punt b)

Artikel 97, lid 13

Artikel 127, lid 5

Artikel 97, leden 3 en 8

Artikel 127, lid 6

Artikel 97, lid 7

Artikel 127, lid 7

Artikel 97, lid 13

Artikel 127, lid 8

Artikel 97, lid 13

Artikel 128

Artikel 98, leden 1 en 5

Artikel 129, lid 1, eerste alinea

Artikel 99, lid 1

Artikel 129, lid 1, tweede alinea, punt a)

Artikel 99, lid 2, punt b)

Artikel 129, lid 1, tweede alinea, punt b)

Artikel 99, lid 2, punt c)

Artikel 129, lid 1, tweede alinea, punt c)

Artikel 97, lid 13

Artikel 129, lid 2

Artikel 100, lid 1

Artikel 130

Artikel 97, lid 13

Artikel 131, punt a)

—

Artikel 131, punt b)

Artikel 97, lid 11, punt c)

Artikel 131, punt c)

Artikel 97, lid 11, punt d)

Artikel 132, punt a)

Artikel 97, lid 12

Artikel 132, punt b)

Artikel 97, lid 12

Artikel 132, punt c)

Artikel 98, lid 3

Artikel 132, punt d)

Artikel 99, lid 4

Artikel 132, punt e)

Artikel 100, lid 3

Artikel 133, lid 1, eerste alinea

Artikel 101, lid 1

Artikel 133, lid 1, tweede alinea

Artikel 101, lid 13

Artikel 133, lid 2

Artikel 101, lid 7

Artikel 134, lid 1, eerste alinea

Artikel 54, leden 1 en 2

Artikel 134, lid 1, tweede alinea

Artikel 54, leden 3 tot en met 7

Artikel 134, lid 1, derde alinea

Artikel 54, lid 3, punt b)

Artikel 134, lid 1, vierde alinea

Artikel 54, lid 3, punt a)

Artikel 134, lid 2

Artikel 54, lid 8

Artikel 135, lid 1

Artikel 102, lid 1

Artikel 135, lid 2

Artikel 102, lid 2

Artikel 135, lid 3

Artikel 97, lid 13

Artikel 135, lid 4

Artikel 102, lid 5

Artikel 135, lid 5

Artikel 102, lid 6

Artikel 135, lid 6

Artikel 102, lid 7

Artikel 136, lid 1

Artikel 97, lid 10, punt b)

Artikel 136, lid 2

Artikel 97, lid 10, punt c)

Artikel 136, lid 3

Artikel 97, lid 10, punt d); artikel 101, lid 8, punt b); artikel 103, lid 4

Artikel 137, lid 1

Artikel 102, lid 3

Artikel 137, lid 2

Artikel 102, lid 3

Artikel 137, lid 3

Artikel 102, lid 4

Artikel 138, punt a)

Artikel 101, lid 12

Artikel 138, punt b)

—

Artikel 139, leden 1 tot en met 6

Artikel 103, lid 1

Artikel 139, lid 7

Artikel 103, lid 3

Artikel 140, lid 1

Artikel 101, leden 9 en 10; artikel 101, lid 13

Artikel 140, lid 2

Artikel 65, lid 1

Artikel 141

—

Artikel 142

Artikel 103, lid 5

Artikel 143

Artikel 103, lid 6

Artikel 144

Artikel 104, lid 1

Artikel 145, lid 1

Artikel 105, lid 1

Artikel 145, lid 2

Artikel 105, lid 1

Artikel 145, lid 3

Artikel 105, lid 2

Artikel 145, lid 4

—

Artikel 145, lid 5

—

Artikel 145, lid 6

—

Artikel 145, lid 7

Artikel 64

Artikel 145, lid 8

—

Artikel 145, lid 9

Artikel 105, lid 3, punt a)

Artikel 145, lid 10

—

Artikel 145, lid 11

—

Artikel 146, lid 1, eerste alinea

Artikel 106, lid 1

Artikel 146, lid 1, tweede alinea, punt a)

Artikel 106, lid 2, punt a)

Artikel 146, lid 1, tweede alinea, punt b)

Artikel 106, lid 2, punt b)

Artikel 146, lid 2

Artikel 107, lid 1

Artikel 147, lid 1

Artikel 104, lid 3

Artikel 147, lid 2

Artikel 104, lid 4, punt b)

Artikel 147, lid 3

Artikel 104, lid 4, punt a)

Artikel 147, lid 4

Artikel 104, lid 7

Artikel 148, lid 1

Artikel 108, lid 1

Artikel 148, lid 2

Artikel 108, lid 2

Artikel 148, lid 3

Artikel 108, lid 3

Artikel 148, lid 4, eerste en tweede alinea

Artikel 108, lid 4

Artikel 148, lid 4, derde alinea

Artikel 108, lid 5

Artikel 148, lid 5

Artikel 108, lid 6

Artikel 148, lid 6

Artikel 108, lid 7

Artikel 149

Artikel 104, lid 5

Artikel 150

—

Artikel 151, punt a)

Artikel 104, lid 8

Artikel 151, punt b)

Artikel 108, lid 8, punt a)

Artikel 151, punt c)

Artikel 108, lid 8, punt c)

Artikel 152, punt a)

Artikel 105, lid 5

Artikel 152, punt b)

Artikel 106, lid 4

Artikel 152, punt c)

Artikel 107, lid 3

Artikel 152, punt d)

Artikel 108, lid 9

Titel V

Titel V

Artikel 153, lid 1

Artikel 71, lid 1

Artikel 153, lid 2

Artikel 71, lid 2

Artikel 153, lid 3

Artikel 71, lid 3

Artikel 154

Artikel 72

Artikel 155, lid 1

Artikel 73, lid 1

Artikel 155, lid 2

Artikel 73, lid 2

Artikel 156, punt a)

Artikel 71, lid 4, punt a)

Artikel 156, punt b)

Artikel 71, lid 4, punt b)

Artikel 156, punt c)

Artikel 71, lid 4, punt c)

Artikel 156, punt d)

Artikel 73, lid 3

Artikel 157

Artikel 71, lid 5

Artikel 158, lid 1

—

Artikel 158, lid 2

Artikel 81, lid 2

Artikel 158, lid 3

Artikel 54, leden 5 en 6

Artikel 159, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 159, lid 2

Artikel 7, lid 2

Artikel 159, lid 3

Artikel 81, lid 3

Artikel 160

Artikel 81, lid 4

Artikel 161, punt a)

Artikel 81, lid 5, punt b)

Artikel 161, punt b)

Artikel 81, lid 5, punt a)

Artikel 162

Artikel 82, lid 1

Artikel 163, lid 1, eerste alinea

Artikel 76, lid 2

Artikel 163, lid 1, tweede alinea

Artikel 76, lid 3

Artikel 163, lid 2

Artikel 76, lid 4

Artikel 163, lid 3

Artikel 76, lid 5

Artikel 164

—

Artikel 165, punt a)

Artikel 82, lid 2

Artikel 165, punt b)

—

Artikel 166, lid 1

Artikel 83, lid 1

Artikel 166, lid 1

Artikel 83, lid 2

Artikel 167, lid 1

Artikel 84, lid 1

Artikel 167, lid 2

Artikel 84, lid 2

Artikel 167, lid 3

Artikel 84, lid 3

Artikel 167, lid 4

Artikel 84, lid 4

Artikel 167, lid 5

Artikel 84, lid 5

Artikel 168, punt a)

Artikel 83, lid 3

Artikel 168, punt b)

Artikel 84, lid 6, punt a)

Artikel 168, punt c)

Artikel 84, lid 6, punt b)

Artikel 168, punt d)

Artikel 84, lid 6, punt c)

Artikel 169, punt a)

Artikel 83, lid 4

Artikel 169, punt b)

Artikel 84, lid 7

Artikel 170, lid 1

Artikel 85, lid 1

Artikel 170, lid 2

Artikel 85, lid 3

Artikel 170, lid 3

Artikel 85, lid 4

Artikel 170, lid 4

—

Artikel 171

Artikel 86, lid 1

Artikel 172, lid 1

Artikel 87, lid 1

Artikel 172, lid 2

Artikel 87, lid 2

Artikel 173, lid 1

Artikel 88, lid 1

Artikel 173, lid 2

Artikel 88, lid 2

Artikel 173, lid 3

Artikel 88, lid 3

Artikel 174, lid 1

Artikel 89, lid 1

Artikel 174, lid 2

Artikel 89, lid 3

Artikel 175

Artikel 89, lid 4

Artikel 176, punt a)

Artikel 86, lid 2

Artikel 176, punt b)

Artikel 87, lid 3

Artikel 176, punt c)

Artikel 88, lid 4

Artikel 177, lid 1

Artikel 90, lid 1

Artikel 177, lid 2

Artikel 90, lid 2, punt b)

Artikel 178

—

Artikel 179, lid 1

Artikel 91, lid 1

Artikel 179, lid 2

Artikel 91, lid 2

Artikel 179, lid 3

Artikel 91, lid 3

Artikel 179, lid 4

Artikel 91, lid 4

Artikel 179, lid 5

Artikel 91, lid 5

Artikel 179, lid 6

Artikel 91, lid 6

Artikel 180

Artikel 91, lid 7

Artikel 181, punt a)

Artikel 91, lid 8

Artikel 181, punt b)

Artikel 92, lid 6

Artikel 182, lid 1

Artikel 92, lid 1

Artikel 182, lid 2

Artikel 92, lid 2

Artikel 182, lid 3

Artikel 92, lid 3

Artikel 182, lid 4

Artikel 92, lid 4

Artikel 183

Artikel 92, lid 5

Artikel 184

Artikel 92, lid 6

Artikel 185

—

Artikel 186

—

Artikel 187

—

Artikel 188, punt a)

Artikel 64, lid 1, punt a)

Artikel 188, punt b)

Artikel 64, lid 1, punten b) en c)

Artikel 188, punt c)

Artikel 64, lid 1, punt d)

Artikel 188, punt d)

Artikel 64, lid 1, punt e)

Artikel 189, lid 1

Artikel 65, lid 2

Artikel 189, lid 2

Artikel 65, lid 3

Artikel 189, lid 3

Artikel 65, lid 4

Artikel 190, lid 1

Artikel 65, lid 5, eerste en tweede alinea

Artikel 190, lid 2

—

Artikel 191, lid 1

Artikel 66, lid 1

Artikel 191, lid 2

Artikel 66, lid 3

Artikel 191, lid 3

Artikel 66, lid 2

Artikel 192, lid 1

Artikel 67, lid 1

Artikel 192, lid 1

Artikel 67, lid 2

Artikel 193

Artikel 64, lid 2; artikel 65, lid 6; artikel 66, lid 5

Artikel 194, lid 1

Artikel 77, leden 1 en 3

Artikel 194, lid 2

—

Artikel 195

—

Artikel 196

—

Artikel 197

Artikel 95, lid 1

Artikel 198, lid 1

Artikel 94, lid 1

Artikel 198, lid 2

Artikel 94, lid 2

Artikel 198, lid 3

Artikel 94, lid 3

Artikel 199

Artikel 96, lid 1

Artikel 200, punt a)

Artikel 95, lid 3

Artikel 200, punt b)

Artikel 94, lid 5

Artikel 200, punt c)

Artikel 96, lid 2

Titel VI

Titel VI (deel)

Artikel 201, lid 1

Artikel 109, lid 1

Artikel 201, lid 2

Artikel 109, lid 3, punten c) en e)

Artikel 201, lid 3

Artikel 109, lid 2

Artikel 202

Artikel 110

Artikel 203, lid 1

Artikel 111, lid 1

Artikel 203, lid 2

Artikel 111, lid 2

Artikel 203, lid 3

Artikel 111, lid 3

Artikel 203, lid 4

Artikel 111, lid 4

Artikel 203, lid 5

Artikel 111, lid 5

Artikel 203, lid 6

Artikel 111, lid 6

Artikel 204

—

Artikel 205, lid 1

Artikel 112, lid 1

Artikel 205, lid 2

Artikel 112, lid 3

Artikel 205, lid 3

Artikel 112, lid 4

Artikel 206, punt a)

Artikel 111, lid 7

Artikel 206, punt b)

—

Artikel 207

Artikel 111, lid 8

Artikel 208, lid 1

Artikel 113, lid 1

Artikel 208, lid 2

Artikel 113, lid 2

Artikel 209

Artikel 113, lid 3

Titel VII

Titel VIII

Artikel 210

Artikel 124

Artikel 211, lid 1

Artikel 125, leden 1 en 3

Artikel 211, lid 2

Artikel 126

Artikel 211, lid 3

Artikel 125, lid 4, eerste alinea, punten a), b), c), e) en f)

Artikel 211, lid 4

Artikel 125, lid 4, eerste alinea, punten d) en g); artikel 125, lid 12

Artikel 211, leden 5 en 6

Artikel 125, leden 5 tot en met 9

Artikel 212, punt a)

Artikel 125, lid 10, punt a)

Artikel 212, punt b)

Artikel 125, lid 10, punt b)

Artikel 212, punt c)

Artikel 125, lid 10, punten c), d) en e)

Artikel 213

Artikel 125, lid 11, punt b)

Artikel 214, lid 1

Artikel 128, lid 1

Artikel 214, lid 2

Artikel 128, lid 2

Artikel 215, lid 1

Artikel 129, lid 1

Artikel 215, lid 2

Artikel 129, lid 2

Artikel 215, lid 3

Artikel 129, lid 3

Artikel 215, lid 4

Artikel 129, lid 4

Artikel 216

Artikel 129, lid 5

Artikel 217

Artikel 129, lid 6

Artikel 218

Artikel 130, lid 1

Artikel 219

Artikel 131, lid 1

Artikel 220

Artikel 132, lid 1

Artikel 221, punt a)

Artikel 131, lid 2

Artikel 221, punt b)

Artikel 132(3)

Artikel 222, punt a)

Artikel 130, lid 3

Artikel 222, punt b)

Artikel 131, lid 3

Artikel 223, lid 1

Artikel 133, lid 1

Artikel 223, lid 2

Artikel 133, lid 2

Artikel 223, lid 3

Artikel 133, lid 3

Artikel 223, lid 4

Artikel 133, lid 4

Artikel 224

Artikel 133, lid 5

Artikel 225

Artikel 133, lid 6

Artikel 226, lid 1

Artikel 135, lid 1

Artikel 226, lid 2

Artikel 135, lid 2

Artikel 226, lid 3

Artikel 135, lid 3

Artikel 227, lid 1

Artikel 136, lid 1

Artikel 227, lid 2

Artikel 136, lid 2

Artikel 228

Artikel 137

Artikel 229

Artikel 138

Artikel 230

Artikel 139, lid 1

Artikel 231

Artikel 135, lid 4; artikel 139, lid 3

Artikel 232

Artikel 135, lid 5; artikel 136, lid 3

Artikel 233, lid 1

Artikel 140, lid 1

Artikel 233, lid 2

Artikel 140, lid 2

Artikel 233, lid 3

Artikel 140, lid 3

Artikel 233, lid 4

Artikel 140, lid 4

Artikel 234, lid 1

Artikel 141, lid 1

Artikel 234, lid 2

Artikel 141, lid 2

Artikel 235

Artikel 140, lid 6, punt a)

Artikel 236

Artikel 140, lid 7; artikel 141, lid 3

Artikel 237, lid 1

Artikel 142, lid 1

Artikel 237, lid 2

Artikel 142, lid 3

Artikel 237, lid 3

Artikel 142, lid 4

Artikel 238

Artikel 238, lid 1; artikel 238, lid 2, punt a)

Artikel 239

Artikel 142, lid 6

Artikel 240

Artikel 144

Artikel 241

Artikel 146

Artikel 242

Artikel 147

Artikel 243

Artikel 148

Artikel 244

Artikel 149

Artikel 245

Artikel 102, leden 1, 2 en 4; artikel 103

Artikel 246, lid 1

Artikel 142, lid 4

Artikel 246, lid 2

Artikel 152, lid 1

Artikel 247

Artikel 150

Artikel 248

Artikel 151

Artikel 249

Artikel 152, lid 2

Artikel 250, lid 1

Artikel 153, lid 1

Artikel 250, lid 2

Artikel 153, lid 2

Artikel 251

Artikel 154

Artikel 252

Artikel 155

Artikel 253, punten a) en b)

Artikel 153, lid 3, punten a) en c)

Artikel 254

Artikel 156

Artikel 255

Artikel 157

Artikel 256

Artikel 158

Artikel 257

Artikel 159

Artikel 258

Artikel 160

Artikel 259

Artikel 161

Artikel 260

Artikel 162

Artikel 260 bis

Artikel 163

Artikel 261

Artikel 164

Artikel 262

Artikel 165

Titel VIII

Titel VII

Artikel 263, lid 1

Artikel 117, lid 1

Artikel 263, lid 2

Artikel 117, lid 9

Artikel 263, lid 3

Artikel 117, lid 14

Artikel 263, lid 4

Artikel 117, lid 2

Artikel 264

Artikel 118, lid 1

Artikel 265, punten a) en b)

Artikel 117, lid 12, punten b) en c)

Artikel 266

Artikel 118, lid 3

Artikel 267, lid 1

Artikel 54, lid 5; artikel 118, lid 2, punt d)

Artikel 267, lid 2

Artikel 122

Artikel 267, lid 3

Artikel 114, leden 2 en 3

Artikel 267, lid 4

Artikel 117, leden 11 en 14

Artikel 268

Artikel 114, lid 8

Artikel 269, lid 1

Artikel 114, lid 1

Artikel 269, lid 2

Artikel 114, lid 4

Artikel 269, lid 3

Artikel 114, lid 5

Artikel 270, lid 1

Artikel 116, lid 1

Artikel 270, lid 2

Artikel 116, lid 3

Artikel 270, lid 3

Artikel 116, lid 4

Artikel 271

Artikel 117, lid 14

Artikel 272, lid 1

Artikel 119; artikel 117, lid 14

Artikel 272, lid 2

Artikel 120; artikel 117, lid 14

Artikel 273, punt a)

Artikel 117, leden 13 en 14

Artikel 273, punt b)

Artikel 119, lid 4; artikel 117, lid 14

Artikel 273, punt c)

Artikel 120, lid 3; artikel 117, lid 14

Artikel 274

Artikel 116, leden 5 en 6; artikel 117, lid 14

Artikel 275

Artikel 116, lid 6; artikel 117, lid 14

Artikel 276

Artikel 116, lid 8

Artikel 277

Artikel 115

Titel IX

Titel XV (deel)

Artikel 278

—

Artikel 278 bis

—

Artikel 279

—

Artikel 280

—

Artikel 281

—

Artikel 282

—

Artikel 283

—

Artikel 284

Artikel 282

Artikel 285

Artikel 283

Artikel 286

Artikel 284

Artikel 287

Artikel 287, lid 1

Artikel 288

Artikel 287, leden 2 tot en met 5


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/2108/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)