02009R0767 — NL — 26.12.2018 — 002.007
Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document
|
VERORDENING (EG) Nr. 767/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1) |
Gewijzigd bij:
|
|
|
Publicatieblad |
||
|
nr. |
blz. |
datum |
||
|
VERORDENING (EU) Nr. 568/2010 VAN DE COMMISSIE van 29 juni 2010 |
L 163 |
30 |
30.6.2010 |
|
|
VERORDENING (EU) Nr. 939/2010 VAN DE COMMISSIE van 20 oktober 2010 |
L 277 |
4 |
21.10.2010 |
|
|
VERORDENING (EU) 2017/2279 VAN DE COMMISSIE van 11 december 2017 |
L 328 |
3 |
12.12.2017 |
|
|
VERORDENING (EU) 2018/1903 VAN DE COMMISSIE van 5 december 2018 |
L 310 |
22 |
6.12.2018 |
|
Gerectificeerd bij:
VERORDENING (EG) Nr. 767/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 13 juli 2009
betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie
(Voor de EER relevante tekst)
HOOFDSTUK 1
INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1
Doel
Deze verordening heeft overeenkomstig de algemene beginselen van Verordening (EG) nr. 178/2002 tot doel de voorwaarden voor het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders te harmoniseren, zodat een hoog niveau van voederveiligheid en aldus van bescherming van de volksgezondheid wordt gewaarborgd, en er tevens adequate informatie voor de gebruikers en consumenten wordt gegarandeerd en de goede werking van de interne markt wordt versterkt.
Artikel 2
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing onverminderd andere communautaire bepalingen die op het gebied van de diervoeding gelden, in het bijzonder:
Richtlijn 90/167/EEG;
Richtlijn 2002/32/EG;
Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën ( 1 );
Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten ( 2 );
Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders ( 3 );
Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders ( 4 );
Verordening (EG) nr. 1831/2003; en
Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten ( 5 ).
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:
de definities van „diervoeders”, „diervoederbedrijf”, en „in de handel brengen” van Verordening (EG) nr. 178/2002;
de definities van „toevoegingsmiddel”, „voormengsel”, „technische hulpstof” en „dagrantsoen” van Verordening (EG) nr. 1831/2003; en
de definities van „inrichting” en „bevoegde autoriteit” van Verordening (EG) nr. 183/2005.
De volgende definities zijn eveneens van toepassing:
„exploitant van een diervoederbedrijf”: natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de bij deze verordening vastgestelde voorschriften in het diervoederbedrijf waarover hij de leiding heeft;
„orale vervoedering”: het langs orale weg inbrengen van diervoeders in het spijsverteringsstelsel van een dier, met als doel in de voedselbehoefte van het dier te voorzien en/of de productiviteit van gezonde dieren in stand te houden;
„voedselproducerende dieren”: alle dieren die worden gevoederd, gefokt of gehouden voor de productie van levensmiddelen voor menselijke consumptie, met inbegrip van dieren die niet geconsumeerd worden, maar die behoren tot soorten die in de regel voor menselijke consumptie worden gebruikt in de Gemeenschap;
„niet-voedselproducerende dieren”: alle dieren die worden gevoederd, gefokt of gehouden, maar niet voor menselijke consumptie worden gebruikt, zoals pelsdieren, gezelschapsdieren en dieren die in laboratoria, dierentuinen of circussen worden gehouden;
„pelsdieren”: niet-voedselproducerende dieren die worden gevoederd, gefokt of gehouden voor de productie van bont en die niet worden gebruikt voor menselijke consumptie;
„gezelschapsdieren”: niet-voedselproducerende dieren die behoren tot soorten die worden gevoederd, gefokt of gehouden, maar in de regel niet voor menselijke consumptie in de Gemeenschap worden gebruikt;
„voedermiddelen”: producten van plantaardige of dierlijke oorsprong, waarvan het hoofddoel is te voldoen aan de voedingsbehoeften van dieren, in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd, en de afgeleide producten van de industriële verwerking ervan, alsmede organische of anorganische stoffen, met of zonder toevoegingsmiddelen, bestemd om te worden gebruikt voor orale vervoedering, hetzij als zodanig rechtstreeks, hetzij na bewerking, hetzij bij de bereiding van mengvoeders of als draagstoffen in voormengsels;
„mengvoeders”: mengsels van ten minste twee voedermiddelen, met of zonder toevoegingsmiddelen, bestemd voor orale vervoedering in de vorm van volledige diervoeders of aanvullende diervoeders;
„volledige diervoeders”: mengvoeders die door hun samenstelling toereikend zijn als dagrantsoen;
„aanvullende diervoeders”: mengvoeders met een hoog gehalte aan bepaalde stoffen, die echter, wegens hun samenstelling, slechts toereikend zijn als dagrantsoen indien zij samen met andere diervoeders worden gebruikt;
„mineraalvoeders”: aanvullende diervoeders die ten minste 40 % ruwe as bevatten;
„melkvervangers”: mengvoeders die in droge staat of na oplossing in een bepaalde hoeveelheid vloeistof worden toegediend en bestemd zijn voor het voederen van jonge dieren, zulks als aanvulling of ter vervanging van de moedermelk na de biestperiode dan wel voor het voederen van jonge dieren zoals slachtkalveren, -lammeren of -geitenlammeren;
„draagstof”: stof die gebruikt wordt om een toevoegingsmiddel op te lossen, te verdunnen, te dispergeren of op een andere wijze fysisch te wijzigen om de verwerking, de toepassing of het gebruik van het toevoegingsmiddel te vergemakkelijken, zonder de technologische functie ervan te veranderen en zonder zelf enig technologisch effect uit te oefenen;
„bijzonder voedingsdoel”: het doel te voldoen aan de specifieke voedingsbehoeften van bepaalde categorieën dieren waarvan het spijsverterings- of het absorptiemechanisme, dan wel het metabolisme, tijdelijk of onherstelbaar verstoord is of tijdelijk of onherstelbaar verstoord kan zijn, en die daarom baat kunnen hebben bij de inname van een aan hun toestand aangepast diervoeder;
„diervoeders met bijzonder voedingsdoel”: diervoeders die aan een bijzonder voedingsdoel kunnen voldoen op grond van hun bijzondere samenstelling of het bijzondere, bij hun vervaardiging toegepaste procedé, en die zich hierdoor duidelijk onderscheiden van gewone diervoeders. Tot de diervoeders met een bijzonder voedingsdoel behoren niet de diervoeders met een medicinale werking in de zin van Richtlijn 90/167/EEG;
„verontreinigde materialen”: diervoeder dat ongewenste stoffen bevat in een gehalte dat de krachtens Richtlijn 2002/32/EG aanvaardbare gehalten overschrijdt;
„minimumhoudbaarheid”: de periode waarvoor de voor de etikettering verantwoordelijke persoon garandeert dat de diervoeders hun opgegeven eigenschappen behouden indien zij in passende omstandigheden worden bewaard; slechts één minimumhoudbaarheid mag voor het diervoeder als geheel worden opgegeven; deze minimumhoudbaarheid wordt berekend op basis van de minimumhoudbaarheid van elk van de bestanddelen ervan;
„partij” of „lot”: een identificeerbare hoeveelheid diervoeder waarbij gemeenschappelijke kenmerken zijn vastgesteld, zoals herkomst, soort, type verpakking, verpakker, verzender of etikettering; en in het geval van een productieproces, een eenheid productie van een bedrijf dat bij de productie gebruikmaakt van uniforme parameters of een aantal van dergelijke eenheden, die direct na elkaar worden geproduceerd en samen worden opgeslagen;
„etikettering”: alle woorden, gegevens, merk- of handelsnamen, afbeeldingen of tekens die op een diervoeder betrekking hebben en die op informatiedragers, zoals verpakking, recipiënt, bijsluiter, etiket, document, band, kraag of het internet zijn aangebracht of vermeld, en die betrekking hebben op dit diervoeder of dit vergezellen, inclusief voor reclamedoeleinden;
„etiket”: elk(e) label, merknaam, merkteken of afbeelding of ander beschrijvend materiaal, geschreven, gedrukt, gestencild, als merkteken aangebracht, in reliëf uitgevoerd of ingeperst op of bevestigd aan een verpakking of recipiënt van diervoeder; en
„aanbiedingsvorm”: de vorm, het uiterlijk of de verpakking en het voor het diervoeder gebruikte verpakkingsmateriaal, de wijze waarop zij worden gepresenteerd, alsmede de omgeving waarin zij worden uitgestald.
HOOFDSTUK 2
ALGEMENE EISEN
Artikel 4
Veiligheids- en handelsvoorschriften
Diervoeders mogen alleen in de handel worden gebracht en gebruikt indien:
zij veilig zijn; en
zij niet rechtstreeks een nadelig effect op het milieu of het dierenwelzijn hebben.
De voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn van overeenkomstige toepassing op diervoeders voor niet-voedselproducerende dieren.
In aanvulling op de in lid 1 van dit artikel vermelde voorschriften zorgen exploitanten van een diervoederbedrijf die diervoeders in de handel brengen ervoor dat het diervoeder:
gezond, deugdelijk, zuiver, geschikt voor het beoogde doel en van goede handelskwaliteit is; en
geëtiketteerd, verpakt en aangeboden wordt overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en andere toepasselijke Gemeenschapswetgeving.
De voorschriften van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn van overeenkomstige toepassing op diervoeders voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 5
Verantwoordelijkheid en verplichtingen van diervoederbedrijven
Artikel 6
Beperking en verbod
Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Voor de vaststelling van die maatregelen kan de Commissie om dwingende urgente redenen gebruikmaken van de in artikel 28, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.
HOOFDSTUK 3
IN DE HANDEL BRENGEN VAN SPECIFIEKE SOORTEN DIERVOEDERS
Artikel 7
Kenmerken van soorten diervoeders
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële elementen van deze verordening te wijzigen, door haar aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 28, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 8
Gehalte aan toevoegingsmiddelen
Artikel 9
Verhandelen van diervoeders met een bijzonder voedingsdoel
Diervoeders met een bijzonder voedingsdoel mogen slechts als zodanig verhandeld worden indien de bestemming ervan voorkomt in de overeenkomstig artikel 10 opgestelde lijst van bestemmingen, en indien zij voldoen aan de essentiële voedingskenmerken voor het desbetreffende, in die lijst vermelde bijzondere voedingsdoel.
Artikel 10
Lijst van bestemmingen van diervoeders met een bijzonder voedingsdoel
Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 6, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
In dergelijke gevallen stelt de Commissie, zo nodig, de verzoeker en de lidstaten hiervan direct in kennis en geeft zij in haar brief de redenen aan waarom zij van oordeel is dat bijwerking niet gerechtvaardigd is.
HOOFDSTUK 4
ETIKETTERING, AANBIEDINGSVORM EN VERPAKKING
Artikel 11
Beginselen van de etikettering en de aanbiedingsvorm
De etikettering en de aanbiedingsvorm van het diervoeder zijn niet misleidend voor de gebruiker, met name:
wat betreft de bestemming of de kenmerken van het diervoeder, met name de aard, het bij de vervaardiging of productie toegepaste procedé, eigenschappen, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid en het soort of de categorie dieren waarvoor het is bedoeld;
door aan het diervoeder effecten of kenmerken toe te schrijven die het niet bezit, of door te suggereren dat het bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke diervoeders dezelfde kenmerken bezitten; of
wat betreft de conformiteit van de etikettering met de communautaire catalogus en de communautaire gedragscodes als bedoeld in de artikelen 24 en 25.
Artikel 12
Verantwoordelijkheid
Artikel 13
Claims
De etikettering en de aanbiedingsvorm van voedermiddelen en mengvoeders kunnen de aandacht vestigen op de aanwezigheid of het ontbreken van een stof in het diervoeder, op een specifiek voedingskenmerk of -procedé of op een specifieke daarmee samenhangende functie, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
de claim is objectief, verifieerbaar door de bevoegde autoriteiten en begrijpelijk voor de gebruiker van het diervoeder; en
de voor de etikettering verantwoordelijke persoon stelt op verzoek van de bevoegde autoriteit een wetenschappelijke onderbouwing van de claim ter beschikking, hetzij door middel van algemeen beschikbare wetenschappelijke gegevens, hetzij op basis van met bewijsstukken gestaafd onderzoek van het bedrijf. De wetenschappelijke onderbouwing is beschikbaar op het tijdstip dat het diervoeder in de handel wordt gebracht. De afnemers hebben het recht om hun twijfels over de betrouwbaarheid van de claim onder de aandacht van de bevoegde autoriteit te brengen. Indien de conclusie luidt dat de claim niet voldoende onderbouwd is, wordt de etikettering met betrekking tot die claim beschouwd als misleidend in de zin van artikel 11. Indien de bevoegde autoriteit twijfels heeft over de wetenschappelijke onderbouwing van de claim, kan zij de kwestie aan de Commissie voorleggen. De Commissie kan overeenkomstig de raadplegingsprocedure van artikel 28, lid 2, een besluit nemen, zo nodig na het advies van de Autoriteit te hebben ingewonnen.
De etikettering en de aanbiedingsvorm van voedermiddelen en mengvoeders mogen niet de indruk wekken dat:
het diervoeder een ziekte voorkomt, behandelt of geneest, met uitzondering van coccidiostatica en histomonostatica, zoals toegestaan uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1831/2003; dit punt is echter niet van toepassing op claims betreffende voedingsonevenwichtigheden, mits daarmee geen ziektesymptomen worden geassocieerd;
het diervoeder een bijzonder voedingsdoel heeft als bepaald in de in artikel 9 bedoelde lijst van bestemmingen, tenzij het aan de daarin vermelde vereisten voldoet.
Artikel 14
Aanbiedingsvorm van etiketteringsgegevens
Artikel 15
Algemene verplichte etiketteringsvoorschriften
Een voedermiddel of een mengvoeder wordt alleen in de handel gebracht indien de volgende gegevens middels etikettering vermeld worden:
het soort diervoeder: „voedermiddel”, „volledig diervoeder” of „aanvullend diervoeder”, naargelang het geval;
de naam of handelsnaam en het adres van de voor de etikettering verantwoordelijke exploitant van het diervoederbedrijf;
indien beschikbaar, het erkenningnummer van de voor de etikettering verantwoordelijke persoon dat overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1774/2002 voor bedrijven die erkend zijn overeenkomstig artikel 23, lid 2, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1774/2002, of overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1774/2002 dan wel overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 183/2005 toegekend is. Indien de voor de etikettering verantwoordelijke persoon over verscheidene erkenningsnummers beschikt, gebruikt hij het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 183/2005 toegekende nummer;
het referentienummer van de partij of het lot;
de nettohoeveelheid, uitgedrukt in massa-eenheden voor vaste producten en in massa- of volume-eenheden voor vloeibare producten;
de lijst van toevoegingsmiddelen, voorafgegaan door het opschrift „toevoegingsmiddelen”, overeenkomstig hoofdstuk I van bijlage VI of VII, naargelang het geval, en onverminderd de etiketteringsvoorschriften vastgesteld in het rechtsinstrument waarbij de respectievelijke toevoegingsmiddelen werden toegelaten; en
het vochtgehalte overeenkomstig punt 6 van bijlage I.
Artikel 16
Specifieke verplichte etiketteringsvoorschriften voor voedermiddelen
Onverminderd het bepaalde in artikel 15 bevat de etikettering van voedermiddelen ook:
de naam van het voedermiddel; deze naam wordt gebruikt in overeenstemming met artikel 24, lid 5; en
de verplichte vermelding die overeenstemt met de desbetreffende categorie van de lijst in bijlage V; de verplichte vermelding kan worden vervangen door de gegevens welke voor elk voedermiddel van de desbetreffende categorie zijn vermeld in de in artikel 24 bedoelde communautaire catalogus.
Naast de in lid 1 bedoelde voorschriften, bevat de etikettering van voedermiddelen de volgende informatie wanneer er toevoegingsmiddelen in de voedermiddelen zijn verwerkt:
de diersoort of categorie dieren waarvoor het voedermiddel bestemd is, indien de desbetreffende toevoegingsmiddelen niet voor alle diersoorten zijn toegelaten of wanneer in de toelating ervan maximumgehalten gelden voor bepaalde diersoorten;
een gebruiksaanwijzing overeenkomstig bijlage II, punt 4, indien er voor de desbetreffende toevoegingsmiddelen een maximumgehalte is vastgesteld; en
de minimumhoudbaarheid indien andere dan technologische toevoegingsmiddelen zijn verwerkt.
Artikel 17
Specifieke verplichte etiketteringsvoorschriften voor mengvoeders
Onverminderd het bepaalde in artikel 15 bevat de etikettering van mengvoeders ook het volgende:
de diersoorten of categorieën dieren waarvoor het mengvoeder is bestemd;
de gebruiksaanwijzing met vermelding van de bestemming van het diervoeder; deze gebruiksaanwijzing is, indien van toepassing, in overeenstemming met bijlage II, punt 4;
indien de producent niet de voor de etikettering verantwoordelijke persoon is, worden de volgende gegevens verstrekt:
de vermelding van de minimumhoudbaarheid overeenkomstig de volgende voorschriften:
Indien de datum van vervaardiging op het etiket wordt vermeld, kan de minimumhoudbaarheidsdatum eveneens worden vermeld als „… (termijn in dagen of maanden) na de datum van vervaardiging”;
de lijst van de voedermiddelen waaruit het diervoeder bestaat, voorafgegaan door het opschrift „samenstelling”, waarbij de naam van ieder voedermiddel in overeenstemming met artikel 16, lid 1, onder a), en in dalende volgorde van gewicht berekend op basis van het vochtgehalte in het mengvoeder, wordt vermeld; die lijst mag ook het gewichtspercentage bevatten; en
in voorkomend geval, de verplichte vermeldingen overeenkomstig hoofdstuk II van bijlage VI of VII.
Voor de in lid 1, onder e), bedoelde lijst gelden de volgende voorschriften:
de naam en het gewichtspercentage van een voedermiddel worden vermeld indien de aanwezigheid ervan in woord of beeld of als grafische voorstelling in de etikettering wordt benadrukt;
indien de gewichtspercentages van de in mengvoeder verwerkte voedermiddelen voor voedselproducerende dieren niet in de etikettering worden vermeld, stelt de voor de etikettering verantwoordelijke persoon, onverminderd Richtlijn 2004/48/EG, de afnemer op verzoek informatie ter beschikking betreffende de kwantitatieve samenstelling binnen een bereik van +/– 15 % van de waarde volgens de voederformulering; en
in het geval van voor niet-voedselproducerende dieren, met uitzondering van pelsdieren, bestemd mengvoeder kan de vermelding van de specifieke benaming van het voedermiddel worden vervangen door de benaming van de categorie waartoe de voedermiddelen behoren.
Die maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 18
Aanvullende verplichte etiketteringsvoorschriften voor diervoeders met een bijzonder voedingsdoel
Onverminderd de algemene verplichte voorschriften overeenkomstig artikel 15, 16 of 17, wordt op het etiket voor diervoeders met een bijzonder voedingsdoel ook de volgende informatie vermeld:
de kwalificatie „dieet”, die uitsluitend is bestemd voor diervoeders met een bijzonder voedingsdoel, in combinatie met de benaming van het diervoeder overeenkomstig artikel 15, onder a);
de voor de desbetreffende bestemmingen in kolom 1 tot en met 6 van de in artikel 9 bedoelde lijst van bestemmingen voorgeschreven gegevens; en
de vermelding dat vóór het gebruik van het diervoeder of vóór de verlenging van de gebruikstermijn het advies van een voedingsdeskundige of een dierenarts moet worden ingewonnen.
Artikel 19
Aanvullende verplichte etiketteringsvoorschriften voor voeders voor gezelschapsdieren
Op het etiket van voeders voor gezelschapsdieren wordt een gratis telefoonnummer of een ander passend communicatiemiddel vermeld, zodat de afnemer naast de verplichte gegevens aanvullende informatie kan ontvangen over:
de in het voeder voor gezelschapsdieren verwerkte toevoegingsmiddelen; en
de verwerkte voedermiddelen waarvan de categorie overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder c), wordt vermeld.
Artikel 20
Aanvullende verplichte etiketteringsvoorschriften voor niet-conforme diervoeders
Die maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 21
Afwijkingen
Artikel 22
Facultatieve etikettering
Artikel 23
Verpakking
In afwijking van lid 1 mogen de volgende diervoeders in bulk of in niet-gesloten verpakkingen of recipiënten in de handel worden gebracht:
voedermiddelen;
mengvoeders uitsluitend verkregen door het vermengen van granen of hele vruchten;
onderlinge leveringen tussen producenten van mengvoeders;
rechtstreekse leveringen van mengvoeders van de producent aan de gebruiker van het diervoeder;
leveringen van producenten van mengvoeders aan verpakkingsbedrijven;
hoeveelheden mengvoeders met een gewicht van ten hoogste 50 kg, die bestemd zijn voor de eindgebruiker en die rechtstreeks afkomstig zijn uit een verzegelde verpakking of recipiënt; en
likstenen of -blokken.
HOOFDSTUK 5
COMMUNAUTAIRE CATALOGUS VAN VOEDERMIDDELEN EN COMMUNAUTAIRE GEDRAGSCODES VOOR ETIKETTERING
Artikel 24
Communautaire catalogus van voedermiddelen
Er wordt een communautaire catalogus van voedermiddelen (hierna „de catalogus” genoemd) opgesteld als hulpmiddel ter verbetering van de etikettering van voedermiddelen en mengvoeders. De catalogus vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie over de producteigenschappen en somt de voedermiddelen op niet-exclusieve wijze op. De catalogus bevat voor ieder opgenomen voedermiddel ten minste de volgende gegevens:
de benaming;
het identificatienummer;
een beschrijving van het voedermiddel, zo nodig met inbegrip van het productieproces;
gegevens ter vervanging van de verplichte vermelding in de zin van artikel 16, lid 1, onder b); en
een glossarium met de definities van de diverse vermelde procedés en technische begrippen.
Artikel 25
Communautaire gedragscodes voor etikettering
Artikel 26
Opstelling van de gedragscodes en wijzigingen van de communautaire catalogus en de communautaire gedragscodes
Ontwerpwijzingen van de communautaire catalogus en ontwerpgedragscodes alsook ontwerpwijzigingen daarvan worden opgesteld en gewijzigd door alle betrokken vertegenwoordigers van de verschillende sectoren van de Europese diervoederbranche:
in overleg met andere belanghebbende partijen, zoals de gebruikers van diervoeders;
in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en, zo nodig, de Autoriteit;
met inachtneming van de ervaringen op dit gebied aan de hand van adviezen van de Autoriteit en van de ontwikkeling van de wetenschappelijke of technische kennis.
Maatregelen die krachtens dit artikel worden vastgesteld dienen te voldoen aan de volgende voorwaarden:
zij zijn conform lid 1 opgesteld;
de inhoud ervan is in de gehele Gemeenschap toepasbaar voor de sectoren waarop zij betrekking hebben; en
zij sluiten aan bij de doelstellingen van deze verordening.
HOOFDSTUK 6
ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 27
Uitvoeringsmaatregelen
Die maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 28
Comitéprocedure
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk twee maanden, een maand en twee maanden.
Artikel 29
Wijziging van Verordening (EEG) nr. 1831/2003
Artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
punt d) wordt vervangen door:
indien van toepassing, het erkenningsnummer van het bedrijf dat het toevoegingsmiddel of het voormengsel overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne ( *1 ), in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 95/69/EG, vervaardigt of in de handel brengt;
de volgende alinea wordt toegevoegd aan het eind van lid 1:
„In het geval van voormengsels is het bepaalde onder b), d) e) en g), niet van toepassing op de verwerkte toevoegingsmiddelen.”.
Lid 3 wordt vervangen door:
Lid 4 wordt vervangen door:
Artikel 30
Intrekking
Artikel 16 van Richtlijn 70/524/EEG, de Richtlijnen 79/373/EEG, 80/511/EEG, 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG, en Beschikking 2004/217/EG worden ingetrokken met ingang van 1 september 2010.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen en de ingetrokken beschikking gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.
Artikel 31
Sancties
De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze verordening en treffen alle maatregelen die nodig zijn om de toepassing van die sancties te verzekeren. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 september 2010 van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.
Artikel 32
Overgangsmaatregelen
Artikel 33
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 september 2010.
De artikelen 31 en 32 zijn evenwel van toepassing met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
BIJLAGE I
Technische voorschriften inzake onzuiverheden, melkvervangers, voedermiddelen om te binden of te denatureren, het as- en vochtgehalte bedoeld in artikel 4
1. Overeenkomstig de goede praktijken als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 183/2005 moeten voedermiddelen vrij zijn van chemische onzuiverheden die het gevolg zijn van het productieproces en van technische hulpstoffen, tenzij er een specifiek maximumgehalte in de catalogus bedoeld in artikel 24 is vastgesteld.
2. De botanische zuiverheid van voedermiddelen moet ten minste 95 % bedragen, tenzij er een ander gehalte is vastgesteld in de catalogus bedoeld in artikel 24. Botanische onzuiverheden zijn bijvoorbeeld onzuiverheden van plantaardig materiaal die geen nadelige uitwerking hebben op de dieren, zoals stro en zaden van andere geteelde soorten of onkruidzaden. Botanische onzuiverheden zoals resten van andere oliehoudende zaden of vruchten, afkomstig van een eerder productieproces, mogen voor ieder soort oliehoudend zaad en oliehoudende vrucht niet meer dan 0,5 % bedragen.
3. Het ijzergehalte in melkvervangers voor kalveren met een levend gewicht van minder dan of gelijk aan 70 kg bedraagt ten minste 30 mg per kg van het volledige voeder bij een vochtgehalte van 12 %.
4. Wanneer voedermiddelen worden gebruikt om andere voedermiddelen te binden of te denatureren, kan het product nog steeds als voedermiddel worden beschouwd. De benaming, aard en hoeveelheid van het voor het binden of denatureren gebruikte voedermiddel worden op het etiket aangegeven. Als een voedermiddel door een ander voedermiddel wordt gebonden, mag het percentage van dit laatste voedermiddel niet meer bedragen dan 3 % van het totale gewicht.
5. Het gehalte aan in zoutzuur onoplosbare as mag niet meer dan 2,2 % van de droge stof bedragen. Het gehalte van 2,2 % mag echter worden overschreden bij:
mits het gehalte op het etiket wordt vermeld.
6. Voor zover er in bijlage V of de in artikel 24 genoemde catalogus geen ander gehalte is vastgelegd, moet het vochtgehalte van het diervoeder worden aangegeven, indien het hoger is dan:
BIJLAGE II
Algemene etiketteringsbepalingen bedoeld in artikel 11, lid 4
1. De aangegeven of de te vermelden gehalten hebben betrekking op het gewicht van het diervoeder, tenzij anders is vermeld.
2. Bij de numerieke vermelding van data wordt de volgorde dag, maand en jaar aangehouden en wordt het formaat op het etiket aangegeven met de volgende afkorting: „DD/MM/JJ”.
3. Synonieme begrippen in bepaalde talen:
in het Duits kan de benaming „Einzelfuttermittel” worden vervangen door „Futtermittel-Ausgangserzeugnis”, in het Grieks kan „πρώτη ύλη ζωοτροφών” worden vervangen door „απλή ζωοτροφή”, in het Italiaans kan „materia prima per mangimi” worden vervangen door „mangime semplice” en in het Tsjechisch kan „krmiva” naargelang van het geval worden vervangen door „producty ke krmení”;
bij de benaming van voeders voor gezelschapsdieren zijn de volgende begrippen toegestaan: in het Bulgaars „хранаfg”; in het Spaans „alimento”; in het Tsjechisch kan de benaming „kompletní krmná směs” worden vervangen door „kompletní krmivo” en kan „doplňková krmná směs” worden vervangen door „doplňkové krmivo”; in het Engels „pet food”; in het Italiaans „alimento”; in het Hongaars „állateledel”; in het Nederlands „samengesteld voeder”; in het Pools „karma”; in het Sloveens „hrana za hišne živali”; in het Fins „lemmikkieläinten ruoka”; in het Ests „lemmikloomatoit”; in het Kroatisch „hrana za kućne ljubimce”.
4. In de gebruiksaanwijzing voor aanvullende diervoeders en voedermiddelen die een hoger gehalte aan toevoegingsmiddelen bevatten dan de voor volledige diervoeders vastgestelde maximumgehalten, wordt de maximumhoeveelheid aangegeven:
teneinde te garanderen dat wordt voldaan aan de desbetreffende maximumhoeveelheid toevoegingsmiddelen in het dagrantsoen.
5. Onverminderd de analysemethoden kan, voor voeder voor gezelschapsdieren, het begrip „ruw eiwit” worden vervangen door „eiwit”, „ruw vet” kan worden vervangen door „vetgehalte” en „ruwe as” kan worden vervangen door „asrest” of „anorganische stof”.
BIJLAGE III
Lijst van middelen waarvan het in de handel brengen of het gebruik als diervoeding als bedoeld in artikel 6 aan beperkingen onderhevig of verboden is
Faecaliën, urine en de door het leegmaken of verwijderen van het spijsverteringskanaal vrijgekomen inhoud daarvan, ongeacht de behandeling die zij hebben ondergaan of het mengsel waarin zij zijn verwerkt.
Met looistoffen behandelde huiden en afval daarvan.
Na het oogsten met het oog op de bestemming ervan (voortplanting) met gewasbeschermingsmiddelen behandelde zaden en ander plantaardig teeltmateriaal, en de daarvan afgeleide bijproducten.
Hout, met inbegrip van zaagsel of andere van hout afgeleide materialen, dat is behandeld met houtconserveringsmiddelen zoals gedefinieerd in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden ( 7 ).
Alle afval dat is verkregen in de diverse stadia van de behandeling van stedelijk, huishoudelijk en industrieel afvalwater zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater ( 8 ), ongeacht eventuele verdere behandeling van dit afval en ongeacht de oorsprong van het afvalwater ( 9 ).
Vast stadsafval ( 10 ), zoals huishoudelijk afval.
Verpakkingen en delen van verpakkingen afkomstig van het gebruik van producten van de voedingsmiddelenindustrie.
Eiwitproducten, verkregen uit op n-alkanen gekweekte gisten van de soort „Candida”.
BIJLAGE IV
Toegestane toleranties voor de etikettering van de samenstelling van voedermiddelen of mengvoeders als bedoeld in artikel 11, lid 5
Deel A: Toleranties voor de in de bijlagen I, V, VI en VII opgenomen analytische bestanddelen
1) De in dit deel vastgestelde toleranties omvatten technische en analyseafwijkingen. Zodra op het niveau van de Unie analytische toleranties voor meetonzekerheden en procedurevarianten zijn vastgesteld, moeten de in punt 2 vastgelegde waarden dienovereenkomstig worden aangepast, zodat zij slechts de technische toleranties betreffen.
2) Wanneer geconstateerd wordt dat de samenstelling van een voedermiddel of een mengvoeder afwijkt van de op het etiket aangegeven waarde van de in de bijlagen I, V, VI en VII opgenomen analytische bestanddelen, zijn de volgende toleranties van toepassing:
|
Bestanddeel |
Opgegeven gehalte van het bestanddeel |
Tolerantie (1) |
|
|
|
[%] |
Onder de waarde op het etiket |
Boven de waarde op het etiket |
|
ruw vet |
< 8 |
1 |
2 |
|
8-24 |
12,5 % |
25 % |
|
|
> 24 |
3 |
6 |
|
|
ruw vet, diervoeders voor niet-voedselproducerende dieren |
< 16 |
2 |
4 |
|
16-24 |
12,5 % |
25 % |
|
|
> 24 |
3 |
6 |
|
|
ruw eiwit |
< 8 |
1 |
1 |
|
8-24 |
12,5 % |
12,5 % |
|
|
> 24 |
3 |
3 |
|
|
ruw eiwit, diervoeders voor niet-voedselproducerende dieren |
< 16 |
2 |
2 |
|
16-24 |
12,5 % |
12,5 % |
|
|
> 24 |
3 |
3 |
|
|
ruwe as |
< 8 |
2 |
1 |
|
8-32 |
25 % |
12,5 % |
|
|
> 32 |
8 |
4 |
|
|
ruwe celstof |
< 10 |
1,75 |
1,75 |
|
10-20 |
17,5 % |
17,5 % |
|
|
> 20 |
3,5 |
3,5 |
|
|
suiker |
< 10 |
1,75 |
3,5 |
|
10-20 |
17,5 % |
35 % |
|
|
> 20 |
3,5 |
7 |
|
|
zetmeel |
< 10 |
3,5 |
3,5 |
|
10-20 |
35 % |
35 % |
|
|
> 20 |
7 |
7 |
|
|
calcium |
< 1 |
0,3 |
0,6 |
|
1-5 |
30 % |
60 % |
|
|
> 5 |
1,5 |
3 |
|
|
magnesium |
< 1 |
0,3 |
0,6 |
|
1-5 |
30 % |
60 % |
|
|
> 5 |
1,5 |
3 |
|
|
natrium |
< 1 |
0,3 |
0,6 |
|
1-5 |
30 % |
60 % |
|
|
> 5 |
1,5 |
3 |
|
|
totaal fosfor |
< 1 |
0,3 |
0,3 |
|
1-5 |
30 % |
30 % |
|
|
> 5 |
1,5 |
1,5 |
|
|
in zoutzuur onoplosbare as |
< 1 |
geen grenswaarden vastgesteld |
0,3 |
|
►M4 1-5 ◄ |
30 % |
||
|
> 5 |
1,5 |
||
|
kalium |
< 1 |
0,2 |
0,4 |
|
1-5 |
20 % |
40 % |
|
|
> 5 |
1 |
2 |
|
|
vocht |
< 2 |
geen grenswaarden vastgesteld |
0,4 |
|
2-< 5 |
20 % |
||
|
5-12,5 |
1 |
||
|
> 12,5 |
8 % |
||
|
energiewaarde (2) |
|
5 % |
10 % |
|
eiwitwaarde (2) |
|
10 % |
20 % |
|
(1)
De toleranties worden ofwel als absolute procentuele waarde vermeld (die waarde moet worden afgetrokken van/opgeteld bij de opgegeven waarde), ofwel als relatieve waarde met „%” vermeld na de waarde (dit percentage moet op het opgegeven gehalte worden toegepast om de aanvaardbare afwijking te berekenen).
(2)
De toleranties zijn toepasselijk wanneer er geen tolerantie is vastgesteld volgens een EU-methode of een officiële nationale methode in de lidstaat waarin het voeder in de handel wordt gebracht, of volgens een door het Europees Comité voor Normalisatie goedgekeurde methode (https://standards.cen.eu/dyn/www/f?p=204:32:0::::FSP_ORG_ID,FSP_LANG_ID:6308,25&cs=1C252307F473504B6354F4EE56B99E235). |
|||
Deel B: Toleranties voor toevoegingsmiddelen die geëtiketteerd zijn overeenkomstig de bijlagen I, V, VI en VII
1) De in dit deel vastgestelde toleranties omvatten alleen technische afwijkingen. Deze zijn van toepassing op toevoegingsmiddelen in de lijst van toevoegingsmiddelen en in de lijst van analytische bestanddelen.
Voor als analytische bestanddelen vermelde toevoegingsmiddelen zijn de toleranties van toepassing op de totale hoeveelheid die op de etikettering is vermeld als de gegarandeerde hoeveelheid aan het einde van de minimumhoudbaarheid van het diervoeder.
Wanneer wordt geconstateerd dat het gehalte van een toevoegingsmiddel in een voedermiddel of mengvoeder onder het opgegeven gehalte ligt, zijn de volgende toleranties van toepassing ( 11 ):
10 % indien het opgegeven gehalte 1 000 eenheden of meer bedraagt;
100 eenheden voor opgegeven gehalten van 500 tot 1 000 eenheden;
20 % van het opgegeven gehalte voor opgegeven gehalten van 1 eenheid tot 500 eenheden;
0,2 eenheid voor opgegeven gehalten van 0,5 eenheid tot 1 eenheid;
40 % van het opgegeven gehalte voor opgegeven gehalten van minder dan 0,5 eenheid.
2) Wanneer een minimum- en/of maximumgehalte van een toevoegingsmiddel in diervoeder in het desbetreffende vergunningsbesluit voor dat toevoegingsmiddel is vastgesteld, zijn de technische toleranties overeenkomstig punt 1 slechts boven een minimumgehalte en onder een maximumgehalte van toepassing, naargelang van het geval.
3) Zolang het vastgestelde maximumgehalte van een toevoegingsmiddel als bedoeld in punt 2 niet wordt overschreden, mag de afwijking naar boven van het opgegeven gehalte het drievoudige van de in punt 1 vermelde tolerantie bedragen. Indien voor de tot de groep van de micro-organismen behorende toevoegingsmiddelen in het desbetreffende vergunningsbesluit voor dat toevoegingsmiddel een maximumgehalte is vastgesteld, vormt het maximumgehalte echter de maximale toegestane waarde.
BIJLAGE V
Verplichte vermelding voor voedermiddelen voor de toepassing van artikel 16, lid 1, onder b)
|
|
Voedermiddel bestaande uit |
Verplichte vermelding van |
|
1. |
Voedergewassen en ruwvoedergewassen |
Ruw eiwit, indien > 10 % Ruwe celstof |
|
2. |
Granen |
|
|
3. |
Van granen afgeleide producten en bijproducten |
Zetmeel, indien > 20 % Ruw eiwit, indien > 10 % Ruw vet, indien > 5 % Ruwe celstof |
|
4. |
Oliehoudende zaden, oliehoudende vruchten |
|
|
5. |
Van oliehoudende zaden en oliehoudende vruchten afgeleide producten en bijproducten |
Ruw eiwit, indien > 10 % Ruw vet, indien > 5 % Ruwe celstof |
|
6. |
Zaden van peulvruchten |
|
|
7. |
Van zaden van peulvruchten afgeleide producten en bijproducten |
Ruw eiwit, indien > 10 % Ruwe celstof |
|
8. |
Knollen, wortels |
|
|
9. |
Van knollen en wortels afgeleide producten en bijproducten |
Zetmeel Ruwe celstof In HCl onoplosbare as, indien > 3,5 % van de droge stof |
|
10. |
Producten en bijproducten van de suikerbietverwerkende industrie |
Ruwe celstof, indien > 15 % Totaal suikers (sacharose) In HCl onoplosbare as, indien > 3,5 % van de droge stof |
|
11. |
Producten en bijproducten van de suikerrietverwerkende industrie |
Ruwe celstof, indien > 15 % Totaal suikers (sacharose) |
|
12. |
Overige zaden en vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten, met uitzondering van die welke in 2 t/m 7 worden genoemd |
Ruw eiwit Ruwe celstof Ruw vet, indien > 10 % |
|
13. |
Overige planten en daarvan afgeleide producten en bijproducten, met uitzondering van die welke in 8 t/m 11 worden genoemd |
Ruw eiwit, indien > 10 % Ruwe celstof |
|
14. |
Melkproducten en bijproducten |
Ruw eiwit Vochtgehalte, indien > 5 % Lactose, indien > 10 % |
|
15. |
Van landdieren afgeleide producten en bijproducten |
Ruw eiwit, indien > 10 % Ruw vet, indien > 5 % Vochtgehalte, indien > 8 % |
|
16. |
Vis, andere zeedieren en daarvan afgeleide producten en bijproducten |
Ruw eiwit, indien > 10 % Ruw vet, indien > 5 % Vochtgehalte, indien > 8 % |
|
17. |
Mineralen |
Calcium Natrium Fosfor Overige relevante mineralen |
|
18. |
Diversen |
Ruw eiwit, indien > 10 % Ruwe celstof Ruw vet, indien > 10 % Zetmeel, indien > 30 % Totaal suikers (als sacharose), indien > 10 % In HCl onoplosbare as, indien > 3,5 % van de droge stof |
BIJLAGE VI
Etiketteringsgegevens voor voedermiddelen en mengvoeder voor voedselproducerende dieren
Hoofdstuk I: Verplichte en vrijwillige etikettering van toevoegingsmiddelen als bedoeld in artikel 15, onder f), en artikel 22, lid 1
1. De volgende toevoegingsmiddelen worden vermeld met hun specifieke benaming, identificatienummer, toegevoegde hoeveelheid, en de naam van de desbetreffende functionele groep als vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 of de categorie als bedoeld in artikel 6, lid 1, van die verordening:
toevoegingsmiddelen waarvoor een maximumgehalte is vastgesteld voor ten minste één voedselproducerend dier;
toevoegingsmiddelen die behoren tot de categorieën „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en „coccidiostatica en histomonostatica”;
toevoegingsmiddelen waarvoor de bij de wetgevingshandeling ter verlening van een vergunning voor het toevoegingsmiddel vastgestelde aanbevolen maximumgehalten zijn overschreden.
De etiketteringsgegevens worden vermeld overeenkomstig de wetgevingshandeling waarbij een vergunning wordt verleend voor het desbetreffende toevoegingsmiddel.
De in punt 1 bedoelde toegevoegde hoeveelheid wordt uitgedrukt als de hoeveelheid toevoegingsmiddel, behalve indien in de wetgevingshandeling waarbij een vergunning wordt verleend voor het desbetreffende toevoegingsmiddel een stof is vermeld in de kolom „minimum-/maximumgehalte”. In dat geval wordt de toegevoegde hoeveelheid uitgedrukt als de hoeveelheid van die stof.
2. Voor toevoegingsmiddelen die behoren tot de functionele groep „vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een soortgelijke werking” en die overeenkomstig punt 1 moeten worden vermeld, mag de totale hoeveelheid die tijdens de volledige houdbaarheidsduur is gegarandeerd, op de etikettering worden vermeld onder het opschrift „Analytische bestanddelen” in plaats van een vermelding van de toegevoegde hoeveelheid onder het opschrift „Toevoegingsmiddelen”.
3. De benaming van de functionele groep zoals bedoeld in de punten 1, 4 en 6 kan worden vervangen door de volgende afkorting, indien die afkorting niet is vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1831/2003;
|
Functionele groep |
Benaming en omschrijving |
Afgekorte benaming |
|
1h |
Stoffen ter bestrijding van radionuclidecontaminatie: stoffen die de absorptie van radionucliden tegengaan of de afscheiding ervan bevorderen |
Radionuclidebestrijders |
|
1 m |
Stoffen ter vermindering van de verontreiniging van diervoeding met mycotoxinen: stoffen die de absorptie van mycotoxinen tegengaan of verminderen, de afscheiding ervan bevorderen of de werking ervan wijzigen |
Mycotoxineverminderaars |
|
1n |
Hygiënebevorderingsmiddelen: stoffen of, indien van toepassing, micro-organismen die een gunstig effect hebben op de diervoederhygiëne door specifieke bacteriële besmettingen terug te dringen |
Hygiëneverbeteraars |
|
2b |
Aromatische stoffen: stoffen die de diervoeders waaraan zij zijn toegevoegd geuriger of smakelijker maken |
Smaakstoffen |
|
3a |
Vitaminen, provitaminen en in chemische termen gedefinieerde stoffen met een gelijkaardige werking |
Vitaminen |
|
3b |
Verbindingen van sporenelementen |
Sporenelementen |
|
3c |
Aminozuren, de zouten en de analogen daarvan |
Aminozuren |
|
3d |
Ureum en zijn derivaten |
Ureum |
|
4c |
Stoffen die een gunstig effect hebben op het milieu |
Milieuverbeteraars |
4. Toevoegingsmiddelen die in woord of beeld of als grafische voorstelling op de etikettering worden benadrukt, moeten overeenkomstig punt 1 of punt 2 worden vermeld, naargelang het geval.
5. De voor de etikettering verantwoordelijke persoon deelt de afnemer op zijn verzoek de namen, het identificatienummer en de functionele groep mee van de toevoegingsmiddelen die niet in de punten 1, 2 en 4 vermeld zijn. Deze bepaling is niet van toepassing op aromatische stoffen.
6. Niet in de punten 1, 2 en 4 vermelde toevoegingsmiddelen kunnen facultatief worden vermeld met ten minste de naam ervan of, bij aromatische stoffen, de functionele groep ervan.
7. Onverminderd punt 6 wordt de toegevoegde hoeveelheid van een sensorisch of nutritioneel toevoegingsmiddel aangegeven overeenkomstig punt 1 indien dit middel facultatief op het etiket wordt vermeld; in het geval van toevoegingsmiddelen van de functionele groep „vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een soortgelijke werking” wordt de totale hoeveelheid die tijdens de volledige houdbaarheidsduur is gegarandeerd, aangegeven overeenkomstig punt 2.
8. Als een toevoegingsmiddel tot meer dan één functionele groep behoort, wordt de functionele groep of categorie vermeld die past bij de voornaamste functie ervan in het desbetreffende diervoeder.
9. De etiketteringsgegevens met betrekking tot het juiste gebruik van voedermiddelen en mengvoeders die zijn vastgesteld in de wetgevingshandeling waarbij een vergunning wordt verleend voor het desbetreffende toevoegingsmiddel, moeten worden vermeld.
Hoofdstuk II: Etikettering van analytische bestanddelen als bedoeld in artikel 17, lid 1, onder f), en artikel 22, lid 1
1. De analytische bestanddelen van mengvoeder voor voedselproducerende dieren worden als volgt geëtiketteerd, onder het opschrift „Analytische bestanddelen” ( 12 ):
|
Mengvoeders |
Doelsoorten |
Analytische bestanddelen en gehalten |
|
Volledige diervoeders |
Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Varkens en pluimvee Varkens en pluimvee |
— Ruw eiwit — Ruwe celstof — Ruw vet — Ruwe as — Calcium — Natrium — Fosfor — Lysine — Methionine |
|
Aanvullende diervoeders — Mineraalvoeders |
Alle soorten Alle soorten Alle soorten Varkens en pluimvee Varkens en pluimvee Herkauwers |
— Calcium — Natrium — Fosfor — Lysine — Methionine — Magnesium |
|
Aanvullende diervoeders — Andere |
Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Alle soorten Varkens en pluimvee Varkens en pluimvee Herkauwers |
— Ruw eiwit — Ruwe celstof — Ruw vet — Ruwe as — Calcium ≥ 5 % — Natrium — Fosfor ≥ 2 % — Lysine — Methionine — Magnesium ≥ 0,5 % |
2. De stoffen die onder dit opschrift worden aangeven en eveneens sensorische of nutritionele toevoegingsmiddelen zijn, moeten worden vermeld met hun totale hoeveelheid.
3. Indien de energie- en/of eiwitwaarde worden vermeld, gebeurt dit overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/2004.
BIJLAGE VII
Etiketteringsgegevens voor voedermiddelen en mengvoeder voor niet-voedselproducerende dieren
Hoofdstuk I: Verplichte en vrijwillige etikettering van toevoegingsmiddelen als bedoeld in artikel 15, onder f), en artikel 22, lid 1
1. De volgende toevoegingsmiddelen worden vermeld met hun specifieke benaming en/of identificatienummer, toegevoegde hoeveelheid, en de naam van de desbetreffende functionele groep als vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 of de categorie als bedoeld in artikel 6, lid 1, van die verordening:
toevoegingsmiddelen waarvoor een maximumgehalte is vastgesteld voor ten minste één niet-voedselproducerend dier;
toevoegingsmiddelen die behoren tot de categorieën „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en „coccidiostatica en histomonostatica”;
toevoegingsmiddelen waarvoor de bij de wetgevingshandeling ter verlening van een vergunning voor het toevoegingsmiddel vastgestelde aanbevolen maximumgehalten zijn overschreden.
De etiketteringsgegevens worden vermeld overeenkomstig de wetgevingshandeling waarbij een vergunning wordt verleend voor het desbetreffende toevoegingsmiddel.
De in punt 1 bedoelde toegevoegde hoeveelheid wordt uitgedrukt als de hoeveelheid toevoegingsmiddel, behalve indien in de wetgevingshandeling waarbij een vergunning wordt verleend voor het desbetreffende toevoegingsmiddel een stof is vermeld in de kolom „minimum-/maximumgehalte”. In dat geval wordt de toegevoegde hoeveelheid uitgedrukt als de hoeveelheid van die stof.
2. Voor toevoegingsmiddelen die behoren tot de functionele groep „vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een soortgelijke werking” en die overeenkomstig punt 1 moeten worden vermeld, mag de totale hoeveelheid die tijdens de volledige houdbaarheidsduur is gegarandeerd, op de etikettering worden vermeld onder het opschrift „Analytische bestanddelen” in plaats van een vermelding van de toegevoegde hoeveelheid onder het opschrift „Toevoegingsmiddelen”.
3. De benaming van de functionele groep zoals bedoeld in de punten 1, 5 en 7 kan worden vervangen door de afkorting volgens de tabel in bijlage VI, punt 3, indien die afkorting niet is vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.
4. Toevoegingsmiddelen die in woord of beeld of als grafische voorstelling op de etikettering worden benadrukt, moeten overeenkomstig punt 1 of punt 2 worden vermeld, al naargelang het geval.
5. In afwijking van punt 1 moet voor toevoegingsmiddelen van de functionele groepen „conserveermiddelen”, „antioxidanten”, „kleurstoffen” en „aromatische stoffen” alleen de desbetreffende functionele groep worden vermeld. In dit geval wordt de in de punten 1 en 2 bedoelde informatie door de voor de etikettering verantwoordelijke persoon desgevraagd aan de afnemer verstrekt.
6. De voor de etikettering verantwoordelijke persoon deelt de afnemer op zijn verzoek de namen, het identificatienummer en de functionele groep mee van de toevoegingsmiddelen die niet in de punten 1, 2 en 4 vermeld zijn. Deze bepaling is niet van toepassing op aromatische stoffen.
7. Niet in de punten 1, 2 en 4 vermelde toevoegingsmiddelen kunnen facultatief worden vermeld met ten minste de naam ervan of, bij aromatische stoffen, de functionele groep ervan.
8. Onverminderd punt 7 wordt de toegevoegde hoeveelheid van een sensorisch of nutritioneel toevoegingsmiddel aangegeven overeenkomstig punt 1 indien dit middel facultatief op het etiket wordt vermeld; in het geval van toevoegingsmiddelen van de functionele groep „vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een soortgelijke werking” wordt de totale hoeveelheid die tijdens de volledige houdbaarheidsduur is gegarandeerd, aangegeven overeenkomstig punt 2.
9. Als een toevoegingsmiddel tot meer dan één functionele groep behoort, wordt de functionele groep of categorie vermeld die past bij de voornaamste functie ervan in het desbetreffende diervoeder.
10. De etiketteringsgegevens met betrekking tot het juiste gebruik van voedermiddelen en mengvoeders die zijn vastgesteld in de wetgevingshandeling waarbij een vergunning wordt verleend voor het desbetreffende toevoegingsmiddel, moeten worden vermeld.
Hoofdstuk II: Etikettering van analytische bestanddelen als bedoeld in artikel 17, lid 1, onder f), en artikel 22, lid 1
1. De analytische bestanddelen van mengvoeder voor niet-voedselproducerende dieren worden vermeld onder het opschrift „Analytische bestanddelen” ( 13 ) en als volgt geëtiketteerd:
|
Mengvoeders |
Doelsoorten |
Analytische bestanddelen |
|
Volledige diervoeders |
Honden, katten en pelsdieren Honden, katten en pelsdieren Honden, katten en pelsdieren Honden, katten en pelsdieren |
— Ruw eiwit — Ruwe celstof — Ruw vet — Ruwe as |
|
Aanvullende diervoeders — Mineraalvoeders |
Alle soorten Alle soorten Alle soorten |
— Calcium — Natrium — Fosfor |
|
Aanvullende diervoeders — Andere |
Honden, katten en pelsdieren Honden, katten en pelsdieren Honden, katten en pelsdieren Honden, katten en pelsdieren |
— Ruw eiwit — Ruwe celstof — Ruw vet — Ruwe as |
2. De stoffen die onder dit opschrift worden aangeven en eveneens sensorische of nutritionele toevoegingsmiddelen zijn, moeten worden vermeld met hun totale hoeveelheid.
3. Indien de energie- en/of eiwitwaarde worden vermeld, gebeurt dit overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/2004.
BIJLAGE VIII
Specifieke bepalingen betreffende de etikettering van diervoeders die niet voldoen aan de communautaire vereisten inzake veiligheid en handelskwaliteit als bedoeld in artikel 20, lid 1
1. Verontreinigd diervoeder wordt geëtiketteerd als „diervoeder met een te hoog gehalte aan … (benaming van de ongewenste stof(fen) overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG), uitsluitend na ontgifting in goedgekeurde inrichtingen te gebruiken als diervoederf”. De goedkeuring van deze inrichtingen berust op artikel 10, lid 2 of lid 3, van Verordening (EG) nr. 183/2005.
2. Indien het de bedoeling is om de verontreiniging te verminderen of geheel te verwijderen door reinigen, bevat de etikettering van de verontreinigde materialen de vermelding „diervoeder met een te hoog gehalte aan … (benaming van de ongewenste stof(fen) overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG), uitsluitend na grondige reiniging te gebruiken als diervoeder”.
3. Onverminderd de punten 1 en 2 wordt op het etiket van voormalige voedingsmiddelen die moeten worden verwerkt voordat zij als diervoeders kunnen worden gebruikt, het volgende vermeld: „voormalig voedingsmiddel, alleen te gebruiken als voedermiddel na … (benaming van het geschikte proces overeenkomstig deel B van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 68/2013)”.
BIJLAGE IX
CONCORDANTIETABEL
|
Richtlijn 79/373/EEG |
Richtlijn 96/25/EG |
Andere besluiten: Richtlijnen 80/511/EEG (1), 82/471/EEG (2), 93/74/EEG (3), 93/113/EG (4) of Beschikking 2004/217/EG (5) |
Deze verordening |
|
— |
— |
— |
Artikel 1 |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
(2), (4): Artikel 1 (3): Artikel 4 |
Artikel 2 |
|
Artikel 2 |
Artikel 2 |
(2), (3): Artikel 2 |
Artikel 3 |
|
— |
— |
— |
Artikel 4, lid 1 |
|
Artikel 3 |
Artikel 3 |
(3): Artikel 1, lid 2 |
Artikel 4, lid 2 |
|
|
Artikel 4 |
|
Artikel 4, lid 3 |
|
— |
— |
— |
Artikel 5, lid 1 |
|
Artikel 12 |
|
(3): Artikel 10, lid 2 |
Artikel 5, lid 2 |
|
Artikel 10 bis, lid 3 |
Artikel 11, onder b) |
(2): Artikel 8 |
Artikel 6 |
|
— |
— |
— |
Artikel 7 |
|
— |
— |
— |
Artikel 8 |
|
|
|
(3): Artikel 3 |
Artikel 9 |
|
|
|
(3): Artikel 6 |
Artikel 10 |
|
Artikel 5 sexies |
|
|
Artikel 11, lid 1 |
|
Artikel 5, lid 2 |
Artikel 5, lid 1 |
(2): Artikel 5, lid 2 |
Artikel 11, lid 2 |
|
— |
— |
— |
Artikel 11, lid 3 |
|
Artikel 5, lid 6 |
Artikel 4 en artikel 6, lid 4 |
|
Artikel 11, lid 4 |
|
Artikel 6 |
Artikel 4 |
|
Artikel 11, lid 5 |
|
Artikel 5, lid 1 |
Artikel 5, lid 1 |
|
Artikel 12 |
|
Artikel 5 sexies |
Artikel 5, lid 2 |
(3): Artikel 5, lid 6 |
Artikel 13 |
|
Artikel 5, lid 1, artikel 11 |
Artikel 5, lid 1, artikel 9 |
|
Artikel 14 |
|
Artikel 5, lid 1, en artikel 5, lid 5, onder c) |
Artikel 5, lid 1 |
(4): Artikel 7, lid 1, onder e), en Richtlijn 70/524/EEG: Artikel 16 |
Artikel 15 |
|
|
Artikel 5, lid 1, onder c) en d), en artikel 7 |
|
Artikel 16 |
|
Artikel 5, lid 1, artikel 5 quater en artikel 5 quinquies |
|
|
Artikel 17, lid 1 |
|
— |
— |
— |
Artikel 17, lid 2 |
|
Artikel 5 quater, lid 3 |
|
|
Artikel 17, lid 3 |
|
|
|
(3): Artikel 5, leden 1, 4 en 7, en artikel 6, onder a) |
Artikel 18 |
|
— |
— |
— |
Artikel 19 |
|
|
Artikel 8 |
|
Artikel 20 |
|
|
Artikel 6, lid 1, onder a) |
|
Artikel 21, lid 1 |
|
Artikel 5, lid 5, onder d) |
|
|
Artikel 21, lid 2 |
|
|
Artikel 6, lid 3, onder a) |
|
Artikel 21, lid 3 |
|
Artikel 5, lid 5, onder b) |
|
|
Artikel 21, lid 4 |
|
Artikel 5, lid 5, onder a) |
|
|
Artikel 21, lid 5 |
|
Artikel 5, lid 2 |
Artikel 5, lid 3, en artikel 6, lid 1, onder b) |
|
Artikel 21, lid 6 |
|
— |
— |
— |
Artikel 21, lid 7 |
|
Artikel 14, onder c) |
|
|
Artikel 21, lid 8 |
|
Artikel 5, lid 3, artikel 5 quater, lid 4, en artikel 5 quinquies |
Artikel 5, lid 2 |
|
Artikel 22 |
|
Artikel 4, lid 1 |
|
(1): Artikel 1 |
Artikel 23 |
|
— |
— |
— |
Artikel 24 |
|
— |
— |
— |
Artikel 25 |
|
— |
— |
— |
Artikel 26 |
|
Artikel 10 |
Artikel 11 |
|
Artikel 27 |
|
Artikel 13 |
Artikel 13 |
(2): Artikelen 13 en 14 (3): Artikel 9 |
Artikel 28 |
|
— |
— |
— |
Artikel 29 |
|
— |
— |
— |
Artikel 30 |
|
— |
— |
— |
Artikel 31 |
|
— |
— |
— |
Artikel 32 |
|
— |
— |
— |
Artikel 33 |
|
Bijlage, deel A, punten 2, 3 en 4 |
Bijlage, deel A, II en VI |
|
Bijlage I |
|
Bijlage, deel A, punt 1 en artikel 5, lid 6 |
Artikel 6, lid 4 |
|
Bijlage II |
|
|
|
(5): Bijlage |
Bijlage III |
|
Bijlage, deel A, punt 5 en 6 |
Bijlage, deel A, VII |
|
Bijlage IV |
|
|
Bijlage, deel C |
|
Bijlage V |
|
Bijlage, deel B |
|
|
Bijlage VI |
|
Bijlage, deel B |
|
|
Bijlage VII |
( 1 ) PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.
( 2 ) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.
( 3 ) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
( 4 ) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24.
( 5 ) PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.
( 6 ) PB L 144 van 4.6.1997, blz. 19.
( *1 ) PB L 35 van 8.2.2005, blz. 1.”;
( *2 ) PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1.”.
( 7 ) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
( 8 ) PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40.
( 9 ) De term „afvalwater” heeft geen betrekking op „proceswater”, d.w.z. water uit onafhankelijke circuits in levensmiddelen- of diervoederbedrijven; deze circuits mogen, bij gebruik van het water in de diervoeding, uitsluitend met gezond en schoon water worden gevuld, als nader gespecificeerd in artikel 4 van Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32). In de visserijsector mogen de betrokken circuits ook worden gevuld met schoon zeewater, als gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1). Proceswater mag uitsluitend in de diervoeding worden gebruikt wanneer het materiaal van diervoeders of van levensmiddelen bevat en technisch vrij is van reinigingsmiddelen, ontsmettingsmiddelen of andere stoffen die niet zijn toegestaan in het kader van de diervoederwetgeving.
( 10 ) De term „vast stadsafval” heeft geen betrekking op keukenafval en etensresten als gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1774/2002.
( 11 ) In dit punt betekent 1 eenheid 1 mg, 1 000 IE, 1×109 KVE of 100 enzymactiviteitseenheden van het desbetreffende toevoegingsmiddel per kg diervoeder, naargelang van het geval.
( 12 ) In het Duits kan de benaming „analytische Bestandteile” worden vervangen door „Inhaltsstoffe”, In het Zweeds kan de benaming „Analytiska beståndsdelar” worden vervangen door „Analyserat innehåll”.
( 13 ) In het Duits kan de benaming „analytische Bestandteile” worden vervangen door „Inhaltsstoffe”, In het Zweeds kan de benaming „Analytiska beståndsdelar” worden vervangen door „Analyserat innehåll”.